Volledige tekst tonen5 pagina's
Pagina 1
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)MEIS
En MeroptEe
den kleiner te maken, heeft het niet ontbroveel, maar ook oneindig kleine punten, die
niettemin rood of zwart kunnen zijn en een
bepaalde richting hebben — de richting verandert bij kromming continu — stelt men
zich een continu toonhoogteverloop voor
samengesteld uit oneindig veel, maar oneindig kleine deeltjes geluid. leder deeltje
heeft een bepaalde toonhoogte, sterktegraad en een duur die ook oneindig klein is,
tot nul nadert. Ook een crescendo kan men
zich zo denken.
Xenakis heeft het begrip continu dikwijls
toegepast. Hij noemt die geluiddeeltjes
grains, korrels. Zou men het tot oneindig
naderende aantal deeltjes van een bepaalde
compositie onderzoeken op hun parameters dan blijkt ongetwijfeld één bepaalde
toonhoogte, één bepaalde sterkte, het
meeste voor te komen, het “gemiddelde”
van die compositie. Naarmate een grain
méér of minder hiervan afwijkt, zal het minder of meer voorkomen. Het wiskundeonderdeel dat dit onderzoekt, is de waarschijnlijkheidsieer.
Het doorgronden en administreren van een
tot oneindig naderend aantal deeltjes lijkt
een onbegonnen werk, al zijn er tabellen
voor opgesteld. Een computer zou hier
kunnen helpen en ook — omgekeerd — na
bepaalde instructies, kunnen aangeven
waar en wanneer een bepaalde grain in een
ken (kwarttonen, 31 tonen in een octaaf).
A.J. Ellis (1880) verdeelde ieder chromatisch interval in honderd eenheden die hij
cents noemde. Maar ook zó werd de trap
nu nog geen glijbaan. Het toonhoogteverloop bleef discontinu, werd niet continu.
te maken compositie zou moeten klinken.
Deel
Maat
I
O- 39 | 40 mt.
Het begrip continu is in de wiskunde exact
II
_
LO=- 94]
54
="
III
95-139 | 44
"
VAN PYTHAGORAS
NAAR XENAKIS
Gaai
TH. VAN HUIJSTEE
TAK vs SIGE.
Aan de wieg van iedere musicus en musicoloog staat onherroepelijk de geest van
Pythagoras — geesten zijn nu eenmaal eeuwig.
Volgens de legende had hij de afstanden
tussen enkele toonhoogten uitgedrukt in
getallen. Hij zou die bepaald hebben met
hulp van een klinkende snaar; werd de
lengte gehalveerd (dus 1/2), dan klonk het
octaaf van de oorspronkelijke toon, werd
ze met een derde verminderd (2/3), de
kwint. Verder moet hij niet zijn gekomen.
Later werden andere intervallen successievelijk, uit deze twee verhoudingen, berekend — wat een mathematisch. werk is.
Voor de hand ligt, dat ook de tijdsduur van
geluiden, het metrum, het ritme van muziek en ook de sterktegraad in getallen zijn
uit te drukken.
De vraag of wiskunde een logisch middel is
om exact over de feiten te spreken, of dat
— zoals de volgelingen van Pythagoras menen — getal en maat juist het meest essentiële van de feiten zijn, laat de muziek graag
over aan de philosophie.
Eeuwen lang waren gehele getallen en hun
breuken (de zogenaamde rationale getallen) voldoende om alle parameters van de
muziek af te beelden. Weliswaar gaven de
verschillende berekeningen die met die getallen mogelijk waren aanleiding tot tientallen “stemmingen’, verdelingen van de verhouding 1/2, van het octaaf, — en tot even
zoveel controverses — maar musici en mathematici hadden het over hetzelfde en
konden elkaar begrijpen.
Het onderling begrip werd moeilijker omstreeks het jaar 1600. Het leek een wiskundige toch al een kunststuk dat een musicus
zich moeiteloos een verdeling in drieën
denkt tegelijk met een in tweeën: zijn éne
hand slaat triolen tegen de binaire verdeling
van de andere — omgekeerd kwam de
werkzaamheid van de mathernaticus, die
met dezelfde getallen twee en drie ging
machtsverheffen, worteltrekken en logaritmiseren, de musicus voor als een, hem
soms wat benauwend, raadsel. Ze beheersten eenvoudig niet meer elkaars technieken al waren ze met hetzelfde bezig.
