Hendrik Laurensz. Spiegel Numa Ofte Ampt weygheringhe

Auteur
Oostendorp, M. van
Verschenen in
Internet
Jaar
2002
Onderwerp
Taal
Nederlands
Categorie
C6 Taal en literatuur
Archiefnummer
4462

PDF openen(opent in een nieuw venster)

Volledige tekst tonen18 pagina's

Pagina 1

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
Numa ofte Amptsweygeringhe -- Samenvatting Page | of 4 Hendrik Laurensz. Spiegel Numa Ofte Amptsweygheringhe Zinspel Samenvatting door Marc van Oostendorp Eerste Poos Pomponius, de vader van Numa, komt op en vertelt dat hij vannacht een voorspellende droom heeft gehad. Hij vraagt zich af of hij waarde aan die droom moet hechten en concludeert dat dit waarschijnlijk wel moet: hij heeft helder geslapen en de avond te voren niet te zwaar gegeten. Hij À PA D & d à 4 4 A is op zoek naar zijn zoon, aan wie hij zijn droom wil vertellen. Poponius vertelt dat aan Numa altijd een grote toekomst is voorspeld -- hij is bovendien getrowud geweest met de nu overleden dochter van koning Tatius -- en dat de jongeman ook een zeer goed karakter heeft. Hij trekt bijvoorbeeld altijd op met wijsgeren en andere waarheidszoekers. Zo was de oude Pythagoras in zijn tijd Numa’s beste vriend. ho t 0 N Tweede Uytcomen 0° Numa bespreekt met zijn wijsgerige vriend Martius of ze wel recht hebben op een maaltijd. Hebben ze vandaag wel voldoende goede werken gedaan? Martius heeft twee mensen die ruzie maakten uit elkaar gehaald. Hij is alleen bang dat hij degene die kwaad deed te ernstig heeft berispt. Numa zelf heeft nagedacht over het kwaad. Er zijn twee soorten haat: een natuurlijke haat van het Kwaad, en een verderfelijk soort haat, gericht tegen slechte mensen. Derde Uytcomen Numa en Martius ontmoeten Pomponius. De laatste vertelt over zijn droom: in een bos stonden vier bomen. Uit de hemel daalde en kroon neer op de jongste en kleinste boom. Toen de kroon eenmaal op die boom lag begon hij een fel licht te geven en alle bomen in het bos werden vruchtbaar en de wilde dieren tam. Dan vertelt Martius dat deze droom op Numa moet slaan, omdat ook hij een droom heeft gehad. Hij liep met Numa over een veld, toen er een arend uit de hemel kwam met een kroon in zijn snavel. Numa weigerde deze kroon. Vervolgens greep de vogel Numa beet, en Numa Martius en zo vlogen ze naar Rome. Daar zegende Numa het volk. Vervolgens werd hij weer vastgegrepen door de arend en meegesleept, Martius struikelend en ontredderd achterlatend, met een kroon die hem al snel werd ontnomen. Over al deze dromen moet Pomponius nog eens goed nadenken.

Pagina 2

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
Numa ofte Amptsweygeringhe -- Samenvatting 24-03-12 20:32 Hendrik Laurensz. Spiegel Numa Ofte Amptsweygheringhe Zinspel Samenvatting door Marc van Oostendorp Eerste Poos Eerste Uytcomen Pomponius, de vader van Numa, komt op en vertelt dat hij vannacht een voorspellende droom heeft gehad. Hij vraagt zich af of hij waarde aan die droom moet hechten en concludeert dat dit waarschijnlijk wel moet: hij heeft helder geslapen en de avond te voren niet te zwaar gegeten. Hij is op zoek naar zijn zoon, aan wie hij zijn droom wil vertellen. Poponius vertelt dat aan Numa altijd een grote toekomst is voorspeld -- hij is bovendien getrowud geweest met de nu overleden dochter van koning Tatius -- en dat de jongeman ook een zeer goed karakter heeft. Hij trekt bijvoorbeeld altijd op met wijsgeren en andere waarheidszoekers. Zo was de oude Pythagoras in zijn tijd Numa's beste vriend. Tweede Uytcomen Numa bespreekt met zijn wijsgerige vriend Martius of ze wel recht hebben op een maaltijd. Hebben ze vandaag wel voldoende goede werken gedaan? Martius heeft twee mensen die ruzie maakten uit elkaar gehaald. Hij is alleen bang dat hij degene die kwaad deed te ernstig heeft berispt. Numa zelf heeft nagedacht over het kwaad. Er zijn twee soorten haat: een natuurlijke haat van het Kwaad, en een verderfelijk soort haat, gericht tegen slechte mensen. Derde Uytcomen Numa en Martius ontmoeten Pomponius. De laatste vertelt over zijn droom: in een bos stonden vier bomen. Uit de hemel daalde en kroon neer op de jongste en kleinste boom. Toen de kroon eenmaal op die boom lag begon hij een fel licht te geven en alle bomen in het bos werden vruchtbaar en de wilde dieren tam. Dan vertelt Martius dat deze droom op Numa moet slaan, omdat ook hij een droom heeft gehad. Hij liep met Numa over een veld, toen er een arend uit de hemel kwam met een kroon in zijn snavel. Numa weigerde deze kroon. Vervolgens greep de vogel Numa beet, en Numa Martius en zo vlogen ze naar Rome. Daar zegende Numa het volk. Vervolgens werd hij weer vastgegrepen door de arend en meegesleept, Martius struikelend en ontredderd achterlatend, met een kroon die hem al snel werd ontnomen. Over al deze dromen moet Pomponius nog eens goed nadenken. Eerste Boertery Jaanke, de nar van Numa, komt op. Hij heeft van zijn meester een wereldbol gekregen. Als hij hem zo heeft neergelegd dat hij het meest naar zijn zin is, krijgt hij een bord rijstebrij. Jaanke komt tot de conclusie dat de snelste manier om aan die brij te komen dan is om te zeggen dat de wereld goed ligt, zoals hij ligt. Mieus, Numa's knecht, komt Jaanke dan vertellen dat hun meester koning is geworden. Jaanke is echter meer geïnteresseerd in rijstebrij, en verdwijnt. Mieus blijft achter om de aanstaande veranderingen te overpeinzen: zijn ze ten goede of ten kwade? Materieel wordt hij er weliswaar beter van als hij knecht is van een koning -- maar heeft hij het nu ook al niet goed genoeg? Ten slotte vertelt hij dat hij bang is dat zijn meester hem zal vragen wat hij die dag heeft gedaan. Gelukkig zijn er drie bomen omgewaaid; daarvan kan Mieus zeggen dat hij ze heeft omgehakt. Nu kan ook de knecht thuis gaan eten. Tweede Poos Eerste Uytcomen

