Volledige tekst tonen71 pagina's
Pagina 1
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)DK ACC
E RR \ Ba
ea
7
Stricker B. H.- De praehelleense ascese. OMRL 1967 XLVIII: 44-55.* Dans les prescriptions
nd
alimentaires et hygiéniques de Pythagore nous retrouvons des éléments de rites d'abstinenceet
d'ascèse orientaux. Cependant, le pythagorisme connaissait aussi des règles qui sortent du cadre
oriental (à suivre).
…°
)
Stricker B. H.- De praehelleense ascese (Vervolg). OMRL 1968 XLIX: 18-39.* Prescriptions
LN
d'hygiène, de sobriété et d'abstinences diverses chez les Egyptiens, les Juifs et les Phéniciens (à
5a
De
suivre).
ET &
en en
.
Stricker B. H.- De praehelleense ascese: 86: KAGNEIIA. OMRL 1969 L : 8-16.« Suite de la revue
des prescriptions d'hygiène dans le monde antique (cf. APh OXX 239 & XLI 692).
Oe
neve AT
Seren
[43-10890
{
94 L
Stricker B. H. - De praehelleense ascese. OMRL 1971 LIl : 54-70. * Dans les religions égyptienne et
judaïque ainsi que dans les rites de l'antiquité classique, l'abstinence alimentaire et sexuelle remplace,
Lb
en tant qu'arrêt temporaire des fonctions vitales, le sacrifice ; elle est toujours en rapport avec l'idée de
q 91
la mort. La suppositio (U(PALLAGH/) et la permutatio sacrificii sont d'autres formes de la même
pensée (à suivre).
en Mr nne
Jao
i
(
7
[44-09663
Stricker B. H. - De praehelleense ascese (Vervolg). OMRL 1974 LV: 129-197.« Le sacrifice et ses
bas R
différentes formes, circoncision et sacerdoce (pour la partie précédente de’ 'atticle, cf. APh XLIV p.
712).
Phan
Al dk
[49-11523
Stricker B. H. - De praehelleense ascese (Vervolg). OMRL 1976 LVII : 299-333. * Le symbolisme du
soleil et les rites de purification dans les mondes égyptien, juif, hellénique et chrétien.
PN
A
C
q9 q
[49-11524
Û
memmen
Stricker B. H. - De praehelleense ascese. Vervolg. OMRL 1980 LXI : 209-251. * Votum, nuncupatio et
serment dans le monde gréco-romain et chez les peuples d'Orient (cf. APh XLIX N° 11523) & (cf. APh
XLIX N° 11524).
CAL
=
[51-11160
od heerlanhge
ma
ve
beng
tan fe A
ck
Ass U
q
GW ÔSO5 3
je °
N
_—
leed
mmm
SAnccAar Ru.
be pre bellers
Sy ype
-
Ae
LXIV
Kr |
en
Ar Ra
A
De
Suryk
ty
AEN
tte
p
l3 83
t- so
Sat ‘ag
jer
veh
bede
by
doe)
jeer
P v-to
Pagina 2
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)Het offer
$9 Het offer is van oorsprong rechtsinstelling. Het was, als slachting van een substituut, in het strafrecht executie, in het procesrecht bewijsmiddel, in het verbintenissenrecht
constituerende handeling. Het had tweeledige betekenis, was zowel straf als bewijs; de leden
waren, als in alle symboliek, onscheidbaar met elkander verbonden. In de cultus overgenomen,
ontwikkelde het zich daar verder, terwijl het als rechtsinstelling in onbruik geraakte en slechts
in restanten in de litteratuur bewaard is.
De straf werd oudtijds voltrokken door de beledigde partij zelf; in geval van moord bij
bloedwraak. In geval van blote doodslag voorkwam men verder bloedvergieten door de schuldige een substituut te doen stellen. De Egyptenaar, die zonder opzet een mens gedood had,
werd verbannen, doch mocht na gezette termijn terugkeren. Hij doodde dan op het graf van
zijn slachtoffer een substituut en ging vrij uit ®2“. De Romeinse koning Numa Pompilius
bepaalde, dat hij, die zonder opzet een mens gedood had, in de volksvergadering aan diens
agnaten een ram als substituut moest stellen 525. De slachting van dit substituut was straf,
maar ook bewijs, erkenning van de schuld door de schuldige. In het procesrecht lag dit omgekeerd. Wanneer bij de Joden in het vrije veld een moord was gepleegd en de dader onvindbaar
bleek, namen de magistraten der naastbij gelegen dorpen een vaars, die zij op een ongecultiveerde plaats slachtten. Boven het lijk wasten zij hun handen met bronwater en betuigden hun
onschuld #2. De vaars stelde de magistraten gezamenlijk voor 527; haar slachting was bewijs
hunner onschuld, maar bij bevinding van het tegendeel tevens hun straf bij anticipatie. Evenzo,
in de cultus geïncorporeerd, het „spijsoffer der ijveringen”’. De van overspel verdachte vrouw
werd voor de priester geleid met in de hand een offergave van gerstemeel 2. De priester
824 Philostr., Vit. Apollon, VI 5. Grieken: vgl. Plut., Amat. Narr., 3.
825 Leg. XII Tab., VIII 24; Serv, Comment.
in Vergil., Bucol.,
IV 43. Grieken: Demet de. XXII 72.
826 Deut., XXI 1-9; Flav. Jos., Antig., IV 220-222; Miën., Sot., IX 1-9. Zie noot 890, 891, 1307.
827 Niet de vermoorde, gelijk verondersteld in Oudh. Med., deel XLVIII, Leiden 1967, blz. 43. Voor een reconstructie van de moord bestond geen reden.
828 Nummer., V 15; Phil. Jud., De Spec. Legib., III 57; Flav. Jos., II 270-272; Miën., Söt., II 1 : Talm. Babl.,
Zebäh., 90a. Waartoe : — 1° Gerst en tarwe werden het eerst gecultiveerd door Osiris en Isis : Diod. Sic, Bibl. Hist.,
114, 1-3, 17, 1; Leo Pell, fr. 6 (Jacoby); vgl. Sarcoph., spreuk 330; Herod., Hist, II 36; Stob. Herm, XXIII 65. Zij
vormen sindsdien het fundamentele voedsel van de mens : Pap. Berlijn, no. 13603, IV 1, 5 (naar W. Erichsen en S.
Schott, Fragmente Memphitischer Theologie in Demotischer Schrift, Wiesbaden, 1954, blz. 316-317). Bij de Indiërs
treden daarvoor gerst en rijst in de plaats : Satapathabrähmana, 1 2, 3,7; vgl. Plin., Nat. Hist, XVIII 71. De Egypte-
Pagina 3
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)Het offer
$9 Het offer is van oorsprong rechtsinstelling. Het was, als slachting van een substituut, in het strafrecht executie, in het procesrecht bewijsmiddel, in het verbintenissenrecht
constituerende handeling. Het had tweeledige betekenis, was zowel straf als bewijs; de leden
waren, als in alle symboliek, onscheidbaar met elkander verbonden. In de cultus overgenomen,
ontwikkelde het zich daar verder, terwijl het als rechtsinstelling in onbruik geraakte en slechts
in restanten in de litteratuur bewaard is.
De straf werd oudtijds voltrokken door de beledigde partij zelf; in geval van moord bij
bloedwraak. In geval van blote doodslag voorkwam men verder bloedvergieten door de schuldige een substituut te doen stellen. De Egyptenaar, die zonder opzet een mens gedood had,
werd verbannen, doch mocht na gezette termijn terugkeren. Hij doodde dan op het graf van
zijn slachtoffer een substituut en ging vrij uit ®2*. De Romeinse koning Numa Pompilius
bepaalde, dat hij, die zonder opzet een mens gedood had, in de volksvergadering aan diens
agnaten een ram als substituut moest stellen 225. De slachting van dit substituut was straf,
maar ook bewijs, erkenning van de schuld door de schuldige. In het procesrecht lag dit omgekeerd. Wanneer bij de Joden in het vrije veld een moord was gepleegd en de dader onvindbaar
bleek, namen de magistraten der naastbij gelegen dorpen een vaars, die zij op een ongecultiveerde plaats slachtten. Boven het lijk wasten zij hun handen met bronwater en betuigden hun
onschuld 826. De vaars stelde de magistraten gezamenlijk voor 527; haar slachting was bewijs
hunner onschuld, maar bij bevinding van het tegendeel tevens hun straf bij anticipatie. Evenzo,
in de cultus geïncorporeerd, het ‚„spijsoffer der ijveringen”. De van overspel verdachte vrouw
werd voor de priester geleid met in de hand een offergave van gerstemeel *2s. De priester
824 Philostr., Vit. Apollon, VI 5. Grieken: vgl. Plut., Amat. Narr., 3.
:
825 Leg. XII Tab, VIII 24; Serv, Comment. in Vergil., Bucol., IV 43. Grieken : Demosth., Or., XXIII 72.
826 Deut., XXI 1-9; Flav. Jos., Antiq., IV 220-222; Miën., Söt., IX 1-9. Zie noot 890, 891, 1307.
827 Niet de vermoorde, gelijk verondersteld in Oudh. Med., deel XLVIII, Leiden 1967, blz. 43. Voor een reconstructie van de moord bestond geen reden.
828 Nummer. V 15; Phil. Jud., De Spec. Legib., III 57; Flav. Jos, III 270-272; Miën., Söt., II 1 : Talm. Babl.,
Zebäh., 90a. Waartoe : — 1° Gerst en tarwe werden het eerst gecultiveerd door Osiris en Isis : Diod. Sic., Bibl. Hist.,
114, 1-3, 17, 1; Leo Pell, fr. 6 (Jacoby); vgl. Sarcoph., spreuk 330; Herod., Hist, II 36; Stob. Herm., XXIII 65. Zij
vormen sindsdien het fundamentele voedsel van de mens : Pap. Berlijn, no. 13603, IV 1, 5 (naar W. Erichsen en S.
Schott, Fragmente Memphitischer Theologie in Demotischer Schrift, Wiesbaden, 1954, blz. 316-317). Bij de Indiërs
treden daarvoor gerst en rijst in de plaats : Satapathabrähmana, 12, 3, 7; vgl. Plin., Nat. Hist, XVIII 71. De Egypte-
Pagina 4
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)schreef op een cedeltje een vervloeking, waarvan hij de inkt uitwiste in een kom gevuld met
water en een weinig stof van de vloer van de tabernakel 82°. Hij nam het gerstemeel uit de
hand der vrouw, zwaaide het heen en weder 83% en offerde het op het altaar; als bewijs van de
goede trouw der vrouw en tevens als haar bestraffing. De vrouw dronk vervolgens het vloekwater op 6%. Bij het aangaan van een verbintenis slachtte men in plechtige uitvoering een
substituut en legde daarboven de eed af. De details zijn reeds besproken 52. De slachting
bij de eed was veelal niet straf alleen, maar bepaalde ook de wijze, waarop de straf ten uitvoer
zou worden gebracht 522.
In al deze gevallen, behalve in dat der overspelige, was de slachting profane handeling.
Voor de delen van het gedode substituut bestond in principe geen bestemming. Zij werden benaar en de Jood aten brood in de tempel : Merikare, 65; Ezech., XLIV 3; zie noot 1414. Noch gerst, noch tarwe,
maar spelt daarbuiten : Herod., Hist, II 36. De Perzische bakker bakte zijn brood uit eerbied gesluierd : Elis. Vart.,
Hist. Vart., 2 (p. II 200a, Langlois); vgl. Anaxarch., fr. 72 A,9 (Diels; hierboven, noot 61). — 29 Gerst is als voedsel
het oudste van de twee : Theophrast., De Pietat., fr. 2 (Pötscher); Dionys. Halic., Antiq. Rom, II 25, 2; Plut.,
Quaest. Graec., 6; Artemid., De Somn. Interpr., I 69; Schol. in Hom., Il, T #49; Schol. in Hom., Odyss., III 441;
Eustath., Comment. in Hom, IÌ., p. 132-133 (ed. Rom.); Idem, Comment. in Hom., Odyss., p. 1476 (ed. Rom.);
Lexic. Sud., sub voce Oùhobvretv; Etym. Magn., sub voce OöÀoytras mpoBdhovro; Plin., Nat. Hist, XVIII 72. Gerst is
het „„merg der mannen” : Hom., Odyss., II 290, met scholion. Zij wordt als eerste der granen uitgezaaid en een maand
eerder dan de tarwe gemaaid : Exod., IX 31-32; Theophrast., Hist. Plant., VIII 2, 7; Plin., Nat. Hist., XVIII 60,
71, 80; vgl. Miën., Nedär., VIII 4. De in noot 87 besproken beelden van Osiris werden uitgezaaid in gerst : Osirismysterie, 1-13 (Chassinat; diens commentaar op blz. 148-150); vgl. Dodenb., CLXXIII 35 (Naville); Corpus Inscriptionum
Atticarum, Berlijn, 1873-1893, deel III 1, blz. 45, no. 77 (4-6). In de symboliek der Egyptenaren beantwoordt gerst
aan de man, tarwe aan de vrouw : Pap. Berlijn, no. 3038, recept 199 (naar S. Sauneron, Bulletin de l'Institut Frangais
d'Archéologie Orientale du Caire, deel LX, Caïro, 1960, blz. 29-30); Pap. Carlsberg, no. 8, recept 3 (naar E. Iversen,
Pap. Carlsberg No. VIII, with some Remarks on the Egyptian Origin of some Popular Birth Prognoses, Copenhagen,
1939, blz. 13-20); Pap. Berlijn, no. 13603, IV 4 (Erichsen-Schott). — 3° Tarwe, hoewel jonger van oorsprong, is van de
twee echter de beste. Tarwe is warm en droog, gerst is koud en vochtig : Hippocrat., Regim., II 40; Aristot., Probl.,
137; Plut., Quaest. Conviv., VI 10; Idem, Quaest. Natur., 16; Mièn., Terüm., X 3; Idem, Makö., III 3. De noordenwind
brengt tarwe, de zuidenwind gerst: Dodenb., CLII 9 (Naville; waartoe mijn studie over De Overstroming van de
Nijl, Leiden, 1956, blz. 15-16). Tarwemeel is zwaarder dan gerstemeel : Aristot., Probl., 1 37, XXI 26; Plin., Nat. Hist.,
XVIII 62. Tarwe heeft minder van roest te lijden dan gerst : Theophrast., Hist. Plant., VIII 10, 2. Tarwe is twee maal
zo waardevol als gerst: II Kon., VIT 1, 16, 18; Miën., Pe’ä, VIII 5; Idem, Ketüb., V 8; ja zelfs drie maal: Openb.,
VI 6. Hoe dan ook, zij is waardevoller : Phil. Jud., De Spec. Legib., II 175; Miën., Hall., IV 2; Idem, Menäh., XII 3;
Talm. Babl., Zebäh., 90a. Tarwe is voedsel voor de rijke, gerst voor de arme en voor het vee: Phil. Jud, De Spec.
Legib., II 175, 181, 184, III 57; Flav. Jos, Bell. Jud, V 427; Idem, Antiq., V 220; Miën., Söt., II 1; Plut., Quaest.
Natur., 15; Plin., Nat. Hist, XVIII 74; vgl. Ps, LXXXI 17, CXLVII 14; Hen., XCVI 5. De Romeinse legioensoldaat,
die zijn plicht had verzaakt, kreeg zijn rantsoen uitgekeerd in gerst en niet in tarwe: Polyb., Hist., VI 38, 3; Plut.,
Marcell, 25; Idem, Anton, 39; Appian., Illyr., 76; Dio Cass, Hist. Rom, XLIX 38, 4; Liv, Ab Urb. Cond, XXVII
13, 9; Frontin., Strateg., IV 1, 25, 37; Sueton., Div. Aug, 24; Veget., Epit. Rei Milit., I 13. In de symboliek der
Joden beantwoordt de tarwe aan het volk Israël : Midr. Pesigt. Rabb., X 3, 4; in die der Grieken tarwe aan de man,
gerst aan de vrouw : Galen, De Remed. Parab., II 26, 5; Artemid., De Somn. Interpr., 1 51, vgl. V 8, 63.
829 Numer., V 17; Miën., Söt., II 2. Dezelfde methode: I Chaëmw., IV 4; K. Preisendanz, Papyri Graecae
Magicae, Leipzig en Berlijn, 1928-1931, no. XIII, 131-135, 434-441, 888-890, 1042-1052; Ezech., III 3; Openb., X 8-10;
vgl. Me'arr. Gazz., XLIII 3-4 (Riessler). Symboliek, vrij naar Phil. Jud., De Spec. Legib., III 58 : de kom, de baarmoeder; water en aarde, het embryo.
830 Numer., V 25; Miën., Söt., III 1; Idem, Qidd., 1 8. Zie noot 1454.
831 Numer., V 11-31; Phil. Jud., Leg. Alleg., III 148; Idem, De Spec. Legib. III 53-62.
832 Zie noot 778-793.
833 Zie noot 790, 802.
Pagina 5
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)begraven 8%, in zee geworpen 5% of verbrand #25, alles ter zake der wederopstanding 67. Zij
werden niet gegeten 8,
Het cultische offer werd door God geëist of door de mens uit vrije beweging aangeboden.
Het geëiste offer was straf, het aangeboden offer bewijs.
De door de mens tegen God begane zonde bestempelde hem tot diens vijand. Op haar
stond de doodstraf, die dwingend voltrokken werd. De executie geschiedde echter op een substituut, wanneer de vijand ongrijpbaar bleek &% of kon aantonen in onwetendheid of zijns
ondanks te hebben gehandeld. In Egypte was dit offer zo verbreid, dat een Griekse auteur
er de aandacht op vestigt: „Zij (dwz. de Egyptenaren) achten voor het offer geschikt niet
datgene, wat de goden dierbaar is, maar in tegendeel alle (dieren), die in zich de ziel opgenomen
hebben van goddeloze en onrechtvaardige mensen, in andere lichamen geïncarneerd”’ 840,
Het lijkt een vertekening; de Egyptenaren moeten ook andere offers gekend hebben. De
woorden worden echter, voor zoverre zij het offer als strafexecutie typeren, door de inheemse
teksten bevestigd. In deze laatste is het slachtoffer reïncarnatie van de boze Seth, of althans
van een lid van diens bende 541. Het is mens 842 of dier; als dier somtijds Typhonisch dier 8“s,
somtijds niet 54. Het wordt, daar vijand $5, geboeid op het altaar gebracht *4. Na ver834 Hom, Il, III 310, met scholion; Pausan., Graec. Descr., IIT 20, 9; Eustath., Comment. in Hom., Il.
p. 418 (ed. Rom.).
835 Hom, Il, XIX 267-268, met scholion; Pausan., Graec. Descr., V 24, 11; Tzetz., Chil., V 736 (as); Eustath.,
Comment. in Hom, Il, p. 418, 1183 (ed. Rom.); Schol. in Hom., Il, II 310.
836 Schol. in Hom., I1., XIX 268.
837 Vgl. mijn studie over De Geboorte van Horus, Leiden, 1963-1975, blz. 93, noot 634, blz. 140, noot 1222;
hieronder, noot 1048, 1052-1054.
838 Plat, Quaest. Conviv., VII 6, 3; Pausan., Graec. Descr., V 24, 10; Eustath., Comment. in Hom., I1., p- +18,
183 (ed. Rom.). Zie noot 1346.
839 Als in noot 826.
840 Plut., De Is. et Osir., 31. De Perzen vatten, dualistisch, alle brandoffer op als offer aan Angromanjoe, ibid. 46.
Voor het hier volgende, vgl. H. Junker, Zeitschrift für Ägyptische Sprache und Altertumskunde, deel XLVIII, Leipzig,
1910, blz. 69-77.
841 Dodenb., XVIII 27-28 (Naville); Pap. Dramat. Ramess., 32 (Sethe); Pap. Jumilhac, A, XX 10-115 S. Schott,
Urkunden Mythologischen Inhalts, Leipzig, 1929-1939, passim; M. de Rochemonteix en E. Chassinat, Le Temple
d’Edfou, Parijs en Caïro, 1897-1934, deel I, blz. 555, 17; deel VI, blz. 28, 8-9.
842 Diod. Sic., Bibl. Hist., I 88, 5; Plut., De Is. et Osir., 31, 73; Achill. Tat, Leucipp. et Clitoph., III 15, 2.
843 De Rochemonteix-Chassinat, op. laud., deel VI, blz. 28, 8-9. — Ezel : Plut., De Is. et Osir., 30; Schott, op.
laud., blz. 37, H; Oudh. Med., deel XLVI, Leiden, 1965, blz. 64, noot 7. — Nijlpaard: Plut., De Is. et Osir., 50. —
Antilope, gazelle : De Rochemonteix-Chassinat, op. laud., deel I, biz. 555, 16; deel VI, blz. 237, 4. — Vis: De Rochemonteix-Chassinat, op. laud., deel V, blz. 134, 3 en 5; deel VI, blz. 57,2, 134,5, 237, 2-3.
844 Rund : Mariette, Dendérah, Parijs, 1870-1875, deel IV, pl. 8 (boven), 15 (idem); De Rochemonteix-Chassinat,
op. laud., deel VI, blz. 57, 1-2, 237, 4; N. de Garis Davies, Five Theban Tombs, London, 1913, pl. X en XLIII. — Klein
vee : Dodenb., XVIII 27-28; Mondopeningsrituaal, scène 23, IIIa, 43g (Otto); Pap. Jumilhac, B, XX. — Vogel :
C. R. Lepsius, Denkmäler aus Ägypten und Äthiopien, Berlijn, 1849-1859, deel IV, pl. 88b; Mondopeningsrituaal,
scène 23, IIIa, 43g (Otto); De Rochemonteix-Chassinat, op. laud., deel I, blz. 536, 11-12, deel V, blz. 134, 6-7, deel VI,
blz. 55,12, 57,2, 237,3.
845 Lepsius, op. laud., deel IV, pl. 88b; Mondopeningsrituaal, scène 23, Ia, 43g (Otto); Pap. Jumilhac,
536,12, 555,16, 565,8, deel
B, XX (links); Schott, op. laud., passim; De Rochemonteix-Chassinat, op. laud., deel I, blz.
IV, pl. 8 (regel boven),
deel
laud.,
op.
V, blz. 134, 5-7, deel VI, blz. 55, 12-15, 56,13, 57,2, 134,5, 237,2-3; Mariette,
15 (idem).
III 15, 2;
846 Plut., De Is. et Osir., 30, 31, 50; Achill. Tat., Leucipp. et Clitoph.,
Pap. Jumilhac, XX, A, 10,
Pagina 6
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)vloekt **7 en zelfs mishandeld te zijn 84 wordt het gedood. God eet zijn vlees en drinkt zijn
bloed 84°; beeldspraak voor de vertering door het altaarvuur. Dit offer leefde in vereenvoudigde vorm bij de Joden voort als zondoffer. De voornaamste handeling bij het zondoffer
bestond in de vergieting van het bloed 850, in de executie zelf. Een gebed ontbrak, naar het
schijnt; het had, daar het om straf ging, geen functie. Het Indische offer genaamd präjastitti
werd opgedragen na vergrijpen tegen de liturgie, en zo ook het Romeinse piaculum. De onderlinge verhouding al dezer offers staat te bezien. De naam van het zondoffer bij de Grieken is
mij niet bekend.
Het vrijwillig aangeboden offer werd opgedragen met gebed. Dit gebed, met opgeheven
armen, {j, verricht en met luide stem geformuleerd 551, was hoofdzaak; de slachting diende
daartoe slechts ter adstructie. Gebed en slachting vormden echter een eenheid. Het gebed was
zonder de slachting niet offer 852, de slachting was dat zonder het gebed evenmin 252.
Het vrijwillige offer kon op tweeërlei wijze worden uitgevoerd. Lag het motief van de
gesubstitueerde in de toekomst, dan beriep hij zich in de slachting op het verleden; lag zijn
motief in het verleden, dan beriep hij zich in de slachting op de toekomst. Het eerste offer
was het brandoffer. Het werd opgedragen, wanneer de straf Gods dreigde en onafwendbaar
leek. Het offer was belijdenis door de gesubstitueerde van zijn zonde en aanvaarding van de
daarop gestelde straf, maar het was tevens blijk van zijn berouw en van zijn inkeer. Het lichaam
van het substituut werd in zijn geheel verbrand; de gesubstitueerde keerde onvoorwaardelijk
tot het niet-zijn terug. De oorsprong van dit offer vooral lag in het procesrecht. Het tweede
offer was het dankoffer, de offermaaltijd. Dit werd opgedragen, wanneer de straf Gods voltrokken was, doch aan de gesubstitueerde was bespaard. Ook dit offer was belijdenis van zonde
en aanvaarding van straf. Daar de gesubstitueerde echter het leven had mogen behouden,
schonk hij dit nu op eigen initiatief weg. Het substituut werd door de aanwezigen opgegeten.
Gasten konden worden uitgenodigd, niet geweigerd. Het offer was cecumenisch; de zegenbede belichaamd in de uitgereikte porties, die eigenlijk delen van het lichaam van de gesubstitueerde zelf waren, werd uitgesproken ten behoeve der gehele mensheid #4. Volgens de
Perzen 255 en de Indiërs 85 is de wereld tot het aanzijn gekomen, doordat de Schepper een
Genes. XXII 9.
B (links); Schott, op. laud., blz. 5,12, 37,13, 39,21; vgl. Herod., Hist., HI 14. Hetzelfde, Joden:
Halic.,
Babyloniërs: Epist. Jerem., 43; Herod., Hist., 1 199. Grieken : Callim., Hymn., IV 323. Romeinen : Dionys.
Antiq. Rom, 1 38, 2; Isid. Hispal., Etym., VI 19, 34. Scythen : Lucian, Toxar., 48.
847 Plut., De Is. et Osir., 31; Schott, op. laud., blz. 29, 8-16, 33, 19-23, 77,10 - 79,18.
848 Schott, op. laud., blz. 5, 14-18, 41,2, 43,9, 45,2, 47,17, 49,19, 53,2.
849 De Rochemonteix-Chassinat, op. laud., deel I, blz. 555,16, 565, 5-6.
850 Miën., Zebäh., X 2. Vgl. Jubil., VII 4, met noot 967.
851 Egyptenaren : Herod., Hist, II 40; Diod. Sic, Bibl. Hist, 170, 5. Joden: I Kon., VIII 22-54; II Chron.,
VI 12-42; vgl. I Chron., XXI 26. Perzen : Herod., Hist, 1 132. Grieken : Hom., IL, 1 450-458, II 411-421, XIX 257265; Idem, Odyss., III 446-447; enz. Romeinen: Dionys. Halic., Antiq. Rom, VIT 72, 15; enz.
852 Sallust., De Diis et Mund., 16.
853 Jambl., De Myst, V 26; Liv., Ab Urb. Cond, XLI 16,1; Plin., Nat. Hist., XXVIII 10.
854 Perzen : Herod., Hist, I 132. Zie noot 763, 1420, 1564, 1570.
855 Theod. bar Köni, Lib. Schol., XI, p. 296 (Scher); Johann. bar Penkäjë, p. 588-590 (De Menasce, Bulletin
of the School of Oriental Studies, deel IX, Londen, 1937-1939); Ezn. Qolb., De Deo, 145; Elis. Vart., Hist. Vart.,
2 (p. II 190b, Langlois).
856 Satapathabrähmana, I 6, 3, 35, III 9, 1, 1, VI 1,2,12,17,29, 7,4,12, VII 5, 1, 27. Vgl. Rgveda, X 90.
Pagina 7
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)offer bracht. Hij viel in zijn delen uiteen, die ieder voor zich delen der wereld werden; in de
oudste versie zodanig, dat uit zijn hoofd de hemel, uit zijn borst het luchtruim, uit zijn middel
de oceaan en uit zijn voeten de aarde ontstonden 557. Dat het offer met deze uiteenval identiek
was, wordt in de teksten niet vermeld, maar ware af te leiden uit de parallel van het dankoffer.
De herinnering aan het primordiale offer is overigens in de westelijke overlevering vervaagd 555.
Twee kleinere offers vormen een aparte groep, dat der eerstgeboorten en eerstelingen
en dat van het tiend. Eerstgeboorte en eersteling waren prototypen 55°. Daar de wereld zich
naar antieke leer van de primordiale heilstoestand naar haar ondergang spoedt, gold in alle
857 Rgveda, X 90, 14; Sämavidhänabrähmana, I 1, 5. Vgl. Satapathabrähmana, VII 1, 2, 19-21; Macrob.,
Sat, 1 20, 17; Preisendanz, Papyri Graecae Magicae, nos. XII 242-243, XIII 776-772, XXI 6-7. De wereld voor
de schepping deel van het goddelijke lichaam: Asclep. Herm, 2, 14; Riväjat bij Dätastän-i-Dénik, XLVI 3.
858 Zwakke herinneringen wellicht nog in: Corp. Herm., IV 1; Phil. Jud, De Somn., I 243; Idem, De Spec.
Legib., 1 209-210; Ovid., Fast., I 111-112. Zie noot 1080.
859 Symboliek van voor- en achterzijde: — 1° De kop is beter dan de staart : Deut, XXVIII 13, 44; Jubil.,
I 16; Hen., CIII 11; Phil. Jud., De Praem. et Poen, 124-125; Cat, De Agr. Cult, 4. Het licht gaat voor, de duisternis
achter: Amduat, korte recensie, 288-289 (Hornung); I Chaëmw., IV 34; Schott, Urkunden Mythologischen Inhalts,
blz. 69, 13-14. Het leven gaat voor (m-“), de dood achter : Schott, op. laud., blz. 69, 17-18. De zonnegod Ahoeramazda
gaat voor, de cosmische draak Angromanjoe achter : Dénkart, p. 537, 5 (Madan). De man gaat voor, de vrouw achter :
Satapathabrähmana, V 2, 1, 8. De rechtvaardigheid gaat voor, de onrechtvaardigheid achter: Plat., Respubl., 614,
e-d; Procl., Comment. in idem, p. II 152 (Kroll). Het hogere in rang gaat in het algemeen voor, het lagere achter:
Miën., Pär., VIT 5; vgl. Me'arr. Gazz., XXII 8, XLIX 4 (Riessler). De sutral, het rituele kleed der Parsi’s, bestaat uit
twee delen, een voorzijde en een achterzijde, die toekomst en verleden beduiden : J. J. Modi, The Religious Ceremonies
and Customs of the Parsees, Bombay, 1937, blz. 173. Voor- en achterzijde zijn dikwijls echter ook gelijkwaardig:
Dodenb., XVII $ 33 (Grapow; ad 103); Sarcoph., IV 101, b-e; Schott, op. laud., bìz. 63, 3-6; Pap. Krall, XXIII 1-2;
Jezaj., LVIII 8; Joël, II 3; Denkart, p. 588, 16-17 (Madan). — 20 De aap heeft twee jongen. Hij koestert het ene en
draagt het voor zich uit, hij haat het andere en draagt dit op de rug. In zijn liefde doodt hij het eerste, in zijn haat
verleent hij het tweede het leven : Horapoll., Hierogl., II 66. Vgl. Aesop., Fab., CCXLIII; Babr., Fab, 35; Oppian.,
Cyneg., II 605-611; Synes., Epist…, I (Hercher); Plin., Nat. Hist., VIII 216; Avian, Fab., 35. — 3° De Egyptische
termen voor „voor-” en „achterzijde” zijn h3.t en phw, geschreven met de voorzijde en de achterzijde van een
leeuw, ©, NM ; het eerste in de late periode ook geschreven met het teken
rustbed HF. hetzij imitatie van het demotische teken
8 hetzij voorzijde van het
5 en prototype van de bekende door een leeuwenkop
bekroonde poot der Romeinse tafel. De leeuw bestaat aan de voorzijde uit vuur, aan de achterzijde uit water: Aelian.,
De Nat. Anim., XII 7; Galen, Comment. I in Hippoecrat., Epidem., II, ad p. V 80, 11-14(Littré). De voorzijde van de
leeuw is machtig, de achterzijde zwak: Pyr., 1351b; Miën., Midd., IV 7; Achill. Tat, Leucipp. et Clitoph., II 22, 2;
Horapoll., Hierogl., 1 18; Macrob., Sat., 1 21, 17. De tempel te Jeruzalem geleek op een leeuw; hij was breed van voren
en smal van achteren : Miën., Midd., IV 7. — 4° Het hart ligt aan de voorzijde in de borst : Aristot., De Part. Anim.,
665b, 666b, vgl. 538b. De oorspronkelijke term voor het orgaan, êb, is in het Egyptisch verdrongen door h3.tj, „orgaan,
der voorzijde”. De grendel van het Egyptische heiligdom was gemodeleerd als de voorzijde van een leeuw, met een
hart aan een kettinkje daaraan opgehangen : Schol. in Arat., Phaen., 152; M. Pillet, Annales du Service des Antiquités
de "Egypte, deel XXIV, Caïro, 1924, blz. 187-195. — 5e God gaat voor het leger uit; vgl. de Egyptische eigennamen
Imn-m-h3.t, „Amon gaat voorop”, en P3-wn-h3.t.f, „Het licht gaat voor hem uit”. Jahwe opende de weg van het Israëlietische leger tijdens de uittocht als een wolk, des nachts als een vuurkolom : Exod., XIII 21, enz. Werd het in de
achterhoede aangevallen, dan verplaatste hij zich daarheen : Exod., XIV 19, enz. De Perzen baden de god des hemels
hun in de strijd voor te gaan : Xenoph., Instit. Cyr, III 3, 21, VIT 1, 1, 3; Curt. Ruf, Hist. Alex. Magn.,
IV 14, 24.
Hemels licht tot leiding op de weg bij de Grieken: Apollon. Rhod., Argon, IV 296-297; Plut., Themistocl., 15. De
Griekse en Romeinse veldtekenen waren naar hun oorsprong godenbeelden. — 6° Het oosten, voorzijde der wereld,
Egyptenaren : Plut., De Is. et Osir., 32. Joden : Phil. Jud., Quaest. in Genes., I 7. Indiërs: Aävamedha, 6 (Dumont).
Het zuiden, idem, Perzen : Bundahiën, XXVIII 9 (Anklesaria).
Pagina 8
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)reeksen het voorgaande lid als beter dan het volgende 5%. Het tiend als offer stelt een vinger
op beide handen voor. In de mythologie der Perzen wordt de lengte der wereldgeschiedenis
berekend op tienduizend jaar. Gedurende de eerste duizend jaar bracht de god Zarwaan het
in de vorige alinea vermelde offer. Daarop kwam de wereld tot stand, die vervolgens als rijk
van de boze god Angromanjoe gedurende negenduizend jaar voortbestaat ®%1. Eerstgeboorte,
eersteling en tiend waren Gode verschuldigd. Op grond van het voorgaande valt te veronderstellen, dat de mensheid in haar geheel als zondig, als met erfelijke zonde belast, beschouwd
werd. Maar de teksten zwijgen.
$10
De gesubstitueerde droeg de verantwoordelijkheid voor de executie. Hij voerde
haar zelf uit of liet haar door een ander uitvoeren, die in zijn naam handelde se2. Loffelijk
als zijn bedoeling was, was toch zijn daad in principe misdaad. In sommige culten werd dat
uitdrukkelijk aldus gesteld. De aanwezigen boden het slachtoffer hun verontschuldigingen
aan 563; de gesubstitueerde werd schuldig verklaard en moest vluchten #4. De schuld werd
door deze ook afgeschoven. Niet hijzelf had de misdaad begaan, maar het offermes of ander
werktuig, waarmede de executie was geschied 555.
Om hem volledig te vrijwaren scheidde men het strafrechtelijke motief van het symbolische. Men verlegde de verantwoordelijkheid van de gesubstitueerde op het substituut en motiveerde de executie vanuit de gedragingen van dit laatste. De gesubstitueerde maakte van de
executie, waarmede hij verondersteld werd niets uitstaande te hebben, slechts gebruik tot het
verrichten van zijn symbolische handeling. Bij het menselijke substituut lag hier geen probleem ;
men nam een ter dood veroordeelde of een vrijwilliger. Bij het dierlijke substituut was dat
probleem er wel en moest de verantwoordelijkheid bij fictie worden geconstrueerd. De aard
van het offer zal bepalend zijn geweest voor de uitleg, die men aan de gedragingen van het dierlijke substituut gaf, zodat het in het zondoffer geheel in overeenstemming met de gesubstitueerde als schuldig, in het brandoffer en het dankoffer als onschuldig gold; hetgeen echter
nergens met zovele woorden gezegd wordt. De ficties, ten getale van drie, waren de volgende :
1e Het dier was schuldig en werd voor zijn zonde gestraft. Het werd geëxecuteerd, omdat het
860 Vgl. IV Ezr., V 52; Phil. Jud., De Opif. Mund., 140-141; Idem, Quis Heres, 118; Idem, De Spec. Legib., II
140, 154; Idem, Leg. ad Gai, 289; Idem, Quaest. in Genes, 164,77; Idem, Quaest. in Exod., I 1. Zie noot 1531, 1539,
1592. — De top der dingen is heilig aan de goden : Satapathabrähmana, IX 2, 1, 12. Lijst der prototypen : Mahäbhärata, XIV 43 en 44, De gehele wereld offer aan God : Phil. Jud., De Somn., 1 243.
861 Ezn. Qolb., De Deo, 145; Theod. bar Köni, Lib. Schol., XI, p. 296 (Scher); Aö-Sahrastäni, Al-Milal wan-
Nihal, p. 1 575 (Badrän; 9999 jaar). Vgl. Phil. Jud., De Congress, 103-105?
862 Joden : Phil. Jud., De Spec. Legib., 1 199; vgl. Miën., Zebäh., III 1, met Gemara, 32a; alsook
het besprokene
De Ling.
in noot 1454. Perzen : Basil. Caes., Epist., CCLVIII 4. Indiërs : Mahäbhärata, III 128, 15. Romeinen : Varr.,
19.
3,
II
Controv.,
,
Senec
30;
9,
IV
Pont.,
ex
Epist.
Idem,
Latin, VI 12; Ovid, Fast, 1 322;
863 Indiërs: Aövamedha, 504 (Dumont).
fr. 18 (Pötscher); Plut.,
864 Cyprioten : Asclepiad. Cypr., fr. 1 (Jacoby). Grieken: Theophrast., De Pietat.,
XII 34; Schol. Townl.
Anim.,
Nat.
De
Quaest. Graec., 38; Pausan., Graec. Descr., 1 24,4, 28,10, VIII 53,3; Aelian.,
Nat. Hist, VII 81.
Plin.,
apud
Evanth.,
17;
XVIII
in Hom., Il, XVII 483; Varr., apud Augustin, De Civ. Dei,
tenaren, vgl. Diod. Sic, Bibl. Hist., I 91, 4.
Pausan., Graec. Descr., 1 24,4,
En Er Deet: ne ied: Theophrast., De Pietat., fr. 18 (Pötscher);
Aelian., Var. Hist, VIII 3. Vgl. Minuc. Fel., Octav,
Pagina 9
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)de op het altaar liggende offerkoek had opgegeten 8, omdat het het graan had vertreden 567
of de wijnranken had afgeknabbeld ses. 2o Het dier was onschuldig, doch bood zichzelf ter
executie aan. Het kwam uit vrije wil op het altaar toegelopen *s° of legde zich ter slachting
op de aarde neder 570. Het loeide #71 of knikte bevestigend met de kop *72; het eerste bewerkstelligd doordat men zijn geslachtsdrift opwekte 873, het tweede doordat men het een gerstekorrel of waterdruppel in het oor wierp #4 of het voedsel voorhield 575. Het dier ging in
de medewerking bij uitzondering zover, dat het zichzelf executeerde 876. 30 Het substituut
werd door het lot aangewezen. Zwakker dan het voorgaande : de gesubstitueerde was in het
algemeen verantwoordelijk, maar hij was niet schuldig ten opzichte van het substituut.
Hij bestemde de eerste 877 of schoonste *® vrucht, die gedurende het jaar in zijn huis geboren
zou worden, het eerste levende wezen, dat hij op zijn weg ontmoeten zou %?*, voor het offer.
Of ook hij liet, zichzelf geheel uitschakelend, het slachtoffer het lot werpen 8%. Bij de Romeinen
866 Grieken: Androt., fr. 16 (Jacoby); Theophrast., De Pietat., fr. 18 (Pötscher); Pausan., Graec. Descr.,
124, 4; Porphyr., De Abstin., II 10; Hesych., Lexic., sub voce Bovdóna; Lexie. Sud, sub voce ead. ; Schol. in Aristoph.,
Nub., 985; Schol. in Arat., Phaen., 132. Egyptenaren : vgl. Pap. Insinger, VI 4.
867 Egyptenaren : Pap Dramat. Ramess., 32 (Sethe); vgl. Pyr., 1007c, 1544a, 1685a, 1977a; Lyd., De Mensib.,
IV 64. Grieken : Theophrast., De Pietat., fr. 18 (Pötscher); Aelian., De Nat. Anim., X 16; Schol. in Aristoph., Ran.,
338. Romeinen : Ovid., Fast, I 349-353, IV 414, 466; Idem, Metam., XV 111-113; Hygin., Fab., CCLXXVII 4; Serv.,
Comment. in Vergil., Georg., II 380. — Het varken door de Egyptenaren niet gegeten, omdat het de uitgezaaide
graankorrels in de grond trad, het werk van de ploeg verrichtte en daardoor geheiligd was: Eudox., Cnid., fr. 301
(Lasserre); Plut., Quaest. Conviv., IV 5, 2. Vgl. De Pythagoreïsche Liturgie (Oudh. Med, N.R., deel XXXI, Leiden,
1950), blz. 89-90, noten 406, 419 en 436.
868 Grieken : Theophrast., De Pietat., fr. 5 (Pötscher); Even. Áscal., Anthol. Palat., IX 75; Leonid. Tarent.,
Anthol. Palat., IX 99; Cornut., Theol. Graec., 30; Lyd., De Mensib., IV 158; Schol. in Aristoph., Ran, 338; vgl.
Diod. Sic., Bibl. Hist., V 62, 3-5. Romeinen : Varr., De Reb. Rustic., 1 2, 19; Ovid., Fast, 1 353-361; Idem, Metam.,
XV 114-115; Serv, Comment. in Vergil., Georg., II 380.
869 Phoeniciërs: Porphyr., De Abstin., I 25; Nonn., Dionys., XL 524. Syriërs: Plut., Luecull., 24. Indiërs:
Aelian., De Nat. Anim., XVI 16. Grieken : Aeschyl., Agam., 1297-1298; Aristot., De Mirab. Ausecult., 137 ; Dio Chrysost.,
Or., XII 51; Arrian., Peripl., 22, 4; Plat, Pelop., 22; Idem, Lueull., 10; Philostr., Her., IT 8, XIX 17; Apollon,
Hist. Mirab., 13; Appian., Mithr., 323; Aelian., De Nat. Anim, X 50; Porphyr., De Abstin., IT 25; Dict. Cret.,
Ephem. Bell. Troj., I 22. Romeinen: Martial., Epigr., EX 31, 5; Jul. Obseg., Lib. Prodig., 60a.
870 Egyptenaren: Inser. Wädi Hammämât, CX 3-6 (Couyat-Montet). Joden: Genes, XXII 8, 13; I Sam.,
VI 14. Grieken : Hellanic., fr. 51 (Jacoby); Apollod., Bibl, III 4,1; Dionys. Halic., Antig. Rom.,I 56,1 -57,1; Pausan.,
Graec. Descr., VII 26, 3, 11; Diog. Laert., Vit. Philos., I 110; Nonn., Dionys., IV 348-349, V 1-34; Schol. in Aeschyl.,
Sept. Contr. Theb., 486. Romeinen : vgl. Serv., Comment. in Vergil., Aen., III 293.
871 Grieken: Strab., Geogr., VIII 7, 2; Schol. in Hom., Il, XX 404. Hinniken, Indiërs: Aävamedha, 435-437
(Dumont; vgl. Oudh. Med., deel LII, Leiden, 1971, blz. 50, noot 4).
872 Zie noten 873 en 874.
873 Indiërs: Aävamedha, 435-437 (Dumont).
Aristoph., Pax,
874 Grieken : Plut., De Defect. Orac., 46, 49, 51; Idem, Quaest. Conviv., VII 8, 3; Schol. in
244, XII 173.
VI
61,
IV
Aen,
Vergil.,
in
Comment.
Serv,
:
960; Schol. in Apollon. Rhod, Argon, I 425. Romeinen
49.
Orac.,
Defect.
De
Plut.,
:
Grieken
5.
III
Rabb.,
Levit.
875 Joden: Midr.
sub voce
876 Indiërs: Aelian., De Nat. Anim., XVI 16; Mahäbhärata, II 59, 8. Grieken: Hesych., Lexic.,
Alt (alya î) fv udxaupar; Lexie. Sud, sub voce Alf, aiyós; Zenob., Paroem., Epit., I 27.
877 Romeinen: Fest, De Verb. Signif., sub voce Ver Sacrum (p. 519, Lindsay).
878 Grieken: Eurip., Iphig. Taur., 20-21; Cicer., De Offic., III 95. Vgl. Pausan., Graec. Descr.,
VIT 26, 3.
1;
879 Joden : Richt., XI 30-31; Miën., Näz., V 1. Grieken : Plat, Crit, 119, d-e; Plut., De Fluv., IX
Graec. Descr., IX 33, 4; Serv, Comment. in Vergil., Aen, III 121, XT 264.
Pausan.,
9, 4-5. Romei880 Grieken: Asclepiad. Myrl., fr. 1 (Jacoby; ad 3); Pausan., Graec. Descr., III 16, 10, IV
Pagina 10
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)werd op deze wijze het mensenoffer door het gladiatorengevecht verdrongen *%; beide strijders hadden dezelfde kansen, maar een hunner vond de dood. Nog een stap verder ging de
gesubstitueerde bij onvolkomen executie; in sommige varianten daarvan stelde hij de executie
als zodanig ondergeschikt aan het toeval ss?. Het substituut behoorde in al deze gevallen de
dood met gelatenheid te aanvaarden en mocht niet zonder zijn toestemming geofferd worden 883. Toonde het onwil 584 “of poogde het te vluchten 555, dan werd de plechtigheid als
mislukt beschouwd, als voorbode van onheil. Het substituut had daarvan geen voordeel;
het werd nedergestoken alwaar men het aantrof 8%,
De gesubstitueerde was bij deze procedure van het substituut losgekoppeld. Hij bevond
zich in staat van reinheid $*? en had zich door vasten op het offer voorbereid $s*; helaas is
juist over dit vasten de documentatie summier. Bovenal had hij zich van doodslag onthouden 82°. Alvorens tot de slachting over te gaan waste hij de handen 5% ter betuiging van zijn
onschuld #51. Hij omschreed het altaar ten einde het offer nogmaals uitdrukkelijk op zichzelf
te betrekken 592. Het stond hem vrij over het substituut na de slachting rouw te bedrijven.
