Volltext anzeigen11 Seiten
Seite 1
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)Meilen,
AAA
Hon cani ,
Y qa 66 p lo} tti)
VA
a
Spetterend Ionié, wieg van
wetenschap en wijsbegeerte
P.A. Meijer
Niemand weet waarom nu juist in Ionié en
met name in Milete de filosofie tot ontwikkeling is gekomen. Het is niet zo dat voordat de filosofie tot ontwikkeling kwam, er
niet werd nagedacht. Er werd zelfs systematisch nagedacht. Hesiodus legt uit hoe
de genealogie van de goden eruit ziet, en
dat is een uitgebreid systeem van verwantschap. Bovendien, goden zoals Zeus, Gaia,
Poseidon, en Hades vertegenwoordigen
respectievelijk de hemel, de aarde, de zee
en de onderwereld, en men kan dat gerust
als een wereldbeeld opvatten. Hesiodus
sprak ook over de corsprong van de wereld. Het eerst ontstond het Chaos', een
enorme donkere, winderige ruimte, daarna Gaia, de aarde, en Eros. Gaia bracht
vervolgens Ouranos voort, de sterrenrijke
hemel, die haar geheel omhulde. Dit alles
speelde zich blijkbaar af in het Chaos.
Ondanks het feit dat het hier over de oorsprong gaat, kan men toch niet van filosofie spreken: er is nog sprake van het kleden van het denken in een mythologisch
gewaad?. Hesiodus’ werk heet niet voor
niets Theogonie: godengeboorte.
Hesiodus schreef omstreeks 750 vóór
Christus. Gedurende ruim een eeuw zag
niemand in Griekenland er iets in om een
nieuwe opzet van denken te lanceren door
de goden buiten spel te zetten en zich een
beeld te vormen van het ontstaan van de
wereld op basis van een of ander beginsel.
Na een eeuw trad er toch iemand op die
het eens op een andere manier wilde proberen. En men moet aannemen dat die andere manier er nooit gekomen was als het
genie van één individu niet had ingegrepen. Andere volken die soortgelijke genealogieén en theogonieén bezaten, hebben
nimmer de weg van de filosofie ingeslagen. Die ene man kwam uit Milete en
werkte in geheel lonié: Thales. Waarom
Jonié? Zeker, het gonsde in Ionié van intellectualiteit, maar dat is nog geen reden om
te gaan filosoferen. Waarom in Milete?
Zeker, het zeevarende Milete was door tal
van kolonién’ met de rest van de wereld
verbonden, maar dat gold ook voor andere
steden, waar nimmer iemand opstond met
de stoutmoedige denkbeelden zoals Thales
die gelanceerd heeft. Na diens optreden
treffen we ook andere specimina van dat
nieuwe merkwaardige genus aan: filosofen; eerst in Milete Anaximander en
Anaximenes, en later elders in Ionié. In
Ephese, op enige afstand van Milete, vinden we Heraclitus en op Samos dat vlak
bij Milete ligt is Pythagoras opgegroeid.
Maar veel is in de nevelen van het begin
gehuld.
Ik liet de filosofie met Thales van Milete
beginnen, zoals Aristoteles doet. Er zou
ook veel voor te zeggen zijn om
Anaximander tot de eerste filosoof te promoveren, omdat zijn leer de eerste ‘abstractie’ in de geschiedenis lanceert, namelijk een Apeiron waaruit alles ontstaat en
waarin alles ondergaat en dat niet geidentificeerd kan worden met iets uit deze werkelijkheid om ons heen, maar er de oorsprong van is’. Hij is van mening dat er
zoiets als een Big Bang geweest is, waaruit
deze wereld te voorschijn is getreden.
Daarover kom ik nog apart te spreken.
Anaximanders leer is van een ongehoorde
Seite 2
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)Spetterend Ionië, wieg van
wetenschap en wijsbegeerte
P.A. Meijer
Niemand weet waarom nu juist in Ionië en
met name in Milete de filosofie tot ontwikkeling is gekomen. Het is niet zo dat voordat de filosofie tot ontwikkeling kwam, er
niet werd nagedacht. Er werd zelfs systematisch nagedacht. Hesiodus legt uit hoe
de genealogie van de goden eruit ziet, en
dat is een uitgebreid systeem van verwantschap. Bovendien, goden zoals Zeus, Gaia,
Poseidon, en Hades vertegenwoordigen
respectievelijk de hemel, de aarde, de zee
en de onderwereld, en men kan dat gerust
als een wereldbeeld opvatten. Hesiodus
sprak ook over de oorsprong van de wereld. Het eerst ontstond het Chaos1, een
enorme donkere, winderige ruimte, daarna Gaia, de aarde, en Eros. Gaia bracht
vervolgens Ouranos voort, de sterrenrijke
hemel, die haar geheel omhulde. Dit alles
speelde zich blijkbaar af in het Chaos.
Ondanks het feit dat het hier over de oorsprong gaat, kan men toch niet van filosofie spreken: er is nog sprake van het kleden van het denken in een mythologisch
gewaad2. Hesiodus’ werk heet niet voor
niets Theogonie: godengeboorte,
Hesiodus schreef omstreeks 750 vóór
Christus. Gedurende ruim een eeuw zag
niemand in Griekenland er iets in om een
nieuwe opzet van denken te lanceren door
de goden buiten spel te zetten en zich een
beeld te vormen van het ontstaan van de
wereld op basis van een of ander beginsel.