Pagina 3

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
Numa ofte Amptsweygeringhe -- Samenvatting 24-03-12 20:32 De twee Romeinse staatsburgers Volesus en Proculus komen op en spreken over politiek. Sinds koning Romulus' dood is het onrustig geweest, vooral tussen de Romeinen en de Sabijnen. Volesus is daarbij op een zeer schrander idee gekomen: hij heeft de Sabijnen als enigen stemrecht gegeven, maar daarbij mochten ze alleen op een Romein stemmen. Zo hebben ze de verstandigste beslissing genomen en voor Numa gekozen. Tweede Uytcomen In een lange monoloog zet Numa zijn twijfels over het koningschap uiteen. Hij heeft altijd het meest gehecht aan gelijkmoedigheid en die komt nu misschien in gevaar. Als voorbeeld van die gelijkmoedigheid geeft hij dat hij geen verdriet heeft gehad om de dood van zijn geliefde echtgenote: hij is er namelijk altijd al vanuit gegaan dat ze hem alleen maar te leen gegeven was. Ook om Pythagoras' dood heeft hij niet al te lang getreurd. Maar is die gelijkmoedigheid nu werkelijk in tegenspraak met het aannemen van een hoog ambt? En liggen de angst voor gevaar en dergelijke niet eerder in de persoon dan in het ambt? Ook door kleinere verplichtingen en zorgen laten sommige mensen zich van hun stuk brengen. Het belangrijkste is, om te proberen een evenwicht te vinden tussen aandacht voor de alledaagse zorgen enerzijds en het hebben van diepe gedachten aan de andere kant. Derde Uytcomen Volesus en Proculus komen Numa feliciteren met zijn uitverkiezing. Numa zegt echter dat hij moet bedanken voor de eer. Hij zou er zichzelf noch de staat een dienst mee bewijzen. Volesus en Proculus proberen hem over te halen: hoe kan iemand zo'n prachtig ambt nu weigeren. Numa houdt echter vol dat het veel eervoller is om niet te buigen voor een dergelijk groot ambt en zijn integriteit te bewaren. Bovendien liggen zijn eigen mening over macht en welstand te ver af van die van de meerderheid van het volk. Dat zou wel eens gevaarlijk kunnen worden. De heren komen overeen dat Numa er nog eens goed over na zal denken en dan zijn besluit zo snel mogelijk zal laten weten. Vierde Uytcomen Proculus en Volesus praten na over wat er zojuist gebeurd is. Ze zijn zeer verbaasd dat zo'n wijs man een ambt kan weigeren waar veel anderen om zouden willen vechten. Toch begrijpt Proculus Numa wel: rijkdom en macht zijn niet noodzakelijk voor de wijze. De staat zou er desondanks mee gediend zijn wanneer Numa het ambt wel aannam. De twee mannen besluiten met zoveel mogelijk vrienden en familieleden van Numa te praten om hen te vragen te helpen de wijze man te overreden. Vyfde Uytcomen Jaanke heeft een nieuwe opdracht gekregen van Numa. Hij moet nu een ram naar de stad brengen. Als hij dat doet, krijgt hij pannekoeken. Het probleem is dat de ram niet wil lopen waar Jaanke dat wil. Mieus probeert hem te helpen met advies. De beste manier blijkt uiteindelijk te zijn om een touw aan een achterpoot van de ram te strikken en om het zo bij te sturen waar hij mis dreigt te gaan, in plaats van hem aan zijn nek vast te binden en dan te trekken. Mieus trekt hieruit de wijze les die Numa ongetwijfeld heeft willen uitdrukken: het is beter een volk te besturen dan te overheersen. Derde Poos Eerste Uytcomen Pomponius en Martius overleggen. Hun beider dromen lijken uitgekomen en nu proberen ze te bedenken wat de beste manier is om Numa over te halen. Hij luistert alleen naar goede argumenten. De beste argumenten zijn, volgens Pompilius, dat de goden het zo willen, en dat Numa op deze manier zoveel mogelijk welzijn kan brengen aan zoveel mogelijk mensen. Nu moeten ze snel Numa zien te vinden om hem deze argumenten voor te leggen. Tweede Uytcompst Pomponius en Martius komen Numa tegen. Deze sputtert eerst nog wat tegen; hij zal veel tegenstanders hebben en dat zal misschien een burgeroorlog teweegbrengen. Daar schiet niemand wat mee op. Bovendien is het ook voor hem persoonlijk gevaarlijk, want ook over zijn voorgangers Tatius en Romulus wordt wel gezegd dat ze vermoord zijn. Uiteindelijk geeft hij toe niet ongevoelig te zijn voor de argumenten van de anderen: dat hij veel mensen van nut kan zijn en dat de goden het zo willen. Derde Uytcomen

Pagina 4

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
Numa ofte Amptsweygeringhe -- Samenvatting 24-03-12 20:32 Volesus en Proculus voegen zich bij het gezelschap. Zij willen weten welke beslissing Numa genomen heeft. Eerst twijfelt Numa nog wat: waarom zou iemand die het goed heeft naar verandering streven? Dan noemt ook Proculus de twee argumenten: het is in het belang van alle burgers dat Numa koning wordt, en bovendien willen de goden het zo. Dan geeft Numa uiteindelijk toe en neemt het amt van koning aan. Hij gaat iedereen voor in gebed. [Coster-pagina]

