Volledige tekst tonen7 pagina's
Pagina 1
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)De ee. van Eippocrates en zijn
“onderrveschovenkind', onze beroepseed
wefderlands Tijdschri-t voor Geneeskunde,
. 129 — 50 , 1985, p. 1458 — 1443
sk Ce
LANDS Gaai, e A
\a 8 s
D
Ai nde bom G Á
ledeng
vim Hjmdelss, zjn,
eN
n Nodenlomds FyAschu; fv (emarrdeeesde
J god 47
1495)
GF
Ee dl
endPi:
be Pfrapprean 5
Pagina 2
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)GESCHIEDENIS DER GENEESKUNDE
De eed van Hippocrates en zijn „ondergeschoven kind”, onze beroepseed
G.A. LINDEBOOM
v.Chr.), de pater divinus (goddelijke vader) der
geneeskunde, is een eerbiedwaardig document, niet
alleen door zijn ouderdom, maar niet minder door
zijn plechtig karakter en zijn inhoud (figuur). Weliswaar is ons ook een veel minder bekende oudIndische eed overgeleverd, die nog uitgebreider is en
door de aankomende Hindoese geneeskundigen voor
het heilige vuur van Brahma moest worden gezworen,! maar het blijft toch een wonder dat bij de vroege
opkomst der westerse geneeskunde de zedelijke eisen
van de uitoefening der geneeskunst reeds op schier
onnavolgbare wijze zijn verwoord. Daardoor heeft de
eed gedurende twee en een half millennium een
onbetwist gezag genoten en de officiële medische
ethiek gestalte gegeven en beheerst. Het is dan ook
meling. Het staat lang niet vast, dat hij is opgesteld
door Hippocrates, die als eerste de priestergeneeskunde zijner dagen trachtte te vervangen door een
geneeskunde op wetenschappelijke basis, en daarom
vroeger dikwijls genoemd werd de goddelijke vader
der geneeskunde (pater divinus medicinae). Wel is het
aannemelijk, dat Hippocrates de aan hem toegeschreven eed zelf gezworen heeft (zie verder). In zoverre is
het geschiedkundig aanvaardbaar, dat zijn naam met
die oud-Griekse eed verbonden blijft.
Met name door Edelstein is met klem van argumenten betoogd, dat de eed is voortgekomen uit de
kringen van de volgelingen en uit de leer van de
Griekse wijsgeer Pythagoras, die vóór Hippocrates
geleefd heeft.” Over het leven van Pythagoras (ca.
580-500 v. Chr.) is weinig met zekerheid bekend. Hij
niet verwonderlijk dat in onze tijd, waarin de medizelf heeft, uit vrees voor een tiran, zijn vaderland
sche ethiek in sterke beweging is geraakt en daardoor
in een breed veld van belangstelling is komen te staan,
ook de eed van Hippocrates telkens weer ter sprake
wordt gebracht.
Daarbij blijkt echter herhaaldelijk dat er daaromtrent vele hardnekkige misvattingen bestaan, zowel
buiten als binnen medische kringen. Buiten die kringen blijkt men dikwijls van mening te zijn, dat de
artsen hem nog steeds moeten zweren bij hun intrede
in het beroep, en binnen die kringen komt het soms
moeten ontvluchten om zich (ca. 530) in Zuid-Italië te
Croton te vestigen. Hier stichtte hij een soort orde,
waarvan de leden zich in onderlinge trouw verbonden
tot een min of meer ascetische leefwijze uit zedelijkreligieuze beginselen (onthouding van het eten van
vlees en vis als voeding, veel gymnastiek) en geheimhouding. Die bond, levend uit een diepe verering voor
hun meester, werd spoedig als een sekte beschouwd
en heeft ook weer aan vervolgingen blootgestaan.
Pythagoras was niet alleen een groot wijsgeer, maar
ook wiskundige (waaraan de naar hem genoemde
De dusgenaamde eed van Hippocrates (460-377
voor dat een arts denkt hem gezworen te hebben,
terwijl nog veelvuldiger het misverstand wordt aangetroffen dat onze huidige beroepseed min of meer in
rechte lijn en getrouw van de eed van Hippocrates is
afgeleid.
Het loont dan ook de moeite de beide eden aan een
vergelijking te onderwerpen en bij beide nader stil te
staan.
De eed van Hippocrates
Het is historisch eigenlijk zuiverder te spreken van
de Hippocratische eed dan van de eed van Hippocrates. Hij dankt zijn naam aan het feit dat hij van
oudsher is opgenomen in het zg. Corpus hippocraticum, een verzameling van Griekse geschriften die
door een Alexandrijnse bibliothecaris bij elkaar zijn
geplaatst als afkomstig van Hippocrates en tijdgenoten (en ook wel van later). Behalve de boeken die
zeker van de hand van Hippocrates zijn, zijn er
daaronder verscheidene waarvan dat niet geldt of
onzeker is. Dit laatste is nu ook het geval met de eed
van Hippocrates, het kleinste geschrift uit de verzaProf.dr. G.A. Lindeboom, Frans van Mierisstraat 41, 1071
RK Amsterdam.
