De magische muziek in het vroege Pythagorisme

Auteur
Peursen, C.A. v.
Publié dans
Hermeneus
Année
1947
Sujet
MAGIC
Langue
Nederlands
Catégorie
C2 Music
Numéro d'archive
224

Ouvrir le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)

Afficher le texte intégral23 pages

Page 1

Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)
tini De magische muziek in het vroege Pythagorisme 1S(VHER|pA8M9E5NR4EeL9,S) lafkomstig is van verschillende personen, maar in al zijn uiteen| lopende trekken toch teruggaat op de figuur van Pythagoras zelf. Hoewel het moeielijk is de ontwikkeling van het Pythagorisme, Pythagoras, geheimzinnig boeiende figuur, wiens gest: maar ternauwernood te omlijnen is vanuit het diffuse licht Yan d mythologische waas, die hen omgeeft. Enerzijds-drong de autoriteit van zijn mondeling onderricht tot zorgvuldige overlevering, maar aan de andere kant dwong de bewondering, die ‘nog groeide naarmate de mensheid in tijd verder van hem af kwam te staan, tot extravagante projectie van zijn leven en zijn leer. Dit proces werd alle Jatere wijsgerige stelsels in de geschakeerde tekeningen van Pythagoras’ stelsel hun eigen grondbegrippen, zij 't slechts in arceringen, herkenden. Zijn zo de Stoicijnse doxographen reeds niet geheel betrouwbaar, minder nog is dit het geval met de Neo-pythagoreérs, terwijl tenslotte bij de Neo-platonische biographen Pythagoras teruggevonden wordt in de buitenmenselijke dimensies van een halfgod, die in wonderlijke verschijningen niet alleen verre werelddelen, maar zelfs de onderwereld bezocht heeft en in wien samenkomen de godsdiensten van de bewoners van Indié en van de Gallische Druiden, de geheimleren van Egyptische priesters en Perzische magiéis en de wetenschappen van Chaldeérs en Babyloniérs, 131 PEURSEN CA y. \pytbagorisch wereldbeeld, althans in zijn eerste periode, niet (I) nog gestimuleerd, doordat nagenoeg i . > De critische werkzaamheid van philologen en historici van naam hebben Pythagoras en zijn leer weer binnen juister proporties gebracht. Deze verstoring van romantische verbeelding is niet nadelig. Integendeel, want pas als de phantasmagorie vernietigd is kan hij waarlijk "n plaats innemen in ons historisch denken. En een belangrijke ‘plaats. Immers de glasscherpe begrenzingen van mathematische studies, de grillig gekartelde lijnen van getallenmystiek, de warme kleuren van mysteriénleer en de kristallijne zuiverheid van 'n verheven ethiek vormen de schakeringen in het kaleidoscopisch wereldbeeld der Pythagoreérs. Wel vertonen de onderscheidene terreinen van practische en theoretische werkzaamheid zich voor ieder toeschouwer in enigszins andere groepering, — , een bewust-logische samenhang is ons nooit overgeleverd, is er waarschijnlijk ook niet geweest — maar zij schikken zich toch tot n samenpassend geheel. Dit is ook begrijpelijk, aangezien het die zich over eeuwen uitstrekt, in bepaalde perioden in te delen, kunnen wij wel vrij duidelijk een beginperiode onderscheiden. Deze omvat ongeveer de eerste honderd jaar tot het optreden van Philolaos, de eerste der Pythagoreérs van wien ons rechtstreeks uitspraken zijn overgeleverd. AJ zijn dan de berichten over deze eerste periode indirect, toch-scheppen zij de mogelijkheid tot het _ yormen van een vrij afgerond beeld van het vroege Pytbagorisme. Waarbij het wel als zeker aan te nemen is, dat alle theorién, die daar gevonden worden, in hoofdzaak van Pythagoras zelf afkomstig zijn. Niet alleen voor zijn leerlingen was hij de dominerende figuur, de gehele Griekse wereld der zesde eeuw, dus tijdens zijn leven, kende hem reeds en ook niet-aanhangers als Herodotus en Heraclitus erkenden hem als ’n man van groot formaat. Neemt zo het vroege Pythagorisme 'n vaste historische plaats in, de weergave van deze stroming brengt daarmede wel zeer sterk de aan deze historiciteit eigen problematiek mee. Want alle kennistheoretische overwegingen, waarbij het subject zich min of meer producerend verhoudt t.o.v. zijn kenobject, buiten beschouwing gelaten, (dit betreft immers evenzeer de z.g. natuurwetenschappen), t.a.v. de historiographie staat het vast, dat, ook in de gewone zin van het woord; de zuivere receptie der feiten toch slechts in beperkte mate mogelijk is. Veel opvallender echter is in het onderhavig geval het producerend karakter van de bistorische weergave, daar het hier betreft een periode uit wetenschaps-, philosophie- en godsdienstgeschiedenis. Hun historische zin verkrijgen deze pas in 't raam van de wereldbeschouwing, die zij representeren en deze is nooit te verkrijgen uit een loutere descriptie van gegevens. Ja, zelfs de geordende onderzoekingen en verklarende studién van anderen zijn voor ieder volgend beschouwer toch weer ,feitelijk”. Want een wereldbeeld als dat van het Pythagorisme verkrijgt pas in al zijn aspecten z'n ontsiuitend per spectief,als men het van binnenuit beschouwt. En dit vereist ’n direct contact met de persoonlijke visie, vanwaaruit het stelsel ontstaan is. Zo kan men dan niet volstaan met 'n rangschikking varı het beschikbare historische materiaal, maar moet

Page 2

Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)
De magische muziek in het vroege Pythagorisme (I) Pythagoras, geheimzinnig boeiende figuur, wiens gestalte nog maar ternauwernood te omlijnen is vanuit bet diffuse licht van de mythologische waas, die hem omgeeft. Enerzijds drong de autoriteit van zijn mondeling onderricht tot zorgvuldige overlevering, maar aan de andere kant dwong de bewondering, die nog groeide naarmate de mensheid in tijd verder van hem af kwam te staan, tot extravagante projectie Van zijn leven en zijn leer. Dit proces werd nog gestimuleerd, doordat nagenoeg alle latere wijsgerige stelsels in de geschakeerde tekeningen van Pythagoras’ stelsel hun eigen grondbegrippen, zij ’t slechts in arceringen, herkenden. Zijn zo de Stoïcijnse doxographen reeds niet geheel betrouwbaar, minder nog is dit het geval met de Neo-pythagoreërs, terwijl tenslotte bij de Neo-platonische biographen Pythagoras teruggevonden wordt in de buitenmenselijke dimensies van een halfgod, die in wonderlijke verschijningen niet alleen verre werelddelen, maar zelfs de onderwereld bezocht heeft en in wien samenkomen de godsdiensten van de bewoners van Indië en van de Gallische Druïden, de geheimleren van Egyptische priesters en Perzische magiërs en de wetenschappen van Chaldeërs en Babyloniërs. De critische werkzaamheid van philologen en historici van naam hebben Pythagoras. en zijn leer weer binnen juister proporties gebracht. Deze verstoring van romantische verbeelding is niet nadelig. Integendeel, want pas als de phanfasmagorie vernietigd is kan hij waarlijk ’n plaats innemen in ons historisch, denken. En een belangrijke plaats. Immers de glasscherpe begrenzingen van mathematische studies, de grillig gekartelde lijnen van getallenmystiek, de warme kleuren van mysterienleer en de kristallijne zuiverheid van ‘n verheven ethiek vormen de schakeringen in het kaleidoscopisch wereldbeeld der Pythagoreërs. Wel vertonen de onderscheidene terreinen van practische en theoretische werkzaamheid zich Voor ieder toeschouwer in enigszins eindere groepering, — een bewust-logische samenhang is ons nooit overgeleverd, is er waarschijnlijk ook niet geweest — maar zij schikken zich toch tot ’n samenpassend geheel. Dit is ook begrijpelijk, aangezien het

