Volledige tekst tonen14 pagina's
Pagina 1
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)SS el
NA GS „NIC, a,
De kracht van wiskunde in muziekonderzoek
Aline Honingh*
Institute for Logic, Language and Computation
Universiteit van Amsterdam
Science Park 904
Postbus 94242, 1090 GE Amsterdam
A.K.Honingh@uva.nl
Anja Volk
Department of Information and Computing Sciences
Universiteit Utrecht
Postbus 80089, 3508 TB Utrecht
Volk@es.uu.nl
Samenvatting
Mathematische muziektheorie is een vakgebied in opkomst. Muziek en wiskunde hebben een oeroude relatie (denk bijvoorbeeld
aan Pythagoras, Euler, Kepler en Descartes),
maar toch blijken er steeds meer elementen
binnen de muziektheorie te profiteren van een
wiskundige aanpak. In dit artikel beschrijven
we een aantal voorbeelden van muziekgerelateerd onderzoek waarbij een heel scala wiskundige technieken is gebruikt. Verder zullen we
aandacht besteden aan de uitdagingen en problemen die er in dit vakgebied zijn, en vooral
kijken naar de kracht die wiskunde heeft binnen het muziekonderzoek.
1
schrift Nature heeft vorig jaar een serie essays gepubliceerd met als titel ‘science and music’, hetgeen
aangeeft dat er steeds meer algemene wetenschappelijke interesse is in dit vakgebied.
Mathematische muziektheorie is reeds lang een actieve onderzoeksrichting, maar is wel altijd heel klein
gebleven. Echter, daar lijkt nu verandering in te komen. Sinds twee jaar heeft het zelfs een eigen ‘leadjournal’, het Journal of Mathematics and Music, dat
zich specifiek richt op publicaties in dit vakgebied.
Ook is er een organisatie opgericht, de Society for Mathematics and Computation in Music, speciaal voor
de communicatie tussen onderzoekers en muzikanten
die zich in het interdisciplinaire vakgebied begeven
tussen muziek, wiskunde en informatica. De society
organiseert een twee-jaarlijkse conferentie die tot nu
toe een groot succes is gebleken.
Inleiding
Er zijn de laatste jaren een aantal artikelen in het
tijdschrift Science verschenen op het gebied van mathematische muziektheorie [30, 56, 9, 23], en het tijd“Dit artikel is geschreven terwijl de auteur werkzaam was in
de ‘Music Informatics Research Group’ aan de ‘City University
London’.
2
Derelatie tussen wiskunde en
muziek
Veel muziekonderzoek maakt gebruikt van wiskundige technieken. De meeste mensen die aan de combinatie van muziek en wiskunde denken, denken aan
Pagina 2
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)De kracht van wiskunde in muziekonderzoek
Aline Honingh∗
Institute for Logic, Language and Computation
Universiteit van Amsterdam
Science Park 904
Postbus 94242, 1090 GE Amsterdam
A.K.Honingh@uva.nl
Anja Volk
Department of Information and Computing Sciences
Universiteit Utrecht
Postbus 80089, 3508 TB Utrecht
Volk@cs.uu.nl
Samenvatting
schrift Nature heeft vorig jaar een serie essays gepubliceerd met als titel ‘science and music’, hetgeen
aangeeft dat er steeds meer algemene wetenschappelijke interesse is in dit vakgebied.
Mathematische muziektheorie is reeds lang een actieve onderzoeksrichting, maar is wel altijd heel klein
gebleven. Echter, daar lijkt nu verandering in te komen. Sinds twee jaar heeft het zelfs een eigen ‘leadjournal’, het Journal of Mathematics and Music, dat
zich specifiek richt op publicaties in dit vakgebied.
Ook is er een organisatie opgericht, de Society for Mathematics and Computation in Music, speciaal voor
de communicatie tussen onderzoekers en muzikanten
die zich in het interdisciplinaire vakgebied begeven
tussen muziek, wiskunde en informatica. De society
organiseert een twee-jaarlijkse conferentie die tot nu
toe een groot succes is gebleken.
Mathematische muziektheorie is een vakgebied in opkomst. Muziek en wiskunde hebben een oeroude relatie (denk bijvoorbeeld
aan Pythagoras, Euler, Kepler en Descartes),
maar toch blijken er steeds meer elementen
binnen de muziektheorie te profiteren van een
wiskundige aanpak. In dit artikel beschrijven
we een aantal voorbeelden van muziekgerelateerd onderzoek waarbij een heel scala wiskundige technieken is gebruikt. Verder zullen we
aandacht besteden aan de uitdagingen en problemen die er in dit vakgebied zijn, en vooral
kijken naar de kracht die wiskunde heeft binnen het muziekonderzoek.
1
Inleiding
2
Er zijn de laatste jaren een aantal artikelen in het
tijdschrift Science verschenen op het gebied van mathematische muziektheorie [30, 56, 9, 23], en het tijd-
De relatie tussen wiskunde en
muziek
Veel muziekonderzoek maakt gebruikt van wiskundige technieken. De meeste mensen die aan de combinatie van muziek en wiskunde denken, denken aan
∗ Dit artikel is geschreven terwijl de auteur werkzaam was in
de ‘Music Informatics Research Group’ aan de ‘City University
London’.
Pagina 3
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)de door Pythagoras ontdekte getalsverhoudingen van
de intervallen, de kwint (3/2) en het octaaf (2/1); en
aan de stemmingsproblematiek die daarmee gepaard
gaat (zie onder andere [57, 6] voor meer informatie
hierover). Er zijn echter veel meer verbanden tussen
muziek en wiskunde. We zullen zien dat wiskunde
kan helpen om muziek te analyseren. Ook zijn er wiskundige modellen ontwikkeld die bijdragen aan ons
begrip van cognitieve aspecten van muziek of die een
mogelijke oorsprong van een bepaald muzikaal aspect
vormgeven [13]. Wiskunde wordt soms ook gebruikt
bij het componeren van muziek. De componist Iannis Xenakis heeft bijvoorbeeld een aantal compositietechnieken ontwikkeld gebaseerd op stochastische
methoden, en in het begin van de jaren 70 is in Frankrijk de spectrale muziek ontstaan waarbij spectrale
analysen van geluid gebruikt worden om compositiemateriaal te ontwikkelen. Er zijn zelfs onderzoeken
naar het gebruik van de Fibonacci serie en de gulden
snede in muziek [38, 1, 32].
