De Praehelleense Ascese, het Nazireaat

Auteur
Stricker, B.H.
Verschenen in
Oudheidkundige mededelingen R.M.O.Leiden
Jaar
1983
Onderwerp
NAZIARATE
Taal
Nederlands
Categorie
C12 Religie
Archiefnummer
7001

PDF openen(opent in een nieuw venster)

Volledige tekst tonen42 pagina's

Pagina 1

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
DK ACC E RR \ Ba ea 7 Stricker B. H.- De praehelleense ascese. OMRL 1967 XLVIII: 44-55.* Dans les prescriptions nd alimentaires et hygiéniques de Pythagore nous retrouvons des éléments de rites d'abstinenceet d'ascèse orientaux. Cependant, le pythagorisme connaissait aussi des règles qui sortent du cadre oriental (à suivre). …° ) Stricker B. H.- De praehelleense ascese (Vervolg). OMRL 1968 XLIX: 18-39.* Prescriptions LN d'hygiène, de sobriété et d'abstinences diverses chez les Egyptiens, les Juifs et les Phéniciens (à 5a De suivre). ET & en en . Stricker B. H.- De praehelleense ascese: 86: KAGNEIIA. OMRL 1969 L : 8-16.« Suite de la revue des prescriptions d'hygiène dans le monde antique (cf. APh OXX 239 & XLI 692). Oe neve AT Seren [43-10890 { 94 L Stricker B. H. - De praehelleense ascese. OMRL 1971 LIl : 54-70. * Dans les religions égyptienne et judaïque ainsi que dans les rites de l'antiquité classique, l'abstinence alimentaire et sexuelle remplace, Lb en tant qu'arrêt temporaire des fonctions vitales, le sacrifice ; elle est toujours en rapport avec l'idée de q 91 la mort. La suppositio (U(PALLAGH/) et la permutatio sacrificii sont d'autres formes de la même pensée (à suivre). en Mr nne Jao i ( 7 [44-09663 Stricker B. H. - De praehelleense ascese (Vervolg). OMRL 1974 LV: 129-197.« Le sacrifice et ses bas R différentes formes, circoncision et sacerdoce (pour la partie précédente de’ 'atticle, cf. APh XLIV p. 712). Phan Al dk [49-11523 Stricker B. H. - De praehelleense ascese (Vervolg). OMRL 1976 LVII : 299-333. * Le symbolisme du soleil et les rites de purification dans les mondes égyptien, juif, hellénique et chrétien. PN A C q9 q [49-11524 Û memmen Stricker B. H. - De praehelleense ascese. Vervolg. OMRL 1980 LXI : 209-251. * Votum, nuncupatio et serment dans le monde gréco-romain et chez les peuples d'Orient (cf. APh XLIX N° 11523) & (cf. APh XLIX N° 11524). CAL = [51-11160 od heerlanhge ma ve beng tan fe A ck Ass U q GW ÔSO5 3 je ° N _— leed mmm SAnccAar Ru. be pre bellers Sy ype - Ae LXIV Kr | en Ar Ra A De Suryk ty AEN tte p l3 83 t- so Sat ‘ag jer veh bede by doe) jeer P v-to

Pagina 2

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
OUDHEIDKUNDIGE MEDEDELINGEN deel LXIV, Supplement, 1983

