Volledige tekst tonen3 pagina's
Pagina 1
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)WNL MERAEDRE GOR
VA QAS
Zzı 93 <
SUMA. LLANGS À.
Zo brak uit beiden los, niet kwaad voor een,
\Bq
Maar onheil saam-gemengd voor man en vrouw.
’t Aloud geluk van ’t eertijds bloeiend huis,
Eens was 't geluk, maar thans op deze dag:
Verdelging, jammer, schande, dood, — al kwaad,
Dat naam op aard’ heeft, niets dat hier ontbreekt.
Vert.
J.D. MEERWALDT.
„In ’ttafereel Cebétis”
Het hangt ongetwijfeld samen met de toelichting bij deze woorden
uit het gedicht in Vondels Gulden Winckel, plaat n°. XXI, dat
Dr. J. Aleida Nijland (zie Hermeneus, 12° jg., n°. 2, biz. 33) aarzelend, in de beschrijving van de Avontuur, zegt:
„de linkervoet op, of liever in een op ’t water(?) (niet duidelijk)
drijvende bol, (of is 't een schelp?)”
De bewuste toelichting luidt:
» t tafereel van de Griekse wijsgeer Cebes, dat is 'n Sokratiese
tweespraak, Pinax (schilderij) geheten, en aan Cebes toegeschreven,
waarin de lotgevallen der menschen geschilderd worden”.
-Er ware bij te voegen geweest, dat de tweespraak geinspireerd
werd door een werkelijk schilderij, dat nauwkeurig beschreven
wordt. Hetgeen er over wordt gezegd, stond den plaatsnijder voor
oogen en daarom is er geen twijfel mogelijk, dat hij de vrouwenfiguur heeft willen afbeelden, staande op een marmeren bol, die
op den vasten grond ligt, tegen een decor, dat noch de stad noch het
land voorstelt, dus een geidealiseerd landschap is.
Enkele aanhalingen uit het „Schilderij van Cebes” zullen dit alles
duidelijk doen blijken, en tevens, dat de dichter van het bijschrift,
dat door Vondel vertaald werd, het werk van den Platonicien uit de
5° eeuw v. Chr. zoo goed gekend heeft, dat hij er menigen regel
letterlijk aan kon ontleenen.
dervöv 3° Abgas de Spnyntod rivoc
mirare StrAraic Evhrar’, de Sè ruôpévev
Eedive xotka xAñOpa xdurlrrer are.
où 8) xpepaothv thy yuvaix’ éoelSouev,
rrextatow alóparow éumenreypévyy.
è è de dpg viv, Sera Bpuynôels rédac
XI xpepaothy dptavynv. Enel Sè y
Exeo tAhpwv, Seva 3° Av tavOdvd’ dpav.
dnoondoas yap eludrwv ypuankdrouc
repóvas ax’ adtig, alow ¿Esorélicro,
pag tracey Eppa tav adroü xdxAwv,
asi total’, dbovvex’ odx Byowré viv
000” of? Eracyev 000 droit’ Epa xaxd,
e
aX’ dy axdty td Xotrrdv 005 pèv oùx Eder
dpola0”, og & Expniev où Yywoolaro.
totadr” tpupvay modrAaxtg te xoby Anak
4paco’ tralpwy Bitpapa. polviar 8’ Euoù
YAñvor yéver” Ereyyov, obd’ dvlecav
pévou puéWmoas arayévac, KA’ sol péiac
duPßpos yardtng aluaroüg éréyyero.
48 tx Bvoiv Eppwyev où pévov xdra,
GAN’ Avdpl xal yuvarxl cuupryf xaxd.
è nplv madarós 8 8ABos Av rrdpoıde pèv
BABog Stxalwe- viv St rise Chuépa
otevayuós, dt, Odvaros, alayüvn, xaxdv
da’ karl rávrov dvéuat’, obdév tor” dmöv.
Pagina 2
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)Zo brak uit beiden los, niet kwaad voor een,
Maar onheil saam-gemengd voor man en vrouw.
’t Aloud geluk van ’t eertijds bloeiend huis,
Eens was ’t geluk, maar thans op deze dag:
Verdelging, jammer, schande, dood, — al kwaad,
Dat naam op aard’ heeft, niets dat hier ontbreekt.