In Egypte was het gewoonte zulks te doen *%3.
$11 De slachting volgde. Een archaïsche vorm daarvan, in de klassieke periode uit het
offer teruggedrongen, zij het eerst genoemd. Het lijk van Osiris werd volgens de Egyptische
mythe door Seth en diens trawanten uiteengescheurd, doch niet opgegeten 8%. De Griekse
nen: Act. Sanct. Dasii, 1-2 (Cumont). Celten : vgl. Posidon., fr. 276 (Edelstein-Kidd).
881 Tertull., De Spectac., 12; Serv., Comment. in Vergil., Aen, III 67, X
519; Capitolin., Maxim. et Balb.,
VIII 5-7; enz.
882 Zie noot 702, 703.
mell); Eurip., Helen.,
883 Indiërs: Satapathabrähmana, III 7, 3, 1-13. Grieken: Orac. Delph., 537 (Parke-Wor
Conviv., VIII 8, 3. Romeinen: Plin., Nat.
1555-1559; Theophrast., De Pietat., fr. 7 (Pötscher); Plut., Quaest.
Lindsay); Serv., Comment in Vergil., Aen, IX 624;
Hist., VIII 183; Fest, De Verb. Signif., sub voce Puls (p. 284-285,
5, 8.
Idem, Comment. in Vergil., Georg, II 395; Macrob., Sat, III
r : Tertull., Apol., IX 4; Vgl. Plut.,
884 Fest., De Verb. Signif., sub voce Puls (p. 284-285, Lindsay). Mensenoffe
De Superst., 13
343-344; Plin., Nat. Hist, vir 183;
885 Romeinen: Liv., Ab Urb. Cond., XXI 63, 13-14; Senec., Oedip.,
165-167; Sueton., Div. Jul., 59; Idem, Galb., 18;
Sil. Ital., Pun, V 63-65, XVI 264-267; Lucan., De Bell. Civil., VII
61,2, XLV 17,4; Lamprid., Alex. Sever, 60, 3; Serv,
Appian., Bell. Civil, II 283; Dio Cass, Hist. Rom, XLI 39,2,
Vergil., Georg., II 395; Ammian. Marcell, Res Gest,
in
Comment. in Vergil., Aen., II 140, IX 624; Idem, Comment.
XXIV 6, 17; Macrob., Sat, III 5, 8. Zie noot 1488.
886 Serv., Comment. in Vergil., Aen., IT 104.
887 Zie noot 501.
16-18; vgl. 1 Sam., XXI 5-6 (4-5). Syriërs : Theo888 Egyptenaren : Herod., Hist. II 40. Joden : Levit., XV
XII 8, 2, 4-6. Grieken: Plut., Quaest. Conviv.,
brähmana,
Satapatha
:
phrast., De Pietat., fr. 13 (Pötscher). Indiërs
III 6, 4; Porphyr., De Abstin., II #4. Zie noot 501.
889 Zie noot 237.
Legib., I 198. Voor slachting, Joden: Ps, XXVI 6;
890 Voor handoplegging, Joden: Phil. Jud., De Spec,
: Hom., I1., 1 449, met scholion, XVI 230; Nonn.,
Grieken
Jubil., XXI 16; Test. Levi, fr. Bodl., 21, 53 (Charles);
p. 7 (Henzen);
IV 376; Ovid., Fast., IV 778; Act. Fratr. Arval.,
Dionys., IV 352-353; Romeinen: Vergil., Georg.,
: Hom., Odyss., II 261. Voor priesterdienst,
vgl. Cat, De Agr. Cult, 132. Voor gebed, Grieken
Joden : Exod., XXX
19-21. Vgl. noot 67, 826.
826, 1307.
Matth, XXVII 24. Vgl. Epist. Arist., 306. Zie noot
8e1 Deut., XXI 6; Ps., XXVI6, LXXII 13; Ev.
in Vergil., Aen. IV 62.
892 Joden: Ps., XXVI 6; vgl. Serv, Comment.
De Sacrif., 15; Athenag., Supplic., XIV 2.
893 Herod., Hist., II 40, 42, 61; Lucian.,
vgl. Pyr., spreuken 273 en
Plut., De Is. et Osir., 7, 18, 42, 54, 59;
3;
6,
IV
894 Diod. Sic., Bibl. Hist, I 21,
Pagina 11
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)Baecchanaliën werden gevierd in herinnering aan een soortgelijke gebeurtenis. De deelnemers
aan deze viering traden collectief op. Zij hadden zich het gelaat met gips of leem wit gesmeerd 895
en waren onherkenbaar voor het slachtoffer en voor elkander. Dionysus was als kind door de
Titanen gedood en verslonden. Deze daad werd aan een kind of een dier herhaald, dat in
levenden lijve uiteengescheurd werd 58°. Een ieder eigende zich toe wat hij bemachtigen kon
en at dat rauw met huid en haar op; ongetwijfeld in de overtuiging, dat hij al doende de ziel,
de levenskracht van het slachtoffer in zich opnam. De mysteriën moeten van dezelfde oorsprong
zijn, want ook aan haar werd door de ingewijden deelgenomen met gepleisterd gelaat 897.
De Bacchanaliën werden na een schandaal te Rome in het jaar 186 v. Chr. in het gehele Romeinse Rijk verboden *°*, maar het cannibalisme liet zich niet bij decreet uitroeien. In
Egypte **° en bij de Arabieren *% js het offer tot in het begin onzer jaartelling geattesteerd,
bij de Slaven “1 tot in de middeleeuwen. Resten woekeren voort tot in het heden, bij de
Islamietische broederschap der ‘Îsawija in Noord-Africa *°? en, buiten het bereik der antieke
wereld, bij de Luipaardmannen in West-Africa %% en bij de Khond's in Bengalen °°.
De slachting had in de klassieke periode een ordelijk verloop. Grotere dieren werden
verdoofd met de slag van een knots op het voorhoofd #5. Het mes werd vervolgens op de keel
11; Idem,
9714. Termen voor de verscheuring : — Aiapekoós : Diod. Sic, Bibl. Hist., III 65, 3; Plut., De Is. et Osir.,
De Is. et Osir., 32,
De Esu Carn, 17. — driaozaogós: Orph., fr. 214 (Kern); Thrasyil. Mendes., fr. 1 (Jacoby); Plut.,
; Olympiod.,
(Zintzen)
5
Phot.,
Epit.
Isid.,
Vit.
Damasc.,
(Diehl);
173
1
p.
42, 54; Procl., Comment. in Platon. Tim.,
Platon. Cratyl., niest
in
Comment.
Procl.,
59;
Osir.,
et
Is.
De
Plut.,
:
Zrapayyós
—
4.
B
Phaed.,
Platon.
in
Comment.
4 (Zintzen); Olympiod.,
Idem, Comment. in Platon. Tim., p. II 198 (Diehl); Damasc., Vit. Isid., Epit. Phot., 5; Idem, fr.
Comment. in Platon. Phaed., A 1 5.
895 Harpocrat., Lexic., sub voce ’Azopárruv; Nonn., Dionys., VI 169-170. Vgl. Pausan., Graec. Descr.,
VI 22, 9.
37,8;
896 Orph., fr. 213, 214 (Kern); Oppian., Cynaeg., IV 280-283, 315. Vgl. Pausan., Gráec. Descr., VIII
1-43.
XI
Metam.,
Ovid,
;
XLV
Julian. Apost., Or., IV 144c. Dood van Orpheus : Conon, Narr.,
897 Harpocrat., Lexic., sub voce ’Azopdrruw. Vgl. Aristoph., Nub., 260-262, met scholion; Demosth., Or.,
XVIII 259; Aristid. Rhet., Or, XLVIII 74-75 (Keil); Nonn., Dionys., XXVII 205, 228-229, XXX 122, XLVII 733;
Anecd. Graec., p. 1 293, 18-19 (Bekker); Cyprian. Mag., Confess., 1. Korfdraagsters: Hermipp. Com, fr. 26 (Edmonds);
vgl. Aristoph., Eccles, 732, met scholion. Hetzelfde, Egyptenaren : Lucian, De Mort. Peregr., 17; Epiphan., De Fide,
XI 5. Phrygiërs : Apul., Metam., VIII 27; Augustin, De Civ. Dei, VII 26.
898 Cicer., De Legib., II 37; Liv, Ab Urb. Cond, XXXIX 8-19; Tertull., Apol., VI 7; Augustin, De Civ. Dei,
VI 9; Corpus Inscriptionum Latinarum, Berlijn, vanaf 1893, deel I 2, no. 581.
899 Juven., Sat., XV 78-83. Vgl. Miën., Menäh., XI 7, met Gemara, p. 100a?
900 Nil. Ancyr., Narr., III (p. 613, Migne); vgl. Nonn., Dionys., XIV 370-376.
901 Cosm. Prag., Chron. Boem, I 11.
902 R. Brunel, Essai sur la Confrérie Religieuse des ‘Aissâoûa au Maroc, Parijs, 1926, blz. 168-220. Vertering
met huid, haar en beenderen.
903 G. Parrinder, West African Religion, Londen, 1961, blz. 133-135 (P. A. Emanuel, Leiden).
904 J.G. Frazer, Spirits of the Corn and of the Wild, Londen, 1912, deel I, blz. 245-251.
905 Joden: Miën., Ma's. Sén., V 15; Idem, Söt., IX 10; Talm. Jer., Ma's. Sén., p. 56d, 38-40; Idem, Söt.,
Pp: 24a, 63-65; Talm. Babl., Söt., 48a. Perzen : Strab., Geogr., XV 3, 15 (özrepos, stamper; embryologisch ?); Denkart,
p- 456, 4-5, en 466, 12-18 (Madan); Barhadbe&abb. ‘Arb., “Elletä da Sejäm Mawtebä de-Eskölë, p. 366 (Scher); Elis.
Vart., Hist. Vart., II (p. II 199-200, Langlois). Grieken : Hom., Odyss., XIV 425, met scholion; Apollon. Rhod., Argon, 1 427-428; Nonn., Dionys., V 16. Grieken en Romeinen : Dionys. Halic., Antiq. Rom., VII 72, 15-16. Scythen :
Herod., Hist, IV 103. — Hamer: Ovid., Metam., II 625; Sueton., Calig., 32; vgl. Senec, Oedip., 138-139. — Indiërs,
door verstikking: Megasth., fr. 32 (Jacoby; ad 54); Aëvamedha, 495-500 (Dumont). Scythen, idem : Herod., Hist, IV
60. Vgl. Handel., XV 29, en noot 1640, 1646.
Pagina 12
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)gezet, waarbij de kop hemelwaarts *%, naar de zon °°? gewend werd. Bij de doorsnijding
ontvlood het zielepneuma dan in de oogstraal. Uit dezelfde overweging opende men de ogen
van het lijk, nadat dit met het gelaat opwaarts gekeerd op de brandstapel was gelegd 20°.
Het dode lichaam werd uiteengelegd in zijn bestanddelen. Dat waren de huid, de inwendige
organen, de beenderen, het bloed en het vlees. Naar antieke leer waren de witte delen, de
hersenen, de beenderen, de vliezen, de pezen, de nagels, enz. spermatogeen, afkomstig uit
het zaad van de vader, de rode delen, het bloed en het vlees, haematogeen, afkomstig uit het
menstruele bloed van de moeder °°°. De eerste waren transcendent ten opzichte der laatste.
Men scheidde ook een deel Gods af, bestaande uit de organen, waarin men zich de ziel vervat dacht.
De huid omsluit het lichaam als de vorm de materie. Mede gezien haar witte kleur, had
zij als mannelijk moeten gelden. Zij gold echter als vrouwelijk *°. In nog te vermelden mythen 9%! wordt zij onder de beenderen gelegd. Zij is daar de baarmoeder, waaruit het lichaam
herschapen wordt, de karnzak, waarin de melk tot boter wordt gekarnd. De huid was het eerste
deel, dat van het slachtoffer afgenomen werd, maar zij kwam niet op het altaar °!?. Zij was
symbool van zowel communicatie als reïntegratie. Wie de huid verkreeg, at ook het vlees;
de huid van het hoogheilige offer verviel aan de priester °!3, de huid van het minder heilige
offer aan de gesubstitueerde zelf °1*. Men bekleedde zich met de gevilde huid of zat daarop
ten einde zich te vereenzelvigen met het gedode substituut, gelijk reeds gezegd 915,
906 Egyptenaren: Achill. Tat, Leucipp. et Clitoph., III 15, 4; G. Lefebvre, Le Tombeau de Petosiris, Caïro,
1923-1924, deel I, blz. 93, deel III, pl. XIX b; waartoe Chr. Desroches-Noblecourt en Ch. Kuentz, Le Petit Temple
d'Abou Simbel, Caïro, 1968, blz. 53, met afb. 14 op blz. 55. Phoeniciërs : Nonn., Dionys., XL 526. Perzen : het taurobolium, in talloze wedergaven. Indiërs: vgl. Satapathabrähmana, III 8, 2, 12. Grieken: Orph., Argon., 314; Hom.,
IL, 1 459, II 422, met scholia en commentaar van Eustathius, p. 134, 250 (ed. Rom.); Idem, Odyss., III 453, met scholion; Pind., Olymp., XIII 81, met scholion; Sophocl., Aiax, 298-299; Epicharm. Com., fr. 139 (Kaibel); Eupol. Com.,
fr. 395 (Edmonds); Eryc., in Anthol. Palat., VI 96; Nonn., Dionys., V 12; Procl., Comment. in Platon. Tim., p.
188
(Diehl); Procop., De Bell, I 13, 32; Etym. Magn., sub voce ’Avappúew; Schol. in Aristoph., Acharn., 146; Schol. in
Platon. Tim., 21b; Schol. ín Apollon. Rhod., Argon., 1 587. Romeinen : Plin., Nat. Hist, XXXIV 80. Gothen : Procop.,
De Bell., V 11, 9.
907 Senec, Oedip., 338. Naar de tempel: Miën., Tam, IV 1.
908 Vgl. Oudh. Med., deel XLIX, Leiden, 1968, blz. 49, onder 7e.
909 Egyptenaren: Pap. Jumilhac, A, XII 24; Plut., De Anim. Procr. in Tim., 27; Idem, De Libid. et Aegrit.,
6. Joden : Talm. Jer, Kilaj., p. 31e, 50-52; Talm. Babl., Nidd., 3la; Midr. Predik. Rabb, V 10, 2. Vgl. Midr, Genes.
Rabb., XIV 5; Midr. Levit. Rabb., XIV 9; Midr. Sam, V 6. Perzen : Bundahiën, XV 10 (Anklesaria). Indiërs : Mahäbhärata, XII 293, 16-17; Suäruta, Äjurveda, III, 3, 19; Agnivesa, Carakasamhitä, IV 3, 12, 13, 16; Vägbhata, Ästaúgahrdajasamhitä, II 3, 4-5. Grieken : Hippo, fr. 38 A, 13 (Diels).
910 Zie voorgaande noot.
911 Zie noot 1515-1518.
912 Miën., Zebäh., XII 3. De rode koe van noot 551 werd met de huid verbrand : Flav. Jos, Antiqg., IV 80.
913 Zie noot 1266, en hierboven, noot 745, 746.
914 Zie noot 1403.
915 Zie noot 741-746. — Villen in de cultus der Egyptenaren, alles embryologisch : Pap. Jumilhac, A, II 11-12,
EX 1-2 (vgl. ibid, XII 22-XIII 10), XIII 12, B, X13, 1-3; Herod., Hist, 1142 (waartoe: De Ark des Verbonds, blz. 18,
noot 79, met afb. 11). Colchiërs: Diod. Sic, Bibl. Hist., IV 47, 5; Heraclit., De Incred., 24; Schol. in Lucian, Gall, 1.
Phrygiërs, Marsyas : Herod., Hist, VII 26; Xenoph., Anab., 12, 8; Apollod., Bibl, 14,2; Nicandr., Alexiph., 301-302,
met scholion; Arch. Mityl., Anthol. Palat., VII 696; Diod. Sic., Bibl. Hist., III 59, 5; Zenob., Paroem. Epit., IV 81;
Lucian, Tragodop., 315; Philostr. Min., Imag., II 1; Long., Pastor., IV 8; Tzetz., Chil., 1355; Ovid, Fast,
VI 708;
Idem, Metam., VI 382-391; Hygin., Fab., CLXV 5. Vgl. Aelian., Var. Hist, XIII 21. Grieken: Theophrast., De
Pietat., fr. 18 (Pötscher).
Pagina 13
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)De witte delen van het lichaam zijn overigens de beenderen en de vliezen 916, Het beenderstelsel, het skelet, is van aanzienlijke omvang en verleent aan het lichaam beweging en
steun 917. De grootste beenderen zijn de schedel en het bekken, vervolgens de dijbeenderen.
Het hoofd, de schedel met de hersenen, was symbool der individualiteit en verkreeg bij het
offer een aparte behandeling °!5. Het bekken bevat geen merg en gaf, daar laag in de romp
geplaatst, tot geen nader omschreven speculatie aanleiding. De dijbeenderen werden als transeendente delen bij uitstek beschouwd *°. Zij werden na de uitsnijding tussen twee lagen vet
verpakt 22%, waarbovenop kleine stukjes, uit de afzonderlijke lichaamsdelen gesneden, werden
gelegd #21; het geheel werd vervolgens op het altaar verbrand. De kleine stukjes werden naar
opgave der commentatoren toegevoegd, opdat alle delen van het substituut vertegenwoordigd
zouden zijn *2. Dat is de waarheid, doch niet de volle. In de beenderen offerde men het specifiek mannelijke gedeelte van het substituut. Diens zaad was geloosd beendermerg °*%, aangevuld met een representatief extract uit de gezamenlijke lichaamsdelen ***; de kleine stukjes
stelden dit extract voor. Het beenderoffer is vooral uit de Griekse teksten bekend, veel minder
uit de Romeinse. Het ontbreekt geheel in de Joodse. Wij kunnen uit de Joodse teksten slechts
indirect opmaken, dat de beenderen van het offerdier als restant verbrand werden *%. Het
offer, zoals de Grieken het opdroegen, schijnt zeer oude praktijk geweest te zijn. In de periode,
waarin men met het vlees van het slachtoffer ook diens ziel dacht te verteren, verbrandde
916 Zie voor de nagels noot 696-697.
917 Aristot., De Spirit, 484b; Schol. in Hom., I1., T 460.
918 Zie noot 1350.
919 Het in noord-oost Europa gezetelde volk der Thyssageten offerde de beenderen der slachtdieren aan de
goden en at zelf het vlees op : Zenob., Paroem. Epit., V 25. Aan de maaltijd der Luperci verkregen de Quintilii als
oudere familie de beenderen, de Fabii als jongere het vlees opgediend: Oudh. Med., deel LII, Leiden, 1971, biz. 45,
noot 6.
920 Grieken, kwÀf: Aeschyl., Prom., 496; Aristoph., Plut., 1128. Mypía : Hom, Il, I 40, VITI 240, XI 773,
XXII 170, XXIV 34; Idem, Odyss., III 9, 273, 456 (met scholion), IV 764, IX 553, XVII 241, XIX 366, 397, XXII
336; Hesiod., Op., 337; Sophocl., Antigon., 1008; Aristoph., Thesm., 693; Eubul. Com, fr. 95 (Edmonds); Plut.,
Agesil., 6; Pausan., Graec. Descr., III 9, 4, VIII 38, 8; Apollon. Soph., Lexic. Homer., sub voce (p. 112, Bekker).
Mnpot : Hom., I1., 1 460, II 423; Idem, Odyss., III 179, XII 360 (met scholion), XIII 26; Sophocl., Antigon., 1011;
Pherecrat. Com., fr. 23 (Edmonds); Eubul. Com, fr. 130 (Edmonds); Pausan., Graec. Descr., I 24, 2, II 10, 1 (waartoe :
Herod., Hist, II 44), 5, 11,7, V 13,8; Nonn., Dionys., V 21-23. 'Ooréa: Hesiod., Theog., 540, 555, 557; Menandr.,
Sam, 186; Trag. Anon, fr. 118 (Nauck; Adespota).
921 Grieken: Hom, I1., I 461, IT 424, met scholia; Idem, Odyss., III 458, XII 361, XIV 427, met scholia;
Dionys. Halic., Antiq. Rom., VIT 72, 15, 17; Eustath., Comment. in Hom., I1., p. 134 (ed. Rom.); Schol. in Hom.,
Odyss., III 470. Romeinen: Dionys. Halic., Antiq. Rom., VIT 72, 15, 17; Lactant. Placid., Comment. in Stat.,
Theb., V 641.
922 Schol. in Hom., Il., 1 461; Schol. in Idem, Odyss., III 470.
923 De Geboorte van Horus, blz. 88-91, $ 28. De beenderen bevatten de nmt’.t of kracht van het lichaam:
Pap. Spiegelberg, IV 22; de vuós: Hom., Odyss., III 455, met scholion (Zwrikij Súvapes, zie noot 1426); de wuxú:
Posidon., fr. 28 (Edelstein-Kidd). Anderzijds het präna, of pneuma: Aitarejäranjaka, III 2, 2, 5; vgl. Plat., Tim,
73b. De dijbeenderen waren volgens Eustathius, Comment. in Hom, I1., p. 134 (ed. Rom.), waardevol ätà Tò auvredeiv
roîs Lous eis Bddrow re kai els yéveow rf mpotaer Toû onépparos, „omdat zij de dieren het vermogen tot gang en,
door afscheiding van het zaad, tot voortplanting verlenen”.
924 De Geboorte van Horus, blz. 94-99, $ 30.
925 Miën., Terüm., XI 5; Idem, Pesäh., VII 10. Stortplaats der as: Levit., 1 16, VI3(10);Miën., Zebäh., V2, VI 5,
XII 5; Idem, Me'il., II 2, 3, 4, 5, 8; Idem, Täm., I 4. Vgl. Levit., IV 12; Numer., XIX 9.
Pagina 14
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)men de beenderen, omdat men deze niet eten kon 9%. Herst later ontwikkelde zich de leer,
dat de ziel slechts in de lichaamsholte is gezeteld.
In deze holte liggen de inwendige organen, die omsloten zijn door vliezen van witte kleur.
De onderscheiding in vorm en materie werd ook op hen toegepast, zodat slechts de vliezen
als transcendent en bezield werden beschouwd °27. De organen zelf waren substraat en materieel en mochten worden gegeten. De vliezen werden op het altaar verbrand; in de vlam steeg
de in hen vervatte ziel ten hemel. Zij waren tevoren onderzocht °28. De stervende bezat naar
antiek inzicht de gave der profetie °2°; op het ogenblik van de slachting trad het profetische
vermogen in de inwendige organen binnen °%®. De oudste methode van onderzoek gold het
hart, het orgaan, dat de ziel bevat, in de microcosmos van het lichaam de plaats van de zon
inneemt ®% en door zijn slag zetel is der lichamelijke beweging. Het hart werd uit het levende
slachtoffer gesneden °2. Tot afschaffing van dit gruwzame bedrijf verboden de Joden dierenhuiden ter plaatse van het hart geopend als handelswaar °%. Bij de Grieken en de Romeinen
bleef de zede in stand ***; volgens de overlevering werd zij bij de laatsten eerst in het jaar
275 voor het begin onzer jaartelling, aan het einde van de oorlog tegen Pyrrhus van Epirus,
ingevoerd 955. Het hart gaf een enkel, maar beslissend voorteken. Door in het slachtoffer
te ontbreken voorspelde het de offeraar tegenspoed 935. Hoe konden mens of dier het zonder
hart stellen? In de praktijk werd dikwijls alleen geslacht om uit de ingewanden van het
slachtoffer de toekomst te weten te komen. De offerschouw werd in varianten bij alle volken
der oudheid aangetroffen, als bij Egyptenaren °3?, Koesjieten 958, Joden °°, Phoeniciërs °4,
Syriërs **1, Babyloniërs **, Chaldaeën °%, Cyprioten 944 alsook bij vele anderen. Zij werd ge928 De achtergrond van deze zaak in mijn te verschijnen studie over Camephis, Amsterdam, 1975.
927 Oudh. Med., deel LII, Leiden, 1971, blz. 47, noot 11.
928 Schol. in Aeschyl., Prom., 484.
929 Nederlands Theologisch Tijdschrift, deel VIII, Wageningen, 1954, blz. 271-278.
930 Cicer., De Divin., I 118, 119, II 35. De goden zelf : Lucan., De Bell. Civil, I 633-634; Stat, Theb., V 176.
931 De Geboorte van Horus, blz. 30, noot 187; hierboven, noot 21.
932 Senec, Thyest., 755-156. Vgl. Plat, Tim, 72b; Clem. Alex, Protr., II 15, 1; Hesych., Lexic., sub voce
KapdrovÀktar; Plaut., Aulul., 565; Vergil., Aen, XII 214-215, met commentaar van Donatus; Ovid, Metam.,
XV 136. Zo ook: Lucian, De Sacrif., 13; Steph. Byzant., Ethnic, sub voce ’Avôavia; Plin., Nat. Hist, XI 185;
Valer. Maxim, Fact. et Dict. Memor., I 8, ext. 15. Egyptenaren: zie noot 1435-1439.
933 Miën., Nedär., II 1; Idem, ‘Ab. Zär., II 3, V 9; Talm. Babl., ‘Ab. Zär., 32, a-b; Idem, Temür., 28a.
934 Eubul. Com., fr. 95 (Edmonds); Schol. in Eurip., Phoen., 1257; Cicer., De Divin., II 29; Senec, Oedip.,
369; Idem, Thyest., 755-756; Lucan., De Bell. Civil, I 624. Het hartvlies: Psell., De Op. Daem., p. 38 (Boissonade).
935 Plin., Nat. Hist, XI 186.
936 Jambl., De Myst, III 16; Plin., Nat. Hist, XXVIII 11; Fest, De Verb. Signif., sub voce Pestifera (p. 287,
Lindsay); Capitolin., Pertin., 11,2, 14,3. Het offer van Caesar: Cicer., De Divin., I 119, II 36; Valer. Maxim., Fact.
et Dict. Memor., I 6, 13; Plin., Nat. Hist., XI 186; Strab., fr. 19 (Jacoby); Sueton., Div. Jul., 77; Appian., Bell. Civil,
II 488; Polyaen., Strateg., VIII 23, 33; Jul. Obseg., Lib. Prodig., 67.
937 Herod., Hist, II 57; Corp. Herm., XII 19; Diod. Sic., Bibl. Hist., 1 70,9, 73,4; Euseb., Hist. Eccles.,
VII 10, 4; Cicer., De Divin., II 28.
938 Heliod., Aethiop., X 33.
939 Vgl. Phil. Jud., De Spec. Legib., I 219; Idem, Quaest. in Genes., III 8.
40 Cicer., De Divin., II 28.
941 Lamprid., Antonin. Heliog., 8, 2; Idem, Alex. Sever., 27,6, 44,4.
942 Ezech., XXI 26 (21); waarbij talloze inheemse teksten.
43 Diod. Sic, Bibl. Hist., II 29, 3.
944 Pausan., Graec. Descr., VI 2,5; Tacit., Hist., II 3.
Pagina 15
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)laakt ®%;e
» en Cicero weet b ovendien,
dat zij v:
S
lem geheel afgeschaft, is zij door de Dae ies is 9%. In de tempel te Jeruza-
Decis deelde: delen 208 telde naar 3 es
normale offerpraktijk gesteld var.
het ingewand bedekt
‚ma r v, Joodse leer vier organen : — 1e Het vet, dat
kt. Ik verwijs naar mijn
ijk:niniet vet”», maar vlies
dit. vlies
uiteennzetting v4, . D De term betekende
” ”,tin en voorg
aande se
oorspronkelijk
als de hemel de aarde. Het darmnet bezit het riaine zich beren bedekt de ingewanden
verleggen ; dit moet de aandacht der waarzeggers getrokke hebb
n
en ee de
st
950,
de lever
sst, haar lob ere r he 2e De lob opre
in het lich
De lever was de maan
el
È
aam
5
’
»
O0
lobvolgde bij sommige dieren, en in de oorspronkelijke leer ed hes weer
schij
nstanden; zij zette zich uit bij volle maan en kromp
i
zene eee
dan ook nauwkeurig onderzocht 95%. Ontbrak haar Oehoe ze an er atis
8
‚ dan volgde
tegen:
groot of verdubbeld daarentegen voorspoed 95e. De Grieken en de Rakes rk
enbn:
zoek over de galblaas uit *5?; de aanwezigheid van een dubbele galblaas duidde wo
ne
op voorspoed 958, — 39 De nieren met haar vet, de enige volledige organen op de lijst. Van de
macrocosmische betrekking der nieren is mij niets bekend #9. Volgens Philo adi zj
gekozen als inwendige prototypen der zaadballen, dus als organen der voortbrenging ,
De nier heeft als de zaadbal de gestalte van de boon, zodat het bonenverbod van Pythagoras
945 Pythag., apud Jambl., Vit. Pyth, 93; Porphyr., De Abstin., HI 51. Vgl. Plut., De Fluv., V 3.
946 Cicer., De Divin., II 28-41.
IV 56.
47 Trebat. Test., Lib. Relig., pr. 3 (Bremer). Vgl. Serv., Comment. in Vergil., Aen., III 231,
Jubil., XXI 8;
19;
10,
IX
25,
16,
VIII
3-4,
VII
8-9,
IV
14-15,
948 Exod., XXIX 13, 22; Levit., III 3-4, 9-10,
Phil. Jud., De Sacrif., 136; Idem, De Spee. Legib., 1 212-219, 232-233, 239; Flav. Jos., Antiq., III 228, 231,
243, 260;
Aristoph., Pax, 1053, met scholion ;
Miën., Pesäh., V 10. Egyptenaren: Herod., Hist, II 40, 47. Grieken, omÀdyyva:
Schol. in Aristoph., Pax, 717, en voor de PythaIdem, Plut., 1130, met scholion; Eubul. Com., fr. 95 (Edmonds). Vgì.
goraeërs noot 21.
949 Vgl. Oudh. Med., deel LI, Leiden, 1971, blz. 47, noot 11.
950 Voor de identiteit van deze lob, vgl. Nicandr., Ther, 560-561,
215.
Part. Corp. Hum., 178-180; Poll., Onom., II
951 Plut., De Fac. in Orb. Lun., 15.
met scholion; Ruf. Ephes, De Appell.
II 488; Capitolin., Pertin., Ht
952 Cicer., De Divin., II 36; Plin., Nat. Hist, XI 189; Appian., Bell. Civil,
124; Plut., Quaest. Conviv., IV
Mirab.,
Hist.
Antigon.,
);
(Giannini
3
fr.
Epigr.,
958 De muis : Archel. Cherson.,
Jambl., De Myst., V 8; Lyd., De Ostent., 7; Lucil., Sat,
5, 2; Soran., Gynaec., 1 41; Aelian., De Nat. Anim., II 56;
59; Isid. Hispal., Etym., XII 3, 1. Anders: Stoic., fr.
fr. 1201-1202 (Marx); Plin., Nat. Hist, II 109, XI 196, XXIX
Nat. Anim, XII 13. — Vgl. Hygin., Fab., LV.
II 1211 (von Arnim). — De gôoa, een Nijlvis : Aelian., De
Idem, De Part. Anim, 676b-677b.
954 Plat, Tim., 7la-72c; Aristot., Hist. Anim., 496b;
1119, II 32; Plin., Nat.
IV 7, 7; Cieer., De Divin.,
15,
4,
III
Hellen,
Xenoph.,
955 Eurip., Electr., 827-828;
Hist., XI 189-190; enz.
26, 13; Valer. Maxim., Fact. et Dict. Memor.,
956 Het offer van Marcellus: Liv., Ab Urb. Cond., XXVII
Augustus: Plin., Nat. Hist., XI 190; Sueton.,
van
offer
Het
—
29.
Marcell,
Plut.,
16,9; Plin., Nat. Hist, XI 189;
Lib. Prodig., 69. — Verder: Plin. Min., Epist., II 20,
Div. Aug, 95; Dio Cass, Hist. Rom., XLVI 35, 4; Jul. Obseg.,
13. Ongunstig: Lucan., De Bell. Civil., I 627-628.
Electr, 828; Idem, Phoen., 1256,
957 Aeschyl., Prom, 484, met scholion, 495; Sophocl., Antig., 1010; Eurip.,
496b; Menandr., Dyscol., 452; Plut.,
Anim.,
Hist.
Aristot.,
Adespota);
(Nauck;
118
fr.
Anon,
Trag.
met scholion;
358.
Conjug. Praec., 27; Porphyr., De Antr. Nymph., 18; Cicer., De Divin., II 29; Senec, Oedip.,
958 Plut., Arat., 43; Plin., Nat. Hist, XI 195.
959 Vgl. echter Diod. Sic., Bibl, Hist, I 91,5; Oudh. Med., deel XLIX, Leiden, 1968, blz. 55, noot 97.
960 Phil. Jud., De Spec. Legib., I 216.
Pagina 16
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)toepassing kan zijn geweest van de onderhavige leer ®%t. Voor de nieren in de plaats treedt
bij Grieken en Romeinen de blaas *%2. — 40 De staart met zijn aanhechting, het heiligbeen 965. Opvallenderwijze; de staart is geen inwendig en naar onze opvatting ook geen hoger
‘orgaan des lichaams. Hij was dat laatste volgens de antieke wel. De Egyptische koning legde
zich telkenmale een staart aan, wanneer hij in de cultus optrad. De Grieken observeerden
het gedrag van de staart in het offervuur en trokken daaruit voorspellingen 964. — De lijst,
zoals zij voor ons ligt, is duidelijk fragmentair. Philo heeft gelijk, wanneer hij de vraag stelt,
waarom hersenen en hart niet in haar opgenomen zijn °%. Ware dat het geval geweest, zij
ware desondanks niet volledig, want de ziel vervult de gehele lichaamsholte 966. Bij de geldende bepalingen waren de vier genoemde delen de heiligste delen van het offer. Werd ook
het vlees geofferd, dan werden zij bij de verbranding daar bovenop gelegd 967.
Na de offering der vliezen en overige transcendente delen werden de inwendige organen
ter consumptie vrijgegeven. De Joodse teksten laten zich over hen niet nader uit. Uit de Griekse
en Romeinse weten wij, dat zij het eerst gegeten werden 95. Onmiddellijk na het gebed en
de verbranding viel het ogenblik, waarop de plechtigheid door de deelnemers met de grootste
intensiteit werd beleefd. De inwendige organen werden dan rondgediend %%. Men legde,
wanneer het offer deze strekking had, met de handen daarop gelegd aan elkander de eed af 970.
De rode delen van het lichaam zijn het bloed en het vlees. Het bloed drenkt het vlees als
het Nijlwater de Egyptische akker °7!. De communicatie van aanwezigen °* en altaar 9%
961 De Pythagoreïsche Liturgie, blz. 81, noten 181-182, 190-192, 201.
962 Sophocl., fr. 362 (Nauck); Eubul. Com, fr. 95 (Edmonds); Schol. in Aeschyl., Prom., 497; Schol. in Idem,
Sept. Contr. Theb., 230; Schol. in Enrip., Phoen., 1256.
3 Exod., XXIX 22; Levit., III 9, VII 3, VIII 25, IX 19. Vertaald met dopôs in de Septuaginta. Egyptenaren, dogôs : Herod., Hist, II 40; oùpd: ibid, II 47. Perzen: Säjast-nö-däjast, XI 4; Riväjat bij Dâtastän-i-Denik,
LIX 3. Grieken, képros: Aristoph., Pax, 1054, met scholion; Eubul. Com., fr. 130 (Edmonds); dagôs: Aeschyl.,
Prom., 497, met scholion; Aristoph., Pax, 1053, met scholion; Idem, Ran, 223, met scholion; Pherecrat. Com., fr.
23 (Edmonds); Menandr., Dyscol., 451; vgl. Etym. Magn., sub vocib. ‘Tepòv doroûv en IIpórpnois; oöpd : Eurip.,
Phoen., 1257, met scholion. Romeinen: Fest, De Verb. Signif., sub vocib. Penem (p. 260, 261, Lindsay), Penitam
Offam (p. 282, Lindsay); Arnob., Adv. Nat., VII 24; vgl. Plin., Nat. Hist, VIII 183. — Het heiligbeen, heilig been,
ontleent aan de offerschouw zijn naam. De eerstgeschapen mens had een staart : Midc. Genes. Rabb., XIV 10.
964 Aristoph., Pax, 1053-1054, met scholia; Schol. in Eurip., Phoen., 1257.
965 Phil. Jud., De Sacrif., 136-139; Idem, De Spec. Legib., I 213-215.
968 De longen : Cicer., De Divin., 1 85, II 29; Senec, Oedip., 368; Lucan., De Bell. Civil, I 622; Juven., Sat,
VI 549. De milt : Schol. in Aristoph., Vesp., 831; Plin., Nat. Hist, XI 204. De maag (yacrúp) : Schol. in Aeschyl.,
Prom., 496.
967 Levit. III 5, VI 5 (12). Vgl. Jubil., VII 4, met noot 850.
968 Symboliek: Schol. in Hom., Odyss., III 470.
969 Hom., Il, T 464, met scholion, II 427; Idem, Odyss., III 9, met scholion, 40, 461, 470, met scholion, XII
364, XX 252, 260; Hesiod., Theog., 538; Aeschyl., Agam., 1221; Aristoph., Aves, 984, met scholion; Idem, Equit.,
410; Idem, Pax, 1100-1116, met scholia; Idem, Vesp., 654, met scholion; Eupol. Com., fr. 128a (Edmonds); Menandr.
Com., fr. 292 (Edmonds); Doroth. Ascal., apud Athen., Dipn., 410b. Romeinen: Dionys. Halic., Antiq. Rom., I 40, 4.
Voor de Egyptenaren, vgl. Herod., Hist., II 40.
970 Zie noot 786.
971 Plut., Quaest. Conviv., VII 5. Bloed als water : Bundahiën, XXVIII 4 (Anklesaria); Vititakihä-i-Zätspram,
XXXIV 7, 10-11. Vgl. De Geboorte van Horus, blz. 143-147, $ 40.
972 Zie noot 750-760.
973 Zie noot 761-763.
Pagina 17
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)werd met het bloed verricht. Het overschot werd in de grond aan de voet van het altaar uitgegoten 974. Het bloed van het profaan geslachte dier werd uitgegoten ter plaatse °75; het
bloed van het wilde, gejaagde dier werd althans met aarde bedekt 975. Bloed mocht niet worden
gegeten 977. Het was de moederlijke bijdrage aan het lichaam; uit het menstruele bloed wordt
in de kiem het embryonale vlees opgebouwd °78. Door het in de aarde, de cosmische baarmoeder, uit te gieten, maakte men het substituut wedergeboorte naar het lichaam mogelijk.
De schrijver der Openbaring zag onder het altaar de zielen dergenen, die gedood waren als
getuigen van het Woord Gods ®?. Het bloed heeft echter nog een geheel andere functie.
Het is drager van leven *%, dus van de ziel *s. De ziel bestaat uit lucht of pneuma ?#?.
Deze lucht, voor zoverre niet uit de atmosfeer ingeademd, ontstaat in het lichaam door verdamping uit het bloed 9%? en is daarmede vermengd in de slagaderen 964. Als zodanig is het
bloed vaderlijke en niet moederlijke bijdrage aan de kiem 985; het beantwoordt in de tabel
der vier lichamelijke sappen dan ook aan het element lucht °ss. In het scheppingsverhaal in
het boek Genesis werd de ziel aan Adam, de eerste mens, door Jahwe in de neusgaten ingeblazen °57, Dat was volgens de Joodse exegeten de redelijke, hogere ziel °ss. De ziel in het
97 Joden: Exod., XXIX 12; Levit., IV 7, 18, 25, 30, 34, V 9, VIII 15, IX 9; Jubil., XLIX 20; Test. Levi,
fr. Bodl., 25 (Charles); Phil. Jud., De Spec. Legib., I 231, IV 125; Miën., Zebäh., V 1-3, VI 4; vgl. Ps, LXXIX3;
I Machab., VIT 17. Indiërs : vgl. Satapathabrähmana, 19, 2, 35. Romeinen : Senec, Oedip., 564-565. Wijn, hetzelfde :
Sirac., L 15; Flav. Jos., Antiq., III 234.
979 Joden: Deut, XII 16, 24, XV 23; Test. Levi, fr. Bodl., 56 (Charles). Grieken: Hom., Odyss., III 455;
Eurip., Phoen., 174, met scholion. Voor de Egyptenaren, vgl. Pap. Spiegelberg, IV 21-22.
9% Joden : Levit., XVII 13; Ezech., XXIV 7; Jubil., VII 30, 31, XXI 17; Miën., Bikk., II 9; Idem, Jöóm Töb,
5
12; Idem, ‘Pdüj., IV 2; Idem, Hull, VI 1-7, XII 1.
977 Joden: Genes, IX 4; Levit., III 17, VIT 26-27, XVII 10-14, XIX 26; Deut, XII 16, 23-25, 27, XV 23;
ISam., XIV 32-34; Ezech., XXXIII 25; Jubil., VI 7, 10, 12, 13, VIT 28-32, XI 2, XXI 6, 18; Hen, XCVIII 11;
Test. Levi, fr. Bodl., 56 (Charles); Phil. Jud., De Spec. Legib., IV 122-123, 125; Idem, Quaest. in Genes, II 59; Flav.
Jos, Antiq., III 260; Handel., XV 29.
978 Hippocrat., De Nat. Puer., 15; Plat, Tim, 82; Aristot., De Part. Anim., 668a; Galen, Defin. Med.,
83; Porphyr., De Antr. Nymph., M; enz.
979 Openb., VI 9. Begraven onder het altaar: zie noot 1090.
90 Joden: Jubil., VI 7, VII 32; Phil. Jud., Quod Deter., 92; Idem, Quis Heres, 54; Idem, De Spec. Legib.,
1218; Idem, De Praem. et Poen., 144; Idem, Quaest. in Genes., II 59.
981 Joden: Genes., IX 4; Levit., XVII 11, 14; Deut, XII 23; Sirac., XXXIII 31; Jubil., VIT 32, XXI 18;
Test. Levi, fr Bodl., 55 (Charles); Phil. Jud, Leg. Alleg., II 56; Idem, Quod Deter., 80, 84; Idem, Quis Heres, 55, 56,
57, 61, 64; Idem, De Spec. Legib., I 205, IV 122, 123; Idem, Quaest. in Genes., II 59; Idem, Quaest. in Exod., 11 35;
Flav. Jos., Antiq., III 260. Grieken : Empedoel., fr. 31 A, 4, 30, 97 (Diels); Crit, fr. 88 A, 23 (Diels); Hippocrat., De
Nat. Hom., 6; Idem, De Vent., 14; Plut., De Fac. in Orb. Lun., 29. Romeinen : Serv., Comment. in Vergil., Aen,
Vv 79.
982 De Geboorte van Horus, blz. 104-109, $ 32.
93 Hippocrat., De Vent, 8; Diog. Babyl., fr. III 30 (von Arnim); Marc. Antonin, In Sem. Ips., V 33, VI 15;
Galen, De Us. Part., VI 17; Idem, De Util. Respir., 5; Idem, De Method. Medend., XII 5; Tzetz., Chil., VIT 803,
VIII 223.
984 Phil. Jud., De Praem. et Poen., 144; Idem, Quaest. in Genes, II 59; Flav. Jos., Antiq., III 260.
De Abstin.,
985 Egyptenaren : Plut., De Anim. Proer. in Tim, 27; Idem, De Libid. et Aegrit., 6; vgl. Porphyr.,
Iv 9.
986 Galen, De Placit. Hippocrat. et Platon, VIII 4, 6; Idem, Comment. I in Hippocrat., De Humor, I (p. 25,
Kühn); Idem, De Humor.
987 Genes., IT 7.
988 Phil. Jud., Leg. Alleg., III 161; Idem, Quod Deter., 80, 83, 84; Idem, Quis Heres, 55, 56, 57, 64, 184, 185;
Pagina 18
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)bloed moet dan de lagere zijn. Men zou zeggen de plantaardige e, daar zij uitgezaaid wordt.
De exegeten verklaren echter met beslistheid, dat het de dierlijke is °%; de plantaardige daarin
mogelijkerwijze insluitend. De bloedtransfusie aan de overledene en reeds begravene 99%! had
met de hier beschreven zede uiteraard niets uitstaande. Daarbij sneed men de keel van het
slachtoffer vlak boven de grond door, zodat het volledige volume van het bloed in de aarde
uitstroomde. Dit bloed was dienstbaar aan de wedergeboorte van de begravene, niet aan die
van het slachtoffer zelf.
Het vlees was het minst heilige deel van het substituut; het was als het ware de aarde
in het lichaam °°? Het vlees van het zondoffer werd in de tempel gegeten door de priesterschap, dat van het dankoffer ter plaatse of tehuis door de gesubstitueerde met zijn gasten.
Alleen het vlees van het brandoffer kwam op het altaar. Dit geschiedde volgens transcendent
patroon. Het lichaam bestaat naar antieke leer uit een bepaald aantal delen, ht 993, mma °°4,
dewelke afzonderlijk genomen in de teksten somtijds staan afgebeeld 995. Ieder hunner stond
onder de hoede van een god *% en bezat zekere autonomie °9?; de goden werden op hun beurt
Idem, De Spec. Legib; IV 123; Idem, Quaest. in Genes., II 59; Calcid., Comment. in Platon. Tim., 55, 219, 300. Zo
ook de Stoïcijnen : Stoic., fr. II 879, inc. (von Arnim).
989 Vgl. Miën., Hull, VI 7.
990 Zie noot 988, en vgl. Sallust., De Diis et Mund., 15.
991 Grieken : Hom., Odyss., III 258, met scholion; Eustath., Comment. in Hom., IL, p. 134 (ed. Rom.); Idem,
Comment. in Hom., Odyss., p. 1671 (ed. Rom.); Schol. in Hom., Il, I 459; Schol. in Eurip., Phoen., 274; Schol.
in
Apollon. Rhod., Argon, I 587. Romeinen: Serv, Comment. in Vergil., Aen, III 67.
992 Egyptenaren: Plut., Quaest. Conviv., VIII 5. Perzen: Bundahiën, XXVIII 4 (Anklesaria); Vititakihä-i-
Zätspram, XXXIV 7,
993 Technische term voor de delen van het lichaam van Osiris, vgl. Pap. Jumilhac, passim. De betekenissen
„ding”, A. Erman en H. Grapow, Wörterbuch der Ägyptischen Sprache, Leipzig, 1926-1931, deel I, blz. 124, noot 3-4,
en „„maaltijd”, ibid., blz. 124, noot 5, lijken mij toe hiervan afgeleid te zijn.