Hoewel wiskunde ook wordt gebruikt in onderzoek
naar geluid en akoestiek [55, 51, 41], zullen we ons in
dit artikel met name focussen op wiskunde in verband
met muziektheorie en muziekcognitie welke veelal gebaseerd zijn op de symbolische notatie van muziek.
Hieronder volgen twee voorbeelden van muziekgerelateerd onderzoek die ieder gebruik maken van een
ander soort wiskunde, en ook die ieder een ander
soort muziek-model beschrijven (iets waar we later
op in zullen gaan).
2.1
houden met octaven: als een C wordt aangeduid met
pitch class 0 dan wordt de C die een (of meerdere)
octaven hoger is ook aangeduid met pitch class 0.
Verder houden pitch classes ook geen rekening met
het verschil tussen zogenaamde enharmonisch equivalente tonen, zoals C♯ of D♭ (voor uitleg hierover,
zie bijvoorbeeld [28]). De keuze om 0 niet naar C
maar naar een andere toon te laten verwijzen is ook
mogelijk. Bij het pitch class ‘systeem’ kiest men dus
een referentie toon, waarna de rest van de tonen vastliggen. Een pitch class set is een groepje met pitch
classes waarbij geen herhalingen mogen voorkomen.
De tonen serie C, D♭, G, C, A, G wordt bijvoorbeeld
gerepresenteerd (als de keuze C = 0 wordt gemaakt)
door de pitch class set (0, 1, 7, 9).
Pitch class sets hebben een aantal relaties met atonale muziek. Atonale muziek heeft, anders dan tonale
muziek, geen tonaal centrum, en daardoor zijn alle
tonen gelijkwaardig. Er is geen verschil tussen enharmonisch equivalente noten, en bij bepaalde compositietechnieken (twaalftoonsmuziek) geldt octaaf equivalentie en het verbod op herhalingen van een noot
binnen een serie noten. Een reeks noten uit een stuk
atonale muziek kan dus als pitch class set(s) gerepresenteerd worden waarna het dmv Forte’s theorie geanalyseerd kan worden [50]. Tevens worden pitch class
sets door sommige moderne componisten gebruikt om
muziek te componeren.
Forte beschrijft in zijn pitch class set theorie verscheidene operaties op een pitch class set. Een voorbeeld hiervan is ‘optelling’: een getal kan worden opgeteld bij alle elementen in de set. Dit komt overeen met transpositie van alle noten in de set. De set
(0, 1, 4) kan bijvoorbeeld getransponeerd worden over
een grote terts (een afstand die overeen komt met 4
eenheden in de pitch class representatie) en resulteert
dan in de set (4, 5, 8). De muzikale betekenis van
deze operatie is direct duidelijk. Een akkoord of melodie kan getransponeerd worden over een bepaalde
afstand maar het resultaat is nog steeds herkenbaar
als dat akkoord of die melodie. Deze ‘operatie’ wordt
in zowel tonale als atonale muziek gebruikt. Denk
maar aan popmuziek, waarbij soms aan het eind van
een nummer het refrein nog een keer wordt ingezet,
maar dan beginnend op een noot die een halve toon
hoger is. De noten zijn dan allemaal anders, maar de
‘Pitch class sets’
Voor de term ‘pitch class sets’ is nog geen Nederlandse naam bedacht, daarom wordt hier dus maar de
Engelse term gebruikt. De pitch class set theorie is in
1973 beschreven door Alan Forte [21]. Een pitch class
is een getal tussen 0 en 11 en is een representatie van
een toonhoogte. De pitch class 0 zou kunnen verwijzen naar de toon C waarna pitch class 1 verwijst naar
de toon C♯ of D♭, pitch class 2 naar de toon D en zo
verder. Tussen twee opvolgende pitch classes zit dus
altijd een zogenaamde halve toonsafstand, de kleinste
afstand op een piano. De pitch class is behalve een
representatie ook een abstractie van een toonhoogte.
Bij pitch classes wordt namelijk geen rekening ge2
Pagina 4
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)melodie is nog steeds duidelijk herkenbaar en net zo
makkelijk mee te zingen. Bij atonale muziek kan de
ongeordendheid van de pitch class set en het feit dat
in de pitch class set de herhalingen zijn weggelaten
het wel iets lastiger maken om een getransponeerde
melodie inderdaad te herkennen, maar voor bijvoorbeeld akkoorden levert dit nauwelijks problemen op.
Naast transpositie zijn ook andere (en ingewikkeldere) operaties mogelijk zoals ‘inversie’ (elke pitch
class wordt afgetrokken van een bepaald getal en op
het resultaat wordt de operatie modulo 12 toegepast)
of zelfs ‘multiplicatie’ (elke pitch class wordt vermenigvuldigd met een getal en op het resultaat wordt
de operatie modulo 12 toegepast). Er is discussie
over het feit of deze operaties herkenbaar zijn in de
muziek voor de luisteraar, en ook of deze operaties
de werkwijze van de componist weergeven. Onderzoek hiernaar geeft soms tegenstrijdige antwoorden
[53, 48].
Bij een analyse van atonale muziek wordt de muziek eerst opgedeeld in sets. Daarna wordt gekeken
of verschillende sets gelijk aan elkaar zijn in termen
van pitch classes, en zo niet, of de sets wellicht gelijk
aan elkaar zijn onder de verschillende equivalenties
en operaties. Net zoals het geval is bij de welbekende
getransponeerde melodie, zou zo’n analyse meer inzicht kunnen verschaffen in de muziek. Op deze manier zou structuur kunnen worden aangebracht in de,
op het eerste gezicht soms, ongeordende atonale muziek. De pitch class set theorie is tot op heden de
meest gebruikte methode om atonale muziek te analyseren. In figuur 1 wordt een voorbeeld gegeven van
een compositie van Anton Webern die gebruik maakt
van pitch class sets als reeksen1 die door inversie aan
elkaar gerelateerd zijn [64]. Tabel 1 laat hierbij zien
welke pitch classes gebruikt zijn.