Page 3

Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)
pythagorisch wereldbeeld, althans in zijn eerste periode, niet afkomstig is van verschillende personen, maar in al zijn uiteenlopende trekken toch teruggaat op,de figuur van Pythagoras zelf. Hoewel het moeielijk is de ontwikkeling van het Pythagorisme, die zich over eeuwen uitstrekt, in bepaalde perioden in te delen, kunnen wij wel vrij duidelijk een beginperiode onder scheiden. Deze omvat ongeveer de eerste honderd jaar tot het optreden van Philolaos, de eerste der Pythagoreërs van wien ons rechtstreeks uitspraken zijn, overgeleverd. Al zijn dan de berichten over deze eerste periode indirect, toch scheppen zij de mogelijkheid tot het vormen van een vrij afgerond beeld van het vroege Pythagorisme. Waarbil bet wel als zeker aan te nemen is, dat alle theoriën, die daar gevonden worden, in hoofdzaak van Pythagoras zelf afkomstig zijn. Niet alleen voor zijn leerlingen was hij de dominerende figuur, de gehele Griekse wereld der zesde eeuw, dus tijdens zijn leven, kende hem reeds en ook niet-aanhangers als Herodotus en Heraclitus erkenden hem als ’n man van groot formaat. Neemt zo het vroege Pythagorisme ’n vaste historische plaats in, de weergave van deze stroming brengt daarmede wel zeer sterk de aan deze historiciteit eigen problematiek mee. Want alle kennistheoretische overwegingen, waarbij het subject zich min of meer producerend verhoudt t.o.v. zijn kenobject, buiten beschouwing gelaten, (dit betreft immers evenzeer de z.g. natuurwetenschappen), t.a.v. de historiographie staat het vast, dat, ook in de gewone zin Van het woord, de zuivere receptie der feiten toch slechts in beperkte mate mogelijk is. Veel opvallender echter is in het onderhavig geval het producerend karakter van de historische weergave, daar het hier betreft een periode uit wetenschaps-, pbilosophie- en godsdienstgeschiedenis. Hun historische zin verkrijgen deze pas in ’t raam van de wereldbeschouwing, die zij representeren en deze is nooit te verkrijgen uit een loutere descriptie van gegevens. Ja, zelfs de geordende onderzoekingen en verklarende studiën van anderen zijn voor ieder volgend beschouwer toch weer „feitelijk”. Want een wereldbeeld als dat van het Pythagorisme verkrijgt pas in al zijn aspecten z’n ontsluitend per spectief.als men het van binnenuit beschouwt. En dit vereist ‘n direct contact met de persoonlijke visie, vanwaaruit bet stelsel ontstaan is. Zo kan men dan niet volstaan met ’n rangschikking van het beschikbare historische materiaal, maar moet

Page 4

Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)
men, het feitenconglomeraat doorbrekend, vanuit eigen instelling en persoonlijke vormgeving een weergave produceren, waarin de oorspronkelijke visie alle overgeleverde brokstukken opnieuw doorglanst. Niet alleen gebruiken wij ‘n andere taal en andere beelden dan de Pythagoreërs om een zelfde gedachte uit te drukken, maar zelfs gehele stukken theorie en levensleer moeten met opzet anders geformuleerd en opnieuw geordend worden, willen zij na 25 eeuwen een aequivalente werking hebben. Zelfs theoretische begrippen en betogen immers hebben een gevoelsaccent, wisselend door de eeuwen heen en de psychische reacties, die zij veroorzaken houden nauw verband, met de geestelijke en culturele spheer, vanwaar zij stammen. Volgens deze methodologische richtlijnen moet allereerst al de getallenleer der Pythagoreërs verklaard worden. Het is te wijten aan ’t streven naar een valse wetenschappelijke objectiviteit, die het bovengeschetste creatieve aandeel Van eigen beschrijvingsactus negeert, dat men, zonder omschakeling van eigen gedachtenwereld, in de leer, dat het getal het wezen van alle dingen is, veelal een specifieke Westers-wetenschappelijke karaktertrek ziet: De algemene tendens van vele van onze wetenschappen is de reductie van het qualitatieve tot het getal, onze waarderingen zoeken getalsverhoudingen om zich in uit te drukken, de statistieken blijken voor uiteenlopende gebieden onmisbaar, het intelligentiepeil wordt in een quotiënt uitgedrukt enz. Hierbij wordt uit het oog veiloren, dat het getal voor de Pythagoreërs en nog sterker in het vroege Pythagorisme een geheel andere functie heeft. Het draagt o.a. een sterk qualitatieve trek, Juist door zijn samenhang met de muziek, zoals nog uiteengezet zal worden. Onjuist is het evenzeer om, zoals wel door de Marburgse school is gedaan, de getallen der Pythagoreërs in Kantiaanse zin als formele denkwettelijkheden te interpreteren. De getallen van het vroede Pythagorisme zijn concrete werkelijkheden, die het leven beheersen en waardoor men de werkelijkheid kan beïnvloeden. In deze jonge cultuurperiode zijn de getallen nog geen abstracta: het getal is niet los te maken van de getelde dingen. Er zijn getallen voor hoogtijdagen en Voor ’t gewone leven, ongeluksgetallen en sacrale getallen. Vele getallen hebben magische macht. Deze getallenmagie nam trouwens in ’t gehele Oosten

Page 5

Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)
’n belangrijke plaats in. Vooral Egyptische invloeden zullen hier gewerkt hebben. Want wel is het verhaal van Pythagoras’ reis naar Egypte waarschijnlijk ’n verzinsel, daar Isocrates de eerste is, die het ons, nog niet eens zeer positief, bericht, maar het eiland Samos, waar Pythagoras lang gewoond heeft, onderging door het drukke scheepvaartverkeer invloeden van Verre gebieden. Bovendien onderhield Amasis van Egypte nauwe betrekkingen met Polycrates, die ten tijde Van Pytbagoras tyrannos van Samos was. Pythagoras’ optreden is vooral belangrijk als godsdienstreformator. Er ging trouwens in de 6e eeuw ’n algemene religieuze hervormingsgeest door de gehele Griekse wereld. Wij treffen deze aan in, de uitspraken der gnomische dichters, in het opbloeien der mysteriën en in de wonderlijke figuren Van tovenaar-profeten, als Epimenides en Onomakritus. Evenals bij de Voorlopig gegeven aanduiding der getallenleer, moet ook hier op het primitieve karakter de aandacht gevestigd worden. Ook Pythagoras was een tovenaarsfiguur (γÞησ). Hij nam in dat opzicht dezelfde positie in als de medicijnman bij de primitieve volkeren. Nu stammen er uit het vroege Pythagorisme een reeks oude onthoudingsregels o. a. het verbod om vlees te eten. Men zag hierin ’n uitvloeisel van de leer der zielsverhuizing: in de dieren kon één der gestorven medemensen wonen. Vaak ook werden zij louter als asketische rebels beschouwd. In Hellenistische tijd hebben de Grieken deze onthoudingsregels zelfs symbolisch geïnterpreteerd. Al deze verklaringen echter zijn ontoereikend. De bepalingen omvatten n.l. ook buiten dit kader vallende regels b.v. het verbod bonen te eten, ’n witte haan aan te raken, een afdruk van ’n pan in de as achter te laten enz. Bovendien golden de verbodsbepalingen misschien niet voor elke vleessoort en mocht het Verboden vlees wel weer bij bepaalde offermaaltijden gegeten worden. Dit alles duidt erop, waar vooral Burnet op gewezen heeft, dat deze bepalingen zuivere taboe-regels van het echte primitieve type zijn. Terwijl men achter de leer van de verwantschap van mensen en dieren, naast ’n direct verband met de zielsverhuizingsleer, toch. ook nog ’n rest van oud totemisme kan vermoeden. In het primitieve wereldbeeld is bij uitstek magisch de macht van het woord. Het primitieve bewustzijn kan van ons standpunt uit getypeerd worden als een verregaand identificeren van onder-

