Afficher le texte intégral10 pages
Page 1
Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)Meer,
L,B.ven der
POLYELEITOS BEIxYLOED DOOR PYTHAGORAS CUM SUIS ?
In: Hermeneus, 53 - 1981 - p. 153 - 161
rabi
THAeSd
Page 2
Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)Polykleitos beïnvloed door Pythagoras
cum suis?
L. B. van der Meer
Hoewel wij van Pythagoras (ca. 530 v.C.) net
als van Socrates en Jezus geen geschrift bezitten, zijn er geleerden die menen een relatie te mogen veronderstellen tussen Griekse
beeldhouwkunst en de getallenleer van de
genoemde, mysterieuze filosoof1.
De ‘bewijsvoering’ berust hoofdzakelijk op
een tweetal teksten die hier de revue passeren:
1. Galenus, de placitis Hippocratis et Platonis (4.3; V, p. 448 Kühn)
‘In het lichaam nl. onderscheidde hij (Chrysippos) duidelijk, dat de gezondheid op
‘symmetrie’ van de elementen, de schoonheid echter op die der ledematen berust. Dat
heeft hij duidelijk uiteengezet in de zo pas
door mij geciteerde rede, waarin hij zegt dat
de lichamelijke gezondheid de ‘symmetrie’
van warm en koud, van droog en vochtig,
dus van de elementen van het lichaam is.
De schoonheid daarentegen ligt niet in de
‘symmetrie’ van de elementen, maar van de
ledematen, nl. van de ene vinger tot de andere, van alle vingers tot de middenhand en tot
de handpalm, van al deze tot de onderarm,
van alle delen tot het geheel, zoals in de
Kanon van Polykleitos geschreven staat. Na
een uiteenzetting van alle ‘symmetrieën’ in
dat geschrift gaf Polykleitos in concreto gestalte aan zijn theorie, door een beeld te
scheppen overeenkomstig de principes van
zijn theorie, en hij noemde het beeld zelf
dan ook, net als zijn geschrift, Kanon. De
sclioonlieid van het lichaam ligt volgens alle
artsen en filosofen in de ‘symmetrie’ der
ledematen, de gezondheid echter op haar
beurt, is de ‘symmetrie’ van de elementen,
hoe die ook mogen zijn.’
Hoewel in deze tekst geen sprake is van getallen, spelen de verhoudingen of proporties
wel een duidelijke rol. Symmetrie is het
kernbegrip dat ongetwijfeld met harmonie
of evenwicht of juiste verhouding vertaald
moet worden2.
Om twee redenen ziet de Amerikaan Pollitt
sporen van Pythagoreïsche invloed. De theorie over de gezondheid die in de mond gelegd
wordt van Chrysippos (278-204 v.C.), zou
reeds door Alkmaion van Kroton gevormd
kunnen zijn. En omdat Pythagoras op dezelfde plaats en in dezelfde tijd leefde, is beïnvloeding van de medicus door de wijsgeer
niet uit te sluiten. De symmetrie der ledematen anderzijds waarin het kleine – de vinger – uiteindelijk aan het geheel (panta)
wordt gecorreleerd, doet denken aan een
passage bij Philo Mechanicus, Syntaxis
4.1.49, 20 (ed. Schone, 1893):
τe γaρ εs παρa µικρeν διa πολλν ριθµν
γÝγνεσθαι
‘het volmaakte nl. ontstaat vanuit het kleine (?)3 door vele getallen’
Philo gebruikt het citaat in zijn kritiek op de
Pythagoreïsche gedachte dat getallen de oerelementen van de kosmos zouden zijn. Pollitt veronderstelt tenslotte dat de genoemde
zin direkt ontleend is aan de Kanon van
Page 3
Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)Polykleitos. Dit laatste is nogal hypothetisch,
omdat het geschrift verloren is gegaan.