1438
stelling uit de meetkunde herinnert). Medisch moeten
de Pythagoreeërs weinig aan het inwendig gebruik van
geneeskruiden hebben gehecht, maar deze wel bij
voorkeur gebruikt hebben voor de behandeling van
wonden.
Men is thans vrij algemeen van oordeel, dat de eed
van Hippocrates in de kringen der Pythagoreeêërs is
ontstaan in de vijfde eeuw voor Christus. Nittis meent
zelfs in dit verband het vermoeden te kunnen uiten,
dat dit omstreeks 421 zou zijn geschied en dat
Hippocrates, die vanwege een epidemie van „pest”
naar Athene geroepen en met grote eer ontvangen
was, tijdens zijn verblijf aldaar in de plaatselijke
broederschap van artsen is opgenomen, en bij die
gelegenheid de eed zou hebben gezworen. Dit blijft
uiteraard niet meer dan een interessante hypothese.
In elk geval heerst er geen twijfel over, dat de
Hippocratische eed, zoals uit de eerste passage duidelijk blijkt, in wezen moet worden beschouwd als een
corporatieve eed, gezworen bij de opneming in een
medische fraterniteit.
De bewering van Thijssen in zijn juridische dissertatie, dat hij het beste bewijs is van een vroege
staatsinmenging, mist voldoende grond. Het oude
Pagina 3
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)OPKOE.
TUS IURANDUM. _
“Ogvugt 'AzóAhava lyrpòv xad 'AckAyiòy
Per Apollinem medicum et Aesculapium, Hygieam et Panaceam iureiurando affirmo et Deos
Deasque omnes testor, me quantum viribus et
iudicio valuero quod nunc iuro et ex scripto
spondeo plane observaturum. Praeceptorem qui
dem, qui me hanc artem docuit, parentum inxalì *“Tyíeiay wal Tlavéreiavy Kal Geode adáv-
Tag TE ka) mácag, loropag moieÓmevog, èz1TeÂéa moifoerv Karà Òúvagiv val spiomw èrhv
pxov TÓvde val EuyypaPijy rúvde: * aldtoecÔat mèv Tòv dOÁEavrd pe rjv Téyuyy Taúryv
ioa yevérgot êuoïot vaì Bfov *woiwbceobar za)
xev KonlGovri merddooiw *sromfoecbar wal
yévos TÒ ËÉ *adroü * ddeAPeoïor Toy èminpiverw Äppeoi wal ddáEew rv Téyvnv raúryv,
dv xorlCwor wavÒdverw, Èvev uicboö wa} EuyYeaRijs mapayyeliyg Te waì dxpogorog wal
TG Aorrijs dzáoyg wabforog werddoorw * ror
goeobar vioio( re Eoïot Kad * Toïor Toü Ëuè
didáEavrog wal wabyraïo '"Euyyeypauuévorof Te za) dpriowévoiot vów byroxd, EAA
dË oddervl. Ararrhuaol Te Ypúoouar èzr” ùPe-
Acly “röv wagvóvrav narà Öóvagiv Kal xpioiv
ëuuv, êrì 'Ònhgor dè zal drin elpEo. Où
dow dè odde Pdppaxov odderì airybeig bavdoiov, oùde ÖPyygoouar EvulBouhiyy Tor
úyde: Öwofwg dè oùde yuvauxì mreooòv Pbópoy
dow. “Ayvóg de zal òoiws diaryphow Blov
Tòv êwòv zal TEKynv Tv èuúv. Où Teutw dë
oddë uv Mbivrag, ErVoophow dè Eoydruor
dyòpdor zpbrog riode. 'Es olxfag dè öróoag
äv Eolw êoeheóoopar èz° oPehein * Tv vatvóvrwv, Enxròg Èùv adang dditys Exouotye
xal Pops rjg Te AAG wal aPpodiotwv Epstar veneraturum, eique cum ad victum, tum
etiam ad usum necessaria, grato animo communicaturum et suppeditaturum. Eiusque posteros
apud me eodem loco, quo germanos fratres fore,
eosque, si hanc artem addiscere volent, absque
mercede et syngrapha edocturum. Praeceptionum quoque et auditionum totiusque reliquae
disciplinae cum meos et eius, qui me edocuit,
liberos, tum discipulos, qui medico iureiurando nomen fidemque dederint, participes facturum, aliorum praeterea neminem. Victus quoque
rationem, quantum facultate et iudicio consequi
potero, aegris utilem praescribam, eosque ab
omni noxia et iniuria vindicabo. Neque cuiusquam precibus adductus alicui medicamentum
lethale propinabo, neque huiusmodi rei auctor
ero. Neque simili ratione mulieri pessum subdititium ad foetum corrumpendum exhibebo; sed
castam et ab omni scelere puram tum vitam,
tum artem meam perpetuo praestabo. Neque
vero calculo laborantes secabo, sed magistris
“eius artis peritis id muneris concedam. In quamyuv êrí Te yuvainelov owudrov Kal * dydpely
cumque autem domum ingressus fuero, ad aegrotantium salutem ingrediar, omnem iniuriae
êheubépuv Te wal doóhwv. “Ad Ev èv bepainferendae et corruptelae suspicionem procul fuzel h IÖo, f droóow, } zal Äveu * Geparytys
xarà Bfov *ròv dvbpórov, à uù Ypú more
giens, tum vel maxime rerum venerearum cu-
Enhahéeolar EE, oryúoomat, Äppyra pyeúwevog elvar Ta TOraöTa. “Opxov mèy oöv wor
zóvde êzirehéa szoikovr: vaì gm} Evyyéovri
eln êmaópaobar wal (Bíou waì Téxvys òokarowévo zapà mä *àvbphmoiot ê5 Tòv aleì ypóvov. mapafdafvovr: dè xal èmrioproüvr: TâvavTia * Toórwv.
