Volledige tekst tonen25 pagina's
Pagina 1
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)Kan men dus we
L iets zeggen van den oors ronkel
bruikelijke muten 4 vergelijkt, blijkt, dat ze ongeveer
een centimeter te lung zijn.
schepper, de kopist, die loch ook ven zeer groot kunsteijken
naar
was, Zal ous wel altijd onbekend blijven. "Wat ons
niet belet
zijn vaardigheid zeer hoog te schatten en met Pariben
i ?) te
„betreuren, dat in onze tijden niemand meer kopieert,
onidut
allen de dwaze
pretent
ie
hebben
een
onsterf
lijk
originc
el te
scheppen, terwijl dit slechts aan de allerbesten gegund
is”,
4,
(lig. 4—12),
De onderaardsche basilica” te Rome.
>
De ontdekking van de „basilien sotterranea fuori Porta
Maggiore” wordt door den vermaarden
kenner
der
Oostersche
godsdiensten in het Romeinsche keizerrijk, Franz
Cumont 4), de
belangrijkste genoemd na die der Katakomben.
Waar zulk een
autoriteit
zieh
zei
uitliet,
zal
het geen verwondering wekken, dat de Italiaunsche regeering
de nauwkeurige
en uitvoerige beschrijving van het monument aan
drie Jonge
alle
belangstellenden
vestigen, zij hier een
reeds nu
geleerden
toevertrouwde,
die
dan
ook,
naar
we
hopen, binnen
niet al te langen tijd cen groote, rijk geïllustreerde
publicatie
van
zullen doen verschijnen.
In afwachting van dit belangrijke werk, waarop we
de aandacht
|
i)
|
korte schets gegeven van wat de reeds verschenen publicaties
4),
herhaalde eigen aanschouwing en bronnenstudie ons leerden.
Ontdekking en beschrijving van het gebou
w.
In April 19175 nam men onder een der rails van
de drukke
lijn Rome—Napels een hardne
kkige
verzak
king
waar,
die
leidde
tot een exploratie van den ondergrond van de spoorbaan,
waarbij
wat hun
|
|
i
de opzichters al dadelijk, op een diepte van ongeve
er drie meter
onder het baanvlak, de bovenste opening vonden van
TTT.
.
.
1) Mariani f, a. p. bl. 50 citeert
aa
Kollmann, Plastisch
e Anatomi,es, bl. 576.
% Paribeni /. a. p.
3) FP. Cumont, La basiligue souterraine de la
Porte Maggiore in Revue
archéologique, Ve série, tom. VIII (1918)
bl, 73.
4) Ken volledige bibliographie geeft Gilbert
Bagnoni, The subterranean
Busitica at Porta Maggiore in Phe Journal
of Homan Studies 1X (1919) 1,
bl. 78-85.
Mo Zio Notizie degli Scavi 1918, bl. 30--39
(1. Gatti).
ZAS
2
t
.
Fia
dune
Pagina 2
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)een put met 90 eM. middellijn scheen. Nader onderzoek leerde
echter, dat de vermeende put en luchtkoker was, die doordrong
tot in het gewelf van een hellende gang. Deze vervolgend over
het licht van een aangestoken lucifer, dat de corridor rechtde aarde, die ze gedeeltelijk vulde, ontdekte een ingenieur bij
hoekig omboog en diurna uitmondde in een groot gebouw,
waarvan de wanden en zoldering met stucreliefs versierd Waren,
Dadelijk werd de directie der opgravingen gewaarschuwd, die
nu de leiding van het verdere onderzoek overnam. Zij
ruimde
in zelfopofferenden arbeid de aarde, die tot op een derde van
de hoogte zoowel den hellenden twegangsweg als het houfdgebouw vulde, weg — zonder daarin ook iets antieks te vinden
—
en legde zoo de basilica bloot. De bijgevoegde plattegrond (fig. 4) 1)
verduidelijkt de volgende beschrijving.
naar Lo schijnt respectievelijk met stue en mozaiek bekleed,
De toegangsweg is slechts vooreen klein gedeelte toegankelijk
genmakt, omdat het geheel uitgraven ervan te groote technische zwarigheden zou meebrengen è). Zoldering en budem waren
Resten daarvan zijn echter niet bewaard. De geringe stijging
—
eirca 15° — bewijst, dat de wang vele meters lang was. Om
was dus een onderaardsche tocht novdig, dien men gevoegli
van het nivean van den Romeinschen lijd, aangegeven door
dat van de oude Via Pracnestina, af te dalen tot in de basilica
we boven gezegd
hebben, minstens één koker, waardoor licht
vergelijken kan met het afdalen in katakomben als die van de
heilige Priscilla nan de Via Salaria. Wel is waar was er, zooals
in de gang viel, muar een tocht door de katakomben van Call
:
leert, dat zulk een boventicht de duisternis nauwelijk tol scheme
ring maakt. Veel meer licht moet de vierkante schacht boven
het voorportaal van het eigenlijk „heiligdom
®” verspreid hebben.
Deze „pronaos” meet 3,62 bij #,50 M. is dus ongeveer vierkant,
evenals het „atrium ” 4) voor de oude Christelijke kerken dat was.
van zwarte steentjes gelegd is, en
De vloer bestaat uit een mozaiek van witte steentjes, waarin
helt zachtjes af naar het midden toe, waar zich een put bevindt.
rondom een dubbele rand
die in de rots uitgegraven is en eindigt in cen afvoerkanazl.
Deze put is omgeven door een dubbelen zwarten ramt, aan de
hoeken waarven vier palmelten aangegeven zijn met dezelfde
Ontlcend aan do Notizie degli Scavi t. a. p.
De trap, waarlangs men nu afdaalt, is geheel modern.
Loo'n atrium is bijvoorbeeld nog bewaard vóór San Clemente te Rome.
zwarte steentjes. Alles doet vermoeden, dat bier ven wijwater:
Pagina 3
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)vat stond, zooals voor Grieksche tempels!) evengoed als voor
christelijke heiligdommen gebruikelijk was.
Uit den pronaos treedt men dadelijk in het hoofdgebouw, Dit
:
n dragen. De gewelven van schip en zijbeuken daarenbestat uit drie afdeelingen, waarvan de middelste
drie, de beide
"twee meter breed zijn; alle drie zijn twaalf meter lang.
Ze worden gescheiden door tweemiaal drie rechthoekigo pijlers
ongeveer 0,96 bij 1,15 M. afmeting, die vier eenigszins gedruk
le
vormen halfeylindervormige tongewelven. Aan het eind
to middenschip bevindt
heen apsis, halfeirkelvormig
met ven straal van 1,56 M, De bodem wordt ook hier gevormd
door fijn wit mozaiek met zwarte randjes omgeven. Op sommige
plekken zijn guten, evenals het midden van den pronaos doer
een dubbele rand van zwarte steentjes omgeven. Deze guten
van hen, die in nog
wijzen waarschijnlijk de plek aan, waar kostbare mozaicken of
niet nader te definieeren 2) tijd de basilica beroofden van al wat
marmer-intarsiën de begeerte opwekten
er kostbaurs in was,
Als men deze sporen van geweld uitzondert, maakt het geheel
cen opmerkelijk ongeschonden indruk. Nergens zijn de toch
zoo teere stucreliefs der wanden afgebrokkeld, geen enkele krus,
geen enkel graffito is er ontdekt, van rook nergens eenig spoor
aan het vlekkeloos wit der zolderingen. Het maukt den onafwijsbaren indruk, dat hier zellen bezoek geweest is. weinig
licht gebrand heeft, dat de basilica kort na den bouw gesloten
werd. We zullen later zien, hoe dit misschen te verklaren is.
Deze korte beschrijving van opbouwen plattegroud geeft ten
duidelijkste aan, dat we hier te doen hebben met iels, dat we
gewoon zijn met het woord basilica aan te duiden. Men onderscheide echter goed! Sedert het grondige werk van Leroux 3)
weten we, dat in de klassieke Oudheid daarmee twee zeer
2)
OR.
Lar
nl santuario sotterraneo recentemente scoperta uil Spor
1) In het Grieksch heette het zeorifor of arepipartijoior, zie Rich, Dic
Uonnairo des Antiquités x. v. labrum. 4, Daremberg et Saglio, Dietionnaire
des antiquités sv. lustratio (Bouché-Tacelereg) bl. 1407- 1408.
Vetere in Bultetting Comunale di Roma XLVI (1918, gepublieeerd in 1920]
bl. 69- 84) hoopt, dat een nauwkeurig onderzoek in allerlei museu opt spoor
zal brengen van wat hier geroofd werd en duarmeo ook het raadsel oplossen
eht,
. de later te vermelden toeschr
ing van Fornari onaannemelijk, voor.
van de beteekenis van het geheel en van de oorspronkelijke cigenaars. Hij
ten do begraafplaats der Statilii en de plants der Das
een wate
“dus cen strook publiek terrein, liep.
4) G.
mx, Les origines de Pidifice hypostyle (Bibl. de l'école française
a Rome, fase. 108) Parijs 1913,
(Figuur 5.)
Pagina 4
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)versehillende typen van constructies werden aangeduid. In de
verste |
ven vp Zui
hoekig gehou met
vele sche)
„0oals we
op het Forum Romanum en die van de hitsi
Forum "Trajani kunnen reconsti
kerk San Paolo fu
stat in
loegevoegd is. In de tweede plats versto a
Op de pijlers, die de gewelven dragen, ziet men lijsten, waarin
basilica een gebouw met een ap:
v. de basilica in
het paleis van Domitianus op den Palatijn er eene heeft. Deze
laatste soort basilica werd ook voor godsdienstige stunenkomsten
gebruikt en wel var die, waarbij de geloovigen in het vergaderlokaal zelf aan den dienst deelnamen, !) dat wil dus zeggen
wat men „mysteriën” placht te noemen. Een duidelijk voorbeeld
geeft het uit de derde eeuw vóór Christus desteekenende
„telesterion” van Samothrace, waarvan ik ter vergelijking den
plattegrond 3) hier bijvoeg (fig. 5). Ook het Bakcheion te Athene,
dat uit de tweede eeuw na Christus dagteckent, vertuont het
basilica-Ly pe, 5)
met ijzeren klampen blijkbaur kostbare marmerplaten bevestigd
voorwerpen, die de kleine consoles — 0.80 M. hoog en 0.35 M.
waren. Naar den aard van deze en de inscripties of liguren,
dic er op stonden, kun men slechts gissen, evenals naar de
is
tempel
dezo v
de
in
t
doorgevoerd in
het
ht in
ken betrekkelijk
breed — eronder «droegen. Aan den tegenovergestelden kant
van de pilasters waren vrouwe- en mannekoppen in stue aangebracht, die alle tot onherkenbaar worden toe verminkt zijn.
In de apsis ziet men nog de d
lijke sporen —- gleuven
Hinks on rechts — dat er een zetel gestaan beeft. 4) Wars
den dienst,
was dit de zitplaats vano den voorgenger
osterkst
Zelfs
i) Men bedenke, dut do Où
maar allyd con zekere in
groote kerken gekend heeft,
Het
samenikemsten,
bevulten.
ienstige
te, waarvan de onderaurdsche kerkjes hoogstens «en honderd ge
vigen konden bevatton,
>> Ontleend aan Springer M
Wolters,
Handbuch der Kunatgeschiehte VU (19%) Fig. TOL, b 360 Vgl, Leroux f. u. p. bl. 100, fir. 50.
3) Zie Judeich, Topographie Athens, bl. 262,
Fig. 35, Leroux ta. p. bl. 319.
4) Bendinelli zeide, in een lezing op 21 April 1921 gehouden in de Accademia
Pontificia, hiervan niet overtuigd zijn. Volgens hem kan er ook wel een standbeeld gestaan hebben. Dit 1 kl ons onwaarschijnlijk, in de eerste plaats cur
dat voorzoover ons bekend is antieke standbeelden of hun voetstuk nooit aan
muren verbonden werden en ten tweede vmdat de apsiswand in zijn onderste
gedeelte geverfd geweest is en wel niet goo heeg, dal deze gekleurde oppervlakte als achtergrond van ven hoog staand beeld kon dienen.