2. De tweede tekst komt uit Vitruvius, De
Architectura 3.1.2-5, waarin hij – ten tijde
van keizer Augustus – uiteenzet dat bij het
bouwen van tempels een vaste modulus, die
geënt is op het menselijk lichaam, van belang
is:
‘De natuur heeft nl. het lichaam van de mens
zo gevormd, dat het gezicht van de kin tot
het hoogste deel van het voorhoofd en de
onderste rand van het haar 1/10 bedraagt,
het handvlak van de handwortel tot de punt
van de middelvinger evenveel, de kop vanaf
de kin tot het hoogste punt van de schedel
1/8, van het boveneinde van de borst met
het onderste deel van de hals tot aan de onderste haarinplant 1/6, (van het midden van
de borst) tot het hoogste deel van de schedel
1/4 (van de lichaamshoogte).
Van het onderste deel van de kin tot de
neusgaten is 1/3 van de lengte van het gezicht zelf, evenveel de neus vanaf de neusgaten tot het midden van de lijn van de
wenkbrauwen. Vanaf deze lijn tot aan de
haarinplant eveneens 1/3.
De voet is echter 1/6 van de lichaamshoogte,
de onderarm 1/4, de borst eveneens 1/4.
Ook de overige ledematen hebben hun eigen
proporties van symmetrie. Door daarop te
letten hebben beroemde schilders en beeldhouwers grote en grenzeloze roem behaald.
Op dezelfde wijze moeten ook de geledingen van de tempels een symmetrie hebben,
die vanuit de delen afzonderlijk aan de totaalsom van de gehele grootte beantwoordt. Verder is natuurlijk de navel het middelpunt van
het lichaam. Ligt nl. een mens met gespreide
armen en benen op de rug, en zet men de
passerpunt op de plaats van de navel en trekt
men een cirkel, dan worden de vingertoppen
van beide handen en de teentoppen door de
cirkel beroerd. Zoals het lichaam in een
cirkel past, zo past het ook in de figuur van
een vierkant. Indien men nl. van de voetzolen tot de schedel meet en men legt deze
maat op de uitgestrekte handen, zal men dezelfde breedte en hoogte vinden, als bij vlakken die met een winkelhaak vierkant zijn
aangelegd (Fig. 1). Wanneer dus de natuur
het menselijk lichaam zo heeft samengesteld, dat zijn ledematen in de proporties
aan zijn totale gestalte beantwoorden, schijnen de Ouden terecht te hebben bepaald dat
zij ook bij de uitvoering van bouwwerken
een precieze, symmetrische maatverhouding
van de afzonderlijke onderdelen ten opzichte
van het totaal dienen te hebben. Toen zij
derhalve bij alle bouwwerken voorschriften
overleverden, deden zij tiet in het bijzonder
1 Leonardo da Vinci’s proportie-figuur naar Vitruvius.
Page 4
Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)bij de tempelbouw, omdat lof of blaam van
deze werken eeuwig pleegt voort te bestaan.
Evenzo heeft men de maatverhoudingen,
die in alle bouwwerken nodig zijn, ontleend
aan de ledematen van het lichaam, zoals
vinger, handpalm, voet, el, en zij verdeelden
deze tot een perfect getal dat de Grieken
‘teleon’ noemen. Als een volkomen getal betitelden de Ouden tien want het wordt gevonden door het aantal vingers van de handen.’
Het valt niet te ontkennen dat beide teksten
elementen gemeen hebben. Wat de proporties betreft, valt de nadruk op hand, onderarm (el) en het geheel van het menselijk
lichaam. Voorts spreekt ook Vitruvius over
symmetria dat hij vertaalt met commemus,
een woord dat verder in het Latijn zonder
succes bleek.
Pollitt, in navolging van Raven, is van mening dat beide teksten een reflex kunnen zijn
van de Kanon van Polykleitos, wellicht een
indirecte. Het zou kunnen zijn dat Philolaos, een aanhanger van de Pythagoreïsche
leer, rond 400 v.C. de kanon-principes van
de beroemde beeldhouwer, die rond 440-430
v.C. actief was, overnam in zijn geschriften.
Raven’s argument is gebaseerd op Vitrivius’
opmerking dat het getal 10 in de oudheid als
een volmaakt getal werd aangemerkt. In deze
context verwijst hij naar:
a) Aristoteles, Met. 986a8:
τÛλειον δεκaσ εrναι δοκε καd πσαν
περιειληφÛναι τcν τν ριθµν φàσιν^.