Tymoczko (vandaar CQT) [9]. Deze CQT ruimte
heeft een aantal equivalentieklassen als basis, die
worden aangeduid met de letters OPTIC: ‘Octaaf
equivalente’, ‘Permutatie (herordering) equivalentie’,
‘Transpositie equivalentie’, ‘Inversie equivalentie’, en
‘Cardinaliteits equivalentie’ (verwaarlozen van herhalingen). De auteurs menen dat deze OPTIC equivalentieklassen cruciale elementen vormen binnen de
Westerse muziek, tenminste al sinds de zeventiende
eeuw. Een aantal muzikale structuren kunnen worden beschreven met een combinatie van een of meer
OPTIC klassen. Zo kunnen melodieën beschreven
worden door T: een getransponeerde melodie is nog
steeds dezelfde melodie. Akkoorden kunnen beschreven worden door OPC: we kunnen spreken van een Cgroot akkoord zonder dat het ons uitmaakt om welke
C het precies gaat (octaaf equivalentie), de noten
kunnen onderling verwisseld worden zonder dat het
akkoord verandert (permutatie equivalentie), en het
aantal C’s of G’s in het akkoord maakt niet uit voor
de akkoord naam (cardinaliteits equivalentie). Pitch
class sets, zoals beschreven in de vorige sectie, voldoen aan OPTIC: alle beschreven equivalentieklassen
zijn hier van toepassing. Er kunnen equivalentie relaties van alle mogelijke combinaties van de OPTIC
klassen gevormd worden, wat resulteert in 25 = 32
mogelijkheden2 .
Het geometrische CQT model kan men zich als
volgt voorstellen. Noten worden gerepresenteerd
door de logaritmen van hun (fundamentele) frequentie en corresponderen dan met reële getallen.
Een reeks van n noten kan op deze manier voorgesteld worden door één punt in een n-dimensionale
ruimte Rn . De vier OPTI equivalentieklassen creëren
quotiënt ruimtes door punten in Rn te identificeren
(ofwel, ‘aan elkaar te plakken’). Bijvoorbeeld, ‘octaaf
equivalentie’ identificeert de noten n en n+12 (herinnert u zich dat het getal 12 de breedte van het octaaf
2.2 CQT ruimte
voorstelt in de pitch class representatie), wat ervoor
zorgt dat Rn getransformeerd wordt in een n-torus
De theorie die we hieronder beschrijven is heel recent
Tn .
ontwikkeld. Een zogenaamde stemvoeringsruimte of
Figuur 2 is een representatie van de CQT in drie
CQT ruimte is beschreven met een geometrisch modimensies. De punten (bolletjes) in de ruimte steldel door Clifton Callender, Ian Quinn en Dmitri
2 Iedere klasse kan wel of niet meedoen, dat zijn 2 mogelijkheden. In totaal zijn er 5 verschillende equivalentieklassen.
Dit resulteert in 25 = 32 mogelijke combinaties.
1 In seriële muziek, een vorm van atonale muziek, is de compositie gebaseerd op een reeks.
Pagina 5
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)B1
A4 A
5
B3
B2
B11
B10
A9
A7
A6
A8
B8
B6
B7
B4 B5
B9
A12
A10
A11 B12
Figuur 1: Het begin van Anton Weberns variaties voor piano Op. 27, No. 2. Er worden twee pitch class
sets gebruikt als reeks, set A=(A1 , A2 , , A11 ) en B =(B1 , B2 , , B11 ) waarbij reeks B een inversie is van A.
Elk element Bi correspondeert dus met element Ai door inversie (van intervallen tussen opvolgende noten).
Tabel 1 vermeldt de pitch classes voor de reeks A en B.
pitch class
Set A
Set B
0
A7
B6
1
A8
B3
2
A9
B5
3
A10
B12
4
A5
B9
5
A3
B8
6
A6
B7
7
A4
B11
8
A1
B10
9
A2
B2
10
A11
B4
11
A10
B1
Tabel 1: Pitch class sets A en B, gebruikt in de compositie uit afbeelding 1, staan hier afgebeeld in volgorde
van oplopende pitch classes.
toonladder-transpositie van elkaar zijn, liggen dicht
bij elkaar in deze ruimte. Toonladder transposities
zijn transposities langs een toonladder, waarbij niet
bij alle punten hetzelfde interval wordt opgeteld zoals bij gewone transposities, maar waarbij een melodie een of meerdere stapjes kan worden opgeschoven
in de toonladder. Fragmenten zoals C-D-E (“Do, a
deer”4 ) en D-E-F (“Re, a drop”) zijn voorbeelden
van toonladder transposities. Over beide voorbeelden, verschillende stemmingen en toonladder transposities, zou je dus kunnen zeggen dat hoe dichter de
len sets met noten voor. Punten die dicht bij elkaar
liggen in de ruimte ‘lijken’ op elkaar. Bijvoorbeeld,
het punt dat een C-groot akkoord voorstelt ligt dicht
bij het punt dat een C klein akkoord voorstelt. En
een C-groot akkoord in reine stemming ligt heel dicht
bij een C-groot akkoord in een andere stemming (bijvoorbeeld gelijkzwevende stemming)3 . Ook punten
(sets van noten) die op elkaar lijken omdat ze een
3 In het voorbeeld van figuur 2 representeren de noten sets
(bolletjes) slechts een punt, bijvoorbeeld de set in gelijkzwevende stemming. Echter, de ruimte Rn is een continue ruimte
waarin dezelfde set in een andere stemming (hoewel niet weergegeven in de figuur) vlak bij de set in gelijkzwevende stemming ligt. Voor meer informatie, zie [9].
4 Begin van het lied Do-Re-Mi uit de musical The Sound of
Music.
Pagina 6
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)bleem dat sommige concepten niet precies gedefinieerd zijn. Wiskunde kan hierbij een heel nuttige rol
vervullen. Doordat wiskunde een universele taal is, is
het in staat concepten heel precies te definiëren. Voor
sommige mensen wordt muziektheorie op deze manier
begrijpelijker, voor andere mensen wordt het gecompliceerder. In ieder geval wordt het eenduidiger. Ook
kan wiskunde de soms ver uit elkaar liggende concepten binnen de muziektheorie in een gemeenschappelijke taal beschrijven zodat deze wellicht dichter bij
elkaar worden gebracht. De muzikale structuren beschreven in de CQT ruimte (sectie 2.2) vormen hiervan voorbeelden.