Pagina 5
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)Povxöios, van wien herhaaldelijk gespoken wordt in „Orphisch”
de Pythagoreérs. Het wordt ons uitdrukkelijk verzekerd door
Porphyrius?) en Plato zelf brengt de philosophie, die hij schildert
verband, 1)
De bodem der halfronde ruimte vertoont een in de rots uitgehouwen kuil, die zich uitstrekt tot onder den omtrek zelf
van de koornis (zie den plattegrond). In deze holte werden
als een mijmering over het wezen van den dood, waarbij het
lijf een grufteeken 1o@uu——oîjua) heet 5, in verband met de
wijsbegeerte van Philolaos 4).
Het is bekend dut de mystische bestanddeelen van de leer
‚an Pythagoras, die waarschijnlijk goeddeels aan het Orphisme
beenderen gevonden, die behooren tot het geraamte van een
hond en dat van een speenvarken. Twee kleine ronde gaten
hebben misschien gediend om het bloed van deze otferdieren op
te vangen, toen ze bij de wijding van de basilica geofferd werden. 2)
Het
ontleend waren, reeds vroeg daarmee en met Dionysische theorieën samensmolten. Wanneer dan ook Cumont in het aangehaalde artikel in de Revue archéoloyique van 1918 en ook nog
in dat van de Aasseyna d'Arte van 1920 alleen bij de Pythagoreërs analogieën zoekt voor de verklaring van de wandversiering
van deze basilica, heeft bij ongetwijfeld zijn veld te veel ingekrompen. Het syneretisme, dat later de uit het Oosten gekomen
mystisch symbulismerin Rome.
Zoouls we boven
reeds zeiden, drong in het heiligdom zelf
geen ander licht binnen dan door den koker boven den pronaus;
de lampen, die in de bogen tusschen de pilasters gehangen
hebben, zullen de duisternis der zijbeuken nauwelijks gebroken
hebben. Op zulk ecue eenzijdige, van boven komende belichting
is de geheele stucdecoratie dan ook berekend, Men giet dit
duidelijk, wanneer alleen de onder den lichtkoker aangebrachte
godsdiensten tot een
beslag gekregen, In de graven van de dodenstad van Sybaris 4,
die zeker het stotfelijk overschot bewaren van de kaatste echte
Pythagoreérs, ligt naast het hoofd of in de rechterhand der
bijgezetten een gouden plaatje met Orphische spreuken. Orpheus’
leer, gecombineerd met die van „Dionysos”, geeft de verklaring
electrische lampjes branden. Cumont 3) herinnert naar aanleiding
van «lit feit zeer terecht aan de symbolische voorstelling, die
Pluto
* geeft van het menschelijk teven. De menschen, zoo
vertelt de wijsgeer, zijn als gevangenen, die vastgebonden zitten
van vele voorsteliingen op Zuid-Italische grafvazen 5. Wij kunnen in de straks genoemde plaatsen uit Plato dezelfde samensmelting in de litteratuur reeds omstreeks 400 v. Chr. constateeren ®). Ook omstreeks Christus’ geboorte was deze syncretistische leer nog springlevend, Ovidius, die zoo fijn voelde wat
in een grot met den rug naar het licht, dat komt van „een
vuur, dat boven, ver weg, achter hen brandt”. Langs dat licht
Worden allerlei voorwerpen gedragen, war van zij de schaduwen
voorbij zien trekken over den wand, waarlicen hun gelaat gekeerd
is. Zij kennen dus slechts de afschaduwing van de werkelijkheid,
zijn tijd begrijpen en meeleven kon, zoekt in zijn beschrijving
van Pythogoras’ leer juist de gedeelten uit, die overeenstemmen
met wat Vergilius blijkbaar onder Orphischen invloed schreet
over het leven hiernamaals?) Het is dus zeker niet noodig bij
niet die werkelijkheid zelf.
Plato ontleende deze voorstelling van de menschenwereld aan
D
Vgl. Hymn. Orphici (ed. Abel) I 10 en XXXI 7; E. Mauss, Orpheus,
Munchen 1895, bl,
180; U. Kern, Das Demeterheiligtum
con
Pergamon
und
die Orphischen Hymnen, in Hermes W (191), bl. 431--436.
5
In do derer archeolugique VIII (1918) bl. 64
4)
Plato,
I
publ.
VII
514,
+
E. Rizzo, Sarcofago di Torre Nova in Rom, Mitth, XXV
3)
Plato, Cratylus MO U. Vgl. ook Cumont in de fusscyna d'Arte XII
i
(Gabrici Cara I in Monumenti dei Lineci, XXIL (1914) kol. 6% vige. en
cen uit
Rome (E. Caetani-Lovatelli,
Antichi monumenti illustrati, Roma
G.
Phorhyrius, De antro nynphurun &.
ie Cavallari in Notizie degli Scavi 1879, bl. Mi, D. Comparetti, Lumi
mette Orfichi, Firenze, UN,
mysteriën legt. G. A. Rizzo (Dionysos Mystes in de Memorie della reale Arme
demia di Archeologia di Napoli. Vol. TIT [4918] bl. 42-43) sterken nadruk,
daarbij eiteerend: Aristoph. Pax 374, Athenacus IX 374 D, een vaas uit Kyme
Aults, Wi. 24;
(1910) bl. 131.
D
%
(1921) 2, bl. Mb, noot 4.
i)
Plato, Phatdo 61B- GZB.
2) . Het reinigend karakter van deze beide offers stelde reeds Fornari (Vut.
senti La. p.) ep den voorgrond. Op het verband van het biggeuffer met de
1599, bl 25 en vlag, Pringsheim, Archiol, Beiträge 2. Qesch, des eltusinisehen
bruikbare levensleer doet samensmelten,
heeft bij de Westersche mysteric-religics al veel vroeger zijn
bl. 13,
Vel. CL Albizzati, Seggio di cstyesi spirimentale nelle pitture funerarie
de vasi italu-greci, in Bissertazioni delle Pontificie accademia di archi olugia,
serie IT, toro. XIV, Roma 1920, bl. 147 242,
6)
Zie J. Burnet in Hastings Zncyelopuedia of religions and ethics X (1918),
bl 527, kol. LL
7)
Vel. C. Pascal, Le eredenze Paltretomba nelle opere letterarie dell
autichitd elusstea, Catania 1912, IL, bl 153 160; b. Norden, Aencis Buch FI,
Li. 156 157; over de verbreiding van het Orphisuw in Italië zie F. Weege,
Etruskische Malerei, Halle afd Saale, 1921, bl. 25—56 en do daar aangehaalde
werken.
Pagina 6
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)de verklaring van theorieën over het latere leven in de cerste
veuw na Christus zich te beperken tot die, welke uitdrukkelijk
aan den wijsgeer van Samos toegeschreven worden.
In de kunst treden het formalistische Pythagorcisme en het
sterk vergeestelijkte Orphisine op den achtergrond. Omdat Dionysos — de god der vruchtbaarheid — nu ook een veel dieperen
achtergrond gekregen had 1}, werd alles wat dionysisch was
geschikt geacht om graven en sarkophagen te versieren.
Dit verwondert ons, die over het algemeen van den dood zich
een afschuwelijk beeld vormen, ten zeerste, nuur we vergeten
daarbij, dat de ouden — in elk geval in den tijd, waartoe de
meeste van de ons bewaarde Roineinsehe grafmionumenten en
ook onze basilica behooren : de Lwee verste eeuwen na Christus —
Kemeenlijk cen zeer blijde voorstelling gaven van den mensch
na den lijfsdood.
Ook dit was „Orphisch”. De goeden, zoo predikten volgens
Plato?) Musaeus en zijn zoon, zullen na hun dood «ltijd „dronken” zijn, omdut die dichters een „ceuwige roes” als schoonste
belooning voor deugd beschouwden.
We zijn meestal te veel onder den indruk van de woorden
van dichters
als Horatius 8), die doen atsof ze den dood verafschuwen, omdat dit hun gelegenheid geeft de liefde en levens:
lust te verheerlijken, waaraan hun tijd zoo groute behoefte had.
De grafschriften spreken heel dikwijls een andere taal, al
ontbreken ook daar niet droevig wijsgeerige beschouwingen
over het niet meer bestaan van de gestorvenen 4).
Maar onzes inziens is het niet noudig woorden te citeeren om
te bewijzen, dat de beschouwingen over het hiernamaals sterk
vergeesteljkt zijn. Dit blijkt uit de toen gebruikelijke manier
van begraven zelf. Bewees oudtijds het meegeven van alles,
wat den doode vp aarde lief geweest was, dat men zijn ondergrondsch bestaan voor een logische voortzetting hield van het
komen weer „Beigaben” voor. Wel een bewljs, hoe algemenm het
geloof aan een puur geestelijk voortbestaun verbreid was, hoe
ieder hoopte op een beter hicrnamaals als belooning van cen
nuttig besteed leven, „Men gaf den dooden kransen, omdat men
ze als overwinnaars beschouwde, die den kampstrijd van het
leven hadden doorstuur”. Zoo schrijft een scholiast op Aristophanes. ') Op een der gouden plaatjes, die nanst het hoofd van
cen in Thurii gestorven Orphicus lagen, leest men 3: „Maar ik
ontkwam aan den droeven, rouwvollen kringtoop
en met snellen
voet bereikte ik de krans, waarnaar ik zoozeer smuchtte en ik
daalde af in den schoot der Helleköningin”. Op vele ZuidItalische grafvazen en ook op de grafschilderingen in Paestum
zien we, dat ann den doode, voorgesteld als een uit athletisehe
wedstrijden terugkeerend overwinnaar, door Nike een krans of
een dindeem) wordt toegereikt of ook wel te drinken wordt
wungeboden. „Nike wordt een echte grattiguur; zi wordt zittend
afgebeeld op grafstelen en graf beuvelsen reikt dun de symbolen,
die nu die van den dood geworden zijn, niel alleen san jonge
imaunen <> die niet meer als feitelijke overwinnaars afgebeeld
zijn — maar vok wel aan vrouwen toe”, 4
Geen wonder, dat in graven vaak gouden of verguld koperen
kransen gevonden worden en de Christenen zich in den beginne
tegen dit toen nog speciaal heidensch religieus gebruik te weer
stelden. 4)
Watr men nu zoo dikwijls niet alleen op die Zuid-Italische
grafvazen uit de vijfde tot derde eeuw vóór Christus, maar ook
op sarkophagen en grafaltaren uit den keizertijd 9) die Zegegodinnen aantreft moet men wel aannemen, dat ook voor de
Romeinen van dezen tijd de dood cen overwinning beteekent,
waarnaar
het heele leven
streeft; dan moet hij van religieus
standpunt beschouwd het eenig begeerlijke worden, dan is het
inveitevolle leven een worsteling in paradijsverwachting, dan
bovengrondsche, nu treft men van dit gebruik geen enkel spoor
meer aan. Kerst wanneer Germanen in Halië begraven worden,
kan een kerk niets anders meer zijn dan een openbaring van
een betere toekomst en moet zij het voorkomen krijgen van een
NH Dit blijkt uit zijn vermenging mot Zagreus, zijn inwijding" in de inys
teriën van Bleusis — [Plato] Arivehos 871 D, Anthol, Palet. 1X. 524 — Abel,
Orphica, bl. 284, 18 - zijn met mystorien verbunden tempels in Tegea en
Argon: Pausanias VEL 54, 5,
te zeiten, zoouls ook in Christelijke kerken cenwen lang gebruik
geweest is.
DD
dtepubl. WD, vgl. JT. Harrison, Profeyomena to the study of greek reli.
gion 2, Cambridge 108, bl. 613.
8) Zie div. Pascal toa. p. 1, bl 7 1, 21.
4) Vel. W. Altmann, Rowisehe Grabaltire, Berlijn 1905, bl. 284 en speciaal.