‘liet tiental schijnt volmaakt te zijn en de
volkomen aard der getallen te omvatten’.
b) Speusippus, Theologumena (82.10 de
Faico):
κ τν ξαιρÛτωσ σπουδασθεισν εd
Πυθαγορικν κροÀσεων, µÀλιστα δb τν
ΦιλολÀου συγγραµµÀτων...στι δb τa δÛκα
τÛλειοσ ριθµÞσ.
‘volgens de uitgelezen aanhangers, het trouwe Pythagoreïsche gehoor, en vooral volgens
de geschriften van Philolaos... is tien het volmaakte getal’.
De argumentatie is uiterst zwak te noemen.
Hoewel Vitruvius zowel Pythagoras als ook
Polykleitos herhaaldelijk noemt in zijn boek,
zij opgemerkt dat juist in de zo even geciteerde passage elke verwijzing naar één van
beiden ontbreekt. Vitruvius spreekt slechts
van dat wat de natuur aan basisverhoudingen
in het lichaam heeft gelegd.
Langs een omweg wil Pollitt tenslotte suggereren dat Polykleitos bij het scheppen van
zijn Kanon, in beeld en geschrift, beïnvloed
werd door Pythagoreïsche arithmetica. Polykleitos was niet de eerste die symmetria in
zijn sculptuur gestalte gaf. Diogenes Laertius
(8.46) vertelt dat een beeldhouwer Pythagoras de eerste scheen die streefde naar
rhythmos en symmetria. Van zijn hand zijn
geen originelen bewaard gebleven. Deze man
vertrok (waarschijnlijk) rond 496 v.C. van
Samos naar Zuid-Italië, waar hij tussen ong.
480 en 448 v.C. bronzen beelden schiep.
Uit de coïncidentie dat de filosoof Pythagoras eerder ook van Samos naar GrootGriekenland kwam, en dat de beeldhouwer
de naam van de filosoof droeg, concludeert
Pollitt tentatief dat dan ook de kunstwerken
wel Pythagoreïsche invloed moeten hebben
ondergaan. Dat in de vroeg-klassieke periode
symmetria een actueel ideaal was, zou tenslotte kunnen blijken uit de opmerking van
Plinius (N.H. 34,58) dat Myron (welbekend
door zijn beroemde schepping ‘De Discuswerper’) ‘numerosior in arte quam Polyclitus
et in symmetria diligentior’ was. Myron, een
tijdgenoot en collega van Pythagoras, zou, zo
zegt Plinius, zorgvuldiger met symmetria zijn
omgesprongen.
Een antieke tekst, die Raven en Pollitt ont-
Page 5
Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)ging, maar die meer dan de passage bij Vitruvius, invloed van Polykleitos’ kanon verraadt,
is Plutarchus, Moralia 45 C-D, cap. 13:
ν ργωι γε παντd τe µbν καλeν κ πολλν
οxον ριθµν εσ ²να καιρeν κÞντων πe
συµµετρÝασ τινeσ καd ρµονÝασ πιτελε ται,
τe δ\ ασχρeν ξ νeσ το τυχÞντοσ λλεÝπο-,
ντοσ προσÞντοσ τÞπωσ εθàσ τοݵην
χει τcν γÛνεσιν^.
‘In elk werk wordt het schone gerealiseerd
door vele (elementen) zoals bijv. getallen
die in een geschikt moment samenkomen
dank zij een zekere symmetrie en harmonie.
terwijl het lelijke terstond zijn oorzaak vindt
in het feit dat een (element) ontbreekt of
niet op zijn plaats is.’
Deze passage heeft veel gemeen met Galenus’
tekst: schoonheid; symmetrie, harmonie, die
vanuit het kleine bijdragen tot het geheel.
Opvallend is het woord kairos. Dit doet denken aan een beroemd, helaas verloren gegaan, beeld van Lysippos, die aan het einde
van de vierde eeuw v.C. de kanon van Polykleitos wijzigde. Hij maakte de koppen kleiner, en de lichamen verhoudingsgewijs langer.