3.1
Dat modellen nuttig zijn behoeft geen betoog. Modellen gaan gepaard met abstracties, zoals we bijvoorbeeld zagen in het bovengenoemde onderzoek. Als
we spreken over ‘pitch classes’ in plaats van noten,
laten we een heleboel informatie over noten weg die
in bepaalde gevallen van groot belang is en in andere
gevallen minder belangrijk is. Een auteur die een model presenteert dat bepaalde abstracties hanteert gaat
er van uit dat de specifieke details minder belangrijk
zijn dan het grotere beeld van het hele model. Zo is
de aanname dat de pitch class een goed model is voor
een toon in een stuk atonale muziek.
Er bestaan verschillende soorten modellen en theorieën. Muziektheorie bevat verschillende methoden
die grofweg in twee groepen kunnen worden verdeeld:
A. theorieën die expliciet als doel hebben een bepaald muziekstuk te analyseren, zoals bijvoorbeeld
Schenkeriaanse analyse [49], of analyse met behulp
van pitch class set theory [21] (zie sectie 2.1), en
B. theorieën die werken op een meer abstract en
filosofisch niveau. Een voorbeeld van deze tweede
groep is Riemanns theorie over de C majeur cadens
C −F −C −G−C [44]. Riemann noemt de C de ‘thesis’, de subdominant F de ’antithesis’ omdat deze de
tonica in twijfel trekt, en de dominant G de ’synthesis’ omdat deze terug leidt naar de tonica. Hij formuleert een theorie over hoe andere akkoorden zouden
kunnen functioneren als thesis, antithesis en synthesis, omdat deze elementen nodig zijn om een cadens te
vormen. Deze theorie over waarom het F -akkoord de
Figuur 2: CQT ruimte uit [9] in drie dimensies:
T3 /(S4 ×Z2 ) Ieder bolletje stelt een set noten voor die
aangegeven worden door de getallen op het bolletje.
punten bij elkaar liggen, hoe meer ze op elkaar lijken.
De CQT ruimte is de eerste gepubliceerde beschrijving van een ruimte die dit verschijnsel modelleert.
De nieuwe CQT ruimte geeft veel mogelijkheden
om muziekfragmenten geometrisch te modelleren wat
van pas kan komen bij muziekanalyse. Een stemvoering is een overgang van een akkoord naar een ander
akkoord. In de CQT ruimte wordt deze overgang
gerepresenteerd door een verbindingslijn van het ene
punt (dat een representatie is van akkoord 1) naar het
andere punt (dat een representatie is van akkoord 2).
De ‘omvang’ van een stemvoering hangt af van de
beweging in de verschillende stemmen tussen de akkoorden. Het vinden van de kleinste afstand tussen
twee punten in de CQT ruimte correspondeert met de
hypothese dat componisten proberen deze omvang zo
klein mogelijk te maken.
3
Modellen
De kracht van wiskunde
Wiskunde speelt de laatste jaren een steeds belangrijkere rol binnen de muziektheorie. Traditionele (niet
mathematische) muziektheorie heeft soms het pro5
Pagina 7
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)tonica C in twijfel trekt en waarom het G-akkoord de
kracht heeft om terug te leiden naar de tonica, is een
theorie die meer te maken heeft met de fundamenten van (Westerse) muziek, dan dat het een theorie is
die direct toegepast kan worden op een bepaald stuk.
Theorieën die in deze tweede groep vallen gaan bijvoorbeeld over toonladders en ander materiaal waar
muziekstukken op gebaseerd zijn.
Er bestaan vaak geen duidelijke verbindingen tussen deze twee groepentheorieën. Mathematische modellen van muziek komen voor in beide categorieën
maar bevinden zich doorgaans meer aan de kant van
het abstracte niveau.
We zullen hier een aantal voorbeelden noemen van
mathematische modellen in bovengenoemde categorieën. Zoals we gezien hebben, is de pitch class set
theorie een duidelijk voorbeeld van een mathematische theorie die het doel heeft om een stuk muziek
te analyseren. Een andere mathematische theorie die
analyse als doel heeft is bijvoorbeeld de ‘Transformational Theory’ ontwikkeld door David Lewin [34].
De Transformational Theory, die gebruikt kan worden voor zowel tonale als atonale muziek, definieert
operaties op een mathematische groep en kan op deze
manier potentiële muzikale gebeurtenissen representeren. De resulterende analysen laten zien hoe een bepaalde muzikale gebeurtenis getransformeerd wordt
in een andere. Een tak van de Transformational Theory is de Neo-Riemannian Theory die ontstaan is als
antwoord op het probleem om 19-de eeuwse chromatische muziek, zoals muziek van Wagner en Liszt,
te analyseren. Deze muziek is niet atonaal maar
gebaseerd op drieklanken, maar desondanks zijn de
analytische modellen bedoeld voor diatonische muziek vaak niet geschikt voor deze muziek. De NeoRiemannian Theory is gecentreerd rond drie specifieke operaties op drieklanken. Deze operaties worden
gebruikt om tonen van een drieklank te verschuiven
naar een naast gelegen toon in de toonladder, terwijl
tenminste een van de tonen gelijk wordt gehouden.
Met deze operaties kunnen akkoord overgangen beschreven worden.
In aanvulling op deze voorbeelden binnen categorie
A noemen we hier ook nog een aantal studies binnen
de mathematische muziektheorie die geı̈nspireerd zijn
door een muziektheoretische uitdaging van een concreet stuk muziek of een bepaalde muziek stijl. Voorbeelden hiervan zijn de onderzoeken naar de perceptie
van accenten in 20-ste eeuwse muziek [45], de relatie tussen toonhoogte en temporele processen in een
Brahms capriccio [33], en de ritmische structuur van
Steve Reichs muziek [17].
Voorbeelden van categorie B zijn bijvoorbeeld modellen van toonladders [11, 5, 29, 3, 16, 15]. Een
aantal wiskundige algemeen geldende eigenschappen
van toonladders (vaak beschreven in termen van wiskundige groepentheorie) zijn hiermee in kaart gebracht. Dit is interessant om een aantal redenen.
Allereerst kan de definitie van een toonladder hiermee preciezer gemaakt worden. Ten tweede kunnen
deze eigenschappen nieuwe inzichten over muziek geven en daarmee bijdragen aan de verklaring voor de
oorsprong van bepaalde toonladders5 . Als laatste
kunnen deze eigenschappen ook worden gebruikt om
nieuwe toonladders te ontwikkelen.