V. Macchioto, ZE simbolismo nelle figurazioni sepolcrali romane in Memorie
ft, dee, di Arch, Napoli I (4911) i. È
grafkapel, waarin het logisch is het overschot der dooden bij
DO
Sehol. op Arist. Aysistr. ML.
2) Verg. Comparetti, Laminette orfiche, bl. 27, net noot 2.
3) 6. Patron, a ecramica antica dell Atatin ineridionale, Napoli, 1897,
bi. 162.
4) Zie b.v. Minus. Felix, Getae. 12.
5) Lie Altmann, Rémisehe Grabaltire, bl, Wt en vlyg.
Pagina 7
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)voerige litteratuur uit lateren tijd) en vooral de verzameling
ieder
opzicht beter dan andere
basilica een
Pythagoreisch, d.i. Orphisch ,vercenigingste truchten de zinnebeeldige beteekenis van
de decoratie der basilica te doorgronden. Wij doen daartoe in
het volgende een poging.
zeker de moeite
in beeld veraanschouwelijkt hebben. Is dit zoo, dan loont het
zouden de laatste jaren ons dus zoowel het mystisch element
in het leven der Orphische secte als hun doodsbeschouwing
als een inwijdingscène in Orphische mysteriën, gelijk hebben),
getuigden.
Wanneer de vele geleerden ®), die de in 1909 in een Pompejnansche villa ontdekte voortreffelijke wandschilderingen verklaren
lokaal” geweest — onderaardsch, omdat de Orphici immers de
wereld als een grot beschouwden — en wijzen de dikwijls
treffende overeenkomsten met de grafsymboliek erop, dat
onder de Romeinen vele aanhangers der Orphische leer waren,
die zoo op toen voor ieder duidelijke wijze van hun geloof
onze
van een Pythagoreische secte in Rome zelf bewezen door de
schimprede tegen Vatinius +). Onder Augustus beschouwde zich
Nigidius Figulus als hun profect en dezelfde keizer verjoeg
een Grieksch Pythagoreér als ,magus” uit [talié 5). Wellicht is
„Orphische hymnen”, die sporen vertoonen van Zeer
Wet algemeen karakter der basilica,
in
van de
Van deze moeiten in het aurdsche leven en de troost, die
te wachten staut, spreekt dan ook naar onze meening de geheele
versiering der basilica. In de eerste plaats door het nergens
late redactie” en zeker als litanieën dienst gedaan hebben,
kunnen doen vermoeden, dut het Orphi-me ook buiten ZuidItalië en, na den ondergang als politieke partij, op verschillende
plaatsen „geineenten” gesticht heeft, die langen tijd zijn
blijven bestaan 4). Voor den tijd van Cicero wordt het besten
rechtvaurdiger,
mysten te zijn !). Wie hun leer met hart en ziel aanhing, was
onderbroken wit, dat symbolisch aangeeft hoe slechts reinheid
naar het paradijs kan voeren. Zoo predikten reeds de Orphici.
Daarom bedekten ze de dooden geheel met een wil linnen wade,
waarin ze ook de levenden hulden, die ze waardig keurden
vromer,
menschen ?), leefde rein 4) en mocht zijne gebeden aan de goden
eindigen met den wensch een zalig uiteinde te vinden.
4)
Daar echter, zooals we boven gezegd hebben, in den tijd, dat
de doodsbeschouwing der Romeinen onder Griekschen invloed
komt, de oorspronkelijk gescheiden Dionysische, Eleusinische
en Orphische mysteriënleer reeds tot Gén geheel samengesmolten
zijn, behoeve we ons niet te verwonderen, dat hier allerlei
mystieke zinnebeelden van verschillenden oorsprong gecombineerd worden.
Ofschoon de leer van Orpheus” reeds lang tamelijk goel
bekend was
en de Dionysische symboliek op Komeinsche
graven vrij uitvoerig behandeld werd 8), is toch het verband
tusschen beide nauwelijks gelegd, omdat men meende, dut het
Orphisme naast de andere vreemde godsdiensten slechts bij
uitzondering een rol speelde 7). Toch hadden eigenliik de voorname plaats, die het Orphisme en Pythagoras innemen bij
Ennius (begin der Annales), Ovidius en Vergilius, de vrij uit-
1) Zie de fragmenten daarvan in Abol’s Orphica, Leipzig 1885.
2) Vgl. Schinidt, Grierhisehe Litteruturgrachichte 3, bl, 796.
3) Rene schijnt zieh b.v. om het Demeterheiligdom te Pergamum geconcentreord en bestaan te helden van de derde veuw voor Christus tot de tweede
Cicero, in
FVatinium
VI 14, geciteerd door Cumont, ev. urch. t. u. p.
na Christus (zie onder).
Italiaansche geleerden Domenico Comparetti
(Le nozze di Bacco ed Ariunua
bi. 62.
6) Hieronymus, Chronic. Olymp, 188, 1: ,,Anaxilaus Larisaeus Pythagoricua
et magus ab Augusto Urbe et Italia pellitur’’; geciteerd door Cumont t. u. p.
6) Genoend door Macchioro, Zugreus, bl. 12.
Elk verband met de mysteriën echter onikennen zoowel de Nestor der
5
4)
huot 4.
ete, Firenze [1921]), als O. Gruppe in de Philoloyische Wochenschrift van 2
Maart 1921, kol. 245-250. (Het laatstgenoemd citsal danken wij aan de
vriendelijke aanwijzing van Mrs. Arthur Strong).
o Vgl. Cavallari, Notiz. scuci 1879 t. a. p. eu V. Macchioro, Zuyrcus, Buri
1920, bl. 241,
> Diodorus Sioulus V 49, 5.
3 Lie b.v. Hymni Orphici (od Abel, Orphica, Leipzig 1885) IV 0, XVIL ID,
LVI, LXII2; vgl. Eurip. Hippel. 996 vlgg. en Macchioro, Zuyreus, bl. 157,
4) Zie bv. Hymni Orphie. XI 109, XX6, XXVILL11, XXXV
7.
6) De eenige volledige en nog altijd bruikbare bron is Lobeck’s Aylaophumus, Regensburg 1829. Nu zie men opk het interessante werk van Macchioro,
4ugreas, Bari 1920. Engelsche litleratuur uit den laatsten tijd wordt genoemd
door Mrs. Arthur Strong, Apotheosis and After Life, Londen 1918, bl. 974;
vgl. P. Garduer in Hastings Pueyel. of Rel. and Ethies IX (1917), bl. 82.
6) Door W. Altmann, Rim, Grabaltire, Berlijn 1905; H. Duetschke, Kurenmatische Studien, Leipzig 1909, V. Macchioro, Il Simbolismo nelle figurazioni
sepolerali romane, in Memorie R. Acc. li Arch, Napels I (1911), bl. 9-—144 en
Mrs. Arthur Strong €. a. p.
7) Mrs. Arthur Strong ¢. a. p.
Pagina 8
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)Beschrijving en verklaring der versiering
in stuc van den voorhof.
Rondom den lichtkoker van den pronaos bevinden zich aan
drie kanten — de vierde is vernield — binnen sterk in het 008
springende ornamentlijsten op gekleurde achtergronden — we
behalve de achterwand, waartegen de zetel van den „herder”
zijn hier rog buiten het eigenlijk heiligdom waar alles wit is
stond — kleine voorstellingen:
1° Ken Nike, waarover men boven vergelijke.
2° Drie Maenaden, rijdend op panters of thyrsusdragend,
gewone tiguren in Dionyos’ thiasos.
8°. en masker met volle lokken en golvenden baard, dut
als Dionysisch element ook op grafmonumenten zeer frequent
is 1} eu wellicht verklaard kan worden?) als het gelaat van
den god zelf, symbool van zijn tegenwoordigheid onder de
geloovigen. Men merke hierbij op, dat in de basilica nergens
een god voorgesteld wordt anders dan als zinnebeeld en dit
dan nog slechts op ondergeschikte plaats. De opperste god der
Ken lezende figuur, te vergelijken met die van sarkophagen,
Orphica was, als alle mysteriëngoden, “en en zonder bepaalden
vorm. 3)
4",
waarin Duetschke +) het lezen van de levensrol voorgesteld wil
zien en die anderen verklaren als gewijden, welke de troopodupara
bestudeeren of bestudeerd hebben, dus als catechisanten 5),
5°. Twee kandelabers. Zulke luchters komen ook in de
een voorstelling van de ziel, die
basilica zelf verscheiden malen voor, soms in verbinding met
Zie bv. Rizzo, Dionysos mystes, bl. 98, noot 3.
Prolegomena,
immers niet alleen volgens Heraclitus 5) een vlam is maar ook
een Nike. Wellicht zijn ze
1)
Macchioro, Zuyreus, bl. 119-120.
E. Harrison,
2)
m Proclus, Ennrad, 16.9, geciteerd door J.
ily, 624.
4) Duetschke, Auvennutisehe Studien, bi. 187 vigg.
6) R. Paribeni in Notizie degli scavi 1919, bl, 112; Macchioro, Zagreus,
bl, 74.
6) Macchioro (Eraclito è Vorfismo, in Gnosis, rivista di storia religiosa
1
(1920) 1 vigg. en Zaureus, bl, 247, n. 1) wijst op het nuuwe verbund Lusschen
de philosophie van 1, en het Orphisme.
men
aan
79
een symbool van het graf kunnen denken: op
in het Romeinsche volksgeloof 400 beschouwd word. !) Anders
zou
graven immera werden dikwijls lichten gebrand. ® Zoouls we
zien zullen wordt op de onderste strook der wanden van pronaos
en basilica beide telkens weer het graf op meer of minder
duidelijke wijze gesymboliscerd.
6. Tufereeltjes, waarin Broten de hoofdrol spelen, Pwee rijden
er op tweespannige wagens — een met bokken — zvows dat
in den thiasos, die de processie der in religieuze verrukking
optrekkende mysten verbeeldt, gewoon was, een derde giet een
kruik uit. Men denke hierbij aan de Victoria’s,
die op grafvazen (zie boven) en op de stucreliefs van de Villa Parnesina
3)
uit kannen
water gieten ter verkwikking van de ziel, die als
overwinnend athleet gedacht is. Weer andere Kroten jagen
op vlinders en spelen daurmede, als ze ze gevangen hebben.
Dil schijnbaar onbeduidend genretufereeltje moet een diepe
syinbolische beteekenis gehad hebben. Het komt herliaddelijk
us relief of in woorden op grafmonumenten voor*) en wordt
door Cumont®) vernutlig in verband gebracht met een plants
uit Plutarchus®), waar gezegd wordt, dat de Ware verlictde, dat
wil zeggen, hij, die streeft naar het voytör xadòr, ni zijn dood
„Vleugels krijgt, in verrukking geraakt en altijd om zijn god
{Eros} in de hoogte ronddanst en rondtladdert, totdat hij, weergekeerd naar de weiden van Selene en Aphrodite, inslaapt en
Ht, 91 [492] spreekt van „seintillulam animae, quam
mas’ en ‘Terentius (Adelphi UI 2.16) schrijft; ,,Seni
animan primum extinguerem”, Tot Orphische beschouwing zijn zeker terug
te brengen Cicero, Somn, Neip. UIT: „eisaue (aan de menschen) animus datus
«sb ex illis sempiternis ignibus’ en Verg. den. VI 745 vlgs. We betwijfelen
dab men - met Dieterich (Nekyie, bl. 224, noot 1) en Macchioro (Simbolismo,
bl, 180) uit Macrobius (8. 1. 7, 31) mag concludeeren, dat de vp de Saturnalia
gebrando kaarsen de vervanging van menschenoffers waren.
“7 Men zio de citaten uit grafschriften bij Marquardt- Mau, Privatleben
3)
Nu bewaard in het Thermenmuseum, zie R. Paribeni, Catologo 3 (19%),
der Munter, bl. HiB, noot 1.
n°. 438.