Na een eeuw trad er toch iemand op die
het eens op een andere manier wilde proberen. En men moet aannemen dat die andere manier er nooit gekomen was als het
genie van één individu niet had ingegrepen. Andere volken die soortgelijke genealogieën en theogonieën bezaten, hebben
nimmer de weg van de filosofie ingeslagen. Die ene man kwam uit Milete en
werkte in geheel Ionië: Thales. Waarom
Ionië? Zeker, het gonsde in Ionië van intellectualiteit, maar dat is nog geen reden om
te gaan filosoferen. Waarom in Milete?
Zeker, het zeevarende Milete was door tal
van koIoniën3 met de rest van de wereld
verbonden, maar dat gold ook voor andere
steden, waar nimmer iemand opstond met
de stoutmoedige denkbeelden zoals Thales
die gelanceerd heeft. Na diens optreden
treffen we ook andere specimina van dat
nieuwe merkwaardige genus aan: filosofen; eerst in Milete Anaximander en
Anaximenes, en later elders in Ionië. In
Ephese, op enige afstand van Milete, vinden we Heraclitus en op Samos dat vlak
bij Milete ligt is Pythagoras opgegroeid.
Maar veel is in de nevelen van het begin
gehuld.
Ik liet de filosofie met Thales van Milete
beginnen, zoals Aristoteles doet. Er zou
ook veel voor te zeggen zijn om
Anaximander tot de eerste filosoof te promoveren, omdat zijn leer de eerste ‘abstractie’ in de geschiedenis lanceert, namelijk een Apeiron waaruit alles ontstaat en
waarin alles ondergaat en dat niet geïdentificeerd kan worden met iets uit deze werkelijkheid om ons heen, maar er de oorsprong van is4. Hij is van mening dat er
zoiets als een Big Bang geweest is, waaruft
deze wereld te voorschijn is getreden.
Daarover kom ik nog apart te spreken.
Anaximanders leer is van een ongehoorde
Seite 3
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)stoutmoedigheid. Hij meent b.v. ook dat
langs een lijn van evolutie de eerste levende wezens, van een soort stekelige bast
iworzien, uit het vocht zijn voortgekomen,
en later eenmaal op het droge die bast verloren. Wat betreft de mensen verklaart hij
dat ze uit andere levende (visachtige) wezens zijn ontstaan (omdat een baby niet
voor zichzelf kan zorgen). Binnen zijn wereldbeeld, dat ons later nog zal bezighouden, kan hij zonsverduisteringen als verschijnsel gemakkelijk verklaren, waar
Thales slechts in staat was ze te voorspellen, hetgeen overigens ook al een geweldige prestatie is. Thales heeft namelijk de
zonsverduistering van 28 mei 585 v. Chr.
kunnen voorspellen (zij het niet op datum
maar op jaar5), hetgeen hem veel aanzien
heeft gegeven in de Griekse wereld. Zo
schijnen de iets latere Xenophanes en nog
wat latere Heraclitus hem hierom te hebben geprezen als de eerste astronoom.
Wij zullen zien dat door toedoen van
Thales c.s. het wereldbeeld ingrijpende
wijzigingen heeft ondergaan en dat de makrokosmos door Anaximander vanuit
Milete in principe is geregeld. Maar de filosofie bemoeit zich niet alleen met de makrokosmos, ook de mikrokosmos, de
mens, blijft niet dezelfde. Het optreden
van de Ionische filosofen, met name van
Pythagoras en Heraclitus, zal ook bepalend zijn voor de mensopvatting die wij er
heden ten dage nog op na houden.
Laatstgenoemde filosofen waren zeer geïnteresseerd in het verschijnsel mens. De
psyche, die bij Homerus niet veel meer
was dan het levensbeginsel dat door wond
of mond het lichaam verliet, en zich ontpopte in de Hades als schim, zonder een
rol te spelen tijdens het leven van de betrokkene, maakten zij tot het middelpunt
van het menselijk bestaan. Zij zijn het die
in feite verantwoordelijk zijn voor wat later de psychologie heet. Men ziet dat het in
Ionië allemaal gebeurde.
In het volgende zal ik een poging wagen
Thales’ plaats in de competitie met
Anaximander om het begin van de filosofie te bepalen. Allereerst zullen we Thales
als ‘(bêta)wetenschapper’ ontmoeten,
daarna de ‘filosoof. Op deze wijze komt
zowel de Ionische invloed op de voorstelling van de makrokosmos als van de mikrokosmos aan bod.
Thales als eerste ‘wetenschapper
Het is makkelijker in Thales één van de
eerste wetenschappers te zien dan de eerste filosoof. Wij zijn aanzienlijk beter ingelicht omtrent zijn ‘wetenschappelijke’ activiteiten dan over zijn filosofische.
Geschriften zijn er van hem niet bewaard.
We hebben slechts getuigenissen over, die
overigens een opmerkelijk consistent beeld
vertonen: Thales moet een buitengewoon
intelligent iemand geweest zijn met een typisch eigen aanpak van problemen, men
zou hem een ‘problemsolver’ kunnen noemen, die zijn intelligentie op tal van terreinen heeft uitgebuit.
Herodotus (Historiën I, 74) vertelt met
verve hoe de Lydiërs en Meden tegenover,
elkaar stonden in het gevecht en hoe ze,
overvallen door een complete zonsverduistering, maar snel vrede sloten. Hun reactie op wat zij als een waarschuwing van
de goden beschouwden, die zonsverduistering, was primitief en typerend voor het
verleden; Thales’ voorspelling van diezelfde zonsverduistering was als het ware de
eerste ‘wetenschappelijk theoretische’
prestatie van de Grieken en typerend voor.
de toekomst.