Pagina 3

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
Het Nazireaat De staat van Naziraeër werd aangenomen bij gelofte *"**. Deze gelofte verschilde formeel niet van de in het voorgaande reeds besprokene, onderscheidde zich daarvan echter materieel. Haar inhoud bestond uit drie stereotype onthoudingen. De Naziraeër moest 1° alle contact met het dode lichaam vermijden. Hij mocht 2° zijn hoofdhaar niet afscheren, en hij mocht 3° geen wijn of sterke drank drinken. Deze onthoudingen behoorden onverbrekelijk bij elkander. De Naziraeër moest haar alle gelijkelijk in acht nemen. De term “vn is passief participium, afgeleid van het werkwoord “ma, dat, naar de klankwetten beoordeeld, identiek is met het Arabische werkwoord nadara, „beloven”, „een gelofte afleggen”. In deze betekenis bezigt het Hebreeuws echter het werkwoord »73, dat het aan het Aramees ontleend kan hebben; in welke taal de consonant d van het oer-Semietisch en Arabisch als d en niet, als in het Hebreeuws, als z optreedt. De betekenis van “n in het Hebreeuws is „afscheiden”, In deze betekenis gebruikt, moet het werkwoord denominatief zijn, afleiding van juist het substantief vn, „Naziraeër”. Het geraakte in de latere periode buiten omloop. De reden dezer zonderlinge verschuiving moet gezocht worden in de ontwikkeling van het Nazireaat. De eenvoudigste verklaring van de term “mn is wel deze, dat hij oorspronkelijk de bij gelofte geschonkene, de oblaat, betekende. Kinderen, die op deze wijze aan God en zijn heiligdom vervielen, herkregen hun vrijheid, wanneer zij eenmaal in hun eigen levensonderhoud konden voorzien, maar kozen daarna veelal voor de geestelijke staat. Een goed voorbeeld ware Samuel, door zijn moeder bij gelofte aan Jahwe toegezegd, in diens heiligdom opgegroeid en in het latere leven profeet 253. De vn, de „beloofde of voorwaardelijk geschonkene, was verwant met de ns, de onvoorwaardelijk „geschonkene”, en met de N°aa, de door Jahwe „geroepene”’, de profeet. Het Nazireaat ontwikkelde zich in een geheel eigen richting, kunnen wij veronderstellen, werd opengesteld voor ook anderen dan alleen oblaten, en de binding met de gelofte ging vroegtijdig verloren. $39 De Zonnegod wordt verontreinigd door de aanblik van het lijk. Dit mocht hem dan ook niet worden getoond °”**, maar moest worden begraven *”**. De god zelf stelde de zede van 2752 Zie noot 3046. 2753 Vgl. Flav. Jos., Antiq., V 347. 2154 Joden: Theophrast., De Pietat., fr. 13 (Pötscher); Flav. Jos, Bell. Jud., IV 382-383. Grieken: Ps.-Phocylid., Sentent., 100-101; Schol. in Hom., Odyss., V 2; Lexic. Sud, sub voce 'Aknòns. Romeinen: Paul., Sentent., 1 21, 4. De goden allen: Eurip., Hippol., 1437-1438; Aclian., Var. Hist, fr. 11 (Hercher); Schol. in Eurip., Alcest., 22. 2755 Egyptenaren: Stob. Herm., XXIII 67 (nepwoté\hew, mummificeren). Joden: Deut, XXI 23; Jerem., XVI 6; Tob., 1 17-19, 11 4-8, XII 12; Siracid., XXXVII 16 (nepiotéhhew); Flav. Jos, Contr. Apion., Il 211; idem, Bell. Jud., IV 317, 331-332, 382-383, Miën., Sanhedr., VI 5; enz. Grieken: Hom, Odyss., XÌ 72-73; Aelian., Var. Hist, V 14;