Page 6

Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)
scheidingen, die Voor ons denken essentieel zijn. Identificatie veronderstelt eigenlijk al een tweeheid en is in zoverre reeds ‘n terminologische misgreep. Want de diffuse belevingstoestand, die elk logisch denken voorafgaat, praevaleert daar nog in die mate en zo ongedifferentieerd, dat psychologische, kennistheoretische e. d. onderscheidingen nog in het geheel niet gemaakt morden. Er is dan ook ’n samenvallen van binnen- en buitenwereld, die o.a. tot gevolg heeft, dat aan ieder stuk buitenwereld’een bepaalde invloed toegekend wordt en omgekeerd b. v. aan iedere handeling, uitspraak” of woord een zekere macht over de wereld toekomt. Zodat men voorzichtig met bepaalde woorden moet ziJn: met het uitspreken Van het woord gebeurt er ook iets daarbuiten. Deze Voorstellingswereld vindt haar uitlopers in de vroege Griekse philosophie. Zo beschrijft Parmenides in het tweede deel van zijn leerdicht de dualistische wereldconceptie van, niet in de zijnsleer ingewijde, stervelingen. Deze wereldconceptie, leert hij, is mét de uitspraken en naamgeving der mensen daardoor tegelijk buiten deze mensen, als realiteit. Het woord is er niet zonder de genoemde toestand. Verder strekkend echter en bij uitstek magisch is deze macht van het woord, wanneer het gaat om de bezweringsformules van den medicijnman. Deze geheimtaal, die niemand kent of begrijpt, beheerst de kosmische krachten van zichtbare en onzichtbare invloedsspheren en de daemonische machten van leven en dood. In de stijgingen en dalingen der ongearticuleerde klanken gaan deze woordreeksen over in de bezweringszang (γÞησ = ‰πÿωδÞσ = hij, die de toverformules zingt). Soms ook wordt deze zang overgebracht op ’n instrument en is het een stuk der buitenwereld zelf, dat op ’n enkele aanzet van de bekwame speler ongekende machten oproept of bant. In deze laatste Vorm heeft Pythagoras waarschijnlijk zijn bezweringen uitgeoefend. Steeds is immers in het Pythagorisme aan de muziek een geweldige kracht toegekend. De sagevorming, die zich veelal groepeert rond opzienbare wonderen, die Pythagoras verricht zou hebben door bezweringen, gezang en muziek, bevat zeker ’n historische kern. Pythagoras voorspelde ook toekomstige gebeurtenissen en ‘was overeet algemeen zeer ervaren in de mantische kunst. Ook hierbij speelde de muziek ’n belangrijke rol. Vast staat bovenal, dat Pythagoras de muziek aanwendde tot genezing van kwalen

Page 7

Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)
(‰πÿωδÞσ = tovenaar, bezweerder, arts). Ook elders in de Griekse wereld, waar de Apollo-cultus de verbinding tussen geneeskunde en muziek in de hand werkte, werd de muziek wel therapeutisch, toegepast. Maar nergens is de samenhang zo nauw en het bezweringskarakter zo opvallend als bij het vroege Pythagorisme, zodat men, juist in verband met de overige resten van het primitieve wereldbeeld, met recht kan spreken van de magische functie der muziek. Muziek is een kosmische kracht, die de gehele wereldconstellatie beheerst. Alles is samengesteld uit muziek, luidt zelfs ’n overgeleverde leerstelling der Pythagoreërs. Dat de muziek het eigenlijke springpunt is Van het ver uiteenspreidend Pythagorisch wereldbeeld, is door gezaghebbende geleerden als Gomperz en Vooral Joel met nadruk betoogd. Door nu de werkzaamheden en leerstellingen van het vroege Pythagorisme te zien tegen de achtergrond van deze muziek, verkrijgen zij hun verstrekkende betekenis en wordt helf. karakter van deze muziek ook duidelijker. Allereerst blijkt dit al bij de getallenleer. In ’t voorgaande is reeds uiteengezet, dat de getallen bij de primitieve volkeren een sacraal karakter hebben. Dit aspect werd deels geïntensiveerd, deels onmetelijk verruimd in toepassingsmogelijkheid, toen het verband tussen het getal en de muziek ontdekt werd. Van de vele onwaarschijnlijke verhalen, die hierover in later tijd bij de schrijvers vermeld worden, is alleen dit als waar aan te nemen, dat Pythagoras door bestudering van het verschil in lengte bij de snaren van een heptachord, óf door verschuiving van de brug van een monochord het verband ontdekte tussen snaarlengte en toonhoogte. De allesbeheersende krachten der muziek bleken bepaalbaar door getallen. De arithmetische studies, die hier het gevolg van waren, brachten steeds nieuwe ontdekkingen over getalssamenhangen en evenredigheden. Bovendien bleek het getal op steeds meer uiteenlopende gebieden toepasselijk. Zowel bij banen van planeten als mathematische figuren, krachten-verhoudingen en indelingen van het Jaar. Wanneer men nu let op het samenvallen van getal en getelde en op het niet-abstracte karakter der getallen, terwijl de getallen bovendien berekenbaarheid verleenden aan de wereldomvattende macht der muziek, dan is het begrijpelijk, dat de Pythagoreërs leerden, dat het getal alles beheerst en het wezen der dingen uitmaakt.

Page 8

Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)
Psychologisch houdt hiermede verband de getalsvooistelling. Zoals bekend is deze bij de onderscheidene personen verschillend naargelang voorstellingstype, emotionele kleur enz. Daarnaast hebben deze getaisvoorstellingen toch weer algemene kenmerken, die samenhangen met de bepaalde cultuurperiode en -kring, waarin zij voorkomen. In de tijd Van het vroege Pythagorisme was deze voorstelling over het algemeen meer ruimtelijk (niet alleen visueel, maar ook b.v. motorisch als bewegingsruimte in het poneren van punten). De getallen werden n.l. weergegeven door puntencombinaties, analoog als de puntengroeperingen op dobbelstenen. Deze en niet de onpractische iettersymbolen, waarvan de Pythagoreërs herhaaldelijk het conventionele karakter accentueerden, gaven de ware aard der getallen weer. Zo waren de Pythagoreërs zelfs gewoon bij het getal 10, magisch juist in zijn puntengroepering van een tetractus (4 + 3 + 2 + 1), te zweren. Kunnen wij in deze zin de getallen ruimtelijk noemen, dan zal blijken, dat dit een ruimtelijkheid sui generis is. Want Verderop zal er de aandacht op gevestigd worden, dat de primitief substantieel gedachte ruimte door de getallen in zijn voor ons kenbare gestalte geconstitueerd wordt. Terwijl omgekeerd de getallen hun veelvuldigheid weer aan de binnendringende ruimte ontlenen. Met dat al is het duidelijk, dat arithmetische en mathematische studies, juist door deze specifieke trekken der getallen, in elkaars verlengde komen te liggen. De laatsten nemen dar ook eveneens ‘n belangrijke plaats in onder de studierichtingen der Pythagoreërs. Wij vinden ook daar vele speculaties over invloeden van bepaalde figuren, lijnverhoudingen e. d. Ook in de opbouw van het heelal, Vooral in de later opkomende leer van de regelmatig-stereometrische Vormen der elementen, wefd hun een bijzondere plaats toegekend. Voorts vindt men b.v. in het, waarschijnlijk terecht op naam van Pythagoras staande, theorema (in ’n rechthoekige driehoek is het quadraat der hypotenusa gelijk aan de som der quadraten der katheten), een resultaat, zowel van arithmetische als mathematische bespiegelingen. Waarbij het weer geheel in dit kader past, dat deze bespiegelingen toch ’n bij uitstek practische kant hadden. Men denke aan het verband met de z.g. pythagorische driehoek met zijden 3, 4 en 5 voor de constructie Van ‘n rechte hoek, die Thales reeds kende. Terwijl bovendien o.a. de term hypotenusa afkomstig is van ’t gespannen koord Van bepaalde eenvoudige meetinstrumenten.