Er staan ook geometrische vondsten of
oplossingen van problemen op zijn naam,
hetgeen hem tot één van de eerste wiskundigen van Griekse bodem maakt. Hij kon
de hoogte van een pyramide meten op basis van zijn schaduw en eveneens de afstand van een schip ten opzichte van de
kust. Op het gebied van de astronomie
heeft hij de Miletiërs gewezen op het nut
van de Kleine Beer voor de navigatie, waar
de Grieken de Grote Beer plachten te gebruiken, en ook zou hij de zonnewendes
Seite 4
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)hebben gemeten, wellicht met het oog op
het maken van een kalender.
Ik meen dat het verleggen van een problematische situatie naar een situatie die
hij wel aankon, karakteristiek was voor
zijn aanpak van problemen. Een treffend
voorbeeld lijkt me het uit Herodotus
(Historiën, I,75) bekende verhaal van de
overtocht over de rivier de Halys. Toen koning Croesus niet goed wist hoe hij met
zijn leger de rivier de Halys moest overtrekken, kwam Thales als een soort genieofficier hem te hulp met een slimme
vondst. Hij verlaagde het peil van de rivier
doordat hij een gedeelte van het water afleidde via een halvemaanvormig kanaal,
dat hij op enige afstand van het legerkamp
stroomopwaarts liet graven en langs de
achterkant van het kamp stroomafwaarts
weer liet aansluiten op de rivier, zodat de
oorspronkelijke bedding en het kanaal
doorwaadbaar werden. Hier ziet men
denk ik de voor Thales typerende methode
aan het werk; als je een situatie niet aankunt, verander hem dan zodat je hem wel
aankunt. Dit doet mij sterk denken aan de
wiskundelessen, die ik vroeger mocht
meemaken: een loodlijntje getrokken of
een bissectrice aangebracht maakte menig
sommetje ineens oplosbaar.
Ik zie dezelfde methode toegepast bij de
hoogtemeting van een pyramide. Wanneer
de schaduw van ons zelf even lang is als
onze ‘hoogte’, (onze ‘hoogte’ en onze schaduw vormen dan samen een gelijkbenige
driehoek met hoeken van 90,45,45 graden),
dan is het tijd om de schaduw van de pyramide te meten. Deze moet dan immers
ook even lang zijn als de hoogte van die
pyramide. Daarmee heeft men dus tegelijkertijd de hoogte bepaald. Ook hier weer:
zorg dat je een beheersbare situatie krijgt.
De meting van de afstand van een schip
tot de kust geschiedde waarschijnlijk volgens een vergelijkbare methode. Hoe
Thales dat precies heeft uitgevoerd is onbekend. Th. Heath beschrijft een methode
waarbij men een passerachtig instrument
hanteert waarvan de poten een hoek kunnen vormen. Als men dan een vlak bij de
kust gelegen hoogte, b.v. een toren, beklimt en men richt één poot van het instrument naar het schip dan vormt zich een
hoek. Als men dan het instrument draait
naar een makkelijk te localiseren punt op
het land, moet de afstand van de toren
naar die plaats de afstand van de kust naar
het schip zijn (op basis van congruente
driehoeken)6. Er zijn archeologische vondsten van instrumenten gedaan die Heath’
voorstelling ondersteunen: met Thales’
naam is een geschikt passerachtig instrument verbonden, namelijk de diabetes7.
Thales moet dus iets geweten en begrepen hebben van de congruentie van driehoeken. Dat is tenminste de conclusie van
Eudemus, die het bericht over de af standsbepaling van een schip heeft overgeleverd.
Maar als Thales met zulk een passerachtig
instrument heeft gewerkt, kon hij het karwei puur technisch klaren8. Dan hoeft men
geen kennis van congruente driehoeken te
veronderstellen. Dat past bij het beeld van
Thales’ wiskundige activiteiten dat men tegenwoordig heeft. In het algemeen wordt
sterk betwijfeld of Thales zich wel theoretisch met de wiskunde heeft beziggehouden9. Het zou dan gaan om de uitvoering
van een simpele technische handeling.
Alleen kan ik me niet voorstellen dat een
man als Thales zich tot het loutere hanteren van het instrument zou hebben beperkt en zich niet zou hebben afgevraagd
waarom die gevonden afstand van de toren tot de plaats (P) nu gelijk zou moeten
zijn aan de afstand van de toren naar het
schip. Als men zulk een meting verricht,
dan moet men er toch minstens interesse
voor hebben en iets van deze materie begrijpen.
Thales’ geometrische kennis zou volgens
de overlevering uit Egypte stammen (via
Naucratis?). Dat moet wel juist zijn.
Tenslotte komen er in Griekenland geen
pyramides voor. Maar men mag toch wel
vaststellen dat Thales deze kennis op eigen
Seite 5
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)wijze exploiteerde. Bovendien wijst zijn afstandmeting op plezier in de wiskunde.
Want de afstandmeting zal denk ik niet
veel zin hebben gehad in de dagelijkse
praktijk van de Miletiërs, maar als spektakelstuk zal het zeevarende lieden als de
Miletiërs waren, zeker hebben aangesproken en geïmponeerd. Misschien mag men
hier toch wel een begin zien van die vreugde om de wiskunde als zodanig die de
Grieken op het pad van de mathematiek
zover heeft gebracht10.