Een ander voorbeeld van categorie twee is het onderwerp stemmingen en intonatie. Niet alleen is
wiskunde gebruikt om de stemmingsproblematiek in
kaart te brengen, er is zelfs een heel aantal alternatieve stemmings- en intonatie-systemen ontwikkeld
op basis van discrete wiskunde. Een aantal onderzoekers heeft zich afgevraagd welke alternatieven er
zijn voor bijvoorbeeld reine stemming [39, 65] of gelijkzwevende stemming [20, 5, 25].
Er zijn ook studies binnen de mathematische muziektheorie die uitgaan van een algemene theorie die
toegepast wordt op een concreet stuk muziek. Voorbeelden hiervan zijn een topologisch model van motiefanalyse toegepast op Schumanns Träumerei [8] dat
de karakteristieke motiven van het stuk bepaalt, en
een topologisch model van het fenomeen ‘consonantie en dissonantie’ dat analytische inzichten geeft in
Skrjabins Op. 65 Nr. 3, gebaseerd op harmonische
progressies welke verder gaan dan de typische majeur
en mineur akkoorden uit het diatonische tijdperk [37].
5 Balzano [5] heeft bijvoorbeeld onderzoek gedaan naar groepen theoretische eigenschappen van microtonale toonsystemen,
en trekt het belang van frequentie verhoudingen als verklaring
voor de oorsprong van het 12-toons systeem in twijfel door te
zeggen dat misschien de groepen theoretische eigenschappen
vanaf het begin af aan perceptueel belangrijker zijn geweest (“
it may well be that the group-theoretic properties [..] were the
more perceptually important all along”).
Pagina 8
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)Uitdagingen
land en de rest van Europa. In Amerika, echter, worden steeds meer cursussen pitch class set theory en
transformational theory aangeboden binnen de studie
‘music’ en soms zelfs binnen de studie ‘mathematics’.
Het zou, voor wederzijds begrip tussen wiskundigen
en musicologen, erg helpen als dit soort cursussen ook
buiten Amerika aangeboden zouden worden.
De meeste problemen lijken met name te ontstaan
door het hoge abstractieniveau dat wiskundig onderzoek kan hebben. Een deel van deze problemen zal
zichzelf oplossen in de tijd: goed onderzoek zal door
de jaren heen steeds meer geciteerd en uitgediept worden (zoals ook gebeurd is met de pitch class set theory) zodat er een bredere context ontstaat waardoor
ook mensen met een mindere wiskundige achtergrond
hieraan kunnen relateren.
Ter vergelijking, terwijl computationele methoden
in muziekonderzoek al gebruikt worden sinds de jaren 50, zijn deze lang onder-gerepresenteerd gebleven
in dit vakgebied. Een van de redenen hiervoor was
dat de resultaten van het computationeel modelleren
niet overtuigend genoeg waren voor traditionele musicologen om de tijd te investeren om meer vertrouwd
te worden met deze methoden. Dit is de laatste decennia veranderd door de massale digitalisatie van
muziek en de hierdoor ontstane behoefte om deze informatie te kunnen hanteren. Iets vergelijkbaars is
voor te stellen bij wiskundige modellen: deze zullen
meer geaccepteerd worden binnen het muziekonderzoek als de voordelen hiervan meer duidelijk worden
naar buitenstaanders.
Tenslotte, steeds vaker verschijnen er gezamenlijke
publicaties door wiskundigen en musicologen [18, 19,
2], hetgeen de acceptatie van dit nieuwe vakgebied
zeer zeker ten goede komt.
Het tijdschrift Journal of Mathematics and Music
is onder andere opgericht met de achterliggende gedachte dat niet meer alle basis wiskunde uitgelegd
hoeft te worden aan het begin van een artikel. Het
tijdschrift veronderstelt een basiskennis van wiskunde
zodat in de gepubliceerde artikelen snel meer diepgang bereikt kan worden. Dit is aan de ene kant
natuurlijk prettig, maar aan de andere kant komt dit
vakgebied op deze manier verder af te staan van andere disciplines die deze artikelen nu niet meer zo
makkelijk kunnen begrijpen.
Dit lijkt een probleem te zijn en soms klinkt er
kritiek uit verschillende hoeken. Sommige mensen
lijken helemaal niet geı̈nteresseerd in onderzoek dat
zo abstract is dat het niet meteen resultaten oplevert. “Maar wat betekent dit dan?”, of “Dit is zo
algemeen dat het niets betekent”, of juist “Dit is zo
abstract dat het de werkelijkheid helemaal niet goed
weergeeft” zijn opmerkingen die vaak gehoord zijn.
Een voorbeeld van onderzoek waar dit soort kritiek
op is geuit, betreft de CQT theorie. Anders dan de
pitch class set theorie, is de CQT theorie nog nauwelijks toegepast op echte muziekproblematiek. Het
model is gepresenteerd als basis met veel mogelijke
toepassingen. Echter, zonder deze toepassingen kan
het moeilijk zijn om de waarde van het model in te
schatten. Het model abstraheert op veel vlakken van
de muziek-realiteit, en de waarde van abstracties worden vaak duidelijker in concrete toepassingen.
Er zijn gelukkig ook voorbeelden van onderzoek
binnen de mathematische muziektheorie dat algemene waardering kent, zoals het werk van David Lewin. David Lewin, de grondlegger van de Transformational Theory, werd en wordt geroemd door mensen uit diverse vakgebieden en zelfs door de pers. Een
artikel in de New York Times verscheen na zijn dood
en zegt onder andere dat zijn invloed ongelooflijk is
geweest (“his influence has been extraordinary”) [47].
Het is jammer dat wiskundige methoden nauwelijks voorkomen in het curriculum van de musicologie
opleiding. Zelfs pitch class set theory en transformational theory, die toch belangrijke analyse methoden zijn voor muziek, zijn doorgaans geen gebieden
waarin musicologen zich verdiepen, althans in Neder-
3.3
Toepassingen
Op het gebied van computationeel modelleren, was er
in de jaren 70 veel kritiek op de modellen in de muziektheorie. Ze zouden niet geı̈mplementeerd kunnen
worden omdat ze niet precies genoeg waren [40, 4, 58].
Er was dus vraag naar betere implementeerbare modellen, en wiskunde was hier duidelijk welkom.