Pagina 4

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
het begraven in 75° door haar bij middel van boden, volgens de Egyptenaren cen valk 2757, volgens de Joden twee raven °”**, aan de mens te openbaren. Op het aan de zonnegod Apollo gewijde eiland Delus werd in het geheel niet begraven 2°*®. Ook de mens mocht niet met een lijk in aanraking komen *°°®; alleen reeds de aanwezigheid in het sterfhuis verontreinigde °°°!, Het opgraven van een reeds ter aarde besteld lijk was doodzonde?’®?. Men begroef het kind, wanneer overleden, voor zonsopgang °°®*, en deed dit, om der wille van de reinheid, later ook de volwassene °"°*. De door de rechter ter dood veroordeelde werd bij dag, doch eerst op het ogenblik van zonsondergang geëxecuteerd ?"65. De Zonnegod is essentie, het lijk materie 76°, De essentie wordt door de materie, de ziel door het lichaam verontreinigd 2767, Lexic. Sud., sub voce ‘Aknòns; Schol. in Sophocl., Antig., 255; enz. Romeinen: Serv, Comment. in Vergil., Aen, VI 176. Germanen: Egils Saga Skallagrimssonar, 80, 81. 2756 Isocr., Or, XII 169, vgl. IV 55. 2757 Plut… De Is. et Osir., Sl; Aclian., De Nat. Anim, II 42; Porphyr., De Abstin., IV 9. Vgl. B.H. Stricker, De Geboorte van Horus, Leiden, 1963-1982, blz. 233, noot 2284-2286. 2758 Twee reine vogels: Midr. Tanhüm., Berts, 10 (ed. Stettin). Een raaf: Pirq. Rabb. Eliez., 21. Vgl. Qoran, V 34; en zie noot 1724. 2759 Herod., Hist, 1 64; Thucyd., Hist, 1 8, III 104; Diod. Sic., Bibl. Hist, XII 58, 6-7. Vgl. Callim., Hymn, IV 276-277; Pausan., Graec. Descr., IT 27, |. 2260 De leek: zie noot 575, 576, 3130-3134. — De priester, Joden: Levit., XXI 1-11; enz. Grieken: Porphyr., De Abstin., II 50. Romeinen: Senec, Dial, VI 15, 3; Gell, Noct. Att, X 15, 24; Serv, Comment. in Vergil., Aen., III 64, VI 176, XI 76, 143. — De keizer, Romeinen: Tacit., Ann. 1 62; Dio Cass, Hist. Rom., LIV 28, 3-4, 35, 4, LVI 31, 3, ERS 2261 Egyptenaren: vgl. Asclep. Herm, 24; Diod. Sic., Bibl. Hist, 1 84, 2. Joden: Numer., XIX 14, Grieken: Eurip., Alcest… 22; Aelian, fr. 11 (Hercher). Romeinen: Serv, Comment. in Vergil., Aen., 1 329, III 64; zie noot 2966. 2262 Ps -Phocylid., Sentent., 100-101; Paul, Sentent., 1 21, 4. 2763 Grieken: Heraclit., Quaest. Homer. 