Volltext anzeigen12 Seiten
Seite 1
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)Kein Text auf dieser Seite.
Seite 2
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)Kein Text auf dieser Seite.
Seite 3
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)HET THEOREMA VAN PYTHAGORAS
DOOR
A.
NABER.
(Overgedrukt wit de Handelingen
van
het XIVE
ederlandsch
Natuur- ew Geneeskundig Congres gehouden te Delft
op
27,
28
29 Maart
Seite 4
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)Kein Text auf dieser Seite.
Seite 5
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)HET THEOREMA VAN PYTHAGORAS
DOOR
A.
NABER.
Wat men gelieft te noemen de ,,Stelling” van Pythagoras
wordt in de leerboeken met zekere voorliefde bewezen aan de
hand van evenredigheden.
Dus met Rekenkunde.
Ik weet niet beter of de reden hiervan is, dat men bij de
zuiver meetkundige bewijzen te kampen heeft met
„embarras du choix.”
Immers er waren al circa 70 ; op *t oogenblik taxeert een voortreffelijk ingelicht man het aantal op honderd.
Toch wensch ik dat bewijs met evenredigheden hier niet
veel aandacht te wijden. Want ten eerste is het zeer onwaarschijnlijk dat de ontdekking langs dien weg heeft plaats gehad ;
ten tweede treden schier altijd onmeetbare grootheden hierbij
op, tenzij bij de driehoeken 3, 4, 5; 5, 12, 13 enz. ; ten derde
gevoel ik, zonder iets kwaads te bedoelen aan het adres van
Descartes of de Analytische Meetkunde, toch verbazend veel
voor de woorden van ARISTOTELES; dat men n.l. iets meetkundigs niet met rekenkunde kan bewijzen ; of ruimer en nog
aannemelijker uitgedrukt: bij bewijzen van “de allerhoogste
soort, of voor fundamenteele waarheden,
behoort men zich
niet willekeurig van het eene terrein op het andere te begeven.
Daarom dus bepaal ik mij tot de meetkundige bewijzen.
Het eerste dat ons treft is, dat er zoo weinig variatie bij is.
De zaak is b.v. waar voor drie cirkels, als in deze figuur, maar:
ik heb nog nooit een bewijs voor dit geval aangetroffen
De zaak is waar voor 3 regelmatige zeshoeken maar ik heb
nog nooit een bewijs voor dit geval aangetrofien.
De zaak is waar voor 3 regelmatige vijfhoeken maar: ik heb
nog nooit een bewijs voor dit geval aangetroffen.
Seite 6
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)De zaak is waar voor 3 regelmatige vierhoeken.... en hiervoor heeft men nu meer bewijzen, dan we lust hebben op te
noemen of zelfs maar te tellen.
De zaak is waar voor 3 regelmatige driehoeken maar: het
aantal bewijzen is weer tot nul gedaald
!
Een grafische voorstelling van het aantal bewijzen als functie
van (aantal zijden veelhoek) ziet er dus uit als een fabriekschoorsteen staande op een dorre heide.
Wat echter nog opmerkelijker is: niemand schijnt deze
incongruiteit te hebben gevoeld, want dat een bewijs voor
gelijkzijdige driehoeken niet zou zijn te vinden mag ik niet
aannemen, gezien de
volharding en
het vernuft van
b.v.
dengene, die de vinder was van het bewijs, dat ik op school het
lappedekenbewijs *)
pleeg te noemen.
Naast dit en veel andere vreemde bewijzen voor vierkanten
kon ik dan toch maar niet vinden een begin van een poging
zelfs om het voor gelijkzijdige driehoeken of andere figuren
te bewijzen.
Zoo missen we dan in bovenbedoelde grafische voorstelling
het continuiteitsbegrip dat men zoo vaak als grondslag meent
te moeten aanvaarden.
Maar erger is, dat velen ScnOPENHAUER'S woorden moeten
onderschrijven, waar deze klaagt over gemis aan ingicht, dat
hem ondanks die bewijzen bijbleef.
Bedenkelijk is ook het: optreden van zooveel ongeroepen en
ongewenschte hulplijnen. *)
Het ergst
echter lijkt mij wel dat al die 70 of 100 bewijzen een
zoo rommelige verzameling vormen. Het is een ongesorteerde
boel, een uitdragerswinkel. Die bewijzen stoelen niet op eenzelfden wortel, althans dien wortel krijgt men er niet bij te zien.
En daarom moet het getal 70 te veel heeten voor een quaestie
yan zoo fundamenteelen aard als het
Theorema van Pythagor:
De fabriekschoorsteen moet omgetrokken worden.