4)
“ie Macchioro, Nimbolisino passin. De ziel heet ook in de Latijnsche
lit.
ieksche woordspel ( yogi) = 1°. ziel, 20, vlinder) niet
tu hic sita est papilio
e datu mors subitu
tl Haalrianus op zijn sterfbed heel geraakt to hebbon :
.
p., bl. 57, noot 1.
Hospes comesque corporis Quae nung abibis in loca
a, nudtila Nec ut soles dubis ion’,
Pluturch. duatorius 20, bl. 766 B.
Pagina 9
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)omdat er onzes inziens verscheiden trekjes
în voorkomen, die
eene nieuwe incarnatie begint.” Hoe verheven zich ook de
Orphici van den Romeinschen keizertijd den god der liefde
dachten, blijkt uit de hem gewijde hymne, die we citeeren willen
in het spel
van goden en menschen deelt (vergelijkt den
hier in beeld weergegeven zijn 1): „Ik roop Eros aan, den grooten,
heiligen begeerlijken, zoeten, die met de boog verdedigt, den
: die vuur dragend
gevleugelde, van vuur ombruist (andere lezing
loopt), snel in vaart (denkt aan het tweespan van den god),
die
de
heeft,
natuur is (hemelsch en ondervan alle dingen houdt — van den
twecëerlei
slentels
van
zoo even aangehaalden passus uit Plutarchus), hem, die krachtige
handen
hemelschen aether, zee, aarde en van alle de door de groenc
aardsch?),
vruchten kweekende Rhea geweide, alles voortbrengende winden
(aan drie van deze winden zijn Orphische hymnen gewijd) en
Op den
wand, die gemeenschappelijk is aan den prunaos en
van al wat is in den breeden Tartarus en de bruisende zee;
want gij alleen houdt de roerpen van dat alles. Welaan dan,
zalige god, trek op met de mysten, die van reine gevoelens
vervuld zijn, en roei in hen uit de lage en ongepaste begeerten” —
in de Grieksche mythologie sterk op den achtergrond treedt ®),
het middenschip, dus boven den ingang van het eigenlijk
heiligdom, bevindt zich een groote Okeanos-kop tusschen twee
zeegoden. Het is zeer opmerkelijk, dat de oude Titan, die anders
door de Orphici juist als de voornaamste der Titanen en als
eenige goede onder hen geGerd werd en een hymne waardig
die in verband
gekeurd, waarin de volgende verzen voorkomen,
met de plaats, waar we den god hier afgebeeld zien, wellicht
een diepen zin krijgen:
n
‘
7
nibbi udxag, nodúolpe, Hedy dynopa jéyioror,
fi
x
N
,
e
,
ti
toga piàov yalys, doxn
addon, bypoxthevde,
Pio ebpertmr pata xrgapiontroz alti. 4)
Hymn. Orphie (ed. Abel) LVIII.
“ie Weisziicker in Roscher’s Mythol. Lexikon 8, v. kol. 819.
Abel, Orphica fr. 39 en 100.
Hynm. Orphic, (ed Abel) LXXXII, 6—9.
van den hemel” is
Wilde de bouwer der basilica aangeven, dat dit punt „het
eindpunt der aarde, waarheen ons verlangen gaat” en „de poort
I}
2)
3
4)
tes en
Iet
81
hoofdgebouw.
schijnbare genrestukjes,
die
we
later
besehrijven
Het hoofdgebouw vertoont in al zijne deelen telkens
weer
met de reeds besproken Victoria's eu tusschen de mythologisch
e
I
nueren. Naar het ons toeschijnt, is er geen systee
m in de
zullen, symbolen, die aan reinheid, Vroomheid, Ziel
en duod
plautsing daarvan. Wel kan iu ’t algemeen gezegd worden,
dat
de rechte zijwanden en pijlers symbolisch, de
gewelven daurentegen mythol
ogisch
versier
d
zijn,
maar
telkens
vindt
men
uitzonderingen, Zou komen’ bij voorbeeld „oranten” (zie
beneden)
en Victoriw’s
zoowel
aan
de
wanden
als
aan
de
gewelv
en
voor;
„Medusa-hoofden” alleen aan de gewelven, Bacchantensc
enes
meestal aan de gewelven, maar ook eens aan een
pijler, terwijl
de
ontmoe
ting
van
[erakle
s
en
de
Hesperi
de
(zie
beneden
) die
thuis behoord zou hebben aan de gewelven, onk aan een
pijler
staat.
Wanne
er
we
meer
wisten
van
de
Orphis
ehe liturgie
zouden we misschien toch nog ven opstijgen van lager
tot hooger
kuunen vinden 1, maar cen herinnering aan de oudste
Christelijke
kerken, waarin, vóór de middeleeuwen de symbol
iek op de
spits dreven, ook geen
enkel
gedeelt
e
een
vaste
decorat
ie geeft
Inaukt ons a priori wantrouwig tegen een zoeken
in die richting.
|
Vourloopig blijven we dan ook
vermve
den,
dat
met
een
enkele
uitzond
ering
de
plaats,
wiar
een
bepaald
tafereel
of
symboo
l
weergegeven Is, meer door decoratieve dan door liturgi
sche
overwegingen bepaald werd.
We geven
hier onder allo voorbehout
een schema. — ‘Tot op
Om met die uitzondering te beginnen. In de koornis is
een
tuferecl voorgesteld, dat om zijn in het oog Vallende plaatsi
ng
niet alleen, maar ook om de grootte der fignren en den
rijkdom
van compositie gepaard met de middelmatigheid der uitvoer
ing
zeker
een
diepen
zin
gehad
moet
hebben.
Ofscho
on
ongelu
kkiger
wijze juist hier de tijd en de vochtigheid veel onheil berokk
end
D
6
mensongto
treft
men
louter
graven
of
vareerin
g
van
godenbe
elden aan. We zijn
r
dus op aardsch gebied. Daarboven hangen rondum
oscilla. die volgens de
phici de lucht zuiverden (2.
0). Op reiniging wijzen vok, terzelfder hougte
terwanden der zijschepen, de met heilige voorwer
pen
afels. Langs de wanden der zijschepen volgen boven deze gestoftweedo
vok groule vazen, die op Dionysische bezieling wijzen.
Boven aan de pijlers
de bogen er busschen en in de apsis slaan de zalighei
d belovende of laving
nkende V
’». Deze strouk iy dus als
’t
ware
geheel
bezield
door de
pa
die
den
naar
boven
duet
richten.
Wat na den dood gebeurt, is dan
suce
.
+
.
in de koorschelp en
?
aan de verschillende zolderwelvingen
weergegeven.
Pagina 10
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)eersten
oogopslag
onduidelijk
lijken,
zal
uctie in
hebben en daardoor het origineel zoowel als de reprod
gelukken
het toch met eenige moeite ook op onze plaat wel
fotografie op
(tig. 6).
terug te vinden, wat we nu beschrijven gaan
een boom
Rechts staat op den rand van een rots, waarop
ven
groeit, een geheel gesluierde vrouw, die in de linkerhand
vooruit
lier draagt. Een gevleugelde Eros schijnt haar zachtkens
van
te schuiven naar de woelige zee, dic het geheele midden
ikt
de nis inneemt. De rechtervoet van de afdalende vrouw
reeds bijna den sluier, dien een Triton voor haar in den vorm
tweede
van een boot nitbreidt. Links van het midden blaast een
van
Triton op een bazuin. De zee is hier Zeer woelig. Links
dezen tweeden zeegod zit op cen rots een peinzende of treurende:
in
mannenfiguur. Op den achtergrond staat op cen rots Apollo,
t.
de linkerhand zijn boog, de rechter als noodend vooruitgentrek
figuur
Wellicht!) stond op een tweede rots nog een andere
naast den god.
e hier
Wat beduidt. deze voorstelling? Reeds Fornari ?) meend
teld
de reis van de ziel naar de eitunden der zaligen voorges
in de
te zien. Cumont, die deze opvalting overneemt, wijst
gewesten” symboliseren.
Deze betere gewesten liggen naar de
en
verste plaats op den stoet van Nercidi ‚hippokampen, dolfijn
„betere
en Tritonen, die op sarkophägen zoo vaak de rein naar
Zou hij
verschijnen van Apollo op den achtergrond en daarom
ijken
meening der Pythagureérs 4) niet op aarde — in den Westel
—
Vceaan, zovals de Gricken oorspronkelijk zieh voorstelden
maar op zon en Maan. Zoo verklaart de Belgische geleerde het
wijls” *)
De gesluierde figuur vertolkt hi als de ziel, die „dik
hebben.
gaarne de maangodin Artemis Haast hem gevonden
voorgesteld wordt als geheel in een sluier gehuld. Het halvemaan- en tegelijk bootvormig opgehouden doek herinnert hein
boot van Ra
aan het geloof der Egyptenaren, dat de dooden de
de leer der
bestegen en daarop door den hemel gleden, en aan
dat beladen
Manichaeérs, volgens wie de maan een schip is,
wordt met zielen en dan met deze naar de zon stevent. ®) De
in
Triton, die op zijn horen blaast, brengt blijkbaar de golven
:
66, noot 1.
1) Zio Fornari bij Cumont in de Rev. arch. t. a. Po bl.
2 Notin, degli Scavi 1918, bl. 45.
I, bl. 518, 18).
4) lamblichus, Vite Pyth. XVIII 82 (Diels, Vorsokratiker’
in het bekendo
4) In cen noot wordt dit verzacht tot ,,minstena eens’, nl.
graf aan de Via Latina.
©) Hegemonius, Acta Archel. 8, Flügel, Mani, bl. 233.
(Figuur 6.)
Pagina 11
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)83
oproer?) juist vóór de op de rots zittende figuur. Deze houdt
Cumont voor een zondaar, die niet in de zaligheid ingaan mag.
De Pythagoreers *) beschouwden de „stof” als cen zee in woeste
beweging, waardoor de ziel passeeren moest om de harmonische
rust van den hemel declachtig te worden.
De begeerte naar
die harmonie wordt weergegeven door de lier in de hand van
de gesluierde vrouw.
4)
Daar we, zoouls boven aangetoond werd, bij onze verklaring
ook van andere dan Pythagoreische bronnen gebruik mogen
miken, meenen we nog enkele argumenten voor de juistheid
an Fornari’s en Cumont’s verklaring te kunnen geven. De
Nereiden en andere zeegoden, waarvan de grafsyrabolische
beteekenis voor den Romeinschen tijd door Usener en anderen
werd
vastgesteld, waren reeds met Dionysch-Orphische idecén
over het hierniunitals verbonden op Zuid-ftalische grafvazen van
de vierde of vijfde eeuw voor Christus 5) en worden in een der
rennen en
Orphische hymnen ® mel de andere zeebewoners opgeroepen
om den ingewijden groot heil te brengen, somdat zij het eerst
de cerwaardige rederij van den hoogheiligen Bacchus en de
verheven Persephone hebben getoond”.7) Dat de zaligen op de
maan wonen, geeft 8) Vergilius te kennen en betoogt Plutarchus 9)
uitvoerig. Voor een verblijf op de zon vonden wij geen andere
dan de door Cumont opgegeven plaats. De doodenboot schijnt
ook op Zuid-Italische grafvazen voor te komen. 19) De op de rots
zittende droevige figuur doet denken aan Juvenalis 4): „at ille
iam sedet in ripa taetrumque novicius horret porthmea nec
sperat caenosi gurgitis alnum infelix”. De gewone volksvoorstelling omtrent het lijden van schuldigen in den Hades gold
volgens de ingewijden alleen voor hen, die de mysteriën versmaud
hadden. 2) Dat ook de Orphici de lucht als een zee beschouwden,
1)
2)
3)
Val. Verg. den. X 209, Lucanus IX, 347 vigg.
Porphyrius, De antro n. 3.
Numenius verklaarde op unaloge wijze de zwerftochten over zee van
Odysseus, Cumont t. a. p., bl. 6, noot 4
4
D)
6)
7)
Cumonl (t. a. p., bl, 67, noot 2), vergelijkt o. a. Cicero Sunn. Seip, V 9.
Albizzali t.a.p., bl. 900.