Cicero (Brutus 86, 296) schrijft dat Lysippos
de Doryphoros (Lansdrager) van Polykleitos
als zijn meester beschouwde (Fig. 2). Men
ziet hoezeer het Leitmotiv ‘symmetria’ vanaf
ca. 480 v.C. tot aan het Hellenisme een kardinale rol speelt in de Griekse beeldhouwkunst, althans indien men de geschreven
bronnen mag geloven. Nieuw in Plutarchus’
tekst, vergeleken met Galenus, is de vermelding van getallen die tot het geslaagde moment bijdragen. En omdat getallen volgens
Aristoteles bij de aanhangers van Pythagoras
werden beschouwd als de oerprincipes van
alles (Met. 1036a12):
καd νÀγουσι πÀντα εσ τοfσ ριθµοàσ,...
is het de moeite waard te onderzoeken in
hoeverre beelden van Polykleitos iets aan
2 Romeinse marmeren
Lansdrager (Napels).
copie
Mykleitos’
Page 6
Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)3 Moderne bronzen copie van Polykleitos’ Lansdrager (München).
interessante getalsverhoudingen hebben te
danken. Zo’n onderzoek wordt bemoeilijkt
maar niet onmogelijk gemaakt door de omstandigheid dat van Polykleitos geen enkel
origineel kunstwerk is bewaard gebleven.
Gelukkig zijn er Romeinse kopieën. Vanaf
de eerste eeuw v.C. reeds gaven rijke Romeinen aan Griekse, veelal neo-Attische artiesten, opdracht beroemde Griekse artefacten
na te maken om ze vervolgens op te stellen
in de kamers en tuinen van hun huizen en
villa’s. De kopieën kunnen tamelijk getrouw
zijn omdat de kopiisten werkten met behulp
van de punteermethode. Originelen werden
met een speciaal apparaat punt voor punt
gemeten; de gevonden maten werden dan
‘overgeheveld’ op een nog te bewerken blok
marmer. Concessies aan de mode en de
smaak van de opdrachtgevers werden natuurlijk gedaan: stutjes werden toegevoegd; in
de latere keizertijd doorboorde men de
pupillen, haar werd aangepast aan de mode,
en kleding werd verkeerd begrepen. Maar in
principe veranderde er in de basisopzet weinig4.
De kopieën van het beroemdste beeld, de
reeds genoemde Lansdrager (Fig. 2 en 3),
zijn in de afgelopen tien jaar uitvoerig bestudeerd en opgemeten door diverse archeologen5. De resultaten van Von Steuben zijn
het meest interessant. Volgens hem heeft
Polykleitos niet gebruik gemaakt van één
basismaat maar wel van hand- en vingerbreedte, voorts van el en voet en veelvouden
daarvan. Van de gevonden verhoudingen
congrueren slechts twee met de door Vitruvius genoemde: de voet is één zesde en het
gezicht één tiende van de lichaamshoogte.
Het zijn verhoudingen die in de natuur voorkomen.
Het lichaam van de Lansdrager kan vertikaal
in vier gelijke delen verdeeld worden: de
knie (onderrand) bevindt zich op 1/4, de
Page 7
Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)5 Indeling van de torso van de Lansdrager (naar
von Steuben).
4 Vertikale indeling van Polykleitos’ Lansdrager
(naar von Steuben).
6 Indeling van het gezicht van de Lansdrager (naar
von Steuben).
Page 8
Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)penis (bovenrand) op 2/4 en de oksel op 3/4
van de totale hoogte (Fig. 4). Voorts is belangwekkend dat zowel de torso (Fig. 5) als
het gezicht (Fig. 6) in vierhoeken passen,
die onderverdeeld kunnen worden in vierhoeken waarvan de zijden onderling parallel
lopen en die onderling in een verhouding
staan van 1:2:4. Als Von Steuben’s metingen juist zijn, zijn de proporties interessant
omdat van de Pythagoreïsche muziekleer
ook bekend is dat intervallen (bijv. 1:2,
2 : 3 etc.) bijdragen tot harmonie. Antieke
bronnen, Plinius en indirekt Varro, noemen
Polykleitos’ beelden ‘quadrata’, waarschijnlijk een Latijnse vertaling van het Griekse
‘tetragoona’ (vierhoekig)6. Het is denkbaar
maar moeilijk te bewijzen dat het adjectief
slaat op de voor ons alleen door metingen
zichtbare geometrische figuren7.