94 Exod., XXIX 17; Levit, 16, 8, 12, VIII 20, IX 13; Richt, XIX 29, XX 6;1Sam., XI7; I Kon, XVIII 23,
33; Ezech., XXIV 4. AN: Test. Levi, fr. Bodl., 26 (Charles); Miän., Seqäl., VII 3. De Septuaginta vertaalt in alle
passages met zélos, behalve in Levit., 1 8, en Ezech., XXIV 4, waar de term òixordunua is gebezigd; vgl. Exod.,
XXIX 17, en noot 800-802. MéAos ook in : Sirac., L 12; Phil Jud, De Sacrif., 84; Idem, De Spec. Legib., I 199 (óÀóxÀnpa
Hé), 208; Flav. Jos., Antiq., III 227. Artus: Liv., Ab Urb. Cond, XLV 30, 2. Inventaris der offerdelen, Joden
:
Test. Levi, fr. Bodl., 27-28 (Charles) ; Miën., Jóm., II 3, 7; Idem, Tâm., IV 1-3. Perzen : Sajast-nê-Säjast,
bij Dätastän-i-Denik, LIX 3. Indiërs : Atharvaveda, IX 4, 12-16; Äpastambairautasütra, VII 22,
XI4; Riväjat
6; Kätjäjana-
Srautasütra, VI 7, 6; vgl. Äövaläjanagrhjasütra, I 11, 12; Aitarejabrähmana, VII 1.
99% Pap. Jumilhac, vignetten B, V, bis, en VI; waartoe Osirismysterie, 54-58 (Chassinat). Aantal der
delen
in het menselijk lichaam : Miën., Ahil., I 8; Tös., Ahil., 1 7; Talm. Jer.„Beräk., 8b, 60;
Talm. Babl., Makk., 23b.
99 Egyptenaren : Pyr., 148a-149c, 1303a-1315d, 1546a-1549c; Dodenb., XLII 5-10,
CLI a, ter, 4-6, CLX XII
11-25; Pap. Berlijn, 3027 (naar A. Erman, Zaubersprüche für Mutter und Kind, Berlijn,
1901), III 6 - V 2, verso IV
8-V 6; Pap. Mag. Vatic., 36 (naar A. Erman, Zeitschrift für Ägyptische Sprache
und Altertumskunde, deel XX XI,
Leipzig, 1893, blz. 119-124); De Rochemonteix-Chassinat, Le Temple d'Edfou, deel VI, blz. 84,15
- 85,11, 89,6- 90,2;
Porphyr., Epist. ad Aneb., II 16a (Sodano); Jambl., De Myst, IX 7. Joden :
vgl. Hoogl, IV 1-5, V 11-16, VI 5-7,
VI 2-8 (1-7); Priscillian., apud Oros., Commonit. de Err. Priscill., 2. Perzen
: Sajast-në-Zäjast, XI 4; Riväjat bij
Dätastän-i-Denik, LIX 3. Indiërs: Atharvaveda, IX 7, 1-10. Grieken: Pythag., apud Theod.
Priscian., Eupor.,
Physic, 3; Metrod. Lamps., fr. 61, 4 (Diels). Romeinen : Serv, Comment. in Vergil., Aen, III
607; Fulgent., Mitol.,
HI 7.
297 De Geboorte van Horus, blz. 49, noot 341-346. Bedekking der afzonderlijke delen van het lijk met symbolische voorwerpen, Indiërs: W. Caland, Die Altindischen Todten- und Bestattungsgebräuche, Amsterdam, 1896, blz.
Pagina 19
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)geïdentificeerd met planeten, °** decanen °° of tekenen van de dierenriem too. Nadat de
ingewanden gewassen waren !0%!, werden de delen op het altaarblad gelegd, gezouten *°02
en verbrand. Ook het zondoffer en het dankoffer werden uitgesneden, maar de deling daarvan
was niet organisch tes. Bij het oude Dionysische offer was er geen uitsnijding, maar uiteenscheuring en bepaalde het lot, niet de mens, getal en omvang der offerdelen.
$12 De slachting was desintegratie. Zij werd op haar beurt gevolgd door reintegratie.
Met de dodelijke snede was de straf voltrokken, het bewijs geleverd. Het lichaam van het
geslachte substituut bleef over. Van zekere delen daarvan mocht de gesubstitueerde gebruik
maken tot voortgezette verduidelijking zijner bedoelingen. Maar zijn belang kwam nu achter
te staan bij het belang van het substituut zelf, dat voor hem het leven afgelegd had. De handelingen in de tweede helft van de offerplechtigheid hadden de wedergeboorte van het substituut ten doel.
Het transcendente gedeelte van het offer speelde zich af tussen God en altaar, ruimtelijk
beschouwd tussen de zonneschijf en de aarde. Vanuit de zonneschijf laat zich op het ronde
of vierkante aardoppervlak de stralingskegel of stralingspyramide Q trekken, die wij kennen
als prototype der natuur 104. Het offer had dan ook geheel natuurlijke structuur. God, de
zonneschijf, stelde daarin de essentie voor; in plechtige gevallen viel het offervuur regelrecht
vanuit de hemel op het altaarblad neder 1005. Het altaar, als aarde, was de materie, actueel
aan haar oppervlakte, potentieel daaronder. De natuurlijke kegel of pyramide placht in de
opstaande rand dier altaren, die een zulke bezaten, uitgesneden te worden : DAN] 1008,
998 Egyptenaren: Herm. Trism., Tatrom., 2-5 (p. I 387, Ideler):; Idem, Rat. Jud. Morb., 2(p. 1 430,
Ideler);
Ptolem., Tetrab., III 12 (p. 148, Camerarius); Anon, in Catalogus Codicum Astrologorum Graecorum, deel
VI: G.
Kroll, Codices Vindobonenses, Brussel, 1903, blz. 83-84; Anon, in R. Wünsch, Archiv für Religionswissen
schaft,
deel XII, Leipzig, 1909, blz. 160; Pap. Manchester, no. 63; Pap. Michigan, no. 149.
999 Egyptenaren: Herm. Trism., De Decan. (naar C.-E. Ruelle, Revue de Philologie,
deel XXXII, Parijs,
1908, blz. 247-277); Cels, apud Origen, Contr. Cels, VIII 58-59. Chaldaeën : Anon., in Kroll,
Codices Vindobonenses,
blz. 73-78.
1000 Egyptenaren: Herm. Trism., Iatrom., 3 (p. 1 387, Ideler); Idem, Rat. Jud. Morb.,
2 (p. 1 430, Ideler);
Idem, De Decan. (p. 247-277, Ruelle); Anon, in E. Maass, Analecta Eratosthenica, Berlijn, 1883, blz.
147,15 - 149,4;
Anon., in Catalogus Codieum Astrologorum Graecorum, deel V 3: I. Heeg, Codices Romani, Brussel,
1910, blz. 128,22129,17; Anon., in Kroll, Codices Vindobonenses, blz. 83-84; Pap. Manchester, no. 63. Chaldaeën: Sext. Empir.,
Adv. Mathem., V 21-22. Grieken: Vett. Val., Anthol., II 36 (p. 109,27 - 111,14, Kroll); Paul. Alex, Elem. Apot., II
(p. 10, 9-16, Boer); Hephaest. Theb, De Act. Ausp., p. 47-67 (Engelbrecht); Olympiod. Alchim., p. 101, 7-8
(Berthelot-Ruelle). Romeinen: Manil., Astron, II 453-465; Firm. Matern., Mathes., II 24.
1001 Exod., XXIX 17; Levit 19, 13, VIII 21, IX 14; Ezech., XL 38; II Chron., IV 6; Test. Levi, fr. Bodl.,
28 (Charles); Phil. Jud., Leg. Alleg., III 141-150; Idem, De Sacrif., 139; Idem, De Migr. Abrah., 67; Idem, De Spec.
Legib., 1 199, 206-207; Flav. Jos., Antiq., III 227; Miën Tam, IV 2.
1002 Zie noot 1386-1395.
1003 Zondoffer : Min, Seqäl., VII 3.
1004 De Geboorte van Horus, blz. 210-215, $ 48. Voor het volgende, ibid, blz. 215-224, $ 49-52,
1005 Joden: Levit., IX 24; I Kon., XVIII 38; I Chron., XXI 26; II Chron., VII 1; II Machab., I 22, IT 10;
Phil. Jud., Quis Heres, 251 ; Idem, De Vit. Mos., II 154, 158; Idem, Quaest. in Genes., III 15; Flav. Jos, Antiq., VII
H8. Perzen : Ps.-Clem., Recogn., IV 29, 3; Ammian. Marcell, Res Gest., XXIII 6, 34. Vgl. Jambl., De Myst., V 12.
Vuur, opslaande uit het altaar, Joden : Richt, VI 21; Flav. Jos., Antiq., UI 207; Perzen : Pausan., Graec. Descr.,
V 27, 6; Romeinen : Plin., Nat. Hist., II 240. Geboorte door bliksem : Philostr., Vit. Apollon, I 5.
1006 Zie noot 1107-1109.
Pagina 20
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)In het substituut beantwoordde de ziel aan de essentie, het lichaam aan de materie. Het na
de slachting daarvan op het altaar nederdalende zieledeel was de in de materie afdalende individuele essentie; de van het altaar na de ontbranding opstijgende vlam de individuele essentie,
oprijzend vanuit de materie naar de zonneschijf, de universele essentie. De wedergeboorte
geschiedde als de geboorte. De dalende essentie drong in de aarde, doorliep haar tot in het oneindige, trok een evenredig deel der potentiële materie tot zich en herrees als natuurlijk en
bezield lichaam, als nieuw individu.
Voor de offertheorie was vooral de quantitatieve tegenstelling tussen essentie en materie
van belang 1007. De essentie vormt een eenheid, de materie een onbepaalde veelheid; vanuit
de zonneschijf dalen de stralen in oneindig aantal op de aarde neder ‘05. Het substituut was
bij zijn leven individu, dus één. Het werd door het mes in zijn delen, in een veelheid uiteengelegd, maar door verbranding op het altaar of door vertering in het lichaam der communicanten
naar de eenheid teruggeleid. De scheiding van eenheid in veelheid is een beweging gericht op
de materie, naar haar doel vrouwelijk van aard ; de vereniging der velen tot een is een beweging
gericht op de essentie, naar haar doel mannelijk van aard ‘°°. Het substituut werd van
een tot velen, van velen tot een 1010,
Aan de altaarhof der stad Heliopolis was een beroemde legende verbonden. De vogel
Phoenix kwam op de gezette tijd aldaar aangevlogen, vervaardigde met welriekende kruiden
een nest op het altaar te1, zette zich daarin neder en ontbrandde, om onmiddellijk daarop
herboren uit zijn as te herrijzen. De vogel was symbool van de zon, de essentie; de zelfverbranding viel op het ogenblik der datumwisseling 1012, maar was tevens prototype van het
offer. Het leven op aarde is een reeks van geboorte, dood en wedergeboorte. Het ene komt
uit het andere voort t°. Niets ontstaat uit het niet, niets keert tot het niet terug 1014,
De wereld zelf neigt tot de essentie en zij verbrandt in de zonnegloed, of zij neigt tot de materie
en verdrinkt in het oerwater *°15; verbrand of verdronken, zij herrrijst Het zijn der dingen
is een nimmer aflatend proces van verbinding en scheiding t°1s. Het sterven is geboren worden
1007 Aristot., Metaph., 1001, a-b, 1003b, 1040b, 1054a, 1056b-1057a, 1060, a-b, 1074a, 1087b-1088a.
1008 Vgl. Phil. Jud., De Gigant, 3; Plotin., Ennead., 1 7,1, VI 4, 7.
1009 Egyptenaren: Horapoll., Hierogl., 1 24; vgl. De Geboorte van Horus, noot 3075, met afb. 36. Grieken:
Procl., Comment. in Platon. Tim., p. III 179, 193, 251 (Diehl); Idem, Comment. in Platon. Rempubl., p. I 246 (Kroll);
Damasc., De Prim. Princip., 209.
1010 Phil. Jud, De Spec. Legib., I 199, 208; vgl. Empedocl., fr. 31 B, 17 (Diels; Grieken); Jambl., De Myst.,
VIII 3 (Egyptenaren). Mythologisch prototype, Osiris : Damasc., Vit. Isid., Epit. Phot., 5 (Zintzen). Dionysus:
Orph., fr. 213, 214 (Kern); Julian. Apost., Or, IV 144c; Proecl., Comment. in Platon. Alcib., 44; Idem, Comment.
in Platon. Cratyl., 182; Idem, Comment. in Platon. Tim., p. I 173, II 80, 198 (Diehl); Damasc., De Prim. Prineip.,
160, 245; Olympiod., Comment. in Platon. Phaed., A I 5, B 4, 128; Macrob., Comment. in Somn. Seip., I 12, 12.
Verbindend en scheidend vermogen van de maan : Plut., De Fac. in Orb. Lun., 30. De zwarte kleur verbindt, de witte
scheidt: Olympiod. Alchim., p. 92, 5-6 (Berthelot-Ruelle). Zie noot 1049.
1011 T Clem, XXV 4; Clem. Rom., Const. Apost., V 7, 15; Lyd., De Mensib., IV 11; Mel., Chorogr., III 84;
Plin., Nat. Hist, X 4; Tacit., Ann, VI 28; Solin., Coll. Rer. Memor., XXXIII 12; Lactant., De Av. Phoen., 122;
Claudian., Phoen., 94, 96. Vgl. Nonn., Dionys., XL 493-500, 521-534.
1012 Vgl. de studie over Camephis, noot 65.
1013 Vgl. Plut, fr. 200 (Sandbach) : “Hos, ó mâoavr dlopdv yevéoer kai yéveow ad md) blopâ ovvdrruv.
1014 Orph., fr. 205 (Kern); Anaxag., fr. 59 B, 17 (Diels); Hippocrat., Regim., 1 4-6; Corp. Herm, II 13; Asclep.
Herm., 40; Phil. Jud, De Aetern. Mund., 5; Ovid., Metam., XV 165, 254.
1015 Heraclit., fr. 55 (Marcovich).
1018 Hippocrat., Regim., I 4-6; Aristot., De Gen. et Corr, 315b, 317a; Corp. Herm., XII 16.
Pagina 21
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)in omgekeerde volgorde 1917, het geboren worden insgelijks sterven 1o1s. De offerplechtigheid
resumeert de reeks en symboliseert haar. Het mes brengt het substituut de dood, het altaarblad
baart het vervolgens tot nieuw leven te1°. De Egyptenaar legde een lotusbloesem boven de
op de offertafel uitgespreide offerdelen te: en bood de gasten aan het offermaal zulk een
bloesem aan 1te21. Uit de lotus werd bij de schepping der wereld de Zonnegod geboren, uit
de lotus werd de ziel van het substituut herboren tijdens het offer.
De delen, waarin bij de slachting het substituut uiteengesneden werd, waren niet bestendig
en ontbonden zich op hun beurt in de vier elementen 1022. Vier offerkoeien werden te Hermione op de Peloponnesus door vier oude vrouwen, de elementen voorstellende 1023, met sikkels
gedood 1024. De elementen waren deels transcendent, deels substraat; vuur en lucht stegen
ten hemel, water en aarde daalden in de bodem af 1025. Het gevolg van de slachting was, dat
het substituut als natuurlijk lichaam ophield te bestaan, zijn ziel aan de hemel, zijn lichaam
aan de aarde hergeven werd 1025. Naar dit eindresultaat werd gedurende de gehele offerhandeling toegewerkt. De ziel werd vrijgemaakt door het substituut bij het aanzetten van het
mes de blik naar de hemel te doen opslaan, vervolgens door de beenderen, de inwendige vliezen
en organen, de witte delen, — eventueel ook het vlees —, alle zetel der resterende, lagere zieledelen, te verbranden. Het lichaam werd tot de aarde herleid door van de rode delen het bloed
in de grond uit te gieten, vervolgens door het vlees door de aanwezigen te doen consumeren;
in het lichaam dezer laatsten opgenomen, viel het vroeger of later in de aarde terug.
De reïntegratie geschiedde : 1° in God, in de zonneschijf, 2° in het lichaam des priesters, 30
in het lichaam der tot het offer uitgenodigde gasten, 40 in de aarde. Zij begon met de uitzaaiing.
De delen van het substituut waren de zaden, waaruit het wedergeboren werd; het zaad
was het lichaam van de dode Osiris 1027 of van de dode Adonis 1022, De rangschikking
dezer delen op het altaarblad was variant van de uitzaai van het graan in de aarde door de
1017 Corp. Herm, XII 16; Asclep. Herm, 40; Stob. Herm, XI 2 (35); Phil. Jud., Leg. Alleg.,
1-7; Viëitakihäi-Zätspram, XXXI 1; Heraclit, fr. 47 (Marcovich); Eurip., fr. 839 (Nauck); Plat., Phaed., 72a; Marc. Antonin, In
Sem. Ips., IX 3.
1018 Stob. Herm., XI 2 (35); Phil. Jud, Leg. Alleg., I 6-7; Heraclit., fr. 47 (Marcovich); Ovid., Metam., XV
255-257.
1019 Het altaarvuur, baarmoeder : Satapathabrähmana, XI 1, 2, 2, vgl. IT 3, 3, 5. De zon mag niet ondergaan
boven het offer : ibid, XII 4, 4, 6. Altaar en graf : Pausan., Graec. Descr., VIII 9, 4.
1020 Voorbeelden op de reliëfs, zonder tal. Zie noot 1106.
1021 De Geboorte van Horus, blz. 176, noot 1686.
1022 Zie noot 397.
1023 Voor de personificatie, vgl. De Oorsprong van het Romeinse Circus, blz. 3, noot 4.
1024 Pausan., Graec. Descr., II 35, 7. De uitsnijding der slachtoffers geschiedde in de tempel te Jeruzalem
op acht aan de noordzijde van het brandofferaltaar geplaatste tafels, zie noot 1165.
102% Vgl. De Geboorte van Horus, blz. 152, noot 1364.
102 Egyptenaren : Pyr., 474a; Amduat, III (p. 1 57, 1, Hornung); Boek der Poorten, VIII (p. II 207, Piankoff);
Pap. Brits Museum, no. 10208, I 2 (Haikal); Pap. idem, no. 10209, I 26, 39-40, III 20 (Haikal); Pap. Spiegelberg,
IV 21-22; Stob. Herm., XI 2 (42); L.V. Zabkar, Journal of Near Eastern Studies, deel XXII, Chicago, 1963, blz. 60-61.
Joden: Sirac., XL 1; Apoc. Esdr., VII 3 (Riessler). Perzen : Strab., Geogr., XV 3, 13; vgl. Bundahiën, III 13 (Anklesaria). Indiërs: Aövamedha, 492a (Dumont). Grieken: Epicharm., fr. 23 B, 9 (Diels); vgl. Eurip., fr. 839 (Nauck).
Romeinen; vgl. Senec., Hercul. Oet, 1968. —Scheiding van ziel en lichaam, doel der philosofie: Stephan. Alchim.,
p. 136, 10-11 (Berthelot-Ruelle).
1027 Athenag., Supplic., XXII 6; Firm. Matern., De Err. Prof. Relig., II 6.
1028 Schol. in Theocrit., Idyll., III 48.
Pagina 22
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)landbouwer 1e29. Toen de Perzische zonnegod Mithra in de oertijd de cosmische stier slachtte,
kwamen uit diens leden de granen voort 103%. Op de monumenten, pe deze daad wedergeven,
eindigt de staart van de stier in een pluim van korenaren 20%. Op één monument komen de
korenaren veelbetekenend uit de door het mes gemaakte snede voort 1032; de voornoemde oude
vrouwen maakten voor de slachting van het substituut gebruik van sikkels, als ging het om
de oogst van graan 1033, De lichamen van het eerste mensenpaar, *Martia en *Martiäni, werden
als graan in de aarde ingezaaid 19%. Om dit aan de aanwezigen in te scherpen werd door
de Grieken bij het offer symbolisch met graan gestrooid. Het zaad bestond uit gerstekorrels 1035,
daar gerst als oudste voedsel gold 1o3s, en werd voor de aanvang van het offer door een korfdraagster, een jong meisje van goeden huize 105?, op het hoofd aangedragen. De korf, zo mogelijk van goud 1035, bevatte het offermes, de offergerst en kransen 1039. Het mes moest
in de
gerst gelegen zijn 19%, want het bracht het slachtoffer niet slechts de dood, maar
ook de
wedergeboorte. De kransen werden op het hoofd van substituut en aanwezigen
gelegd; zij
bestonden somtijds uit korenaren to41 of vruchten 142. Men strooide
de gerst over het substituut alvorens dit te doden 104, over het mes 1044 en over
over de aanwezigen 104. Dat alles ter bevordering van
het altaar 104%; het resterende
de vruchtbaarheid 1047,
1029 Zie noot 1019.
1030 Bundahiën, VI E, 1, XIII 1-3, XVI 3-4 (Ankle
saria); Vititakihä-i-Zätspram, III
43-49. Zie noot 1385.
1031 FP. Cumont, Textes et Monuments
Figurés Relatifs aux Mystères de Mithra,
Brussel, 1896-1899, deel E
blz. 186, noot 5.
1032 Cumont, op. laud., deel 1, blz. 228, afb.
1033 Zie noot 1024,
59. Zie noot 1044.
1034 Denkart, P- 741, 21-22 (Madan). Zie noot
1328.
1035 Hom., Il, T 449, 458, II 410, 421; Idem,
Odyss., III 441, 445, 447, IV 761. Gehele,
ongebroken korrels:
Dionys. Halic., Antiq. Rom., VII 72, 15; Schol.
in Hom., IL, I 449; Schol. in Aristoph., Pax,
962; Schol. in Apollon.
Rhod, Argon, I 409; Lexic. Sud., sub voce OùdoBvr
fr. 2 (Pötscher); vgl. Levit., II 14; Phil. Jud., De
eiv. Overgang naar gemalen korrels : Theophrast.,
Sacrif., 76. Grutten reeds in Hom, Odyss., XIV
vgl. ibid, 77. Eikenbladeren : Hom., Odyss., XII 357-35
De Pietat.,
429, met scholion ;
8. Gerstekorrels, Egyptenaren : Corpus Inscriptionu
m Atticarum, deel III 1, blz. 45, no. 77 (4-6). Geen offergerst bij Joden.
Noch bij Perzen : Herod., Hist, I 132; vgl. Appian, Mithr., 277. Romeinen : Zie noot 1392.
1036 Zie noot 828, onder 20.
1037 Philochor. Athen., fr. 8 (Jacoby); Lexic. Sud., sub voce Kavoöv. Zie
noot 897.
1038 Eurip., Iphig. Aul., 1565; Schol. in Aristoph., Acharn., 242; vgl. Schol. in
Idem, Lysistr., 1194; Lexic.
Sud., sub voce Kavoûrv.
1039 Aristoph., Pax, 948, met scholion; Lexic. Sud, sub voce Kavoûr; Etym. Magn. sub voce ead.
1040 Eurip., Iphig. Aul., 1565-1567; Schol. in Aristoph., Pax, 948. Anders: Philostr., Vit. Apollon, I
1.
1041 Pausan., Graec. Descr., VII 20, 1.
1042 Hygin., Fab., CCLXXVII 4.
1043 Behalve noot 1035, 1391, 1392 : Agatharchid. Cnid., fr. 5 (Jacoby); Nonn., Dionys., V 7-8; Schol. in Hom.,
I., 1 449; Schol. in Hom., Odyss., III 441; Schol. in Aristoph., Equit., 1167; Schol. in Idem, Nub., 260; Lexic.
Sud., sub voce Odhobvreiv; Etym. Magn., sub voce Oùdoytras mpoBddovro; Ovid., Metam., XV 133; Hygin., Fab.,
CCLXXVII 4; Serv, Comment. in Vergil., Aen., II 133, X 541, XII 173. Indiërs : Äëvaläjanagrhjasütra, I 11, 3;
ilagrhjasütra,
III 10, 21; Khädiragrhjasütra, III 4, 4.
nde he De Bell. Civil, 1 609-610; Juven., Sat, XII 84; Serv., Comment. in Vergil., Aen, II 133,
ge ne te 803-804; Idem, Iphig. Aul., 1112, 1471-1472; Dionys. Halic., Antiq. Rom., VII 72, 17;
Schol. in Hom., I1.,
1046
1458; Schol in Apollon. Rhod., Argon., 1 409; Eustath., Comment. in Hom., I1., p. 132 (ed. Rom.).
Aristoph., Pax,
962-967, met scholia.
:
1047 Ee ee Schol. in Hom., Il, 1 449; Schol. in Idem, Odyss., III 441; menne Comment. in
Hom., Il, p. 132 (ed. Rom.: moÀvrrÀúdera kaprûv); Etym. Magn., sub voce Oùhoytras zrpoBdhovro.
Pagina 23
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)De vlam van het offervuur voerde de oogst der op het altaar ingezaaide offerdelen ten
hemel; bij het brandoffer behoorde ook het vlees daartoe. Het substituut keerde terug tot
de hemelse essentie, de Zonnegod, die het, naar de overgeleverde term luidt, als liefelijke ze
in zich opnam to4s. Het werd als onlichamelijke ziel geïntegreerd tot bovennatuurlijke eenheid.
De veelheid der delen, waarin Dionysus door de Titanen in de oertijd uiteengescheurd ee
werd door Apollo tot de eenheid herleid 1049. De Zonnegod verbindt, hij doet dat door en e
van zijn straling toso. Weliswaar verviel de as van het verbrande lichaam aan de aarde sl
keerde daarmede terug in de cosmische baarmoeder, maar in haar was geen restant van zie
meer vervat. In het Dionysische offer als boven beschreven *°st at men het substituut in ee
volledigheid op ten einde ook diens ziel in zich op te nemen; deze laatste werd pt in ne
lichaam teruggevoerd, zij het in eens anders lichaam, en bleef bevangen in de kringloop der
geboorten. De verbranding der transcendente delen op het altaar had daartegenover het doel
haar aan deze kringloop te onttrekken. In het westerse offer lag de gedachte duidelijk, die in
het oosten, in Indië, door Siddhärta Gautama, de Boeddha, tot fundament van zijn leer werd
ne van het offer kon door de mens worden genoten. Hij mocht van alle delen het
vlees, en alleen het vlees, nuttigen. Zulks geschiedde bij het zondoffer, dat door de priester,
en bij het dankoffer, dat door de gesubstitueerde en zijn gasten werd gegeten. De maag heeft
in het lichaam de functie van de oceaan 1°5? of de aarde 1053. De spijsbrokken worden in haar
verteerd en als sap afgevoerd. De maagwand beantwoordt in de leer aan het aardoppervlak zn
Wat zich boven hem, dus in de maagholte bevindt, is actueel, wat onder hem potentieel.
Het substituut werd vanuit de potentie tot de act herleid en herboren in het lichaam van de
mens, die het opgegeten had. De veelheid keerde tot de eenheid terug, maar de eenheid was
ditmaal niet volstrekt, doch betrekkelijk; er kwamen zovele individuele eenheden tot stand
als er eters waren. Hoewel een ieder der deelnemers slechts een klein deel van hét vlees verkreeg,
werd toch aangenomen, dat het substituut in zijn volledigheid in hem herrees. Nadat Osiris
1048 Egyptenaren: Pap. Jumilhac, A, II 10-11. Joden: Genes, VIII 21; Exod., XXIX 18, 25, 41;
Levit.,
19, 13, 17, II 2, 9, 12, III 5, 16, IV 31, VIS (15), 14 (21), VII 21, 28, XVII 6, XXIII 13,
18, XXVI 31; Numer.,
XV 3,7, 10, 13, 14, 24, XVIII 17, XXVIII 2, 6, 8, 13, 24, 27, XXIX 2, 6, 8, 13, 36;
Ezech., VI 13, XVI 19, XX 28,
41; Ezr., VI 10; Jubil., XVI 23, XXI 7,9 XXX 16; Test. Levi, fr. Bodl., 30 (Charles);
Miën., Menäh., XIII 11; vgl. Jubil., II 22. Met reukoffer verbonden
549-550; Lucian, Icarom., 27. Vgl. De Geboorte van Horus, blz. 223, noot 2085,
en hieronder, noot 1237.
1049 Orph., fr. 35, 209, 210, 211, 212 (Kern). Vgl. Plut., De Is. et Osir., 75; Idem,
Julian. Apost., Or., IV 144c; Procl., Comment. in Platon. Alcib.,
Eph, V 2; Philipp., IV 18;
: ibid, VI 3, VI 5. Grieken : Hom., Il, VIII
De E apud Delph., 9, 20;
83; Damasc., Vit. Isid., Epit. Phot., 5; Lucan.,
De Bell. Civil, V 72-74; Macrob., Sat, I 18, 8; Aitarejäranjaka, III 2, 2, 7; en noot
1010.
1050 Julian. Apost., Or., IV 135c, 138d, 139, c-d, 141a, 142a, 149d, 15la;
Procl., Comment. in Platon. Cratyl.,
176. Aphrodite, hetzelfde : Julian. Apost., Or., IV 150, b-c, 154a.
1051 Zie noot 895-898. — Gedaanteverwisselingen van Dionysus: Plut., De
VI 169-205, XXXVI 291-333, XL 37-60; vgl. Oppian., Cyneg., IV 280 - 283.
E apud Delph., 9; Nonn., Dionys.,
1052 Egyptenaren: Pap. Leiden, 1 350, V 21. Perzen: Bundahiën, XXVIII
thabrähmana, I 6, 3, 17. Grieken : Hippocrat., Regim., I 10, IV 90;
Vgl. De Geboorte van Horus, blz. 55, cit, 195; blz. 118, noot 987.
4 (Anklesaria). Indiërs: Satapa-
Idem, De Morb., IV 33; Aristot., Meteor, 355b.
1088 Perzen: Säjast-në-däjast, XI 4; Riväjat bij Dätastän-i-Dénik, LIX 3. Grieken: Hippocrat, De Humor.,
1 (waartoe: Galen, Comment. II in idem, XXXVII; Idem, Comment. IV
in Idem, Epidem., II, ad p. V 120,13124,8, Littré); Idem, Regim., I 10; Aristot., De Part. Anim., 650a, 678a; Plut., De
Fac. in Orb. Lun, 15.
1054 De Geboorte van Horus, blz. 218, noot 1941.
Pagina 24
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)in twee en veertig delen uiteengescheurd was, zocht Isis, zijn weduwe, de delen bijeen. Zij
voltooide met behulp van aromatische kruiden en was ieder deel tot het volledige lichaam,
bestelde het daar ter aarde, waar zij het vond en vertrouwde de zorg ervoor aan de priesters
toe. De priesters der afzonderlijke twee en veertig heiligdommen verkeerden dan ook in de
overtuiging, dat Osiris juist bij hen, niet bij de anderen bijgezet was '°55, Insgelijks sloot de
god Zeus, die het hart van zijn door de Titanen uiteengescheurde zoon Dionysus had ontvangen, dit in een gipsen beeld van diens lichaam in en stelde dat ter verering ‘05e. De symboliek
was nog eenvoudiger, wanneer het offervlees niet door de man, maar door de vrouw gegeten
werd. De door de maag uitgetrokken sappen kwamen dan in de baarmoeder en herrezen
daar in het embryo. Wat de vrouw in het offer zocht, was vooral de vruchtbaarheid.
Altaar, maag en baarmoeder waren microcosmische variant van een macrocosmisch
prototype, de aarde. De reïntegratie van het slachtoffer kon ook regelrecht in deze laatste
geschieden. De offerdelen werden dan als mest over de akker uitgestrooid en leefden daarin
weder op in het gewas. Egyptische bewijsplaatsen ontbreken, maar de wijze, waarop de twee
en veertig delen van Osiris over het Egyptische territoir in volle omgang werden uitgestrooid,
gevoegd bij de hieronder volgende opgave, is suggestief. De delen van het merija-offer der
Khond's waren als meststof zeer gezocht. Het enige antieke bewijsstuk door mij opgespoord
komt uit Griekenland. Aan het einde van de herfst, op het ogenblik van de uitzaai van het
graan 1057, had aldaar het feest der Thesmophoriën ter ere der godin Demeter plaats. Het
was herkomstig uit Egypte 1055, duurde drie volle dagen 10° en werd slechts door de vrouwen
gevierd 1080; geen man mocht erbij aanwezig zijn. Men offerde biggetjes, roosterde het vlees
1055 Zie noot 740. — De collectieve eenheid : — 1e Alle delen des lichaams worden onderhouden door de maag,
die ogenschijnlijk passief is, doch de voorrang voor zich opeist : G. Maspero, Études Égyptiennes, Parijs, 1886-1890,
deel I, blz. 260-264. Ditzelfde, betrokken op het leger : Aesop., Fab., CX XXII; Iphicrat., apud Polyaen., Strateg., III 9,
22. Op de staat : Liv, Ab Urb. Cond, II 32, 8-12; Dionys. Halic., Antiq. Rom., VI 86, 1-5; Zonar., Epit. Hist, VII 14;
vgl. Cicer., De Offic., III 22. Op de kerk : I Cor, XII 12-27. — 20 De pharao is een valk; Erman-Grapow, Wörterbuch,
deel I, blz. 444, noot 16, blz. 445, noot 1, 3, 5. De nimé, zijn hoofddoek, stelt blijkens de contouren van de op de
borst hangende slippen een vogel voor: Indo-Iranian Journal, deel VII, 's Gravenhage, 1964, blz. 310-317. Aan ieder
der soldaten werd een (valke)veder uitgereikt, die hij als teken van militaire staat in het haar droeg : Oudh. Med.,
deel LII, Leiden, 1971, blz. 30, noot 3. De mobilisatie geschiedde bij offer. Men slachtte een substituut en zond de
delen daarvan aan de voornaamste dienstplichtigen : Richt., XIX 29, XX 6; I Sam., XI 7; vgl. Lucian, Toxar. 48.
Slachting van de koning: Apollod., Bibl, III 12, 6. Van Romulus: Liv., Ab Urb. Cond, I 16, 4; Dionys. Halic.,
Antiq., Rom., II 56, 4; Plut., Romul., 27; Flor, Epit., I 1, 17.
1056 Orph., fr. 214 (Kern).
1057 Cornut., Theol. Graec., 28; Plut., De Is. et Osir., 69; Plut., Demosth., 30; Hesych., Lexic., sub voce
“Avoöos; Schol. in Aristoph., Thesm., 80, 834.
1058 Herod., Hist, II 171. — (Nagekomen notitie) : Te Ilithyiaspolis in Egypte werden gedurende de hondsdagen Typhonische mensen levend verbrand, waarna hun as werd gewand en uitgestrooid
: Plut., De Is. et Osir., 73.
In een Canaänietische mythe maakt zich de maagdelijke godin “Anat meester van Möt, de god des doods. Zij snijdt
hem in stukken met haar zwaard, verstrooit hem met een zeef, verbrandt hem met vuur, vermaalt hem in een molen
en strooit hem uit over de velden, alwaar de vogels zijn restanten oppikken : Ugarit, I AB (Eissfeldt), II 29-36, V 11-19.
Voor de Indiërs, vgl. Äsvaläjanagrhjasütra, IV 5, 7.
1059 Alciphr., Epist., II 37; Phot., Lezic., sub voce Oeopodopiuv ijuépa ò'; Schol. in Aristoph., Thesm., 80.
1060 Aristoph., Thesm., 1150; Lexic. Sud., sub vocib. Beopodópos, Epdxrprar. Vgl. Cieer., In Verr. Act. Secund.,
Pagina 25
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)daarvan aan de zon '°s! en at het op 1062. Andere biggetjes werden tezamen met symbolen
van vruchtbaarheid, als broden in de vorm van een slang of mannelijke roede toe: en
twijgen van de pijnboom, in een kelderruimte geworpen, vielen daarin te pletter of kwamen
er van honger in om. De restanten der bij de vorige viering afgeworpen dieren werden naar
boven gehaald door vrouwen, die zich door een driedaags vasten op deze taak hadden voorbereid, en op het altaar gedeponeerd 154, Het feest stond geheel in het teken van de vruchtbaarheid 1065; afbeeldingen van het vrouwelijke geslachtsorgaan werden rondgedragen toet en men
sloeg obscene taal uit 1067. Op de tweede dag werd gevast 1085, waarbij de vrouwen op de
blote grond gezeten waren 1069. Zij sliepen des nachts op een leger opgemaakt met twijgen
van agnus castus 1070 en andere kuismakende gewassen 1°7!; ook was er een nachtelijke viering 1072. Het meeste ontgaat ons, maar de gedachtengang was wel deze, dat het gegeten offervlees de bevruchting bewerkstelligde, die in de dagen na het feest door de echtgenoten tehuis
werd voltooid. De op het altaar gedeponeerde restanten werden als meststof aan de landbouwers
uitgekeerd 107%,
De dodelijke snede werd toegebracht onder de óAoÀvyú, het geschreeuw der aanwezige
vrouwen 1°?%. Deze kan oorspronkelijk aangeheven zijn ten einde de doodskreten van het
slachtoffer te overstemmen en dit laatste het sterven gemakkelijk te maken 1075. Symbolisch
betekende zij de rouw 19%; de zoekenden naar het primordiale slachtoffer, Osiris, waren treurig
gestemd 1077. Of ook de vreugde over het wedervinden van diens delen 1975. Het „wedervinden
van Osiris” was term voor de uitzaai van het graan 1079. Op het ogenblik, waarop het slachtoffer de dood inging herrees het tot nieuw leven.
1061 Plut., Quaest. Graec., 31. Liet het dus rauw? Maar vgl. noot 1561.
1062 Schol. in Áristoph., Ran, 338; Schol. in Idem, Thesm., 376. Vgl. Alciphr., Epist., II 37.
1063 Waartoe : De Geboorte van Horus, blz. 35-36, $ 11.
1064 Schol. in Lucian, Dial. Meretr., II 1; Clem. Alex, Protr., II 17, }. Vgl. Pausan., Graec. Descr., IX 8, 1.
1065 Schol. in Lucian, Dial. Meretr., IT 1.
1066 Heraclid. Syrac., apud Athen., Dipn., 647a; Theodoret., Graec. Affect. Cur., III 84.
1067 Diod. Sic., Bibl. Hist, V 4, 7; Cleomed., De Mot. Cire. Corp. Cael., 91. Vgl. Eubul. Com, fr. 148 (Edmonds);
Apollod., Bibl, I 5, 1; Hesych., Lexic., sub vocib. Zrijva, Erymôoas.
1068 Aristoph., Aves, 1519; Idem, Thesm., 984; Cornut., Theol. Graec., 28; Plut., De Is. et Osir., 69; Idem,
Demosth., 30; Alciphr., Epist, II 37; Athen., Dipn., 307f; Phot., Lexic., sub voce Oeopopopiwv iuépar Ô’; Schol.
in Aristoph., Thesm., 80.
1069 Plut., De Is. et Osir., 69. Waartoe: De Geboorte van Horus, blz. 140, noot 1225.
1070 Dioscurid., De Mat. Medic., IT 103, 3; Galen, De Simpi. Medic. Temp. ac Facult., VI 1 (2); Aelian., De
Nat. Anim, IX 26; Eustath., Comment. in Hom., Odyss., p. 1639 (ed. Rom.); Schol. in Nicandr., Ther., 71; Plin.,
Nat. Hist, XXIV 59. Zie noten 187, 188.
1071 Vlooienkruid: Schol. in Theocrit., Idyll., IV 25, VII 68; Schol. in Nicandr., Ther., 70. Pluimvormend
peperboompje: Hesych., Lexic., sub voce Kvéwpov, vgl. BabúpaAov. Pijnboom (sic): Steph. Byzant., Ethnic. sub
voce Milxyros.
1072 Herod., Hist, VI 16. Vgl. Eubul. Com., fr. 148 (Edmonds).
1073 Schol. in Lucian, Dial. Meretr., II 1.
1074 Libyers: Herod., Hist, IV 189. Grieken: Hom., Odyss., III 450, met scholion; Aeschyl., Agam, 595;
Idem, Sept. Contr. Theb., 268, met scholion. Geten : Menandr., apud Strab., Geogr., VII 3, 4.
1075 Vgl. Plut., De Superst., 13.
1076 Vgl. Serv, Comment. in Vergil., Aen., IV 168.
107? Juven., Sat, VI 534.
10% Serv, Comment. in Vergil., Aen., IV 609. Vgl. Xenoph., Anab., IV 3, 19.
1079 Athenag., Supplic., XXII 6; Firm. Matern., De Err. Prof. Relig., II 6.
Pagina 26
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)Terwijl men met de verdeling bezig was, zette de minstreel zich bij de offertafel neder en
bezong de cosmogonie, het ontstaan der wereld too. De ernstige gesprekken tijdens de profane
maaltijd door de disgenoten gevoerd test, de raadsels door hen aan elkander opgegeven 192,
zij betroffen datzelfde onderwerp.
$13 Men bracht het offer bij voorkeur op een ietwat hooggelegen terrein, als op een
rots 1083, Was zulk een terrein niet te vinden, dan richtte men een kunstmatige verhoging
op van keien 1084, aarde 1085 of graszoden 1086. Uit deze ruwe prototypen zijn de twee klassieke voetstukken van de offercultus voortgekomen, het altaar en de offertafel. De slachting
bleef tot het einde op de blote grond, hoewel de Egyptenaren haar bij tijd en wijle op een slachtblok verrichtten 1057. De verbranding en de uitspreiding der delen verlegden zich van de grond
naar altaar en tafel. Een regel is niet te geven, maar het stenen altaar was uiteraard geschikter
voor de verbranding, de houten, verplaatsbare tafel geschikter voor de uitspreiding.
Het altaar, volgens de overlevering schepping der Egyptenaren 1985, stond in de open
lucht, ter afscheiding der profane buitenwereld veelal in een ommuurde hof 1089. De plaatsing
van deze hof was ter keuze, „Wie in het land Israël begraven ligt, heet het in de Tosefta,
ligt als ware hij onder het altaar begraven” 1oso, Nog ruimer een Indische tekst : „Deze gehele
aarde is goddelijk : op welk gedeelte ervan men ook maar offert, na het met een offerformule
te hebben omsloten, daarop is plaats van aanbidding” 1e, De altaarhof, die volgens deze
1080 Joden : vgl. Miën., Ta'an., IV 2-3; Idem, Megill., IV (III) 6; Talm. Babl., Ta'an., 27b. Perzen : Herod., Hist.,
1132. Grieken: vgl. Certam. Hom. et Hesiod., 316 (Allen); Phrynich., Eclog., 142; Isid. Hispal., Etym., XVIII 47;
Etym. Magn., sub voce OvuéÂn. Romeinen : Vergil., Aen, 1 742-746; Sil. Ital., Pun., XI 453-454. Zie noot 858.
1081 Zie noot 86.
1082 Oudh. Med., deel LIT, Leiden, 1971, blz. 50, noot 6.
1083 Joden: Richt, VI 20-21, XIII 19; I Sam, VI 14, XIV 33. Perzen: Strab. Geogr., XV 3, 13; Appian.,
Mithr., 276; vgl. Herod., Hist, I 132. Grieken : Pausan., Graec. Descr., II 32, 7; vgl. Hesych., Lexic., sub voce 'Erd-
KpLos.
1084 Grieken : Apollon. Rhod., Argon., I 402-403, 1123, II 694-695, 1170-1172, met scholia.
1085 Egyptenaren: Achill. Tat, Leucipp. et Clitoph., III 15, 1; De Rochemonteix-Chassinat, Le Temple
d'Edfou, deel V, blz. 354, 4; Preisendanz, Papyri Graecae Magicae, II 26, V 201. Joden: Exod., XX 24. Indiërs:
Satapathabrähmana, VI 1,1,14, 1,2,33, 2,1,29. enz. Grieken: Pausan., Graec. Descr., VIII 38, 7.
1086 Grieken : Theocrit., Idyll., XXVI 3-6. Romeinen : Vergil., Aen, XII 118-119, met commentaar van Servius;
Horat., Carm., 1 19, 13, III 8, 3-4; Tibull., Eleg., II 5, 100; Ovid, Metam., IV 753, VII 240, XV 573-574; Idem,
Trist., V 5, 9; Senec, Med, 797; Petron., Sat, 35; Lucan., De Bell. Civil, IV 199, IX 988; Sil. Ital., Pun, IV 701,
XVI 262; Stat, Silv, I 4, 130-131 ; Juven., Sat, XII 1-3; Tacit., Hist, IV 53; Apul., Flor, 1; Idem, Metam., VII 10;
Tertull., Apol., XXV 13; Capitolin., Maxim. et Balb., 11, 5; Prudent., Peristef., V 50-51, X 186-187. As, Grieken :
Pausan., Graec. Descr., V 13, 8.
1087 Erman-Grapow, Wörterbuch, deel II, blz. 264, noot 1-9. Zo ook Ezech., XL 39, 41.
1088 Herod., Hist, II 4.
1089 Egyptenaren : vgl. Diod. Sic, Bibl. Hist, I 48, 4. Romeinen: Trebat. Test, Lib. Relig., fr. 5 (Bremer);
Fest., De Verb. Signif., sub voce Sacella (p. 422-423, Lindsay).
1090 Tös., ‘Ab. Zär., IV 3; Talm. Babl., Ketüb., Illa; Mass. Äb. de Rabb. Nät., XXVI 2; vgl. IV Bar., III 8,
14. — Het lichaam van de aartsvader Adam werd door Jahwe geformeerd uit het stof ter plaatse, waar later het altaar
van de tempel der stad Jeruzalem verrijzen zou : Talm. Jer, Näz., p. 56b, 60; Midr. Genes. Rabb., XIV 8; Midr. Ps.,
XCII 6; Pirg. Rabb. Eliez., XII, XX; Targ. Ps.-Jon., in Genes., II 7; Me'arr. Gazz., II 16 (Riessler). Het werd aldaar na de dood ook begraven : Jubil., IV 29; Apoc. Mos, XL 6; Me'arr. Gazz., VI 12 (Riessler). Begraven van
slachtoffer onder altaar, Arabieren : Porphyr., De Abstin., II 56.
1091 Satapathabrähmana, UI 1,14, 2,2,20-21; vgl. III 5,3, 20. Perzen : vgl. Viditakihä-i-Zätspram, XXXV
Pagina 27
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)uitspraken cosmische afmetingen bezat, was noodzakelijker
wijze een zelfstandig bouwwerk;
de oudste altaarhof lag vrij 1°°*. Toen de beeldendienst opkwam en de cultus
zich in de tempel
eelden werden
samentrok, was het met deze zelfstandigheid gedaan. Vertrekken voor godenb
aan de altaarhof toegevoegd en deze laatste werd in zijn geheel in het tempelcomplex geïnvan
corporeerd. Het altaar verloor zijn functie van bouwwerk en werd tot meubel; als variant
staan.
n
te
daarva
voet
de
aan
en
de offertafel kwam het voor het godenbeeld
Mozes gaf inzake de bouw van het altaar aan de Israëlieten in de woestijn een opvallend
zo
nauwkeurig voorschrift, Exodus, XX 25: „Indien gij mij een stenen altaar zult maken,
zult gij dit niet bouwen van gehouwen (steen); zo gij Uw houwijzer 1093 daarover verheft,
zo zult gij het ontheiligen”. En, Deuteronomium, XXVII 5-6: „Gij zult aldaar aan Jahwe,
Uw god, een altaar bouwen, een altaar van stenen; gij zult geen ijzer over hetzelve bewegen.