Omstreeks 1600 gingen de musici er toe
over om meer en meer chromatische intervallen (het kleinste) in één compositie te
408
\8 \
verwerken (de madrigalisten, Frescobaidi,
Sweelinck) en vonden de mathematici de
zogenaamde irrationale getallen als resultaat van hun worteltrekken en logaritmiseren. Wat musici nastreefden, het verdelen
van het octaaf in twaalf gelijke chromatische intervallen, bereikten de mathematici
(Simon Stevin, Werckmeister) met hun berekeningen.
ls die evenredig zwevende verdeling, die
ons nu na drie eeuwen zo eenvoudig lijkt,
wel zo simpel? in moeizame lessen, bij de
piano, wordt ze nog steeds in het innerlijk
gehoor van aanstaande musici gegrift (de
snelheid waarmee dit lukt geldt als een
maatstaf voor hun begaafdheid). Het is
noodzaak, want deze intervallen zijn het
materiaal van Bach tot en met Schönberg;
zij bepalen — met de andere parameters —
de structuur, het essentiële van al hun melodieën, motieven, reeksen en samenklanken.
De twaalf intervallen stelt men zich wel
voor als een trap. Aan pogingen om de trete definiëren, met woorden wat omslachtiger te omschrijven: gestadig, samenhangend, kleine deeltjes die zich dicht bij elkaar
bevinden, blijven bij een vervorming dicht
bij elkaar. Continu veranderend, vervormend geluid kent de muziek al lang. Op het
gebied van de dynamiek: crescendo/
decrescendo, ieder volgend geluidsdeeltje
heeft een grotere (of kleinere) geluidssterkte dan het voorgaande; wat de tijdsduur
betreft: rallentando/accelerando. Ook de
parameter toonhoogte werd incidenteel
wel continu toegepast: glissandi van strijkers (Ravel), van trombones (Stravinsky)
en pauken (Bartók). Mathematische doorgronding van een continu verloop vraagt de
kennis van een nieuw wiskundehoofdstuk
dat in de 18e en 19e eeuw werd geschreven, de infinitesimaalrekening.
In analogie met een rechte lijn die men zich
denkt als een verzameling van oneindig
Groep
|S
‚A
Xenakis noemt zo'n zeer groot aantal
grains een wolk. Alle grains die een Steinwayvleugel kan leveren: 88 tonen met hun
sterktegraden van ppp tot fff en hun verschillende articulaties, vormen nog maar
een grove benadering van een wolk. De
wolk zou zich kunnen verdichten en uitdunnen, zich in hoger of lager regionen
kunnen bewegen, kortom manipuleerbaar
zijn — al naar de instructies die de componist aan de computer geeft.
Xenakis heeft verschilende malen een
computer gebruikt, onder andere voor de
inleiding van zijn compositie Eonta die hier
wordt besproken. Eonta is geschreven voor
piano en vijf blazers, twee trompetten in C
en drie tenortrombones. Ze telt 482 maten
van een hele noot, een halve noot is gemiddeld 60 MM. De uitvoering (ca. 20 minuten)
vraagt uiterste precisie van intonatie en ritme en een extreme virtuositeit. Een voorlopig oriënterend overzicht geeft afbeelding
A (zie onder).
In de partituur komen een paar Griekse letters voor: sigma, théta en psi, die ik terwille
van de zetter hier vervang door S, A, en B.
Xenakis deelt geruststellend mee dat ze
niets te maken hebben met de uitvoering. S
betekent som, het totaal van alle gebruikte
sonische deeltjes. De grote cirkel in afbeelding B {p. 410) omsluit ze, gelijkmatig verdeeld, allemaal. We krijgen hier te maken
Piano
zitten achteraan, vacet
wolk
88-94: tacet
40-79:opstaan,lange tonen
80-91:naar piano,inblazen
|A,S,“Pjenkele noten
afwiss.wolk
Iv
Blasere
solo,wolk
|100-305:spelen zittend
rechts vooraan
140-189 | kg
"
Jab+2D, |akkoord-
190-201
11
"
B,o.m. | interrupties
[B,T
overgang
v_
202-308/106
"
{Ss
centrale deel |glissandi
VI
309-334 | 35
«
|s
wolk
_
vir
uitdunnend
chromatiek
305-331 topstaan,naar piano
inblazen
ae
|335-374|
39
== (321-36krtacet
1331-36
0" | Weeak,
|)pen midden op podium ,
368-390: tacet
375-4o4]
29
"
Oat.
|S,AR,
duet van trompetten
|overgang
Gels
VITI|405-449/
375-481izitten rechts
vooraan op. podium
bh
*
IS
maximale
31
"
S,0o.m.