Pagina 5

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
24-03-12 20:33 Hendrik Laurensz. Spiegel (1549-1612) Numa ofte Amptsweygheringe Zinspel Eerste poos, eerste uytcomen [Samenvatting] Pomponius Waer faeltet off hoe comptet bij: Is alle voorspoock maer versufte dromerij? Off sijn wij achteloos, op ons eijgen doen niet gissende, Off cleijn verstant in voorspoocs beduiding missende? Oyt heb ick getwijfelt, en acht noch te deeser uer, Datter eenige gemeenschap is in onse natuer En 't beloop der dingen; nae de maenloops wandering' Veroorsaect vuchtmenging in ons lijffhayt verandering'. Heb oock somtijts dingen weeten gebueren, Die ick docht dat ick gedroompt hadde te veuren; Oock me na verschayden spoock wel veel dingen voorsien; Diemen daer na noyt en sach geschien. Dit maeckt mij doch nu niet sonder beswaeren, Bijsonder om dat mij is wedervaeren Dese naenacht een aendachtich beeldelijck gesicht, Gheen ijdel droom, uyt wuftige sinnen licht, Uyt swaer bloet, off overstallich voetsel voortcomende, Maer reynbreynich, tusschen slaepen en waecken dromende, Schoot mij dees inbeelding so crachtich in mijn sin, En hangt int hart, recht off s'er gedruct waer in. Dies benaerstich ick mijn soon Numa te vinden, Om hem mijn wedervaeren en mening te ontbinden. Alle wijchelaers hebben mij vrooch voorsayt, dat hij Sal comen tot hoge en geluckige heerschappij; Oock is hij juyst den selven dach ter werelt gecomen, Datmen de grontsteen layde des stats van Romen. Ick hadt veel soons; hij was de jongst van allen. Nochtans is hem (tegen toeleg) te buert gevallen, Als wij aen d'overleden Roomscen Coninck Tatius hijlick versochten, Dat hij hem voor al d'andren gaff zijn dochter. Doch sij is doot, ende hij socht noch soect geen ding min Als hoochayt, maer stelt geheel sijn sin Tot godtvruchtichayt en waerhayts naespuering van alle saecken, Alleen dienende om sijn siel vroom en wijs te maecken. Al swerelts glorij, hoochayt en rijcdoom acht hij niet geck, Verachteloostet geensins, maer slat ten meesten oorbaet bringen. Maer sorchledich sijnde soect hij voor alle dinghen Eensame sielbesorging' oft geselschap der wijsen Wat hartige vrientschap plach Pythagoras hem te bewijsen, En hij dien selven: sij hadden één hart, één sin, één godt, één pot te samen. Mij verwonderdden, dat een man, so out, soo versocht en van sulcker namen, Mijnen sone, doe noch jonck sijnde, mocht sijn soo gemeensaem. Nae diens overlijden is Numa meest eensaem, Want oprechte eenhartige vrintschap acht hij duer; Is oock elck lieftallich, oock sijn haters niet stuer, En alle jongelingen, die duecht en waerhayt minnen,

Pagina 6

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
24-03-12 20:33 Soeckt hij door goe lee te winnen. Ons wijsgerige neeff Martius is veeltijd aan sijn sij. Ick wil gaen pogen hun luij te comen bij. 1ste poos, 2e uytcomen [Samenvatting] Numa De maech juect, ist niet schier maeltijt? Mijn dunct ja. Martius Ick mient mede. Numa Laet ons naedencken off wijt oock hebben verdient heden? Niemant hoort soo onnut ter werlt te leven, Hij verdient de cost. Laet horen, neve, Hebdij beter gewrocht dan ick dit hooft-les? Aen dachwerk lij geen dach voorbij, Geen avont, sonder wicken: Wat welgedaen, qualijck bestaen, Off beter hadt mogen schicken. Wat hebdij bedreven? Martius Mij wedervoer datter twee luyden keven; Daer heb ick vree te maecken bestaen. Numa Geluctent? Hebdij u even naesten nut gedaen? Martius Ja. Numa Dit verhuecht u. Martius Doch heb icker mij selff ontgaen. Numa Hoe soo? Martius Int straff bestraffen des geens die onrecht dede. Numa Wats dan? Martius Die haet mij nu; hadt ick niet beter met zachte reden Oock gepoocht t'hinderlijck misverstant uyt sijn hart te delven? Numa So hadt ghij hem meer nut geweest, oock u selven. Martius Nu laet hooren, wats u daer? Numa Ick heb onderschayt gemaect tusschen twederley haet: De natuerlijcke goede, en die uyt misverstant, verderfelijck en quaet. Martius Hoe dat? Numa De quaethayt, vinde ick, is een siecte onser sielen, Die even als een lijffquael soect de siel te vernielen; Dese quaethayt (als sielsiect) is behoorlijck te haeten, Meest in ons selfs, oock in ons naesten t'sijnder baeten, En om de quael uyt hem te doen wijcken nae wensch. Maer keert yemant sijn hert van 't quaet op de mensch, En haet sijn wreeclust de man daer quaethayt in is, Even als een Arst die de siecte soud' uytrooden, En in plaetse van de quael de man soect te dooden. Maer d'eerste haet op het quaet, Als een sielartsenij, is natuerlijck, godlijck en goedt; Daer hebdy t'mijn. Maer wie compt ginder?