piditatem erga mulieres iuxta ac viros, tum
ingenuos tum servos. Quae vero inter curandum
aut etiam medicinam minime faciens in communi hominum vita vel videro, vel audiero, quae
minime in vulgus efferri oporteat, ea arcana
esse ratus silebo. Hoc igitur iusiurandum si
religiose observavero ac minime irritum fecero,
mihi liceat cum summa apud omnes existimatione perpetuo vitam felicem degere et artis
uberrimum fructum percipere. Quodsi illud violavero et peieravero, contraria mihi contingant.
De Griekse en Latijnse tekst van de eed van Hippocrates (volgens F.Z. Ermerins, Hippocratis et aliorum medicorum
veterum reliquiae, dl 1. Traj. ad Rh., 1859, p. 3).
Pagina 4
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)Griekenland was een bond van stad-statelijke eenheden, wier gesloten geneeskundige broederschappen met hun geheime „wetten” onderling de eed
erkenden, zodat bekende overtreders daarvan ter
verantwoording konden worden geroepen en uitgesloten konden worden, met de sociale gevolgen
daarvan.* Overigens moet men zich ook weer niet
voorstellen dat in het oude Griekenland en Rome de
Hippocratische moraal angstvallig werd nageleefd.5
Over de inhoud van de Hippocratische eed kan het
beste in het kort een en ander worden gezegd aan de
hand van de tekst, welke hier in de vertaling van
Drossaart Lulofs wordt weergegeven:®
„(A) Ik zweer bij Apollo de genezer, bij Asklepios, bij
Hygieia, bij Panaceia, en alle goden en godinnen, hen tot
getuige makend, naar mijn vermogen en oordeel, deze eed,
deze verbintenis ten uitvoer te zullen brengen.
(B) Dat ik hem, die mij deze kunst leerde, gelijk zal
stellen met mijn ouders, have en goed met hem zal delen,
hem op zijn verlangen in zijn noden tegemoet zal komen,
zijn kinderen op één lijn zal stellen met mijn broeders, hun,
als zij dat onderricht wensen, deze kunst zal leren zonder
beloning en schuldbewijs; aan de voorschriften, voordrachten en al het overige onderricht zal laten deelnemen, mijn
zonen en die van mijn leermeester, benevens de leerlingen
die zich hebben aangesloten, en gehouden zijn aan de
medische wet. Niemand anders echter.
„ (C‚r) De geneeskundige behandeling zal ik aanwenden _
ten nutte der zieken naar mijn vermogen en oordeel; van
hen houden wat ten verderve of tot letsel kan zijn. (2) Ik zal
aan niemand, ook niet op zijn verzoek, enig dodelijk
geneesmiddel toedienen, noch mij lenen tot enig advies van
dien aard; evenmin zal een vrouw een pessarium voor
miskraam van mij bekomen. Want rein en vroom zal ik mijn
leven leiden en mijn kunst uitoefenen. (3) Ik zweer geen
steenlijders te zullen snijden, doch bij die operatie voor
deskundigen plaats te zullen ruimen.
(D‚1) Waar ik een woning binnentreed, zal ik dat doen in
het belang der zieken, mij onthouden van elke moedwillig
verkeerde handeling, in het bijzonder van zingenot met
vrouwen en mannen, hetzij vrijen of slaven. (2) Al, wat ik
tijdens de behandeling zal zien of horen, of ook buiten de
praktijk in het leven der mensen, voor zover dit nimmer mag
worden rondverteld, zal ik verzwijgen, ervan uitgaand dat
zulke dingen geheimen zijn.
(E) Moge het mij, indien ik deze eed in vervulling breng
en niet breek, wel gaan in leven en kunst en moge ik bij alle
mensen ten allen tijde eervol bekend staan: bij overtreding
echter en meineed moge het tegendeel mijn lot zijn.”