[slotdeel
IX
toenemende
verdichting
450-481
464-481: tacet
|
Afbeelding A.
Pagina 2
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)met weer een ander hootdstuk vit de wiskunde, de groepentheorie A en 8 zijn deelverzamelingen. De deeltjes die A en B gemeen hebben worden aangeduid met AB
en voorgesteld door het centrale gepunteerde schijfje. De groep deeltjes van S die
in A juist niet voorkomen, wordt aangeduid
IANNIS XENAKIS
met A. AB bevinden zich dus in het gearceerde deel van de grote cirkel. Ik laat het
Tlrompsttes
an Ut
aan de lezer over om uit te puzzelen dat in
dat onderdeel van het werk dat aangekondigd wordt met ap + AB de deeltjes
worden gebruikt die zich in de twee wit gelaten halve maantjes bevinden. Andere
combinaties die in de partituur voorkomen,
A + B, enz. vragen minder doordenken.
Xenakis geeft geen inlichting over de samenstelling van zijn groepen, wel vermeldt
hij dat voor de verdeling van de grains in
het eerste deel van Eonta een !IBM-computer in Parijs werd gebruikt. Zie voor de
eerste bladzijde van de partituur afbeelding
C (p. 411).
In verschillende onderdelen van Eonta
neemt de piano het initiatief. In | is ze solist.
in iedere maat slaat de rechterhand twee
sextolen, de linker twee kwintolen; verdichting van de wolk wordt bereikt door meer
toetsen tegelijk aan te slaan en door voorslagen, verdunning door rusten in te lassen. De sterktegraad loopt uiteen van ppp
tot fff. Verschuiving van de wolk naar hogere of lagere octaven doet zich voor en extreme spreiding, vertroebeling door pedaalgebruik. Het ritme vijf tegen zes wordt in
het hele werk grotendeels volgehouden,
zelden wordt het onderbroken door enkele
langere tonen of rusten. Men realisere zich
de symmetrische bouw van de ritmische cel
in iedere halve maat (afbeelding D):
Afbeelding D. De sextool ontstaat door de
afstanden tussen de punten, de kwintool
door de afstanden tussen de kleine streepjes, de symmetrie-as is aangegeven door de
stippellijn.
Van mt. 32 af treedt duidelijk verdunning
op, mt. 36 telt nog maar negen aanslagen,
fff, in mt. 37 herstelt zich de wolk ppp.
Staande zetten de blazers, ook ppp, deel Il
in met het akkoord cis1 dis1 fis1 ais1 c2, de
410
Afbeelding B.
bekers gedempt en naar beneden gericht.
In negen maten zwelt dit akkoord tot forte
aan. Na zes maten rust volgt een tweede
akkoord: gis d1 el al g2, ook hier tegen de
pianowolk. De tonen worden nu herhaaldelijk opnieuw ingezet en de bekers van links
naar rechts gezwenkt. Deze tooncombinatie, uit groep A, zwelt 25 maten af en aan
tussen ppp en fff. De pianowolk, die
constant gevormd werd uit de verzameling
S, zwijgt zeven maten vóór de blazers,
maar hun laatste drie maten begeleidt de
piano met enkele fff-aanslagen ook uit de
deelverzameling A. Ze gaat hiermee door
als tijdens twee maten rust de blazers rondom de piano zijn gaan staan. Zij blazen nu
tegen de snaren een derde akkoord, A fis
el bi c3, aanmerkelijk wijder gespreid dus
dan de beide eerste. ledere toon wordt
hier, gedurende tien maten, in snel herhaald tempo staccato van f tot fff geblazen.
In de volgende drie maten generale pauze
gaan de blazers rechts vooraan op het podium zitten.