Pagina 7

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
24-03-12 20:33 1ste poos, 3e uytcomen [Samenvatting] Numa Waerste vader, weest gegroet. Martius Van mij oock mede. Pomponius Hebt danck, Soon en neeff, wel, wat was u sangck? Martius Wij waeren besich om ons dachwerck t'overleggen. Pomponius Dats recht, en t'compt oock heel wel gelegen; Ghy moocht een tweede dachwerck aen mij beginnen. Martius Hoe soo, oom? Pomponius My layt dwers in de sinnen Een inval, voorbeelding, droom off openbaering, Mij vromorgen ghebuert, daer ickverclaring Op soeck, oft immers bevroeding in mijn verstant. Martius Wats de droom? Pomponius Mij docht, dat ick hadt geplant Nevens een doncker onvruchtbaer bos, daer wilde dieren Onrustich woelen, vechten en tieren, Vier tamme bomen, welich staende in volle bloem en loff, Soo opent sich den hemel schielyck, en daer compt off In een stralich licht een glinsterende croon, Omschinende en daelende op de cleenste boom, Die, so haest dees croon en licht daer op was gedaelt, Sulcke claer-schinende radien van sich straelt, Dat de ganse wildernis verlicht scheen van deze vlam; De boomen werden vruchtbaer, en al die wilde beesten tam. 't Verdween, ick ontwaeckte; doch 't hangt so in mijn sin al, Dat ick geensins kan cleyn achten desen inval. Martius Dat gelt u, Numa. Numa Doetet? Martius Jaet, ick sal u mede verclaeren, Wat mij oock desen nochtent is wedervaren. Mij docht, ick quam leechbaer met u over 't velt. Soo compt daer een Arent met een croon in de beck, dit hi stelt Op u hooft; ghij weygert; hij heeft u voort bij de cleeren gevat En ghij mij; hij brengt ons te Romen in de stadt. Als ghij nu, dus gecroont, een langen tijt hadt gestaen, En 't volck gesegent, soo greep u den Arent, en voert u van daen. De croon viel, ick tast daer nae, maer sij wert mij onthort, So dat ick in onmacht over rugge stort. Dit deet mij ontwaecken, ick hielt voor droom, en hebt geswegen tot noch toe. Numa Doet noch so voort aen, laet ons niet bewegen Aen dromen, die nae verscheyden oorsaecken iet off niet betekenen. Dewijl ons begrip niet en kan alt natuerlijck nae rekenen, So ist rust best int onvruchtbaer ondersoecken betrachten. Wij hebben genoech op de rust onser sielen te achten. Laet ons hier nauw wachten, en t' onnodige vergeeten. Doch nu na huys jachten om wat te eeten.

Pagina 8

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
24-03-12 20:33 Pomponius Ja, t' is al maeltijt; gaen wij, dunctet u lieden goedt. Ick sal noch vaeck peynsen wat dit bedieden moet. Bijsonder, Martius, u misgrijpen en nedervallen Beswaert mij noch meest van allen. 1e Boertery [Samenvatting] Jaanke en Mieus met een vlacke cordewagen een [*******] cruyende. Jaanke Ick sal tavont rijstebrij eten met perduic daer in, Kan ick dese werelt cruyen datse layt nae mijn sin, En leggen blijft, sayde mijn heer; en noch vraechde hij meer; Hoe ick wilde datse lach; ick sayde: met het cruys op en neer. Was dat niet recht? En hoe icse vast set, hij wil so niet leggen. Siet, nu staetse, daer leytse nu weer, weer valtse, wat sal ick seggen? Nu staet, al sacht; daer roltse heen; nu leytse stil. Weer aen, wat raet? De werlt mach rollen sose wil; Ick wil oock hebben dat se so leyt. Is de brij niet verdient, Numa, als ick u sulck bescheyt Geeff? Dats immer wel bedocht bequaem. Mieus Hoe, Jaanke? Jaanke Wie meendy? Janus is mijn naem. Mieus Waarom niet Jannes manbres maet? Jaanke Soo moochdy Janneman heten, go, watten praet! Mieus Wel Janus, dat ghijt wel verstaet, Wij behoeven u nu wel met een statige naem te noemen, Want onse heer is Coninck; ghij sult me nae Roemen. Jaanke Hoe, Coninck? Wats dit? Behoef ick het te weten? Wacht, wacht, ick moet thuys; ick heb groote lust om brij te eten. Mieus En siet, dese loer heeft geen lust om tijng te weten, En ick, al ben ick een boer, souder mijn eten wel me vergeten; T' geeft mij trouwen dicwijls cleyn gewin, Maar wat noot is? tIs al mijn hart en sin. Ick moet wat nieus hebben, al sou ict self versieren; Maer ging dese tijding voort, so sout wel tieren: K' word wel me van dees groote dieren, hartogen off graven. Ist ock gesayt dat ick dus altoos sal slaven, Ick souwer mijn aensicht dus wel nae setten int fa sol; Maer hoe liep de geck ock mette werlt over hol over bol? Dees gecxmaer beduyt al wat, al schijnt dattet spot is: Al wat onse heer voorstelt is stichtelijck, oftschoon in t' sot is. Hij geeft de sot ock dachwerck, dit gaff hij hem huyden. Maer hola, als ick mij bedenck, ist oock voorspoock; sout wel beduyden Dat hem selff het werlt cruyen sal werden opgelayt, En dat het Rooms gerucht waer is? Ick moet gaen horen wat men sayt. Dit werlt cruyen sal seecker spoock sijn van onse sot; Ist waer, ick raec warachtich mette lepel in de pot; Maer sout met mijn al beter sijn, als nu in dese goetronthayt? Villicht bleeff ick best, die ick ben; 'k heb nodruft en gesonthayt; Wat mach een graeff ock meer begeeren? Niet, ist so als onse heer ons dagelycx gaet leeren. Doch ick twijfel; ick sout wel weten, hadt ict besocht. Maer ick voel honger, k' wil tuys; doch dienter iet bedocht: K' heb al den dach lanterfantich nae tijng vernomen.