Page 9

Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)
Deze wetenschappen hebben allen, juist doordat zij gedragen worden door de muziek van het vroege Pythagorisme, een magische trek. Evenals de muziek de buitenwereld beïnvloedt, doen deze wetenschappen het. Hierbij maken de ontdekte getalsverhoudingen deze beïnvloeding nog onmiddellijk naspeurbaar en directer hanteerbaar. Vooi alle jonge volkeren trouwens, bij wie de wetenschappelijke activiteit zich begint te ontplooien, draagt de practische effectiviteit Van eigen denken en doen, juist door deze ongewone macht over de buitenwereld, een bij uitstek magisch cachet. Wel dient opgemerkt te worden, dat in, de lange weg van magische bezweringsmuziek tot practisch effectieve wetenschap allereerst al het esoterisch karakter Van deze macht steeds meer verdwijnt. En vervolgens, wanneer deze wetenschap steeds onpersoonlijker wordt en de bestudeerde krachten steeds meer tot functiebegrippen herleid worden, ook het magisch accent op de duur geheel verloren gaat. De Hindoe’s kenden het theorema van Pythagoras reeds vóór hem Alleen had het daar bijna louter practische betekenis. Een wetenschappelijke ontwikkeling zoals die der Pythagoreërs hebben zij niet gekend. Het is een typische trek van het Pythagorisme, dat het Vanuit magisch en practisch handelen tot zo sterke wetenschappelijke bewustwording kwam. In dit opzicht althans kan men er wel ’n aankondiging in zien Van de Westerse wetenschap. Van ongeweten levensimpulsen tot helderbewuste redeneringen toe, vinden de veruiteenliggende gebieden van het menselijke leven alle hun specifieke bestaansvorm en strekking in de eenheid van de persoon. De onontkoombare persoohJijke status fundeert en omvat deze levensgeledingen. Deze verworteling kan in de onderscheiden terreinen min of meer naar Voren treden, of kan ook geheel omhuld blijven. Ook kan in de structuur der persoon een der gebieden overheersen. Er zijn immers verstands- en gevoelsmensen, ook mensen, die geheel Vanuit het onderbewuste gestuurd worden e. d. Dit hangt ook Vaak samen met leeftijd of cultuurperiode. Het pasgeboren kind b.v. heeft geen bewust psychisch leven. Hoogstens is er ’n levensstemming, waar de zintuigen, nog niet onderscheiden, één vaag-diffuse toestand veroorzaken zonder vaste markering tussen binnen- en buitenwereld. Ook bij de primitieve mens is deze inbedding in de persoon nog

Page 10

Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)
zeer sterk. Psychische toestanden en van buiten komende prikkels worden wel onderkend, maar zijn steeds zeer ongedifferentieerd. Zo zijn b.v. smart en vreugde nog zeer elementair. Hierdoor kunnen zij een bijna animale feldheid verkrijgen, maar worden toch veel minder bewust doorleefd. De gehele scheiding tussen de persoonlijke spheer en wereld-rondom is vaag en onzeker. Er is een sterk inelkaar-grijpen van beiden, ook al wordt de dreiging der buitenwereld terdege ervaren. In deze verschijnselen vindt de magische beschouwing van woordformules en muziek zijn bron. Dit alles vinden wij ook bij de oorsprongen Van het Pythagorisme. In de muziek spiegelt- zich de Voortheoretische stellingname tegenover de wereld-rondom. Opmerkelijk is het nu te zien hoe in de ontwikkeling van het vroege Pythagorisme zich zeer duidelijk Voltrekt de uitheffing van deze wereldstemming uit de inbedding der persoon. Want in het ontdekken van de getalsverhoudingen der muziek wordt het wereldbeeld buiten de gevoelsspheren uitgetild en Verkrijgt de weteldbewustwording een scherper en begripmatiger omlijning. Het boeiende daarbij is, dat de zich dan ontplooiende theorieën neg tegen de achtergrond der muziek gezien worden en zo, in al hun rationaliteit, tóch magisch gekleurd zijn. Scheveningen. C. A. VAN PEURSEN. De „bril” en de Oudheid „Kortzichtig noemt men degenen, die van de geboorte af slechts in de nabijheid kunnen zien, in de verte echter niet. Ongeneeslijk is dit lijden, dat op een zwakte van de gezichts-innervatie berust. Oude menschen lijden aan het tegendeel van de myopen: zij kunnen het nabij zijnde niet zien, maar wel het veraf gelegene.” Deze volkomen juiste definitie van myopie en presbyopie van Paullus van Aegina wordt geacht de kennis samen te vatten, die de Ouden omtrent deze twee refractieanoxnalieën van bet oog bezeten hebben. Zij houdt tevens in, dat de Oudheid geen behandeling met corrigerende glazen gekend beeft en daarom doet bet komisch aan,

Page 11

Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)
HERMENEVS 18e JAARGANG, AFL. 10 — 15 Juni 1947 Carmen Heinianum graece Du hast Diamanten und Perlen, Hast alles, was Menschenbegehr, Und hast die schönsten Augen — Mein Liebchen, was willst du mehr? Auf deine schonen Augen Hab ich ein ganzes Heer Von ewigen Liedern gedichtet — Mein Liebchen, was willst du mehr? Mit deinen schonen Augen Hast du mich gequalt so sehr, Und hast mich zu Grunde gerichtet — Mein Liebchen, was willst du mehr? HEINRICH HEINE. In mijn studententijd trachtte één mijner vrienden dit lied van Heine, dat ook in de „Liederschatz” voorkomt, te zingen; hij kwam echter nooit verder dan 4e eerste strofe, waarvan ik trouwens alleen regel 1 en 3 heb behouden. L. A. J. BURGERSDIJK. De magische muziek in het vroege Pythagorisme II.1 Zijn voornaamste werkzaamheid ontplooide Pythagoras, toen hij van Samos naar Groot-Griekenland geëmigreerd was. Hier in Kroton stichtte hij zijn school, die aanvankelijk geheel het karakter had van een religieuze orde. In deze tijd reeds ging de Orphische mysteriënleer in machtige stuwing door de Griekse wereld. Na het werk van Rohde is de geweldige invloed hiervan op het Griekse denken en in ’t bijzonder op het Pythagorisme algemeen erkend1 Vervolg van blz. 138.