De piano zet deel Ill in met enkele pppaanslagen uit groep A zelf en gaat over tot
het vormen van een wolk uit groep S,
waartegen de blazers een wolk uit de groep
AB vormen; eerst aarzelend, van geringe
omvang, later fluctuerend in toonhoogte
en sterkte. Veel tonen dienen hier een
kwarttoon te worden opgetrokken of lager
te worden geïntoneerd dan de in de partituur genoteerde. In deel Ill is het ritme van
de pianoaanslagen gewijzigd in zes tegen
zes. Halverwege dit deel dunt de wolk uit,
een des1 nog in mt. 123, een aangehouden
di in mt. 124, en enkele losse noten in de
volgende maten. De chromatische halve
toon is voor de piano de kleinste realiseer
bare mogelijkheid; de blazers hebben meer
à pe] PPP
FE te
PIE
‚P pop
f
|
"pieste gauche G
fp
= +b?
2
4, Pédale droux
I
pp
ia
À
prt
Fo]
10: appuyer Is pédale drate de façon quit ne subs, sta qu'une
dire resdnarce des cordes A b seconde
Afbeelding C. De eerste partituurbladzijde van Eonta.
Pagina 3
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)mogelijkheden hun toonhoogten te variëren.
Met mt. 140 zet het IVe deel in. De tonen F
A en hun bovenoctaven worden matenlang
vastgehouden door het derde pedaal van
de Steinway, die daartegen enkele scherpe
sfff-aanslagen laat klinken. De blazers richten hun bekers naar het plafond en intoneren ppp een: paar lang aangehouden akkoorden uit materiaal van groep B, en later
uit een van de andere deelgroepen. Van
mt. 168 af dienen ze, met de bekers weer
normaal, de tonen wel aan te houden maar
steeds ritmisch te pulseren, p-f-p. Op enkele staccato-interjecties na zwijgt de piano.
In mt. 190 treden veranderingen op: van de
blazers wordt staccato en Flatterzunge verlangd bij licht fluctuerende toonhoogten,
hun materiaal is genomen uit groep B, dat
van de piano uit het complement B. Na een
paar maten herstelt zich de wolk vijf tegen
zes, soms vier tegen zes, zelfs vier tegen
vier, maar dunt na tien maten uit. De blazers zijn meer en meer overgegaan tot
chromatisch stijgende toonreeksen, steeds
de tonen pulserend, staccato of met Flatterzunge blazend. De een voor de ander na
laat verstek gaan. De maten 190 t/m 201
kunnen als overgang worden gehoord naar
deel V, dat het centrale en langste deel
(meer dan honderd maten) zal worden,
De piano zet in met S-materiaal, de blazers
laten voorlopig weinig horen, enkele tonen,
wat korte loopjes, samenhangend van mt.
213 af, overwegend chromatisch en dan
nog dikwijls gedetoneerd, licht staccato.
Van deel Il af heeft zich een bijna continue
ontwikkeling afgespeeld in het door de blazers geproduceerde geluid: eerst de lange
strak aangehouden akkoorden, dan pulserend, met Flatterzunge, daarna snel staccato. Fluctuaties in toonhoogte werden bereikt door detonaties, kwarttonen, later
door de stijgende en dalende chromatiek,
tegen elkaar, dikwijls ook in het ritme vijf
tegen zes. In mt. 218 wordt het eerste echte glissando voorgeschreven voor twee
trombones, “montée très lente’, voorlopig
over de afstand van een halve toon. Glissandi karakteriseren deel V. Herhaaldelijk
worden ze afgewisseld door de stijgende
en dalende chromatische toonreeksen, ook
de derde trombone doet eraan mee. In mt.
254 wordt een nieuwe mogelijkheid, een
vibrato-breedte van één toonafstand voorgeschreven die aanzwellen moet tot een
grote terts, c-e, alle trombones nemen eraan deel. Tenslotte wordt de breedte tot
een kwint opgevoerd, “vibrato avec la cou412
lisse le plus rapide possible, les notes extrè-
3
2377
Lee,
rte
P__|
a
ts
i
E
Fü
Rd
gu
fi
Set
t
=
I
Sen
=
=
ed
=
mn
4
2e
‘phe
ca =
iT
CR
TE
—
SS
ond EE
TE
x
me _
|
Et
En SSS SSS
p
Te |, —BEER f
re
Er
SE
u
>
=
=—
PE
pb
En
ra
3
a
TE En
Ss ==
it
=
me
is fe
7
Ee
227
03
Paes
ce.
mes des oscillations variant d'une manière
continue”.