Hymn. Orph. (ed. Abel). XXIV,
Vgl. 1, Maass, Orpheus, München 1895, bl, 191.
Hi
Volgens Servius op Aen, VI 887 on V 7985.
9) Plutareh., De facie in urbe lunue e. 28 vlg.
10) Albizzati f.u.p., bl. 194—195.
11) Juven. FIT 264 vigg.
12) Plato, Phaedo, bl, 69 O., 8. Reinach, Revue arch. 1903, bi. 1 vigg.,
J Harrison, Prolegomena, bl. 614. 623.
Pagina 12
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)in het doodenrijk bidt. Deze opvatting schijnt voldoende bewezen
die de doode doortrekken moest, schijnen ons de woorden 1):
’Ougpebs tip ’Agegovaiar Arm degiuv xadet dun te duiden.
De lier speelt in de mysteriën eon belangrijke rol 4), vooruameti)
te worden door de voorstelling op den apsiswand onder de koarschelp,
zich dikwijls in aen boschje bevond. 4)
martelaren hun „kroon” reiken.
Decoratie der wanden.
Omheinde boomen al of niet met zuilen gecombineerd symden pronaos en de buitenwanden van de zijschepen der basilica.
Ze reiken ongeveer tot manshaogte, De bezocker wordt dus
geacht te verwijlen op de aardsche plek, die het meest aan het
|
hiernamaals herinnert, ap een kerkhaf.
Daarbij en vok op de pijlers en achterwanden vindt men
oscilla van allerlei vorm. Deze dienden, zoaals bekend is, 6) om
.
.
e lucht te zuiveren.
dr zinnebeeldige beteekenis van de rij voorstellingen, die de
versiering van een deel des wanden van de zijschepen vormt,
is ons niet duidelijk. Men ziet een ouden, baardigen god, een
herme, een fakkel (zie boven) en een staande figuur met na
gebreide handen, die precios gelijkt op de vroeg-Christelij 6
1) Abel, Orphica fr. 156 (Olymupiod. ad Plat. Phacdom. c. lil).
2) Zie Macchioro, Zugreus, bl. MM,
.
3.
ian. Cap.
È
5 Val Servius’ op Aen. III 802: in lusis habitabant manes piorum iE
elling A 2
Rohde, Paychet bl. 290). Het dient vermeld, dat van deze apsisvoorst
a
Victoria
|
voorgesteld is, tot een goed einde brengen kan.
Op de pijlers bevinden zich in de eerste plaats de boven reeds
vermelde Victwria’s, Verder ziet men er cen door Bacchanten
chess
.
vi) Servins op den. VI 741, XII 603, Geary, IT 380, vgl. C. Boetticher, Der
Baumkultus der Hellenen, Berlin 1856, bl. 83 en Mild in Daremberg et Saglio,
Dietionn. des Antiquités a. v. oscilla, bl. 257 II.
6% Cumont t. a. p., bl. 54, noot 2.
7) Zoo vermoedt ook Cumont t. a. p.
een
Op de correspondeerende plaats rechts hevindt zich een relief,
dat het geknield vereeren van eeu godenbeeld voorstelt. Deze
houding van aanbidding was totnogtoe in het ITeidendom
alleen bij de dienaren van Mithras geconstateerd of ten minste
waarschijnlijk germaakt. 9)
De communietafels en het knielen als symbool van volkumen.
overgave duiden blijkbaar de middelen aan, waardoor men de
reis naar andere gewesten, die in de koorschelp ertusschenin
dat deze orante in beslist heidensche omgeving gevonden wordt.
Ze stelt waarschijnlijk 7) de ziel voor, die om een goede ontvangst
bl, 146 vigg.) ook een andere verklaring gegeven is. De zich in zee
tende vrouw zou Sappho zijn en de situatie golivel beantwoorden aan de
beschrijving door Ovidius gegeven iu den XVen heldinuenbrief (vs. 161 vigg-).
Op zich zelf heeft deze verklaring den schijn voor zich — alle personen en
goden, die we in de apsis zien, kamen onk bij Ovidius voor — maar dun
moeten we toch — als Cumont in de Russegna Arte tap. bl 4 ~
von symbolische beteekenis aannemen, sovuls Weege, Etruskische Malerei,
bi. 34, vermoedt in Ausanius’ gedichtje over gen gepijnigden Amor (Auson.
van
onder de tafel beeldt Artemis met een heit af. Of de godin hier
als maangodin 5) voorgesteld is, schijnt ons niet uit te maken.
orante. Voorzoover men nagaan kan, 9) is het de eerste mail,
C. Densmore Curtis in het American Journal of Archarology XXXIV
weerszijden
De achterwand van het linkerzijschip en die van het rechter
vertoonen beide een tafel met vittae en andere offerbenoudigdheden. Deze tafels herinnerden de bezoekers der basilica wuarschijnlijk aan de agapai, die in bijna alle mysterie-liturgieén
een rol spelen 5. Een Orphische hymne *) maakt melding van
het toebereiden van zulk cen liturgische tafel. Met vele Bacchische
symbolen (brandende fakkels, liertokkelenden Sileen, fluitspelende
vrouwelijke Centaur, Eros, die fluit speelt, en Psyche, die met
castagnetten klappert, cen hertekop) komt ze ook voor op den
bekenden cippus van Amemptus 3) en op een votiefrelief uit
Napels. 4) Over de tafel op de achterwand van het linkerzijschip
ligt een palmtak, die het gevoel van zegepraal en verheffing
boven het aardsche symboliseert, dat den ingewijde na de
,communie” doorstroomde. Het wandgedeelte van het linkerschip
boliseeren graven op het onderste gedeelte van de muren van
waarin ook een van de rats apringende Sappho voorkomt.
waar twee oranten ter
staan, die aan een van hen een krans toercikt. Wat dit in het
heidensch geloof beduidt, zagen we reeds boven. Mier willen we
noch slechts wijzen op de treffende overeenkomst met upsismozaieken uit vroeg-Christelijken tijd, waar aposteleu aan
am den beschavenden invloed, die er van uilgual. 3) be boom
geheel rechts schijnt mij een symbool te zijn van het graf, dat
1)
2
3)
Maschioro, Zuyreus, bl, 74-80.
Hymn. Orphie. (ed Abel) XLIV vs. 8-9,
W. Altinann, Némische Grahaltäre, bl. LH, pl. I en II; Maoehioro, Simbolismo, bl. 78-80,
4) Schreiber, Aultarhist. Atlas 17, 13, Altmann, Grubüllure, bl, 116.
6) Zie Orth in Pauly-Wissowa, Reulencyklopüdie VIIL 1046.
OF Cumont, Tectes et monuments figures relatifs uux mystères de
Mithra, Bruxelles 1899, II, Li. 62,
Pagina 13
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)verrieht offer en herhaalt zieh telkens de herderstluit, die in
heeft, bevindt zieh een prachtig relief, dat weergeeft, hoc Herakles
uit de hand eener Tesperide de gouden uppols ontvangt. Fornari 1)
zag hier gelijkenis met de metopen van tempel E in Selinoes.
Zonder voorbeeld is een dergelijk archaisceren in dezen tijd
niet — op de wandschilderiugen van de Farnesina, die nu in
het Museo delle Terme zijn, komt het herhaaldelijk voor 2) —
muur ons inziens is het onderhavige relief daarvan geen staaltje.
De behandeling der figuren is volkomen in den slijl van den tijd,
Alleen de statigheid doel archaisch aan. Wellicht bestond er in
dit opzicht een onafgebroken traditie sedert de Selinoentische.
metopen, Wat de beteekenis hier betreft, herinnere men zich,
dat we de Hesperiden telkens weer op de Zuid-ltalische graf
vazen vinden 3) en haar appels de Titanen gediend hadden om
elken geheimen dienst om zijn opwindende Elank een groote
rol speelde 1), maar wellicht voor de Orphici nog cen speechen
mvstieken zin had. Firmicus Maternus 9 vertelt namelijk, dat
men in hun mysteriën met fluitspel en bekkengeklepper de
rammelaars nabootste, waarmee de jeugdige Zagreus door de
Titanen misleid was. De fluit — en het cyinbaal, dat men in
de basilica ook aantreft — zouden dus behooren tot de werktuigen der passie van den godszoon, die, na als heiland op de
aarde afgedaald te zijn, gedood werd door wie hij redding had
kunnen brengen. Behulve de tluil en het eymbaal treft men hier
en daar ook ven Kistje aan, dut zeker de bezoekers herinnerde
aan de cista mystica, die in de Orphische mysteriën hoogheilige
voorwerpen bevatte. 5)
i
Deze korte aanduiding van de versiering van pijlers en wanden
moet ook weer de portretten
vermelden,
Zugreus te verlokken #, Dus konden ze beschouwd worden als
een van de werktuigen der passie van dezen heiland. Hiermede
waurvan boven al
heeft zieh wellicht ook de onde opvatting van den mythus verbonden, die leerde, dat de gouden appels Herakles de onsterflijkheid gegeven hebben na sen mocitevollen tochl in den zonnebeker en het dooden van den draak Ladon %. De geloovijgen
konden dus uit dit relief de hoop putten na ven hardnekkige
terloops sprake was. De slechte toestand, waarin ze lot cons
gekomen zijn, maakt een identificulie volkomen onmiogelijk.
4) vermoedt, dat de Grieksche wijzen voorgesteld zijn.
Cumont
Gronden voert hij daarvoor niet aan. Wij zouden alleen om ain
te duiden, dat oek andere menschen afgebeeld kunnen zijn,
wenschen te herinneren aan een fragment van een op stuc gesehilderd medaillonportret — bewaard in het Antiquarium Le
Rome — dat de naam van Apollonius van Tyane draagt 5) eu
bewijst, dut ouk wonderdveners als deze interessante Klein
” vereerd werden. De brounen
„heiligen
laten naar onze meening niet toe te beslissen, wie toen in de
Orphische gemeenten een dergelijken cullus genoten. Er schijnt
een groot aantal in aanmerking gekomen te zijn. Jamblichus t}
geeft een opsomming van wat men Pythagoreische pausen zou
kunnen noemen en besluit zijn geschrift met een lijst van „geloofshelden” of „heiligen”, in ’t geheel 218 mannen en 17 vrouwen.
Boven een der pijlers, die bijna overal elders sterk geleden
1)
Zie b.v. Proclus op Plato, Aleib. I, bl, 479
nai êr vais vedetuîs zopas 6 adds.
mn D tu
Aziatische figuur als
Cousin?i Er wis gevorngivis
;
>) Firm. Mat, de err. prof. rel VIS — Abel, Orphica, fr. a
3) „Als Inhalt der bakehischen Cistu nennt Clem. Alex Frotr. 19 das
des Dionysos, Firmieus Me err. prof. rel. 5 das Herz des Dionysus
adalor
TE
1)
2}
m
ripdyxes und Ephow” (Mau in Pauly — Wissowa, Healenc, III 2592).
.
4) Cument, Mer. arch. Lt. a. p. bl. 95.
5) Vol. E Meyer in Hermes 52 (1917) bl. 386, noob 1; C', 7. L. VI 29 828.
6 damblicelus, De vit. pyth. 38.
Van een andere groote weldaad der goden aan de menschen
getuigt een tweede pijlerrelief, waarop de mysteriezodin Demeter
— aan haar voeten staat de ciste mystica, waaruit de slang
te voorschijn komt — aan ‘Triptolemus de korenaren geeft +),
het symbool van vrede en welvaart. 9)
|
Zagreus; dies nennt auch Clemens a. a. O. 22 mit der Schlange, Granatäpfeln,
worsteling als die van Herakles evenals deze de onsterflijkheid
te verwerven. Hoe hoog de Orphici, die Herakles aan het begin
van de schepping stelden 9 — hij was dus voor hen een op aurde
in menschelijk lichaam afgedaalde god — zijn macht en hulp
schatten, leert de hymne te zijner eere, die hem aanroept als:
„Albeheerscher, allen tot bijstand” en smeekt: „Treed na, zalige
god, breng alle verzachtingsmiddelen tegen de ziekten, verdrijf
uit ons de ongunst van het uoodiot door het wuiven van den
boomtak in uw hand, jaag met uw gevleugelde pijlen de ons
kwellende Keren weg”),
Fornari in de Not. deal scavi 1918, bl. 43.
