Volledige tekst tonen2 pagina's
Pagina 1
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)“Als Pythagoras gelijk heeft...””: een
topos in een lofdicht van Hooft
233
Ad Dominam Marium Neville,
(@ è
Patronam suam.
AEREI ke.
L. STRENGHOLT
“Als Pythagoras gelijk heeft...’": een topos in een lefdicht van Hooft
Si nos Pythagorae non fallunt dogmata, corpus
Intrarunt Pallas, luno, Venusque tuum.
Tres nam virtutes te reperiuntur in una:
Cum tamen in multis rara sit una tribus.*
In een van zijn vroege sonnetten, geschreven ter ere van een ons overigens onbekende
A. J. van Blijdensinne, die blijkbaar werk van Ovidius vertaald had, zegt Hooft in het
Jeremias de Decker heeft dit puntdicht als volgt vertaald:
Sextet:
Aan dezelve.
De siel van den poéet vertoont sich in sijn dichten.
Gij, zoo Pythagoras gewis gaat in zijn vonden,
Soo, recht Pythagoras sijn jongers onderrichten
Van onser sielen reijs, en wonderlick bedrijf,
10
Huist Pallas, Venus thans en Juno binnen dij.
Drie deugden worden er in u alleen gevonden;
Achylles siel was in Homerus lijf gescholen
Jn Alexanders lijf Homerus siel verholen,
Daar nogtans zelden cen van drieén woont in drij.*
En nu woont Nasoos siel in Blijdensinnes Lijf.'
Six van Chandelier brengt Pythagoras’ gedachte in een schertsende verzuchting te pas:
,”
De formulering in regel 10 is onduidelijk. Van der Heijden annoteert: “recht: zoals”’
O! had des Samiaaners schryven,
maar dat lijkt een verlegenheidsoplossing, aangezien het woord recht nu eenmaal niet
In d’ceuw der Kristenen ook plaats,
‘‘zoals’’ betekent. De moeilijkheid wordt veroorzaakt door de vreemd geplaatste komb
ma na het eerste woord in de versregel.
De Westeuropese letteren van Hoofts tijd kunnen ons helpen door middel van vergelijkbare plaatsen. In hun uitgave van Karel van Manders Kerck der Deucht citeren
Mocht ik een dagh maar zyn Horaats,
Wat deftigh werk zou ik bedryven?
Hier is het thema verweven met de bekende topos waarin de dichter zijn onvermogen
uilspreekt ten overstaan van een hem te groots onderwerp. Met de ziel van Horatius
Miedema/Spies Du Bellay en Ronsard, beiden met een voorwaardelijke bijzin waarin
in de herberg van Six’ lichaam zou er pas iets indrukwekkends tot stand komen!®
Pythagoras figureert:
7èih
Du Bellay:
Hoofd refereert, gegeven de vermelding van ‘‘Nasoos siel’’, waarschijnlijk aan de
passage Metamorphoses XV, 153-75, waar Pythagoras zelf een uiteenzetting van zijn
Si l’on doibt croire à Pythagore,
Qui les corps fait reanimer,
opvatting in de mond gelegd wordt. Miedema/Spies wijzen overigens op cen andere
plaats in Ovidius, die het uitgangspunt moet zijn geweest van de door hen geciteerde
Ronsard:
Si ce qu'a dit Pythagore
Franse versregels, nl. de Tristia III, iii, 61-64:
Pour vrai l’on veut estimer
~=
L'ame de Peirarque encore
nam si morte carens vacua voltat altus in aura
T'est venue r'animer:?
Spiritus, et Samii sunt rata dicta senis,
inter Sarmatias Romana vagabitur umbras,
“Als waar is wat Pythagoras heeft beweerd’’: cenzelfde behoedzame wending - de opvatting van de wijze van Samos inzake de zielsverhuizing, de metempsychose, stond
uiteraard haaks op het christelijk geloof - komt voor bij de Engelse neolatinist John
Owen (Epigrammata 1,4), eveneens in een laudatief verband:
4
foannis Audoeni Epigrammatum Vol. I, Libri 1-11. Edited with Introduction, Notes, Indices
by John R. C. Martyn (Leiden, 1976), biz. 19.
I
P.C. Hooft, Sonnetten/Reden vande Waerdicheit der Poesie, ed. P. Tuynman (Amsterdam,
5
Jeremias de Decker, Oorspronkelijke dichtstukken Il, ed. Witsen Geysbeck (Amsterdam,
1827), blz. 27. Het versje volgt op een epigram met de titel ‘‘Aan zekere doorluchtige Vrouwe””.
1971), biz. 2.