Van gehele stenen zult gij het altaar van Jahwe, Uw god, bouwen, enz.” 1094, Uit de eerste
dezer teksten is af te lezen, dat het altaar niet van steen behoefde te zijn. Ook andere materialen waren toegestaan; in feite voerden de Israëlieten tijdens de tocht door de woestijn draagbare houten, met metaal beslagen altaren met zich mede tess. Bezigde men echter stenen,
dan mochten deze niet met ijzer in aanraking gekomen zijn. Het ijzer was voor de antieke
materiaal van de doodslag tes. Uit ijzer vervaardigde hij wapens; een der oudst bekende
ijzeren voorwerpen is het lemmet van een dolk gevonden in het graf van Toetanchamon 1997,
Voor alle vreedzaam en zeker voor alle liturgisch gebruik werd het ijzer afgewezen; men vindt
dienaangaande vele bepalingen in de antieke letterkunde 1095. Vermeldt Mozes echter het
ijzer met name, het is uit zijn woorden duidelijk, dat hij ook geen behouwing met een ander
metaal toeliet. De stenen van het altaar moesten geheel onbehouwen zijn en in de natuurlijke
staat verkeren. Dat kan tegen de luxe gekeerd zijn, aansporing der Israëlieten slechts de goedkoopste materialen in hun gebouwen te verwerken. Maar waarschijnlijker is, dat de stenen
onbehouwen moesten blijven, omdat zij zich niet principieel van het aardoppervlak, waaruit
zij voortkwamen, mochten onderscheiden en het altaar niet meer mocht zijn dan een ter
accentuering van de offerhandeling opgehoogd deel van de aarde zelf 1099,
Als de orchestra in het Griekse theater en de renbaan in het Romeinse circus was ook het
altaar model der aarde op sterk verkleinde schaal too. Rondom het altaar in de tempel te
Jeruzalem was ter breedte en diepte van één el een goot uitgegraven, die pm, schoot”
16; Dénkart, p. 842, 1-7 (Madan). Voor de aarde houd ik ook het éh.t-hip of „offerveld” der Egyptische dodenteksten,
vgl. Erman-Grapow, Wörterbuch, deel III, blz. 184, noot 16.
1092 W, B. Dinsmoor, The Architecture of Ancient Greece, Londen, enz, 1950, blz. 49 (H. Brunsting). Alleenstaande altaren van de Zonnegod : Pausan., Graec. Descr., II 18,3, 31,5, VIII 9, 4.
1093 Tekst: 3, „zwaard”’.
1094 Zo ook : Joz, VIII 31; I Kon., XVIII 32; I Machab., IV 47; Hecat. Abder., fr. 21 (Jacoby; ad 198); Phil.
Jud., De Spec. Legib., I 274; Idem, Quaest. in Exod., II 1; Idem, Bell. Jud, V 225; Idem, Antiq., IV 200; Miën., Midd.,
UI 4. Vgl. Arrian., Peripl., I 2.
1095 Exod., XXVII 1, XXX 1, enz.
1098 Oudh. Med., deel LII, Leiden, 1971, blz. 25, noot 7, en hieronder, noot 1098.
1097 H. Carter, The Tomb of Tut-ankh-amen, Londen, enz, 1923-1933, deel II, blz. 268, met pl. LXX XVII.
1098 De Pythagoreische Liturgie, blz. 81-82, noten 187-188, 197-200 en 208-211.
1099 Zo Mièn., Häg., III 8. Een nauwelijks boven de grond uitstekend altaar : Pausan., Graec. Descr., II 29, 8.
1100 Zo Sallust., De Diis et Mund., 15: of Bwpot wpoûvrat rijv yv.
Pagina 28
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)genoemd werd Het, Deze goot, dezelfde, die ook orchestra tie? en renbaan 1103 omringde
stelde de oceaan voor, die de aarde omspoelt. Haar naam wijst daarop, want de in de holte
van het wereldgebergte (@ liggende oceaan is tevens het vruchtwater van de moederschoot. °
waaruit de aarde als kind voortgekomen is 104, In het heiligdom te Hiërapolis in Syrië an
de wereld getrouw nagebootst. Het altaar bevond zich aldaar in het midden van de heilige
vijver #05, Onder het Indische hoogaltaar werd bij de bouw een lotusblad gelegd ebeal
van de op de oceaan dobberende aardschijf 1108,
Het Egyptische altaar bezat in de pharaonische periode de gestalte van een kubusvormige
of langwerpige stenen bank. In de wetgeving van Mozes wordt voor de eerste maal gesproken
van het gehoornde altaar #°?; hetwelk zich vervolgens over het gehele Midden Oosten en
onder de regering der Ptolemaeën ook over Egypte verbreidde 1108. De hoorns van dit altaar
waren massieve steenblokken, [\\_/] of N__/, op de vier hoeken van het altaarblad aangebracht, dat daardoor de vorm t= aannam. Bij de kleinere exemplaren van brons of terracotta waren zij niet massief, maar in het platte vlak uitgesneden in de opstaande rand van
het altaarblad. De hoorns dezer laatste stukken raakten elkander somtijds, Pv] N/A
of waaierden uit, )\_/7 *°%, N__/7; beide eigenaardigheden, naar ik meen, te verklaren dt
de omstandigheid, dat het altaarblad bij hen geheel vrij lag en niet ten dele door de hoorns
werd bedekt, anderzijds zo klein was, dat het bij verticale plaatsing van de rand minder toegankelijk werd. De vorm …— was de vorm van de hemel, ==, omgekeerd. De tegenhemel,
Egyptisch nw.t of nn.t 110, speelt in de teksten een aanzienlijke rol, maar het is niet geheel
duidelijk welke. Men pleegt te denken aan een hemel van de onderwereld, die als tegenvoeter
van de hemel boven onder de aarde liggen zou Uit. Dat kan niet zo zijn; een dergelijke voorstelling kan eerst opgekomen zijn na de ontdekking van de bolvorm der aarde. Daar het altaarblad het aardoppervlak voorstelde, is de conclusie welhaast dwingend, dat ook de tegenhemel
MOL Ezech., XLIII 13, 17. Vgl. I Kon., XVIII 32, 35, 38; Epist. Arist., 90; Midr. Pesiqt. Rabb., XII 10;
Satapathabrähmana, X5,4, 1.
1102 The Journal of Egyptian Archaeology, deel XLI, Londen, 1955, blz. 46.
103 De Oorsprong van het Romeinse Circus, blz. 15, met de noten 99, 102, 103.
104 De Geboorte van Horus, blz. 54, noot 395.
105 Lucian, De Dea Syr., 46. Vgl. Ovid, Metam., VI 325-326.
106 Satapathabrähmana, II 1, 1,8, VI 4,1,7-12, 4,2,2, 4,3,6, VIT 3,1,9, 4,1,7-9; waartoe De Geboorte van
Horus, blz. 176, noot 1684, en hierboven, noot 1020.
1107? Exod., XXVII 2, XXX 2, XXXVII 25, XXXVIII 2; Ezech., XLIII 15; Phil. Jud., Quaest. in Exod.,
IL 101; Flav. Jos., Bell. Jud, V 225. Maat der hoorns één el : Miën., Midd. UI 1. De vier windrichtingen, vier runderhoorns : Pyr., 470b.
1108 Bibliographie bij W. Deonna, Bulletin de Correspondance Hellénique, deel LVII, Parijs, 1934, blz.
381-447. De Griekse term luidt Bwjds kepaoûxos : Antipatr., in Anthol. Latin, VI 10,3. Een van dierehoorns vervaar-
(rechterhoorns);
digd altaar bevond zich op het eiland Delus, vgl. Callim., Hymn, II 61-63; Plut., De Sollert. Anim., 35
vier zijden van
de
Op
101.
XXI
Her.,
Epist.
Ovid.,
13;
VIII
Philos.,
Vit.
Laert.,
Diog.
Idem, Thes., 21 (linkerhoorns);
het altaar plachten Grieken en Romeinen een diereschedel te plaatsen. Daartoe zij verwezen naar Herod., Hist, IT 41 ;
W. B. Emery, Great Tombs of the First Dynasty, Caïro en Londen, 1949-1958, deel II, blz. 7, met
pl. I, VI en VII.
1109 Aldus op een door J. Quaegebeur uitgegeven reliëf, Bulletin de [Institut Frangais d'Archéologie Orientale,
deel LXIX, Caïro, 1971, blz. 191-217, met pl. XXVII en XXIX.
1366.
110 Erman-Grapow, Wörterbuch, deel II, blz. 213, noot 7-11. Als ziel der wereld : zie noot
4; ikzelf, De Overstroming
blz.
1928,
Berlijn,
Sonne,
der
Lauf
vom
Vorstellungen
Altägyptische
Sethe,
K.
uu
van de Nijl, blz. 24, noot 308. De juiste opvatting reeds bij G. Maspero. Études de Mythologie
tiennes, Parijs, 1893, deel I, blz. 335, deel II, blz. 27.
et d’Archéologie Égyp-
Pagina 29
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)dat deed taz. De vier hoorns waren dan de aan de vier
hoeken der wereld geplaatste pijlers,
waarop de hemel rust **'*. Bij het zondoffer werden juist
De zin daarvan blijkt uit de formule van de cosmische
zij met het offerbloed bestreken '!4,
eed : „Zo waar als de hemel vaststaat
P men de hoorns van het altaar 116
op zijn pijlers, zo waar, enz.’’ tis Bij de eedsaflegging greep
r de hoorns waren afgeen genoot dan het recht van asy.lie. Het altaar was ontwijd, wannee
5
2
slagen 117.
De hoorns kwamen niet alleen bij het altaar voor, zij deden dat ook bij de graanschuur.
De hiëroglyphe „@, geeft veeleer een graanhoop weder !''s, maar vele houten modellen
van echte schuren zijn bewaard en op deze ziet men de hoorns aangebracht boven de hoeken
der vier muren ttt°. De graanschuur was derhalve symbool van de aarde als tegenhemel
en van het altaar. De speculatie inzake de tegenhemel verkrijgt hiermede betekenis 1120.
De essentie is in de macrocosmos als zon gelegen boven de materie, de aarde. Zij is dat in de
microcomos eveneens in mens en dier ; in welke zij gevestigd is in het hart, boven in het lichaam.
Zij is dat echter niet in de plant, daar deze geen hart bezit. De essentie van de plant ligt in
het zaad en dit bevindt zich in de aarde; de wortels, waarmede de plant zich voedt, zijn in
werkelijkheid haar hoofd 1121. Het kenmerk van de plantaardige natuur is, dat in haar de
essentie onder en niet boven de materie is gelegen. De identificatie van het altaar met een
graanschuur bevestigt de identificatie van de offerdelen met zaden. Het slachtoffer op het altaar
ingezaaid was overleden; zijn delen werden verbrand. De inzaaiing geschiedde dan ook niet
_ uni? Het altaar, de hemel : Chändogjopanisad, V 4, 1.
113 Phil. Jud, Quaest. in Exod., II 101; Openb., VII 1, IX 13; Cosm. Indicopl., Top. Christ, 80d. Vgl. Zacharj.,
II 1-4(I 18-21).
— Op een zojuist door J.F. Borghouts in Phoenix, deel XVII, Leiden, 1971, op blz. 105-110, uitgegeven
stèle uit de periode van pharao Achnaton ziet men op het bovenste register het wereldgebergte, de 3h,t, met ingetekende zonneschijf, op een vierkant onderstel geplaatst, Á. en aanbeden door twee apen. Dezelfde voorstelling,
maar als altaar, 8 ‚in Sarcoph., VII 391a (B2Bo). De verticale lijnen van het onderstel op de stèle kunnen eventueel
geduid worden als scheidslijnen van een niet-aangebracht verticaal bijschrift. Stellen zij echter werkelijk een onderstel voor, dan doet het gehele tafereel dat de aanbidding van het altaar.
UM Exod., XXIX 12, XXX 10; Levit., IV 7, 18, 25, 30, 34, VIII 15, IX 9, XVI 18; Ezech., XLIII 20; Phil.
Jud., De Spec. Legib., 1 231, 233; Flav. Jos, Antiq., III 231; Miën., Zebäh., V 3, X 2; vgl. Satapathabrähmana,
HI 5, 2, 10-13. Het offerdier, vastgebonden aan een der altaarhoorns : Ps., CXVII 27. De vier hoeken der wereld,
aangeduid door vier gestrafte gevangenen : De Geboorte van Horus, blz. 239, afb. 31; vgl. Openb., IX 13-15.
IS De Pythagoreische Liturgie, blz. 96.
1116 Joden: II Sam., XXII 3; I Kon, 1 50-51, H 28; Ps., XVIII 3; vgl. Jerem., XVII Ì. Phoeniciërs: Liv,
Ab Urb. Cond, XXI 1, 4. Grieken : Andoeid., Or., IT 126-127; Thucyd., Hist., V 50. Romeinen : Plaut., Rud., 1333;
Cieer., Or. pro Flacc., 90. Dezelfden, bij het offer: Varr., apud Macrob., Sat, III 2, 8; Vergil., Aen., IV 219, VI 124,
XII 201, met commentaar van Servius; Ovid., Amor., 1 4, 27. Anders : Exod., XXI 14.
1117 Amos, TI 14.
UI8 Afbeelding: N. de Garis Davies, The Rock Tombs of El Amarna, Londen, 1903-1908, deel I, pl. XXXI.
Anders: Idem, The Mastaba of Ptahhetep and Akhethetep at Saqgareh, Londen, 1900-1901, deel I, pl. XVII, nos.
369, 373, 378, pl. XVIII, no. 401.
119 J. H. Breasted, Egyptian Servant Statues, Washington, 1948, pl. IX-XIII. Zo ook de vignette van
Dodenb., XCII.
120 De Geboorte van Horus, blz. 217-218, $ 50.
u21 Democrit., fr. 68 B, 5 (Diels; ad 2, 11); Aristot., De Anim., 412b, 416a; Idem, De Long, et Brev. Vit,
467b; Idem, De Juvent. et Senect., 468a; Idem, De Part. Anim., 683b, 686h-687a; Idem, De Incess. Anim, 705b;
Sext. Empir., Adv. Dogm., III 119; Cicer., De Nat. Deor., II 29; Phil. Jud., De Plantat., 16. Het menselijke hoofd,
een wortel : Plat., Tim., 90, a-b; De Geboorte van Horus, blz. 14, afb. 1.
Pagina 30
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)in het altaar als aarde, maar in het altaar als hemel. Vandaar de vorm te
van het altaarblad. De graanschuur wordt in de Pyramideteksten toegesproken: „Graanschuur, moeder
der Goden! Geef de dode Uw arm, neem de zijne. Hef hem op ten hemel, gelijk gij Osiris
opgeheven hebt ten hemel” 1122. De graanschuur is hier Nw.t, de hemelgodin zelf 1123. De
graankorrels aan de hemel zijn dan de sterren.
Een ceremonie, die slechts zelden wordt vermeld, accentueert de cosmische betekenis van
het altaar. Wanneer de delen van het slachtoffer op het altaarblad lagen, werden zij van vier
zijden met water overgoten 1124, De vier zijden waren de vier windrichtingen, het geplengde
water was het door de vier winden nedergeslagen hemelwater 1125. Het doel der handeling
was de wedergeboorte van het slachtoffer: „Zo zegt de here Jahwe: „Gij geest! Kom aan
van de vier winden, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden” 1125. Altaren hebben
zeer dikwijls op de vier hoeken van het altaarblad kleine uithollingen, 3, die voor deze plenging gediend kunnen hebben #27. Boven het altaar der godin Aphrodite te Paphus op Cyprus
viel de regen nimmer neder 125; boven het altaar der godin Juno Lacinia te Croton in Zuid-
Italië woei nimmer de wind #29. Beide wonderen moeten met deze wassing samenhangen,
maar men ziet niet recht hoe.
De altaarhof voerde in Egypte de naam Sw.t-R“, „Schaduw van de Zonnegod” 113, Hij
staat zeer fraai afgebeeld op reliëfs in de graven bij het huidige Tall al-“Amärina 12. Mozes,
geboortig uit de Egyptische stad Heliopolis, vestigde volgens de Egyptische geschiedschrijver
Apion, in de zeden van zijn vaderland bevangen, onder de blote hemel gebedsplaatsen (zrpooevxai; synagogen) in zodanige omheiningen (srepiBoAot) als de Zonnegod bezat t1s2. Apion’s
woorden houden in, dat naar zijn mening de hof van de tabernakel gecopieerd was van de
altaarhof van de zonnegod Re en de synagoge op haar beurt van de hof van de tabernakel.
122 Pyr., 1419, a-c, met commentaar van Sethe.
123 Pyr., 786a, met commentaar van Sethe. Vgl. ibid, 446a, en de studie over Camephis.
14 Joden: IT Kon, XVIII 34; Flav. Jos, Antiq., VIII 341. Indiërs: Satapathabrähmana, III 5, 2, 4-7,
VIT 2, 4, 2. Vgl. VIT 2, 2, 19.
125 De Ark des Verbonds, blz. 18, noot 78. De winden waaien vanaf de rand van de aardschijf : Macrob.,
Comment. in Somn. Scip., II 5, 18-21.
126 Ezech., XXXVII 9. Vgl. Apoc. Mos., XXXIII 3, XXXVII 3; Hen., XVIII 2-3; Flav. Jos, Bell. Jud.,
VI 301 ; Bundahiën, III 13 (Anklesaria); Hom. I1., XXIII 194-195 (waartoe : Procl., Comment. in Platon. Rempubl.,
p- 1 152, Kroll); Nonn., Dionys., II 524-536, XXXVII 85. De vier winden dragen de hemel als caryatieden : E. a:
sinat, Le Temple de Dendara, Cairo, 1934-1965, deel III, blz. 33, met pl. CLXXVI; blz. 86-87, met pl. CXC; B. Drioton,
Annales du Service des Antiquités de Egypte, deel XLIV, Caïro, 1944, blz. 139.
en 2; blz. 3,
127? W. Deonna, Bulletin de Correspondance Hellénique, deel LVIII, Parijs, 1934, blz. 2, afb. 1
Wit); het Egyptische offerschaaltje
afb. 3; blz. 4, afb. 4 en 5; blz. 19, afb. 18; blz. 20, afb. 19. Vgl. Opet, 145 (de
tie; en De Geboorte van Horus, blz. 239, afb. 31.
Hist, IT 210; esn Hist., II 3. Vgl.
ks ess ats Serv., Comment. in Vergil., Aen, 1 415; Plin., Nat.
ei Flav. Jos., Antiq., XV 425; Miën.,
Eurip., Bacch., 408 (waartoe : Oudh. Med., deel LIT, Leiden, maag est zen
ikseminslag
i
op altaar: Pausan., Graec.
zis a essee wr 2 7; Valer. Maxim., Fact. et
‚
5 a
i
Miën.,
ES
se
5
Dict. Memor.,
fr. 4 (Roos).
Pirg. Äb., V 7 (5); Arrian.,
en har Ee art Mitteilungen des Deutschen
Wiesbaden. 1969, blz. 159-178.
Archäologischen Instituts, Abteilung
mn The Rock Tombs of El Amarna, deel II, pl. XVIII; deel III, pl.
132 Apion.
18, ext. 18; Plin., Nat. Hist,
VI en X.
e
noot 98. Altaarhof te Bethel : Jubil.,
Oas., fr. 1 (Jacoby). Waartoe : De Ark des Verbonds, blz. 22,
XXXII 16.
Pagina 31
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)uit et nn
De synagoge heeft hetzelfde grondplan als de altaarhof en bestaat
1 93,
lezing, het béma
schrift
waarin in het midden in plaats van het altaar een estrade voor de
voor de wetsrollen. zn
en aan de naar de stad Jeruzalem toegewende zijde een schrijn
134, maar niet verder.
voorgeschiedenis kan tot in het Ptolemaeïsche Egypte vervolgd worden
gschap ontstaan is in
ballin
de
Sedert lang wordt vermoed, dat zij gedurende de jaren van
De ballingen
Babylonië, na de verwoesting van de tempel door Nebukadnezar in 587 v. Chr.
vreemde
voerden de manuscripten der sacrale letterkunde met zich mede, herbouwden in het
land de tempel- of altaarhof, maar, hopende op een spoedige terugkeer, niet de tempel zelf.
In deze altaarhof brachten zij ongetwijfeld offers, zoals zij dat later nog in Egypte deden #55,
Toen zij zeventig jaar nadien met toestemming der Perzische overheid te Jeruzalem terugkeerden, hielden zij deze hof, naar men kan veronderstellen, als synagoge aan en verlegden
de offercultus daaruit in de door hen inmiddels gerestaureerde tempel. De synagoge is met
uitzondering van de schrijn der wetsrollen profane localiteit, en dat is ook het béma 11%,
Is de reconstructie der ontwikkeling alzo de juiste en vervangt het bêma inderdaad het altaar,
dan is eens te meer duidelijk, dat de Joden van de bloedige offercultus zonder spijt afscheid
genomen hebben.
Niet slechts de Joodse synagoge, ook de Perzische vuurtempel stamt van de altaarhof
af. Het vuuraltaar stond oorspronkelijk onder de blote hemel in een ommuurde ruimte (onkós),
zoals waargenomen door een reiziger in Cappadocië #3? en heden nog te zien in vele bewaarde
altaarhoven in Perzië #25. In een later stadium bracht men boven het altaar een koepel aan,
de éahär-täg, geopend naar de vier windrichtingen #39. De reden dezer wijziging moet de uitstoting van de zon uit het theologische stelsel geweest zijn #14. De éahâr-täg leeft als bouwwerk voort in de Islamietische madrasa.
Het altaar was hoogheilig 1“ en heiligde al wat ermede in aanraking kwam 1142. De stenen,
waaruit het samengesteld was, werden bij afbraak zorgvuldig bewaard 1143, eventueel op een
133 Talm. Babl., Sukk., 5lb. Soortgelijke ontwikkeling van de Griekse term OvuéÀn : eerst haardvuur, vervolgens altaar, tenslotte estrade.
134 PF. Preisigke, Wörterbuch der Griechischen Papyrusurkunden, Berlijn, 1925-1931, deel III, blz. 262-263,
sub voce IIpooevyú; E. Kiessling, Supplement op hetzelfde werk, Amsterdam, vanaf 1971, deel I, blz. 399, sub voce ead.
135 A. Cowley, Aramaic Papyri of the Fifth Century B.C., Oxford, 1923, blz. 97-103, no. 27, regel 14-15,
24; blz. 108-119, no. 30, regel 21-22, 25-26, 28; blz. 119-122, no. 31, regel 21, 25, 27; blz. 124-126, no. 33, regel 10-11;
Flav. Jos., Bell. Jud, VII 428, 432 (naar Jezaj., XIX 19); Idem, Antiq., XIII 64 (idem), 68, 71, 72.
1136 Talm. Babl., Megill., 32a.
1187 Strab., Geogr., XV 3, 15.
138 Uit de Achaemeniedische periode: Pasargadae, vgl. E. Herzfeld, Archäologische Mitteilungen aus Iran,
Berlijn, vanaf 1929, deel I, blz. 8-10; Dahana-i-Gulämän, vgl. K. Schippmann, Die Iranischen Feuerheiligtümer, Berlijn
en New York, 1971, blz. 50-57; Küh-i-Hwäga : ibid., blz. 57-70 (overkoepeld in de Sasaniedische periode); Persepolis,
ibid, blz. 169-185 (onzeker). Uit de periode der Seleucieden en Parthen : Sami, ibid, blz. 227-233; Bard-i-Nisända,
ibid, blz. 251-258. Zie voor het probleem: C. Hopkins, Berytus, deel VII, Copenhagen, 1942, blz. 1-18.
139 B.N. Dhabhar, The Persian Rivayats of Hormazyar Framarz and Others, Bombay, 1932, blz. 403.
1140 Sad Dar Nasr, LXIX 1-2; Sad Dar Bundahië, XVI 1-3, LXXIX 3; Dhabhar, op. laud., blz. 56-57. Oorspronkelijk lag de verhouding tussen zonnevuur en aards vuur omgekeerd, vgl. De Pythagoreïsche Liturgie, blz. 97,
noot 606, 609, 613; waartoe Diog. Laert., Vit. Philos., 1 7.
Ul Exod., XXIX 37, XL 10; vgl. Dan., IX 24.
142 Exod., XXIX 37, XXX 29; Ev. Matth, XXIII 19; Miën., Zebäh., IX 1-7. Vgl II Sam, VI 7; Phil. Jud.,
De Ebriet., 135.
1143 T Machab., IV 46; Miën., Midd., 1 6.
Pagina 32
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)veilige plaats begraven 114. Het altaar was profetisch 11% en dat waren ook alle handelingen,
die eraan verricht werden. Het slachtoffer bezat profetische blik en bood zich vrijwillig aan '1%;
na gedood te zijn, werd de toekomst uit zijn ingewanden #4? en uit zijn bloed 114# afgelezen.
De priester bezat eveneens de gave der profetie 1149. De toekomst werd hem tijdens de offerhandeling geopenbaard 1159; hetgeen echter ook aan de leek kon geschieden 1151,
$14 De offerdelen, die niet verbrand werden, werden na de slachting op de grond uitgespreid. De Egyptenaren bedekten deze daartoe met een mat, als wedergegeven in de hiëroglyphe
152: de tafel van de Zonnegod te Meroë was niet meer dan een weiland (Aeipuv) 153.
De Perzen bedekten de grond met klaver 1154 of met laurier en myrte *155, De Indiërs bakenden
als offertafel of vedi een stuk grond af in de gestalte van een vrouwelijke romp, ma dat
zij enige centimeters uitdiepten en met gras bedekten 1156; deze vedi lag ingeklemd tussen drie
altaren. Op het altaar te Eryx, op de westkust van Sicilië, brandden overdag en tot laat in de
nacht de offers, maar de volgende morgen was het met dauw bedekt en met gras begroeid 157;
de
altaar en offertafel waren hier op enigerlei wijze samengevallen. In het westen geraakte
uitspreiding op de grond in onbruik. De offertafel, fa , werd ingevoerd #58, die het. voordeel bood, de offerdelen op de hoogte van de hand te brengen en verplaatsbaar te zijn. De
tafel was symbool der aarde *15°, daardoor in theorie identiek met het altaar 1160, dat somtijds
1144 Vgl. II Machab., II 5; IV Bar., III 8, 4; Mièn., Seqäl., VI 1-2. In Egypte werden bij de afbraak van
een ouder heiligdom de stenen dikwijls tot fundering van het nieuwe gebezigd; vgl. ook Sueton., Domit., 8.
1145 Plut., Parall. Min., 6; Lucian, Deor. Conc., 12; Sil. Ital., Pun, VIT 50. Stemming bij altaar : Herod.,
Hist., VIII 123; Demosth., Or., XVIII 134; Plut., Pericl., 32.
1146 Zie noot 868-876.
147 Zie noot 928-947.
1148 Strab., Geogr., VII 2, 3; Nonn., Dionys., XL 531. Vgl. ibid, 495, en Eurip., Helen., 1587-1588; Idem,
Heraclid., 821-822.
1149 Joden: Phil. Jud., De Vit. Mos., II 3; Idem, De Spec. Legib., IV 192; vgl. Idem, De Praem. et Poen.,
53, 56; Flav. Jos, Bell. Jud, 1 68, 69; Idem, Antiq., III 192, VI 115, XIII 300. Perzen: Strab., Geogr., XVI 2, 39;
Lucian, Macrob., 4; Aelian., Var. Hist, IT 17; Diog. Laert., Vit. Philos., I 7; Greg. Nazianz., Or., XXXIX 5; Procop.,
De Bell, II 24, 2; Schol. in Nicandr., Ther., 613; Cicer., De Divin., I 90; enz. Zie noot 1615.
150 Numer., XXIII-XXIV; Dan, IX 21; IV Bar., IX 1-19; Flav. Jos., Antiq., XI 327. Na het reukoffer :
Flav. Jos., Antiq., XIII 282; Ev. Luc, 1 11; Epiphan., Panar., XXVI 12, 1-3.
MSl Amos, IX 1; Plut., Themistocl., 26.
182 Erman-Grapow, Wörterbuch, deel III, blz. 183 (hip, I).
133 Herod., Hist., HI 18. Waartoe: Oudh. Med., deel XLVIII, Leiden, 1967, blz. 49,
ôt Herod., Hist., I 132.
185 Strab., Geogr., XV 3, 14.
noot 64.
156 Satapathabrähmana, 13, 3, 2-11; vgl. De Geboorte van Horus, blz. 197,
noot 1305. Een offertafel van
dezelfde vorm in K. Sethe, Urkunden der 18. Dynastie, Leipzig, 1905-1909,
blz. 498, regel 1.
HS? Aelian., De Nat. Anim., X 50.
HSB Erman-Grapow, Wörterbuch, deel IL, blz. 393,15 - 394,1 (wdhw).
159 Behalve noot 64: Pirq. Rabb. Eliez., 5; Nonn., Dionys., V
Tafel der toonbroden te Jeruzalem: Phil. Jud., Quaest. in Exod.,
27. Tafel te Meroë: Herod., Hist, III 18.
II 69, 83, 95; Cosm. Indicopl., Top. Christ, 81b,
97e, 160d, 201b, 209c, 401c, 408a. Indische vedi: Satapathabrähmana, 1 2,5,7, 3,3,9,11,
5,2,31, IX 1,2,11, 4,2,3, XII 8, 2, 36, XIII 5, 2, 21.
1160 Vgl. Fest, De Verb. Signif., súb voce Mensae (p. 148-149,
VIII 279; Macrob., Sat, III 11, 5-6. Altaar van “Eorla: Plut., fr. 48
(158)
III 7, 2, 1, VI 3,1,15,27,
Lindsay); Serv, Comment. in Vergil., lien:
(Sandbach).
Pagina 33
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)eveneens als tafel wordt betiteld 11e1. De aarde heeft de gestalte ener tafel 1162, in het bijzonder
die van een tafel met rond blad 1163,
De offertafel in de tempel te Jeruzalem stond voor de naos, in de onmiddellijke nabijheid
van het reukofferaltaar, aan de noordzijde !16*; ook bij het brandofferaltaar in de voorhof
waren tafels aanwezig t!°5, maar deze waren van ondergeschikt belang. De hoofdtafel was
van goud #16 en alle haar toebehorende vaten waren dat 1197. De maten van het blad bedroegen
slechts één bij twee el ties. Op haar lagen twaalf broden, de toonbroden He°, die daar als
permanente offerande ‘170 gedurende een week bleven liggen, op de Sabbat door verse vervangen #71, aan de priesters uitgekeerd **7? en door dezen ter plaatse opgegeten werden 1173,
De broden werden door de priesterschap zelf naar een geheim recept 117* van fijn, zorgvuldig
gezeefd 1175 en ongezuurd *1:® tarwemeel vervaardigd; afzonderlijk gekneed, in paren gebakken 177. Zij waren plat en rechthoekig, metende een bij vijf bij tien palm #t?®; de inhoud
bedroeg twee-tiende epha !17s. De tafel was niet gehoornd, de broden waren dat wel 1180 en
Hét Ezech., XLI 22, XLIV 16; Maleach., 1 7, 12; I Cor, X 21. Vgl. Plut., Sept. Sap. Conviv., 15.
162 Anaximen., fr. 13 A, 20 (Diels); Hipparch., apud Posidon., fr. 200a (Edelstein-Kidd).
163 Athen., Dipn., 489c; Plut., Quaest. Conviv., VIT 4, 7; Eustath., Comment. in Hom, Odyss., p. 1816
(ed. Rom.). Egypte: F. W. von Bissing en Anderen, Das Re-Heiligtum des Königs Ne-woser-re (Rathures), Berlijn,
1905-1928, deel 1 : L. Borchardt, Der Bau, blz. 14-15, met afb. 2; blz. 43-46, met afb. 33-35. Vgl. Nonn., Dionys.,
V 33.
164 Exod., XXVI 35, XL 22; Flav. Jos, Antiq., III 142, VIII 90; Talm. Babl., Jöm., 21b, 33b; Idem, Bäb.
Bätr., 25b, 147a; Idem, Menäh., 86b; Targ. Hoogl., IV 16; vgl. Miën., Menäh., XI 7. Symboliek: Vit. Ad., XXXII 2;
Apoc. Mos., XV 2; Phil. Jud., De Gigant, 10; Idem, De Vit. Mos., II 104; vgl. Esna, 197, 13, 14, 15; Parmen., fr. 28 A,
53 (Diels); De Overstroming van de Nijl, blz. 15-16. Zie noot 1216, 1230, 1265.
165 Miën., Seqäl., VI 4; Idem, Täm., HI 5, IV 2, VII 3; Idem, Midd., III 5. Zie noot 1024.
1166 Exod., XXV 24-28, XXXVII 11-15; I Kon, VIT 48; I Chron., XXVIII 16; Epist. Arist., 57; Phil. Jud.,
De Congress, 168; Idem, Quaest. in Exod., II 69; Flav. Jos, Bell. Jud, I 152, VIT 148 : Idem, Antiq., III 140, VI
89, XII 64, 68, 70, 318, XIV 72; Miën., Seqäl., VI 4; Idem, Menäh., XI 6, 7.
167 Exod., XXV 29, XXXVII 16; Numer., VII 84, 86; Flav. Jos, Antiq., III 143, 256, VIII 92.
1168 Exod., XXV 23, XXXVII 10; Epist. Arist., 57; Flav. Jos., Antiq., III 139, XII 64; Miën., Menäh., XI 5.
1169 Exod., XXV 30, XXXV 13, XXXIX 36, XL 4, 23; Levit., XXIV 5-6; Numer., IV 7; I Kon, VIT 48;
II Chron., IV 19; Phil. Jud., De Congress., 168; Idem, De Fug., 185; Idem, De Spec. Legib., I 172, UI 161; Flav. Jos.,
Bell. Jud, V 217; Idem, Antiq., III 142, 255, XII 319; Miën., Menäh., VII (VI) 5, 6. Broden Gods : Flav. Jos., Antiq.,
VIII 89.
170 Exod., XXV 30; Levit., XXIV 8-9; Numer., IV 7; Phil. Jud., Quaest. in Exod., II 72; Miën., Seqäl.,
VI 4; Idem, Menäh., XI 7.
MI Levit., XXIV 8; ISam., XXI 7(6); I Chron., EX 32; Phil. Jud., De Spec. Legib., 1 172; Flav. Jos., Antiq.,
III 143, 255, 256; Miën., Menäh., IV 4, XI 7, 8.
172 Levit., XXIV 9; Sirac., XLV 20; Flav. Jos., Antiq., HI 256; Ev. Matth, XII 4; Ev., Marc., II 26; Ev.
Luc., VI 4; Mièn., Sukk., V 7; Idem, Menäh., II 2, 5, VIT (VI) 2, XI 7, 9.
73 Levit., XXIV 9.
174 Miän., Seqäl., V 1; Idem, Jóm., III 11. Vgl. Idem, Pirq. Äb., V 7(5); Idem, Täâm., III 3; Idem, Midd., 1 6.
1175 Miën., Menäh., VIT (VI) 7.
1176 Phil. Jud., De Congress., 168; Idem, De Spec. Legib., II 161; Idem, De Vit. Contempl., 81; Flav. Jos,
Antiq., IEI 142, 255. Zie noot 1318, 1570.
117? Flav. Jos., Antiq., III 255; Miën., Menäh., XI 1. Het bakken dus lager in rangorde dan het kneden, zie
noot 1459, 1561, 1571.
1178 Miën., Menäh., XI 4-5.
179 Levit., XXIV 5; Flav. Jos., Antag, III 142, 255.
180 Miän., Menäh., XI 4. Gehoornd brood, Grieken: Epilyc. Com, fr. 3 (Edmonds).
Pagina 34
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)stelden dus wederom de omgekeerde hemel => voor. Zij lagen in twee stapels van ieder zes
stuks opgestapeld 181. Boven beide werd een gouden vat met brandende wierook als „gedenkoffer” geplaatst 115? en aan de broden was zout toegevoegd 1185. Het getal twaalf was symbolisch. Het stelde de twaalf maanden des jaars +15*, de twaalf tekenen van de dierenriem 455,
en uiteraard de twaalf stammen van het volk Israël voor 186, De inrichting van de tafel in
de landelijke heiligdommen was dezelfde als van die in de hoofdstad 1197,
De offertafel was heilig 188; de goden noemden haar Ovwpós, „draagster der offers” 1189,
Zij mocht nimmer ledig zijn, doch moest als de aarde 1% steeds spijzen dragen 1191, Nadat
de op haar gelegde delen aan God opgedragen waren '1°?, werden zij gedistribueerd om opgegeten te worden #19; de toonbroden waren symbolen van het menselijke lichaam 1°4. Aan
het Perzische hof werden de rantsoenen, zelfs die der slaven en der dieren, op de tafel des konings
gelegd alvorens aan begunstigden te worden uitgekeerd 195.
Op de tafel, die in de Griekse tempel voor het godenbeeld stond, lagen bikkels en in een
latere periode dobbelstenen, waarmede gedobbeld werd om de toekomst uit te vorsen #96,
De tafel te Delphi bestond uit een op een drievoet geplaatste schaal, waarin de stenen lagen 1197.
Daar de verdeling van het offerdier volgens transcendent patroon geschiedde 1198, kunnen
wij dobbeltafel en offertafel aan elkander gelijk stellen; waren beide van elkander verschillend,
181 Levit., XXIV 6; Phil. Jud., Quis Heres, 175; Idem, De Spec. Legib., I 172; Flav. Jos, Antig., III 142,
255; Miën., Menäh., II 2, 5, XI 7.
182 Levit, XXIV 7; Phil. Jud, De Spec. Legib., I 175; Flav. Jos, Antiq. III 143, 256; Miën., Jöm., II 5;
Idem, Menäh., V 3, XI 5, 7, 8; Idem, Me“il., II 7. Het restant werd op de Sabbat bij het gedurig offer verbrand:
Flav. Jos, Antiq., III 256; Tös., Menäh., XI 13. Zie noot 1357, 1363.
183 Levit., XXIV 7 (LXX); Phil. Jud., De Vit. Mos., II 104; Idem, De Spec. Legib., 1 175; Idem, De Vit.
Contempl., 81. Zie noot 1386.
H84 Phil. Jud., De Spec. Legib., 1 172; Flav. Jos, Bell. Jud., V 217; Idem, Antiq., III 182.
185 Flav. Jos., Bell. Jud., V 217.
186 Phil. Jud, Quis Heres, 175; Idem, De Congress, 168; Idem, De Fug., 185; Idem, De Spec.
Legib., II 161.
1187 [ Sam, XXI 5-7 (4-6).
HBB Joden : Levit., XXIV 6; Maleach., I 12; Phil. Jud., De Spec. Legib., II 161; Flav. Jos, Antiq., III
Grieken en Romeinen : Plut., Quaest. Rom., 64; Idem, Quaest. Conviv., VIT 4, 7.
255.
1189 Pherecyd., fr. 7 B, 12 (Diels). Vgl. Poll, Onom., IV 123; Hesych., Lexic., sub voce Ovwpóv; Tzetz.,
Schol. in Lycophr., Alex, 93; Schol. in Callim., Hymn., III 134; Etym. Magn., sub voce @vwpós.
1190 Egyptenaren : Herod., Hist, II 18; vgl. Stob. Herm, XXIII 61. Joden: Talm. Babl., Sabb., 119a;
Midr. Genes. Rabb., XI 4; vgl. Phil. Jud., De Opif. Mund., 78. Grieken : Plut., Quaest. Conviv., VIT 4, 7.
HSL Plut., Sept. Sap. Conviv., 15; Idem, Quaest. Rom., 64; Idem, Quaest. Conviv., VIT 4, 1, 7. Vgl. Epist.
Arist., 63.
192 Vgl. De Rochemonteix-Chassinat, Le Temple d'Edfou, deel III, blz. 361, regel 4; „Men noemt rantsoenen
(df3.w) datgene, wat van de offertafel uitgaat, nadat God te zijner zake bevredigd is”. Insgelijks: J. de Morgan en
Anderen, Kom Ombos, Wenen, 1895-1909, deel II, blz. 245, no. 878, tweede regel van rechts.
193 Vgl, II Chron., XXXI 14; Phil. Jud., De Spec. Legib., 1 152.
194 Phil. Jud., Quis Heres, 226, 227,
195 Heraclid. Cym., fr. 2 (Jacoby); Plut., Quaest. Conviv., VIL 4, 5; Dan, 1 5, 8, 13, 15, 16, XI 26. Vgl. noot 64.
196 Plat, Romul., 5; Pausan., Graec. Descr., VII 25, 10; Poll., Onom., IX 96 (waartoe: Phot., Lexic., sub
voce Ekipov) ; Marin., Vit. Proel, 32; Eustath., Comment. in Hom., Odyss., p. 1397 (ed. Rom.); Schol. in Pind., Pyth.,
IV 190. Zie noot 1145.
1197 Lexic. Sud, sub voce Ilvôú; Eudoc., Viol., CCLXV. Vgl. Flav. Jos., Antiq., III 139; Ammian. Marcell,
Res Gest, XXIX 1, 29. Ekípov: zie noot 1196.
1198 Zie noot 998-1000,
Pagina 35
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)de eerste was in het verloop der historische ontwikkeling blijkbaar van de tweede afgesplitst.
Het dobbelspel was afkomstig uit Egypte °°, alwaar de dobbeltafel in gebruik was tot voorspelling van de banen van zon en maan en van de periodieke verduisteringen dezer hemellichamen 12%, De Grieken schrijven de uitvinding van het spel toe aan Palamedes, een der
Griekse helden voor Troje 12%. Een tekstje overgeleverd in de werken der Byzantijnse geschiedschrijvers zet de symboliek van het spel uiteen 1202. Het bord, waarop gespeeld werd, was de
aarde. De twaalf velden daarvan waren de twaalf tekenen van de dierenriem. De dobbelbeker
met de stenen, ieder met zeven ogen 1203, was de sfeer der zeven planeten. Het holle, aan de voet
geopende en boven het bord opgestelde torentje (mrúpyos), waardoor de stenen geworpen werden,
was het zenith. Op een uit het jaar 354 onzer jaartelling daterende afbeelding heeft dit torentje
de gestalte van een obelisk 1204. Dat stemt overeen met de leer; de obelisk was een versteende
zonnestraal 12% en de Zonnegod bepaalt het lot op aarde door middel van de stralen, die hij
uitzendt 1206. Men wierp oorspronkelijk met bikkels, ten getale van vier 1207, later met kunstmatige dobbelstenen. Keizer Caligula deed een der obelisken te Heliopolis naar Rome overbrengen, tezamen met vier stenen onderstukken 1205. Hij plaatste hem in het Circus Vaticanus
en verving de onderstukken door vier zware bronzen bikkels t209. Men wierp drie maal, naar
het getal van de uit verleden, heden en toekomst samengestelde tijd 1210. Het dobbelen was
onder het grote publiek rage, maar was tijdens de Saturnaliën, voorafgaande aan de winter1199 Plat, Phaedr., 274d. Vgl. Herod., Hist, II 122; Plut., De Is. et Osir., 12.
1200 Sueton., De Lud. Graec., 1 (Taillardat).
1201 Sophocl., fr. 438 (Nauck); Gorg., Palam., 30; Alcidam., Odyss., 22; Polem. Il, fr. 32 (Müller); Pausan.,
Graec. Descr., IT 20, 3, X 31, 1; Philostr., Her., X 2; Gregor. Nazianz., Or., IV 107; Lexie. Sud., sub voce HaÀauiújòns;
Tzetz., Antehom., 267, 290, 320; Eustath., Comment. in Hom., Il, p. 228 (ed. Rom.); Idem, Comment. in Hom,
Odyss., p. 1397 (ed. Rom.); Schol. in Eurip., Orest., 432; Varr., apud Serv, Comment. in Vergil., Aen, II 81; Idem,
apud Lactant. Placid, Comment. in Stat, Achill, 93; Plin., Nat. Hist, VII 202; Sueton… De Lud. Graec., 1 (Taillardat); Apollin. Sidon, Carm., XXTII 490-494.
1202 Joann. Antioch, Hist. Chron., fr. 24, 2 (Müller); Malal., Chronogr., p. 42, d-e (ed. Venet); Isid. Hispal.,
Etym., XVIII 60-68; Lexic. Sud. sub voce TáfÀa; Cedren., Histor. Compend., p. 125c (ed. Paris.); Isaac Porphyrog.,
De Praeterm. ab Homer., p. 82 (Hinck); Ibn Hallikän, Wafajät al-A'jän, no. 659 (p. VII 52, Wüstenfeld); As-Safadi,
Al-Gait al-Musaögam, p. II 52 (ed. Cair.); Vitäriën-i-Catrang, 20-30 (Jamasp-Asana). Egyptenaren : vgl. Ps.-Callisth.,
Hist. Alex. Magn., I 4, 5-6 (Kroll). Zie noot 1378. Het dobbelspel leeft in het heden voort onder de naam trictrac.
1203 Het getal der ogen aan weerszijden van de dobbelsteen vormt bijeengevoegd steeds zeven.
1204 H. Stern, Le Calendrier de 354, Parijs, 1953, pl. XIII.
1205 Zie noot 1684.
1206 De Geboorte van Horus, blz. 219, noot 1962-1963. Dobbelen op de dorsvloer van Zeus, dwz. de wereld :
Apollon. Rhod., Argon., III 114, 158.
1207 Lucian, Amor., 16; Eustath., Comment. in Hom., IL, p. 1289 (ed. Rom.); Plaut., Curc., 357; Cicer.,
De Divin., 1 23, II 48. — Drie : Agath. Schol., Anthol. Palat., IX 482, 23; Eustath., Comment. in Hom., Odyss., p. 1397
A Coptic Dictionary, Oxford,
(ed. Rom.). — De Coptische term voor de bikkel is TW PE : TW PI, vgl. W. E. Crum,
1939, blz. 425, links boven. In het door E. von Bergmann, Hieratische und Hieratisch-Demotische Texte der Sammlung
Ägyptischer Alterthümer des Allerhöchsten Kaiserhauses, Wenen, 1886, op pl. X-XVIII uitgegeven rituaal tot
mummificatie van de stier Apis wordt in XII 6 en XVI 10 gesproken van #3 tr.wt (n) tr.t.f, waarmede eventueel de
„kootjes zijner poten” zijn bedoeld.