Van mt. 277 af keert de beweging om, van
grof vibrato naar lang aangehouden strakke
tonen, pppp. Enkele snelle glissandi klinken
in mt. 295/299, zonder vibrato maar met
Flatterzunge en staccato, en na negen maten rust (de piano klinkt in vijf daarvan) sluit
dit deel af. In deel V zweeg de piano zelden, reeksen akkoorden, chromatisch stijgend en dalend suggereerden hier de continue beweging, het ritme vertraagde in de
mt. 223/229 tot vier tegen vier. In mt. 230
herstelde zich de wolk tot in mt. 304, zes
tegen zes.
Tijdens de generale pauze vóór deel VI zijn
de blazers opnieuw rond de piano gaan
staan. Ze zullen enkele akkoorden erin blaonderbroken door felle pianozen,
exclamaties, zoals in deel IV. De blazers geven een paar maten snel herhaald staccato
op eenzelfde toonhoogte, sfff tot pp, en
formeren van mt. 322 af uit het S-materiaal
ESE
i
EE
i
J
met de bekers weer normaal een wolk,
steeds begeleid door de piano. Na acht maten pauze voor de blazers, de piano speelt
nog vier maten door, begint deel VII (vanaf
maat 335). Vooreerst een duet van beide
trompetten over een opmerkelijk melodisch
gegeven (zie afbeelding E, p. 413). De spelers wandelen daarbij over het podium, later doen de trombones ook mee, de piano
valt na dertig maten te hebben gezwegen
een paar maten bij. De blazers ontwikkelen
opnieuw een wolk sinds zij na mt. 374
rechts vooraan zijn gaan zitten — waar ze
tot het eind van het werk zullen blijven. De
pianowolk heeft zich van mt. 391 af hersteld, zes tegen zes, en van mt. 409 af vijf
tegen zes, wat tot en met mt. 463 zal duren.
De maten 375 tot en met 404 zouden, gelet
op de blazers, als overgang kunnen worden
as
ve -
if:
ad 1e
JN
Jer
ed
rc
a
Ee .
gehoord. Het is dubieus of deel VIII al gere-
=
kend moet worden van mt. 393, waar zowel de blazers als de piano, na hun materiaal betrokken te hebben uit verschillende
deelgroepen, inzetten met S-materiaal. Te
=
=
——
EE
=
ZE =
=
=
Ee
=
—
_—
=
=
=
=
—
=
TEE
Fiano (0)
<
|
SL En se promenant br amant d'un bout à l'autre de la scare er directions autant que possible opposées Cette promenade quo:
souhaitée est facutatiwe Les trombones seulement so déplacent en groupe lursqu ils ne Jouent pas
borne
beginnen met mt. 405 ontwikkelen de blazers (de piano van mt. 408 af) een nieuw
soort wolk: de eerste trombone speelt in iedere maat steeds vier kwartnoten, ‘très
lié”, als een lange atonale hymne. De tweede evenzo, syncopisch een achtste verschoven, de derde speelt zes noten, de
eerste trompet ook, eveneens verschoven, F
en de tweede trompet vult iedere maat met §
tien noten. Het resulterende ritme, een uit-
: Afbeelding E. Eonta, pagina 50 van de partituur.
Pagina 4
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)Rtb,
"
|
a
ee
Dee
—
nd
—
Le
2
H
Nn
>
*
Pd
—
—
—
a —
|
2
Pen
=
«+ PP?
a
—e
10 235 4 616 4 5 32 10,10 295 # 6,6 45 32 10 10
fo
Pd
— W
.—
ar
i Nn EE
III
rn
En
SE
LK
a
=
SSS
.