Page 12

Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)
Zo was dan ook in het vroege Pythagorisme de leer der zielsverhuizing centraal. (παλιγγενεσÝα; de term µετεµψàχωσισ is jonger en minder juist.) Dit alles heeft bij Pythagoras wel tot ‘n zeer bijzondere ontwikkeling geleid, die hem b.v. onderscheidt van een iets oudere figuur als Pherekydes, die, ook als ‘n soort tovenaar, eveneens de zielsverhuizing leerde en waarvan een achtenswaardige overlevering beweert, dat hij een tijdlang Pythagoras’ leermeester geweest is. De zielsverhuizingsleer bracht in de Griekse wereld eenandere stellingname tegenover het leven naar voren. Deze leidde bij de Orphiek tot de inwijding in de mysteriën. Terwijl Pythagoras hieruit nog verder strekkende consequenties trok en meer dan anderen deze leer tot zedelijke drijfveer aanwendde. Hierin ziet Zeiler b.v. juist het eigensoortige van het Pythagorisme in onderscheid met de Orphiek. Daardoor kende het vroege Pythagorisme zeer uitgebreide zederegels en beoogden zij de zuivering (κÀθαρσισ) der ziel om zo in volgende incarnaties hoger te klimmen en tenslotte geheel van lichamelijke banden bevrijd te zijn. Uiterst belangrijk was hier vooral de functie der muziek. Voor de lichamelijke ontwikkeling was de toepassing van gymnastiek tesamen met muziek algemeen bekend. Maar in ’t vroege Pythagorisme kreeg de muziek een wel bij uitstek zelfstandige functie ten behoeve van ethische vorming. De krachten, die in de muziek schuilen, zijn in staat de mensen te beheersen, hen te vormen en te leiden. De rhythmische omvattingen en het melodisch lijnenspel der muziek beteugelt de hartstochten en tempert de naar buiten dringende affecten. T.a.v. de beïnvloeding van mensen is de kracht der muziek trouwens nog verder reikend. Want de Pythagoreërs verdreven door de muzikale betovering de daemonische machten van de waanzin. Muziek kalmeert, remt af, zuivert. Emotionele verenging van het bewustzijn, onevenredigheden in de karakterstructuur, pathologische storingen lossen allen op in de reinigende kracht der vroegpythagorische muziek. De muziek werkt paedagogisch en psychotherapeutisch. Het zijn de kalm-evenwichtige klanken der lyra, die hiertoe aangewend werden. Daarnaast zijn ons door Athenaeus ook ’n reeks pythagorische fluitspelers overgeleverd. Ook dus de orgiastische tonenscala’s van de Phrygische fluit, immers bij uitstek geschikt

Page 13

Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)
voor de ecstatische vervoering van de mysteriën, maakten deel uit van de techniek van de pythagorische cultus. *** Aan de muziek ontleend is ook het begrip harmonie (ρµονÝα). Bij de arts Aicmaeon, die sterk door de Pythagoreërs beïnvloed was en bij de gehele Siciliaanse artsenschool vormt dé fiarmome der krachtenverhoudingen in het lichaam een der centrale punten van hun medische wetenschap. Ook Philolaos spreekt van harmonie als eenheid der tegenstellingen, die in alles gevonden wordt. Ongetwijfeld zijn hier invloeden van de philosooph Heraclitus, die achter de tegenstellingen, door hem zo markant-paradoxaal aangeduid, toch een verborgen harmonie (ρµονÝα ˆφανƒσ) zag. Toch gaat dit harmoniebegrip terug tot het vroege Pythagorisme. Elk getal was samenstelbaar uit andere getallen en werd zodoende harmonie genoemd. De kleinste getalsverhouding is uiteindelijk die van 1:2. En dit is juist de grondverhouding van alle afgeleide muzikale proporties, n.l. het octaaf. Wij vinden bij het vroege Pythagorisme dan ook de term harmonie als aequivalent met octaaf. Doordat nu juist muzikale proporties de wereld beheersen, wordt het harmoniebegrip overal op toegepast. Waarbij het ook later nog zijn muzikaal accent behoudt, zodat in de uiteenlopende studiën over meteorologische, medische e.a. verschijnselen steeds weer beelden gebruikt worden van de muziek en de instrumentatie ontleend. *** De mantiek beoogt de harmonie in de verhoudingen tot de goden, zegt Plato. In het vroege Pythagorisme werd deze, evenals alle andere religieuze verrichtingen, voortdurend toegepast. Laten de daemonische machten zich verbannen, verbidden laten zich de goden door de muziek. Eeuwen later wijst Plotinus, om de kosmische kracht van het gebed aan te duiden, weer op de allesdoortrekkende muzikale resonantie. Uitgebreid is dan ook de religieuze muziek en vele ereliederen voor Apollo worden aan Pythagoras zelf toegeschreven. Er is in het vroege Pythagorisme geen afgeronde leer omtrent de goden. Wat alleen vast staat is, dat er een warme religiositeit gevonden werd, die vooral uitkwam in het volstrekte gevoel van afhankelijkheid. De mens heeft leven en lot niet in eigen hand. Wij zijn het eigendom der goden. Waarbij het waarschijnlijk juister

Page 14

Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)
en inhoudsvoller is ’t woord eigendom (κτܵατα) te vertalen als kudde: de goden zijn de herders. Daarbij worden de goden ook vaak door ’t enkelvoud aangeduid. Zodat wij, evenals ook wel bij afzonderlijke dichters uit die tijd het geval is, een nog niet klaar omlijnd monotheïstisch besef door zien breken. Er zijn daarentegen geen aanduidingen van een pantheïstische voorstelling. Dit is te opvallender, daar de Griekse beschouwing der wereld als een organisme (de Pythagoreërs zelt spraken b.v. van links en rechts der wereld en van het ademen der wereld!) de aanname van een wereldziel licht in de hand werkte. Latere interpretaties, die wel op een pantheïsme duiden, verraden door terminologie en voorstellingsraam (b.v. de beslist onpythagorische dualistische conceptie van eenheid-geest contra tweeheid-materie; het pas uit de tijd van Plato en Aristoteles stammend technisch gebruik van de term ˆιτÝα, oorzaak, enz.) de beïnvloeding door Stoïcijnse en latere ideën. Wat het monotheïstisch besef betreft uit het zich nog niet in een scherpe critiek op de volksvoorstellingen, zoals Xenophanes die uitoefent. Veeleer is er een aansluiten bij het volksgeloof. Hoewel — Nestle vestigt er de aandacht op — in hun omduidingen der religieuze volksverhalen een zuivering van anthropomorphische bestanddelen opvalt. Joel ziet in het vroege Pythagorisme een der culminatiepunten van de Griekse mystiek. Inderdaad, het doorbrekend monotheïstisch besef^ de diep gevoelde afhankelijkheid, het gode gewijd zijn, dat alles getuigt van mystieke zin. Dan immers is pais een uitspraak mogelijk, dat men in trouwe navolging steeds meer den godheid gelijkend moet worden! Dit alles hangt trouwens samen met het muzikale karakter van hun wereldbeeld. Bij Pythagoreërs, bij Neoplatonisten, bij de Middeleeuwse mystici, de gehele geschiedenis door zijn mystiek en muziek steeds nauw verbonden geweest. Terwijl de sympathetischè wereldbeleving der mystiek eerder in melodie dan woordkunst verklankt kan worden en de magische mogelijkheden der muziek, nu op ander plan, door het vattend gevoel haast nog evidenter ervaren worden. * De pythagorische kosmologie vormt een knooppunt van uiteenlopende draden in het uitvoerige stelsel en toont, magistraal van