De eed wordt als het ware overkoepeld door het
religieuze begin en einde. Dat hij een geschreven stuk
was, blijkt voorts uit het Griekse woord voor „verbintenis” in de aanhef (A). Men ontkomt niet aan de indruk, dat hij, als een geheel bezien, gegrond is op eerbiediging van het menselijk leven van het begin tot het
einde (B,C). Bij geneeskundige behandeling (vocrschriften voor het dieet) bedenke men dat het begrip
dieet destijds in ruime zin werd genomen, en niet
alleen de voeding, maar de gehele leefwijze betrof
met rust en beweging, inspanning en ontspanning.
Bij de „dodelijke geneesmiddelen” moet worden
bedacht, dat de leer der vergiften, toen en nog veel
1440
later, gerekend werd tot een zeer belangrijk onderdeel der medische kennis. De vorsten verkeerden
enerzijds in een voortdurende vrees voor vergiftiging,
zoals bekend is van Mithridates, die zich langzaam aan
gif trachtte te gewennen (het zg. mithridatisme), maar
er anderzijds, zoals soms nog heden ten dage (de prik
met een paraplu), gebruik van maakte om tegenstanders uit de weg te ruimen. De juiste farmaceutische
aanwending van geneesmiddelen treedt in de eed niet
op de voorgrond, krijgt in elk geval geen nadruk.
Wellicht is een kleine toelichting van de term
pessarium (vertaling van het Griekse pesson) niet
overbodig, aangezien hierover wel vragen zijn gerezen. Hier is niet te denken aan een pessarium in de
tegenwoordig gebruikelijke betekenis van een mechanisch hulpmiddel tegen verzakking van de uterus,
maar aan het oudhollandse wiek, volgens Van Dale
een stuk, dotje pluksel, watje, of bundeltje vlas, zoals
de vlaswiek, nog in de Statenvertaling te vinden was
(Jesaja 42:3 en 43:17), dus als vlaspit. Het bijgevoegde voor miskraam is de vertaling van phthorion
(verderfbrengend), dus als abortivum hoog in de
vagina of in de baarmoedermond gebracht.
Bij het zich onthouden van operaties van steenlijders, moet gedacht worden aan blaasstenen, die niet
alleen in de oudheid, maar ook bij ons tot in de
zeventiende eeuw en later veel voorkwamen, en door
niet-geneeskundig onderlegden met min of meer
succes verwijderd werden.
De voorlaatste passage (D,2) over de geheimhouding van het in of buiten de praktijk ter kennis
gekomene, „voorzover dit nimmer mag worden rondverteld”, is het aanknopingspunt voor de vermeende
gelijkenis met onze beroepseed, en gaat in de richting
van het „secret absolu” der Fransen. Op de zwijgplicht komen we nog terug.
Uit de geschiedenis van de Hippocratische eed,
waarover Meibon (Meibomius) reeds in 1629 een dik
boek heeft geschreven,’ kunnen slechts enkele hoofdpunten worden aangestipt, met name de christianisering en de, veelal gedeeltelijke, overneming door de
universiteiten. Toen keizer Constantijn de Grote in
het jaar 330 onzer jaartelling, uit politieke overwegingen het christendom officieel als godsdienst erkende,
nog voor hij er zelf toe overging, namen de christenen
de ethiek van de Hippocratische eed over in een
gekerstende vorm en zonder het besloten, elitaire …
karakter der geheimhouding ervan. De oudst bekende christelijke versie (van Urbinas), nog in het Grieks,
bevindt zich in het Vaticaan als een manuscript,
daterend uit de tiende eeuw (Lindeboom 1960, met
afb.).®
Toen bij de opkomst der universiteiten ook de
wetenschappelijke opleiding van geneesheren ter
hand werd genomen, moest bij de verkrijging van het
doctorsdiploma, dat internationaal het recht tot uitoefening der geneeskunde verzekerde, ook een eed
worden afgelegd. Weliswaar stelde elke universiteit
daarvoor een eigen formule vast, maar daarbij sloot
Pagina 5
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)men aan bij de eed van Hippocrates, nog het dichtst te
Montpellier, waar hij voor de beeltenis van Hippocrates werd afgelegd. Voorbeelden van de eed, zoals
die in ons land te Leiden, Utrecht en Franeker werd
afgelegd, heb ik eerder reeds beschreven.”
De universitaire eed bleef voor de academisch
opgeleide medici ook in de Franse tijd in gebruik, en
eveneens in het koninkrijk, toen er (1808) drie
onderscheiden doctoraten, namelijk voor geneeskunde, heelkunde en verloskunde, werden ingevoerd.
Deze drie graden (medicinae, chirurgiae, artis obstetricae doctor), waarvan de eerstgenoemde steeds het
eerst moest worden verkregen, vereisten drie op de
tak van wetenschap aangepaste, universitaire eden,
welke overigens nauw aansloten bij de vroegere en
nog een Hippocratische geest ademden (inclusief het
„nec abortum procuraturum”).
In 1865 kwam door de nieuwe wet van Thorbecke
de universitaire eed definitief te vervallen, toen de
verkrijging van bevoegdheid van praktijkuitoefening
werd losgekoppeld van de doctorsgraad, welke vanaf
dat ogenblik louter een titel, een academische onderscheiding werd, die de geneeskundige al dan niet kon
behalen.