Ondanks de gevonden fijne verhoudingen –
indelingen in 16 en 32 fracties ontbreken
niet – gelooft Von Steuben niet in Pythagoreïsche invloeden: ‘Es wäre geradezu unsinnig, bei dem ganz in sich und auf sich
selbst bezogenen Doryphoros ein dem
menschlichen Körper und der Kunst des
Bildhauers fremdes, kosmologischer Spekulation entnommenes Element einführen zu
wollen8.’
Von Steuben beschouwt dus de relatie tussen filosofische getallenleer en klassieke beelden als onzinnig; zijn oordeel is ongetwijfeld
te hard omdat de gevonden verhoudingen
(bijv. de vierdeling) niet alle corresponderen
met de natuurlijke, tenzij Grieken volkomen
anders waren geproportioneerd dan wij. Bij
aandachtige beschouwing van het beeld valt
op, dat de onderbenen te kort en de bovenbenen verhoudingsgewijs te lang zijn. Men
mete zich zelf maar eens om te constateren
dat de genoemde vierdeling niet op gaat...
De kans bestaat derhalve dat de sterk theoretisch ingestelde Polykleitos op zoek naar
volmaakte verhoudingen zich niet slechts
door de natuur maar ook door de Pythagoreïsche idee dat getallen de basis van alles
vormen, liet inspireren. Men besefte evenwel
dat Griekse beeldhouwers, gezien hun eeuwenlange pogingen de werkelijkheid steeds
realistischer en ook harmonischer weer te
geven vooral studie hebben gemaakt van de
anatomie van de mens. In het werk van de
Romeinse arts Galenus lezen wij een passage
die erop wijst dat Polykleitos zich primair
door de natuur zelve liet beïnvloeden (De
sanitate tuenda II. 7.10)’.
τe δ\ριστον σµα, περd οy νν λÞγοσ,
Ïσπερ ΠολυκλεÝτου καινñν στιν...
εκρατÞτατον στι τe µεσαÝτατον.
‘Het beste lichaam waar het nu over gaat, is
als de Kanon van Polykleitos... het best gemengde is het meest gemiddelde’.
Overigens is het werken met voetmaten lang
voor Polykleitos’ tijd begonnen. De archaïsche kouroi (beelden van atletisch gevormde jongemannen) verraden dat reeds spoedig
na 600 v.C. de lengte dikwijls wordt bepaald
door 6 voet. Eerst is het hoofd 1 voet lang
en eigenlijk iets te groot. In de loop van de
zesde eeuw v.C. krijgen de zesvoeters hoofden die 1/7 van de lichaamshoogte meten9.
Het beroemde grafbeeld van Aristodikos
(Fig. 7), dat rond 500 v.C. gedateerd kan
worden, is zeven voet (van 28 cm.) hoog en
het hoofd is precies één voet. Metingen van
de Griekse archeoloog Karusos hebben aangetoond dat in dit geval, net als later bij de
Lansdrager, knie en penis belangrijke meetpunten waren10. De verhoudingen van voet
tot knie, van knie tot penis, van penis tot
kin, van kin tot schedelrand zijn: 2 : 21⁄2 :
21⁄2 : 1 voet.
Maar zelfs de zevendeling is waarschijnlijk
geen Griekse vinding. Reeds vóór 600 v.C.
hadden Egyptische kunstenaars de gewoonte
Page 9
Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)7 Indeling van het grafbeeld van Aristodikos (naar
Karusos).
het blok waaruit een beeld of relief gehouwen moest worden, te voren in te delen.