1208 Plin., Nat. Hist, XVI 201 : guattuor truncos lapidis eiusdem.
1209 Afgebeeld bij C. d'Onofrio, Gli Obelischi di Roma, Rome, 1967, pl. 4, 6, 10, 11, 12, 14, 21, 26, 29, 30, 33,
met blz. 20. De bikkels zijn in deze positie symbolen der vier elementen, maar, met het oog op de enorme door hen
te torsen last, tevens symbolen van hardheid.
1210 Isid. Hispal., Etym., XVIII 64.
Pagina 36
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)zonnewende, sacrale handeling 121. Men dobbelde tot aanwijzing van de gedurende de feestdagen in functie tredende narrenkoning. In een ver verwijderd verleden werd deze na afloop
van de periode zijner kortstondige grootheid als mensenoffer ter dood gebracht 1212,
$ 15 Het offer was in soorten onderscheiden. Wij keren tot de Joden terug. Het vele, dat
in de Pentateuch alleen reeds daarover te boek gesteld is, uitgebreid met de commentaren
van Philo en Flavius Josephus en de systematische uiteenzettingen in Misjna en Talmoed,
vormt een documentatie, die al wat in de oudheid elders over hetzelfde onderwerp is geschreven,
zozeer in de schaduw stelt, dat zij voor de studie der afzonderlijke offersoorten het noodzakelijke substraat is. Het Joodse offer verkreeg zijn definitieve regeling na afloop van de Babylonische ballingschap, is als systeem dus een schepping van late datum. De ontwerpers zijn
echter met grote piëteit te werk gegaan en hebben de overgeleverde inzettingen naar vermogen
gehandhaafd.
De symbolische slachting van straf-, proces- en verbintenissenrecht, die bemiddelde tussen
mens en mens, bemiddelde na haar overname in de cultus tussen mens en God, twee ongelijkwaardige partijen. De mens is tegenover God, diens alwetendheid en almacht, nietig. Hij
kan en moet diens straf aanvaarden. Maar hij kan hem geen bewijs voorleggen, noch ook met
hem een verbintenis aangaan. Bewijs en verbintenis kunnen ten aanzien Gods slechts een beroep
zijn op diens genade. Van de drie juridische doelstellingen bleven in de cultus slechts twee
over : de symbolische bestraffing en de symbolische smeekbede. En ook deze twee vielen
samen. Immers, beider zin is dezelfde, de verzoening.
$16 De cultus in de tempel te Jeruzalem viel uiteen in twee streng gescheiden delen,
de cultus in het gebouw zelf en de cultus in de voorhof daarvan. De cultus in het gebouw zelf
was gevestigd in het heilige, het adytum, onmiddellijk voor het allerheiligste gelegen;
voor de leek niet, voor de priester onder voorschrift toegankelijk. Hij was zo eenvoudig mogelijk
gehouden en bestond uit slechts een drietal offers. Daartoe waren in de overigens ledige ruimte
drie kleine gouden voorwerpen aangebracht, een luchter, een reukofferaltaar en een offertafel.
Op hen werden respectievelijk het lichtoffer, het reukoffer en het offer der toonbroden opgedragen. Deze waren onbloedig en onderscheidden zich in dit opzicht van die in de voorhof.
Zoals de Egyptenaren en de Grieken stelden de Joden het onbloedige offer hoger in rang dan
het bloedige 1213,
De luchter, van onbekende dimensies 1214, van goud vervaardigd !215, stond aan de zuid-
12u Epictet., Dissert., I 25, 8; Gell., Noct. Attic, XVIII 13, 1; Martíal., Epigr., IV 14, 7, V 84,3, XI 6, 2,
XIV 1, 3; Tacit., Ann., XIII 15; Sueton., Div. Aug., 71; Lucian, Saturn, 4; Calend. Ann. 354, mens. Decembr.
(blz. 283, Stern); Macrob., Sat, I 5,11, 10,12 (vgl. 18).
1212 Act. Sanct. Dasii (Cumont). Vgl. Lyd., De Mensib., IV 158.
1213 Phil. Jud., De Ebriet., 85-87. Reukoffer, hoogheilig: Exod., XXX 36. Onbloedig: Phil. Jud.,
De Spec.
Legib., 1 275; vgl. Philostr., Vit. Apollon, I 1. Toonbroden, hoogheilig : Levit. XXIV 9. Vgl. I Sam., XXI 5 (4), 7(6).
124 Op de triumfboog van Titus afgebeeld in halve manshoogte.
1215 Exod., XXV 31, 36, 38, 39, XXXVII 17, 22, 23, 24; Numer., VIII 4; Hecat. Abder., fr. 21 (Jacoby; adI
198); Phil. Jud., Quis Heres, 216, 218; Idem, Quaest. in Exod., II 73; Flav. Jos, Bell. Jud, I 152, VII 148; Idem,
Antiq., III 144, XII 250, 318; Talm. Babl., Menäh., 28b; enz.
Pagina 37
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)bestond ee sen en
zijde1zis. Hij had zeven armen eindigende in zeven lampen 1217 en
brande e ge med
veertig 1218 of zeventig !2!° onderdelen. Hij werd gespijsd met olijfolie 1220 en
se ap
des daags met drie, des nachts met zeven lampen '2*. De dienst werd door de priester
tevens
was
id.
Zij
ordighe
ke
tegenwo
verzorgd 1222. De illuminatie was symbool van de goddelij
lichtoffer 1222; aanbidding Gods, niet door de mensheid, maar door de hemel '224, de zeven
planeten 12%. De toebereiding der illuminatie geschiedde des morgens voor de ontbranding
van het reukoffer 122. Het was niet geoorloofd de vorm van de luchter na te bootsen 1227,
Het reukofferaltaar, ter lengte en breedte van één, ter hoogte van twee el 1228,
eveneens van goud vervaardigd 122, stond in het midden tussen luchter en offertafel voor
het allerheiligste tz. Het reukoffer, dat erop werd opgedragen, gold als oudste aller
offers 121, aan dewelke het dan ook telkenmale voorafging '232. De dienstdoende priester
ontstak het, zijnde geheel alleen 1223; de voor het heilige gelegen altaarhof werd daarbij ont1216 Exod., XXVI 35, XL 24; Flav. Jos., Antiq., III 144, VIII 90; Talm. Babl., Jóm., 21b, 33b; Idem, Bäb.
Bätr., 25b, 147a; Idem, Menäh., 86b; Targ. Hoogl, IV 16. De zuidzijde was de door Typhon bedreigde zijde, zie noot
1164, 1230. Op de Indische offerplaats brandde aan de zuidzijde het daksinägni genaamde offervuur, eveneens tot
bescherming tegen vijandelijke dreiging, vgl. Satapathabrähmana, II 3, 2, 6.
121? Exod., XXV 31-40, XXXVII 17-24; Numer., VIII 1-4; Flav. Jos., Antiq., III 144-146,
1218 Talm. Babl., Menäh., 28b. Vgl. De Geboorte van Horus, blz. 251-259, $ 60.
1219 Flav. Jos, Antiq., III 145. Vgl. De Geboorte van Horus, blz. 256 en 257.
1220 Exod., XXVII 20; Levit., XXIV 2; Phil, Jud, Quaest. in Exod., II 103; Miën., Menäh., IX (VIII) 4-5;
Midr. Sifr., in Levit.… XXIV 2; Midr. Tanhüm., Tesawwè, 8.
121 Flav. Jos, Antig., III 199, VIII 90. Vgl. Exod., XXVII 20-21; Levit., XXIV 2-3; Hecat. Abder., fr. 21
(Jacoby; ad I 199); Posidon., fr. 109 (Jacoby; ad 4); Phil. Jud., De Spec. Legib., 1 296; Midr. Sifr., in Levit., XXIV
2;
Idem, in Numer., VIII 2; Midr. Tanhüm., Tesawwè, 2. — Gedurig brandende lamp, Egyptenaren: Herod.
Hist.,
MH 130; Plut., De Defect. Orac., 2. Grieken: Euphorion, fr. 50 (Scheidweiler); Strab., Geogr., IX 1, 16; Pausan.,
Graec. Descr., I 26, 6-7.
1222 Miën., Jöm., II 3; Idem, Täm., 1 4, III 1, 6,9, VI 1.
1223 Zie noot 1361.
1224 Phil. Jud, Quis Heres, 226-228; Idem, De Vit. Mos., II 105; Idem, Quaest. in Exod.,
II 73, 74, 76, 77,
80, 81, 82, 83, 95.
1225 Phil. Jud., Quis Heres, 221-225; Idem, De Vit. Mos., II 102-103; Idem, Quaest.
in Exod., II 75, 78, 79, 104;
Flav. Jos, Bell. Jud., V 217; Idem, Antiq., III 145-146, 182; Midr. Numer. Rabb, XV 7; Midr.
2; Idem, Beha'alöteka, 6; Midr. Tadë., 11. Vgl. Phil. Jud., De Congress, 8.
Tanhüm., Peqüdé,
122 Exod., XXX 7-8; Miën., Täm., VI 1.
1227 Talm. Babl., Röö haë-Sän., 24a; Idem, Menäh., 28b.
128 Exod., XXX 2, XXXVII 25; Flav. Jos., Antiq., II 147.
1229 Altaar: Exod., XXX 3-5, XXXVII 26-28, XL 5, 26; I Kon, VI 20, 22, VII 48; 1 Chron., XXVIII 18;
Hecat. Abder., fr. 21 (Jacoby; ad I 198); I Machab., I 21; Phil. Jud., De Spec. Legib., 1 274-276; Flav.
Jos., Antiq.,
III 147-148, 198, VIII 90, 104, XII 250, 318; Openb., VIII 3; enz. —Vaten: I Kon., VIT 50; II Kon., XXV 15;1II
Chron., IV 22; Flav. Jos, Antiq., III 150, VIII 92; Openb., V 8, VIII 3; enz. Vgl. Hebr., IX 4, en noot 1167. Koper :
Numer., XVII 4 (XVI 39).
1280 Exod., XXX 6, XL 5, 26; I Kon., VI 22; Phil. Jud., De Spec. Legib., 1 274; Flav. Jos., Antiq., VIII 90,
104; Openb, VIII 3. Het gebed, staande tussen God en mens; zie noot 1164, 1216.
1231 Theophrast., De Pietat., fr. 2 (Pötscher); Ovid, Fast., I 343-344,
1232 Joden : Miën., Jóm., III 5; Idem, Tâm., VI 3; Phil. Jud, De Spec. Legib., 1 171, 276. Grieken en Romeinen:
zie noot 1356.
1233 Phil. Jud., De Spec. Legib., 1 274; Ev. Luc, 19; Miën., Täm.,
V 4, VI 3; Idem, Kèl,I 9; Talm. Babl., Jöm.,
44a. — Het instrument, waarmede de bewieroking geschiedde, droeg de naam mo, „hand” : Min, Jöm., V 1; Idem,
Täm., V 4, VI3. De naam doet vermoeden, dat het identiek was met de Egyptische éhtpj, Dll ‚ vgl. Erman-Grapow,
Pagina 38
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)ruimd 1224. Wie het reukoffer bezat, bezat de cultus *°25, Dat was in Egypte van ouds de pharao,
maar bij de vestiging van de theocratie aan het einde van het Nieuwe Rijk kan het hem ontnomen
zijn. De scheiding van kerk en staat werd in het Joodse koninkrijk boven het reukoffer bevochten 1239, De essentie van het offer was de rookkolom. Deze steeg als „liefelijke reuk’ 1237
rechtstandig ten hemel 1238; in de stijging meer dan in de welriekendheid school de betekenis
van het offer. De kolom symboliseerde de menselijke rede 1239; het ogenblik voor het gebed
was gekomen, wanneer zij zich verhief 12%. Zonder wierook ging de eredienst mank 124,
De materie van het offer was het reukwerk 1242, Het werd in de tempel vervaardigd onder het
reciet van gewijde teksten 1243, naar een geheim recept 244; ook dit mocht niet worden nagebootst 1245, Het bestond uit een enkelvoudige plantaardige stof als hars of myrrhe, of was
uit een aantal ingrediënten samengesteld 1245. Welk ook het recept, het reukwerk symboliseerde de vier natuurlijke elementen 124?; het reukoffer was aanbidding Gods door de aarde.
Het offer werd door de Egyptenaren drie maal des daags gebracht, bij zonsopgang, op de middag en bij zonsondergang 1243, bij de Joden alleen bij zonsopgang en zonsondergang 1249,
De zon trekt de uitdamping van de aarde en al wat zich daarop bevindt tot zich; dit cosmische
reukoffer was het prototype van het menselijke 1250. De wierook hielp de god Horus in zijn
Wörterbuch, deel IV, blz. 222,23 - 223,3. De in de Misjna gegeven beschrijving past daarbij niet, maar past ook niet
bij de Hebreeuwse term. — Bij het reukoffer maakte de priester zijn ceintuur los, Phoeniciërs: Sil. Ital, Punic.,
II 26. Mongolen : C. d'Ohsson, Histoire des Mongols, ’s Gravenhage en Amsterdam, 1834-1855, deel I, blz. 207 (vanwaar ?). Vgl. Ovid, Metam., 1 382, 398, VII 182; Plin, Nat. Hist, XVII 266. Waartoe Verg., Aen, IV 518, met commentaar van Servius : In sacris nihil solet esse religatum; vgl. III 370.
1234 Ev. Luc, 1 10; Miën., Kél., 1 9; Talm. Babl., Jóm., 44a.
1235 Exod., XXX 9; Levit., X 1; Numer., XVI 6-7, 17-18, 35, XVII 1-5 (XVI 36-40); Ezech., VII 11, XVI 18,
XXI 41; Flav. Jos, Antiq., III 209. Vgl. II Chron., II 5 (6); Plut., Tib. Gracch., 6. Vuur, hetzelfde: Levit., X 1;
Numer., III 4, XXVI 61; Midr. Sifr., in Levit., X 1.
1236 TT Chron., XXVI 16-21; Flav. Jos., Antiq., IX 223-226.
1237 Zie noot 1048.
1238 Erman-Grapow, Wörterbuch, deel V, blz. 1, noot 12-13; Jubil., XXI 14; Talm. Babl., Jöm., 38a;
Senec,
Oedip., 310.
11.
1239 Phil. Jud, Leg. Alleg., II 56; Idem, De Ebriet., 87; Idem, De Spec. Legib., 1171; Miën., Menäh., XII
Vgl. Pyr., spr. 269.
1240 Egyptenaren: Asclep. Herm, 41; Preisendanz, Papyri Graecae Magicae,
1 61-62, 71-72, II 24-25, 177-
L 19; Phil.
178, III 308-309, IV 214-215, 906-907, 1294, 1442-1443, enz. Joden: Ps., CXLI 2; Sirac.,
Jud., Leg. ad
XIII 18; Targ. Hoog). IV 16.
Gai, 306; Ev. Luc., 1 10; Openb. V 8, VIII 3-4; Mièn., Jóm., V 1; Midr. Numer. Rabb,
Romeinen : Ovid., Metam., IX 159-160; Senec, Hercul. Oet, 790-793.
1241 Arnob., Adv. Nat, VII 26.
1242 Vgl. Aristot., Meteor., 342a, 27-28.
1243 Plut., De Is. et Osir., 80; Nicol. Myreps., De Antidot., 298.
1244 Min, Jóm., III 11, met Gemara. Vgl. I Chron., IX 30.
1245 Exod., XXX 37-38: Miën., Makk., III 2.
6a. Waartoe :
1246 Plut., De Is. et Osir., 52, 80; Exod., XXX 34-35; Jubil., II 27, XVI 24; Talm. Babl., Kerét.,
De Geboorte van Horus, blz. 223, noot 2080-2083.
101, 105; Flav. Jos., Bell. Jud., Vv 218.
1247 Phil. Jud., Quis Heres, 196-200, 226-227; Idem, De Vit. Mos., II
1248 Plut., De Is. et Osir., 52, 80.
199; Idem, De Spec. Legib., I 171, 276;
1249 Exod., XXX 7-8; II Chron., XII 11; Phil. Jud., Quis Heres,
.
Jos, Antiq., III 199.
de en ad ; De Geboorte van Horus, blz. 216-217,
noot 1877-1889; blz. 222-223, noot 2072-2099.
Pagina 39
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)wiero
de d
r
Het was onder de bescherming van
strijd en verbrandde diens vijand Typhon *2**.
e
temp
des
ag het allerheiligste
dat de Joodse hogepriester op de grote Verzoend
r ook in particuliere handen "22.
Bij Grieken en Romeinen was het reukoffe
der toonbroden is reeds besproken in $ 14,
De offertafel met het daarop opgedragen offer
hierboven.
$17
De cultus in de voo rhof des tempels omvatte
de offers van het volk en van ieder
offeraltaar tot middelpunt. De on ze
individueel lid daarvan, en had het grote brand
alweder in twee groepen gescheiden, die
van het hoogheilige en die van het min
zen E
doffer on, het spijsoffer *25s en het ns -
offer. Hoogheilig waren het zondoffer '*%, het schul
tweede
ndelen, het Pinksteroffer 1258 Het eerste,
offer 1257; waarbij nog, eerst in $ 18 te beha
e was onbloedig.
en vierde dezer offers waren bloedig, het derd
ijgt men de indruk, dat de bloedige
Afgaande op zekere oneffenheden in de teksten verkr
en van ontwikkeling voorstellen. In de
offers een enkel prototype in drie verschillende phas
de betekenissen van straf en bewijs
symboliek der slachting waren, gelijk wij zagen ***°,
waardigheid der partijen in de cultus,
onscheidbaar verenigd. Geconfronteerd met de ongelijk
goddelijk en bewijs
voerden de Joden zulk een scheiding desondanks door, stelden straf als
als menselijk aspect diametraal tegenover elkander en hieven de eenheid van het offer op.
Zij gingen uit van het brandoffer, dat oorspronkelijk beide aspecten in zich verenigde 1200,
en schiepen twee nieuwe offers, het schuldoffer en het zondoffer. Daartoe brachten zij eerst
een onderscheid aan in de symboliek, bestemden het schuldoffer tot van Gode opgelegde
bestraffing 121 en hielden het brandoffer aan tot zelfrechtvaardiging des mensen 1262. Vervolgens brachten zij een onderscheid aan in de schuld; bestemden het zondoffer tot delging der
zonde tegen de goddelijke majesteit 1263, hielden het schuldoffer aan tot delging der zonde
tegen het goddelijke gebod 124. Het wetboek Deuteronomium kent de nieuwe offers, het
schuld- en het zondoffer, niet, die eerst gedurende de ballingschap ontworpen kunnen zijn.
1251 er emg
à
:
arn
Papyri: Graecae Magicae,
XXXVI 337-338. Perzen
: Avesta, Vidövdät, VIII 79-80; Sad Dar
1252 Levit, XVI 12-13; Phil. Jud., De Spec. Legib., 1 72, 84; Idem, Leg.
ad Gai, 306; Miën., Jóm., V 1.
1253 Reukoffer van Pythagoras: Empedoel., fr. 31 A, 11 (Diels); Diog.
Laert., Vit. Philos., VIII 20; Philostr
Vit. Apollon, I 1, 31, VIII 7( 12); Porphyr., Vit. Pyth, 36; Jambl.,
Vit. Pyth, 54, 150. Verder: Vemaaks. ia:
449.451; Porphyr., De Abstin., II 58; zie noot 1356. Reukoffer aan goden, spijsoffer aan
heroën : Antiphan Coat
fr. 206 (Edmonds); vgl. Hegesandr. Delph., fr. 5 (Müller).
5
1254 Exod., XXX 10; Levit., VI 10 (17), 18 (25), 22 (29), X 17, XIV 13; Numer., XVIII 9, 10; Ezech.,
XLII 13;
Misn., Zebäh., X 6.
1255 Levit., VI 10 (17), VII 1, 6, XIV 13; Numer., XVIII 9, 10; Ezech., XLII 13; Miën., Zebäh., X 2,
1256 Levit., II 3, 10, VI 10 (17), X 12; Numer., XVIII 9, 10; Ezech., XLII 13.
1257 Miën., Zebah., V 4, XII 3. Vgl. Exod., XXIX 37, XL 10.
1258 Zie noot 1476-1479.
1259 Zie $ 9, hierboven.
1260 Verzoening: Levit., 1 4, XIV 20, XVI 24, enz. Bewijs : zie $ 9.
1261 Levit., V 1-9; Miën., Jóm., VIII 8. Hoewel in Levit., V 6, 7 van een schuldoffer wordt gesproken, gaat
het blijkens de in V 6-9 genoemde offerdieren en blijkens de terminologie in V 6, 7, 8, 9 om het zondoffer.
1262 Zie noot 1343.
1263 Zie noot 1272.
1264 Zie noot 1300, 1312.
Pagina 40
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)Het hoogheilige offer, voor zover geslacht, werd geslacht aan de noordzijde van het altaar 125, voor de binnentredende dus ter rechterzijde in de hof. De materie van het substituut,
zijnde de huid ts en het vlees 127, verviel, behoudens de te vermelden uitzonderingen,
aan de priester. Zij werd, voor zover gegeten, gegeten door hem persoonlijk 1258, ter plaatse
bij het altaar 12°. Dat geschiedde op de dag der offering, vóór middernacht 1270.
Het zondoffer, nen, áuapria '2"1, delgde de metaphysische zonde 12°? en had op alle
hieronder volgende offers voorrang 273. Om tot het offer te worden toegelaten moest de zondaar in onwetendheid hebben gehandeld 127“; had hij dat niet, dan werd hij om zijn zonde
van de
uitgeroeid 1275. De nadruk viel op de executie van het substituut 127%; de belediging
vier hoeken
majesteit Gods geschiedde bij doodzonde. Het bloed werd op de altaarhoorns op de
reiniging
was
hoorns
de
op
sprenging
gesprengd 1277; niet op de altaarrand rondom 127. De
heiligdom,
het
des hemels, de sprenging op de rand reiniging der aarde; de eerste reiniging van
werd zowel door de
de tweede reiniging van de profane wereld daarbuiten 1279. Het offer
voor heiligdom
priester als door de leek gebracht. De hogepriester, die de verantwoordelijkheid
op; zij
en cultus droeg, en het staatshoofd, dat hem daarin ter zijde stond, traden actief
offerden individueel, een mannelijk dier, de eerste een stierkalf 1230, de tweede
een bok 128,
1265 Levit., I 11; Miën., Zebäh., V 1-5, VI 1. Vgl. Idem, VIT 4; I Clem, XLI 2; en noot 1164.
Brand1266 Zondoffer: Flav. Jos., Antiq., III 231; Miën., Zebäh., XII 3. Schuldoffer: Miën., Zebäh., XII 3.
offer : Levit., 16, VII 8; II Chron., XXIX 34, XXXV 11; Phil. Jud, De Sacrif., 139; Idem, De Spec. Legib., I 151;
Flav. Jos., Antiq., III 227 ; Miën., Seqäl., VI 6; Idem, Zebäh., IV 4, XII 1-4; Idem, Temür., III 4, Grieken, hetzelfde :
Aristoph., Thesmoph., 758, met scholion; Schol. in Idem, Vesp., 695; Schol. in Idem, Plut., 1185. Zie noot 913.
I XVIII9; II Kon,
20; Numer.,
126? Zondoffer : Levit., V 13, VI 19 (26), 22 (29), VII 7,X 17, 18, XIV 13, XXII
XII 17 (16; in geld); Ezech., XLII 13, XLIV 29, XLVI 20; Phil. Jud, De Spec. Legib., 1 190, 233, 240, 242; Flav.
Jos., Antiq., III 230, 231, 232, 249, IV 74-75. Schuldoffer: Levit., VI 10 (17), VIT 7, XIV 13; Numer., V 8, XVIII 9;
Ezech., XLII 13, XLIV 29, XLVI 20; Sirac., VII 31; Flav. Jos., Antiq., III 232; Miän., Zebäh., V 5. Zie noot 1703.
1268 Levit., VI H (18), 22 (29), VII 6, XXI 22; Numer., XVIII 10; Sirac., XLV 21; Phil. Jud., De Spec. Legib.,
1 240; Miën., Zebäh., V 3, 5; Flav. Jos., Antiq., IV 75. Romeinen, hetzelfde : Act. Fratr. Arval., p. 19-24 (Henzen).
1269 Levit… VI 9 (16), 19(26), VIT 6, X 12,13, 17, 18, XXIV 9; Numer., XVIII 10; Ezech., XLII 13, XLVI 20;
Phil. Jud., De Spzc. Legib., 1 240-241 ; Flav. Jos, Antiq., III 231-232, IV 75; Miën., Megill., I 11; Idem, Makk., III 3;
Idem, Zebäh., V 3, 5, VI 1, XIV 4-8. Grieken, oùk ékdopd: Aristoph., Plut., 1138, met scholion; vgl. Pausan., Graec.
Descr., II 27, 1, VIII 38, 8, X 4,10, 38,8. Romeinen : Cat, De Agr. Cult, 83.
1270 Phil. Jud., De Spec. Legib., I 240, 243; Flav. Jos., Antiq., III 231-232, IV 75; Miën., Zebäh., II 2-3,
V 3,5, VI 1; waartoe Idem, Beräk., I 1. Vgl. Phil. Jud., Quaest. in Exod., II 15; Theophrast., De Pietat., fr. 13
(Pötscher); Athen., Dipn., 192c; Pausan., Graec. Descr., X 38, 8; Cat, De Agr. Cult, 83.
1271 Coptisch: GYCIA ZANOBE : GOYWWOYWI ESBE ÒNOBI, enz.
1272 Misn., Jóm., VIII 8; Idem, Zebäh., X 2.
1223 Levit., V 8; Miën., Näz., VI 7; Idem, Zebäh., X 2.
1274 Numer., XV 27-29; Phil. Jud., De Spec. Legib., I 227, 230; Flav. Jos., Antiq., III 231; Miën., Sabb.,
XI 6; Idem, Hör., II 3, 6; Idem, Kerêt., 1 2, II 6, VI 3.
1275 Numer., XV 30-31; Miën., Hör., II 3, 6; Idem, Kerêt., 12, [1 6, VI 3. De Romein werdin dit geval impius :
Varr., De Ling. Latin, VI 30; Cicer., De Legib., 1 40, II 22, 37.
1276 Zie noot 850.
127? Zie noot 1114.
1278 Zie noot 761.
1379 Zie noot 763, 766.
1280 Levit., IV 3, IX 2, XVI 3, 6, 11, 27; Ezech., XLIII 19, 21, 22; Phil. Jud., De Spec. Legib., I 187, 228,
231; Flav. Jos., Antiq., III 242; Miën., Hör., II 1, 6, III 1, 2, 6. Het gehele volk: Levit., IV 14; Phil. Jud., De
Spec. Legib., 1 228; Miën., Hör., 1 4, 5, III 6. Het Sanhedrin: Mièn., Hör., 1 4, 5, II 6.
1281 Levit., IV 23; Numer., VII 16, 22, 28, 34, 40, 46, 52, 58, 64, 70, 76, 82, 87; Phil. Jud., De Spec. Legib.,
Pagina 41
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)jk ; hij bracht een ed
De leek, passief en als het ware cultisch substraat, offerde soorteli
zijn, was het
dier, een geit of een ooilam 2252. Opdat niemand van het offer uitgesloten zou
n 128, „Voor
volstaa
em
meelblo
weinig
binnen ieders bereik gebracht; de armste kon met een
zonden van ondergeschikt belang, de lichamelijke zonden '*%, bracht men een duif 1255,
Het zondoffer voorzag in inbreuken op de goddelijke orde aan en werd opgedragen na
zonde
tegen de publieke en private liturgie 257, verder bij inwijding van de tempel 1288, bij toetreding tot de cultus 125°, bij de levieten- 2% en priesterwijding 12°, op de feestdag 1292, op
de grote Verzoendag '2°3, na beëindiging van het Nazireaat 12°4, na lichamelijke ongesteldheid 1295. Het werd met grote strictheid uitgevoerd. Verwisseling in de benaming of in de
bestemming van het offer maakte het ongeldig 1295. Het bloed van het substituut droeg de
zonde en verontreinigde; het moest, wanneer gespild, ter plaatse worden afgewassen et,
Het dier, dat op enigerlei wijze voor het offer ongeschikt werd, was voor alle ander gebruik
ongeschikt en werd doodgehongerd 295.
1228, 233; Flav. Jos, Antiq., III 221, 232; Miën., Hör., 1 5, II 6, III 1. Het gehele volk : Levit., IX 3, X 16, XVI 5,
9, 15, 27, XXII 19; Numer., XV 24; Ezech., XLIII 22, 25, XLV 23; Ezr., VI 17, VIII 35; IT Chron., XXIX 21,
23, 24; Phil. Jud., De Spec. Legib., I 190; Idem, Quaest. in Exod., 1 8; Flav. Jos., Antiq., III 221, 238, 239, 240,
241, 242, 246, 247, 249, 253, XI 137. Een stier : Flav. Jos, Antiq., III 232.
1282 Levit.…, IV 28, 32; Numer., VI 14, XV 27; Phil. Jud, De Spec. Legib., I 228, 233; Flav. Jos., Antiq.,
II 231; Miën., Hör., I 4, IT 6.
1283 Levit., V 11-12; Phil. Jud., De Mutat. Nom., 233-235.
1284 Geboorte : Levit XII 6,8; Ev. Luc., II 24. Melaatsheid : Levit., XIV 22, 31; vgl. Flav. Jos., Bell. Jud.,
11 289. Vloed : Levit., XV 15, 30. Lijkbesmetting : Numer., VI 11; Phil. Jud, De Spec. Legib., 1 251. Voor de sprengwijze, zie noot 761.
1285 Het vogeloffer bestond uit de tortelduif en de duif, de eerste volgens Philo, Ps., LXXIV 19, indachtig,
symbool van het goddelijke, de tweede symbool van het menselijke gedeelte der ziel, vgl. Phil. Jud., Quis Heres,
126-127, 230-231, 234; Idem, De Spec. Legib., I 162; Idem, Quaest. in Genes., III 3. De auteur van Miän., Kerët.,
VI 9, aarzelt.
1286 Oudh. Med., deel LII, Leiden, 1971, blz. 66.
1287 Levit., V 1-5. De regel van Numer., XV 27-31, toepassend op alle passages, waarin met uitroeiing
gedreigd
wordt, verkrijgt men zes en dertig textueel bepaalde indicaties voor het zondoffer : Miën.,
Kerët., I 1.
1288 Levit IX 2, 3, X 16, 17, Ezech., XLIII 19, 22, 25, XLV 23; Ezr., VI 17,
VIII 35; II Chron., XXIX 21,
23, 24.
1289 Numer., VII 16, 22, 28, 34, 40, 46, 52, 58, 64, 70, 76, 82, 87; Flav. Jos., Antiq., III
221.
1290 Numer., VIII 8, 12.
1291 Exod., XXIX 14, 36; Levit., VIII 2, 14; Ezech., XLIV 27; Phil. Jud., De Vit. Mos., II
147; Flav. Jos.,
Antiq., III 204.
1292 Herfstaanvang: Numer., XXIX 5; Flav. Jos., Antiq., III 239. Lenteaanvang : Ezech.,
XLV 19. Nieuwe
maan : Numer., XXVIII 15; Flav. Jos., Antiq., III 238. Loofhutten : N umer., XXIX 16, 19, 22, 25,
28, 31, 34, 38; Flav.
Jos, Antiq., III 246, 247. Pasen : Numer., XXVIII 22; Ezech., XLV 22, 23; Phil. Jud, De Spec. Legib., 1 181; Flav.
Jos, Antiq., III 249. Pinksteren : Levit., XXIII 19; Numer., XXVIII 30; Flav. Jos., Antiq., III 253. Feestdag in het
algemeen: Phil. Jud., De Spec. Legib., 1 190-193.
1293 Exod., XXX 10; Levit., XVI 3; Numer., XXIX 11; Phil. Jud., De Spec. Legib., 1188; Flav. Jos., Antiq-,
III 240.
1294 Numer., VI 14; Phil. Jud., De Spec. Legib., I 251, 252.
1295 Zie noot 1284.
1296 Miën., Zebäh., I 1-4, II 4, III 6, VI 7, VII 1, 4, enz.; Idem, Jäd., IV 2,
1297 Levit., VI 20-21 (27-28); Miën., Zebäh., XI 1-8.
1298 Miën., Jóm., VI 1; Idem, Näz., IV 4, 6; Idem, Zebäh., VIII 1; Idem, Temür., IT 2, IV 1; Idem, M2“i.,
II 1; Idem, Kinn., I 2. Symbolische dood: Miën., Näz., IV 4, 6; Idem, Temûr., II 2.
Pagina 42
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)Het schuldoffer, Der, zÀnppêlera!?99, delgde de zonde tegen het goddelijke gebod.
De Hebreeuwse term is vaag en wordt ook voor andere offers gebezigd 1300. Het offer hield
het midden tussen het zondoffer en het brandoffer; het was aan het eerstgenoemde ondergeschikt 1301. De begane zonde bezoedelde hemel noch tempel; het bloed werd niet op de altaarhoorns gesprengd, maar op de altaarrand rondom 1202. Met het brandoffer had het schuldoffer
de individualiteit gemeen; het substituut was van het mannelijke geslacht, een ram 1203,
Het zondoffer, eenmaal ingevoerd, breidde zich ook over de zonde tegen het gebod uit 130%
en drong het schuldoffer terug, dat beperkt bleef tot drie gevallen. Ten eerste tot delging
van vermogensdelicten 1205, die door de zondaar, daar onberecht 1205, nog uit vrije wil ongedaan konden worden gemaakt. De zonde werd beleden 1307, het ontvreemde bedrag, vermeerderd met een boete ten een-vijfde deel, aan de beledigde partij gerestitueerd 1308. Ten tweede
ter vervanging van het zondoffer, wanneer twijfel bestond aan de toerekenbaarheid der begane
zonde 1309. Ten derde, minder begrijpelijk, als reinigingsoffer van de melaatse 1310 en de verontreinigde Naziraeër !31, De tegenstelling tot het metaphysische zondoffer suggereert, dat
het schuldoffer oorspronkelijk tot delging der ethische zonde bestemd was. Indien aldus,
blijkt dat uit de drie gevallen toch niet. Waarschijnlijker is dan ook, dat het schuldoffer,
op de wijze hierboven uiteengezet 1312, restant is van een groter geheel, waaraan het zondoffer
secundair onttrokken werd.
1299 Coptisch : @YCIA NMNTATCOOYN : (Woywwoywi) eese TMETWAYT, enz.
1300 T Sam., VI 3, 4, 8, 17; Jezaj., LIII 10.
1301 Miën., Zebäh., X 2, 5. Vgl. Phil. Jud., De Spec. Legib., I 238.
1302 Levit, VII 2; Miën., Zebäh., X 2.
1303 Levit V 15, 16, 18, 25 (VI 6), XIX 21-22; Numer., V 8; Ezr., X 19; Phil. Jud., De Spec. Legib., I 234,
237; Flav. Jos., Antiq., III 232, XI 152.
1304 Dezelfde ontwikkeling bij het Indische präjaëëitti en het Romeinse piaculum.
1205 Levit V 15, 21-22 (VI 2-3), XIX 20 (waartoe: Miön., Kerêt., II 4); Phil. Jud, De Spec. Legib., I 235.
1308 Phil. Jud., De Spec. Legib., I 235; Flav. Jos., Antiq., III 232; Miën., Bab. Qamm., IX 8; Idem, Sebü'.,
VIIIL3.
1307 Numer., V 7; Phil. Jud, De Spec. Legib., I 235, vgl. 227. Belijdenis bij zondoffer: Levit., V 5. Zie noot
826, 891.
1308 Levit., V 15-16, 23-25 (VI 4-6); Numer., V 7; II Kon., XII 17 (16); Phil. Jud., De Spec. Legib., I 234,
236; Miän., Bäb. Qamm., IX 8, 11, 12; Idem, Sebü“., V 1, VIII 3.
1309 Levit., V 17. Waartoe : Miën., Jabm., IV 2; Idem, Hör., II 4, 7; Idem, Zebäh., V 5; Idem, Temür., VII 6;
Idem, Kerêt., 12, II 1, IV 1,2, V 2,4, 5,6, 7,8, VI 1,3, 4.
1310 Levit., XIV 10-31. Het offer lijkt een selectie uit alle overige offers. Het bezat van het schuldoffer de naam.
Het had met het zondoffer de functie gemeen; het verleende de van zijn ziekte genezene toegang tot de tempel:
Miën., Zebäh., X 5. Als het brandoffer ging het begeleid van brood en wijn: Levit., XIV 10, 21; Miën., Menäh., X
(LX) 6. Als het dankoffer werd het door de priester voor het altaar bewogen : Levit., XIV 12, 21, 24; Miën., Menäh.,
gesprengd :
V 6,7. Het vergoten bloed werd als dat van het vuloffer op oorlelletje, duim en teen van de gesubstitueerde
XIV 12,
Levit.,
:
schuldoffer
het
van
dat
dan
qualiteit
geringer
van
was
dier
Levit., XIV 14, 17, 25, 28. Het geslachte
13, 21, 24, 25; Miën., Zebäh., X 5. Bij het offer werd een log, omtrent een
halve liter, olie geleverd : Levit., XIV 10,
21; Miën., Menäh., V 6. De genezene werd daarmede, na de normale bloedsprenging,
Levit.,
apart besprengd en gn :
Het zonlicht reinigt en geneest ziekte,
XIV 15-18, 26-29. Olie staat hier weder voor licht, en licht voor zonlicht.
vgl. Oudh. Med., deel XLIX, Leiden, 1968, blz. 53, noot
83.
1311 Numer., VI 12; Miën., Zebäh., X 5. Een lam.
1312 Zie noot 1261.
Pagina 43
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)aar '®!4, hetzij als
Het spijsoffer, nnxs, Ovoia 123, bestond uit tarwe, die hetzij in de
werd ingereikt.
1317,
brood
als
niet
meel 1915, hetzij in de vorm van koek of vlade 1215, doch
che
Het was ongezuurd 1318, De priester brak het in stukken '9!® en bood deze met een symbolis
geste aan het altaar aan, hetgeen aan de westzijde daarvan geschiedde 122%. Hij offerde vervolgens een handvol als gedenkoffer in de vlammen *22 en mocht de rest voor zich behoung
den 1322. Het spijsoffer was offer des priesters, wanneer deze voor zich uit vrije verkiezi
offerde 1523. De hogepriester deed dat dagelijks. Zijn offerande werd in twee helften gedeeld,
die respectievelijk des ochtends en des namiddags opgedragen werden 122. Het spijsoffer
was ondergeschikt aan het zondoffer en het schuldoffer 1525, maar had voorrang op het brandoffer. Dit laatste om de volgende redenen : — 1° De mens is naar zijn oorsprong plantaardig
van natuur. Hij ligt als embryo door de navelstreng geworteld in de baarmoeder es In den
beginne bevruchtte de hemel, als vader, de aarde als moeder 122. Mens en dier groeiden als
planten uit deze laatste op '22*; de geslachtelijke voortplanting begon eerst later 1229. De
asceet, die zich met boombast kleedde 1230, streefde naar de oertoestand terug. — 2° Vruchten
en kruiden in het algemeen waren het oudste 12, graan in het bijzonder was het rein-
1313 Coptisch: @YCIA : WOYWWOYYI.
1314 Levit., II 14-16; Phil. Jud, De Sacrif., 76, 80-87.
1315 Levit., II 1, enz. Vgl. Flav. Jos., Antiq., III 235.
1316 Levit., II 4-7, VI 14(21), VII 9; Flav. Jos., Antiq., III 235; Miën., Menäh., V 8-9. De Griekse zedavós, vgl.
P. Stengel, Opferbräuche der Griechen, Leipzig en Berlijn, 1910, blz. 66-72.
131? Levit., II 6, VI 14 (21); Miën., Menäh., VII (VI) 4. Zie noot 1566-1571.
1318 Exod., XXII 18; Levit., II 4, 5, 1, VI 9 (16), 10 (17), X 12; I Chron. XXIII 29; Phil. Jud., De Congress., 169; Idem, De Spec. Legib., I 291, 293-295; Idem, Quaest. in Exod., II 14; Miën., Menäh., V 1, 2. Zie noot 1176,
1570.
1319 Levit., II 6, VI 14 (21); Miën., Menäh., VII (VI) 4: in vier delen. Zie noot 994.
1820 Levit. II 8; Misn., Menäh., V 5, 6; zie noot 1451. De tempel was op het oosten georiënteerd : Camephis,
noot 130.
13821 Levit. II 2, 9, VI 8 (15), vgl. V 12; Numer., V 26; Sirac., XXXVIII 11, XLV 16; Phil. Jud., De Somn.,
71, 74; Flav. Jos., Antig., III 235, 251, 270; Miën., Menäh., VII (VI) 1.
1822 Levit., IT 3, 10, V 13, VI 9 (16), 10 (17), 11 (18), VIT 9, 10, X 12; Numer., XVIII 9; Ezech., XLIV 29;
Flav. Jos., Antiq., III 235, 251, 270; Miën., Söt., III 2. Vgl. Horat., Epist., I 10, 10.
1823 Eerstelingsoffer : Phil. Jud., De Spec. Legib., I 255-256. Volgens Flavius Josephus, Antiq., II 235, werd
het spijsoffer door de leek niet als zelfstandig offer gebracht.
184 Exod., XXIX 39-41; Levit., VI 13-15 (20-22), IX 4, 17; Numer., IV 16, XXVIII 5,8;I Kon, XVIII 29,
36; II Kon, III 20, XVI 15; Ezech., XLVI 14-15; Ps., CXLI 2; Dan., IX 21; Ezr., IX 4, 5; Nehemj., X 34(33);
Sirac., XLV 14; Phil. Jud., De Spec. Legib., 1 256; Flav. Jos., Antiq., III 257; Miën., Menäh., IV 5, X (IX) 1, XI 3.
1825 Miën., Zebäh., X 4, met Gemara.
1326 De Geboorte van Horus, blz. 234-241, $ 57.
1327 De Geboorte van Horus, blz. 147-150, $ 41.
1828 Egyptenaren: vgl. Corp. Herm, I 17; De Geboorte van Horus, blz, 13-19, $ 6. Perzen : Bundahiën,
XIV 10 (Anklesaria); Vititakihä-i-Zätspram, III 76; Riväjat bij Dätastän-i-Dênik, XLVI 36-37; zie noot 1034.
Grieken: Parmen., fr. 28 A, 51 (Diels); Zeno El, fr. 29 A, 1 (Diels; ad 29); Empedocl., fr. 31 A, 72, 75, 81, B, 57-62
(Diels); Anaxag., fr. 59 A, 112 (Diels); Archel., fr. 60 A, 1 (17), 4 (5; Diels); Democrit., fr. 68 A, 139, B, 5, 3 (Diels);
Protag., fr. 80 C, 1 (Diels); Plat., Polit, 27la - 273e; Zeno Stoic., fr. I 124 (von Arnim); Stoic., fr. II 739 (von Arnim).
Germanen: Snorri Styrlyson, Edda, Gylfaginning, 8.
1329 Macrob., Sat., 1 8, 8.
1330 Zie noot 362.
1331 Egyptenaren: zie noot 411, 828. Joden : Phil. Jud., Quaest. in Genes, IV 1, en zie noot 413-414. Perzen :
Pagina 44
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)ste et en tevens meest noodzakelijke 1233 voedsel. Graan was, na de wierook, de oudste offermaterie 1334, — 3o Het plantaardige offer ging niet als het dierlijke met doodslag gepaard 1335,
— 49 Het plantaardige offer was het offer der armen :23s, het dierlijke dat der rijken. De
goden verkiezen het goedkope offer boven het kostbare 1337, — 5e Het plantaardige offer
was het offer van de ziel in haar redelijke zuiverheid sss. Bij het bloedige offer was deze door
emotie bevangen, bij zondoffer en schuldoffer door angst, bij het dankoffer door vreugde. —
Het geofferde graan was volwaardig substituut voor de mens. De arme, die geen zondoffer
kon brengen, kon met meel volstaan 1339. Het meel werd, elders dan te Jeruzalem, dikwijls
als koek gebakken in diervorm of met de opdruk van een dierfiguur 12%, Jezus brak tijdens
het laatste avondmaal voor zijn discipelen het brood, met de woorden : „Neemt, eet, dat is
mijn lichaam” 12. Het graan, bouwstof van het lichaam, substitueerde de mens als de
potentie de act; het graan, eigendomsobject en deel van het vermogen, substitueerde hem als
het deel het geheel.
niet
Het brandoffer, now, óokaúrwpa 13%, delgde de zondige drift 1943; de potentiële,
bewaard.
de actueel begane zonde. Het had het karakter van bewijsmiddel zeer getrouw
de dood gaf
De delging der zonde geschiedde, doordat de zondaar zichzelf in het substituut
individueel
werd
en daarmede vrijwillig van zijn boze drift afstand deed. Het brandoffer
in zijn geheel
opgedragen 12**, het offerdier was van het mannelijke geslacht 12%. Het werd
: Hesiod., Op., 117-119, 146-147; Plat, Polit, 272a;
Bundahiën, XIII 6, XIV 17, XXXIV 1 (Anklesaria). Grieken
zie noot 828, 1036, 1562.
gerst,
de
Voor
).
Theophrast., De Pietat., fr. 2, 13, 16, 19 (Pötscher
1332 Phil. Jud., De Spec. Legib., 1 173, 255, II 181, 184; Idem,
1333 Phil. Jud., Quis Heres, 226; Idem, De Vit. Mos., 11 222-223;
De Vit. Contempl., 82.
Eustath., Comment. in Hom.,I1., p. 133, 14-16
(ed. Rom.).
apud Porphyr., De Abstin., II 20; Dionys.
1834 Theophrast., De Pietat., fr. 2, 4, 8, 13, 16 (Pötscher); Idem,
Nat. Hist, XVIII 7.
Plin.,
337-348;
1
Fast,
Ovid.,
8;
Halic., Antiq. Rom., IT 25, 2; Plut., Num,
fr. 2, 4, 7 (Pötscher); Philostr., Vit.
Pietat.,
De
st.,
Theophra
;
(Diels)
128
B,
31
fr.
.,
1385 Grieken: Empedocl
blz. 106-109. Egyptenaren :
Liturgie,
Pythagoreïsche
Apollon, I 1, VIII 7 (12); Porphyr., De Abstin., II 58; De
vgl. Diod. Sic, Bibl. Hist., 1 14, 1.