Onze beroepseed
In de wet van 1 juni 1865 (Staatsblad nr. 59) op de
uitoefening der geneeskunst, die op 1 januari 1866 van
kracht werd, werd in artikel 12 de huidige eed
voorgeschreven, welke bij de wet op het Hoger
Onderwijs van 25 december 1878 (Staatsblad nr. 222),
artikel 21, slechts een kleine wijziging onderging
(„door den rechter” werd veranderd tot „in regten”).
In de oude spelling luidt zij aldus:
„Ik zweer (beloof) dat ik de genees-, heel- en verloskunst
volgens de daarop wettelijk vastgestelde bepalingen naar
mijn beste weten en vermogen zal uitoefenen en dat ik aan
niemand zal openbaren wat in die uitoefening als geheim mij
is toevertrouwd of te mijner kennis gekomen, tenzij mijne
verklaring, als getuige of deskundige in regten gevorderd of
ik anderszins tot het geven van mededeeling door de wet
verpligt worde. Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat
beloof ik).”
Deze eed werd logischerwijze (tot 1922) afgenomen
door de Staatscommissie belast met het afnemen van
het examen en vooral bestaande uit universitaire
professoren, later door de Faculteitscommissie. Het
was dus een wettelijke eed, opgelegd aan de medische
professie. Dat deze daarmede beslist niet was ingenomen, moge blijken uit een korte blik op zijn voorgeschiedenis.
Reeds in de veertiger jaren der vorige eeuw werd
algemeen de behoefte gevoeld aan een nieuwe regeling van wettelijk toezicht op de zorg voor de gezondheid door geneeskundigen met hun vele uiteenlopende bevoegdheden, apothekers en vroedvrouwen (en
-meesters). Meer dan één wetsontwerp sneuvelde bij
pogingen daartoe, zoals in 1844, toen zulk een
ontwerp met 46 tegen 4 stemmen werd verworpen.
Niet het minst om een stem in het kapittel te
verkrijgen, werd in 1849 de Nedertandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (NMG)
opgericht.
In haar prille jeugd bracht de nieuwe, niet van
zelfbewustzijn verstoken Maatschappij in een gedrukt
rapport haar visie uit op het verslag van de werkzaamheden van een in 1848 ingestelde Staatscommissie,
over deze voor haar zo belangrijke zaak. Dit door het
Hoofdbestuur opgestelde en door de secretaris van
het Hoofdbestuur J.P. Heije ondertekende rapport
werd door de Algemene Vergadering (Groningen,
22-23 juni 1852) verklaard tot „het gevoelen der
Maatschappij”. Men leest daarin dat de Maatschappij
wel aan de Staat het recht toekent de uitoefening van
elk beroep (en dus ook van de geneeskunst) aan
voorschriften te binden, doch dat zij aan de Staat
betwist „het regt om aan eenig vrij burger (en dus ook
aan den geneeskundige), buiten diens regtstreekschen
werkkring, verpligtingen (en dat nog wel naar den
eigendunk van ambtenaren en onder straffen van
geldboetes of gevangenis) op te leggen, die hij niet aan
alle staatsburgers gelijkelijk oplegt”. De verplichting
tot geheimhouding rekent het rapport (terecht) behorende tot een zedelijke en niet tot een wettelijke en
„weinig overeenkomstig met de grondwettelijke onafhankelijkheid van den Nederlandschen staatsburger
en met de waardigheid van den geneeskundigen
stand” overeen te komen.
'® Dit standpunt is later in de
Tweede Kamer bij de gedachtenwisseling over Thorbecke’s wetsontwerp door de afgevaardigde MJ.
Godefroi, huisarts te ’s-Hertogenbosch, met klem
verdedigd! Thorbecke bracht daartegen in dat het
bewaren van het beroepsgeheim niet afhankelijk
moet zijn van de altijd subjectieve mening van een
geneeskundige (Opwyrda).? Godefroi bleef bij zijn
mening, maar zijn verzet mocht niet baten. Bij de op
zijn verzoek gehouden stemming over het betrekkelijke artikel werd dit met 40 tegen 10 stemmen door de
voltallige Kamer aangenomen.
Thans komen we aan de vraag: hoe kwam Thorbecke aan de formulering van de door hem ingevoerde
medische beroepseed? Daarover tasten we in het
duister, althans in de schemering. Hij heeft zelf in de
Kamer gezegd, dat het „gebruikelijke eedsformulier
enigszins is gewijzigd in den vorm”, doch dat de geest
ervan behouden is. Het waarschijnlijkst is, dat hij
doelde op het (in het Nederlands gestelde) formulier,
dat, krachtens de wet van 18 maart 1818, in een
instructie van 31 mei daaraanvolgend (Koninklijk
Besluit Staatsblad nr. 25) was voorgeschreven voor
heelmeesters, plattelandsheelmeesters, vroedvrouwen en apothekers.