Laten we naar de waarde van wiskunde binnen
de muziek kijken aan de hand van een aantal (com7
Pagina 9
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)75/64 225/128
40/27
10/9
5/3
5/4
15/8
45/32 135/128
32/27
16/9
4/3
1
3/2
9/8
27/16
256/135 64/45
16/15
8/5
6/5
9/5
27/20
256/225 128/75 32/25
48/25
36/25
27/25
F#
C#
G#
D#
A#
G
D
A
E
B
F#
C#
81/64
Eb
Bb
F
C
G
D
A
81/80
Cb
Gb
Db
Ab
Eb
Bb
F
Ebb
Bbb
Fb
Cb
Gb
Db
(a)
(b)
6
1
8
3
10
7
2
9
4
11
6
1
E
3
10
5
0
7
2
9
4
C
11
6
1
8
3
10
5
0
2
9
4
11
6
1
(c)
Figuur 3: Euler-rooster van (a) frequentie verhoudingen, (b) noot namen en (c) pitch classes. In afbeelding (a) is
de diatonische majeurtoonladder ingetekend die een convex figuur beschrijft in deze ruimte [29].
Ragtime muziek (zie figuur 4) waarbij het gemakkelijk is om de maat mee te kunnen tikken, en anderzijds muziekstukken die een onregelmatige ritmische
structuur hebben, zoals Stravinsky’s Sacre du printemps (zie figuur 5). Het model is tevens gebruikt om
dansmuziek patronen [14] en volksliedjes [62] te classificeren aan de hand van ritmische gelijksoortigheid,
en om stabiele segmenten binnen muziek stukken te
vinden [61].
Andere toepassingen binnen de muziek die hebben
geprofiteerd van een mathematische aanpak zijn bijvoorbeeld ‘key finding’, ‘segmentatie’, en ‘similarity’.
Bij ‘key finding’ gaat het om het automatisch vinden
van de juiste toonsoort in een muziekstuk. Dit probleem is onder andere succesvol aangepakt met een
geometrisch model [12, 35] en met Bayesiaanse principes [54]. Bij segmentatie is het doel een muziekstuk
automatisch te segmenteren in perceptueel logische
groepen. Net als tekst gesegmenteerd kan worden
in zinnen, bijzinnen, en woorden, kan muziek gesegmenteerd worden in frases en subfrases. Verschillende soorten technieken worden hiervoor gebruikt,
waaronder statistische methoden toegepast op experimentele data [7, 52]. Als laatste, ‘similarity’, ofwel
gelijkenis of gelijksoortigheid, is een ruim begrip en
kan betrekking hebben op verschillende muzikale entiteiten, van ritmes en melodieën tot pitch class sets.
Gelijksoortigheid van melodieën heeft belangrijke implicaties voor bovengenoemde segmentatie [10], maar
ook voor het gebied van Music Information Retrieval,
om een automatische zoek naar melodieën binnen een
grote corpus mogelijk te maken [63, 22]. Verder zijn
er verschillende mathematische formules ontwikkeld
om de mate van gelijkenis van pitch class sets aan te
putationele) toepassingen. Aline Honingh heeft een
model ontwikkeld voor de geometrische interpretatie
van toonrelaties en ontdekte dat toonstructuren zoals toonladders en akkoorden bijna altijd een convexe
en compacte vorm hebben in het Euler-rooster, zie figuur 3 [29]. Dit resultaat is onder andere gebruikt om
het ‘pitch spelling’ probleem aan te pakken. De term
‘pitch spelling’ refereert naar de spelling van noten
in muziek: wanneer wordt pitch class ‘1’ geschreven
(gespeld) als een C♯ en wanneer als een D♭? Dit probleem is bijvoorbeeld van belang bij muzieknotatie
software. Het probleem blijkt grotendeels opgelost te
kunnen worden door pitch class sets van het Eulerrooster van pitch classes zoveel mogelijk convex en
compact af te beelden op het Euler-rooster van noot
namen [28] Het principe van convexe en compacte afbeeldingen is verder gebruikt bij het aanpakken van
intonatie problematiek [27, 24] en het automatisch
vinden van modulaties in muziek [26].
Anja Volk heeft het model ‘Inner Metric Analysis’
(interne metrische analyse) gebruikt om verschillende
aspecten te beschrijven van de ritmische en metrische structuren in muziek [59, 60]. Het model heeft
een algebraisch topologische basis. Voor elke noot
wordt een metrisch gewicht berekent dat het (metrische) belang van deze noot in zijn context aangeeft,
gebaseerd op de detectie van noten met gelijke tussenpozen (gemeten vanaf de noot aanzet) in het stuk
muziek. Het model bepaald dus de interne metrische
structuur die ontstaat door de noten, in tegenstelling
tot de externe metrische structuur die gegeven wordt
door de maatsoort van een stuk muziek. Het model
kan onderscheid maken tussen enerzijds muziekstukken die een regelmatig ritmisch patroon volgen, zoals
Pagina 10
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)Figuur 4: Metrisch gewicht diagram van Scott Joplins Nonpareil Rag met een regelmatig patroon: Hoe hoger de
lijn, hoe groter het gewicht van de corresponderende noot. De van donker naar licht overlopende grijze achtergrond
correspondeert met de maten zoals aangegeven in de partituur.
Figuur 5: Metrisch gewicht diagram van Igor Stravinsky’s Danse Sacrale met een onregelmatig ritmisch patroon.
duiden [31, 36, 43, 46], die op hun beurt weer gebruikt 4
Concluderende opmerkingen
zijn voor verschillende doeleinden, onder andere voor
We hebben gezien dat mathematische muziektheoclassificatie [42].
rie een onderzoeksgebied is waarin zeer diverse wiskundige technieken gebruikt worden (statistische methoden, groepentheorie, geometrische modellen, getaltheorie, topologie). Dit vakgebied is niet homogeen wat betreft de muzikale toepassingen: Er zijn
Alle bovengenoemde toepassingen zijn voorbeelden enerzijds abstracte modellen die theoretiseren over de
van gemodelleerde cognitieve processen. Het zijn als basiselementen van de muziek, en anderzijds modelhet ware ‘taken’ die mensen goed kunnen, maar waar- len die direct geı̈nspireerd zijn door concrete stukken
van het heel lastig is om precies te noteren wat er ge- muziek. Verder is het kenmerkend dat onderzoekers
beurt. Neem als voorbeeld het segmenteren van mu- in dit vakgebied verschillende achtergronden hebben.
ziek in frasen. De meeste mensen, zeker degenen die Sommigen hebben een achtergrond in wiskunde en
muzikaal geschoold zijn, doen dit automatisch goed, anderen in musicologie (en vakgebieden als natuurop hun gevoel. Het is echter heel lastig om dit proces kunde of informatica zijn ook goed denkbaar), maar
in een set regels of mathematische code op te schrij- de meesten zijn in beide vakgebieden onderwezen.