II 99. Grieken : Theophrast., De Pietat., fr. 7
1336 Joden: Levit., V 1-13; vgl. Phil. Jud, Quaest. in Exod.,
17. Reukoffer, hetzelfde: Alciphr., Epist., II 33;
(Pötscher); Alciphr., Epist., H 33; Porphyr., De Abstin., II 16,
Ovid., Epist. ex Pont., IV 8, 39-40; Arnob., Adv. Nat.,
VIT 12.
1337 Joden : Phil. Jud., De Spec. Legib., 1271; Idem, Quaest. in
Exod., II 99; Midr. Levit. Rabb., III 5. Inp. Chi, fr. 344 (Jacoby); Theophrast., De
diërs: Mahäbhärata, XIV 92,7. Grieken : Eurip., fr. 327 (Nauck); Theopom
n : Plin., Nat. Hist.,
Pietat., fr. 7, 8, 9 (Pötscher); Plut., fr. 47 (Sandbach); Porphyr., De Abstin., Il 17, 18. Romeine
1 275.
hetzelfde : Antiphan. Com., fr. 164 (Edmonds); Phil. Jud., De Spec. Legib.,
XII 83. Reukoffer,
1338 Phil. Jud., De Somn., II 72-74.
1339 Zie noot 1283.
1340 De Pythagoreïsche Liturgie, blz. 89, noot 409, blz. 90, noot 425, 427, 428, 442. Indiërs : Satapathabrähmana, I 2, 3, 5; Manusmrti, V 37. Dierefiguren van aromatische kruiden: Empedocl., fr. 31 A,
1341 Zie noot 739.
11 (Diels).
1342 Coptisch: ÓAIA. Het Egyptische prototype gll wordt in de Griekse versie der decreten van Canopus,
40, 52, 65, Memphis (Tall al-Mashüta), I 4, 7, II 14, en Memphis (Rosetta), 32, 48, 50, met Avo{a vertaald. Vgl. het
gebruik van de term b°55 in I Sam, VII 9; Ps., LI 21.
1343 Phil. Jud, De Spec. Legib., I 195-197; Talm. Jer, Jöm., p. 45b, 55-63; Idem, Sebü*, p. 33b, 45-53;
Midr. Levit. Rabb., VII 3; Midr. Tanhüm., Saw, 7. Daar de zonde niet bedreven is, kan Philo, loc. cit. 198, het brandoffer het beste der offers noemen. De boze drift van noot 440, vgl. noot 585.
1344 Flav. Jos, Antiq., III 224-225.
1345 Levit., 13, 10, XXII 19; Phil. Jud., De Spec. Legib., I 198, 200-201; Flav. Jos, Antiq., III 226. Voor
Pagina 45
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)verbrand; de wil des zondaars tot zelfvernietiging werd onverminderd ten uitvoer gebracht.
De reïntegratie van het dode lichaam had plaats in God 12%. In dit opzicht overtrof het brandoffer het zondoffer, het schuldoffer 154? en alle overige offers. De dood verzoent ook dan,
wanneer hij niet als straf is opgelegd 1545. De uitvoering van het offer was de reeds beschrevene.
Het lichaam werd op het altaar gelegd, uiteengesneden in de organische delen 12%, waarin
het verwekt was. Van de offerdelen was de kop symbool der individualiteit, der eenheid 1350.
Het bloed werd gesprengd op de altaarrand rondom, niet op de altaarhoorns 1351. Het staatshoofd-155? droeg het brandoffer dagelijks twee maal op, aan het begin van de morgen en aan
het einde van de namiddag ‘sss. Het brandoffer was onder alle omstandigheiden des levens
van pas, in nood bij vreze voor de toorn Gods, in vreugde bij wijze van voorzorgsmaatregel.
De hoogheilige offers door Jahwe geëist, het zondoffer en het schuldoffer, werden zonder
meer opgedragen '24, de hoogheilige offers door de mens vanuit vrije wil aangeboden, het
spijsoffer en het brandoffer, gingen steeds begeleid van een aanvullend offer. Dit laatste bestond
uit olie, wierook, graan of wijn, stoffen, die ter illuminatie of als reuk-, spijs- of drankoffer
ook zelfstandig geofferd werden 1355, maar als begeleidend offer een ondergeschikte functie
hadden. Het begeleidende offer viel uiteen in twee typen, het eerste, wierook en olie, opgedragen
bij het spijsoffer, het tweede, graan en wijn, opgedragen bij het brandoffer. Door de toegevoegde
stoffen werd het hoofdoffer nader bepaald; de superioriteit van het onbloedige offer boven
het bloedige kwam juist door haar tot uiting. Bij de Grieken en de Romeinen bestond de gewoonte voorafgaande aan het hoofdoffer een vooroffer te brengen. Dit bestond uit wierook
en wijn, één uit ieder der beide tegengestelde groepen 155.
de keuze der dieren, vgl. Levit., I 2, 3, 10, 14; Phil. Jud, De Spec. Legib., I 198; Flav. Jos., Antiq., III 226.
1846 Miën., Seqäl., VI 6. Vgl. Porhyr., De Abstin., II 44 (waartoe Ezech., XVI 21, naar LXX); en zie noot 838,
1048-1050.
1347 Miën., Zebäh., X 2.
1348 Zie noot 649.
1849 Zie noot 994.
1850 Vgl. Asclep. Herm., 23; Phil. Jud, Quaest. in Genes., II 5, 9; Idem, Quaest. in Exod., I 1, II 33, 53, 100; Mièn.,
Jöm., 117; Sad Dar Nasr, XXXIV 4-6; Sad Dar Bundahië, XXVI 4-5. Vervloeking van de kop bij brandoffer, Egyptenaren : Herod., Hist, II 39; Plat, De Is. et Osir., 31; Sext. Empir., Pyrrh. Hyp, III 223; Aelian., De Nat. Anim.,
X 21; Preisendanz, Papyri Graecae Magicae, IV 40. Waartoe: De Pythagoreïsche Liturgie, blz. 91, noot 463, 468;
De Geboorte van Horus, blz. 165, afb. 25, met noot 1527-1528; De Ark des Verbonds, blz. 5-7, noot 12-27; C. H. Meyer,
Fontes Historiae Religionis Slavicae, Berlijn, 1931, blz. 74.
1851 Zie noot 761.
1352 Ezech., XLVI 13-15 (LXX); I Machab., VII 33; Epist. Arist., 45; Flav. Jos., Bell. Jud, IT 197, 409-410;
Idem, Antiq., IX 273. Vgl. Phil. Jud., Quis Heres, 174; Idem, Leg. ad Gai, 157, 291, 317.
1353 Exod., XXIX 38-42; Numer., XXVIII 3-8; Phil. Jud, Quis Heres, 174; Idem, De Spec. Legib., 1 169;
Flav. Jos., Bell.
Jud., VL 94; Idem, Antiq., III 237; Miën., Tam.; enz. Egyptenaren, als mensenoffer : Maneth., fr. 85
(Waddell).
1354 Levit., V 11; Phil. Jud., De Mutat. Nom., 234 ; Miën., Menäh., V 3, X(IX)6. Het spijsoffer der ijveringen :
Numer., V 15; Phil. Jud., De Spec. Legib., III 56; Miën., Söt., II 1; Idem, Menäh., v3.
1355 Het drankoffer, zelfstandig : Miën., Menäh., XII 5. Buiten de illuminatie was het olieoffer niet zelfstandig :
Miën., Zebäh., X 8; Idem, Menäh., XII 5.
1356 Grieken : Schol. in Aristoph., Plut., 661; vgl. noot 10, 70, 1253. Romeinen : Plaut., Aulul., Prol., 24; Cat,
De Agr. Cult, 134, 141 ; Ovid., Fast, IV 935; Idem, Metam., IX 159-160; Senec, Oedip., 305-306; Plin. Min, Epist.,
X 96, 5; Arnob., Adv. Nat, VII 26, 29; Serv, Comment. in Vergil., Aen, IX 641 ; zie noot 1374. Joden: zie noot 1232.
Perzen : Ammian. Marcell, Res Gest, XXIII 6, 35. Na de maaltijd, voorafgaande aan het drinkgelag : Xenophan.,
fr. 21 B, 1 (Diels; ad 7); Antiph., Or, 1 18; Plat. Com., fr. 69 (Edmonds); Plat, Conviv., 176a; zie noot 90.
Pagina 46
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)Het spijsoffer werd aangevuld met wierook 125? en olie 1358, die als symbolen der elementen
lucht en vuur :%5° vereend de ziel vertegenwoordigden en bij de verbranding ten hemel stegen.
Daar het vuur in de rangorde der elementen hoger stond dan de lucht, behoorde de olie boven
de wierook voorrang te hebben. Maar in de offerpraktijk was het omgekeerde het geval 1360,
Het reukoffer als dagoffer en de illuminatie als nachtoffer waren correlaat 1361; de dag gold
als hoger in rangorde dan de nacht 1262. De wierook, een handvol, moest boven het spijsoffer
gelegd op het altaar verbrand worden, op straffe van nietigheid van dit laatste 1363. De olie
werd in de vorm van de letter x, dus kruisgewijze, op het spijsoffer uitgegoten 1364. Onder
de gestalte van de letter x, onder een scherpe hoek, snijden de hemelaequator en de ecliptica
elkander 1255. De Egyptenaren duidden de ziel der wereld, dwz. hemel of aarde, aan door een
x met omgeschreven cirkel 1366. Over de zin van het een en ander geeft de liturgie der Perzen
uitsluitsel. Het Perzische spijsoffer is een platte, ronde koek, vervaardigd van tarwemeel
en ongezuurd. Het middelpunt daarvan stelt het zenith des hemels voor, de rand het randgebergte der wereld. De offermaterie, gewoonlijk boter, wordt midden op deze koek gelegd 1357,
Het spijsoffer, ook het Joodse, stelt derhalve de aarde en de hemel voor en, als substituut
des mensen, diens lichaam en ziel. Wierook en olie waren in profaan gebruik symbolen van
vreugde, zij verheugden het hart 13ss. Men legde en goot zich aan de feestmaaltijd wierook 1269
en olie 137 op het hoofd; het kleine kegeltje, dat op zovele Egyptische reliëfs door de disge1357 Levit., II 1, 2, 15, 16, VI 8 (15); Jezaj., XLIII 23, LXVI 3; Jerem., XVII 26, XLI 5; Test. Levi, fr.
Bodl., 30, 45, 46 (Charles); Phil. Jud., De Somn., II 71, 74; Miën., Menäh , V 3, XIII 3. Voor de toonbroden, zie
noot 1182.
1358 Exod., XXIX 40; Levit., II 1, 2, 4, 5, 6, 7, 15, 16, VI 8 (15), 14 (21), VIT 10, IX 4, XIV 10, 21, XXIII 13;
Numer., VII 13, 19, 25, 31, 37, 43, 49, 55, 61, 67, 73, 79, VIII 8, XV 4, 6, 9, XXVIII 5, 9, 12, 13, 20, 28, XXIX 3,
9, 14; Ezech., XLV 24, 25, XLVI 5, 7, 11, 14, 15; Jubil., XXI 7 (dankoffer ?); Test. Levi, fr. Bodl., 30, 42, 44 (Charles);
Phil. Jud., De Somn., II 71, 74; Idem, De Spec. Legib., I 179, 256; Flav. Jos., Bell. Jud, V 565; Idem, Antiq., III
233, 234, 235; Miën., Menäh., V 3; Idem, Me“il., IV 2. Geen olie op de toonbroden, die onder het schijnsel van de luchter
lagen : Miën., Menäh., V 3. Grieken : Pausan. Attic., fr. XXIII 1 (Erbse); Pausan., Graec. Descr., VIII 42, 11 ; Hesych.,
Lexie, sub voce “Yyleia; Schol. in Aristoph., Pax, 1040.
1359 Phil. Jud., De Somn., II 74. Vgl. Idem, Quaest. in Genes., IT 42, IV 1, Quaest. in Exod., II 103.
1360 Levit., II 2, 16, VI 8 (15).
1381 Herod., Hist., IT 130. Vgl. Phil. Jud, De Spec. Legib., 1 298.
1362 Tôs., Beräk., III 8, VI 6. Vgl. Plut., De Is. et Osir., 44.
1363 Miën., Menäh., I 3. De wierook boven het offer gelegd: II Bar, XXXV 4; als bij de toonbroden, zie
noot 1182.
1364 Miän., Menäh., VIT (VI) 3.
1365 Plat, Tim, 36b. Vgl. Aristot., De Anim, 406b-407a; Procl., Comment. in Platon. Tim, p. II 238 (Diehl);
Idem, Comment. in Platon. Rempubl., p. II 143-144 (Kroll).
1388 Porphyr., apud Proel, Comment. in Platon. Tim, p. II 247 (Diehl). Gedacht is aan de hiëroglyphe, ® ,
een ster met omgeschreven cirkel, d3.t te lezen, oorspronkelijk de hemel, later de aarde als rijk der doden; of, beter,
aan de hiëroglyphe ® , als tegenhemel, vgl. Erman-Grapow, Wörterbuch, deel II, blz. 213, noot 7-11.
1367 Öim-i-Drön (naar K. J. Jamasp-Asa; Dastur Hoshang Memorial Volume, Bombay, 1918, p. 201-205).
1388 Ezech., XXIII 41; Spreuk, XXVII 9; Phil. Jud, De Somn., II 74; Idem, De Spec. Legib., III 56; Hebr.,
19. Vgl. Athen., Dipn., 687, d-e.
1369 Egyptenaren: Diod. Sic., Bibl. Hist, I 62, 4; N. de Garis Davies, The Tomb of Rekh-mi-ré‘ at Thebes,
New York, 1943, pl. LXVI, links boven, LXIX 2, beide: ‘néjw, „„myrrhe”; zie blz. 60-61. Perzen : vgl. Dino, fr. 25
(Jacoby). Romeinen : vgl. Plin., Nat. Hist., II 241.
1370 Pred., IX 8. Vgl. Ps., XXIII 5, XCII 11, CIV 15, CXLI 5; Ev. Matth, XXVI 7; Ev. Marc., XIV 3;
v. Luc., VIT 46; Philonid., apud Athen., Dipn., 691f - 692b.
Pagina 47
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)zondek door
ich van
en
En
. Op gelijke
wijze reinigde
men zich
V
5
mate eene es: mene Ee atas 1372, van dodenonreinheid door zich as
een bekken gloeien
len
g0lie vond zich verenigd in de welì ok en
in
van wiero
ì rk
strooijen 1272. De we
…e ae Deen die tot een hogere zijnsorde werden geroepen, voorwerpen, waaraan
ekende zalf men en
sn el staat werd verleend, werden met welri
ij 47%, symbo'en €:
vuld met graan '*"* en wijn
erd aange
van ze koek
Ee wieden het lichaam bestaat 175. Het graan werd in de vorm
onzelfee
e= ward
hoewel spijsoffer,
gi
7e,id maar Zing,
over de offerdelen
arrpneee wijn werd als drankoffer
vanfen
i
EN
i
er
, was symbool van && , de wereldener geplengd. De beker, waaruit dat geschiedde
ffer 12:* en drankoffer 1250
re 178, Als reden der toevoeging wordt opgegeven, dat spijso
n.
oudere offers waren dan het brandoffer en door dit laatste niet verdrongen mochten worde
Dat moge waar zijn, het eigenlijke motief was toch het gedode slachtoffer de wedergeboorte
mogelijk te maken. Graan en wijn zijn de prototypen van het menselijke voedsel 1381. Boven
1971 [ Chaëmw., IV 35-36, 37, V 38, 38-39; Spreuk, XXV 22; Rom., XII 20.
192 HI Sam, XIII 19; I Machab., IV 39; Flav. Jos, Antig., VII 171, 204; Nonn.,
17 Egyptenaren: Panyass., fr. 26 (Kinkel; mensenoffer). Joden: Exod., XXX 9,Dionys, XL 105.
XL 29; Levit, IX 1,
X 12, XIV 20, 31, XXIII 13, 18, 37; Numer., VI 18, 17, VII 13, 19, 25, 31,
37,
43,
55,
61,
67, 73, 79, 87, VIII 3,
XV 4, 6,9, 24, XVIII 9, XXVIII 5, 8, 9, 12, 13, 20, 28, 31, XXIX 3, 6,
9,
11,
14,
16,
18,
19,
21, 22, 24, 25, 27, 28,
30, 31, 33, 34, 37, 38, 39; Joz, XXII 23, 29; Richt,e VI 19, XII 19, 23;
I Sam, IH 29, III 14; I Kon, VIII 64;
H Kon, XVI 13, 15; Jezaj., XIX 21, XLIII 23;5 Jerem.
XLVI 5, 7, 11, 14, 15; Amos, V 22, 25; Ps,
„ XIV 12, XVII 26, XXXIII 18; Ezech., XLV
XX
4, XL 7; Dan, IX 27; Ezr., VIT 17; Nehemj
17, 24, 25,
., X 34 (33); I Chron.,
XXI 23; II Chron., VII 7; Test. Levi, fr. Bodl., 40-44
(Charles); Phil. Jud, De Spec. Legib., 1 179; Flav.
Jos, Antig.,
IT 233; Miën., Me“il., IV 2. Grieken: Pherec
rat. Com., fr. 23 (Edmonds); Aristoph., Pax,
1040,
met
scholion;
Theophrast., De Pietat., fr. 2, 18 (Pötscher); Pausan
., Graec. Descr., VII 20, 1 (mensenoffer). Romeinen
:
zie
noot
1392,
1874 Egyptenaren: Herod., Hist., II 39 (waartoe:
Talm. Babl., ‘Ab. Zär., 34a); Decr. Canop., Dem.
versie,
1; Deer. Memph. Rosett., Dem. versie, 29, 30; I
Chaëmw., III 26, VI 8; II Chaëmw.,
V 6,7, VII 11; enz. Joden :
Exod., XXIX 40, 41;
Levit., XXIII 13, 18, 37; Numer., VI 15, XV
5, 7, 10, 4, XXVII 18, 9, 101
IK
24,31, XXIX 6, 11, 16, 18, 19, 21, 22, 24, 25, 27, 28, 30, 31, 33,
34, 37, 38, 39; II Kon., XVI 13, 15; Ezech., XLV 17;
IChron., XXIX 21; II Chron., XXIX 35; Test. Levi, fr. Bodl., 30, 44
(Charles); Phil. Jud., De Spec. Legib., I 179;
Flav. Jos, Bell. Jud., V 565; Idem, Antiqg, III 234; Miën., Menäh.
, X (IX) 6; Idem, Temür., III 4; Idem,
Me“il., IV 2. Grieken : Hom., Il, 1 462-463, XI 774-715; Idem, Odyss.
, III 459-460, XII 362; Herod., Hist,
IV 60; Aristoph., Pax, 1040, met scholion, 1059; Demosth., Or., XXI 53; Menandr. Com., fr. 292 (Edmon
ds); Apollon.
Rhod, Argon, 1516, 1133, 1185, IV 128; Plut., Quaest. Conviv., VIII 8, 3 (zie noot 874); Poll., Onom., VI 26.
Romeinen, behalve noot 1356 : Cicer., De Divin., II 37; Juven., Sat, XII 8; Serv, Comment. in Vergil., Aen, IV 61,
VI 244
(zie noot 874). Scythen: Herod., Hist, IV 62.
1875 De Geboorte van Horus, blz. 141, noot 1240. Graan en wijn heilig: Test. Levi, VIII 5. Zie noot 74, 84.
1376 Zie noot 1358.
1877 Miën., Menäh., V 3.
1378 Egyptenaren, Perzen : Hermipp. Callim., fr. 81 (Müller). Joden : Phil. Jud, De Somn., IT 248; vgl. Genes.,
XLIV 5. Grieken : Proel, Comment. in Platon. Cratyl., LVI. De hemeilstolp, Grieken : Athen., Dipn., 489, d-e; noot
1202, 1203, hierboven. Vgl. De Geboorte van Horus. blz. 53-55, $ 19, en voor de plenging : Sirac., L 15; Flav. Jos,
Antiq., III 234 (mept rov Bwyóv).
1379 Theophrast., De Pietat., fr. 2 (Pötscher).
1380 Theophrast., De Pietat., fr. 2, 12 (Pötscher).
1381 Eustath., Comment. in Hom, I1., p. 133, 6-7 (ed. Rom.). Graan rijpt in de lente, wijn in de herfst : Phil.
Jud., De Opif. Mund., 116.
Pagina 48
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)asresten
het graf van de overledene zaaide men graan !2%, over het lijk in de groeve en de
stollen
te
altaar
het
op
op de brandstapel goot men wijn uit 12%. De wijn verhinderde het bloed
voorten voerde het met zich mede in de aarde, de cosmische baarmoeder, waaruit alle leven
komt. De wijn is het bloed van de wijnstok 1***, maar gold ook als het bloed van de in de oertijd
door de zonnegod Mithra geslachte cosmische stier 1255.
Alle offers, zowel de hoogheilige 1236 als de minderheilige '3°7, werden met zout bestrooid.
Men bezigde daartoe steenzout 13%; het uit zeewater gezoden zout was onrein 1259, Het
zout
werd op het laatste ogenblik toegevoegd, wanneer de offerdelen zich vlak voor het altaar of
reeds daarop bevonden 12%; bij de Grieken 12°! en de Romeinen '**? was het door de offergerst gemengd. Het zout weert bederf, het stuit de rotting van vlees 19% en vertraagt de gisting
van graan. Deze negatieve werking werd ten onrechte gehouden voor een positieve. Het zout
wordt zaad genoemd **** en was symbool van wederopstanding 1295,
$18 De reeks van het heilige, anders gezegd minderheilige 12% offer bestond uit het
1382 Grieken: Cicer., De Legib., II 63; vgl. Lyd., De Mensib., IV 42. Voor de offergerst, zie noot 1035-1047.
1383 Grieken: Quint. Smyrn., Posthom., I 795; Nonn., Dionys., XXXVII 81-85.
1384 Joden: Genes, XLEX 11; Deut, XXXII 14; IT Machab., VI 34; Sirac., XXXIX 26, L 15. Grieken:
Achill. Tat., Leucipp. et Clitoph., II 2, 4. Bloed der aarde : Plin., Nat. Hist., XIV 58.
1385 Perzen : Bundahiën, XIII 2 (Anklesaria); Viéitakihä-i-Zätspram, III 46. Zie noot 1030.
1386 Levit., II 13; Ezech., XLIII 24; Jubil., VI 3, XXI 11; Test. Levi, IX 14; Idem, fr. Bodl., 26, 29, 37
(Charles); Phil. Jud, De Spec. Legib., 1 289; Flav. Jos., Antiq., HI 227; Ev. Marc, IX 49; Miën., Zebäh., VI 5; Idem,
Menäh., III 2; Idem, Täm., IV 3; Idem, Midd, V 3; Talm. Babl., Menäh., 20a-21b; Midr. Sifr., in Levit., II 13. Lampolie: vgl. Herod., Hist, II 62. Toonbroden : zie noot 1183. Zout was bestanddeel van het reukwerk : Exod., XXX 35;
Talm. Babl., Kerët., 6a; vgl. Idem, Menäh., 20a; Midr. Sifr., in Levit., II 13. Geen zout bij de bezielde organen, Grieken:
Athen. Com, fr. 1 (Edmonds; ad 17-20).
1387 Talm. Babl., Menäh., 20a. Zie noot 83.
1388 Egyptenaren: Arrian., Anab., III 4, 4; Itin. Alex. Magn., 52; Preisendanz, Papyri Graecae Magicae,
V 396-397. Joden : Phil. Jud, De Vit. Contempl., 81; Midr. Sifr., in Levit., II 13. Romeinen : Serv, Comment. in
Vergil., Bucol., VIII 82.
1389 Aristag. Miles, fr. 7 (Jacoby); Plut., De Is. et Osir., 32; Arrian., Anab., III 4, 4.
1390 Test. Levi, fr. Bodl., 26, 37 (Charles); Miën., Zebäh., VI 5; Idem, Täm., IV 3; Talm. Babl., Menäh., 21b.
1391 Strat. Com, fr. 1 (Edmonds; ad 34-39); Eustath., Comment. in Hom., Il, p. 132, 25, 44, 133, 19-20
(ed. Rom.); Schol. in Hom., IL, I 449; Schol., in Idem, Odyss., III 441; Schol. in Aristoph., Equit., 1167; Etym.
Magn., sub voce Oùdoyúras zrpoBdhovro.
1392 Als mola salsa : Plaut., Amphitr., 740; Varr., De Ling. Latin, V 104; Idem, apud Non. Marcell, De Compend. Doctr., p. 164, 24 (Lindsay); Cicer., De Divin., 1137; Plin., Nat. Hist., XII 83, XVIII 7, XXXI 89; Vergil.,
Aen., II 133; Horat., Sat, II 3, 200; Ovid., Fast, 1 338, III 284; Valer. Maxim., Fact. en Diet. Memor., II 5, 5; Martial., Epigr., VII 54, 5; Senec, Oedip., 335; Idem, Thyest., 688; Lucan., De Bell. Civil, 1610; Fest., De Verb. Signif.,
(p. 97), Mola (p. 125, Lindsay); Hygin., Fab., CCLXXVII 4; Serv, Comment. in
sub vocib. Ador (p. 3), Immolare
Zonder
Vergil., Aen, II 133, IV 57, X 541; Idem, Comment. in Vergil., Bucol., VIII 82; vgl. Plut., Num., 14.
gerst : Fest., De Verb. Signif., sub voce Muries (p. 152-153, Lindsay); Serv, Comment. in Vergil., Bucol., VIII 82. Zie
noot 1035.
in Hom.,
1393 Phil. Jud., De Spec. Legib., I 175, 289; Plut., Quaest. Conviv., V 10, 3; Eustath., Comment.
IL, p. 133, 1-2 (ed. Rom); Plin., Nat. Hist, XXXI 98, 101.
1394 Plut., Quaest. Conviv., V 10, 4; Eustath., Comment. in Hom., I1., p. 132, 45 (ed. Rom.); Satapathabrähmana, XIII 8, 1, 14. Zie noot 258.
1395 De Geboorte van Horus, blz. 230, noot 2230-2240.
1396 Voor het begrip der geringere heiligheid, vgl. Phil. Jud., Leg. ad Gai, 356.
Pagina 49
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)dankoffer 12°? met de daarvan afgeleide offers 12°®, uit het Paasoffer EE, het offer der eerstgeboorten en eerstelingen *4% en het offer van het tiend '4!, Het minderheilige offer, voor
zover geslacht, werd geslacht in de altaarhof 1402, slechts niet aan de voor het en
1404,
offer gereserveerde noordzijde. De materie van het substituut, de huid 1403 en het vlees
ae
at
Deze
.
verviel, behoudens de te vermelden uitzonderingen, aan de gesubstitueerde
met zijn gezin en zijn gasten op, oorspronkelijk ter plaatse in de altaarhof 1405, es vee
thuis, in ieder geval binnen de muren van de stad Jeruzalem "405, Het vlees stond, me
e
geen strenger voorschrift gold, gedurende twee dagen ter consumptie *47 en werd op de
1408
ent dankotfs, pop, Avola cwripiov**®*, was offermaaltijd. De gesubstitueerde nam
het initiatief tot de plechtigheid, die een feestelijk karakter had en en bekostigde haar,
maar hield zich overigens op de achtergrond. Als gastheer **! of, bijGrieken en Romeinen,
als eerste der gasten 141? trad de god des heiligdoms zelf op. De maaltijd was ten es en
deze constructie publiek. Het dier, welks soort, mits offerbaar, ter keuze stond, moc sins
van het mannelijke als het vrouwelijke geslacht zijn 1413. Er was een begeleidend graanoffer
1397 Miën., Zebäh., V 7.
1398 Lofoffer, ram Naziraeër: Miën., Zebäh., V 6, X 2.
1399 Miën., Zebäh., V 8.
1400 Jubil., XXXII 15; Rom, XI 16; Miën., Zebäh., V 8, X 3. Vgl. Numer., XVIII 17.
1401 Miën., Zebäh., V 8, X 3. Vgl. Levit., XXVII 30, 32, 33; Deut., XXVI 13; Jubil., XXXII 15; Phil. Jud.,
De Post. Cain., 95-97; Idem, De Congress, 101.
M02 Dankoffer: Levit., III 2, 8, 13; Miën., Zebäh., V 6, 7. Paasoffer: Deut, XVI 2, 6; Miën., Zebäh., V
8.
Eerstgeboorte, eersteling, tiend : Miën., Zebäh., V 8.
1403 Miën., Zebäh., XII 3.
1404 Zie noot 1416-1420, 1472, 1494, 1529, 1597.
1405 Dankoffer: zie noot 797. Paasoffer: Deut, XVI 7;
XII 6-7, 17-18, XIV 23, XV 19-20. Tiend : Deut,
vgl. Jubil., XLIX 9, 16-21. Eerstgeboorte : Deut.,
XII 6-7, 11-12, 17-18, XIV 23. Vgl. Jezaj., LXII
9.
108 Miën., Makk., III 3; Idem, Zebäh., XIV 4-8; Idem,
Kel., 1 8. Dankoffer : Levit., X 14; Miën., Seqäl., VIT
3;
Idem, Zebäh., V 7. Lofoffer, ram Naziraeër: Miën.,
Zebâh., V 6. Paasoffer: Miën., Pesäh., III 8, VII 9,
12; Idem,
Zebäh., V 8. Eerstgeboorte,
eersteling, tiend (voor priester of leek) : Flav.
Jos., Antiq., IV 70; Miën., Bikk., II 2;
Idem, Zebäh., V 8; Idem, Kél., 1 8.
1407 Dankoffer: Levit., VII 16, XIX 6, Jubil.,
XXI 10; Phil. Jud, De Spec. Legib., I 220-223;
Flav. Jos.,
Antiq., III 229; Miën., Zebäh., Vv 7; vgl. Idem, Pesäh.,
VI 4. Eerstgeboorte, eersteling : Miën., Zebäh., V
8.
108 Levit., VII 17-20, XIX 6-8; Phil. Jud., De
Spec. Legib., 1 223; Flav. Jos, Antig., III 229.
Vgl.
Macrob.,
Sat., II 2, 4.
1409 Coptisch: GYCIA NOYXal : WOYYWOYYI KNOZE
M, Ggoyywoyy: Koyxar.
1410 Numer., X 10, XXIX 39; Deut, XXVII 7;
I Sam., XI 15; I Kon, UI 15, VIII 63-66;
Phil. Jud., De
Spec. Legib.,
1 196, 212; Flav. Jos, Antiq., III 225.
ll Egyptenaren : zie noot 294, 295. Joden: Phil. Jud.,
Idyil., XV 127.
De Spec. Legib., I 221, vgl. 152. Syriërs : Theocrit.,
Ml? Grieken : Athen., Dipn., 192b, 363d; Pausan.,
Graec. Descr., VIII 2, 4; Julian. Apost., Or, V 176d;
Schol. in Hom., I1., III 310; Schol. in Pind., Olymp.,
HI, prooem. Dikwijls de Dioscuren: Chionid. Com, fr.
5 (Edmonds); Pausan., Graec. Descr., IV 27, 3; Polyaen., Strateg.
, VI 1, 3; Schol. in Pind., Olymp.,
III 1,38. Romeinen :
Calpurn. Piso, fr. 25 (Peter); Liv, Ab Urb. Cond., V 13, 6-8,
XXII 10, 9, XL 59, 7; Arnob., Adv. Nat., VII 32; Augustin, De Civ. Dei, III 17.
MI3 Levit., III 1, 6; Phil. Jud., De Spec. Legib., I 212; Flav. Jos.,
Antiq. III 228.
44 Bewijsplaatsen, ontoereikend : Numer., XV 9; Jubil., XXI 7. Zie
noot 828, onder 1e.
Pagina 50
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)en een begeleidend wijnoffer 1415. Na de slachting werden de delen op de grond of op de offertafel uitgespreid. Genodigden waren aanwezig, maar hadden, in theorie althans, geen voorkeur.
Een ieder had de vrijheid als disgenoot 1418 aan de maaltijd deel te nemen; vreemdeling 1417
en slaaf '41* waren met burger en vrije gelijkberechtigd. De deelname gold als verdienstelijke
daad 14°; de gemeenschap behoorde vertegenwoordigd te zijn en kon niet in haar geheel verstek
laten gaan **20. Wie hiertoe toestemming verkreeg, mocht het vlees medenemen naar huis.
Het ceremonieel van de private vleesmaaltijd was dat van het dankoffer in vereenvoudigde
vorm 1421.
De dienstdoende priester '4® verkreeg een voorkeursdeel, dat hij tezamen met zijn
gezin #23, doch niet met derden eten mocht. Het was van het dankoffer de borst en de rechterschenkel 1424, het was van het profaan geslachte offer de rechterschouder, de kaak en de
pens 1425. De borst is de zetel van de ziel 1426, de schenkel die van de daad 1427, de kaak die
van het woord *42$; op gedachte, daad en woord werd ook gezinspeeld bij de bloedsprenging 1429, zij het, dat daarbij andere organen, het oorlelletje, de duim en de grote teen, representatief gesteld werden. In de eerste reeks staat de borst voor het hart 1430, in de tweede
de kaak voor de tong 1431. De tweede reeks is uit de eerste afgeleid en in tegenstelling daartoe
geformeerd. De pens is substraat van het hart als het water van het vuur 48%, de schouder
1415 Jubil., XXI 7; Miën., Zebäh., X 2; Idem, Menäh., X (IX) 6; Idem, Temür., III 1.
1416 Grieks : mapdorros, Polem. IL, fr. 174 (Tresp); Plut., Sol., 24.
1417 Grieken: Athen., Dipn., 138f. Romeinen: Calpurn. Piso, fr. 25 (Peter); Liv., Ab Urb. Cond, V 13, 7.
1418 Koesjieten : zie noot 64. Grieken : Theopomp. Chi., fr. 215 (Jacoby); Athen., Dipn., 139f, 192b; Harmod.
Lepr., fr. 1 (Jacoby).
1419 Phil. Jud., De Spec. Legib., 1 222.
1420 Polem. Il, fr. 174 (Tresp); Diodor. Com., fr. 2 (Edmonds; ad 22-30); Plut., Sol, 24.
1421 Zie noot 66-92.
1422 Vgl. Levit., VII 33; Phil. Jud, De Spec. Legib., I 131.
1423 Dankoffer: Levit., X 14; Numer., XVIII HI, 19; Sirac., VIT 31; Miën., Zebäh., V 7. Lofoffer: Flav.
Jos., Antiq., III 236; Miën., Zebäh., V 6. Vuloffer : zie noot 1472. Ram van Naziraeër : Miën., Zebäh., V 6. Paasoffer : zie
noot 1494. Eerstgeboorte, eersteling : Numer., XVIII 18, 19; Phil. Jud, De Spec. Legib., 1 117-130; Flav. Jos., Antiq.,
IV 70, 75; Miën., Hall., 1 9, III 1; Idem, Bikk., II 1, 2; Idem, Zebäh., V 8, X 3. Tiend, voor leviet: zie noot 1595.
Onbestemd: Sirac., XLV 21.
1424 Exod., XXIX 28; Levit., VIT 30, 31, 32, 33, 34, IX 20, 21, X 14, 15; Numer., XVIII 18; Sirac., VII 31;
Phil. Jud., Leg. Alleg., III 133, 137, 140; Idem, De Migr. Abrah., 67; Idem, De Spec. Legib., 1 145, 185; Flav. Jos.,
Antiq., III 229 (swin). Vuloffer: Exod., XXIX 22, 26, 27, 28, Levit., VIII 25, 26, 29; Phil. Jud., Leg. Alleg., III
129. Ram van Naziraeër: Numer., VI 19, 20. Onbestemd : Numer., XVIII 18. Zie noot 1710-1711, en voor de rechterzijde: Jubil., XXXI 12; De Geboorte van Horus, blz. 31-35, $ 10.
25 Deut, XVIII 3; Phil. Jud, De Spec. Legib., I 147, 148, 149, 150; Flav. Jos, Antiq., IV 74; Miën., Hall,
IV 9; Idem, Hull, X 1.
1426 @vuós: Phil. Jud, Leg. Alleg., III 130, 131, 132, 136, 137; Idem, de Migr. Abrah., 67; Idem, De Spec.
Legib., I 145, 146; Hieron., Comment. in Malach., II 3-4. Vgl. Miën., Jom, II 7; en noot 923.
1427 Phil. Jud., Leg. Alleg., III 135; Idem, De Vit. Mos., II 130; Idem, De Spec. Legib., I 145; Idem, Quaest.
in Exod., II 108; Hieron., Comment. in Malach., II 3-4.
1428 Phil. Jud., De Spec. Legib., I 147; Hieron., Comment. in Malach., II 3-4. Zie noot 1605.
1429 Zie noot 755-759.
1430 Zie noot 931-933.
1431 Hieron., Comment. in Malach., II 3-4.
1432 Zie noot 1052, 1053.
Pagina 51
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)is een rijker, maar in de symboliek minder relevant deel dan de schenkel 1433; het getal drie
is ten opzichte van het getal twee veelheid 1434. Het prototype beider reeksen is bewaard
in Egypte. In dat land werd ter ere van de overledene, van Osiris, voor het nog open graf
een os geofferd 1455. De slachters sneden het dier bij levenden lijve hart en rechterschenkel
uit 1496, waarna de weduwe van de overledene het woorden van wraak in het oor fluisterde +457.
Klaarblijkelijk zette dit offer een ouder mensenoffer voort, waarbij de overwonnen vijand
van de overledene door diens zoon en wreker aan stukken gescheurd werd. De uitgesneden
delen werden voor de overeind gestelde mummie nedergelegd 14°. De zoon nam dan de
schenkel op en „opende’” daarmede de mond zijns vaders '***. Wat verder met beide delen
geschiedde, wordt verzwegen. Bij de Perzen was het hart heilig aan het vuur, de schenkel aan
het water; het borststuk heilig aan de genius des priesters **%. Ook was de rechterschouder
heilig aan de hemelse rivier Ardvisürä ‘441, waren tong, kaak en linkeroog heilig aan het haoma,
de rituele drank 1442, en was de pens het aan Spentä Ármaiti, de gepersonifieerde aarde 1442.
Twee der genoemde delen worden bij de Grieken vermeld **4*. De schouder *44 en de tong 1448
waren heilig aan de god Hermes. De eerste, wellicht ook de tweede, werd aan de priester geschonken 447.
1433 In de in noot 1424 gegeven bewijsplaatsen wordt in de Griekse vertaling de term schenkel, behalve bij
Flavius Josephus, telkenmale met Bpaxtwv, „„schouder”’, wedergegeven. De symboliek bleek op den duur als motief
ontoereikend; de remuneratie des priesters verkreeg voorrang. Zie noot 1445.
1434 Zie noot 1007-1010.
1435 Mondopeningsrituaal, scène 22-25, 42-45 (Otto). Vgl. H. G. Fischer, The Journalof Egyptian Archaeology,
deel LIX, Londen, 1973, blz. 224-226. Offerdelen aan dode, Grieken: Pausan., Graec. Descr., II 10, 1.
1436 Mondopeningsrituaal, scène 23, Ib, 43b (Otto). Hart: Erman-Grapow, Wörterbuch, deel III, blz. 27,
noot 7. Borststuk: ibid, deel III, blz. 19, noot 11. Schenkel : ibid, deel III, blz. 268, noot 5. Rechterschenkel : De
Rochemonteix-Chassinat, Le Temple d'Edfou, deel V, blz. 133, 6. Vivisectie: H. Junker, Giza, Wenen en Leipzig,
1929-1955, deel III, blz. 229-231. De Scythen sneden de rechterarm der geofferde krijgsgevangenen uit: Herod., Hist.,
Iv 62.
1487 Mondopeningsrituaal, scène 23, 2a, 43d (Otto) : „Het zijn Uw lippen, die U dit aangedaan hebben. Opent
zich (nú) Uw mond ?”. Voor de begane zonde, vgl. ibid, scène 24, 2a, 25f, 44e, 45f.
1438 Mondopeningsrituaal, scène 24, 44 (Otto).
139 Mondopeningsrituaal, scène 25, 45 (Otto).
140 Säjast-nê-Säjast, XI 4; Riväjat bij Dätastän-i-Denik, LIX 3. Voor de betekenis
van de term baëa, „schenkel”,
vgl. Sanskr. bäkhu, „onderarm”.
M&l Avesta, Vidövdät, XVIII 70 (bäzva); Säjast-nê-Säjast, XI 4 (arm-î-daën); Riväjat
bij Dätastän-i-Dênik,
LIX 3 (idem).
1E Avesta, Jasna, XI 4, 5; Säjast-nê-Säjast, XI 4; Riväjat bij Dätastän-i-Dénik, LIX 3.
1443 Säjast-nö-säjast, XI 4; Riväjat bij Dätastän-i-Denik, LIX 3.
MM Bewijsplaatsen uit de epigraphie verzameld door F. Puttkammer, Quo Modo Graeci
Distribuerint, Königsberg, 1912, blz. 1-16. Vgl. blz. 16-31.
Victimarum Carnes
1445 Bpayiwv, zie noot 1433 : Lexic, Sud., sub voce Kwdú; Schol. in Aristoph., Plut., 1128.
1446 Cornut., Theol. Graec., 16; Athen., Dipn., 16, b-e; Ptolem., Tetrab., III 12
(p. 148, Camerarius); Anon,
Paroem. (p. I 415, Leutsch-Schneidewin); Schol. in Hom., Odyss., HI 332; Schol. in Aristoph.,
Plut., 1110; Schol. in
Apollon. Rhod, Argon, I 517. Vgl. Apollod. Ath., fr. 307 (Jacoby). Egyptenaren : Herm. Trismeg., Iatromath.,
5
(p. 1387, Ideler); Pap. Manchester, no. 63.
M47 Schouder: Amips. Com., fr. 7 (Edmonds); Schol. in Aristoph., Plut., 185; Schol. in
Linkerhelft van kop: Amips. Com, fr. 7 (Edmonds).
Idem, Vesp., 695.
Pagina 52
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)De gesubstitueerde bewoog” het borststuk 1448 en „hief de schenkel 44, keerde
vervolgens beide aan de priester uit. Het bewogen borststuk wordt in de Griekse vertaling
betiteld als érieja, „hetgeen op (het altaar) wordt gelegd’, de geheven schouder als apaipega,
„hetgeen van (het altaar) wordt afgenomen”. De geste van het bewegen bestond in het heen
en weder zwaaien van het offerdeel, van voren naar achteren en omgekeerd, en in het op en
neder bewegen daarvan 145%; beide aan de oostzijde van het altaar 41. Zij was cosmisch,
bootste de beweging der twee, of beter vier, horizontale winden na en die van het dalende
en stijgende pneuma !*?, stelde aldus een symbolische verbranding voor ‘453. De heiligheid
van het borststuk was zoveel groter dan die van het schenkelstuk, dat het niet als dit eenvoudigweg van het altaar afgenomen mocht worden, maar daarop eerst symbolisch moest worden
geofferd. Wanneer de gesubstitueerde in de liturgie niet tot handelen bekwaam was, legde
de priester bij de beweging de handen onder de zijne. Hij nam vervolgens het offer over en
bracht het bij volmacht reëel ten uitvoer 1494,
In een wat gewijzigde vorm gaf het dankoffer het aanzijn aan vier verdere offers. Deze
gingen begeleid van een offer in graan, als brood, koek en vlade, met olie bestreken en in een
korf aangeboden **5, en van een drankoffer :455. Het begeleidende graanoffer bezat niet de
heiligheid van het spijsoffer, was ook lager in rang dan het hoofdoffer 1457. Brood, koek en
vlade waren ongezuurd, deels gezuurd. Gezuurd graan was minder heilig dan ongezuurd 1458,
brood was minder heilig dan koek en vlade 149. Een brood, een koek en een vlade werden
op het altaar verbrand ‘40, de rest viel toe aan de priester !4e. Bij alle vier offers was de
termijn, waarbinnen het vlees ter consumptie vrijstond, bekort van twee dagen tot één 14e2,
Het waren: — 1° Het lofoffer, nmn, voila alvéoews 1468. De betekenis van het offer staat
1448 Borst: Exod., XXIX 26, 27; Levit., VIT 30, 34, VIII 29, IX 21, X 14, 15; Numer., VI 20, XVIII 11,
18; Phil. Jud., Leg. Alleg., III 133, 134, 136, 137. Schenkel : Levit., IX 21, X 15. Schouder : Numer., VI 19-20; Miën.,
Nâz., VI 9. Onbrandbare schenkingen aan het heiligdom: Exod., XXXV 22, XXXVII 24, 29.
1449 Exod., XXIX 27, 28; Levit., VII 32, 34, X 14, 15; Numer., VI 20; Ezech., XLVIII 12; Phil. Jud, Leg.
Alleg., III 133, 136.
1450 Miën., Menäh., V 6; Talm. Babl., Sukk., 37b; Idem, Menäh., 62a; Midr. Levit. Rabb., XXVIII 5; Midr.
Pesiqt. Rabb., XVIII 4-5.
1451 Miën., Menäh., V 6.
1452 Vier winden: zie noot 1124-1129. Dalend en stijgend pneuma: zie noot 1008-1009, 1025-1026, 1050.
1453 Zie noot 1320.
1454 Priesterwijdeling: zie noot 1470. Naziraeër: Numer., VI 19-20; Miën., Näz., VI 9. Contribuabele: zie
noot 1579. Overspelige vrouw
: Numer., V 25; Miän., Söt., III 1; Talm. Babl., Qidd., 36b; Idem, Menäh, 61b, 62b.
Melaatse: Levit., XIV 12, 24; Miën., Menäh., V 7. Gemeente: zie noot 1572.
1455 Exod., XXIX 2-3, 23, 32; Levit., VII 12-13, VII 2, 26, 31; Numer., VI 15, 17, 19; Phil. Jud., De Spec.
Legib., I 185; Miën., Zebäh., X 2; Idem, Menäh., VIII (VII) 1-6. Olie, Egyptenaren: Herod.; Hist, II 40.
1456 Miën., Menäh., X (IX) 6.
1457 Min, Menäh., II 3, VIII (VII) 3.
458 Phil. Jud., De Vit. Contempl., 81-82.
459 Zie noot 1177, 1561,1571.
1460 Exod., XXIX 25; Levit., VII 14, VIII 28.
zee ng es ze3 een red 31; zie noot 1572. Anders : Levit., VIT 14; Numer., VI 19-20.
5
5
; Levit., VII 15, VIII 32, XXII 30; Phil. Jud., De Spec. Legib., 1 225; Flav.