Pagina 9

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
24-03-12 20:33 Als onse heer nu dachwerck eyscht; sus, daer leggen drie boomen, Slim gewayt in den hoff; die heb ick gerecht. Tis wel, al ist logen; t' wert hem niet al gesecht. Ock nict hij niet nau met een goet knecht. [Tweede Poos]

Pagina 10

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
24-03-12 20:34 Hendrik Laurenszoon Spiegel Numa ofte Amptsweygheringe Tweede Poos [Eerste Poos] 2de poos, 1ste uytcomen [Samenvatting] Proculus Wat gevaer, Volesus, hebben wij lijcwel uytgestaen? So haest Romulus wech was, wast aen en aen D'een swaerhayt op dander; eerst t volc tegen den Raet, Dat waende dat dese schuldich waeren aen de misdaet van Romulus doott. Doe nu 't gerucht quam dat hij was vergoodt, Verdoofde dit, en doe begon onse twist te groyen; Elck wilde hem de heerschappy bemoyen. Volesus Die twist had ons heel onse staet doen verliesen, Hadden wy niet verenicht om een gemeen heer te kiesen, Hoe wel datter doe noch meer gedeelthayts quam, Want elck volck wilde gekoren hebben uyt sijn stam: De Romers een Romer, de Sabiners een Sabine goetront. Proculus Ewich heb gij danc, die daer een middel vont, Ja sulcken middel, die een ewich voorbeelt sal strecken; In alle heerschappij, tsij onder wat volck, in wat plecken, Wert om wel te stieren een overhooft nut gevonden. Volesus Mits dat hij aen t' slants nutte wetten zij verbonden. Proculus Also, tis buyten tegenspraeck een vaster en beter voet, Dat men de beste man kiest, als datmen moet D'erfgenamen tot een heer kiesen, hij sij wijs off vroet. Volesus Als de kuer vredich en recht toe gaet, anders ist onspoet. Proculus En dit ist geen in onse kuer best was te prijsen: Dat de kiesers waeren genootsaect na enen wijsen Te soecken, sout hun en de haere vromen. t' Was voorsichtich beleed' dat de Roemers hebben aengenomen Liever selff uyt haer partij te kiesen, als dat sy de kuere De Sabiners souden geven yemant te kiesen van de huere. Dit, seg ick, is lofflijck, dat de kuer niet heel was vry, En datse niemant mosten kiesen van haer party. Want doemen haer de kuer op die voorwaerden gan, Warense niet genootsaeckt te kiesen de beste man? Volesus Jase, voorwaer. Men vermoet hem vroom en wijs te wesen. Proculus Dat sijn rechte vorstelijcke duechden; sijn wij dan niet geluckich in desen? Volesus Is hij niet geluckich, dat hij so eendrachtich Opgeworpen, gecoren, en gemaeckt werd machtich, Om sulck volck, als hieromtrent, al te meestern en berechten, Als enich hooft en heer te rechten? Ick meen wel jae, nae mijn vertrouwen.

Pagina 11

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
24-03-12 20:34 Ick meen wel jae, nae mijn vertrouwen. Proculus Wy sullent sien als wy hem de bootschap voorhouwen. Daer toe mogen wy ons spoeden. Volesus Als ghy wilt. Proculus Godt schickten al ten goeden. 2e poos, 2de uytcomen [Samenvatting] Numa Nevens 't soet redeneren bij vroed geselschap heb ick t' lijff wel gevoet. So ist nu tijt t'eerkauwen t'voedsel vant gemoet; Dats, van waerheyt en goethayt des siels behaegen. Heb ick winst, of isser nieu oorsaeck van waerhayts kunds bejagen, Of isser iet goets te doen, of voor te nemen, dat mij beter mocht maken? Dat dien ick nu over te leggen voor alle saecken, En dan, met een goet opset, de huyssorch nemen ter hant. Wat verbeelt my dees ampt aenbieding? Schrict al iet mijn verstant? Nu heb ick warckelijck in mijn sielgront na te spueren, Oft mij ock sal ontroeren, soement mij lay te veuren, Ofte niet; ick heb in alle voorval immers tot noch toe getracht Mijn gemoets besluyt heel te houwen in mijn macht, Dattet niet verandert nae der dingen veranderlijck beloop; En dit compt om dat ick mijn verkiesing aen niet tijtlijcx cnoop. Dat ment tijtlijcke lieft, valtet ding niet off gaetet te niet. Mijn verkiesing sterff me en ick blijff sonder verdriet. Dit heb ick immers vaeck in grote dingen versocht. Heb ick niet mijn lieve Egaes sonder verdriet overgebrocht? Hartlijck had ickse lief, haer leven, o ja, ick mient, Maer verstond' ick niet altoos datse mijn maer was gelient? Hiel dit niet mijn besluyts evenaer altijt gelijckewichtich? Daer door quamt, dat mij niet, als onversichtich, Haer schielijck verlies brocht in droefhayts noott. Ick weet dat my niet ontroerde Pythagoras doot, Hoe lief hy my was; maer hoe mocht ick in sijn sterven vaten verdriet? Het geen dat ick in hem liefde en verloor ick niet. De sterffelijcke sterff, die had ick niet bemint; De duecht die in hem was sterff niet, die had ick besint. Het onrecht verkiesen alleen doet ons verliesen rust; Men vest aen verganckelijcke dingen ewyge lust. Het ding vergaet, de lieft blijft, die quelt de menschen. Nu wel, isser in dit anpt opleggen iet te mijen of te wenschen Uyt sijn eijgen aert, dat staet my te vlieden of te verkiesen? Soude de amptbediening mijn sielrust doen verliesen? Is de lustige sielrust niet als iet ewichs te minnen? Ja, maer beletse d'amptsplicht? Numa, scherpt u sinnen. Moet niet de nodige rijcbecommering u vaeck doen sorgen? Is hoochayt niet gevaerlijck, en onseker de morgen? Is becommering en gevaerlijckhayt niet aller borsten gequel? Jae, maer is het ampt, of sij selff oorsaeck van die hel? Is niet gevaerlijck en onseecker al ons bedrijff, Al ons besitting, gesonthayt, ja ons eygen lijff? Wie is een uyr seecker? En heeft niet alle huyssorchs beslommering, Hoe cleen off eensaem datse sy, nodige becommering? Maar geen hertleed, onvree, uyt de dingen spruyt: Dat mer thert aen hecht, daer compt het hertleed uyt. Ick weet dat het rijck mij niet goets kan geven, Maer t'can mij ock niet ongevallich doen leven, Ten sy ick wil; t' mach mijn sterckmoedichayt oeffnen in gedult. Maer dat die ongeoeffent sijn, is dat niet mijn schult?