De kracht van wiskunde in muziekonderzoek is dat
ven. Maar als we dit toch proberen te doen, zal een
succesvol model niet alleen heel waardevol zijn voor 1) het zaken heel precies kan formuleren, 2) wiskundig
het automatisch segmenteren van muziek, maar ook geformuleerde theorie implementeerbaar is in cominzicht kunnen geven in de cognitieve aspecten die putationele modellen die o.a. automatische analyse
een rol spelen bij het menselijke muziek-segmentatie van muziek mogelijk maken, en 3) hierdoor mogelijk
proces. Verder kunnen de inzichten in de cognitieve meer inzicht verkregen kan worden in muziek gerelaprocessen weer dienen als een nieuwe beginpunt voor teerde cognitieve processen.
een (mathematisch) model.
Terwijl musicologie zich meestal richt op het bestu9
Pagina 11
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)deren van een bepaalde muziekstijl of een specifieke
vraag, heeft mathematische muziektheorie vaak als
doel meer algemeen geldende theoriën op te stellen
hetgeen tot een beter begrip van muziek en muziek
maken/beluisteren kan leiden.
De voorbeelden van gecombineerd wiskunde en muziekonderzoek genoemd in dit artikel zijn nog maar
het begin van wat allemaal mogelijk is in deze onderzoeksrichting. Dit eeuwenoude vakgebied heeft nog
vele bruisende jaren in het vooruitzicht.
5
Dankwoord
[7] Rens Bod. Memory-based models of melodic
analysis: Challenging the Gestalt principles.
Journal of New Music Research, 31(1):27–37,
2002.
[8] Chantal Buteau and Guerino Mazzola. Motivic
analysis according to Rudolph Reti: Formalization by a topological model. Journal of Mathematics and Music, 2(3):117–134, 2008.
[9] Clifton Callender, Ian Quinn, and Dmitri Tymoczko. Generalized voice-leading spaces. Science, 320:346–348, 2008.
De auteurs willen Frans Wiering, Remco Veltkamp en [10] Emilios Cambouropoulos. Musical parallelism
and melodic segmentation: A computational apPeter van Kranenburg bedanken voor verhelderende
proach. Music Perception, 23(3):249–269, 2006.
discussies en nuttige suggesties.
[11] Norman Carey and David Clampitt. Aspects
of well-formed scales. Music Theory Spectrum,
11(2):187–206, 1989.
Referenties
[1] Coutney S. Adams. Erik Satie and golden section analysis. Music and Letters, 77(2):242–252, [12] Elaine Chew. Towards a mathematical model
1996.
of tonality. PhD thesis, Operations Research
Center, Massachusetts Institute of Technology,
[2] Anna Rita Addessi, Mirko Degli Esposti, and
Cambridge, 2000.
Francois Pachet. Musical style again: A mathematical analysis of musical intertext. In Pro- [13] Elaine Chew. Music and operations research ceedings of the fourth Conference on Interdiscithe perfect match? OR/MS Today, 35(3):26–31,
plinary Musicology (CIM), Thessaloniki, Greece,
2008.
2008.
[14] Elaine Chew, Anja Volk, and Chia-Ying Lee.
[3] Eytan Agmon. A mathematical model of the diaDance music classification using inner metric
tonic system. Journal of Music Theory, 33(1):1–
analysis: a computational approach and case
25, 1989.
study using 101 latin american dances and national anthems.
In Proceedings of the 9th
[4] Bo H. Alphonce. Music analysis by computer: a
INFORMS
Computing
Society Conference, vofield of theory formation. Computer Music Jourlume
29,
pages
355–370.
Springer OR/CS Internal, 4(2):26–35, 1980.
faces Series, 2005.
[5] Gerald J. Balzano. A group theoretical description of 12-fold and microtonal pitch systems. [15] John Clough and Jack Douthett. Maximally
even sets. Journal of Music Theory, 35:93–173,
Computer Music Journal, 4(4):66–84, 1980.
1991.
[6] David Benson. Music: A Mathematical Offering.
Cambridge University Press, 2006. [16] John Clough and Gerald Myerson. Variety and
Also available from http://www.maths.abdn.
multiplicity in diatonic systems. Journal of Muac.uk/~bensondj/html/music.pdf.
sic Theory, 29(2):249–270, 1985.
Pagina 12
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)[17] Richard Cohn. Transpositional combination of
Music (MCM2007), Berlin, Germany May 18beat-class sets in steve reich’s phase-shifting mu20, 2007.
sic. Perspectives of New Music, 30(2):146–177,
1992.
[27] Aline K. Honingh. A geometrical approach to
find the preferred intonation of chords. Tech[18] Karst de Jong and Thomas Noll. Contiguous
nical Report TR/2008/DOC/02, Department of
fundamental bass progressions. Dutch Journal
Computing, City University London, 2008.
of Music Theory, 13(1), 2008.
[19] Manuel Dominguez, David Clampitt, and Tho- [28] Aline K. Honingh. Compactness in the Euler
lattice: A parsimonious pitch spelling algorithm.
mas Noll. Well-formed scales, maximally even
Musicae Scientiae, XIII(1):117–138, 2009.
sets, and christoffel words. In Proceedings of the
Mathematics and Computation in Music confe[29] Aline K. Honingh and Rens Bod. Convexity and
rence (MCM), Berlin, Germany, 2007.
the well-formedness of musical objects. Journal
[20] Adriaan D. Fokker.
Equal temperament
of New Music Research, 34(3):293–303, 2005.
and the thirty-one-keyed organ.
manuscript, 1955.
http://www.xs4all.nl/ huy- [30] Julian Hook. Exploring musical space. Science,
gensf/doc/fokkerorg.html.
313(5783):49–50, 2006.
[21] Alan Forte. The Structure of Atonal Music. New
Haven: Yale University Press, 1973.
[31] Eric J. Isaacson. Similarity of interval-class content between pitch-class sets: the IcVSIM relation. Journal of Music Theory, 34:1–28, 1990.