Wanneer men de eed even als geheel beschouwt,
springt daarbij het wettelijke karakter onmiddellijk in
het oog door een drievoudige verwijzing „volgens de
wettelijke bepalingen”, „verklaring in rechten”, en
tenslotte „door de wet verplicht”! Hierbij passen
enkele opmerkingen. Ten eerste: met de daarop
wettelijk vastgestelde bepalingen zal Thorbecke voor-
Pagina 6
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)al het oog gehad hebben op de in 1865 aangenomen
wet (of wetten). Ons Wetboek van Strafrecht o.a. met
zijn strafbepaling voor abortus, kan hij niet bedoeld
hebben, daar dit pas in 1881 onder de minister van
justitie A.E.J. Modderman tot stand gekomen is, en
niet eerder dan in 1886 van kracht werd. Tevoren sloot
ons strafrecht zich nauw aan bij de Franse Code Pénal.
De verplichte eed voor geneeskundigen was overigens
in Frankrijk al in 1804 afgeschaft. Vervolgens: de
bezworen plicht om in rechten te spreken wordt
grotendeels weer opgeheven door het zwijgrecht
(„verschoningsrecht”), dat elders ook aan geneeskundigen wordt toegekend (Burgerlijk Wetboek, art.
1946). Tenslotte: het kan opvallen dat bij de uitoefening der geneeskunst de wettelijke bepalingen voorop
staan, gevolgd door „naar beste weten en vermogen”,
maar dat de regels der kunst ontbreken.
Wanneer men na deze vooropmerkingen onze
beroepseed vergelijkt met de Hippocratische eed, dan
is het moeilijk vol te houden dat hij daarvan afgeleid
is. Behalve het beroepsgeheim ontbreken de wezenlijke elementen van ons „officium nobile” erin. Bij die
vergelijking maakt onze eed een uiterst armzalige
indruk. Gespeend van ieder, ook taalkundig, stijlgevoel maakt hij in een ingewikkelde zinsconstructie
een, zacht gezegd, onheldere indruk, zodat de toehoorder die hem zweren moet (en daarna niet schriftelijk uitgereikt krijgt) hoogstens slechts onthoudt,
dat hij met het beroepsgeheim te maken had. In elk
geval hebben enkelen reeds in de vorige eeuw de
overbodigheid en zijn onwaarde betoogd, en voor zijn
afschaffing gepleit.
Misschien heeft niemand een scherper oordeel over
de eed uitgesproken dan D.E. Siegenbeek van Heukelom, destijds hoogleraar in de Algemene Pathologie en Gerechtelijke Geneeskunde, die hem een
„ondergeschoven kind” van de eed van Hippocrates
heeft genoemd, en in 1891 schreef: „… . . een eed, die
literarisch onzinnig is, die door zijn slechte redactie
den consciëntieusen medicus geen steun maar puzzle
brengt; een eed, die ethisch alleen waarde heeft voor
wien ze niet noodig heeft; een eed, eindelijk zonder
waardigheid, waaraan de Wet, die hem oplegt, tevens
alle ernst en plechtigheid ontneemt, die eed moet
weg, hoe spoediger hoe beter.” Een jaar tevoren had
reeds Aletrino in zijn juridisch proefschrift als zijn
overtuiging te kennen gegeven, dat onze beroepseed
van „nul en geene waarde” is.* In feite verplicht hij tot
niets. Tot op de huidige dag delen vele medici en
juristen dit gevoelen (de ambtseden, ook de officierseed, zijn hier buiten beschouwing gelaten).
Het beroepsgeheim is echter, zoals gezegd, moreel
van aard; het spruit voort uit het wezen van het
medisch beroep, dat rust op het vertrouwen tussen de
geneeskundige en zijn patiënt. Al kan de eed in een
enkel geval het weifelend geweten een steun geven,
anderzijds kan het door zijn wettelijke aard fungeren
als een ivoren toren, waarin men zich van een
zedelijke verplichting (men denke o.a. aan kindermishandeling) veiligheidshalve terugtrekt.
1442
Beroepseed en wet 1985; besluit
Dit alles neemt niet weg, dat de Hippocratische eed
nog steeds een actualiteit heeft, aangezien hij,
ondanks de snelle veranderingen in de medischethische opvattingen, voor een niet onbeduidend
aantal geneeskundigen zijn volle waarde heeft behouden als de onveranderlijke code van de intuïtieve
medische ethiek dan wel als een lichtend sterrebeeld
aan het bewolkte medische-ethische firmament. Wanneer daar hier nu iets over gezegd wordt, kan worden
afgezien van thans bestaande wettelijke bepalingen
zoals die voor de aangifte van besmettelijke ziekten,
maar geldt dit vooral de thans actuele vragen omtrent
abortus en euthanasie.
Tegenstanders van de huidige abortuspraktijk op
psychosociale indicatie (op verzoek) hebben zich,
vóór de Wet Zwangerschaps Afbreking van 1981 (met
uitvoeringsbesluiten van kracht geworden op 1 december 1984), wel beroepen op de door hen afgelegde
eed; naar het mij voorkomt, niet terecht. Dit zou
anders geweest zijn, indien daarin ook de „regels der
kunst” zouden zijn genoemd. Immers, toen en nog
lang daarna gold alleen de vitale, medische indicatie
voor de zwangere als legitiem voor de abortus (in de
eerste maanden der graviditeit). Wel heeft G.C.