Er is nog een ander verhaal bekend11
waarin Thales zijn methode – het creëren
van een beheersbare situatie – heeft uitgebuit en nu terwille van zijn eigen portemonnee. Volgens de overlevering had hij
in de gaten dat het een goed olijvenjaar
zou worden. Hij betaalde kleine deposito’s, huurde daarmee de in de buurt aanwezige olijfpersen en was zo in de oogsttijd in staat om zijn eigen prijs voor het
verhuren van deze olijfpersen te bepalen.
Men zegt dat Thales als kenner van de meteorologie12 dit topjaar in de olijventeelt
zag aankomen. Maar dat lijkt mij niet eens
nodig: ook in gewone jaren werkt dit systeem, dat je overigens natuurlijk maar één
keer kunt uitvoeren. De anekdote staat m
dienst van de propaganda: ‘zie je wel een
filosoof is ook nuttig in het dagelijkse leven’. Maar mij lijkt dat latere opdruk, toen
men filosofen als wereldvreemde lieden
met het hoofd in de wolken ging beschouwen (zie letterlijk: Socrates in de komedie
de Wolken van Aristophanes). Ook Thales
was het slachtoffer van dergelijke antipropaganda. Bij Plato (Theaetetus 174 a) wordt
verteld dat een snedige charmante
Thracische slavin Thales uitlachte omdat
hij in een put was gevallen. Zij riep uit dat
hij wel er op uit was de dingen aan de hemel te kennen, maar dat wat voor zijn voeten kwam hem ontging.
Het lijkt mij niet verstandig het olijfper»
senverhaal alleen maar als propaganda
voor de filosoof op te vatten en voorbij te
zien aan de typische hand van Thales. Hij
stond later ook bekend als het inbegrip
van de ingenieuze mens. In een komedie
luidt het: ‘die kerel is net een Thales’
(Aristophanes’ Vogels 1009). Dan gaat het
over een meetinstrument als benodigd
voor de bovengenoemde afstandsmeting,
de diabetes13.
Men kan Thales ook als theoretisch politie
cus beschouwen. Daarmede opende hij
eveneens een weg voor volgende filosofen.
Van Xenophanes, Pythagoras, Plato,
Aristoteles en vele anderen bestaat een belangijk deel van hun werk uit het leveren
van wetten en/of constituties of van een
bijdrage aan de politieke theorie. Volgens
Herodotus (Historiën I, 170) heeft Thales de
Ioniërs in de crisistijd van de strijd tegen
de Perzen geadviseerd om een centraal
overlegorgaan te stichten en wel in Teos.
Een uiterst praktische (en geometrische)
overweging leidde hem daartoe: Teos was
het midden van Ionië. Hier wordt de geometrie gebruikt als argument voor een politieke keuze van het neutrale midden: niet
Londen of Parijs, maar Brussel. De andere
staten zouden dan de status(verlaging)
van demon krijgen: de Verenigde Staten
van Ionië. De consequentie hiervan is politiek zeer inzichtelijk: men zou gezamenlijk
tegen de Perzen een vuist kunnen maken.
Thales toch de eerste filosoof?
Thales heeft er volgens Aristoteles14 op gewezen dat de ziel (psyche) een bewegingsprincipe is. Volgens Thales bezit de magneet een ziel, omdat hij ijzer in beweging
brengt. Thales’ zielsbegrip is in ieder geval
niet in strijd met wat we weten van de historische ontwikkeling van het begrip ‘psyche’. Ziel is tot de dagen van Thales niet de
drager van de persoon door de tijd, zoals
bij Pythagoras in een reeks van reïncarnaties, maar de levensadem of levenskracht,
die bij de dood door wond of mond verdwijnt, zoals we dat in Homerus vinden.
Als de ziel verdwenen is uit het lichaam, is
daarmede ook alle beweging weg, een
voor iedereen duidelijke zaak. Wanneer
Seite 6
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)Thales dus beweert dat een magneet een
ziel heeft, dan past dat geheel in de tijd,
aangezien beweging het wezen van de ziel
uitmaakt. Wat hij echter met deze opmerking zeggen wilde is moeilijk te begrijpen.
In ieder geval moet een Griek in zijn dagen
lichtelijk verbaasd hebben opgekeken bij
het horen van Thales’ bewering. Niet alleen mensen en dieren zouden een ziel
hebben, maar ook een steen (uit
Magnesia)? Ja, aldus Thales, en met zijn
bewering liet hij zien dat steen kennelijk
een soort kracht bezit. Dit zou kunnen betekenen dat de levenloze dingen niet zo
simpel zijn als ze lijken en dat daarin verborgen krachten werkzaam zijn.
Men heeft dit woord van Thales ook wel
in verband gebracht met de aan hem toegeschreven mededeling15 dat ‘alles vol goden is’, maar naar het godsbegrip van die
tijd hebben goden geen ziel, zodat dit verband niet erg duidelijk is. Wat deze uitspraak dan moet betekenen? Animistische
opvattingen? Terugval in mythisch denken, in plaats van het afwijzen ervan? Ik
geloof van niet. Genoemde uitspraak zou
kunnen betekenen dat goden niet alleen
boven de dingen staan en ze leiden, maar
dat de goddelijke krachten in alle dingen
werken en dat laatste is geen gangbare
theologische munt in die dagen. Goden
werken wel in rivieren, bossen en wat niet
al, maar nu blijkt ook steen een bepaalde
kracht te hebben. Wellicht zou dit alles te
maken kunnen hebben met de gedachte
die Aristoteles in hem de eerste filosoof
doet zien, namelijk dat alles water is en dat
er in dat water bijzondere krachten aanwezig zijn.