De ziel van den poéet vertoont zich in zijn dichten. Decl 9 van Spectrum van de Nederlandse
Vgl. voor De Deckers navolging van Owen: J. B. Wilterdink, ‘John Owen en zijn invloed op Jere-
*
2
-
Jetterkunde (Utrechi-Antwerpen, 1967), blz. 103.
mias de Decker en Revius’, in: TNTL 76, 1958, blz. 18-40. Het is opmerkelijk, dat De Decker,
3
die tamelijk nauwgezet zijn voorbeeld volgt, de volgorde van de drie godinnen in r. 2 zonder me-
Karel van Mander, De Kerck der Deucht, uitg. Hessel Miedema en Marijke Spies (Amsterdamse smaldelen 5, Thespa (Amsterdam), z.j.), biz. 64. De editeurs verwijzen naar Ovidius’ Afetrische noodzaak heeft gewijzigd. Zou Venus, als laatste genoemd, te vecl nadruk gekregen hebtam. en Tristia (zie verderop in deze bijdrage) en melden, dat de aangewezen plaats in het laatstgeben naar zijn zin?
noemde werk ‘‘door de Pléiade herhaaldelijk geparafraseerd”’ is, ten bewijze waarvan de regcls
6
uit Du Bellay en Ronsard worden aangchaald.
van Six van Chandelier citeer.
Da
mins
medita
77.2
IRA
Vgl. D. Kuijper, Fzn., ‘De Samiaaner’, in: 7NTL 84, 1968, blz. 311-12, waaruit ik de regels
Pagina 2
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)“Als Pythagoras gelijk heeft...”’: een topos in een lofdicht van Hooft
perque feros manes hospita semper erit.’
Voor een echo hiervan in de Engelse literatuur zie men Highet, The Classical Tradition: in 1598 wordt Shakespeare een reincarnatie van Ovidius genoemd, ‘‘zoals de ziel
van Euphorbus geacht werd te leven in Pythagoras’’.®
Het is wel zeker, dat de topos waarop wij hier stuiten, een wending rechtstreeks of
onrechtstreeks aan Ovidius ontleend, als een locus heeft gefunctioneerd in lofdichten
op mensen en boeken, vermoedelijk in het bijzonder op vertaalde werken, en dat er
bij naarstig speurwerk nog meer voorbeelden te voorschijn zullen kunnen worden
gebracht.
Als we Hoofts woorden, het startpunt van deze bijdrage, mogen lezen in het licht van
de parallelplaatsen en hun bron Ovidius — hetgeen te meer voor de hand ligt aangezien
de dichter iemand prijst die Ovidius heeft vertaald? - dan betekent de versregel in
kwestie: ‘‘Indien Pythagoras zijn leerlingen op de juiste wijze (recht) onderrichtte (aangaande de verhuizing onzer zielen)”*.*” De hoofdzin die op deze conditionele bijzin
volgt heeft geen inversie, zoals vaker het geval is in zeventiende-eeuwse poézie, b.v. bij
Huygens. We kunnen regel 12-13 van het geciteerde sonnet nu aldus vertalen: ‘‘dan
was de zie] van Achilles verborgen in Homerus’ lichaam (en) Homerus’ ziel in Alexanders lichaam besloten’’. De slotregel, de hoffelijke conclusie van het dichterlijk betoog, is niet meer van de inversiefactor afhankelijk: ‘ten nu woont (op dezelfde wijze)
Ovidius’ ziel in het lichaam van Blijdensinne’’. De wending geeft op ludieke wijze de
voortreffelijkheid van de vertaling te kennen.
De eerste regel van het sextet moet in de samenhang van het geheel begrepen worden. Ik gebruikte zojuist met opzet de woorden ‘‘betoog’’ en ‘‘conclusie’’. De versregel
“De siel van den poéet vertoont sich in sijn dichten’’ vormt weliswaar een uitspraak
op zichzelf, een soort van sententie, maar ze is tevens een schakel in de gedachtengang,
een premisse als het ware. Juist de waarheid, dat je in poëzie de ziel van de dichter kunt
waarnemen, legt, verenigd met de Pythagoreische idee van de zielsverhuizing, de basis
voor de slotsom, dat in Blijdensinne’s lichaam de ziel van Naso moet wonen.
Anders gezegd: het is in de vertaling of je de oorspronkelijke auteur zelf voor je
hebt. Voor een toegewijd vertaler het mooiste compliment dat hij krijgen kan.
Heiloo, juli 1983
De Hoghe Weijdt 59
7
Geciteerd naar Tristia, ed. Georg Luck, Bd I (Heidelberg, 1967), blz. 108; Lucks vertaling
luidt: ‘Denn, wenn der Geist, dem Tode nicht verfallend, hoch in den Lüften schwebi und die
Lehren des Alten von Samos wahr sind, wird zwischen sarmatischen Schatten der eines Rômers
flattern und zwischen wilden Manen einer stets ein Fremdling sein’ (f.a.p., blz. 109).
8
Gilbert Highet, The Classical Tradition (Londen-Oxford-New York, 1967), blz. 203.
9 3. C. de Haan, Studien over de Romeinsche elementen in Hooft's niet-dramatische poëzie
{Santpoort-Antwerpen, 1923), blz. 11-13, gaat wel uitvoerig in op andere voorstellingen in Hoofts
sonnet, maar niet op het punt van de metempsychose.
Bij deze vertaling verwaarloos ik de komma na Soo; Hooft heeft wel vaker een voor ons
moeilijk te volgen gebruik van de komma.