==
te
—
£
be Fe
breiding van het hiervoor (afbeelding D} afgebeelde is in afbeelding F (zie boven) te
zien. De piano, steeds vijf tegen zes, deene
in mt. 124, na één vierde van de totale
duur, klinkt de lang aangehouden d1 van
de piano (voor het eerst een lang aange À
Bes
hand gelijk op met de tweede trompet, de
andere met de eerste trompet en de derde
trombone, speelt meer en meer gevulde akhouden toon in dit instrument!); het mid $
delpunt van het werk valt midden in deel V:
het eerste vibrato (op toon d), mt. 254; en
|
koorden, soms complete clusters. De
klankdichtheid bereikt in deel VIII haar climax (afbeelding G, p. 415)
na driekwart, in mt. 392, voordat deel Vill}
begint, geeft de piano d4 gevolgd door}
subcontra A.
:
ze
DE |
jee ESE
EE |
Met maat 450 kan het laatste deel geacht
worden te beginnen, het herinnert aan deel
Hoewel iedere gedachte aan een tonad :
centrum uitgesloten is, valt met de toond
ni
20 $ ve
lp
1
ee
LE
fi
oe
5
te
.
ET
JE
a =
=
—
RE
B Teff £
an
LE
1
u
——
EE
Afbeelding F.
ramt
be
be
De
£
ba
be
Ln
ze
ie
Ce
ve
oe
ee ee ee
aap
ye
Par ar
ne
“f
ee ee
RA,
en ne
=
u
=
Breen à:
3°
zeer
—
bet a | if is ibe wed ig if “
|
erneer et PR Et FER
eige
Fa GE | Tt
pen
=
—Pp dis
_
bw
|
aa moe
een bee be LE LE
3 tig
EE $= = EEE:
|
Il, De piano vormt weer de oude, vertrouwook de toon A op: het is de laagste toon
us Ee
de, dunnere wolk, wel fff, en de blazers
van de piano, de laagste goed bruikbare pe}
[HT — mri
zetten lang aangehouden, contra-A, cis,
daaltoon van de trombones (contra-A) en
v
gis1, bes1, c3 in, van ppp aanzwellend tot
fff. Een paar maten lang herstelt zich nog
de blazerswolk, maar ze dunt uit. Van mt.
464 af zwijgt de piano definitief, enkele blazersakkoorden volgen nog, het laatste, na
twee maten rust, contra-A tegen fis2 in
herhaald staccato en Flatterzunge, en in
mt. 479 verglijdt de contra-A nog naar As,
ppp. De getallen vijf en zes zijn voor Eonta
bepalend. Behalve dat er zes spelers zijn
hij komt verschillende malen voor ak:
MI ppp
LL
1 Te
bastoon van lang aangehouden akkoorden. À
—
TTTTmTn
op structureel belangrijke plaatsen: mt.
un
In
82/91 (eind II), 564/7 (eind VII), 450/54,
à PET
_—;
En
=
3 =
I
460/66, 469/78 (eind VIII, begin en eind.
rm:
En
I
4 oe
ri
À
RE
IX). Zou men in analogie met weer een an &
[©
der hoofdstuk van de wiskunde, de topoloAe
=
=
|
—
gie, Xenakis’ wolk vergelijken met een con $
>
iat
à
= Lo
FE:
Ee
a
=
me
tinu vervormbare topologische ruimte, dan $ = *
zou de A overeen kunnen komen met dat :
b
—
be
ba
be
éne punt dat, volgens een stelling van de
topologie, bij vervorming minstens op zijn
plaats blijft.
ren (afbeelding H):
le
:
deel I +
generale
II
pauze
2e
3
deel III + IV
3e
:
overgang + V
generale pauze
he
:
5e
6e
:
:
;
1e
:
2e
deel VI
generale pauze :
deel VII + VIII:
deel IX
:
3e
He
5e
Afbeelding H.
De linker kolom geeft de verdeling in zes
delen, de rechter de even zinvolle in vijven.
Een verdeling in vieren is meer verborgen:
414
Zu
~
Ei be
= u
BEEE S
+]
|
|
Het doel van dit artikel is niet om een over |
zicht van Xenakis’ werk en leven te geven, :
maar om de fundamentele betekenis die 4
het wiskundig denken continu voor de muziek heeft en had enigszins te belichten;
+
Xenakis’ boek Formalized Music"), is een”
bundeling van artikelen die gedeeltelijk oor.
spronkelijk in het Frans verscheen. Het:
roept kritiek op en bevat belangrijke opmer:
kingen.