Vert. J. D. MEERWALDT.
„In ’t tafereel Cebétis”
Het hangt ongetwijfeld samen met de toelichting bij deze woorden
uit het gedicht in Vondels Gulden Winckel, plaat n°. XXI, dat
Dr. J. Aleida Nijland (zie Hermeneus, 12e jg., n°. 2, blz. 33) aarzelend, in de beschrijving van de Avontuur, zegt:
„de linkervoet op, of liever in een op ’t water(?) (niet duidelijk)
drijvende bol, (of is ’t een schelp?)”
De bewuste toelichting luidt:
„’t tafereel van de Griekse wijsgeer Cebes, dat is ’n Sokratiese
tweespraak, Pinax (schilderij) geheten, en aan Cebes toegeschreven,
waarin de lotgevallen der menschen geschilderd worden”.
Er ware bij te voegen geweest, dat de tweespraak geïnspireerd
werd door een werkelijk schilderij, dat nauwkeurig beschreven
wordt. Hetgeen er over wordt gezegd, stond den plaatsnijder voor
oogen en daarom is er geen twijfel mogelijk, dat hij de vrouwenfiguur heeft willen afbeelden, staande op een marmeren bol, die
op den vasten grond ligt, tegen een decor, dat noch de stad noch het
land voorstelt, dus een geïdealiseerd landschap is.
Enkele aanhalingen uit het „Schilderij van Cebes” zullen dit alles
duidelijk doen blijken, en tevens, dat de dichter van het bijschrift,
dat door Vondel vertaald werd, het werk van den Platonicien uit de
5e eeuw v. Chr. zoo goed gekend heeft, dat hij er menigen regel
letterlijk aan kon ontleenen.
Pagina 3
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)„Wij wandelden in den tempel van Saturnus (te Athene of te
Thebe?) en wij bekeken verschillende geschenken, die er geofferd
waren. Bij den ingang van den tempel hing een schilderij, dat heel
bizondere geschiedenissen voorstelde en waarvan de teekening
eigenaardig was.
Dat schilderij stelde in den eigenlijken zin noch de stad noch het
land voor.”
Een oude man geeft inlichtingen. Nadat hij verschillende vrouwenfiguren aangewezen heeft, vraagt de bezoeker:
„Ik zie ze, zei ik; maar wie is die vrouw, die blind en als waanzinnig lijkt en die rechtop staat, met den voet op een marmeren bol?”
„Zij heet Fortuna, antwoordde hij, zij is niet alleen blind en
waanzinnig, maar ook doof.”
„Waarmee houdt zij zich onledig?”
„Het toeval richt hare schreden Haar alle kanten; zij ontneemt aan
de eenen wat zij bezitten, om het aan de anderen te geven (Vondel:
Neemt zij den eenen ’t sijne, en gevet eenen andren); even later
neemt zij dezen af wat ze gaf, om er weer anderen gelukkig mee te
maken, zonder te kiezen, en zonder dat er een vaste lijn is in hare
uitdeeling van geschenken. Zij heeft een symbool, dat hare grillige
natuur juistelijk aanduidt.”
„Welk symbool?” vroeg ik.
„De marmeren bol, waarop zij staat.”
„Wat beteekent dat symbool in werkelijkheid?”
„Het geeft te kennen, dat de geschenken, welke zij aanbiedt, alle
stabiliteit en zekerheid missen en dat zich aan haar toevertrouwen
gelijk staat met zich blootstellen aan een groten en verschrikkelijken val”.
Ten slotte nog een vraag, die ik persoonlijk met ja beantwoord.
Mag men uit een plaat bij P. C. Hoofts Minnezinnebeelden1,
waarop Venus staat afgebeeld, beide voeten in een schelp, drijvend
op de golven, met loshangend haar, de eene hand opgeheven, in de
andere een vlammend hart dragend, afleiden, dat voor onze
zeventiendeeeuwers Fortuna en Venus wel heel scherp onderscheiden
figuren waren?
ANDRÉ SCHILLINGS.
Hooft, Mengelwerken. Amsterdam 1704, biz. 596.