Thales en het water
Aristoteles levert ook hier de schamele gegevens. En als men dan bedenkt dat
Aristoteles ruim tweehonderd jaar later
leefde (vergelijk even 1993 met 1793 onder
veel primitievere omstandigheden van
boekverwerving en boekenlezen), dan
voelt men zich toch ietwat onbehaaglijk,
temeer daar er vóór Aristoteles van dat
water geen sprake is. Wat we vóór
Aristoteles vinden is de ‘wetenschapper’,
eventueel de ‘businessman’ of ‘politicoloog’ Thales, maar niet een filosoof die het
water als een soort van oerstof beschouwde. Nu was dit een concept dat Aristoteles
wel erg graag bij Thales wilde aantreffen,
gezien zijn eigen opvatting over het verloop van de geschiedenis van de filosofie:
de vroegere filosofen ‘stamelen’16 over wat
hij zelf ten slotte als voldragen conceptie
naar voren brengt. En Thales is volgens
Aristoteles de initiator van de filosofie. In
ieder geval is het merkwaardig dat de ‘opvolgers’ van Thales, Anaximander en
Anaximenes, alsmede Heraclitus, wel ieder een soort oerstof hebben geleerd maar
niet voor het water kozen17. Blijkbaar was
dat concept al verbruikt en dan komt
Thales het meest in aanmerking om het te
hebben gelanceerd. Het zou kunnen zijn
dat hij onder oosterse invloed (Babylon en
Egypte) aan het water een soort scheppingsvermogen toeschreef (denk aan de
Nijl in Egypte, die na overstroming
vruchtbare aarde achterlaat) en dat hij dat
als een soort opvolger van Hesiodus7 chaosbeginsel in het Griekse denken introduceerde. Iets dergelijks zou wel passen bij
zijn inventiviteit. In plaats van zoiets ongrijpbaars als het chaos van Hesiodus (een
winderige ruimte waarin aarde, hemel en
eros ontstaan, zoals we al zagen) koos
Thales een element, dat een veel duidelijker kandidaat is, het water.
Er is nog een ander gegeven dat iets met
het water te maken heeft. Volgens
Aristoteles heeft Thales geleerd dat de aarde als een stuk hout op het water drijft18.
Zulk een theorie, die volkomen indruist tegen het Griekse wereldbeeld, heeft alleen
maar zin als Thales aan het water op zijn
minst een bijzondere rol toekende. Deze
rol hoeft nog niet in te houden dat water
de grondslag van alle dingen vormt, zoals
Aristoteles beweert, maar maakt
Aristoteles’ uitspraak wel iets waarschijn-
Seite 7
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)lijker. Wat men in ieder geval wel mag
concluderen, is dat Thales’ leer omtrent de
aarde als drijvend op het water laat zien
dat hij ingreep in het vigerend wereldbeeld. Hij gaf daaraan een compleet nieuwe wending19. Daarmede heeft hij dan in
ieder geval wel school gemaakt. Want bij
Anaximander vinden we ruime aandacht
voor dat wereldbeeld en een nieuwe reflectie daarop, die zonder meer revolutionair mag heten.
Als ik thans afscheid neem van Thales,
dan mag duidelijk zijn dat zijn rol bij het
begin van de wijsbegeerte in ieder geval
op het gebied van het wereldbeeld een stuwende is geweest, één die anderen heeft
geïnspireerd, met name Anaximander, die
in Milete wel gehoord moet hebben van
zijn spectaculaire stadgenoot. Wellicht gingen er ook andere stimulansen uit van zijn
optreden, namelijk op het gebied van denken over de oorsprong, maar dat blijft toch
meer in het duister.
112
Anaximanders wereldschokkend wereldbeeld
Anaximander heeft de wereld aan zich
verplicht door haar een roterend wereldbeeld aan te bieden, het eerste dat er was:
daarna is het niet meer weg te denken. Als
men de relatieve schamelheid vergelijkt
van het pre-Anaximandrische wereldbeeld
(zelfs Thales’ theorie omtrent de aarde als
drijvend op het water, hoe nieuw ook, gaat
nog niet ver) en de ingeniositeit van het
zijne, dan kan men niet anders dan constateren dat hier een onvoorstelbaar belangrijke intellectuele prestatie is geleverd.
Men kan rustig staande houden dat vanuit
Milete het wereldbeeld in principe geregeld is. Of ook Thales’ bespiegelingen omtrent de sterren hier van enige betekenis
zijn geweest laat zich heel moeilijk vaststellen; wel is het een feit dat
Anaximander de sterren, de zon en de
maan in een zeer verhelderend systeem
opneemt. Ik vermeldde al dat
Anaximander een verduistering van de
zon (en van de maan) kon verklaren; daaraan kan worden toegevoegd dat hij ook in
staat was om een verklaring te geven van
de cirkelvormige20 bewegingen aan het firmament.