Page 15

Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)
opzet, de eenheid der visie, die bij een dergelijke veelzijdigheid zo licht problematisch wordt. Aanvankelijk was dit wereldbeeld zuiver geocentrisch. Spoedig echter wordt de schijnbaarheid der beweging van de hemellichamen onderkent en de draaiing rond een centraal vuur geleerd. In het latere Pythagorisme loopt dit uit op de leer van de asdraaiing der aarde door Ecphantes, terwijl tenslotte Aristarchus, 1000 jaar voor Copernicus, het heliocentrisch wereldbeeld’ leerde. Drie spheren worden onderscheiden. De sublunaire spheer: Oeranos; de spheer tussen maan en sterren: Kosmos en de spheer der sterren: Olumpos. De in zich terugkerende bewegingen van de cirkelgang van sterren en planeten reien zich in deze spheren binnen de gelijkmatige omspanning der alomvattende hemelbol. Deze kosmologische voorstelling draagt een sacraal karakter. De gang der planeten rond het centrale vuur wordt gezien als een reidans rondom de heilige haard der goden, het altaar van Zeus. De ommegang der stralende hemelkogels wordt gevat in het ecstatische beeld van de sacrale dans. Hiermede correspondeert weer de afbakening van bepaalde spheren. Elke magische of rituele handeling immers vereischt de afperking van haar gewijde speelruimte. De afgrenzing in drie spheren beduidt ook ’n waardegradatie. Zuiverder immers zijn reeds de banen beschreven in Kosmos, maar nog klaarder blijken de getalsproporties uit de verheven cirkelgang binnen de buitenste spheer, de Olympos. Daarom zijn de elementen daar ook fijner gestructureerd. Tegelijk echter vertegenwoordigen de hogere spheren de volkomenheid van kennis en deugd. En dit is dan op te vatten in de meest stricte zin, want de volmaakte getalsverhoudingen maken, dat daar de deugd en kennis in hun volkomenheid werkelijk zijn. Op zichzelf zou een dergelijke interpretatie gewrongen kunnen lijken, maar in verband met vele andere verschijnselen, blijkt dat het denken bij de Pythagorieërs inderdaad zeer concreet is. Eigenlijk vinden we zoals zal blijken, een nog samenvallen van ontologie, kennisleer en axiologie. Alles is harmonie en getal, wordt er geleerd. Zo is het niet verwonderlijk, dat ook b.v. ethische begrippen in getallen uitgedacukt worden. Daarin blijkt juist hun realiteit. Daar echter getallen de laatste werkelijkheden zijn, moeten de ethische en andere begrippen ook daar zijn, waar deze getalsverhoudingen het duidelijkst aan de

Page 16

Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)
dag treden. Dit nu vindt men bij de regelmatige banen van sterren en ook bij de planeten, die in muzikale verhoudingen als octaaf, quint en quart tot elkaar staan. Zo wordt b.v. de mening in de aardse regionen gelocaliseerd gedacht, daar zowel aarde als mening door het getal twee beheerst worden. Het getal zeven is de verklaring voor het localiseren van ’t begrip juiste, beslissende tijd (καιρeσ) in de zon. Het centrale vuur is centrum en oorsprong van kosmogonie in het getal één. * * * Omspannen wordt de wereldruimte door ’n vuurkrans. Deze lichtende bol is de laatste grens van het gebied, waarbinnen de sterren en planeten zich bevinden. Ook deze vuurcirkel vertegenwoordigt een bepaald begrip, n.l. dat der noodzakelijkheid (ˆνÀγκη). De strekking van dit begrip wordt pas duidelijk in samenhang met ‘n reeks andere pythagorische voorstellingen, die op het eerste gezicht vrij verward schijnen en waarvan velen de tegenstrijdigheid onoplosbaar hebben geacht. Buiten de vuurkring, zo leerde n.l. reeds het vroege Pythagorisme, bevindt zich het onbegrensde. Ook wordt wel gesproken van onbegrensde lucht (πν况α), die de wereld dan inademt. Deze is het lege en dringt de wereld binnen. Daar maakt hij scheiding tussen de dingen, maar ook tussen de getallen. Elders wordt ook gesproken van de tijd, die van buiten naar binnen dringt. Terwijl op andere plaatsen de tijd weer met de omwentelende hemelbol en de hemellichamen geïdentificeerd wordt. Toch vormen deze beschouwingen ongetwijfeld een samenhangend geheel. Buiten de hemelkoepel is de oneindige ruimte. Het primitieve denken kan zich echter het begrip van het vacuüm niet indenken. Zo is de lege ruimte dan identiek met de grenzenloze onzichtbare lucht. Hier is er b.v. aansluiting bij de ideën van Anaximenes, de natuurphilosooph, die iets ouder was dan Pythagoras en ook de wereldadem leerde. In onze wereld is er onderscheid tussen de verschillende dingen, elk neemt een andere plaats in. Dit kan slechts doordat zij ruimtelijk niet samenvallen, maar onderling gescheiden worden door de ruimte-lucht. Deze is de hemelkoepel binnengedrongen doordat de hemelbol deze wereldlucht inademt. Evenals de veelheid der dingen wordt ook de menigvuldigheid der concreet gedachte getallen door tussendringende ruimte mogelijk gemaakt. Dit stemt overeen met hun kosmogonie. Aanvankelijk

Page 17

Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)
bestond slechts het getal één, de eerste eenheid. Door de aangrenzende ruimte in zich op te nemen en in te perken is de wereld ontstaan, zich van ’t midden uit peripherisch uitbreidend. Dit houdt nog niet in dat de getallen direct ruimtelijk-dingmatig gedacht worden. Om de voortheoretische concretie van dit denken niet vanuit huidige begripssamenhangen te interpreteren, moet men deze getallen steeds zien als een, voor het denken reeds iets meer vatbare, realisering van de alles constituerende macht der muziek. Dingmatigheid en ruimtelijkheid der dingen berust uiteindelijk op de getallen, maar deze getallen zelf liggen nog vóór deze onderscheidingen. Evenzo vallen indelingen als vorm en inhoud, eigenschap en substantie in de getallen nog samen. Zoals later Philolaos nog zegt, dat het „hebben” en „zijn”, ’t šχειν en εrναι der getallen identiek zijn. De tegenstelling begrensd-onbegrensd is fundamenteel. In de tafel der tegenstellingen, ons door Aristoteles overgeleverd, vormt deze het eerste en zeker ook het oudste paar. Het grondkenmerk der getallen is hun begrenzende werking. Juist doordat het onbegrensde binnen het bereik van het getal gebracht wordt, is een wereld mogelijk. Want alles, wat bestaat en kenbaar is heeft een grens en getallen begrenzen. De punten, steentjes e. d., die in bepaalde groepering de getallen uitbeelden, werden Âροι d. w. z. grensstenen genoemd! Dat de verschillende toestanden, mensen en dingen binnen het wereldgeheel bestaan, dat zij kenbaar zijn en er noodzakelijk geldende uitspraken over mogelijk zijn, komt doordat dit alles ligt binnen de invloedsspheer van het getal, binnen de vuurkrans, de uiteindelijke wereldgrens, de noodzaak! Evenals de ruimte is de tijd op zich zelf oneindig en grenzenloos. Ook deze stamt dus uit het onbegrensde buiten de hemelbol. Kenbaarheid voor ons verkrijgt de tijd pas, wanneer deze binnen de afperkingen van het wereldstelsel komt. Dan, bij de bij uitstek door getallen beheerste standen der hemellichamen, wordt de tijd voor ons „afleesbaar”. Zo is het mogelijk, dat de tijd, als onbepaalbare tijd, door de Pythagoreërs met de onbegrensde leegte geïdentificeerd werd en de tijd, als markeerbare tijd, met de omwentelende hemellichamen. Dichterlijk is dit laatste later ook aangeduid in de woorden, dat de zee de tranen van Kronos vergaart (tranen: de regen; Kronos: godheid van de hemel en tegelijk van de tijd.). (Wordt vervolgd). C. A. v. PEURSEN.