Pagina 12

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
24-03-12 20:34 Behoor ickse niet staech te oeffenen? Ja, voorwaer. Watser meer? t'Rijck brenctet leven in gevaer, En dat hoor ick niet onnootsaeckelijck te waegen; En of mens ampts (nae 't besoecken) soude willen sijn ontslagen, Dats ondoenlijck alsment eens heeft aengevaet, Want nevens dat ghij op u gehaelt hebt der boser haet, Die in macht, en ghij daer uyt, elck sich te wreecken tracht, So sydy daerover by u naesaet altijt veracht. Dits een! So sijn oock s'rijxs voorvallende saecken veelderhant, Datse geen tijt laten tot levenschowing u verstant. Dat waer u pijn, want so wy te besorgen hebben siel en lijff, So ist ontwyfelijck wenschelijckst, dat elck besorging bedrijff Elck ander opt weynichste hinderlijck is, So dat d'een off dander een oversorch kinderlijck is. Mijn toeleg is in alles middelmaet te houwen, Buert wijse verdelende huyssorch en werlt beschouwen. T' een hebben wij mette dieren, t' ander met god gemeen, Nae ons lyff en siel mette stemmen over een. Begeeft sich iemant tot huyssorch met sulcke nechtichayt, Dat hy sijn siel ongebetert moet laeten, seker dats knechtichayt. Oock mede ist dwaeshayt, so in t'verstandts oeffening te woeden, Dat men versuymt nodrufts bejach om t' lijff te voeden. En meest, soot meeste valt, als de weetgierichayt Nodich noch nut is, maer ijl glorys vierichayt. Dees veracht ick; heb oock alleen nae goedwerding gepoocht. Oock niet versuymel op lijffs gesonthayt en behoef geoocht. 2de poos, 3de uytcomen [Samenvatting] Volesus Proculus, mij dunct, hij ons hier comt ghemoeten. Proculus Dats so, laten ons groeten. Volesus Wij groeten u, hoochwaerdige Numa. Wij, die door last van den Raet en volck zijn gekomen Om u geluck te wenschen en te vereren mette croon van Romen. Numa Gheluck nae wens heeft mij de groote god tot noch toe getoont, In nodruft versien sijnde, oock van lijf en siel gesont; Eer heb ick in gene dingen gesocht off nae getracht, Doch so veel alse in gevolch des duechs is, ick hebse noyt veracht. Maer soud' ick iet doen, al waert duecht, om dat ick glory begeer? Dat waer sothayt; in sulcker wijs prijs ick gemack voor eer. Die bedanck ick t'roomse volck en Raet, ock u luy vriendlijck; Gunt een waerdiger die eer, sy is my, noch ick u, voor waer niet dienstlijck. Volesus Soudy een Coninckrijck weygeren, en een sulcke heerlijckhayt? Numa t' Is een Coninck die voocht is over zijn begeerlyckhayt. Volesus Te heerschen is in alle geval beter als knechtichayt. Numa Hij heerscht over alles, die de gerechtichayt En waere goethayt boven alle dingen can wenschen. Volesus Sich selven, sijn vrinden,, jae alle menschen Can hij goet doen, die in hoochayt verheven en in voorspoet is. Numa Niemant kan iemant goet doen die selff niet goet is. Volesus Sou oock iemant so dwaes sijn, sie een Coninckrijck sou verachten?

Pagina 13

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
24-03-12 20:34 Numa Hoe mach een wijs mens, die wel is, nae verandering trachten? Volesus Wie, onderdaen sijnde, is so wel als in conincklijcke staet? Numa Die weet dat niet tytlycx, maar alleen goedhayt haylgierich versaet. Volesus Ist niet iet groots, sulcke heerlyckhayt en macht? Numa Noch grooter ist datmen al tijtlijck cleyn acht. Dus sijt echter bedanct, so ick u sayde te voren. Proculus Dits de meening niet, heer; ghij sijt gekoren Nae lange tweedracht van Roomse volck en Raet Eenstemmich; dus bidden wij u, dat ghij ons niet en laet Door u weygering weercomen in twist en verstoornis. Denct, heer, dat niemant sich selff geboren is. Numa Dats recht, vrienden, ick leef ock alleen my selff niet geheel. Elck is van de hele mensch een deel; Ander litmaten hebben my geteelt, gevoestert, en onderwesen. Soud' ick mijn naesten dan hulp weygeren, ick waer mispresen. Proculus t' Believe u dan hulpgierich des Rooms volcx besorging' te nemen aen. Numa Niet soo lichtvaerdich, daer willen wij ons met ernst op beraen, En overleggen oft ampt ons dient, en wij haer, ick meen wel neen. Proculus Waerom heer? Isser gevaer? Numa Ghij luy sytt woelich, in twisten en partischap gevoet. Ick ben leechbaar en gesaetich van gemoet. Ghy luy soect uyterlycke oorlogen, vechten en strijden; Ick soeck in vreedsaemheyt inwendich te verblijden. Ghij luy soect dwang, macht over al u ghebueren; Ick tracht alleen mijn eigen sielscrachten wel te bestueren. Ghy luy poocht opt hoochst nae rijcdoom en macht; Ick tracht geen ding meer dan datmen al t'verganchelijck clayn acht. En om dat onse toeleg en seden dus seer strijdich sijn, So sou mijn bestiering bij u luyden ontijdich sijn. Doch de saeck is te wichtich; salse wijder overleggen, En dan u luy welbedachte en tyelijcke antwoort seggen. Proculus Dit sullen wy verwachten, biddende godt dat hij wil verlienen U sulck besluyt, als ons volck en stat best sal dienen. 2de poos, 4de uytcomen [Samenvatting] Proculus Wat dunct u, Volesus, had ghy dit wel vermoet? Volesus Neen ick, trouwen, nochtans sijn sijn redenen dapper en goet. Maer wie docht dat sulcken wijs man sulcken hoochayt sou weygeren, Daermen doch cloeke luy om cloeckst nae siet staygeren? Proculus Hij oocht op der dingen rechte waerdij en acht sijns gemoet gerusthayt Veel hoger als de hoochayt, rijckdom, eer, ofte alle wellustichayt. En als wel naebedacht wert, so gaen sijn redenen vast; Wats oock hoochayt, alsment grondich insiet, anders als een last? Ock het trachten nae werltse eer, glory en befaemtheyt Een hant-vol sonnen, wintvang, der sotten-loff, bij wijsen beschaemthayt. Wat kan men van de rijcdoomen meer hebben als behoeft? Blijct niet mede, dat alle gesochte wellust in eynde bedroeft?