Zijn verklaring gaat uit van dat merkwaardige Apeiron dat we al ontmoet hebben. Apeiron betekent in eerste instantie
als kwalificatie van de zee ‘onbegrensd
van omvang’. Bij Anaximander blijkt het
ook een stof te zijn. Dat woord kende hij
niet, ‘materie’ is een begrip dat pas door
Aristoteles is geïntroduceerd. Maar als
men Anaximander naar de eigenschappen
van dat Apeiron zou hebben kunnen vragen, dan had hij denkelijk gezegd dat het
Apeiron de basis vormde van wat eruit
ontstond: het is een ‘oorsprongs’-stof. Uit
dit Apeiron scheidt zich het koude af, dat
voor hem nog een stof is, geen eigenschap,
van een stof. Uit dat koude ontstaat vochtige lucht, die vermoedelijk verdicht tot water en aarde. Uit datzelfde Apeiron komt
het warme te voorschijn dat zich als vuur
bolvormig om de vochtige lucht, die om de
aarde ligt, heenlegt ‘als een bast om een
boom’. Dit veroorzaakt blijkbaar druk. In
ieder geval wordt er verteld dat de bolvormige vuurlaag scheurt, zodat die in vuriger
wielen uiteenbarst. Om die wielen heen
legt zich mistachhge lucht21, zoals een buitenband van een fiets om een binnenband.
Zo ontstaan drie wielen22. In die wielen bevinden zich (vurige) openingen (vergelijkbaar met ventielopeningen van een fietsband). Zo is er een wiel met een opening
ter grootte van de zon, één met een opening ter grootte van de maan, en één niet
een groot aantal openingen voor de
sterren23. Deze wielen roteren en zorgen zo
voor de bewegingen aan het firmament.
Zij draaien niet in één vlak, dan zouden ze
elkaar aan ons oog onttrekken, maar in elkaar snijdende vlakken. De mistdamp die
de vurige binnenbanden aan ons oog onttrekt, kan soms ook voor de ‘ventielopeningen’ schuiven, dan hebben we een
zonsverduistering of een maansverduiste-
Seite 8
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)ring. Deze aansprekende verklaring van
deze merkwaardige en vaak zo angstaanjagende verschijnselen, draagt natuurlijk
enorm bij aan de overtuigingskracht van
de hele voorstelling van zaken. Naar ‘bewijzen’ (liefst van wiskundige aard, zoals
later) vraagt men in deze tijd nog niet.
Vanaf dit moment is het wereldbeeld roterend en dat beeld zal het Westerse denken
niet meer verlaten.
Diels24 voorstelling:
Figuur 1 (naar Diels)
Wanneer men deze geavanceerde voorstelling van zaken vergelijkt met het statische mythologische wereldbeeld van
Homerus en Hesiodus, waar de zonnewagen vanuit het Oosten een baan aflegt
langs de hemel naar het Westen en weer
om de aarde heen teruggaat naar zijn punt
van opgang in het Oosten, dan ziet men
dat er spectaculair veel gewonnen is. Het
pythagoreïsche wereldbeeld, dat met tien
cirkels (later sferen) werkt en dat veel invloed heeft gehad, gaat waarschijnlijk terug op dat wereldbeeld van
Anaximander25. De getalsverhoudingen
die de Pythagoreeërs overal zagen en die
zich ook in de zogenaamde harmonie der
sferen uitten, zijn reeds aanwezig in de
verhoudingen die er heersen bij de doorsnede van de drie wielen van
Anaximander en de aarde: 3 (aarde):
9:18:27. Pythagoras zou dan uitgegaan zijn,
van deze verhoudingen en die van geluid
hebben voorzien: de harmonie der sferen.
Anaximander heeft met zijn glanzende
theorie de Westerse opvatting van de makrokosmos definitief bepaald: het roterende wereldbeeld. Maar de Ionische belangstelling voor wijsbegeerte heeft ook de mikrokosmos, de binnenwereld van de mens
binnen zijn aandachtsveld getrokken.
De opmars van het begrip ‘psyche’,
Pythagoras en Heraclitus
Wij zagen reeds iets van wat ik maar gemakshalve de archaïsche anthropologie
(de periode tot aan Thales) noem. Het begrip ‘psyche’, dat wij met ‘ziel’ plegen te
vertalen, is bij Homerus absoluut niet het
centrum van de persoon zoals wij dat later
tegenkomen, een standpunt dat door de
meeste Griekse filosofen werd gedeeld26.
Wat in de archaïsche anthropologie de ‘ikheid’ droeg en de vraag of er überhaupt
zulk een drager werd gevoeld, is problematisch. In ieder geval overlegde men bij
Homerus in zijn thumos, zijn emotionele
centrum, dat meer is dan dat. Want daar
werd nagedacht of men aan het gevecht
moest deelnemen ja of neen, niet in wat
men later het ‘verstand’ pleegt te noemen.
Dat heet bij Homerus noos en reikt niet
verder dan het onmiddellijk doorhebben
van een situatie. Psyche was, zoals we al
zagen, nog slechts het levensbeginsel of –
en dat is natuurlijk toch weer iets heel anders – de schim die naar de onderwereld
ging, na dit leven. Psyche leerden we bij
Thales al kennen als beginsel van beweging.
Pythagoras van Samos en Heraclitus van
Ephese staan aan de wieg van het
Europese psychebegrip: de psyche als centrum van de persoon. Pythagoras’ bijdrage
bestond uit zijn leer omtrent de transmi-
Seite 9
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)gratie van de ziel27. Daarbij was de psyche
de drager van een bepaalde persoonlijkheid door de tijd heen, steeds weer landend in nieuwe lichamen. Dat was een leer
met een grote toekomst. Empedocles van
Akragas was er een ondubbelzinnig aanhanger van; hij meende zelfs dat sommigen uiteindelijk een god werden. Dat gold
met name hem zelf, aan een minderwaardigheidscomplex leed hij beslist niet. Ook
Plato toont zich op dit punt een erfgenaam
van Pythagoras. Zijn leer omtrent het leven vóór en na de dood staat bol van de
reïncarnatie.