Zie R. Paribeni, Catalogo > (1920) n. 710 en 720.
i
Albizzatı ts a. p., bi. 207,
di
ii
Abel, Orphica, fr, 198.
Men zie de bronnen in Pauly
tú)
5)
%)
9%)
Abel, Orphica fr, 36 en 39.
Hymn. Orphic, (ed. Abel) XII.
Abel, Orphica, fr. 217.
Hyun, Urphic. (Abel) XL.
Wissoma, Reatene. VIII 12 45 (Sittig).
Pagina 14
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)is er cen groot verschil in opvatting en
Stueversiering der gewelven.
we goed zien
uitvoering tusschen de zoldering der beide zijbeuken en die van
heid, dat de doorsijpeling van vocht en de afzetting van. kalk
het middenschip. Ofschoon allicht ook de toevullige omstandigdaaruit daar meer, hier minder haar invloed heeft doen gelden,
bewerkt te ziju. Verder verraden de daar voorgestelde scenes, 200:
medewerkt om het onderschei te accentucereu, schijnen ons
toch ook vorspronkelijk de zijbeuken met mindere zorgvuldigheid
ventionalisme,
dat
echter
bravoure geenszins uitstuit. In dit
wel wat rangschikking als wat uitvoering betreft, een zeker con
opzicht kan, duukt ons, de op de plaat afgebeelde Bacchantenseenue
meeilijk overtroffen worden. De dansdwarreling van de eeue,
de volkomen overgave aan bezieling der andere, de fuscineerende
verraden
navolging
van
graute
kunstwerken.
Maar de
grootschheid van het masker, dat het hoofd van Orpheus weergeeft, de stille overgave van de tamboerijnspcelster aan huur
Guk
tredend symbolisme, schieten ze te kort en staid
bewerker of bewerkers der zijbeuken schijnen zelden zoo
schitterende voorbeelden te hebben. kunnen imiteeren. Waar
hun eigen tijd iets nieuws vroeg, bijvoorbeeld een meer op deu
ver achter bij den auteur van het middenschip, [lun gebrek
voorgrond
aan scheppingsvermogen blijkt ons inzicns reeds uil de umvolkomen gemeen goed geworden wus en men er op vertrouwen
standigheid, dat de decoratie links en rechts bijna volkomen
overeenstemt. Aan den anderen katt eehter is juist deze cenvormigtieid gewichtig. Ze bewijst immers, dat in de eerste eeuw
na Christus een groot deel der hier weergegeven symbolen reeds
kon, dat het publiek ze doorgrondde. Helaas geldt dat uiet voor
ons. Wij zijn in verreweg de meeste gevallen genoodzaakt ons
tot een eenvoudige benoeming van het onderwerp te beperken.
van een door een Triton gedragen viouwegestalle op de reis
Wel weten we, dat de zich eenige malen herhalende voorstelling
der zaligen wijst en ver
van de ziel maar de verre gewesten
Jaurden we reeds de Nike's als gunstige voorteekeus, de Oranten.
> hier met of zonder bloemen in de hand worden ilgebeeld,
als zielen in hoopvolle toekomstverwachting, maar nog kunnen
we, voorzoover wij weten, niet de liturgisch-symbholisehe be
teekenis doorgronden van het vruchtenplukken der Maenaden,
Apollo omgeven door
liar offer onder begeleiding van (luitspel, haar sumenkomnt
priesters, de bestraffing van Marsyas, zelfs niet van bet dragen
bij een boom, de ithyphallische seénes,
(Figuur 7,)
Pagina 15
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)van de heilige wan.!) Vergelijking met het Christendom leert ons
echter, hoezeer wij bij het gissen naar de beteekenis van schijnbaar onbeduidende voorstellingen afhankelijk zijn van de litteraire
traditie. We weten, dat de Christenen in de geschiedenis van
Jonas een zinspeling op de opstanding zagen en 200 wordt ons
de diepe zin duidelijk van den naakten man, die uit den muil
van het zeemonster te voorschijn komt. Maur nict weten we,
wat
de Grieken dachten, twen ze lason in precies dezelfde situatio
voorstelden. 4) Wie weet, welke diepzinnige verklaring de Orphisi
hebben gegeven van. dit afdalen in den buik vivi een. manster,
Wiarvan de geschreven: mythologie — ook de ,Orphischa”
Argonautica — zwijgt?
Men vergete niet, dal we tegenover de geheime leer der Orphiei.
ungevser even hulpeloos staan, als we zouden zijn tegenover
het Christendam, als we het dogma daarvam moesten recon
strueeren uit wat heidensche schrijvers erover melden. en
uit een acht en tachtig gebeden in litanieworm, zooals de
Wie zou in den dans der Bacchanten (tig. 7) met het hoofd.
Orphische hymnen zijn.
van. Orpheus een verborgen. zin geraden hebben, wanneer we
uiet toevallig ingelicht waren. over de beteekenis van. zijn.
vermoording als de zeeudood, dis Zeus’ toorn over de vermoording
van Zagreus door de Titanen deed bedaren? In te veel van de:
anders scènes ontgaat ons het verhalend element en kuunen.
we slechts gissen. naar de algemeen religieuse beteekenis, die
natuurlijk steeds op hetzelfde neerkomt: strijd voor het gaede
zoolang de ziel op aarde gekerkerd is, bevrijdiag of bestrafting
in een hiernamaals. Alleen wanneer het symbool. zich in niet:
verhalenden verm kleedt, kunnen we de beteekenis geheel meevoelen. Zoo is het bij voorbeeld.duidelijk, dat de op een. mengvat
toespringende sphinxen de naar het goddelijke dorstende, naar
de „eeuwige roes” strevende zielen zijn.
3)
Het gewelf van het middenschip.
Zooals we reeds zeiden is do versiering van de zoldering vaa
het middeuschij (fig. 8) veel beter verzorgd en over het algemeen
1) Zie over de ,,mysticn vannus Iacchi”’ — het syinbool van vruchtbaarheid en mystiek huwolijk (aory. I 166, J. E. Harrwon in Journal
of hellento studies KARIN (1008) 423 vlgg. en Prolegomena, bb. 519, 527, 58b-—
A, Rizzo, Dionysos Myates t. a. p., bl. 80.
2) Op een Attische vaas uit Cacre, nu in het Vaticaan. Zie Roscher's
Myth,
Lesion 8. v., afb, op: kol. 85-84.
3) Over de symbolische beteekenis van: de Sphinx zie men G.
Nicole: in
Haremberg et Saglio, Dictionn, d. Ant. a. v.
Pagina 16
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)hier
ook bewaurd dan die der zijbeuken. De decoratie vormt
geplaatst
een kunsten
cen frasi gegroepeerd gebeel, b kbaur door
:
gedacht en uitgevoerd, Toch merke meu op, ul --
zondering van het centrale — geen enkel relief zoo
gezien kan
is, dat het in de richting van ingang naar apsis
zijbeuken
naar de
worden. De onderkunt der groepen is steeds
voor
gericht. Dit doet ons veronderstellen, dat de decoratie niet de
als
een gewelf gedacht is, maar beschouwd moet worden
in de
sanenvoeging van twee wanden. Hetzelfde ziet men
ook
gewelfstues van de Farnesina. Die gewelven heeft men dan
elke helft tegen
in het Thermenmuscum in tweeën gedeeld en
toeschijnt, dat
een wand gezet. Wel cen sterk bewijs, muur ous
e mystie
na, dat dus de in beide op den voorgrond tredend
als de
de conceptie der reliefs ouder is dan zoowel onze basilica
k
Farnesi
d had in
haar „beeldengulerjj” al vóór Christus’geboorte voltooi
nland
een tand, waar gewelf bouw niet of zelden voork warn: Grieke
tafereel gedacht, dat door vier symmetrische peinzende figuur
wel het midden.
of Egypte. Als zolderversiering is daarentegen
snellende Eroten beide in de richting naar de apsis
toe gezien
ragend vo
omringd is en wiwwvan de voor en achter fakkeld
zelfstandige
moeten worden. Een tweede bewijs van het niet
kleine taferceltjes
althans van een deel der decoratie geeft ecu der
terugvinden;
saas pygmaeën staan en We die vok hier weer
, die
langs den rand van het gewelf, eeu goocheluarsvertooning
oudere
vrij wel precies eender voorkomt op een waarschijnlijk
op diezelfde
bronzen vaas in het Louvre.) Merkwaardig is het, dat
parodie
reeds op te merken, dat de pygmaeen-scenes
, waterde wanstaltige dwergen verrichten allerlei menschenwerk
e symboliek
dragen e, d. Een met leven en dood in verband staand
als bij de
mogen we ook daarin ve onderstellen. Evenmin
Doria Pam:
pygmueëntafereeltjes in het columbarium der Villa
t worden.
phili, kan hier aan genrevoorstellingen gedaca
elijke ijdelheid
Waarschijnlijk was het de bedoeling, de bespott
*)
Sammler
der gewone dagelijksche occupaties aan te geven.
ën
meende
arium door
zijn van de op de wanden vat hetzelfde columb
van het
menschen verrichte handelingen. Ouk aan het gewelf
ltjes gemiddenschip der basilica zien we naast de dwergentaferee
t van
woon menschelijke: wedstrijden in het werpen onder toezich
DO
ot. a. p.
vigg. en Roscher'a
Zie i. Samter in Min. Mitth. VILE (1899), bl. 101
vie” vullen met
een paodagoog, schermen e. d. Deze „tranches de
Myth. Lex. a. v. Pyganueen, kol. 3313.
Pagina 17
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)Ce ‘nn814)
Pagina 18
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)Geen tekst op deze pagina.
Pagina 19
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)hun kleine figaurtjes de uitorste randen en maken den indruk
in algemeenen opzet ian Kunstwerken uit den besten tjd
ontleend te zijn, maar „hellenistisch” vertolkt, zooals bijvoorweerszijden van de middellijn van het
beeld uit de te volle Hchaumsvormen blijkt,
Veel
‘histutiger en vrouter, ian middeleeuwsebe prünitieven
herinnerend, staan ter
gewelf aan den kant van de apsis als pendanten een ziel geleid
door Hermes en de verwerving van het gulden vlies door Jason
Hermes speelde vooral in het Pythagoreisme een belangrijke
dig. 9 en 10).
rol als rasdas vor guy!) Hij draagt hier niet den gewonen
uluceüs, maar naar het schijnt cen papaverstenge! mel slaapbol.
reeds op,
Van een in de klassieke Kunst zeldzame innigheid is de gelaatsuitdrukking der door den god geleide ziel,
Naar aanleiding van Juson merkten we Zoorvon
dat hij in de Orphische theologie zeker een voorname rol gespeeld
moet hebben, daar de geschiedenis der Argonauten geheel in
Orphischen zin omgewerkt is. Toeh kunnen we geen enkel
bewijs vinden, dat aan de door dezen held in Colehis verrichte
otovbertes Getdor®) ven bizondere beteekenis werd gegeven als
van een martelaarsleven. Op zich zelf staande en dus voot ons
onbegrijpelijk is de uitspraak van Pindarus: 4) „Phrixus immers
verzoekt ons naar de paleiszulen van Aeëtes te gaan en zijn
ziel over te brengen”. Een opmerkelijke bizonderheid in dit
tafereel is, dat Jason om het Gulden Vlies te bereiken op een tafel
geklommen is. Dit in tegeustelling met de vroeger vermelde
„eonmmunietafels” zeer eenvoudig weergegeven meubel zul hier
wel meer magische dun religieuse beteekenis gehad hebben.
Ain een verband met de agape der ingewijden is zeer zeker
niet te denken; daarvoor verricht het voorwerp
een veel te nederigen dienst, veeleer aan een toovertafel als bijvoorbeeld vourkomt in een Leidschen tooverpapyrus 4. Onder — of achter —
de tafel, waurop Jason geklommen is, staat nog cen kleinere
dito, waarop zich blijkbaar een kistje bevindt.