Pagina 14

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
24-03-12 20:34 Blijct niet mede, dat alle gesochte wellust in eynde bedroeft? Maer dit overgeslagen, wij mosten ons bootschap betrachten te degen, En beste middel overleggen om hem te bewegen. Volesus Wat raet, heer? Hoe salmen dat best bestueren? Proculus Maer, dat wij aenlopen vrienden en gebueren En hunluy onse stats gestalt en twist so vertolcken, Dat syt raetsaem vinden voor alt Sabijnsche volcke Hem dat te raden, te bidden, en aen te dringhen. Volesus Ghaen wy; dit dient gedaen voor alle dinghen. 2de poos, 5de uytcomen [Samenvatting] Jaanke Numaes sot ben ick; dese ram is sijn mee; Die moet ick brengen te Cures in ste. Nu, ram, gaet voort recht duer na mijn vermeeten, Of ick sou t'avont geen pancoeken eeten. Nu, schoorvoet niet, treet vrij toe. Wel, gaet duer, laet sien! Hoe? Wildij niet? Oft condij niet? Hoe ist? Laet sien, gaet te degen, maect geen twist. Sou mij t' pancoecken missen, 'twerde u buert! Weest niet weersoordich, dat ghij mij niet en verstuert, Off ghij crijcht een ende stocx op u rebben. Wildij niet, ghij moet lijckwel; ick sou gaern pancoecken hebben. Pancoecken, t' cost watetet wil, ghij sult voort, ick meen. Mieus Wel, Janus, waer heen, waer heen? Jaanke Maer, can ick dese Ram leyden van hier in stee, So sal ick pancoecken eten, en hij wil niet mee. Siet, dus settet sijn voeten t' schoor. Mieus Volcht ghij de Ram, laet hem gaen voor. Jaanke We. wat sou dat werden? Ick sorch dat hij lopen sou Niet daer ick wilde, maer daer hij selven wou. Ick mochtet so verliesen. Mieus Bijntet aen een tou. Jaanke So heb ick gedaen, sietet hier om sijn hals, ick trect vast. Mieus Dits wat mals, bintet aen sijn poot. Jaanke Hou sout dan locken? Begin ick aen de poot te haelen als ick aen de hals heb getrocken, Ick trock hem t'veurbeen wel uyt sijn lijff. Mieus Bijntet aen d'achterste poot. Jaanke Ke, wat sotter bedrijff! Soud' ick dese Ram dan achterwaerts trecken? Ghij en behoeft met mij niet te gecken. Mieus Ken doe seecker. Jaanke Sou hij dan aerselings leeren gaen? Mieus Neen t'sal gaen daer ghij wilt. Jaanke

Pagina 15

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
24-03-12 20:34 Ick kant niet verstaen. Sal ickt van achteren binden, en salt gaen daer ick wil? Ghij cunt mette Ram wel omgaen, doet ghijt; ick sit stil; Ick sal sien en leeren. Mieus Wel aensiet, dus en so. Jaanke Dat ghaet wel. Ontbeyt, sal ick dit oock cunnen doen, wat weet ick. Mieus Wel, wat segdij, Jaanke? Jaanke Janus heet ick. Mieus Jae, ja, Janus, so stel ick de ram nae u hant. Dus boertich oeffent onse heer sijn verstant. Met dit sot werck wil hij ongetwijfelt leeren, Datmen t volck genoechlijcker kan bestueren als beheeren; Ja, elck mense wil beter geleyt sijn dan getrocken; Wijs bestieren is lofflijck, streng heerschen sal selden wel locken. Nu verlangt mij te weeten, Hoe Jaanke vaert, of hij wint, en off ick me sal eeten. [Derde Poos]

Pagina 16

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
24-03-12 20:34 Hendrik Laurenszoon Spiegel Numa ofte Amptsweygheringe Derde Poos [Tweede Poos] 3de poos, 1ste uytcomen [Samenvatting] Pomponius Wat dunct u, Martius, van de Romers bootschap? Martius Wat dunct u, oom, Nu is waer geworden ons beyder droom. Maer dat hijt so crachtich weygert, mishaecht mij besonder. Pomponius Ten geeft mij geen wonder. Sijnent halven heeft hij nu wenschelijcker staet nae sijn verstant. Martius Ja, voor ons, en t' heele lant Ist niet raetsaem, dat hijt roomse volck laet verleegen. Pomponius Maer wat raet best om hem te beweghen? Martius Wij moetent hem alle gelijck aencallen. Pomponius Hij sal niet als reden gehoor geven, de rest is niet met allen. Martius Laet ons dan de beste reden overhalen en wicken. Pomponius Eerst, dattet de goden bevelen en schicken, Voort, om dat dit de rechte middel is om sijn goedichayt Meest menschen te laeten genieten. Wat dunckt u? Martius 'Tis ondieft, 'tis genoech: de tijt sal mij verdrieten. Haest u, ick woud' wij hem hadden. Pomponius Met gemack, al sacht, siet, hier compt hij aen. 3de poos, 2de uytcompst [Samenvatting] Numa Sij gegroet, waerste Vader en neeff. Pomponius Hoe ist, Sone? Numa So ick herwaerts koom gaen, Gemoet my schier al de gemeente van Cures te gader Vermanen, bidden en versoecken, dat ick als een gemeen lants vader De Roomse bestiering' aen te nemen mij sou beledigen, Om Romen, de Sabiners, en alle buerlanden te bevredigen. Martius