Niet alleen Pythagoras maar ook
Heraclitus vertegenwoordigt een belangrijk stadium in de ontwikkeling van het
psychebegrip. Heraclitus’ portret van de
ziel is buitengewoon modem en in ieder
geval een typische vrucht van wijsgerige
benadering van de ziel. De zich baanbrekende wijsbegeerte is van eminent belang
ook voor de opvatting van de mens zelf
omtrent zichzelf. Volgens Heraclitus’ opvatting is de ziel een vurige substantie, die
puur physisch is op te vatten. Heraclitus
verklaart de ziel vanuit het centrum van
zijn physica: de ziel is een stof (vuur28) die
in de dood ondergaat, doordat hij water
wordt. Die ziel is ‘geen schim meer’ van
wat hij was, hij gaat dood, d.w.z hij is eindig en dat is zowel voor Homerus als
Pythagoras ‘hot news’. Bij hen verdwijnt
de ziel immers niet maar heeft hij een eeuwig leven, zij het bij Homerus in de onderwereld.
Bij Heraclitus is de ziel ook – wat historisch gezien nog belangrijker is – de kern
van de levende mens en het centrum van
zijn psychische uitingen. Wanneer je te
veel sterke drank drinkt, wordt door dat
‘vuurwater’ als het ware een stukje van het
vuur van je ziel geblust met onmiddellijke
consequenties voor het centrum van de
persoonlijkheid, die tijdelijk degenereert.
Hoor wat hij zegt in het 117e fragment
(Diels-Kranz):
114
‘Wanneer een man dronken is, wordt hij al
waggelend door een jonge slaaf geleid,
niet meer beseffend waar hij gaat, omdat’
zijn ziel vochtig is.’
Als het centrum van de persoon heeft de
ziel ook te maken met het verstand: als je
dronken bent, weet je niet meer waar je
gaat of wat je moet doen, omdat je ziel
vochtig is (een droge ziel is kennelijk beter). Dat de ziel de zetel van het denken
herbergt, blijkt ook uit andere uitlatingen
van Heraclitus. Als je ziel ‘barbaars’ is
(fr.107), dan helpen je zintuigen ook niet
meer bij het verwerven van inzicht:
‘Slechte getuigen zijn ogen en oren voor de
mensen wanneer ze een barbaarse ziel
hebben’
Wanneer de ziel in de juiste conditie is,
kan zij je wijzer maken. Heraclitus zegt elders (fr.101): ‘Ik doorzocht mijzelf.’ Het
woord ‘doorzoeken’ (δÝζηµαι) wordt door
Heraclitus in een ander fragment (fr.22)
gebruikt van het zoeken naar kostbaarheden in de grond. Het houdt dus in: ‘zoeken
naar iets wat verborgen is’. Als je je verstand gebruikt, krijg je bepaalde inzichten
(fr.114).
Die ziel bevat ook de logos, wat dat ook
moge wezen. Wellicht de allermooiste
spreuk is de volgende (fr.45):
‘Ook al sla je elke weg in op je tocht, toch
zul je de grenzen van de ziel niet kunnen
vinden: zulk een diepe logos heeft hij.’
Het woord logos is lastig, omdat de betekenis ervan vaak zo moeilijk is vast te stellen;
ik laat het expres even onvertaald. Men
moet de neiging onderdrukken om in dit
woord in eerste instantie het rationele of
het redeneren te zien. Het begrip logos is
door de Stoa sterk rationeel gekleurd,
maar het is de vraag of dit bij Heraclitus al
zo was. De betekenis ervan is omstreden.
Seite 10
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)Maar in Heraclitus’ leer is het in ieder geval een topbegrip dat hier nauw aan de
ziel wordt verbonden. Ook al zou het in
fr.45 ‘maat’ betekenen29, wat zeer goed mogelijk is, en niet het rationele aangeven,
dan blijkt toch zonneklaar dat die ziel iets
heel bijzonders is, iets wat een wijde en
diepe omvang bezit. Daarin is het de moeite waard te zoeken. Men raakt er nooit uitgekeken. Ik denk wel dat men in dit fragment kan spreken van de ziel als een mikrokosmos.
Zo bindt Heraclitus de logos en het verstand aan de psyche, die thans het geestelijk centrum van de mens is geworden .
Ook al denkt Heraclitus dat deze ziel stoffelijk moet worden opgevat, dat verhindert
hem niet om weidse vergezichten in de
ziel van de mens te openen: ‘Ook al sla je
elke weg in op je tocht, toch zul je de grenzen van de ziel niet kunnen vinden’. De
Griekse mens is, wellicht gestimuleerd
door Heraclitus’ provocerende woorden
omtrent de wijdheid van de ziel, op verkenning van dat zielelandschap uitgetrokken en heeft heel wat gezien en bedacht
waarvan Heraclitus geen notie had maar
wel een voorgevoel.
Zo heeft men in Ionië niet alleen het bestek
uitgezet voor de Westerse beschouwing
van de makrokosmos, het roterend wereldbeeld, maar ook voor de beschouwing
van de ziel, die tot het centrum van de
menselijke mikrokosmos werd gepromoveerd.
NOTEN
1. τe χÀοσvan χÀ-σκω gapen (Theogonie, 116 e. v.).
Epicurus vroeg zich als jochie af waar dat Chaos dan
vandaan komt.
2. Ik vat filosofie op als het systematisch theoretisch
nadenken over samenhang en verscheidenheid van
de wereld.
3. Van de 90 die er aan Milete werden toegeschreven
zijn er ongeveer 45 geattesteerd. Daaronder Naucratis
in Egypte.