Tegenuver de hier beschreven tafereelen — aan den kant
Hesiod.
Diogen. Laërt. VIII 131,
van den toegang — zijn weer twee met elkaar correspondeerende vakken, beide in veel meer bewogen stijl uitgevoerd dan
1)
Sheoy, 994
2)
3) Pindar. Pyth, IV 159; vgl, den scholiaat.
2 Door Dielcrich uilgegeven in de Jakrb. f, klass. Phill. Supplementb.
AVI, Dl. 795-890, vn, 26 vlgg.
Pagina 20
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)de zoo juist beschrevene, Van het eene is de beteekenis duidelijk.
Het stelt de bevrijding van Hesione door Herakles voor. Het
zal wel nutteloos zijn in den vuden mythus te zoeken naar
den mystieken zin van de voorstelling, mau: ze moet in den
Romeinschen keizertijd. dikwijls. met doodsideeën in verband
gebracht zijn zooals vooral blijkt uit eenige in de Rijnstueek
gevonden beeldgroepen, waarvan ook vene zich in. het Stedelijk
Museum te Nijmegen bevindt, waar ze ala Andromedu beschouwd
werd, 1) en een gemme*), waar aun de voeten van het meisje
een kistje staat, dat zeker wel religieuse: beteekenis hebben zal.
Tegenover deze bevrijding van Ifesione (zie fig. 8), die we dus
zullen mogen vertolken als een troost voor de levenden, dat
ze in: oogenblikken van nood en gevaar zullen mogen rekenen
op den bijstand van een machtigen heiland, staat een ons duistere
houding, het hoofd gesteund ep de rechterhand, terwijl de linker
vaorstelling (fig. 11). Op een rechthoekig behouwen steen zit
gen tot op het midden naakte vrouwegestalte in peinzende
cen goden- of godinnenbeeld: vasthoudt, dat herinnert aan de
traditioneele voorstelling van het Palladium. Tegenover haar staat
een munnengestalte, geheel naakt, het kleed — een: dierenhuid? —
—
over de linkerdij; het linkerbeen steunt op een vierkant blek.
Over dergelijke: zino zonder eenig ornament spreekt uitvoerig
Macchioro 3) die zeer waarschijnlijk maakt, dai ze altijd daar
gebruikt worden, Waar handelingen uit mysteriën worden voorgesteld en ze in verband brengt met de dyádaotos zérva, Wittop
dyédanros
„froa,
Photius,
Zie Drexler in Roscher’s Myth. Lexikon, m vw. Mesions; kol. BE 2504,
Demeter zich neerzette, toen ze haar dochter Persephone riep,
die door Hades geroofd was. * Wellicht duiden oek hier de
rien aan, dat een toonecl uit den: cyclus der mysteriën. weergegeven is. Uit de schilden: en; de met vittae samengebonden
guirlandes links boven mag men ons inziens opmaken, dat het
tafereel. vóór of in een tempel speelt.
Nu: blijven ons nog twee reliefs te bespreken over, de eenige,
die in-de middeRijn. van-het hoofdschipliggen en dus vermoedelijk
een belangrijke beteekenis hadden. Laten we beginnen met het
middenstuk, dat belangrijk grootere proporties heeft dan een der
andere: tafereclen aan de gewelven (zie fig. 8). De voorstelling
is duidelijk, ofschoon een: groot deel van: het stuc afgevallen is.
1)
2 0. a. afgebeeld bij Roscher t. a. p.
3) Macchioro, Zuyreus, bl, 28-42.
4) Lie a. o. Apolod: I 30; Hesyehiug a. v.
Bibl. (ed. Bekker), bl. 310 L. 20.
(Figuur 11)
Pagina 21
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)We zien Ganymedes ten hemel gedragen door sen gevleugelden
genius of god. Van dezen zijn slechts de vleugels, de beenen
‘an de Ganymedes’ middel omspannende linkerarm bewaard,
Ganymedes zelf, wiens gelaat en linkerarm voor een groo deel
verdwenen zijn, draagt in de rechterhand een schenkkan, in de
linker een brandenden fakkel. Het is bekend, dat in den keizertijd 4), die de apotheose niet alleen van keizers, maar ook van
gewone stervalingen meer en meor op den voorgrond stelde, *)
Gunyinades’ roof door Zeus'adolaur of Zoouls hier — volguns do
oudste traditie 4) — door eun god * het syinbuol werd van de
ontvoering der ziel naar hoogere gewesten. Of Oumont 5%) gelijk
heeft met de schenkkan, die Ganymedes in de rechterhand houdt,
eu den fakkel in verbund te brengen met het feit, dat do
astronomen €) in bem den Waterman zagen, willen we in het
midden laten. Wellicht is de verklaring veel eenvoudiger.
@wer
den fakkel als symbool van de ziel spraken we reeds boven,
de schenkkan kan, dunkt ons, zeel wel beschouwd worden.als
een zinnebeeld van Dionysische bezieling of iuwijding in
mysteriën, inwijding, die later zaligheid brengen zal. Hij komt
tallooze malen op grafaltaren voor. Deze antvoering van:Ganyinedes ademt verrukking en zaligheid. Men knijgt-den
onaf wijsbaren indruk van een hemelvaart, passend zoowel bij de
verrukking van de aan beide zijden van dit hoofdiufereel dansende
Eroten als bij den plechtigen ernst van de peinzende gestalten op
de vier hoaken ervan. De eersten zijn, zooals we al zagen, de
begeleiders der ziel ap haar reis ten hooge, de tweeden stellen
misschien de droeve achterblijwenden voor.
Heel anders is de indruk, gewekt door het twaede middenrelief
(fig. 12), dat volkoren ongedeerd bewaard gebleven is. 7) Ken jange
man rent snel voort met in de armen, waaronder zijn mantel
wappert, een slechts met cen chitoon bekleede vrouwogestalte,
die door het wild strekken van armen en beenen en het achterover
) Ook ul vroeger. Zoo spreekt Cicero in het twaalfde boek van zijn brieven aun Atticus van cen apobheose van zijn dochter "Tullia,
do Man zie 0, u. AlUnann, Rom. Grubaltäre, bl, 276 vigg., Mrs. Arthur
Strong in fonian Studien 1 (1911), bl. 24 vigg., en in Apotheosia and after life,
paaslın.
8 YO 200, vei. Qumont in Kev. arch. tb. a. p., bl. ab.
4) Het schijnt ons, dat de een halve buog variuende kleodplooi boven het
beofd van den ,,ganius” zijn hemelachen oorsprong aangeeft. Zie b.v. den
Coslus op het haruas van het Augustus-standbeeld uit Primaposta.
6b) Cumond in Rev. arch. ta. p.
6) Pseudo-Eratosth., Autaster. 26.
7) Een derde in dezelfde lijn gelegen ie daaventagen gebeel verdwenen.
Pagina 22
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)werpen van het hoofd duidelijk haar onwil toont om meegevoerd
te worden. Men denkt onmiddellijk aan den roof der Leukippiden.
De overeenkomst is treffend met een sarkophaag, in 1885 in de
onderaardsche begraafplaats der Licinii Crassi aan de Via Salaria
ontdekt en nu te Baltimore, !) die in het palazzo Giustiniani ®),
lokken, de pileus, de om de schouders hangende mantel, het
een in het Vatikaan 3) en een te Florence. 4) Ook daar de rijke
Het zoo veelvuldig voorkomen van deze voorstelling bewijst,
snelle loopen en het wanhopig opsteken der armen.
dat ze een symbolische beteekenis had. Deze kan niet anders
beurtelings
in
hemel eu
onderwereld
verblijvende
dan goed en mooi geweest zijn; wie koopt zich een doodkist.
waarop cen hellevaart voorspeld wordt? Km toeh is er in de
„schaking der Leukippide” van onze basilica iets beangstigends,
alsof de
Dioskure een Lucifer is, die de zielen wegsleept naar het duistere
rijk van Pluto. Moeten we ons bij het idee van een hemelvaart,
hoe strijdig dan ook met de ziel van dit relief, neerleggen en in
de wanhoopsgebaren van het geschaakte meisje niets anders
zien dan de smart van het te vroeg van de aarde scheiden, of
mogen we aan een bestraffing denken en op Marsyas en de
Danaiden, die in een der zijschepen voorkomen, wijzen? 5)
Dateering.
zeer verschillend. och moet de geheele decoratie binnen korten
Zooals we boven reeds opmerkten vertoont de stijl van de
stucreliefs zeer groote ongelijkheden. De techniek is eveneens
omdat ze ons nog weer eens waarschuwt tegen de
tijd voltooid geworden zijn. Fornari ®) merkte naar aanleiding
hiervan zeer terecht op, dat „deze ongelijkheid ons tot leering
kan zijn,
Robert III 2, 58, 184, Reinach Reliefs III 256.
Reinach, Reliefs IN 379.
Robert III 2, 57, 189, Reinach, Reliefs INI 33.
2)
1) Mélanges de Rome 1885, pl. 12, Robert, Sarkoph. III 2, 58, 162, Reinach,
Keliefs 111 8-11 197.
Cumont, in de Rasacyna d'arte antica e
moderna VIII (1921) 2, bl. 28,
6)
#)
4)
noot &, waar hij Platon Gorg. 499 A, Lueretius TIT 985 vlgg., 1008 vlgg., Rohde
Psyche 1, bl. 826 vlgg. en Norden, In Varronia saturas 1891, bl. 333 vlgg. nunhault, verklaart de laatstgenoenulen als „zielen begeerig naar wellust, onvervasen (Zio J. E,
Harrison,
Prolrgomene,
bl. 613-633) de ,,Danaiden” (vóór
audelijk in genot’. Ons lijkt het waarschijnlijker, dat hier, zooals vaak op
[Plato]'s Aæiochos [b.v. bij Xenoph. veron. VII 40, Pausan, X 31, 9-11} zijn
het eenvoudig „de waterscheppers” en op vazen komen dauronder ook mannen
voor, z. Arch. Zig. 1871 pl. 31 — lekythos to Palermo —) de ,,niet-ingewijlen”
zijn (Vgl. Plato Gory. 493, Pausan. Ll. en Harrison t. a. p.).
6 Fornari, Notiz. degli scavi 1918, bl. 44—45.
| Tanzgmı va
(Figuur 12.)
Pagina 23
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)gebruikelijke methode, een monument aan een bepaalde periode
toe te schrijven -op grond van een onderzoek alleen naar de
meer of mindere fijnheid van uitvoering. Als we hier uitsluitend
dit criterium) wilden toepassen zouden we san verschillende
met de stucs uit de Farnesina, die algemeen aan Augusteischen
perioden verschillende gedeelten van een decoratie moeten
toeschrijven, die zeer zeker uit één tijd stammen.” Ook ten
opzichte van den stijl beperkt de eerste uitgever zich tot oen
algemeene begrenzing. Hem schijnt terecht de overeenkomst
tijd toegeschreven worden, grooter dan die met de zolderingen
van de graven aan de Via Latina, dio waarschijnlijk uit den
Antonijnentijd zijn. We merkten boven reeds op, dat ook het
bevoorrechten van oudere motieven in de Farnesina een
analogon heeft. Wel is waar minder in de stucs, dan in de veranderingen — ook in het Museo delle Terme bewaard — waar
men herhaaldelijk op overigens in den stijl van dien tijd gedecoreerde wanden als middenstuk voorstellingen vindt, die
in stijl en techniek zoo nauwkeurig mogelijk Attische lekythoi
navolgen, 1)
uitgegraven werd. De muurkern bestaat uit het gewone beton
Evenmin als de wandversiering geeft de constructie der basilica
nauwkeurige aanduiding van den tijd, waarin ze in het terrein
Laten
we dus voorzichtig zijn en zeggen, dat de wijze van
van den vroegen keizertijd; in de zichtbare gedeelten bevinden
zich geen stukken marmer of baksteen, wat op de eerste helft
van de eerste eeuw na Christus wijst. Een eenigszins vastere
dateering scheen Fornari 9 een stukje „reticulaat”-muur van
zeer goeden bouw, dat E. Gatti aantrof boven den lichtkoker.