Pagina 17

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
24-03-12 20:34 Wat segdijer toe, neeff? Numa Soeck soo veel ick mach onschuldichayt, Wetende dat mij wenschelijcker is dese eenvuldichayt En onverstuerde reynhartichayt. Martius Beweecht u niet des ganse Sabijnse lants voordeel? Numa Wat t'lants nut is, staet niet aen ons, maer aen goods oordeel. Die siet verder als wij, sent vaeck oorloch, twist, duurt, pesten, Dienende t'heele lant, en elck bisonder ten besten. Martius Daer compt villicht een Romer in u plaets, dunct u dat bequaemer? Numa Dien sal villicht het rijck, en sijn daen t' volck sijn aengenaemer, En door sulxs sal villicht t' geheel te beter tieren. Martius Dats al onwis, maer ghij sult door u bestieren Veel menschen mogen beter maecken alse waren te voren. Numa Dats ock onwis; sij sullen villicht nae mij niet horen. Ons ongelijcke seden, en toeleg' sullens ons doen twisten, Of mij verergeren, off doen sneuvelen door verraders listen. Meent men niet, dat Remus en Tatius zijn omgebracht Door Romulus? Sijn niet de Raetmannen aen sijn doot oock verdacht? Die heten van godlijcke affcompts, en men kan mijn geslacht. Was dusdanigen man, met hun eensgesint, noch gevaerlijck het rijck, Wat salt mij slecht dienen, die haer ben ongelijck. Pomponius Werptet so heel vert niet, sone, let op het stick; t' Volck is van selff niet so heel quaetschick. Tatius, al was hij van de haeren niet, heeft haer vreedich beheert, En Romulus wert noch nae sijn doot als een got geeert. Weest ghij vreedsaem, tvolck is so, datse licht haer Prince volgen. Sijdij niet eersuchtich om dat ghij duecht waerdiger vint? Denct, hebdy tot noch toe sielhayt en stille duecht bemint, Dat sich nu de tijt voecht om dit ten menschen heyl nut te wercken. Dit schicken de goden, 'tblijckt aen de teeckenen, die wij bemercken. Numa Dees twee, E. Vader, souden mijn besluyt wel doen hellen; Veler menschen nut, en dattet schijnt dattet de goden bestellen. Pomponius Dats recht, sone, siet hier komen de gesanten. Toont nu u goetaerdichayt. 3de poos, 3de uytcoompst [Samenvatting] Volesus Sijt gegroet, Prince, wilt onse vaerdichayt Nae u bescheydenhayt int beste duyden, en ons affschayt geven, Die ons volck geluckich maeck en ons Rijck verheven. Numa Alle staet verandering, vrinden, is gevaerlijck Maer die in een goe staet is, daer hij onbeswaerlijck In leeft en gewent is, weil hij die begeven Om aen te nemen een nieu ongewoon manier van leven, Die kan niet lochenen, dat hij sothayt bestaet, Al wart alleen dat hijt seecker om t'onseker verlaet. Nu waer mij dit niet alleen zulcx te beginnen, Maer om dat u volck en ick sijn ongelijck van sinnen, Vinde ick raetsaem dat ghij tuyswaerts treckt En hun al dees gelegenhayt ondect.

Pagina 18

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
24-03-12 20:34 Daer en tusschen mogen wij sien wat god wil voegen. Proculus Ghoedadich Prince, met ongenoegen Verstaen wij u besluyt, doch op reden dient dit bedocht: Ghy soect geen staets verandering, maer werter toe versocht, Dus is t' van u geen vermetelhayt, maer heerlijckhayt. Ghij segt, men sou ons volck voor houwen uwer seden ongelijckhayt; Die wistense voor de kuer wel, dus salt niet onschuldigen. Daerom believe u nu de kuer te bewilligen gehoersamende de goden, en compt, laet u huldygen. Pomponius Laet, soon, gheen hulpbehoeftige verleegen. Martius Laetet bidden uws volcx, magen, en vrinden beweegen. Numa God weet wat best is, maer u luy redelijck vermaen En goods schicking wil ick niet hertneckich wederstaen; Dus met u te gaen, vrinden, sal ick my berayden, En sien wat Godt voegen sal. Proculus Weest bedanckt. Volesus Godt sy lof. Numa Die wil ons bestaen en toeleg ten goeden leyden En, op dat alles gedije tot gewin, So laet ons hem aenroepen in dit groot wercx begin. Hij opent het tempelken, daer staet een vat wieroocx op een outaer, en werpt wat int vier, cnielt de voeten en bid. Onsienlijcke, onbegrijpelijcke, albegrijpende eenhayt, Albestierder, hertkenner, stiert d'algemeenhayt Ten besten ons toeleg, ons bestaen, en t' begin Van so groten werck; ghy weet dat mijn sin Alleen strect om nae t' pont der verstanden dat my is gegeven U al goedadichayt gelyckformich te mogen leven; Dit weet ghy, dat behaecht; dit suldy ten besten stieren; Wij trachten u wel te volgen, en van eygen wil te vieren, En sy door vroomdadichayt alle onvromen te machtich. FINIS