Xenakis is als een dokter die graag Latijnse
vaktermen gebruikt. Eén van zijn patiënten, :
een classicus, glimlacht maar had liever iets
meer over zijn kwaal gehoord. Xenakis
schijnt zich vooral te willen rechtvaardigen £
tegenover de mathematici. Hij doet dit heb.
der en exact, al hadden enkele verre afdws-:
pee
(waarvan vijf blazers), formeren ze het ritme, dat later zoals we zagen met een verdeling in vieren werd gecompliceerd (zie afbeelding F). Overeenkomstig hiermee zijn
ook de onderdelen van het werk te groepe-
RÉ
DE RE
1. lannis Xenakis, Formalized Music, 1971, Indiana Uni.
versity Press.
Afbeelding G. Eonta, pagina 62 van de partituur.
Pagina 5
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)lingen er wat over-enthousiaste fantasieën
mijns inziens gemist kunnen worden. Musici schrikt het wiskundige vakjargon gauw
af, het lijkt hen mystificatie, liever hadden
ze wat meer over de muziek gehoord — als
ze daarnaar al op zoek zijn. Niet dat toelichting van sommige werken ontbreekt, maar
Nu ja, voar „sten zijn dat juist de attracties
Een ander bezwaar lijkt me een kwestie van
stij. De titels van Xenakis’ composities
van de mis — en een compositie moet een
naam hebben.
Muziek is voor een groot deel los van het
gehoor denkbaar. Communicatie blijft gebonden aan zintuiglijke vermogens. Vast te
leggen is muziek alleen met grafische symbolen, met notentekst, grammofoongroef
of tape. Een historische, een sociaalpsychologische benadering ervan, zelfs een
subjectief-emotionele reactie, al of niet met
literaire kwaliteiten, heeft haar recht. Om echter geordend geluid, of de mentale
doen denken aan die van Messiaen, korte
voorstelling ervan, als symbolen te vertijd zijn leraar. Eonta betekent wezens,
schepsels, de partituur vertaalt: beings,
étants. Het wordt geschreven met vier
cypriotisch-myceense lettertekens, 24 eeustaan verwerpt Xenakis: “Today's technocrats and their followers treat music as a
message which the composer (source)
sends to a listener (receiver). This theory which is valuable for technological communications — has proved incapable of giving
the characteristics of aesthetic value even
for a simple melody of J.S. Bach. Identifications of music with message, with communication, and with language are schematizations whose tendency is towards absurdities and desiccations”.2)
Hier komt Xenakis dicht bij Stravinsky, die
ze is fragmentarisch,
over Eonta wordt
niets meegedeeld. Het boek legt de nadruk
op het formaliseren, niet op de composities.
wen oud (zie de eerste partituurbladzijde,
p. 411) — ook hier een beetje ‘‘épater le
bourgeois"?
Andere werken hebben als titel: Metastasis
(voorbij de stilstand), Atrées (onbuigzame
wetten van het noodlot), Antikhthon (tegenaarde), Morsima (noodlot, dood). Bij
Messiaen luiden ze: Apparition de l'Eglise
éternelle {verschijning van de eeuwige
kerk), Combat de la Mort et de la Vie (gevecht van de Dood en het Leven), Joie du
sang des étoiles (vreugde van het bloed van
de sterren), Vingt regards sur l'Enfant-
Jésus (twintig blikken op het kind Jezus) —
enzovoort.
Xenakis zoekt het meer in vóór-christelijke
tijden, maar wel bij landgenoten: Plato,
Parmenides, Pythagoras. Men is graag
overtuigd van het diepe geloof van de een
en de warme vaderlandsliefde van de ander, die bezielt hen en zij, bezield en wel,
schiepen muziek. Het verband hiervan met
dat geloof en die liefde kan geen enkele
analyse aantonen — en geven zij ook niet
aan. Zijn die titels wierook en kaarslicht?
416
zei: “Musical form is at any rate far closer
to mathematics than to literature — not perhaps to mathematics itself, but certainly to
something like mathematical thinking and
mathematical relationships. (How misleading are all literary descriptions of musical
form!) | am not saying that composers
think in equations or charts of numbers.
But the way composers think, the way |
think, is, it seems to me, not very different
from mathematical thinking.
'’3)
2. lannis Xenakis, op. cit., p. 180.
3. Igor Stravinsky, Conversations with Igor Stravinsky,