1)
Zio b.v. Elements of Geometry of Euclid by Smsox-Warrack p. 40.
2)
Men maakt mij opmerkeaam op merkwnardige uitingen van TRENDELEN-
BURG,
in
Logische
Untersuchungen,
Berlin,
1862
IT
p.
36% sqq,
daaruit slechts de worden:
„In den Hülfälinion erscheint zunächst der zufällige Griff.”
citeer
Seite 7
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)Naar beste vermogen heb ik U den toestand geschetst en
de redenen waarom het gewenscht is aan de zaak nog eens
onze volle aandacht te geven. Ik heb dus de eer U de volgende
beschouwing voor te legge
Een bewijs voor gelijkzijdige driehoeken of een voor regelmatige vijf- of zeshoeken, heb ik niet*). Maar met rechthoekige
driehoeken wordt het ineens duidelijk.
Een onveranderlijke vorm hebben ze niet, maar ze hebben
toch een bepaalden vorm, en wel dien van den driehoek, dien we
beschouwen.
Ik vraag dus eenige aandacht voor de volgende drie figuren.
1°.
een rechthoekige driehoek met hoogtelijn; en op de drie
zijden, als met behulp van scharnieren omgeslagen, drie
rechthoekige driehoeken,
n.].
a en 6 (de deelen, waarin
de hoogtelijn, den driehoek verdeelt) en ¢ (de driehoek
zelf) (zie fig. 3 van mijn boekje)
;
2°.
een
rechthoekige
driehoek
met
zijn
hoogtelijn
en
het
onderschrift :
a+b=c
3°.
een rechthoekige driehoek en op de zijden drie gelijkvormige mozaieken, elk voor zich uit gelijke driehoeken
opgebouwd,
maar
verschillend
van grootte,
omdat de
driehoekjes bij de groote mozaiek de grootte hebben van
den rechthoekigen driehoek zelven, en de driehoekjes bij
de kleinere mozaieken gelijk zijn aan de deelen, waarin de
hoogtelijn den r.h. driehoek verdeelt.
Deze figuur draagt het onderschrift:
na + nb = ne.
Zoo lukt het mi. wel, het door ScHoPENHAUER begeerde
inzicht te verkrijgen.
En wel met drichoeken, al zijn het geen
gelijkzijdige.
En voor den alouden torenhoogen, steeds hooger
wordenden,
maar
thans,
naar ik hoop, op vallen staanden
fabriekschoorsteen kan nu het schoorsteentje van een veldkeukentje in de plaats komen.
1)
Sintsdien
werd
mij
zulk
een
bewijs
Stoker, Hoofd eener School te Rotterdam.
toegezonden
door den heer T.
Seite 8
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)Tk stel U voor om de zaak nu nog te vereenvoudigen en
als de fabriekschoorsteen omgetrokken zal zijn, de bestaande
70 of 100 bewijzen weg te kruien naar een museum.
Of het er een moet zijn voor moderniteiten of voor antiquiteiten kan ik thans niet uitmaken.
Vé6r het debat wordt geopend, nog een enkel woord.
Ik zou dus gaarne hier verdedigen de Stelling dat deze figuur,
die op het midden staat van den vóórband van een boekje,
dat nu vijf jaar geleden onder de auspicien van den heer F. J.
Vars werd uitgegeven.... meer zegt dan alle beweringen, die
tot nu toe over de zaak gehouden zijn.
Maar wie oordeelt dat dit te ver gaat, wil ik gaarne van mijn
standpunt tegemoet komen. Laat ik met dien meer voorzichtige dan b.v. een lans mogen breken over de stelling,
die den inhoud vormt — niet van dat boekje, maar slechts,den
inhoud van den
eersten paragraaf
van dat boekje; de stelling n.l. dat in zake Pythagoras
Tabula rasa
dient te worden gemaakt.
Maar méér tegemoet komen. kan ik niet doen. Zeer noode
zou ik treden op historisch terrein; want in de inleiding van
mijn boekje had ik met den meest mogelijken aandrang gezegd
dat hoofdzaak was wat ik hier dan voor een 200 bevoegd gehoor
mag verdedigen en al die historische quaesties en gissingen
bijzaak....
En toch, al past het, gunstige critieken dankbaar te gedenken,.... de critiek van de zijde der mannen, die in deze
quaesties aan het hoofd staan heeft kans gezien deze hoofdzaak
geheel över het hoofd te zien.
Seite 9
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)Kein Text auf dieser Seite.
Seite 10
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)Kein Text auf dieser Seite.
Seite 11
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)Kein Text auf dieser Seite.
Seite 12
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)Kein Text auf dieser Seite.