Page 18

Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)
Wanneer de zeer bedenkelijke persoonlijke kwaliteiten van Keizer en Hof begonnen in te grijpen in de regering van het Rijk, de waanzin van Caius, de vrouwen-intriges van het Hof van Claudius en de totale demoralisatie van Nero en zijn kring, bleek het hachelijke van hun positie: zij vielen allen door moord. Maar de dynastieke gedachte bleef bestaan. Tacitus laat Galba zeggen, dat het voor Rome onverdraaglijk was beschouwd te worden als een hereditas van één huis, dat het het dichtst tot het vrijheidsideaal zou naderen, als de Princeps niet meer geboren, doch gekozen zou worden: adoptio optimum inveniet. In Augustus’ systeem was het niet de geadopteerde zoon, doch de aangewezen collega geweest, die voor opvolging bestemd was geweest ; nu had het erfrecht, zij het dan ook in de gerationaliseerde vorm der bewuste adoptie, het pleit zozeer gewonnen, dat de oorspronkelijke collegialiteit zelfs niet meer werd genoemd.. Staatsrechtelijk mogen wij het principaal construeren als magistratuur, historisch heeft de dynastie — uitgaande van oud-Romeinse adelstraditie — de gedachte van een opperste magistratuur, die de ziel geweest was van de oude libertas, doen verdwijnen. K. SPREY. De magische muziek in het vroege Pythagorisme III.1 Het begrip transcendentie in kennistheoretische zin is voor de Pythagoreërs onbekend. Ook een ontologisch transcendentiebegrip, zoals bij Plato, is voor het vroege Pythagorisme een anachronisme. Op z’n vroegst is het wellicht Nippasus geweest, die dit leerde. (n.l. de getallen als voorbeelden, παραδεÝγµατα der dingen.) Het enige, dat het vroege Pythagorisme leerde is het transkosmische. Dit bevat reeds de kiem voor kennistheoretische beschouwingen. Het transkosmische is het onkenbare onbegrensde. De mogelijkheid, zowel van ‘t zijn in deze wereld, als kennis van deze wereld hangt af van de begrenzing, de inperking van ’t onbepaalde. Waarbij het onbegrensde zelf, voorzoverre het de wereld binnendringt, gevangen binnen de getalsverhoudingen, deze wereld toch mede constitueert als principium individuationis. Vervolg van blz. 151 18e jaargang.

Page 19

Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)
Het ontologisch verband van een bestaanbare wereld is tevens de spheer van het rationele. De noodzakelijke gelding van, in elke uitspraak aan de dag tredende, kenbaarheid is door de Grieken vanaf hun eerste wijsgerige werkzaamheid steeds betoogd. Zo gebruikt Parmenides b.v. in dit verband het beeld van ’t geketend zijn. Pythagorisme drukt dit uit door de transkosmische irrationaliteit tegen de wereldruimte af te grenzen door de noodzaak. De noodzaak is een lichtende vuurgrens. Hiermede is de tegenstelling begrensd-onbegrensd ook optisch gequalificeerd. Ook neemt de tegenstelling licht-donker als begrippenpaar een plaats in op de lijst der tegenstellingen. Zo wordt de vuuromsloten kosmos met zijn hemellichamen, die van glasachtige substantie stralen van alle kanten opvangen en terugwerpen, in alle spheren door het licht doorglansd. Apollo is de god van het licht. Apollo is ook de god van de lier. Uit de inbedding der muziek zijn de kosmologische en astronomische theorieën opgekomen. Tot de omvatting der muziek leiden zij ook weer terug. Het gehele wereldgebouw is getal en harmonie. Zijn geproportioneerde bouw dringt zich aan al onze waarnemingen op, aan ons oog, maar ook aan ons oor. De getalsverhoudingen zijn tegelijk klanken. De sterrenhemel brengt bovenaardse muziek voort en de zeven planeten klinken op als de zevensnarige lier. Dit is de bekende leer der spherenharmonie, de muziek der spheren. In het vroege Pythagorisme ontstaan, heeft deze leer alle eeuwen door de mensheid onder de invloed van zijn bekoring gebracht daar, waar de verbinding van mathesis en mystiek door de muziek mogelijk werd gemaakt. Zo vinden wij deze leer in het late Hellenisme, bij Middeleeuwse mystici, in de Renaissance en op de hoogtepunten der Romantiek. Al horen wij deze klanken niet, — doordat wij de muziek der spheren van onze geboorte af hoorden, is ons gehoor ervoor afgestompt — de ware minnaar der wijsheid erkent toch haar bestaan. De kosmos is zo doorstraald van kleur en klank. Apollo, god van licht en lier. Het zevengesternte is het muziekinstrument der Muzen. Rond het centrale vuur, het altaar van het heelal, is de reidans der hemellichamen tevens een koorzang! De veruiteenliggende terreinen van wetenschappelijke studie vinden in het vroege Pythagorisme hun eenheid in de typische be-

Page 20

Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)
schouwing der muziek. Inderdaad zijn er vele tegenstrijdigheden in de uitspraken van Pythagoreërs aan te wijden. Ook vele onsamenhangende, zelfs zinloze speculaties over getallen enz. Maar daardoorheen breekt toch steeds weer overtuigend door de uiteindelijke samenhang .van hun wijsgerige theorieën, juist in hun muzikale wereldbeleving. De controvers eenheid-veelheid is een bekend probleem. Hier echter is er geen sprake van een logische oppositie. Het is ’n eenheidsbesef, dat buiten het logische vlak ligt. Dit is soms zelfs tot aan kleine bijzonderheden merkbaar. Wanneer men b.v. let op de reeds geschetste localisering van de beslissende tijd in de streek van de zon, dan is dit verrassend. De zonnestand is altijd het prototype van de klokketijd, d.w.z. de tijd, die van de ruimtelijke markering dag aan dag afleesbaar is. Deze vormt een discrepantie met het tijdsbegrip, dat het woord καιρeσ, critisch tijdsmoment, aanduidt en dat tegenwoordig weer in theologisch-wijsgerige stromingen ’n eminente rol speelt. Het samengaan van beiden is een zeer praegnante voorstelling! Een uitvoerige studie zou het verband tussen beiden misschien kunnen leggen. Alleen, de Pythagoreërs hebben dit niet gedaan. Vele berichtgevers vermelden de uitspraak, maar steeds als min of meer onbelangrijk, zonder nadere motivering. M.a.w. de samenhang, die wij via vele begrippenschakels eventueel kunnen herstellen, is daar reeds evident, zonder verder logische constructies nodig te hebben! Een dergelijke interpretatie is niet een te ver gaande duiding. Integendeel. Onweerstaanbaar geeft geheel deze vroege stroming ons de overtuiging, dat daar een onmiddellijk deel hebben aan kosmische verbanden is. Vóór elke kunstzinnige of theoretische bewustwording. Er is „participation mystique”. Hierin blijkt weer de nauwe samenhang met het magisch-primitieve denken. Alleen ligt de situatie hier in zoverre anders, dat tevens het wijsgerige en theoretische denken zijn ontwikkeling begint. Zelfs een aanvankelijk zeer snelle ontwikkeling. Daardoor schuiven twee vormen van wereldbeleving over elkaar heen: de primitieve en de theoretische. Niet zonder verband, dat is juist het aantrekkelijke. Beiden rijn met elkaar verbonden door hun muzikale wereldstemming. De totale persoon staat in resonantie met de kosmische verbanden! Theoretisch begint zich dit, vaak nog fragmentarisch, uit te werken. Zo vindt men ook theoretische brokstukken, die met elkaar niet samenhangen. Dit is dan ‘n tekort aan construerend vermogen.