[22] Joerg Garbers, Peter van Kranenburg, Anja
Volk, Frans Wiering, Remco C. Veltkamp, and
Louis P. Grijp. Using pitch stability among [32] Jonathan Kramer. The fibonacci series in twentieth century music. Journal of Music Theory,
a group of aligned query melodies to retrieve
17:111–148, 1973.
unidentified variant melodies. In Proceedings of
the Eighth International Conference on Music
On harmony and meter in
Information Retrieval (ISMIR), pages 451–456, [33] David Lewin.
Brahmss
op.
76,
no. 8. 19th-Century Music,
Vienna, Austria, 2007.
4(3):261–326, 1981.
[23] Rachel W. Hall. Geometrical music theory. Science, 320(5874):328–330, 2008.
[34] David Lewin. Generalized Musical Intervals and
Transformations. Yale University Press: New
[24] Aline K. Honingh. Convexity and compactHaven, CT, 1987.
ness as models for the preferred intonation of
chords. In Proceedings of the Ninth International [35] Hugh Christopher Longuet-Higgins and Mark
Conference on Music Perception and Cognition
Steedman. On interpreting Bach. In Hugh Chris(ICMPC 9), Bologna, 22-26 August, 2006.
topher Longuet-Higgins, editor, Mental Proces[25] Aline K. Honingh.
The Origin and WellFormedness of Tonal Pitch Structures. PhD thesis, University of Amsterdam, The Netherlands,
2006.
ses: Studies in Cognitive Science, pages 82–
104. British Psychological Society/MIT Press,
1987/1971. Published earlier as Longuet-Higgins
and Steedman (1971).
[26] Aline K. Honingh. Automatic modulation fin- [36] Robert Morris. A similarity index for pitch-class
ding using convex sets of notes.
In Prosets. Perspectives of New Music, 18:445–460,
ceedings of Mathematics and Computation in
Pagina 13
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)[37] Thomas Noll and Anja Volk.
Transforma- [51] Guido F. Smoorenburg. Pitch perception of twotionelle logik der dissonanzen und konsonanfrequency stimuli. Journal of the Acoustical Sozen. In B. Enders, editor, Mathematische Muciety of America, 48:924–942, 1970.
sik musikalische Mathematik. PFAU-Verlag,
[52] Neta Spiro. What contributes to the perception
Saarbrücken, 2005.
of musical phrases in western classical music?
[38] Hugo Norden. Proportions in music. Fibonacci
PhD thesis, University of Amsterdam, 2007.
Quarterly, 2:219–222, 1964.
[53] Diana Stammers. Set theory in the perception of
[39] Harry Partch. Genesis of a Music. Da Capo
atonal pitch relations. PhD thesis, Cambridge
Press, second edition, 1949/1974.
University, 1994.
[40] P. Howard Patrick. A computer study of a
suspension-formation in the masses of Josquin [54] David Temperley. Music and Probability. The
MIT Press, 2007.
Desprez. Computers and the Humanities, 8:321–
331, 1974.
[55] Mark J. Tramo, Peter A. Cariani, Bertrand Del[41] Reinier Plomp and Willem J. Levelt. Tonal congutte, and Louis D. Braida. Neurobiological
sonance and critical bandwith. Journal of the
foundations for the theory of harmony in western
Acoustical Society of America, 38:548–560, 1965.
tonal music. Annals of the New York Academy
of Science, 930:92–116, 2001.
[42] Ian Quinn. Listening to similarity relations. Perspectives of New Music, 39:108–158, 2001.
[56] Dmitri Tymoczko. The geometry of musical
chords. Science, 313(5783):72–74, 2006.
[43] John Rahn. Relating sets. Perspectives of New
Music, 18:483–498, 1980.
[57] Jan Van de Craats. De fis van Euler: Een
[44] Hugo Riemann. Musikalische Logik. Leipzig,
nieuwe visie op de muziek van Schubert, Beetho1873.
ven, Mozart en Bach. Aramith Uitgevers, Bloemendaal, 1989.
[45] John Roeder. A calculus of accent. Journal of
Music Theory, 39(1):1–46, 1995.
[58] Barry Vercoe. Review of “The computer and
[46] David W. Rogers. A geometric approach to pcset
similarity. Perspectives of New Music, 37(1):77–
90, 1999.
[47] Edward Rothstein. A seeker of music’s poetry in
the mathematical realm. The New York Times,
June 28 2003.
music”by Harry B. Lincoln. Perspectives of New
Music, 9:323–330, 1971.
[59] Anja Volk. Persistence and change: local and
global components of metre induction using inner metric analysis. Journal of Mathematics and
Music, 2(2):99–115, 2008.
[48] Art Samplaski. The relative perceptual salience [60] Anja Volk. The study of syncopation using inner
of Tn and TnI. Music Perception, 21(4):545–559,
metric analysis: Linking theoretical and experi2004.
mental analysis of metre in music. Journal of
New Music Research, 2009. to appear.
[49] Heinrich Schenker. Harmonielehre. Wien, Universal edition, 1906.
[50] Michiel Schuijer. Atonal music: Pitch-Class Set
Theory and Its Contexts. University of Rochester
Press, 2008.
12
[61] Anja Volk and Elaine Chew. Reconsidering the
affinity between metric and tonal structures in
Brahms’ capriccio op. 76, no. 8. Computing in
Musicology, 15:138–171, 2008.
Pagina 14
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)[62] Anja Volk, Joerg Garbers, Peter van Kranenburg, Frans Wiering, Remco C. Veltkamp, and
Louis P. Grijp. Applying rhythmic similarity
based on inner metric analysis to folksong research. In Proceedings of the Eighth International Conference on Music Information Retrieval
(ISMIR), pages 293–296, Vienna, Austria, 2007.
[63] Anja Volk, Peter van Kranenburg, Joerg Garbers, Frans Wiering, Remco C. Veltkamp, and
Louis P. Grijp. A manual annotation method
for melodic similarity and the study of melody
feature sets. In Proceedings of the Ninth International Conference on Music Information Retrieval (ISMIR), pages 101–106, Philadelphia, USA,
2008.
[64] Peter Westergaard. Webern and “total organization”: An analysis of the second movement of
the piano variations, op. 27. Perspectives of New
Music, 1(2):107–120, 1963.
[65] Yoseph Yasser. A theory of evolving tonality.
New York: Da Capo Press, 1975.