Jos., Antiq., II 236, 253; Min, Näz., IV 4; Idem, Zebäh, V 5, 6, X 2. Anders : Miän., Menäh.,
1403 Coptisch: @YCIA NCMOY : WOYWWOYWI NeMOY.
Pagina 53
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)in de tekst niet aangegeven 1464. Het was een plechtig dankoffer, wel ontworpen in reactie
tegen de herleiding van dit in zijn oorsprong toch doorluchte offer :46 tot offer van minder
heiligheid. Het begeleidende offer bestond voor de helft uit ongezuurde koeken, voor de helft
uit gezuurde broden 145. — 20 Het vuloffer, oon, Avola redrewoews ts". Het inwijdingsoffer des priesters, bestaande uit een ram 1485. De slachting van het dier en de communicatie
van de inwijdeling geschiedde op de reeds beschreven wijze 4%. De dienstdoende priester
legde nu de bezielde organen, de rechterschenkel en een ongezuurde broodbol, koek en vlade
uit het begeleidende offer op diens handen en bewoog hen 14%. Vervolgens verbrandde hij
hen alle; ook de rechterschenkel, die eigenlijk aan de inwijdeling toeviel, maar door deze
als eersteling werd geofferd. De dienstdoende priester ontving de borst *471. Het vlees van de
ram werd ter plaatse in de tempel gekookt en door de inwijdeling met zijn zonen opgegeten 1472.
De resten werden verbrand 1473. — 3° Het dankoffer gebracht door de Naziraeër na vervulling zijner gelofte, eveneens een ram '47“. De priester ontving boven zijn gewone portie ook
een schouder, die door hem in samenwerking met de Naziraeër bewogen werd 1475. — 40 Het
dankoffer op het Pinksterfeest, max now, „dankoffer der gemeente’ 147. Het bestond uit
twee lammeren !4°? en werd opgevat als hoogheilig offer. Als zodanig werd het geslacht aan
de noordzijde van het altaar, aan de priester uitgekeerd en door deze ter plaatse gegeten 1475.
Twee broden werden aan het altaar aangeboden, die niet verbrand werden en eveneens aan
de priester vervielen 1479.
Minder heilig was verder het Paasoffer, nop, mracya, '*%, hoewel het oudste aller Joodse
offers. Het offer, dat zijn eigen weg was gegaan tst, werd gereglementeerd bij Deuteronomium 482. Het werd opgedragen op de eerste dag van volle maan na de lenteëve-
1464 Vgl, Phil. Jud., De Spec. Legib., 1 224-225; Flav. Jos., Antiq., III 236.
1465 Zie noot 854-858.
66 Levit., VIT 12-13; Amos, IV 5; Flav. Jos., Antiq., III 236; Miën.,
Menäh., V 1, VIII (VII) 1-5; Idem
Me'il., IV 2.
1467 Coptisch : @YCIA NTBBO, @YCIA NXWK : WoyyYwoywyn NXWK,
enz.
1438 Exod., XXIX 19-34; Levit, VIII 22-32. Symboliek: Phil.
Jud, Leg. Alleg., TIE 130-131; Idem,
Vit. Mos., II 149, 152.
De
E
1469 Handoplegging: Exod., en
XXIX 19;H Levit., es VIII 22:5 zie noot 731.ad Bloedsprenging
op oorlelletje, duim
grote teen : Exod., XXIX 20; Levit., VIII 23, 24; Phil.
Jud., De Vit. Mos., II 150-152; zie noot 755 nen
ging op kleed
: zie noot 760.
70 Exod., XXIX 24, 27; Levit., VIII 27; Talm.
Babl., Menäh., 62a.
Ml Exod., XXIX 26; Levit., VIII 29; Phil. Jud.,
Leg. Alleg., HI 129.
472 Exod., XXIX 31, 32; Levit., VIII 31.
M73 Levit., VIII 32,
1474 Numer., VI 14-20; Miën., Zebäh., V 6, X
2; Phil. Jud., De Spec. Legib., I 251-253
1475 Numer., VI 19-20; Miën., Näz., VI 9.
De Naziraeër had zelf op deze schouder okt
à
1476 Misn.,
' Zebäh.,
n., V 5;H Idem s Menäh.,h., V 7. - Offer der geme
ï naar
is
noot 1454
en
te
ook
M77 Levit, XXIII 19; Flav. Jos, Antiq., III 252.
178 Flav. Jos., Antiq., III 253; Miën., Zebäh.,
V 5.
1479 Zie noot 1572.
1480 Coptisch: TACXA.
M8l IT Kon., XXIII 22; II Chron., XXXV 18.
82 Deut, XVI 1-8.
Pagina 54
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)ning *45s. Het substituut bestond uit een lam of een bokje 1484, beide van het mannelijke
geslacht 1485. De huisvader was zijn eigen priester 1486 en bevond zich in staat van reinheid 1487,
Hij droeg het dier op de schouder naar de tempel 1488, slachtte het aldaar en nam het weder
mede; dit laatste althans na de terugkeer uit de ballingschap 14s°. Hij roosterde het thuis
boven het vuur 1490, de kop, de schenkels en de ingewanden inbegrepen 1491, zonder een metalen braadspit te gebruiken 149? en zonder de beenderen te breken 1495. De Paasmaaltijd volgde,
waaraan het gehele gezin deelnam '**“. Het geroosterde dier werd opgediend, begeleid
van ongezuurd brood 1485 en bittere kruiden 1495, en vier kelken wijn werden geledigd 1497.
Men at, reisvaardig gekleed en met haast 1498; de huisvader bracht zijn kinderen de omstandigheden in herinnering, waaronder het offer oudtijds was ingesteld 1499. Vreemden waren niet
toegelaten 15%, men begaf zich de gehele nacht ook niet buitenshuis 1501. De maaltijd moest
voor de volgende morgen zijn beëindigd 1502, waarna de resten werden verbrand.
183 Exod., XII 6, 18; Numer., IX 3, 5, 11, XXVIII 16, XX XIII 3; enz. Vgl. Phil. Jud, De Vit. Mos, II 224;
Idem, De Spec. Legib., II 155, 210; Idem, Quaest. in Exod., 1 9.
1484 Lam : Exod., XII 3-5, 21; II Chron., XXXV 7; Phil. Jud., Quaest. in Exod., 18; enz. Vgl. Miën., Pesäh.,
VII 2. — Bokje : Exod., XII 5; II Chron., XXXV 7; enz. Vgl. Miën., Pesäh., VIII 2. — Rund, voor de ballingschap :
Deut., XVI 2.
1485 Exod., XII 5; Phil. Jud., Quaest. in Exod., 1 7, 8.
1488 Phil. Jud., De Vit. Mos., II 224-225; Idem, De Deecal., 159; Idem, De Spec. Legib., II 145, 146, 148;
Idem, Quaest. in Exod., 1 10.
1487 Numer., IX 6-12; Ezr., VI 20, 21; II Chron., XXX 3, 15, 17, 18, 24, XXXV 6; Jubil., XLIX 9; Phil.
Jud., De Vit. Mos., II 225; Idem, De Spec. Legib., II 145, 148; Flav. Jos., Bell. Jud., VI 426; Idem, Antiq., X 70,
XI 109; Ev. Joh., XI 55, XVIII 28; Miën., Pesäh., V 3, VI 6, VIII 5, 6, 8, IX 4; maar vgl. ibid, VII 4, 6.
1488 Miän., Pesäh., VI 1. Het dragen van het offerdier, zo talloze malen op de Egyptische reliëfs afgebeeld.
Volgens Plinius, Nat. Hist., VIII 183, bewijs van onwil van het dier en slecht voorteken. Zie noot 885.
1489 Zie noot 1405.
1490 Exod., XII 8, 9; I Esdr., 1 13; Jubil., XLIX 13, 20; Phil. Jud, Quaest. in Exod., 1 14; Mién., Pesäh., IV 4,
V 10, VII, X 4; Idem, Zebäh., V 8.
1491 Exod., XII 9; Jubil., XLIX 13; Phil. Jud., Quaest. in Exod., I 17; Miën., Pesäh., VII 1. Zie noot 896?
1492 Miën., Pesäh., VII 2.
1493 Exod., XII 46; Numer., IX 12; Jubil., XLIX 13-14; Miën., Pesäh., VIT 11.
1494 Indien te klein, met gasten uitgebreid: Exod., XII 4; Flav. Jos., Bell. Jud., VI 423-425; Idem, Antig.,
MH 312, III 248. Vgl. Miën., Pesäh., VIII 7; Tös., Pesäh., IV 3. Nabataeërs: Strab., Geogr., XVI 4, 26, Grieken:
zie noot 69.
1495 Exod., XII 8, 39; Numer., IX 11; Phil. Jud, De Sacrif., 62; Idem, De Spec. Legib., IT 158-159; Idem,
Quaest. in Exod., I 15.
1496 Exod., XII 8; Numer., EX 11; Phil. Jud., De Congress, 162-163; Miën., Pesäh., 116, X 3; Idem, Quaest.
in Exod., I 15.
1497 Min, Pesäh., X 1; vgl. Jubil., XLIX 6. Vier is het getal der elementen.
1 19; Flav. Jos.,
1498 Exod., XII 11. Vgl. Deut, XVI 3; Phil. Jud., De Sacrif., 63; Idem, Quaest. in Exod.,
Antiq., II 312; Miën., Pesäh., IX 5.
1499 Miën., Pesäh., X 4. Vgl. Exod., XII 26-27.
VI 427; Miën., Pesäh., V 3, VI 6; Idem,
1500 Exod., XII 43, 45, 48-49; Numer., IX 14; Flav. Jos., Bell. Jud.,
Zebäh., V 8.
1501 Exod., XII 22, 46; Phil. Jud., Quaest. in Exod., I 22.
Deut, XVI 4; Jubil., XLIX 1, 10, 12; Phil.
1502 Exod., XII 10, XXII 18, XXXIV 25; Numer., IX 12;
312, III 248; Miën., Pesäh., IX 5, X 9; Idem, Zebäh., V 8.
Jud., Quaest. in Exod., 1 1, 13, 18; Flav. Jos, Antiq., II
Pagina 55
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)Egypte, jn
fer werd ingesteld in
Het Paasofff
ëlieten zich opmaakten
i de Israël
de nacEnht, waarin
n. Een Israëlietische ereraak volgelingen oplegde,
vete eee
tgn
5
id als Egypt
negen
6
op dat ogenmre
dienst bestond
srt 8 nan ter
5
handelde naar eigen inzicht. Hij man gemee
a EK mek ant
OV
dé
op
1s
zijn,
moge
gewijzigd
ook
eeuwen
latere
in
Hoeveel
stellen, dan moet het door hem ontworpen offer Egyptische trekken ve
De
is
er
ne wen
datum van het Paasoffer was het begin van de Jente. Het bloed en
werd in de bange Egyptische nacht niet in de grond uitgegoten,
maar aan de sarzet
en de zijposten van de deur des huizes gesprengd es; het huis communiceerd.
ne
E
plaats ge!
der
in den beginnee de schepping
penn
' wereld
ëveni had in
Pp
i Op de lenteëvening
gehele gezin.
Gee
zrae
op haar zou aan het einde der dagen de vernietiging der wereld zich voltre
naren namen op de eerste lentedag menie en verfden daarmede het vee en het geboomte od,
als reden opgevend dat het vuur op die dag eens de wereld had verbrand en dat de vurige
kleur van het bloed 1505 voorbehoedmiddel was voor (de herhaling van) een zo grote en zodanige
ramp 15°8. Deze zede was, en is, ook bij de Perzen en Indiërs inheems. De eersten verven enige
dagen voor de lenteëvening de haan en alle groot en klein vee rood 1597, de tweeden bestrooien
elkander tijdens het lentefeest met rood poeder of besprengen elkander met water van rode
kleur 1s°5. Het Paasoffer werd opgedragen bij volle maan. Bij het licht van de maan is het
mogelijk zich veilig op weg te begeven. Wanneer de maan vol is, staat zij op het punt af te
nemen, en met haar doet dat de natuur. Osiris stierf en werd uiteengescheurd bij volle maan ses,
De Spartanen wachtten steeds op volle maan alvorens tot de veldtocht uit te trekken 1510,
Het Paasoffer werd oorspronkelijk als alle overige offers gekookt 1511. Maar het geraakte
onder de attractie van de garf 1512 en werd sedertdien geroosterd. Uitdrukkelijk wordt verboden
het rauw te eten 1813; ogenschijnlijk overtollige bepaling, nedergeschreven als het ware om
ons te doen vermoeden, dat het offer te eniger tijd wel degelijk aldus
gegeten werd 1514. Een
ander detail der bereidwijze biedt voorlopig meer perspe
ctief : de beenderen van het offer
Vgl. Idem, Beräk., 11. — Nachtelijk offer met verbra
nding der restanten voor zonsopgang, Syriërs (Joden
?) : Theophrast., De Pietat., fr. 13 (Pötscher); Arabieren
: Nil. Ancyr., Narr., III (p. 613, Migne).
1503 Exod., XII 7, 13, 22, 23; Jubil., XLIX 3;
Phil. Jud., Quaest. in Exod., 1 12; Flav. Jos., Antig.,
II 312;
Hebr., XI 28; Miën., Pesäh., IX 5.
1504 Phil. Jud., De Spec. Legib., II 151, 160.
1505 Van welk bloed?
16-28.
1506 Epiphan., Panar., XVIII 3, 2. Vgl. Macrob., Sat, III 7, 2.
1507 Dhabhar, The Persian Rivayats of Hormazyar Framarz and Others, blz. 341,22 - 342,11.
1808 J.J. Meyer, Trilogie Altindischer Mächte und Feste der Vegetation, Zürich en
Leipzig, 1937, deel I,
1509 Plut., De Is. et Osir., 8, 18, 42; Idem, De Fluv., XVII 1. Vgl. Aelian.,
blz.
De Nat. Anim, VI 14.
1810 Herod., Hist, VI 106, 120; Plut., De Herod. Malign., 26; Idem, De Fluv., XVII 1; Pausan.,
Graec. Descr.,
1 28, 4.
18 Deut, XVI 7. Vgl. II Chron., XXXV 13; Midr. Mekilt. in Exod., XII 9. Na
de ballingschap niet langer
toegestaan : Exod., XII 9; Jubil., XLIX 13; Miën., Pesäh., II 8; Talm. Babl., Pesäh., 4la.
In de antieke keuken placht
men te roosteren vlees eerst te koken : Apic., De Re Coquin., VI 8, Ib, VII 5, 3, 5, VII 9,3,
Vit Pyth, 154.
1812 Zie noot 1561.
1518 Exod., XII 9; Jubil., XLIX 13; Phil. Jud, Quaest. in Exod., 1 16.
1514 Zie noot 895-904, 1514.
VIII 6,4. Vgl. Jambl.,
Pagina 56
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)mochten niet gebroken worden. Vier mythologische parallellen kunnen daartoe worden aangevoerd. De Egyptische god ‘nij werd volgens de tekst van Pap. Jumilhac op bevel van de
zonnegod Re uiteengesneden in enerzijds huid en vlees, anderzijds de beenderen. De beenderen
werden op de huid gelegd. Zijn moeder Hs3.t deed uit haar borsten melk daarop nederdruppelen,
hij werd herboren en herrees ongedeerd 1515. In de Atharvaveda, een der oudste Indische
teksten, wordt het offer van een bok beschreven: „Men mag zijn beenderen niet breken,
het merg niet uitzuigen. Alles bijeen nemend, moet met het in deze hier leggen. Deze hier
wordt zijn gestalte, door deze voegt men hem bijeen” 1s1s. De context is weinigzeggend;
het gaat vermoedelijk om hetzelfde. Hyrieus, koning van het Griekse land Boeotië, vroeg
aan de goden Zeus, Hermes en Poseidon een zoon. Dezen waterden (oùpéw) in de huid van de
hun door hem geofferde stier en bevalen hem deze te begraven. Na negen maanden kwam
daaruit zijn zoon Orion (Oùptwv) te voorschijn 1s1?. De god Thor, in de oud-Noorse Edda,
kwam des avonds bij een hoeve aan. Hij slachtte zijn bokken en at deze in gezelschap van
de heer des huizes en diens gezin op. Hij spreidde de huiden naast het haardvuur op de grond
en beval de disgenoten de beenderen daarop te werpen. Allen deden het, nadat de zoon heimelijk
een der schenkelbeenderen gebroken en het merg daaruit gezogen had. De volgende morgen
bracht Thor de bokken met zijn hamer weder tot leven, maar een hunner ging mank 1518,
Aan de drie parallellen is gemeen, dat de wedergeboorte geschiedde vanuit de huid; het vlees
was vervangbaar en kon worden gegeten. Het is aan te nemen, dat ook in het Paasoffer de
behandeling der beenderen de wedergeboorte van het dier ten doel had; temeer, daar elders
Jahwe op geheel dezelfde wijze beenderen tot het leven terugroept 1519. In tegenstelling tot
het bloed, dat in de aarde uitgegoten werd, werden de beenderen ten derden dage na de Paasmaaltijd verbrand 1520; over de huid wordt niet gerept. Het getal drie is voor de wedergeboorte
typisch 1521. Bij de lijkverbranding werden ten derden dage de beenderen van de overledene
door de naastbestaande in diens schoot vergaderd 152? en met melk overgoten 152%.
Minderheilig tenslotte was het offer van eerstgeboorte, eersteling en tiend. Eerstgeboorte 1524, eersteling 1525 en tiend 152% werden bij Egyptenaren, Joden, Perzen en andere
1515 Pap. Jumilhac, A, XII 22- XIII 10. Voor de werking van de moedermelk, vgl. De Geboorte van Horús,
blz. 138, noot 1202; Mahäbhärata, XII 167, 3-5.
1516 Atharvaveda, IX 5, 23-24. Vgl. ibid., IX 8, 18, en Öhändogjopanisad, II 19, 2. „Deze hier” is de huid.
1517 Palaephat., De Incred., 51; Euphorion, fr. 120 (Scheidweiler); Aristom., apud Arat., Phaen., 322-325
(vers. Lat); Nonn., Dionys., XIII 96-103; Tzetz., Schol. in Lycophr., Alex, 328; Schol. in Nicandr., Ther., 15; Etym.
Magn., sub voce ’@ptuv; Eustath., Comment. in Hom., Odyss., p. 1535, (ed. Rom.); Ovid, Fast, V 493-536; Hygin.,
Fab., CXCV. Op naam van Oeneus : Schol. in Hom., Odyss., V 121. Op naam van Oenopion : Serv, Comment.
in Vergil., Aen, 1 535; Lactant. Placid, Comment. in Stat, Theb., III 27; Mythogr. Vatic., 1 32, II 129, III 15, 8.
1518 Snorri Styriyson, Edda, Gylfaginning, 43.
1519 Ezech., XXXVII 4-10. Zie noot 1126.
1520 Miën., Pesäh., VII 10. Zie noot 925.
1521 De Geboorte van Horus, blz. 231-234,$ 56.
Comment.
1522 Senec, Dial., XII 2, 5; Propert., Eleg., I 17, 12; Tibull., Eleg., 1 3, 6, vgl. III 2, 18; Serv.,
i
il,Aen, XI 210; Satapathabrähmana,
XIII 8, 3, 3.
8 Sa Jak. Eleg., III 2, 20. Vgl. ibid, 1 2, 48; en De Geboorte van Horus, biz. 131-138, $ 37.
Egyptenaren :
se “Amapxij Ae
s
ij
tsen. Grieken: zie noot 17.
Tiesant. Hist. Plant, VIII 2,7; Clem. Alex, Strom., VI 4, 36, 2. Vgl. Ermanâ
itschrift
fü
ische Sprache
undan
Altertumskunde,
Sp
kbs:
Grapow, Wörterbuch, deel III, blz. 21, 4-9; H. Schäfer, Zeitschrift für Ägyptische
III 24 (aan dode). Perzen : Dino,
deel XXXVI, Leipzig, 1898, blz. 147-148. Koesjieten : Herod., Hist.,
[182]
Pagina 57
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)ze zen
gemeen oe
on
É
en.
‚ Zij vormden perioi
i
res rh ee voltrok zich de
ee hierna uiteengezet staat
e
regeling
m
sed
e
abelas
r
e
De Jood
a
ting. r
m
ja
ke
elij
ek
kerk
in
offer
ma
arn
} als “vR,
i ng en tiend zijn
i
boorte, eersteli
Eerstge
aan het einde van een lange ontwikkeling. :
:
echter zelfstandig
ich
ag
drapxúj *°2°, te eniger tijd aan elkander mn tpee
o
wikkeld. Zij werden geheven als inkomsten- 0
d
Abe
5
„
paal 5
we:
was de ears maar de tweede verkreeg voorrang. Bij Deuteronomium
eb:
n
dat de. ontihenbeinn hun offer zelf in de tempel mochten komen verteren '92?. ette
was ongetwijfeld de tempel en in wijder verband de stad Jeruzalem een bevoorrechte aee
in de cultus te verlenen. Een antieke Arabische parallel kan daartoe worden aangevoerd
1530,
Na terugkeer uit de ballingschap ging men in beide richtingen verder.
De eerste geboorte, 7123, mpwroróros, was de eerste mannelijke 1s%: afstammeling van
mens of dier; de vrouwelijke kwam niet in aanmerking. De menselijke eerstgeboorte werd
het altaar aangeboden na afloop van de kraamperiode der moeder 1532, de dierlijke werd dat
op de achtste dag 1533, De mens werd niet geofferd en placht te worden vrijgekocht 1524, Hij
werd somtijds aan de priesterschap uitgekeerd, die zich dan met
aan koning, vgl. Phil. Jud, De Spec. Legib.,
nen : Dionys. Halic., Antiq. Rom, I 40, 4.
de zorg voor hem belastte
I 142). Grieken : Artemid., De Somn. Interpr.,
Seythen : Herod., Hist, IV 61.
III 3 (aan priester). Romei-
182 Egyptenaren : Stèle Philae, 5 (Lepsius, Denkm
Naucratis, 8-9 (A. Erman, Zeitsc
hrift für Ä
i
pa
eogr., XII 8, 3; Pausan., Gra
äler aus Ägypten und Äthiopien, deel IV
1527 Eerstgeboorte:: Exod. XII
Exod.,
2, » 12,12, 13, 13, 15,
15 XXII
VIII 16, 17, XVI I
15:
XV
veelal als offer aan de zon
negod
Bibl
i . Hist
i .,
22,3, X 9,4, 10,2, 13,10; Liv
, Ab Urb.
… V 3, 4; Lycurg. 5 Or. in
ec. Descr., I 28,2, 42,5, Vv
Cond., V 21, 2; enz.
5
ein
Leocr.… SL;81; Diod. Siic,
28 (29), XXXIV 19; Levit. XX
E
19; Nehemj., X 37 (36); Phil. Ju
117-119» gen
rva
n
14 ; es
Idem, d
De Spec.
amedee
Legib., I 135-141, 248, TV 98; Idem, De
d.,Virtut
De Sacrif
89, 102-1
., Flav
118;nIdem,
04,
Quis H in,
., 95:
Ee
Bekör.; Ev. Luc., II 23 — Eerstelingen : Exod., XXIII 19 XXX
IV 2%: Le nn
“08,
de
eres,
Antig., IV 70-71; Miën.,
21, XVIII 12, 13, XXVIII 26;
4
aenleantnen‚14, XXIII 17,20;N;
X 36(35),
38 (37),e XII 44;e II Chron., ” KXXI5:; TeTest.
st. Levi,
Te TW - :Phi
30, XLVII
14; Spreuk.
III 9;d NehemJ
:
11 76; Idem, De Vit. Mos.
S
vi, IX 14; Phil. Jud.,
De Sacrif.
27, XXXII 2-9, 15; Phil. Jud De Post. Cain. 9
-
»32;
e
Ee
id
je
» 5-97
Gazz., XXXI 162 (Riessler).
Vgl. Sirac., XLV 20. ; Idem, De Congress
1628 Zie noot 1525.
Amos,
IV 4; Maleach.,
II 10;
=
95, 99;
Idem, De Mutat. Nom,
1529 Zie noot 1405.
1530 Plin, Nat. Hist, XII 63: In
de zuid-Arabische stad Sabota
priesters ti
mede werden publieke onkosten bestr
geheven.
eden, nam et benigne certo dierum ta
le zes en de god da
genad
d
iglijk gedurende een aantal dagen gasten aan
de dis.
ns
1831 Bewijsplaatsen, zie noot 1527. — De oudste
zoon is de eersteling van de kracht des
vaders: Genes.
XLIX 3; Deut. XXI 17. De eerste spaan van de boom
geslagen behelst diens kracht : Satapathabrähmana,
III 6,
4,11, 7,1,8. Vgl. de eigenaam Ideye
rís.
1882 Levit., XII 6; Ev. Luc., II 22.
1833 Exod., XXII 29 (30); Levit., XXII 27; Phil. Jud, Quaest.
1534 De Geboorte van Horus, blz. 173, noot 1631.
in Exod., II 8. Zie noot 1682,
Pagina 58
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)en hem eventueel in haar rangen opnam 153. De stam Levi was door Jahwe als substituut
voor de gezamenlijke eerstgeboorten van het volk Israël uitgekozen en voor het priesterschap
gereserveerd 153. Het volk Israël zelf beschouwde zich als eerstgeborene, “123, mpwTórokov 1587
en tevens als priester 1525 van de volken der aarde. Het aangeboden dier, het beste ter besehik:
king staande exemplaar 1522, werd ten offer gebracht 15%, hetgeen met vereenvoudigd ritueel
geschiedde 15%. Voor het onreine dier werd een lam als substituut gesteld 1542. Geschiedde dat
niet, dan moest het de nek gebroken worden 15%; hardvochtig voorschrift, dat in later tijd
terzijde gesteld werd en vervangen door vrijkoop :5**. De vrijkoopsom was laag gehouden.
Zij bedroeg voor de mens vijf sikkels 15%, voor het onreine dier anderhalve sikkel 154, Het
bedrag verviel aan de priester 1547.
De eersteling, 23, mpwroyémpa1s*s, werd gebracht van het gewas. Zeven gewassen
kwamen in aanmerking *s*®, te weten: de tarwe, de gerst 1550, de wijn 151, de vijg, de granaat 1552, de olijf 155 en een dierlijk product, de honing !55*. De aanbieding werd voorafgegaan
door twee offers, dat van een enkele garf op de dag volgende op de Paasmaaltijd 1555 en dat
van twee broden op het Pinksterfeest, vijftig dagen later sss, Het offer van de eerste garf
1535 1 Sam, I 11, 22-28; Miän., Zebäh., XIV 4. Zie noot 706, 707.
1536 Numer., III 12, 41, 45, VIII 18; Phil. Jud, De Sacrif., 118; Idem, Quis Heres, 124.
1537 Exod., IV 22; Jerem., II 3; Amos, VI 1; Phil. Jud., De Spec. Legib., IV 180. Vgl. Ps., LXXXIX 28. —
Coptisch: WJPTIMMICE : WOPTT MMICI, enz.
1538 Jubil., XXXIII 20; Phil. Jud, De Vit. Mos., I 149; Idem, De Spec. Legib., II 163; Idem, Quaest. in Exod.,
I 10. De hogepriester, idem: Phil. Jud., De Spec. Legib., 197, vgl. 168, 190. De philosoof, priester der wereld:
Marin, Vit. Procl., 19.
a
1539 Miën., Bekör., II 6-8. Zie noot 860, 1592.
1540 Rund, schaap, bok : Genes, IV 4; Numer., XVIII 17; Flav. Jos., Antiq., IV 70.
1541 Miën., Zebäh., X 2; Idem, Menäh., X (IX) 6.
1542 Ezel: Exod., XIII 13, XXXIV 20; Numer., XVIII 15; Phil. Jud., De Sacrif., 89, 112; Miën., Bekór., I 3-6.
1543 Exod., XIII 13, XXXIV 20; Miën., Bekör., 1 7.
1544 Numer., XVIII 15; Exod., XIII 13 (LXX), XXXIV 20 (LXX); Phil. Jud., De Sacrif., I 89, 114; Idem,
De Spec. Legib., 1 135, 248; Miän., Hall., IV 9.
1545 Numer., III 47, XVIII 15-16; Phil. Jud, De Spec. Legib., IT 139, 140; Flav. Jos., Antiq., IV 71. Betaald
na een maand : Numer., XVIII 16. Vgl. Miën., Bekör., VIII 3-6.
1546 Flav. Jos., Antiq., IV 71; Talm. Babl., Bekör., 1la. Vgl. Miën., “Bdüj., VIT 1; Idem, Bekör., I 6. Eveneens
na een maand betaald : Numer., XVIII 16; Miën., Bekör., IV 1-2.
1547 Numer., III 48, 51; Flav. Jos, Antiq., IV 71.
1548 Coptisch: ATTAPXH of OPTINFENHMA : WOPT NOYTAg, enz.
1549 Deut., VIII 8; Miën., Beräk., VI 4; Idem, Bikk., 1 3, 10, III 9. Vgl. Flav. Jos., Antiq., IX 274.
1550 Graan: Levit., II 14; Numer., XVIII 12; Deut, XVIII 4; II Chron., XXXI 5; Judith, XI 13; Tob.,
16; Jubil., XLIV 4; Phil. Jud., De Sacrif., 76; Idem, De Spec. Legib., 1 134, 141, 248, IV 98; Idem, De Virtut., 95.
Vgl. II Kon., IV 42.
1551 Numer., XVIII 12; Deut, XVIII 4; Nehemj., X 38 (37); II Chron., XXXI 5; Jubil., VIT 36; Test.
Levi, IX 14; Phil. Jud., De Spec. Legib., I 134, 141, 248, IV 98; Idem, De Virtut., 95.
248; Idem, De Virtut., 95.
1552 Boomvruchten: Nehemj., X 36 (35), 38 (37); Phil. Jud., De Spec. Legib.,1 134,
5; Jubil., VIT 36; Phil.
XXXI
1553 Olie : Numer., XVIII 12; Deut., XVIII 4; Nehemj., X 38 (37); II Chron.,
95.
Jud., De Spec. Legib., 1 134, 141, 248, IV 98; Idem, De Virtut.,
1554 IT Chron., XXXI 5.
De Decal., 160; Idem, De Spec. Legib.,
1555 Levit., XXIII 10-12; Phil. Jud, De Somn., MI 75-17; Idem,
Menâh., VI(X) 1-9.
II 162-175; Idem, Quaest. in Exod., I 1; Flar. Jos, Antig., III 250-251; Miën,160; Idem, De Spec. Legib., 1 183,
1556 Levit., XXIII 17-20; Numer., XXVIII 26; Phil. Jud, De Decal.,
185, II 179-187; Flav. Jos, Antig., III 252.
Pagina 59
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)te 1557, in Perzië 155* en in Griekenland 55° zede. Deze offers waren correlaat
156!, was
aneae aspecten van een zelfde zaak 15°. De garf, die geroosterd werd
1e,
altaar
het
op
fer
van gerst, de oudere graansoort *s*?; een handvol gerst kwam als gedenkof
Het offer was oecumenisch, representatief voor de mensheid 's** in de natuurlijke staat,
waarin zij in de oertijd verkeerde 1565. De twee broden daarentegen waren vervaardigd van
tarwe 156%. Zij waren gehoornd 15°?, in de vorm ==, met het lofoffer als enige aller offers
gegist 15°* en werden onvermeerderd opgedragen 156*. Zij waren representatief voor het volk,
de natie, in haar culturele staat 157%; ten getale van twee ten einde het secundaire karakter
ten opzichte van de enkelvoudige garf te accentueren 197*. Garf en broden vervielen na beweging aan de priester 1572.
Onmiddellijk nadat de garf geofferd was, begon de oogst 1575. Na het Pinksteroffer begon
de aanbieding der eerstelingen, die collectief geschiedde 157“. Judaea was daartoe in vier en
1557 Theophrast., Hist. Plant. VIII 2, 7; Diod. Sic., Bibl. Hist, 1 14, 2. Identificatie van deze garf met de
hiëroglyphe { : Oudh. Med, deel XLVI, Leiden, 1965, blz. 65, noot 2.
1558 Denkart, p. 733, 12-14 (Madan).
1559 Plut., Quaest. Graec., 6 (gerst).
1560 Vgl. Pap. Berlijn, no. 13603 (Erichsen-Schott): IV 1 (graan), 7 (brood); Phil. Jud., De Spec. Legib.,
II 176. De zeven tussenliggende weken beantwoorden aan de zeven eerste dagen der embryologische vorming, vgl.
De Geboorte van Horus, blz. 245-250, $ 59.
1861 Levit, IL 4; Joz, V 11; Flav. Jos, Antiq., III 251; Miën., Menäh.,
VI (X) 4; vgl. Plin, Nat. Hist,
XVIII 7. Roosteren is de oudste bereidwijze van voedsel: Ovid, Fast, II 521,
VI 313; Plin., Nat. Hist., XVIII 7.
Koken en bakken zijn reeds uitingen van luxe: Phil. Jud., Quaest. in Exod.
I 14; noot 1570. Roosteren geschiedt
met vuur, koken met water; het eerste is daarom hoger in rangorde
vierden op voorschrift van koning Numa in het begin van de lente
dan het tweede: I Sam, II 15. De Romeinen
het feest der Fornacalia, waarop zij geroosterd
spelt aten : Ovid, Fast., II 525-532, VI 313-314; Plin.,
Nat. Hist, XVIII 8; Fest, De Verb. Signif., sub voce
Fornacalia (p. 73, 82, Lindsay). Zie noot 1061.
en 1862 Phil. Jud, De Spec. Legib., II 175; Flav. Jos, Antiq., III 250,, 251 2;51; Miën., „Söt.,
Söt., II
II 1:1; Talm. Babl., Menäh.,
ä
1869 Levit., II 15, 16; Flav. Jos., Antiq., III 251; Miën., Menäh., VI(X) 4.
1864 Phil. Jud, De Spec. Legib., II 162, 168, 171.
15% Vgl. Phil. Jud, De Spec. Legib., II 151-152, 159-161.
1908 Levit., XXIII 17; Phil. Jud., De Spec. Legib., II 175, 179, 181, 184, 1 86; Flav.
Pinksterbrood, twee tiende epha, als de toonbroden: Levit.,
XXIII 17.
Jos, Antiq., III 252,
1867 Miën., Menâäh., XI 4.
1868 Levit., XXIII 17; Phil. Jud., De Spec. Legib., II 179, 182-185; Flav. Jos., Antiq., III 252;
V 1. Zie noot 1466.
1569 Miën., Menäh., V 3.
Miën., Menäh.,
1870 Phil. Jud, De Decal., 160; vgl. Theophrast., De Pietat., fr. 2 (Pötscher). Gisting, symbool van luxe:
Phil. Jud., De Spec. Legib., II 159, zie noot 1176, 1318.
1871 Symbolen van verleden en toekomst, dus potentieel : Phil. Jud., De Spec. Legib., II 187. Vgl. de twee
garven in Oudh. Med., deel XLIX, Leiden, 1968, blz. 43, afb. 1; en noot 1177, hierboven.
1572 Garf : Levit., XXIII 11, 12, 15; Flav. Jos., Antiq., III 251; Miën., Menäh., V 6, VI(X) 4. Broden : Levit.,
XXTII 17, 20; Min, Menäh., V 6, 7; Talm. Babl., Sukk., 37b; vgl. Phil. Jud., De Spec. Legib., I 185; en Flav. Jos,
Antiq., III 253. Garf en broden werden niet slechts na, maar om de in noot 1454 genoemde reden ook voor de slachting bewogen : Miän., Menäh., V 7.
1873 Levit., XXIII 14; Phil. Jud, De Spec. Legib., IV 99; Flav. Jos, Antiq. III 251; Miën., Hall, I 1; Idem,
Menäh., VI(X) 5-8. Vgl. Plin., Nat. Hist, XVIII 8.
1874 Phil. Jud., De Spec. Legib., II 220-221; Miën., Bikk., I 3, 6, 10; Idem, Menäh., VI (X) 6.
Pagina 60
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)nen ee verdeeld, beantwoordende aan de vier en twintig priesterlijke phylen
‚en in ieder op een andere dag, werd een stoet geformeerd, waarin de afzonderlijke
contribuabelen hun gaven, per korf verpakt, deden mededragen 1575. Deze eerstelingen kwamen niet op het altaar 15°?; de korven werden daarvoor nedergezet 1578, Zij werden door de
dienstdoende priester bewogen 15? en door hem overgenomen 15%. Was de afstand tot de
tempel te groot, dan stuurde men zijn gaven, alweder collectief, in geld 1581. De Carthagers
zonden op deze wijze jaarlijks hun eerstelingen naar de moederstad Tyrus 1582. De offerbereidheid der volken beantwoordde dikwijls helaas niet aan de verwachtingen 153.
De beschreven ceremonieën waren niet meer dan symbolische aanbieding van het offer;
de eigenlijke heffing volgde. De eersteling van alle gecultiveerd gewas, niet slechts die der zeven
vermelde, was aan Jahwe en diens priester verschuldigd. De eersteling der lagere gewassen
behoefde echter niet tot het altaar gebracht te worden 1584, maar kon, al naar gelang der vordering van de oogst, regelrecht aan de priester te diens huize worden ingereikt 15%, Aparte vermelding verdienen het deegoffer 1555, correlaat met het graanoffer 15°"; het offer van de pasgeschoren wol 158; het offer van de in tijd van oorlog behaalde krijgsbuit 1ss°. Het aan de
priester uit te keren gedeelte bedroeg gemiddeld een vijftigste der beschikbare vruchten 15%,
nauwkeurig een vier en twintigste van het beschikbare deeg 15°. Bij niet strict homogene
voorraad werden de eerstelingen uit de variëteiten der beste qualiteit gekozen 1592.
Het tiend, vwun, erde, êmÖérarov 1593, werd in de oudheid veelal door de wereldlijke
machthebber geheven bij wijze van belasting 1594. De Joodse wetgever bestemde het als
1575 Miën., Bikk., III 2. Waartoe: Idem, Te'‘an., IV 2.
1576 Deut, XXVI 1-10; Phil. Jud., De Somn., II 272; Idem, De Spec. Legib., I 152, II 215-222; Idem, De
Virtut., 95; Miën., Bikk., III 2-8.
1577 Levit., II 12; Phil. Jud., De Spec. Legib., II 216.
1578 Deut, XXVI 4, 10; Miën., Bikk., III 6.
1579 Miën., Bikk., II 4, III 6; Talm. Babl., Menäh., 61b; Midr. Sifr. in Deut, XXVI 4; Targ. Jon, in idem.
1580 Phil. Jud., De Spec. Legib.,I 152, II 216, 222; Flav. Jos., Antig., IV 241, IX 273-274; Miën., Bikk.,
HI 12. Vgl. Jubil., VH 36.
1581 Phil. Jud, De Spec. Legib., 1 78; Idem, Leg. ad Gai, 156, 216, 291, 312, 315.
1582 Polyb., Hist, XXXI 12, 12.
1583 Phil. Jud., De Spec. Legib., I 153-155; vgl. ibid, I 142-144,
1584 Misn., Bikk., II 2.
2585 Miën., Terüm., II 4; Idem, Jóm Töb, 16; Tös., P&’ä, IV 4; Talm. Jer., Ketüb., p. 26d, 60-61; Talm. Babl.,
Ketüb., 28b.
1586 Numer., XV 19-21; Ezech., XLIV 30; Nehemj., X 38 (37); Phil. Jud., De Sacrif., 107; Idem, De Spec.
Legib., I 132; Flav. Jos, Antiq., IV 71; Miën., Hall.
1587 Zie noot 1550.
1588 Deut, XVIII 4; Tob., 1 6; Phil. Jud., De Virtut., 95; Flav. Jos, Antiq., IV 71; Miën., Hall., IV 9; Idem,
Hall., XI 1-2.
5, 4.
1589 Joden : Phil. Jud., De Vit. Mos., I 252-254, 259, 316-318. Perzen : Xenoph., Inst. Cyr, IV
1590 Miën., Terüm., IV 3-4; Tös., Terüm., V 3, 8; Talm. Jer., Terüm., p. 42d, 11-14.
1591 Miën., Hall, II 7.
1592 Miën., Terüm., II 4-6; Idem, Bikk., I 3; Idem, Menäh., IX (VIII) 1. Zie noot 860, 1539.
1593 Coptisch: PEMHT-.
1594 Egyptenaren: zie noot 1526. Joden: I Sam., VIII 15, 17. Als geschenk: Genes.,
De Congress,
XIV 20; Phil. Jud.,
zie noot 1526.
93, 99; Hebr., VII 2, 4, 6, 9; Me'arr. Gazz., XXVIII 11 (Riessler). Perzen :
Pagina 61
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)offer tot onderhoud der levieten 15°, waaronder de gehele priesterlijke stam
Levi te verstaan.
e
De levieten moesten van het hun toegevallene op hun beurt een tiende aan de fungerend
priesterschap uitkeren 's°s. Na terugkeer uit de ballingschap werd het tiend dubbel geheven,
naar oude stijl als belasting. naar nieuwe stijl als offerverplichting. Een ieder was verplicht
gedurende twee jaar telkenjare een offermaaltijd in Jeruzalem te houden en
op deze het
tiend te verteren 1597; in het derde jaar echter moest hij het tiend aan de armen schenk
en 15°.
De dubbele heffing drukte als zware last op de contribuabelen; de animo voor het oudere
tiend was dan ook gering ****. Om aan diegenen onder de levieten tegemoet te komen, die de
priesterwijding niet ontvangen hadden en geen andere inkomsten bezaten, deden vele priesterlijke levieten, die dezulke wel bezaten, vrijwillig van hun rechten afstand 1600.
Het offer van eerstgeboorte, eersteling en tiend was economisch en maatschappelijk
van zeer groot, liturgisch van zeer gering belang. Datzelfde geldt van andere heffingen ten
bate van het heiligdom, die tot nadere bestemming wel naar het altaar gebracht werden,
maar daar niet op kwamen. Het heeft geen zin in het raam van deze studie haar alle op te
sommen; als de drie reeds behandelde moeten zij benaderd worden vanuit het antieke belastingrecht. Weshalve de bespreking der afzonderlijke offersoorten hiermede zij besloten.
$19 De priester had de instandhouding van de liturgie en de wijsheid tot taak zeer,
Zijn aanwezigheid bij het offer was wenselijk of zelfs noodzakelijk teez. Zijn staat was niet
zuiver ambtelijk. De priester was aan God gewijd 1ee2. Hij was zelf offer, identiek met het op
het altaar brandende lichaam, hij behoorde in deze zin niet tot de levenden 1ees. De priester
verleende bemiddeling tussen God en mens!ses. Hij nam de ongerechtigheid der heilige
1895 Levieten : Numer., XVIII 21-32; Deut, XIV 29, XXVI 12; Nehemj., X 38 (37), 39 (38), XII 44, XIII
5,
12, 13; II Chron., XXXI 4-19; Tob, 1 7; Phil. Jud., De Mutat. Nom., 2, 191; Idem, De Spec. Legib., I 156; Flav.
Jos., Antiq., IV 68, 205, 240, 242, IX 273; Miën., Ma'ser.; Hebr., VIT 9. Priesters : Nehemj., X 39 (38), XII 44;
Hecat. Abder., fr. 21 (Jacoby; ad I 188); Tob., I 7; Judith, XI 13; Jubil., XII 26-27, XXXII 15; Phil. Jud, De
Virtut., 95; Flav. Jos, Vit, 63, 80; Idem, Antiq., IV 68, 205, IX 273, XIV 203, XX 181, 206; Hebr, VII 5, 8;
Talm. Jer, Ma's. Sén., p. 56b, 58-59. De leviet, zelf tiend: Phil. Jud., De Congress., 98.
1598 Numer., XVIII 26-28; Nehemj., X 39-40 (38-39); Jubil., XXXII 9; Phil. Jud., De Mutat. Nom, 2, 191;
Idem, De Spec. Legib., I 157; Idem, Quaest. in Genes., III 39; Flav. Jos., Antiq., IV 69; Hebr., VII 9.
159? Deut, XII 17-18, XIV 22-26; Tob., 1 6-7; Jubil., XXXII 10, 11, 14; Phil. Jud, Quaest. in Genes, III
56; Flav. Jos., Antig., IV 205, 240, 242; Miën., Ma's. Sen.; Idem, Makk., III 3; Idem, Zebäh., V 8, XIV 8; Idem,
Kel, 18.
1598 Deut, XIV 28-29, XXVI 12 (LXX). Als toegevoegde schenking: Tob, 1 8; Flav. Jos., Antiq., IV 240.
1599 Vgl. Maleach., III 8-10; Tös., Söt., XIII 10; Talm. Babl., Jóm., 9a; Idem, Söt., 48a; Idem, Bäb. Mes., 90a.
1600 Flav. Jos., Vit, 80; Taim. Jer., Ma's. Sen, p. 56b, 43 - 56c, 4. Anders: Flav. Jos., Antiq., XX 181, 206-207;
Talm. Babl., Jabm., 86, a-b; Idem, Ketüb., 26a; Idem, Söt., 47b-48a; Idem, Hull, 131b.
1601 Chaerem., fr. 6 (Jacoby; ad 8); Flav. Jos., Contr. Apion., IT 141.
1602 Joden: Richt., XVII 5, 12-13, XVIII 4, 24, 27. Perzen: Herod., Hist, I 132; Xenoph., Instit. Cyr.,
VII 3, 11; Strab., Geogr., XV 3, 13; Ammian. Marcellin., Res Gest, XXIII 6, 35.
1603 Vgl. Exod., XXVIII 36; Phil. Jud., De Plantat., 63; Idem, Quaest. in Genes, IV 151; Plut., Quaest.
Roman, 111.
1604 Joden : Levit., XVI 17; Phil. Jud, De Fug., 108; Idem, De Somn.,
II 189, 231. Indiërs: Satapathabräheen doos met offerkoeken: Q. Fab. Pict,
mana, 1 9, 1, 29. Bij het bed van de Romeinse flamen dialis stond steeds
fr. 3 (Bremer).
1605 Phil. Jud., De Somn., II 188, 228-234; Idem, De Spec. Legib., 1 116, 244; vgl. Hebr, IX 15. — De priester,
Woord Gods: Phil. Jud., Leg. Alleg., III 82; Idem, De Cherub, 16; Idem, De Sacrif., 119; Idem, Quod Deter., 132.
Zie noot 1428.
Pagina 62
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)dingen tees, de ongerechtigheid des heiligdoms!se?, de ongerechtigheid van het priesterambt 1e0s, de ongerechtigheid der (volks) vergadering 16°° op zich en delgde haar door de tot
verzoening Gods opgedragen offers te eten 1610; in deze consumptieve functie was hij identiek
niet met het offer, maar met het altaar. Al wat de priester gegeven werd, behoorde hem toe 1611,
Hij verkreeg al wat het altaar aangeboden, maar daarop niet verbrand werd 112, Hij was
in dit opzicht aan het altaar ondergeschikt 1613, want het vuur op het altaar leidde het offer
regelrecht ten hemel, de mond des priesters herleidde het tot geboorte op aarde 1614. De
instandhouding van de wijsheid, die de priester tot taak was, was instandhouding van de
godsdienstige leer en sloot beoefening van de wetenschap in. Deze wetenschapsbeoefening
had een aspect, dat ons vreemd is. Overeenkomstig de profetische gave des priesters 1615
was ook de door hem behoede wetenschappelijke letterkunde profetisch van inhoud 1e1e,
De priester verrichtte zijn priesterlijke opdracht en behoorde tot de priesterlijke stand.