Page 21

Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)
Mits men dit maar opvat, niet als een kinderlijk gebrek aan samenhang, maar als een samenhang, die nog onvoldoende theoretisch gerealiseerd is! Zeker, de verstandelijke uitwerkirig kan overijldspeculatief zijn en zodoende zinloos. Men verwarre echter niet te spoedig het verrassende met het zinloze! Door dit alles is het vroege Pythagorisme, juist voor onze cultuurperiode, zo boeiend. De huidige cultuur heeft het contact met de totale persoon en zijn volledig functioneren binnen de wereld-rondom verloren. Alles wordt eenzijdig vanuit het vitale geduid, of vanuit het rationele verklaard enz. Een vergaande specialisatie gaat samen met een gebrokenheid in de levenshouding. Een steeds feller gemis nit zich in ’n extreem, interesse voor het primitieve in kunst en wetenschap. Trouwens, de verschijnselen zijn bekend, zij dreigen zelfs een gemeenplaats te worden. De wezenlijke samenhang is onvindbaar gemaskeerd achter nu alles beheersende controversen ! Juist ook het Pythagorisme leert ons dit. En dat in positieven zin. Elke theorie, hoe gespecialiseerd ook, moet weer gezien worden binnen het wereldbeeld, waaruit zij voorkomt. Elk wereldbeeld, hoe logisch-abstract zijn karakter ook moge zijn, moet weer m contact gebracht worden met de voortheoretische metaphysische stemming, waarvan hij kristallisatie is. Hierin heeft men onmiddellijk deel aan de samenhang der werkelijkheid. Waarbij deze „stemming” een diepe inbedding in de persoon betekent en dus uiteindelijk verworteld is in de alles voorafgaande status van deze persoon. Wetenschap, kunst enz. zijn, als voortschrijdende bewustwording der „stemming”, een uitheffen uit de inbedding der persoon. Willen zij hun overtuigingskracht en levensvatbaarheid niet verliezen, dan moeten zij steeds in nauwe relatie blijven tot de minder bewuste spheren, waarin zij gefundeerd zijn. *** Dit waren enkele vaag aan te duiden richtlijnen, die nu uit het vroege Pythagorisme zijn af te lezen. Pythagoras staat op de grens van een nieuwe tijd. Met de komst van de vijfde eeuw breekt de klassieke periode in de ontwikkeling van Griekenland aan. Een geweldige culturele ontplooiing zal de toekomst het licht doen zien, nieuwe mogelijkheden en tijden worden geboren. Maar door smarten en onrust heen. Pythagoras zelf is meegesleurd door de maalstroom van het

Page 22

Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)
wereldgebeuren, omkookt door de politieke branding van die tijd. Uit Samos is hij geëmigreerd. Misschien vanwege een conflict met de daar heersende tyrannos. Maar zeker ook om te ontkomen aan de verstikkende dreiging van de steeds dichterbij komende macht van het Perzische rijk. In 496 brak de Ionische opstand uit en mislukte hopeloos, Milete platgebrand, de Griekse vloot vernietigd. Een paniek veroorzaakte dit in de gehele Griekse wereld. En ook in Kroton zal Pythagoras in zijn laatste levensjaren intens meegeleefd hebben met de daarop volgende massale stormloop van de Perzische wereldmacht tegen Eet kleine, vrije Griekenland. In Kroton zelf stuitte de pythagorische bond op felle oppositie, juist door de politieke invloed, die de Pythagoreërs weldra verkregen. Zo werd Pythagoras het middelpunt van partijstrijd en politieke onlusten. Zodat hij tenslotte weer moest uitwijken naarMetapontum. Er kwam een uitbarsting, waarschijnlijk kort na zijn dood, waarbij de Pythagoreërs gedood of verdreven, en hun huizen verbrand werden. Het is een tijd van nieuwe mogelijkheden, maar ook van ongekende gevaren. Pythagoras is zeer direct door de ernst en angst van deze tijd bedreigd. De wereldcrisis, die ieder gevoelde, heeft hem in velerlei vorm aangegrepen, hem uit de alledaagsheid losgerukt en gedwongen tot een persoonlijke stellingname in de uiteindelijke erkenning van leven en dood. Hoe vaag en omhuld deze in de indirecte berichtgeving voor ons ook blijft. Dat immers verklaart de overtuigende kracht van zijn leer, die z’n leerlingen doet zweren bij de woorden van hun meester. Dat verklaart de ontzagwekkende activiteit, die hem naar alle richtingen zijn levenshouding theoretisch deed doorwerken en practisch uitoefenen. Want de innerlijke eenheid van dit veelzijdige wereldbeeld toonde zich aan ons in het verband der muziek. *** Het denken van de laatste tijd begint steeds directer een appellerende tendens te verkrijgen, juist in het hernieuwd teruggrijpen op persoonlijke houding en existentiële stellingname. Hiermede gaat gepaard een verdiept inzicht in het begrijpend verstaan van historische figuren. Zo valt ook voor ons de historische afstand weg tussen Pythagoras en ons. Te vaak bewerkt confrontatie met de mening van anderen slechts zelfvoldaanheid over eigen houding. Of leidt hoogstens in ’n oppervlakkig erkennen van tekortkomingen

Page 23

Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)
tot een versterking van eigen positie door een goedkoop syncretisme. En de geruststelling van het dagelijks leven houdt de eigenlijke vragen steeds bedekt. Maar het ons inleven in de, van de wortel uitgaande, levensontplooiing van een figuur als Pythagoras, zijn we plots geplaatst tegenover bestaansvormen, die in ons zelf verborgen liggen. Zo wordt ons eigen ondoorzichtig bestaan transparent op eigen mogelijk heden. In het versmelten van de historische figuur tot in onszelf liggende mogelijkheden, grijpen wij in de toekomst vooruit en wordt het kennen van Pythagoras tot ’t vatten van onszelf vanuit de toekomst. De vraag naar ’n vaste plaats van uitgang, naar ’n omvattende verklaring, wordt weer beklemmend. Het: geef mij een plaats om te staan, opdat ik de wereld bewege, klinkt ook in ons. Vele stromingen in huidige physica en biologie tot psychopathologie en parapsychologie toe pretenderen deze plaats in te nemen. Maar zij laten ons onbevredigd, daar zij in hun specifieke objectiviteit het persoonlijke eerder inkapselen dan onthullen. Zo leidt tenslotte de bestudering van het vroege Pythagorisme, als uitzicht op eigen mogelijkheden, slechts tot enkele tastende vragen. Waar ligt deze vaste plaats? Binnen in ons of daarbuiten? Hoe vinden wij deze? Klaarblijkelijk bereiken wij dit uitgangspunt slechts door de eenheid der persoon heen. Maar ligt dit punt dan buiten ons? En waarom ontsloot speciaal de muziek voor ons de eenheid van het vroegere Pythagorisme, terwijl deze muziek toch geen uiteindelijk fundament bleek? Zeker, wij willen erkennen, dat het Pythagorisme ons aan ; onszelf duidelijker kan tonen. Maar waarom ontstond dit stelsel juist in een wereldcrisis? Kunnen wij, die zelf door ‘n wereldstorm heengaan, het dan ook eerder begrijpen? En waarom verbergen deze woorden als crisis, leven en dood zich zo licht achter hun gezwollen pathos? Is vinden dan slechts door vertwijfeling mogelijk? Scheveningen C. A. VAN PEURSEN.