Dit reticulaat wordt algemeen aan de cerste eeuw na Christus
toegeschreven; alleen buiten Rome zou men nog later — tot in
den tijd van Hadrianus — op deze manier muren gebouwd
hebben. Nu zijn eehter op het „gravenveld bij San Paolo fuori”
in Rome zelf ook latere voorbeelden gevonden. 3)
constructie de eerste eeuw na Christus als tijd van ontstaan
niet uitsluit.
1) Het verheugde ons Dr. Bendinelli, cen der toekomstige uitgevers der
basilica, op zijn lezing in de Accademia Pontificia (21 April 1921) met rijken
Overvloed van vergelijkingen te hooren betoogen, dat ook hij de stucs in de
eerste eeuw na Christus dateert.
2) Not. se. t. a. p., bl. 45-46.
3) “ie Notiz degli scavi 1919, bl. 318 (Lugli).
Pagina 24
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)Bouwheer.
ze in verband brengt
met cen, losse notitie van Suet
onius!) over keizer Claudius:
belangrijker achtergrond, wanneer
men
Fornari 1} opperde omtrent den bouwheer een zeer vernuftige
suppositie, die onzes inziens zeer de aandacht werdient. Hij
maakte er namelijk opmerkzuiun op, dat circa tweehanderd meter
van de baailica grafschriften van slaven an lijfeigenen van de
gens Statilia gevonden zijn. 9 Onder de Statilii waren aanhangers
van een
miysterièngeloof.
Dit
bewijsen
een mooie
urn
van
Grieksch marmer — nu in het Museo delle Terme 3} — wanrop
wich ven relief bevindt, dat zeker op de Bleusinische mysterién
betrekking heeft, 4) en het ongewone cognomen Mystes van sen
der vrijgelatenen. 6) Dat er tusschen de basilica en de begruafplaats eeu waterleiding liep, acht lornari 9) volstrekt niet van
zooveel gewicht als Lanciani. 7)
Veronderstelt men dus, zegt Fornari, dat we hier met een
basilica der Statilii te doen heeft dan kamt spontaan de herinnering op aan den dood (in 53 n, Ohr.) van den oud-consul
T. Statilius Taurus. ‘Tacitus 4 schrijft daarover: „At Claudius
sevissima queeque promere adigebatur ciusdem Agrippina
artibus, que Statilium Taurum opibus illustrem hortis eius
inhians pervertit accusante Tarquitio Prisco. Legatus is Tauri
Africam imperio preconsulari regentis, postquam reveneraat,
‚pauca repetundarum crimina, ceterum magicas superstitiones
obiectabat. Nec ille diutius falsum accusatorem indignas sordes
perpessus vim vile sue attulit ante sententiam senatus.
Parquitius tamen curia exactus est quod patres odio delatoris
contra ambitum Agrippinæ pervicere.” Fornari herinnert er zeer
terecht nau, dat onder magicue suparstitiones ook mysterie-religies
verstaan
werden. ®)
De
veronderstelling van
den
te
vroeg
gestorvon geleerde solijnt ans reeds zoo zeer waarschijnlijk,
vooral omdat ze de ongereptheid der teere versieringen, waarvan
we boven spraken, verklaart, maar krijgt onzes inziens een nog
1) Matiz. ac, t. a. p., bl. ID.
2) Het zijn ruim 400 stuks: €, 4. L. VI 6219-4640); men vgl. o. a. Jordan—
Hülsen Topeyruphie Roms 1 3, bl. 363, noot 52, Richter, Topographie, bl. 852.
3) Parabeni, Catalogo 3 (1920) n°. 40 (invent, 1302).
4)
Zie
o. a.
Helbig—Amelung,
Führer
durch
die
Museen
Roma?
LI,
n°. 1325, bl. 114 vlgg. en G. E. Rizzo, II sarcofugo di Torre nova, in Rom.
Mitt. 1010, 106, 131 vigg., plaat VII (de eerste gaede repruductie))..
6) €. I. L. VI 4692.
6) Notiz. sc. t. a, p., dl. dl, nuot 4.
7) Lanciani Boll, com, Rom, XLVI (1918, gepubliceerd in 1920), bl. 69—d4.
8) Tucus dun, X11 59.
9) Hij citeert daarvoor Humbert in Daremberg et Saglio, Diet. d. antiy.
8. v. magia, 111 2, bl. 1497.
pSacra Hleusinia etiam transferre
ex Attica Rominn conatus
Di 2 " ed et haec et cetera totu
m@ue advo ex Magna parte
hdmnitistravite tale
nuo man uxorum libertorumqu
e arbitrio
:
Ustravit, talis
ubique plerumguc
ale
Se eum i
gärediret illis aut Wert Men
zou en ed ei
cent aut
it
Claudius — ni de blijkbaur tot het
tendens van Caligula®) echt n
d
sca — getracht hooft de utystiek
Keyptise
‚ur
PS DNA
en luve
ende
nr
nswijding, die zijn
ai foe Vurig begeerde, le zoek
en in het Orphistne, waarvin
„ieusinische mysteriën toen nog
slechts ven der uitingen
waren, en dus Statilius Taurus geau
toriseer
d heeft tot het
zoden, van de basilica; wat zeer
zoker niet in het geheim
an
ge kon. Welke overwegingen Agrippin
a er tae gebracht
bel ven en a pinen pn Otpheus-gods
dionst te bestrijden, kunnen
we
niet
!)
Suetonius, Claud. e. 25, bl: 161
reg. 14 en 18-21 (ed. Roth.)
rik kels
guan.
el
is het bekend, dat de
diensten van Cybele 4)
n Isis 4) onder Ne
— Clau
rdius
o stierf kort
—
sterk pesunstigd Werden. Het ligt voor ha Statifius Taurus
de hand in de protoctie
voor nett speciaal de vrouwen beko
rende religies den invloed
an Nero“ hueder te zien. De Orphici van
magie te betichten
Luoet niet moeilijk gevallen zijn:
ritueele moord en andere
gruwelen werden hun al door Cicero 4)
voorgeworpen, een rechts.
grond vond men in het bekende Senatusconsu
ltum de Bacchaeren dat 400 talrijke bijeenkomste
n als die, waarop de basilica
gregend Was, absoluut verbood. Zaow
den aangeklaagde, die uls Orphicus denel het levenseinde van
dood als een bevrijding
moest voelen, als de verontwaardiging
der senatoren, die zeker
de. joortretfelijko levensleer kenden,
is begrijpelijk. ’
bove is Ker de Plaats eraan te heri
nneren, hoe nauw, in elk
val it
ein-Azië, de keizervereering verbonde
n was met
piva erlén-godndiensten en wel speciaal
in de eerste helft van
| oare eeuw ua Christus. Op munt
en wordt aan Livia en
de oudere Agrippina het specinal
-Demeter ils inysteriegodin
9 1918,
H. M.
R.
daan
bl. ro
Speld, Ontwikkeling van het Heidendom in Home, Rotter-
? Men zie de onverdachte Ketui
genis van Bencca in de Apokolok
ynthosis.
+ Zio F. Cumont, Religi
ir
x
.
van Ushrich?, 1914, bl. wane ori ntales dans Cempire romain (Duitsche vert,
5) Leopold, Ontwikkeling enz,
bl. Mt.
6) Cicero, In Vatin, VI, 14,
Pagina 25
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)toekomende epitheton Kapzopógs
toegekend }).
De laatstgenoemde heet op inscripties ded Zeßaord Aiolis Kagnopdos *)
en werd in Mitylene, waar ze in 18 na Christus een dochter
Julia ter wereld bracht4), van 20 tot 31 met haar echtgenoot
Germanicus vereerd. Deze heotte er echt Orphisch veós Beds,
dat is Zagreus!4. De Zeffaorol werden in het algemeen zeer
dan
nauw aan de mysteriën verbonden 6). Het verwondert ons
ook niet, dat de Duitsche archavologen in het Demeter-heiligdom
te Pergamon, dat tusschen 269 en 268 vóór Christus gebouwd
werd’) en
tot in
de
tweede
Vergilius — tot Claudius de keizerlijke familie zoo na aan
het hart lagen, omstreeks het jaar 53 in ongenade vielen
en verst weer onder Fadrianus — evenals Claudius cen gruot
bewonderaar der Grieken — op den voorgrond durfden treden
zonder echter ovit hun bevoorrechte positie te kunnen heroveren
Wins dus het stichten en plotseling sluiten der onderaurdsche
basilica een episode van den strijd om de hofgunst om de
macht, tusschen verschillende godsdiensten op Rome's grond 12,
‘
helft van de tweede eeuw nu
Christus in gebruik bleef, standbeelden vonden van leden der
keizerlijke familie. Wij moeten hierbij opmerkziuun maken
op een naar onze meening in verband met wat wij vermoed
hebben omtrent den bouw en het plotseling verlaten van Onze
basilica zeer belangrijk feit. Wij vernemen namelijk, dat in
Pergamon standbeelden werden gevonden van Augustus, de
oudere Agrippina en een jeugdig Claudiör?), maar dat van de
verdere keizers tot aan Hadrianus nòch portretten noch inscripties
de
voor den dag kwamen. Wanneer men dat combineert met
omstandigheid. dat de zoóvaos van het Demeter-heiligdom herbouwd werd door een zekeren C. Claudius Silianus in de tweede
helft der tweede eeuw na Christus®), lijkt het ons niet gewaagd
te vermoeden, dat deze tempel, waaraan de Orphische mysteriën
zeer nauw verbonden waren®), van ongeveer 50 na Christus af
tot aan den tijd van Hadrianus zich niet in de gunst van het°
keizerlijk hof heeft mogen verheugen en dus in verval geraken
kon. Dit moet ons inziens ermee samenhangen, dat toen een
andere, waarschijnlijk de Egyptische, godsdienst het hof nader
stond 19). Hoe dit zij, de combinatie van de plaats uit Suetonius,
de geschiedenis van het Demeter-heiligdom te Pergamon en
van onze „Orphische” basilica te Rome wijst naar onze meening
duidelijk aan, dat de Grieksche mysteriën, die in de eerste helft
der eerste eeuw, van Augustus — men denke slechts aan
1) H. Hepding in Athen. Mitt. XXXV (1910), bl. 443.
2) Hepding t. a. p.
3) Tacitus, Ann, II 54.
1 1036.
4) Zie Abel, Urphica fr. 191, Tümpel in Pauly Wissowu, Realene,
6) Hepding t. a. p.
6) Hepding t. a. p. bl. 437.
7) Hepding noemt op bl. 500—501 dezen Tiberius.
6) Hepding t. a. p., bl. 442.
® Zie O. Kern, Dus Demeterheiligtum von Pergamon und die Orphischen
Hymnen, in Hermes 46 (1911), bi. 431-436.
10)
Vgl. Leopold, Ontwikkeling, bl. 111—114.
IW
MAS
DE PRE LINGEN
WET
MEDEA ADS
NA L'EST QA
VTE
JAN
SBC
AA ET y Gey,
omg
annen nn de
1) Mrs. Strong wees ons, in hartelijke belangstelling voor ons werk, op
ae van wore Oh, Hülsen (Die Ausgrubungen in hom im 20. Jahr.
3 (29. 1 ’21), bl. 48-52. De beroeuulo kenner der Romeijusche
topografi
poured e ziet in de basilica geen
pe monumentaal graf,J noch
ú
ienstig
er enna
cal maar veelcer een onderaardsche eetzaal ken ant
le e
ortici van villa’s. De Sappho” in de apsis zie bev
de tal
wee tochiache voorstellingen zouden op I Verherrlichang oven), en
We ie ing Hebben. Lit al wat hierboven geschreven is blijkt duidelijk,
pvatting van den eminenten geleerde niet instemmen