In de Egyptische teksten wordt geen onderscheid gemaakt; onder de term w°b wordt zowel
de functie als de stand des priesters verstaan 1617. In de Joodse geschiedt dat wel. De fungerende
priester heet in hen no, „„priester”’, de persoon van priesterlijke stand mb, „leviet”. Het
optreden dezer splitsing is gevolg geweest van een historische ontwikkeling, die ten dele bekend
is, ten dele gereconstrueerd moet worden. Bij het verbond op de Sinai werden de zonen van
Levi, die zich tijdens de verwikkelingen rondom het gouden kalf door hun trouw aan de zaak
van Mozes onderscheiden hadden, als priesterlijke stand van het volk Israël afgezonderd 1e18,
Bij de inbezitname van het land Kanaän kregen zij geen aaneengesloten woongebied toegewezen, maar werd hun de cultus toevertrouwd. Zij nestelden zich vooral in de provinciale
heiligdommen, want de cultus te Jeruzalem geraakte na de oprichting van het koningschap
in de handen van enige weinige geprivilegieerde families 1619. De Babylonische ballingschap
deed alles weder te niet en na terugkeer, omtrent het midden van de zesde eeuw voor het begin
onzer jaartelling, werd slechts de cultus te Jeruzalem in ere hersteld. De hiërarchie werd op
dat ogenblik gereorganiseerd. De priesterschap werd, in afwijking van de oudtijds nagestreefde
verhouding van een twaalfde, in getalsterkte gebracht op nauwkeurig een tiende gedeelte
der bevolking, zijnde 4289 personen op 42360 ballingen 162, Daarenboven werden 74 ballingen,
1606. Exod., XXVIII 38. Voor de term, vgl. Ezech., XLIV 10.
1607 Numer., XVIII 1.
1608 Numer., XVIII 1.
1609 Levit., X 17. Vgl. Phil. Jud., De Fug., 157-160.
1610 Exod., XXIX 33; Levit., X 17; Hoz., IV 8. Zie noot 1268.
1611 Numer., V 10.
1612 Phil. Jud., De Spec. Legib., II 183. Vgl. Jubil., XXXI 16; I Cor, IX 13.
1613 Vgl. Miën., Zebäh., X 2.
1614 Zie noot 1052-1054.
1615 Zie noot 1149.
1616 De Brief van Aristeas, blz. 110, noot 1082.
1617 Stand : Herod., II 164; Plat, Tim, 24a; Isocr., Busir., 15; Diod. Sic, Bibl. Hist, 1 28,5, 73,2; Strab.,
Geogr., XVII 1, 3. De term w°b: I Chaëmw., V 9, 19, 23, 25?
1618 Exod., XXXII 26-29; Numer., III 11-13, 45, VIII 16-19, XVIII 6; Phil. Jud., De Plantat., 63; Idem,
De Congress, 98; Idem, De Vit. Mos., II 159-173, 270-274; Idem, De Spec. Legib., 1 79, 131, III 126-127; enz.
1e1e Vgl. II Kon., XXIII 9.
1620 Ezr., II 36-39, vgl. II 64. Samengevat in twee families : Ezr., VIII 2. Getalsterkte der priesterschap,
Jos., Contr. Apion.,
1500 man: Hecat. Abder., fr. 21 (Jacoby; ad I 188); 20.000 man: Numer., II 43, 46; Flav.
Pagina 63
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)verrichten der kosterdiensten 162!
gediscrimin
vermoedelijk met personen, die zich
gn
zi en end nt der ge
keer
n
bij de inname der stad aan de ballingschap hadde weten te onttrekken en en de terug
der ballingen bij dezen geen gezag meer bezaten 's**. Zij allen worden als levieten betiteld en
lve
waren in principe van priesterlijke afkomst. De term leviet is in de latere teksten derha
e,
wat
laatst
dit
r
1623;
koste
de
zijds
er,
ander
dubbelzinnig. Hij beduidt enerzijds de priest
de Griek vewrópos
De 1
:
noemt.
d met water besprengd en over
aasvan de leviet geschiedde als volgt. Hij wer
sverzijn klederen wies. Hij werd voor de volk
gehele lichaams kaalgeschoren, waarna hij
hem nu,
hand op hem legden. De priester bewoog
hande geleid, waar de Israëlieten de
niet aan
er
echt
de
De executie geschied
weten n niet hoe,5 als beweegoffer voor Jahwe '**4.
s wete
wij
een ten
en
er
, een ten zondoff
zelf, maar aan twee varren,
1
de leviet
en Daarmeae md P
stelde
Ï
die hijij als substituut
wan heid zin inde
tees Zij beduidde, dat de leviet slachtoffer
was, substituut van het gehele volk zeze, en tevens priesterlijk offerdeel. Het eerste werd uitgedrukt door het kaalscheren, de handoplegging en de substitutie der varren; het tweede alleen
door de beweging. De inwijding des priesters had een geheel ander verloop. Deze trad voor de
volksvergadering en werd daar gewassen, maar niet onthaard. De priesterlijke kledij werd
hem omgehangen en zalfolie werd over zijn hoofd uitgegoten 1627. Zonder dat hem de hand
was opgelegd, werden als substituut voor hem een var ten zondoffer en een ram ten brandoffer
„geofferd. Hij verrichtte nu onder leiding van de dienstdoende priester zijn eerste persoonlijke
offer, het vuloffer, op de wijze hierboven beschreven 1e2s. De priester was als de leviet
slachtoffer, maar hij was niet offerdeel. Mozes **:s en Aäron 'ese waren zelf leviet.
In zeldzame gevallen werd de executie aan de priester als slachtoffer daadwerkelijk
voltrokken. De Egyptische koning Sabaco, van de Koesjietische dynastie, droomde, dat
een
fa
En gen van Taeke, nen aanr
ied de Egyptische priesters te verz
amelen, hen door tweeën
ênen met zijn gevolg door de helften heen te schrijden. Deze droom scheen hem toe
onheil te voorspell; en
hij legd
het bewind
e neder en trok zich terug in zijn stamland Koesj 162,
1622 Ezech., XLIV 10-14? Vgl. Namer., XVIII
4
a
£
hid
23; Talm. Babl
ke
XI 18, geeft het =aantal der hiken
op als tt.
‚ Jabm., 86b; Idem,
e
Hull, 131b. Nehemj.,
1623 Hebr., VII 5. Neuxópos : Phil.
Jud., De Fug., 90, 93, 94; Idem, De
Somn. II 272; Idem
De ,
316, 318, II 159, 174, 276; Idem, De Spec.
Vit. M:
Legib., 1 156, II 120; Idem, De Praem.
et dol 7 vanrnenden
13. Voor de Egyptenaren, vgl. Chaerem.
me
, fr. 6 (Jacoby; ad 8).
se
1624 Numer., VIII 11, 13, 15, 21.
162% Numer., VIII 5-22,
1626 Aúérpov: Numer., III 12 (LXX); Phil. Jud., De
Phil. Jud., De Congress, 98. Zie noot 632.
Sacrif., 118; Idem,
is
He
mn
124. “Avrikaraddayf:
1627 Bij de wijding van de hogepriester werd ook het heiligdom gezalfd : Levit. VIII 10-11;
Mos, II 146.
1628 Zie noot 1467-1473.
1629 Exod., II 1.
1630 Exod., IV 14.
1631 Herod., Hist, II 139; Diod. Sic, Bibl. Hist, I 65, 6-8. Zie noot 800.
Phil. Jud., De Vit.
Pagina 64
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)gebracht ter, Tiberius, mogelijkerwijze de latere keizer, schafte als proconsul der provincie
Africa de aldaar ter ere van Saturnus gebrachte kinderoffers af; hij deed de priesters van de god
kruisigen in het heilige bos, waarin zij hun offerdienst hadden bedreven 1933 . Het priesterschap
in de Latijnse stad Aricium werd waargenomen door een voortvluchtige, die zich als priester
opwierp door zijn voorganger in functie in een tweegevecht te doden, vervolgens door een
andere op dezelfde wijze uit de weg geruimd werd 1634. Te Rome vergenoegde men zich met
substitutie. De Luperci werden bij hun wijding tot priester met een bloedig mes over het
voorhoofd gestreken, maar niet gedood 1655. Afgezien van het offer, werd van de priester
verwacht, dat hij zijn leven voor zijn god veil had. In de Egyptische stad Papremis werd
jaarlijks een mysteriespel opgevoerd, waarbij de priesterschap zich in twee partijen deelde,
die elkander met knotsen te lijf gingen en zo nodig de schedel insloegen 1635.
De priester behoorde ongerept van lijf en leden te zijn; hij mocht geen lichamelijke
gebreken hebben 1657. Hij werd daartoe gekeurd '6s* en verloor zijn functie, wanneer dezulke
zich bij hem voordeden tes. Hetzelfde als van hem gold van het offerdier 16%. Dit laatste
werd voor de slachting door de priesterschap onderzocht. De moschosphragist, een stolist 164
van hoge rang “2, nam bij de Egyptenaren deze taak waar. Hij verzegelde het dier, wanneer
hij het deugdelijk had bevonden *6%; op het offeren zonder zijn bemiddeling stond de dood1632 IT Kon., XIII 2; II Kon., XXIII 20; H Chron., XXXIV 5. Flavius Josephus, Antiq., X 66-67, verbloemt
dit feit. Vgl. ook I Kon., XVIII 40; MH Kon., XI 18; II Chron., XXII 17; Midr. Pesigt. Rabb., XXVI 6; en voor
de substitutie: L Kon., XVII 28.
1633 Tertull., Apol., IX 2.
1634 Strab., Geogr., V 3, 12; Ovid., Fast., III 271-272; Serv, Comment. in Vergil., Aen, VI 136.
1635 Plut., Romul., 21. Vgl. Oudh. Med., deel LII, Leiden, 1971, blz. 44, noot 16.
1636 Herod., Hist., II 63.
1637 Joden: Levit., XXI 16-24; 1 Machab., IV 42; Phil. Jud., De Agric., 130; Idem, De Ebriet., 135; Idem,
De Decal., 71; Idem, De Spec. Legib., 1 80-81, 103, 117, 242; Flav. Jos., Bell. Jud, 1 270; Idem, Antiq., III 278.
Grieken : Plat., Leg., 759c; Anaxandrid. Com., fr. 39 (Edmonds); Etym. Magn., sub voce ’Adgedís. Romeinen : Fronto, Epist. ad Marc. Antonin. de Elog., IV 1 (p. 142, 29-30, van den Hout); Lab. Antist., De Sacerd., fr. 3 (Bremer).
1638 Königliche Museen zu Berlin, Griechische Urkunden aus Ägypten, Berlijn, vanaf 1895, deel T, nos. 82 en
347; F. Preisigke en Anderen, Sammelbuch Griechischer Urkunden, Straatsburg, enz., vanaf 1915, nos. 16 en 17.
De keuring geschiedde door de hiërogrammaten.
1639 Phil. Jud, De Spec. Legib., I 117, 242; Flav. Jos, Contr. Apion., 1 284; Idem, Bell. Jud. I 270, V 228,
229; Idem, Antig., XIV 366, XV 17, 181; Min, Terüm., VIII 1; Idem, Zebäh., XII 1; Idem, Menäh., XIII 10;
Idem, Bekör., VIT 1-7.
1640 Egyptenaren: Erman-Grapow, Wörterbuch, deel I, blz. 281, noot 25. Joden : Levit., XXII 17-25; Deut,
XV 21-22, XVII 1; Maleach., 1 8, 13-14; Epist. Arist., 93; Phil. Jud, De Cherub, 96; Idem, De Agric., 130; Idem,
De Fug., 80; Idem, De Spee. Legib., I 166-167, 191, 259-260, 283; Idem, Quaest. in Exod., 1 7; Flav. Jos., Antiq.,
III 228, 279; Miën., Bekör., VI 1-12. Indiërs: Megasthen., fr. 32 (Jacoby; ad 54); waartoe noot 905. Grieken : Hom.,
IL, XXIII 147, met scholion; Sophocl., Trach., 760; Plat, Alcib., II, 149a; Aristot., fr. 101 (Rose); Theophrast., De
Pietat., fr. 12 (Pötscher); Plut., De Defect. Orac., 49; Pausan., Graec. Descr., X 35, 7; Lucian., De Sacrif., 12; Poll,
Onom., 1 29; vgl. Callim., fr. 200b (Pfeiffer). Romeinen : Varr., De Reb. Rust, II 1,20, 4,16; Cicer., De Leg. Agrar.,
II 93; Vergil., Georg., III 160; Plin., Nat. Hist, VIII 183; Tertull., Ad Nat., I 10, 18; Serv., Comment. in Vergil.,
Aen., IV 57.
1641 Clem. Alex, Strom, VI 4, 36, 2.
1642 Gnom. Id. Log., 87. Joden : Epist. Arist., 93; Phil. Jud, De Agric., 130 (mwpooróros); Idem, De Spec.
Legib., I 166-167, 259-260; Miën., Tam, II 4: I Clem, XLI 2. Romeinen : Cicer., De leg. Agrar., II 93.
1643 Herod., Hist, II 38; Maneth., fr. 85 (Waddell); Chaerem., fr. 6 (Jacoby; ad 7); Plut., De Is. et Osir., 31;
Clem. Alex, Strom, VI 4, 36, 2; Horapoll., Hierogl., I 49.
Pagina 65
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)straf 1e44. De antieke offerde, gelijk wij zagen 1645, de schoonste zijner bezittingen, maar de
scherpe controle op zijn keuze door de priesterschap uitgeoefend doet vermoeden, dat hij
daartoe door meer dan alleen gevoelsoverwegingen geleid werd. De ware reden moet zijn,
dat het substituut oorspronkelijk procesrechtelijk bewijsmiddel was; gebreken, vooral verborgen gebreken, ontnamen aan dit middel de bewijskracht en openden de weg tot bedrog.
De ongereptheid van het substituut was daarom garantie van de oprechtheid van de gesubstitueerde 1646, De lijn doortrekkend, veronderstel ik, dat de moschosphragist verantwoordelijk was voor het zedelijke leven der cultische gemeenschap. De priester deelde in de verplichting tot ongereptheid van het offerdier, omdat hijzelf offer was.
Twee uitzonderingen doorbraken de regel dezer lichamelijke ongereptheid. De Egyptische
zich iedere derde dag “4,
priester was over het gehele lichaam kaal geschoren '*“*. Hij schoor
ten minste het hoofdhaar 164 met de wenkbrauwen 16%, en werd bij nalatigheid gestraft 1651,
1644 Herod., Hist., 11 38. Vgl. Gnom. Id. Log., 72.
1645 Zie noot 878.
1646 Phil. Jud., De Agric., 130; Idem, De Fug., 18;
Idem, De Spec. Legib., 1 167, 191, 200, 283, vgl. 81;
et
, fr. 12 (Pötscher) ; Hieron., Comment. in Malach., II zn
Jos., Antiq., III 278-279. Vgl. Theophrast., De Pietat.
197; Aristot., Athen. Polit, XXIX 5; Demosth., Or,
Or.,
op iepà reheia: Thueyd., Hist., V 47; Andocid.,
pe
E
Zie noot 905.
48;
De Spec. Legib., 1 5; Idem, Quaest. in Genes., III
1647 Esna, 197, 18-19; Herod., Hist, II 37; Phil. Jud.,
20.
21,
1
Divin.,
50; Lactant., Inst.
Plut., De Is. et Osir., 4; Schol. in Poll., Onom., II
1648 Herod., Hist, II 37.
1 22; Synes.,
De Is. et Osir., 4; Artemid., De Somn. Interpr.,
1649 Esna, 197, 18-19: Herod., Hist, II 36; Plut.,
ee
me,
n,
Cypria
30;
X1
28,
II
,
Metam.
Sat, VI 533; Apul.,
Calv. Encom., 10, 12; Gnom. Id. Log., 71; Juven.,
3 Paulin. Nol.,
17-21
44,
XII
.,
Hiezech
in
t.
Commen
,
Hieron.
3;
Arnob., Adv. Nat, VII 33; Ambros., Epist., LVII
98 (p. 1 1, 24, Bücheler-Riese). Vgl. Spartian., Pescenn.
Carm., XIX 112; Anthol. Latin, Anon., Carm. in Pagan,
:
Nig., 6; Lamprid., Commod., 9.
1650 Diog. Laert., Vit. Philos., VIII 87; Synes., Calv. Encom., 7; Ambros, Epist, LVIII 3. Anders : Schol.
in Poll., Onom., II 50. Over de wenkbrauwen het volgende : — 1° De Romeinse vrouw wijdde haar wenkbrauwen ter
ere der maangodin Lucina: Varr., De Ling. Latin, V 69; Fest, De Verb. Signif., sub. voce Supercilia (p. 396-397,
Lindsay). De vergelijking tussen wenkbrauw en maansikkel wordt door de Islamietische dichters veelvuldig getrokken.
Tussen de maansikkels staat de donkere maan, ©) €) (C, en potentieel
de zon. De namen der steden Jun, „Heliopolis”, en Jwn.t, „Tentyris”, werden geschreven als> © ® , mogelijkerwijze hierop zinspelend; vgl. Erman-Grapow, Wörterbuch, deel I, blz. 54, noot 11 en 13. — 20 Het ijyepovikóv des mensen, zijn leidend principe of ziel, bevindt zich tussen
zijn wenkbrauwen : Strat. Lamps., fr. 111, 119, a-b, 120, 121 (Wehrli); vgl. Phil. Jud, Quaest. in Exod., II 124. In het
bijzonder bevindt zich daar de trots: Plin., Nat. Hist, XI 138. — 3° Het oog is gevuld met licht, met zonnevuur,
Egyptenaren : Esna, 206, 2; Porphyr., De Abstin., IV 9; Idem, apud Euseb., Praep. Evang., III 12, 2; Joden : Phil.
Jud., De Opif. Mund., 147; Idem, Quod Deus, 79; Me'arr. Gazz., II 14 (Riessler); Perzen : Viëitakihä-i-Zätspram,
XXX 23; Indiërs: Satapathabrähmana, I 6, 3, 41; Praänopanisad, III 8; Grieken: Empedocl., fr. 31 A, 91, B, 84
(Diels); Plat, Respubl., 508, a-b; Idem, T'im., 45b; Apollon. Rhod, Argon, IV 727-129; Apollod., Bibl, 14, 3, II 4,
9; Plut., Quaest. Conviv., V 7, 2; Idem, Aquan. an Ign., 13; Galen, De Instrum. Odor., 3; Plotin., Ennead., IV 5,4.
Het oog zendt om te zien een straal uit, de oogstraal : Arat., Phaen., 541, met scholion; Vitruv., De Archit., VI2, 3. De
oogstraal is vurig : Chrysipp., fr. II 866 (von Arnim); lichtgevend : Galen., De Us. Part, VIIL6; Idem, De Loc. Affect.,
IV 2. Hij is vooral pneumatisch, Egyptenaren: Mag. Pap. Harris, VII 2-3; Porphyr., apud Euseb., Praep. Evang.,
II 12, 2; Joden: Phil. Jud., De Fug., 182; Perzen: vgl. Diog. Laert., Vit. Philos., 1 7; Grieken: Stoic. fr. II 863,
864, 865, 866, 867, 869, 871 (von Arnim); Plut., Quaest. Conviv., 18,4, V 7,2; Galen, De Us. Part, X 5,
6; Hippolyt.,
Refut, X 11, 5; Romeinen : Isid. Hispal., Etym., XI 1, 20. Sluit ik mijn ene oog, dan ziet het andere dubbel scherp :
Galen, De Us. Part, X 14. Het oog is derhalve identiek met de zon, die eveneens vuur- en luchtstralen uitzendt,
vgl. De Geboorte van Horus, blz. 215, noot 1834. Men ontnam het oog echter de autonomie (waartoe ibid, blz. 49, noot
Pagina 66
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)Als reden van het voorschrift wordt opgegeven, dat hij in de rouw verkeerde 1652. De betreurde dode kan slechts Osiris geweest zijn, naar wiens lichaam door de godin Isis en gedurende de
reinheidsperiode 1658 door de Egyptische priesterschap '* in diepe smart werd gezocht.
nd
Het haar verving weder de persoon; de Egyptische priesterschap vormde een eeuwigdure
opgeook
wordt
reden
substituut voor de als mens door zijn broeder Seth vermoorde god. Als
geven dat het haar afstervend, derhalve onrein deel des lichaams is, waarmede
men het goddegedurende
lijke niet benaderen mag '°55. Het priesterlijke voorbeeld werd gevolgd door leken
341-346) en stelde als bron van het pneuma de hersenen, Joden : Phil. Jud, De Fug., 182; Grieken : Stoie., fr. 1 826,
836, 866 (von Arnim); Galen, De Us. Part, X 6, 12, 14; Idem, De Loc. Affect., IV 2; Romeinen : Isid. Hispal., Etym.,
Bybl., ef 4 ed
XI 1, 20. — 4° De slang is vurig en pneumatisch van aard, Egyptenaren en Phoeniciërs: Phil.
64; Grieken: Antip.
1
Hierogl.,
Horapoll.,
:
Egyptenaren
straal,
pneumatische
de
van
zijn
symbool
kan
Zij
ad 46).
Tars., fr. III 46 (von Arnim). — 5e De hulp van de Zonnegod wordt ingeroepen tegen Inj-.f, rechter der doden, Dodenb.,
XVII, $ 23 (Grapow): „Red mij van deze god, geheimzinnig van gestalte, wiens wenkbrauwen de beide armen van
de weegschaal zijn, op die dag van het afrekenen met de zondaar”; waartoe Oudh. Med., deel XLIX, Leiden, 1968,
blz. 54, noot 91. De godin Moet spreekt tot de Egyptische koning: „Ik geef U M3't, de Waarheid, rustend op
Uw voorhoofd, opdat zij haar plaats inneemt tussen Uw beide wenkbrauwen’, Opet 122 (de Wit); vgl. Chassinat,
Le Temple de Dendara, deel III, blz. 123, 2. — 69 De pharao draagt op dezelfde plek de uraeus, Pap. Harris, XXII 6:
„‚De toverkrachtige (dwz. de uraeus) heeft haar plaats ingenomen tussen zijn wenkbrauwen’. De uraeus spuwt vuur
en vernietigt daarmede de vijanden des konings: Pyr., 302a, 32le, 396c; Diod. Sic., Bibl. Hist, III 3, 6. Zij wordt
betiteld als oog: Pyr. 1287b; Sarcoph., spreuk 331. Zij personifieert de macht des konings. Haar naam irt wordt
in de Griekse versie der decreten van Canopus, 56, 62, 63, en Memphis (Rosetta), 1, 44, vertaald als Baorhela, domdoerdrjs
Baordeia, „diadeem ”, „slangvormig diadeem”. — 7o Het goede oog schept, het boze oog vernietigt. De kraamvrouw
is onrein, zij doodt met haar blik, Perzen: Avesta, Vidövdät, XVI 2; Säjast-nö-Säjast, III 27-29. De kraamvrouw
draagt op een Egyptisch reliëf de uraeus op het hoofd : J. J. Clère, Zeitschrift für Ägyptische Sprache und Altertumskunde, deel LXVIII, Leipzig, 1932, blz. 42-47. — 80 De uraeus leeft bij de volken der klassieke oudheid voort als
BaorÀfoxos : Horapoll., Hierogl., I 1. De basilise doodt door haar adem : Aelian., De Nat. Anim., II 5; Heliod., Aethiop.,
II 8; Horapoll., Hierogl., I 1; Plin., Nat. Hist., VIII 78, XXIX 66; Isid. Hispal., Etym., XII 4, 6. Of ook door haar
blik alleen
: Galen, De Ther. ad Pison., 8; Heliod., Aethiop., III 8; Plin., Nat. Hist, XXIX 66; Isid. Hispal., Etym.,
XII 4, 6; Bundahiën, XXII 19 (Anklesaria); Atharvaveda, V 13, 4; Mahäbhärata, XIII 107, 44. Zij
beweegt zich als
de uraeus, Yu. , in verticale, niet in horizontale kronkelingen voort : Plin. Nat. Hist, VIII
78; Solin., Coll. Rer. Memor.,
XXVII 52. Uit de beschrijvingen laat zich geen bestaande slang samenstellen. De uraeus met
haar opgeblazen hals
was zeker een cobra. — 90 Bij vier zijner geboden, de geboden tot consumptie van ongezuurd
brood gedurende de
Paasweek, tot offering der eerstgeboorten, tot liefde tot hemzelf, tevens verbod
van veelgodendienst, spreekt Jahwe
tot Israël : „Het zal U zijn tot een teken op Uw hand en tot een gedachtenis tussen Uw ogen”,
Exod., XIII 9, 16;
Deut, VIS, XI 18. De term voor „gedachtenis” luidt één maal par, drie maal, minder verstaanbaar, nDuIv;
de Septuaginta vertaalt dit laatste met dodAevrov, „onbewogen”. In naleving van het gebod draagt
de Jood een afschrift der vier passages, in een kleine zwartlederen capsule besloten, op het voorhoofd tussen de ogen en
een andere
aan de linkerbovenarm, tegenover het hart, vgl. Phil. Jud., De Spec. Legib., IV 137-139. — 10° Het te Argos vereerde
beeld van de god Zeus bezat drie ogen, twee normale en een derde op het voorhoofd tussen beide, Pausan., Graec.
Descr., II 24, 3. De Cyclopen bezaten slechts een enkel op het voorhoofd geplaatst oog. Drie ogen ook bezat de
Indische god Siva in zijn bekende gestalte. De huidige Indische vrouw draagt de tilaka, een rode stip op het voorn,
hoofd tussen de wenkbrauwe
die tot dit derde
oog in enigerlei betrekking moet staan.
1651 Gnom. Id. Log., 76; Königliche Museen zu Berlin, Griechische Urkunden, deel I, no, 16.
1652 Plut., De Is. et Osir., 4. Vgl. Artemid.,
De Somn. Interpr.,
I 22.
1653 Plut., De Is. et Osir., 4.
1654 Juven., Sat, VI 533-534; Lactant., Inst. Divin., I 21, 20; Paulin. Nol., Carm., XIX 111-113; Anthol.
Latin, Anon., Carm. in Pagan, 98 (p. I 1, 24, Bücheler-Riese).
1655 Plut., De Is. et Osir., 4; Synes., Calv. Encom., 7.
Pagina 67
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)de reinheidsperiode of bij bezoek aan de tempel *sss. De Koesjietische 1657, Phoenicische 1655
en Syrische 1es° priester stond onder een soortgelijke verplichting als de Egyptische. De
Joodse leviet werd kaal geschoren bij zijn inwijding !seo, daarna niet meer; de zede werd door
de Joden tegelijkertijd erkend en verworpen. De Indische brahmaan schoor zich het lichaam
kaal na afloop zijner studie 1ee:,
De tweede uitzondering vormt de besnijdenis. De Egyptische priester was besneden 1662;
zonder dien werd hij tot de dienst der goden niet toegelaten 1662. Als hij was het de Koesjietische 1664, Arabische tess Phoenicische!sss en Syrische !ss?, kortom iedere 1sss priester.
Ook leken werden besneden, maar waren daartoe niet verplicht. In Egypte althans werd onbesnedenheid als smaad beschouwd 'ss*; Pythagoras hiet zich besnijden, toen hij in dat land
met de priesters verkeerde 1570. De hondsaap, het heilige dier van de god Thot, wordt besneden
geboren 1671, De Joden kennen een zevental, of meer, hunner voorvaderen, die dat ook werden 1672. De besnijdenis werd de Israëlieten tot plicht gesteld door Jahwe, toen deze een verbond sloot met Abraham 1672. Mozes was als Egyptisch priester besneden, maar tijdens de
tocht door de woestijn waren velen zijner volgelingen dat niet 's?*. Na de inbezitname van
het land Kanaän voerde Jozua daarop de besnijdenis voor het gehele volk in 1675, De oorsprong
der besnijdenis was reeds voor de antieke een probleem. Hygiëne en geslachtsverkeer zijn er
nauwelijks mede gebaat; de passage Exodus, IV 24-26, over de bloedbruidegom, die de verklaring had kunnen geven, is helaas onbegrijpelijk. Volgens Philo, die zich op de vlakte houdt,
1656 Esna, 197, 18-19; Diog. Laert., Vit. Philos., VIII 87; Lucian, De Sacrif., 14; Spartian.,
Pescenn. Nig,
6,9; Lamprid., Commod., 9.4.
1657 Diod. Sic, Bibl. Hist, III 3, 6.
1658 Sil. Ital., Punic., ITI 28.
1659 Macrob., Sat, I 23, 13.
1660 Numer., VIII 7.
1661 Hiranjakeëigrhjasütra, I 3, 9, 17.
1662 Phil. Jud, De Spec. Legib., 12; Flav. Jos, Contr. Apion., II 141
; Clem. Alex, Strom, I 15, 66, 2; Origen,
Hom. V in Jerem., 4; Idem, Comment. in Paul., Epist. ad
Rom, II 13; Cyrill. Alex, Contr. Julian, P- 957c (Migne);
pane en nn, Horapoll., Hierogl., I 14; Epiphan.,
pist. PV
se
alat, II 5, 1. Vgl.
g C. de Wit, Zeitschrfür
ift
Ägyptische
i
Panar., XXX 33, 3; Hieron., Comment. in Paul.,
Sprache und Altertumskunde, deel XCEX, Leipzig,
ipzi
20 U. Wileken, Archiv für Papyrasforschung, deel II, Leipzig, 1903, blz. 4-13;
L. Mitteis en
U. Wileken,
Grundzüge und Chrestomathie der Papyruskunde, Leipzig
en Berlijn, 1912, deel I, Historischer Teil, tweede helft,
Chrestomathie, blz. 102-106, nos. 74-77.
1004 Artapan., fr. 3 (Jacoby; ad 10); Origen. Comment. in Paul. Epist. ad Rom., II
1865 Origen, Comment, in Paul, Epist. ad Rom., II 13; Cyrill.
1666 Origen, Comment. in Paul., Epist. ad Rom., II 13.
13.
Alex, Contr. Julian, p- 957e (Migne).
1667 Oyrill., Alex., Contr. Julian, p. 957e (Migne).
1668 Barnab., IX 6.
1669 Joz, V 9. Vgl. Pianchistèle, 150-151 ?
1670 Clem. Alex, Strom., I 15, 66, 2. Vgl. Phil. Jud, De Spec. Legib., 1 2.
1671 Horapoll., Hierogl., I 14.
1672 Midr. Ps, IX 7; Midr. Tanhüm., Nöah, 5; Mass. Äb. de Rabb. Nat, II 5. De engelen, evenzo : Jubil.,
XV 27.
1673 Genes., XVII 9-14.
1674 Joz, V 5.
1675 Joz., V 2-9.
Pagina 68
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)was de besnijdenis symbool der kuisheid 167%. Het zou betekenen, dat zij substituut was van
de castratie 1677. De besnijdenis had in Egypte plaats in het veertiende levensjaar 1078,
waarin de geslachtsdrift een aanvang neemt 197; in dat land bestond de gewoonte ook het
jonge meisje van dezelfde leeftijd te besnijden tso. Zij had bij de Joden plaats op de achtste
dag na de geboorte ‘st, op de dag zelf, waarop de dierlijke eerstgeboorte aan de priesterschap
werd aangeboden 1682. De castratie van de priester der Aziatische moedergodin betekende voor
deze aanvaarding van zijn functie 1685.
De priester leefde in soberheid, vgl. $ 4. Die soberheid had de drie fundamentele onthoudingen der ascese, onthouding van geslachtsgemeenschap, dierlijke spijs en gegiste drank,
ten grondslag. Van deze is in de zin van ons onderzoek slechts de tweede enigermate te benaderen.
Zij blijkt gekoppeld te zijn geweest aan een genotsrecht op dierlijke spijs; met dien verstande,
dat de uitoefening van dit recht tevens plicht was, zodat de onthouding slechts het negatieve
aspect dezer laatste vormde. Met de onthoudingen van geslachtsgemeenschap en van gegiste
drank kan het oorspronkelijk evenzo gesteld geweest zijn, hetgeen echter moeilijk meer te
bepalen is, daar van beide om begrijpelijke redenen het disciplinaire karakter zich ontwikkeld
heeft ten koste van het sacrale. Ik bespreek in de veronderstelling, dat functie en onthouding
in betrekking tot elkander stonden, nu de functie des priesters naar de onthoudingen ingedeeld.
Toen Typhon zijn broeder Osiris had vermoord, sneed hij diens lijk aan stukken en wierp
het geslachtsorgaan in de Nijl. De weduwe van de vermoorde, Isis, zocht de delen van haar
gemaal bijeen en begroef hen ter plaatse, waar zij hen vond. Daar de roede ontbrak, vervaardigde zij daarvan een copie, die zij in het heiligdom deed opstellen en aanbidden 1684, De
aanbidding geschiedde door mysteriën, offers en phallische optochten 1685. De aankomende
priester werd tijdens zijn opleiding allereerst in deze cultus ingewijd tess; de bestanddelen
1676 Phil. Jud, De Migr. Abrah., 92; Idem, De Spec. Legib., I 9-11; Idem, Quaest. in Genes, III 47, 48;
Ps.-Clem., Recogn., I 33, 5; Ambros., De Abrah., I 27, II 91.
1677 Vgl. Phil. Bybl., fr. 2 (Jacoby; ad X 33): Tijdens een hongersnood offert Cronus zijn eniggeboren zoon,
besnijdt zichzelf en dwingt ook zijn soldaten dat te doen.
1678 Phil. Jud, Quaest. in Genes., III 47, 48; Ambros., De Abrah., II 78. Arabieren: Genes., XVII 25; Phil.
Jud, Quaest. in Genes, III 61; Fiav. Jos., Antiq., I 214; Origen, Comment. in Genes, III 10 (Lommatzsch).
1679 Phil, Jud, Leg. Alleg., 1 10; Idem, De Joseph, 43; Aristot., Hist. Anim., 581, a-b. Vgl. Soran., Gynaec.,
120: Paul. Aegin., Op, IE 60. Het lichaam van Osiris bestond uit veertien delen : Osirismysterie, 54-58 (Chassinat).
1680 Strab., Geogr., XVII 2, 5; Phil. Jud., Quaest. in Genes., III 47; Galen. Introd., 10; Ambros, De Abrah.,
II 78; Pap. Brits Museum, no 24; vgl. Sarcoph., VII 450d. Joden : Strab., Geogr., XVI 2, 37, XVII 2, 5.
1681 Genes, XVII 12; Levit., XII 3; Ev. Luc., I 59, IT 21; Miën., Sabb., XIX 5.
1682 Zie noot 1533.
1683 Lucian, De Dea Syr., 51. Vgl. Strab., Geogr., XIV 1, 23.
1684 Diod. Sic., Bibl. Hist, I 22, 6, IV 6, 3; Plut., De Is. et Osir., 18, 36; Hippolyt., Refut., V 7, 23, 27. De
identificatie van deze copie, tevens beeld van de rivier, is mij niet mogen gelukken. De overlevering is zekerlijk authentiek: bij de Grieken vinden wij in dezelfde context de herme, vgl. Hippolyt., Refut., V 26, 33, bij de Indiërs, vooral
een versteende
stond, was
obelisk, die in tweetal voor de Egyptische tempelbedoelde
in de cultus van de god iva, de liga. DeRomeinse
copie, dan stelt de
Circus, blz. 18, noot 130-131. Is hij de
De
van het
op zijn spits aangebrachte gouden bal (bnòn£, brn.t, „bal; eerst bij afleiding term voor het pyramidion) de
ruppel voor, vgl. Callixin. Rhod., fr. 2 (Jacoby; ad 33: dorp). De alleen staande en zelfstandig vereerde obelisk van het
Ouds Rijk past beter.
5
Refut., V 7, 22.
1885 Diod. Sic, Bibl. Hist, I 22, 6; Plut., De Is. et Osir., 12, 18, 36; Hippolyt.,
1888 Diod. Sic., Bibl. Hist, 1 88, 2.
Pagina 69
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)daarvan werden door de Grieken in de cultus van Dionysus overgenomen '6*?. De roede genoot
als orgaan der verwekking allerwegen verering 1*58 en deze verering gold in het bijzonder de
roede van de priester zelf 1689. Het bestaan van een priesterlijk voorkeursrecht op geslachtelijk verkeer ware uit deze praemissen onmiddellijk af te leiden; alleen, zulk een recht is
niet geattesteerd. De priester huwde een maagd en hij leefde met haar monogaam 1890; meer
wordt over hem ten dezen noch in de Egyptische, noch in de Joodse teksten gezegd. Van de
uitoefening van een recht wordt nergens gesproken. De antieke god bevruchtte in sommige
gevallen de menselijke vrouw test. De priester moet in principe zijn plaats hebben kunnen
innemen, maar te bewijzen is dat niet 16s2. Een ius primae noctis past bij de koning 1693;
van een dergelijk recht, des priesters is mij uit de oudheid niets bekend. In vele antieke culturen
was het zede, dat het jonge meisje zichzelf in de tempel ter prostitutie aanbood alvorens
een huwelijk aan te gaan 169: Een genotsrecht van de priester, die zich veeleer afzijdig gehouden zal hebben, laat zich ook daaruit niet construeren.
In Griekenland en Rome golden voor de priesters der heiligdommen voorschriften tot
geslachtelijke onthouding gedurende de ambtsperiode of zelfs gedurende het leven '695. In
Egypte schijnt dit het geval geweest te zijn te Thebe. Na afloop van het Nieuwe Rijk werd
Thebe in de Egyptische staat als enclave afgezonderd en onder de hoede gesteld van een
regentes, die steeds prinses van den bloede was. Zij voerde de titel Dw3.t-ntr, „Aanbidster
Gods”, Hm.t-ntr, „Gemalin Gods”, of Dr.t-ntr, „Hand Gods”. Zij regelde haar opvolging
bij adoptie, was dus niet gehuwd en leefde vermoedelijk in onthouding '***. Het is niet uit
te maken of zij een functie in de priesterlijke hiërarchie bezat, en in ieder geval stond de hogepriester van de locale god Amon zelfstandig naast haar *e*?. Herodotus vermeldt dat in de
tempel van de Thebaanse Zeus, dwz. van Amon, een vrouw (yuwú) sliep, die met geen enkele
man geslachtsgemeenschap mocht hebben; als in een heiligdom in Lycië, waarin datzelfde
telkenmale geschiedde, wanneer van de aldaar vereerde god een orakel werd gevraagd 1698,
Strabo zegt het tegendeel. Een jong wake zn goeden huize was volgens hem aan de god
Zeus te Thebe
gewijd. Zij
gaf
-
-
5
wilde en mocht dit vrije leven voortzetten
maar
zijlijkt
ehuwe
tot aan de net Hes tn‘uitgehe
, nadat eerst nog rouw
haar
bedreven '699. De graven der concubines van Zeus bevo
nden zich op de west
ef
oe
en
waren in de dagen van Diodorus Siculus aldaar
nog te zien ee de aks eten
[1 48-49; Diod, Sie,, Bibl. Hist., 1 22, 7. Vgl. Oudh. Med., N.R., deel XXXVII, Leiden,
1958, blz. 39-40.
1688 Diod. Sic, Bibl. Hist, 1 88, 2.
1689 Minue. Fel., Octav., IX 4.
1690 Zie noot 296, 297, 307.
1691 De Geboorte van Horus, blz. 29, cit. 109; blz. 173, noot 1628.
1692 Wat zijn : Flav. Jos., Antiq., XVIII 65-80; Plut., Romul., 5?
x693 Libyers: Herod., Hist, IV 168.
1694 De Geboorte van Horus, blz. 173, noot 1629-1630.
1895 Verzameld door E. Fehrle, die Kultische Keuschheit im Altertum, Giessen, 1910.
169% Als bij de Perzen de priesteres der godin Anähitä, vgl. Plat, Artox., 27.
1697 J. Leclant, Recherches sur les Monuments Thébains de la XXVe Dy
na
dite Ethiopie
st
nne,
ie
Caïro, 1965,
blz. 353-386.
1698 Herod., Hist, I 182.
1699 Strab., Geogr., XVII 1, 46.
1700 Diod. Sic, Bibl. Hist, 1 47, 1.
Pagina 70
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)meisjes de reeks der regentessen uit vroeger dagen voort? Het is mogelijk, maar niet waarschijnlijk. De voor beperkte tijdsduur verleende geslachtelijke vrijheid en de na afloop daarvan
bedreven rouw passen maar al te wel bij een mensenoffer.
De Thebaanse priesteres leefde — om de eerste lezing te volgen — aan de zijde van de door
haar gediende god in onthouding. De priester der Aziatische moedergodin castreerde zichzelf
uit liefde voor zijn meesteresse 1701, Onthouding was voor beiden hetzelfde als huwelijkse
trouw. Maar vele goden hadden mannelijke, vele godinnen vrouwelijke priesters; de onthoudingen dezer moeten een andere beweegreden gehad hebben. De geslachtelijke onthoudingen, tenslotte, kunnen niet op overtuigende wijze in verband gebracht worden met het feit,
dat de priester zelf offer was. De dood wordt in principe door algehele onthouding gesymboliseerd. De priester leefde in monogamie, niet in celibaat; het bestaan van de exceptie eist
verklaring.
De priester at heilige spijs 17%, namelijk het offervlees. Hij at het hoogheilige offer
ambtshalve. De reïntegratie van het substituut geschiedde in zijn lichaam; daarmede in de
priesterschap als zodaning, die zelf eeuwigdurend substituut was. Zond- en schuldoffer waren
strafexecutie. Het substituut werd uiteengescheurd 1703, geheel zoals bij het oude Dionysische
offer 1704, De priester oefende de wraak Gods uit en at het vlees ter verdelging. Het brandoffer
werd door de wijze van uitsnijding tot embryonale staat herleid 170, vervolgens door de altaarvlam verteerd 1705. De priester at het toegevoegde spijsoffer. De offerkoeken waren universeel
substituut. Alle menselijk lichaam komt uit graan voort, alle menselijk lichaam is deel der
wereld 1707. De priester at het minderheilige offer als gast van de gesubstitueerde. De reïntegratie van het substituut geschiedde in de gasten gezamenlijk, in wijder omvang in de mensheid 1708; de terugkeer was tot het volle leven. De priester verkreeg bij het dankoffer twee
voorkeursdelen. Van deze was het hart symbool der wijsheid 1709, de schenkel symbool der
liturgie 1710. — De priester at geen ander vlees dan offervlees 1711, Bevond hij zich buiten de
tempel en ver van het door hem bediende altaar, dan voedde hij zich met plantaardige spijs.
De reden daarvan kan disciplinair geweest zijn; hij mocht geen voorwendsel kunnen aanvoeren
om de consumptie van het offervlees en daarmede de ontzondiging te weigeren 1712. Deze
onthouding werd door de leken overgenomen, vgl. $ 5; een tipje van de sluier, die over de
oorsprong der ascese ligt uitgebreid, wordt hier wellicht opgelicht. De priester kon ook voor
zichzelf offeren. Van de door hem opgedragen offers worden het zondoffer, het schuldoffer 1713; het spijsoffer en het vuloffer met name vermeld. Het priesterlijke zondoffer werd
1701 Julian. Apost., Or, V 168a, 169d, 171c. Zie noot 300.
1902 Zie noot 236.
1703 Zie noot 1003.
1704 Zie noot 894-904.
1705 Zie noot 994, 1349.
1706 Zie noot 849.
1707 Zie noot 1332-1334, 1364-1367.
1708 Zie noot 854, 1416-1420.
1719 Zie noot 1424, 1426, 1601, 1615-1616.
1710 Zie noot 1424, 1427, 1601. De liturgie is het „werk” bij uitstek, vgl. Camephis, noot 723-724.
1711 Zie noot 237.
1712 Vgl. Porphyr., De Abstin., IV 5. Een weigering: Levit., X 17.
1713 Min, Häg., 14 Idem, Hör.. II 4.
Pagina 71
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)op een reine plaats buiten het heiligdom verbrand 1714; de priester zelf at er niet van, voor
hem was geen middelaar in het heiligdom aanwezig '’1s. Het spijsoffer verving voor de
priester het brandoffer trie en werd als dit volledig op het altaar verbrand 1717. Het slechts
één maal gebrachte vuloffer verving het dankoffer.
De priester oefende zijn functie uit in volstrekte onthouding van gegiste drank 1718,
Hoewel bij alle bloedige offers wijn geplengd werd, verviel geen druppel daarvan aan hem 1719.
Graan en wijn zijn vlees en bloed; voor de wederopstanding van het dode lichaam was het
laatste even onontbeerlijk als het eerste. Maar het bloed stond niet ter consumptie 172, het
wijngenot leidt tot dronkenschap. Heeft het van de liturgie ooit deel uitgemaakt, het is er na
de ballingschap definitief uit verwijderd. De priesters van de Zonnegod te Heliopolis in Egypte
brachten in het geheel geen wijn in de tempel, het niet gepast oordelend deze des daags, onder
het oog van hun heer en meester, te drinken 1721, De Grieken, die aan de Zonnegod offerden,
brachten geen wijn op de altaren, daar de god, die het al omvat en uiteenhoudt en gedurig
rondom de wereld trekt, van dronkenschap vrij moet zijn 1722. Deze laatste woorden ingegeven
door de naïeve overtuiging, dat de liturgische handelingen de godheid dwingen.
1714 Exod., XXIX 14; Levit., IV 1-12, 21, VIII 17, IX 11, XVI 27; Ezech., XLIII 21; Phil. Jud, De Spec.
Legib., 1 232, 244; Flav. Jos, Antiq., III 241; Hebr., XIII 11.
1715 Phil. Jud., De Spec. Legib., 1 244-246. De Perzen kennen een, in de tekst niet gespecifieerd, verschil
in zonde tussen de priester en de leek ten aanzien van het berouw : Denkart, p. 699, 12-13 (Madan).
1716 Zie noot 1323.
De Spec. Legib.,1 256; Flav. Jos, Antig., III 235;
117 Levit., VI 15 (22), 16 (23); Sirac., XLV 14; Phil. Jud.,
Miën., Menäh., VII (VI) 2.
1718 Zie noot 218, 219.
1719 Wijn als eerstelingsgave : zie noot 1551.
1720 Zie noot 977.
1721 Zie noot 207.
1722 Phylarch., fr. 25 (Jacoby). Vgl. Polem. Il, fr. 42 (Müller).