Nijhoff, destijds hoogleraar in de Verloskunde en
Gynaecologie te Groningen betoogd, dat die regels
begrepen waren in het „naar mijn beste weten”, maar
dit argument spreekt toch niet sterk aan, en is
praktisch krachteloos geworden bij de huidige plurale
opvattingen der artsen wat betreft de medische
ethiek.!6
Nadat de KNMG besloten had het bekende boekje
over „Medische ethiek en geneeskunde” na de laatste
uitgave in 1959 niet meer te herdrukken en in 1979
voor het eerst „Gedragsregels voor artsen” publiceerde, volgde daarvan in 1984 een nieuwe herziene druk,
volgens de herziene regels zoals aangenomen op de
Algemene Vergadering van 23 maart 1984, waarbij zij
echter de pluriformiteit van het ethisch denken moest
erkennen en slechts op verantwoordelijkheid kon
aandringen. Als bijlagen zijn in het boekje opgenomen de Eed van Hippocrates en de declaraties van de
World Medical Organization.
Onze eed heeft dan ook met de eerbiedwaardige
Hippocratische eed nauwelijks iets van doen. Meer
nog dan in 1865 wordt het beroepsgeheim door de
structurering der gezondheidszorg bedreigd (allerlei
schriftelijk vastgelegde gegevens, te beginnen bij de
opnamediagnose, gaan door vele helpende handen).
Over het beroepsgeheim en zijn geschiedenis bestaat
een zee van literatuur (o.a. Beukers,’ Elaut!®). Zeker
reikt de eed de geneeskundige niet de Ariadne-draad
aan om te. geraken uit, wat genoemd is de doolhof van
het beroepsgeheim (Hazewinkel-Suringa).
Wat de actieve euthanasie betreft, welker toepassing geruisloos toeneemt, deze is nog steeds strafbaar
(art. 293 en 294 Wetboek van Strafrecht). De nog wel
door een politie-arts als noodsprong aanbevolen
invulling der overlijdensverklaring met „natuurlijke
Pagina 7
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)dood” is een valse verklaring, waarop nog altijd jaren
gevangenisstraf staat (art. 228 Wetboek van Strafrecht), waarbij de ter verantwoording geroepen arts
zich echter op zijn ambtsgeheim kan beroepen. De
zich ten aanzien van de euthanasie ontwikkelende
jurisprudentie kan hier buiten beschouwing worden
gelaten. Immers, uit een en ander blijkt nog eens te
meer de waardeloosheid van onze beroepseed.
Het was allerminst de bedoeling van dit opstel een
discussie over de beroepseed der artsen te ontketenen, doch slechts hem te vergelijken met de eed van
Hippocrates, en te betogen dat deze zijn waarde voor
de medische ethiek nog niet heeft verloren. Hij blijft
de verwoording van de nu sterk aangevochten en
afbrokkelende
traditionele
medische
ethiek,
en
draagt, naar het mij wil voorkomen, ook thans nog bij
tot een heilzame spanning in de ontwikkeling van de
medisch-ethische denkbeelden, en hun toepassing in
de praktijk — misschien meer dan menigeen zich
voorstelt.
4 Thijssen JNE. Het geheim van den medicus. Leiden, 18go. Juridisch
.
_
proefschrift.
5 Kudlien F. Medical ethics and popular ethics in Greece and Rome. Clio
Med 1970; 5: QI-121.
6 Drossaart Lulofs HJ. De eed van Hippocrates. Voordrachtenreeks Ned.
Vereniging van psychiaters in dienstverband 1965; 7: nr. 24. Herdrukt in
Med Contact 1965; 20: 1075 en 1104.
_
7 Meibomius JH. Hippocratis magni '‘Ogxoo sive jusjurandum. Lübeck,
1629.
8 Lindeboom GA. Opstellen over medische ethiek. Kampen: Kok, 1960.
9 Lindeboom GA. De artseneed in ons land vóor 1865. Ned Tijdschr
Geneeskd 1977; 121: 1758-60; De doctorseed van de Friese Hogeschool te
Franeker (1640). Ned Tijdschr Geneeskd 1979; 123: 1610-1.
10 (Heije JP) Algemeen Rapport uitgebragt door de Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, omtrent de Ontwerpen van
Wet, enz. Ingediend door de Staatscommissie, Benoemd bij Koninklijke
Besluiten van 25 Julii en 4 Augustus 1848. [1852]. (Sign UB Amsterdam:
MG Df. 32).
1 Over Godefroi zie: Lindeboom GA. Dutch medical biography. Amsterdam: Rodopi, 1984 (kol. 685).
12 Opwyrda RJ. Geneeskundige wetten van
de 1 Junij (Staatsblad no. 56-61).