68; Schol. in Hom., Odyss., V 1; vel. Callim., Anthol. Palat., VIT 517. Romeinen: Senec. Dial, IX 11,7, X 20, 5; Serv, Comment. in Vergil., Aen, XI 143. Orpheus, door de Bacchanten bij zonsopgang verscheurd: Eratosth., Catast 24. 2264 Grieken: Solon, Leg, fr. 109 (Ruschenbusch); Lys., fr. 14 (Thalheim); Plat, Leg, 947c, 960a (heiligheid der stad, waartoe: Talm. Babl., Bäb. Qamm., 82b: Mass. Áb de Rabb. Nät, IV 5, XXXV 2; noot 2225); Demetr. Phaler., fr. 135 (Wehrli); Menandr. Laod., Comment. 1 de Encom., p. 363, 18-19 (Spengel); Julian. Apost., Epist., 77 (Hertlein); Idem, Cod. Theodos., IX 17, 5; Schol. in Hom, Odyss., V 2. Romeinen, lijkverbranding: Donat, Schol. in Terent., Andr, 1 1, 81 (p. 1 72, Wessner); Serv, Comment. in Vergil., Aen, V 1, VI 224, XI 143; vel. Paul, Sentent., 1 21, 1 (lijkoverbrenging). Tot vermijding van onkosten, de armen: Martial, Epigr., VIII 75, 9-10; Fest, De Verb. Signif., sub voce Vespae et Vespillones (p. 506, Lindsay). Tot vermijding van publiciteit: Dionys. Halic., Antiq. Rom, IV 40, 5; Tacit…, Ann, XIII 17. Vgl. Eurip., Troad., 446. 2165 Joden: Talm. Babl., Mö’. Qät.. 14b; ibid. Sanhedr. 46b. Grieken: Plat, Phaed., 6le, 89c, 116e; Olympiod., Comment. in idem, 1 17. Val. B.H. Stricker, Legis Actio Sacramento, Amsterdam, Oxford, New York, 1981, blz, 51, noot 450. 2166 Zie noot 3214. 276" Egyptenaren: Heliod., Aethiop., Il 25. Joden, behalve noot 2765: III Bar. VII 4-5; Flav. Jos, Bell. Jud., II 148; Midr. Ps, XIX 12. Waartoe: Numer., XIX 14; Misn., Ahil., IX 7, 8, 12, 14, XII 2, 5, XIV 5, 6. Indiërs: Manusmrti, IV 142. Grieken, behalve noot 3194: Orig, Contr. Cels, VI 73; B. H. Stricker, De Overstroming van de Nijl, Leiden, 1956, biz. 20, noot 227. Romeinen: Plin., Nat. Hist, II 46. Zonsverduistering, Egyptenaren: Pottenbakkersorakel, P 2, 6-7, 47-48, P 3, 17-18 (naar L. Koenen, Zeitschrift für Papyrologie und Epigraphie, deel II, Bonn, 1968, blz. 178-209. Joden, Romeinen: De Overstroming van de Nijl, blz. 20, noot 229. Zie noot 3034, hieronder. Het leerstuk dezer verontreiniging ontkend. Joden: Testam. XII Patriarch, XII 8, 3; Cod. VII Naë' Hammädì, p. 101, 31-32; vel. Habak., 1 13. Syriërs: Afrahat, Tahwejäta, XXIII 61 (Parisot). Indiërs: Manusmrti, IX 318, X 103-105; Näradasmrti, XVIII 18; Väsisthadharmasästra, XXVII 9. Grieken: Diog. Laert, Vit. Philos., VI 63; Nemes., De Nat. Hom., 174. Romeinen: Tertull., De Spectac., 20.