4. Men heeft dat Apeiron nog al eens in verband gebracht met het Chaos van Hesiodus. Of Anaximander
er nu op voortborduurde of er tegen polemiseerde, in
beide gevallen blijft er een vorm van afhankelijkheid
en beïnvloeding bestaan. Een handzaam overzicht ,
van deze kwestie bij D.L. Couprie, De verordening van
de tijd, interpretatie en vertaling van het fragment van
Anaximander met een appendix over de visualisering van
zijn wereldbeeld, Amsterdam 1989,150.
5. Waarschijnlijk paste hij de zogenaamde sarosrekening toe (zie W.K.C. Guthrie, A History of Greek
Philosophy, I, Cambridge 1962 (eerste druk), 47).
Hierbij rekent men met een zonsverduistering om de’18 jaar. Wellicht wist Thales van de zonsverduistering van 603 v. Chr. in het Egyptische Naucratis, dat
nauwe banden met Milete had.
6. Men kan zich dat ook anders voorstellen. Wanneer
men op de kust recht tegenover het schip een vast
punt uitkiest, langs de kust loopt en b.v. een bepaalde
boom uitkiest, daarvan zich over dezelfde afstand
verwijdert langs de kust en dan vanaf de kust landinwaarts loopt totdat men schip en boom in één lijn
ziet, dan is de afstand van dat punt tot aan de kust
gelijk aan de afstand die het schip van de kust
scheidt. Zo bij L.N.H. Bunt, Van Ahmes tot Euclides,
Hoofdstukken uit de Geschiedenis van de Wiskunde, 1954
(5e druk 1968), p.62. In dit boek wordt overigens veel
te veel zekerheid tentoongespreid ten opzichte van
Thales’ wiskundige activiteiten.
7. Zie B. Gladigow, ‘Thales und der Diabetes’,
Hermes 1968 (96), 267 e.v.
8. Zie ook bv. G.S. Kirk and J. Raven, The Presocratic
Philosophers, Cambridge 1957 (eerste druk), 83.
9. Er worden in de oudheid ook nog andere theoremen aan hem toegeschreven (Guthrie, A History of
Greek Philosophy, 1,53). Maar het blijft zeer twijfelachtig of dit terecht geschiedde.
10. Overigens is de juistheid van die afstandmeting in
de praktijk moeilijk te controleren. Dan zou men de
zee op moeten varen.
11. Aristoteles Politica 1259 a 9 e.v.
12. De tekst zegt astrologie’.
13. B. Gladigow, ‘Thales und der Diabetes’, 271.
14. Aristoteles, De Anima 405 a 19, Diogenes Laertius,
Levens van beroemde filosofen, 1,24.
15. Aristoteles, De Anima 411 a 7.
16. Aristoteles, Metaphysica 993 a 15 ψελλÝζειν.
17. Men kan wijzen op ene Hippo van Samos, die het
water als oorsprong heeft ge(her)introduceerd, maar
die leefde later. Aristoteles is van Hippo’s diepzinnigheid niet erg onder de indruk, zie Aristoteles,
Metaphysica 984 a 3, zie ook G.S. Kirk en J.E. Raven,
The Presocratic Philosophers, Cambridge 1960, 90 n.l.
18. Aristoteles, De Caelo 294 a 28, zie ook Metaphysica
983 b 20 e.v..
19. Ook al zou men gelijk hebben dat achter Thales’
bewering Babylonische of Egyptische invloeden
schuil gaan, dan nog blijft staan dat Thales de
Grieken een nieuwe weg wees. Vóór Thales speelde
dat water nauwelijks een rol Zie voor deze problematiek, Guthrie, A History of Greek Philosophy I, 58 e.v.
20. Eigenlijk zijn ze elliptisch, zoals Kepler vond.
21. Het Grieks heeft hier aer, dat mistige lucht aanduidt; bij Homerus worden personen onzichtbaar gemaakt omdat zij gehuld zijn in ‘aer’ (Homerus Ilias
16, 790 Ûρι κεκαλυµµÛνοσ).
Seite 11
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)22. Later zal men uitgaan van sferen, maar die hebben, zoals het woord al zegt, een bolvorm. Later spreken de Pythagoreeërs van de harmonie der sferen.
Wanneer de overgang plaats vond is niet duidelijk,
Guthrie, A History of Greek Philosophy, I, 298.
23. Er wordt ook aan meerdere wielen voor de sterren
(en planeten) gedacht.
24. Deze wordt als acceptabel gezien door D.L.
Couprie, De verordening van de tijd, interpretatie en vertaling van het fragment van Anaximander met een appendix over de visualisering van zijn wereldbeeld, 232,233
(het appendix).
25. Zie Guthrie, A History of Greek Philosophy, I, 300.
116
26. De Neoplatonicus Porphyrius vormt hier bijvoorbeeld een uitzondering. Deze zag het verstand als het
centrum van het ego.
27. De waarschijnlijkheid omtrent dit punt is groot;
veel minder zekerheid is te verkrijgen omtrent de
vraag of en in hoeverre Pythagoras de uitvinder van
de zielsverhuizingsleer is, zie P.A. Meijer,
Tythagoras en de zielsverhuizing’, Hermeneus
53(1981), 110.
28. Zie fr. 36 DK. Niet iedere uitlegger denkt daar zo
over Ch.H. Kahn, The Art and Thought of Heraclitus,
Cambridge 1979, 239 ziet de ziel meer als een damp.
m ieder geval is het physisch karakter onmiskenbaar.
29. Herodotus Historiën III, 99.