Diodorus Siculus (1.98.7), een geschiedschrijver uit de eerste eeuw v.C., vertelt ons daarover het volgende:
λλ\πειδaν τουσ λÝθουσ κατακλÝνωσι καd
µερÝσαντεσ κατεργÀσωνται, τe τηνικατα
τe νÀλογον πe τν λαχÝστων πd τa
µÛγιστα λαµβÀνεσθαι¯ το γaρ παντeσ
σñµατοσ τcν κατασκευcνεσ ν καd εκοσι
µÛρη καd προσÛτι τÛτραρτον διαιρουµÛνουσ
τcν Âλην ποδιδÞναι συµµετρÝαν τοf ζÿñου.
‘Maar wanneer zij (Egyptenaren) de stenen
neergelegd hebben en na het aanbrengen van
een indeling aan het werk gaan, dan nemen
zij uit de kleinste (onderdelen) een deel dat
beantwoordt aan het grootste. Na de opbouw van het gehele lichaam in 21 delen
plus één vierde te hebben verdeeld, bereiken zij de volledige, juiste proportie (symmetrie) van het wezen.’
Het is denkbaar dat met de 21 delen 21 lengten van een handpalm, of bijv. 7 voeten zijn
bedoeld (bijv. gemeten tot de bovenrand van
het voorhoofd).
Op grond van oude ambachtelijke tradities
waarin de hoogte van een beeld bepaald
werd door kleinere eenheden zoals voet,
hoofd, vinger, el etc., lijkt het waarschijnlijk
dat Polykleitos zich niet in de eerste plaats
liet inspireren door Pythagoreïsche ideeën.
Maar wellicht geldt het wel voor het aanbrengen van de ‘finishing touches’, die tot
volmaakte harmonie bijdragen. Omdat Polykleitos’ boek ‘Kanon’ zo beroemd werd dat
latere beeldhouwers daarin de regels als van
een wet vonden, is de mogelijkheid niet
afwezig dat de Kanon de Pythagoreërs in
hun geschriften na ca. 430 v. C. inspireerde11.
Hoe belangrijk het boek was, vertelt Plinius
‘fecit (Polyclitus) et quem canona artifices
vocant lineamenta artis ex eo petentes veluti
Page 10
Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)a lege quadam, solusque hominum artem
ipsam fecisse artis opere iudicatur.’
‘(Polyclitus) maakte ook wat kunstenaars de
Kanon noemen. Daaruit halen zij essentiële
richtlijnen voor de kunst als uit een wet. En
Polyclitus is – naar men oordeelt – de enige
ter wereld die de kunst zelf door een kunstwerk heeft geschapen.’
LITERATUUR
NOTEN
J. Boardman, Greek Sculpture. The Archaic Period,
A Handbook. Norwich (Thames and Hudson)
1978.
Chr. Kanusos, Aristodikos. Zur Geschichte der
spatarchaisch-attischen Plastik und der Grabstatue. Stuttgart 1961.
Th. Lorenz, Polyklet. Wiesbaden 1972.
H. Oppel, Kanon, Philolosus. Supplb. 30 (1937),
1-108.
J.J. Pollitt, The Ancient View of Greek Art. Criticism, History, and Terminology. New Haven
and London 1974.
J. E. Raven, Polyclitus and Pythagoreanism, The
Classical Quarterly 45 (1951), 147-152.
J. Ruesch, Greek Statuary of the Fifth and Fourth
Centuries B.C.: the Methodology of Descriptive Analysis through Measurement. 1977.
H. von Steuben, Der Kanon des Polyklet. Doryphoros und Amazone. Tübingen 1973.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
Raven 1951, 147-152; Pollitt 1974,14-22.
Zie analyse bij Pollitt 1974, passim.
‘Para mikron’ wordt op verschillende wijzen
vertaald, bijv. ook met ‘bijna’ of ‘op een
kleinigheidje na’. Zie Pollitt 1974, 88-9,
n. 6.
M. Bieber, Ancient Copies. New York 1977.
Lorenz 1972; von Steuben 1973; Ruesch
1977.
Plinius34,55.
Pollitt 1974, 263-9; von Steuben 1973,
35-6.
von Steuben 1973,23.
Boardman 1978, 78-9.
Karusos 1961, 7-10.
Pollitt 1974, 18 (Polyclitus... perhaps contributed, to the Pythagorean doctrine of
number and symmetria).