Nijmegen: HCA Thieme, 1866. (Met de gewisselde stukken 2e Kamer en
gehouden beraadslagingen; bl. 377).
3 Siegenbeek van Heukelom DD. Waarom zweren wij een eed? Ned
Tijdschr Geneeskd 1891; 27: 1, 735-47.
4 Aletrino A. Eenige beschouwingen over den beroepseed. Amsterdam
1889. Proefschrift.
155 Roelink H. Waartoe verplicht de eed of belofte bij bevordering tot arts?
Med Contact 1972; 27: 54.
16 Nijhoff GC. Verloskundige en de strafrechtsnovelle 1904 (ontwerp
Loeff). Ned Tijdschr Geneeskd 1905; 41: 126-33.
LITERATUUR
1 Menon IA, Haberman HF. The medical students’ oath of ancient India.
Med Hist 1970; 14: 295-9.
2 Edelstein L. The Hippocratic oath. Bull Hist Med 1943 (suppl 1). Duitse
vertaling (met nawoord van H. Diller) Der Hippokratische Eid. Zürich,
Stuttgart: Artemis, 1969.
3 Nittis S. The authorship and probable date of the Hippocratic oath. Bull
Hist Med 1940; VINT: 1012-21.
1 Beukers ACM, Het beroepsgeheim van de geneesheer. Amsterdam, 915.
Proefschrift.
18 Elaut L. Het medisch beroepsgeheim in zijn historische ontwikkeling.
Antwerpen, Brussel: 1958.
19 Hazewinkel-Suringa D. De doolhof van het beroepsgeheim. Haarlem:
Tjeenk Willink, 159.
Januari 1985
REFERATEN
Inwendige geneeskunde
patiënt gevraagd aan het einde van een normale uitademing
gedurende 1o seconden zo hard mogelijk te persen. Dertig
Valsalva-manoeuvre bij onderscheiden van een longaandoening en decompensatio cordis
Tijdens persen treedt een fysiologische kortdurende
bloeddrukstijging op, direct gevolgd door een bloeddrukdaling, na stoppen van het persen weer gevolgd door een
bloeddrukstijging tot boven de oorspronkelijke waarde. Bij
verminderde hartwerking ontbreekt dikwijls zowel de
bloeddrukdaling tijdens persen als de stijging na persen. Het
persen tegen een gesloten glottis staat bekend als de
Valsalva-manoeuvre.
Dat de Valsalva-manoeuvre in de praktijk een eenvoudig
hulpmiddel kan zijn om kortademigheid op grond van een
longaandoening of op grond van decompensatio cordis van
elkaar te onderscheiden, werd aannemelijk gemaakt door
Zema et al.! Bij 37 patiënten met chronisch obstructief
longfunctieverlies werd nagegaan of hun kortademigheid
deels door decompensatio cordis werd veroorzaakt. Het
betrof 23 mannen en 14 vrouwen, de gemiddelde leeftijd
bedroeg 61 jaar met een standaardafwijking van 8 jaar. Bij
allen bestond een sinusritme, niemand gebruikte B-receptorblokkerende middelen. Als „gouden standaard” voor al
dan niet bestaan van decompensatio cordis werd de ejectiefractie van de linker kamer (LVEF) gehanteerd. Tijdens
het onderzoek werd de bloeddruk met een kwikmanometer
bepaald. Vervolgens werd de manchet 15 mmHg boven de
tevoren vastgestelde systolische waarde opgepompt en de
-
seconden na stoppen van het persen werd de manchet weer
losgemaakt. De manoeuvre werd als afwijkend beschouwd
indien de vaattonen na de initiële bloeddrukstijging tijdens
persen hoorbaar bleven en of indien de tonen wel verdwenen, maar na beëindiging van persen niet terugkeerden. Bij
IS van 17 patiënten met een verminderde LVEF (< 50%)
werd aldus een abnormale Valsalva-manoeuvre vastgesteld, terwijl dit bij patiënten met een normale LVEF slechts
in 2 van 20 gevallen werd waargenomen (p < 0,0001).
Sensitiviteit, specificiteit en voorspellende waarde bleken
respectievelijk 88, go en 88%. De „gebruikelijke” criteria
ter beoordeling van al dan niet bestaan van linksdecompensatie werden eveneens op hun waarde beoordeeld; bij
dyspnoe d'effort en orthopnoe werd een zeer geringe
specificiteit vastgesteld, respectievelijk 20 en 65%, terwijl
nachtelijke kortademigheid en enkeloedeem bij beide groepen even vaak bleken voor te komen. Wanneer op een
röntgenfoto van de thorax zowel cardiomegalie als een
versterkte venentekening werd waargenomen, bedroegen
specificiteit en voorspellende waarde weliswaar 100%, maar
de sensitiviteit van dit onderzoek gerelateerd aan de LVEF
slechts 59%.
—
Op grond van deze waarnemingen, de eenvoud van de
proef, en, gezien het grote aantal patiënten bij wie deze
problematiek speelt, is het wellicht zinvol in de praktijk eens
te bezien of de Valsalva-manoeuvre bruikbaar is.