Pagina 5

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
De onreinheid door beroering van het dode lichaam trof ar het hoofd van de Naziraeêr en niet diens hart. Op zijn hoofd lag de vna Gods °”“®. Het hoofd was symbool van de 2768 zon en genoot bij de Egyptenaren goddelijke verering 2770 De Zonnegod, die op het ogenblik der mctrepping of bij zijn opgang in de morgen uit het oerwater verrijst, wordt door hen afgebeeld als heefd, zien Ee boven cen op het water drijvende lotusbloesem °°”! Het lichaam, de materie , zegt de schrijver Jamblichus, is gelijk te stellen met slijk. Het feit, dat de Zonnegod opgaat „gezeten op een lotus, beduidt (zijn) verhevenheid boven het slijk, hetwelk (hij) volstrekt rd e p ’ di 2972 Tot teken aiet beroert, en wijst op redelijke (voepóg) en verlichte (&uxúptos) heerschappij aldus tot aan de van rouw smeerden de Egyptenaren zich het hoofd met slijk in, en zij bleven begrafenis, twee en zeventig dagen later °°”>. Zij gebaarden als de zon voor haar opgang, nog onder de horizon, en vatten de rouwperiode op als embryonaal. Het ogenblik der begrafenis volgde als dat der (weder)geboorte. Het dode lichaam is als slijk symbool van het kwaad *7”*, van het ontbreken van deugd. van de zon zijn van De zon met haar stralen is als het hoofd met zijn haren * $_De haren heeft een gelaat goud; de zon heet zpeesoróbpas, auricommus?776 De leeuw, haar heilig dier, rond als zij, met vurige ogen en daaromheen op stralen gelijkende haren 279) Heracles, de zonncheld, verkeerde drie dagen in de buik van een walvis en verloor daarin zijn haren °””*. De Egyptenaren vereerden de zon in de gestalte van een beeld, welks hoofd ter rechterzijde behaard, ter linkerzijde kaalgeschoren was; daarmede aanduidend, dat de zon over de helft van haar baan zichtbaar, over de helft onzichtbaar is?’”®. Sommigen hunner was kepaAfjs fpttopov, de helft van het hoofd, tot god 2759; d.w.z. de dag en de zomer, of ook de nacht en de 2168 Numer., VI 9, 11; ibid, VI 12 (LXX); Phil. Jud, De Agric., 175. De rede: Phil. Jud, Leg. Alleg., 1 17; Idem, Quod Deus, 89. De ziel: Phil. Jud., De Agric., 176; Idem, De Fug., 115. De rede is in het hoofd of in het hart vervat: Phil. Jud., Quod Deter., 90; Idem, De Poster. Cain, 137; Idem, Quaest. in Exod., II 33, 100 (tempel); vgl. Philostr., Vit. Apollon, VIIL 7, 6. In staat van onreinheid het hoofd van zijn medemens niet beroeren. Indiërs: Mahäbhärata, XIII 107, 35. Zijn medemens bij de hoofdharen vastgrijpen, dodelijke belediging: ibid, VIT 165,120, 166,23,32, 167,32. Zie noot 2578, 2769 Numer., VI 7. Het hoofd, heilig: Numer.. VI 11: Athen., kn En Dipnos., 66c. Het hoofd, symbool der individualiteit, zie noot 1350. Het hoofd, essentie van het individu :RED B.H. Stricker, ‚ H. Het Oude Verbond, A New York, 1984, blz. 68, noot 613. Het hoofd des Nazireaats: Num., VI 9, 18, bis 3 reeden: 2110 Athanas., 5 Contr. Î Gent, =: 9. Zie noot 278 0; K. Parlasc : a, Mumi porträls und Verwandte Denkmäler, Wiesbaden, 1966, pl. 32,3, 33,3, 35,1. Perzen : Sad Dar band Hus, XXVI 4. al Indiërs: Satap athabrähmana, II 6, 3, 14-17, Quast. in Exod., Il 33; Het Oude Verbo nd, biz. 25, noot 159, biz. 64-70, noot 567-625. Zon en hoofd identiek: Macro b., Sat, 1 19, 14; De Geboorte van Horus , biz. 120, afb. 22c. 2111 Dodenb., LXXXI, vignette; De Geboorte van Horus, blz. 411, afb. 60. 2772 Jambl., De Myst, VIT 2. De Indiërs noem en de lotus parkaga, „uit het slijk gebor Het hoofd god, de leden materie: Phil. Jud., en” ee Diod. Sic, Bibl. Hist, 1 72,2, 91,1. ne Slijk, embryonale bouwstof: Ps.-Cal listh., Vit. Alex. Magn., III 17, 39; De Geboorte van Horus, blz. 440- à, Egyptenaren: vgl. Pap. III Chester Beatty, recto, III 3. Grieken: Philostr.. Epist, 16 (p. 349, Kayser); Idem it. Apollon, VII 36 (àuBpootat xaiteg). Indiërs: Mahäbhärata, XII 328, 43. De zonnestralin hansit God: s me: Macrob., Sat, 1 17, 67-68. gf nn Ee Orph., Hymn., XXXIV 9 (Abel); Cornut., Theol. Graec., 32 (p. 66, 20, Lang); Macrob., Sat, 1 17, 47; Martian. Capell. 2778 , De Nupt. Philol. et Merc, 1 12-13. 2777 Horapoll., Hierogl., 1 17. Vgl. Julian. Apost., Or, V 167b, 168b. 2778 Lycophr., Alex, 33-37, met scholia; Sext. Empir., Adv. Math. 1 255. 2779 Macrob., Sat, 1 21, 14. 2780 Lucian, Jup. Trag., 42.

Pagina 6

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
winter. De Grieken vereerden Cairus, de gepersonifieerde Tijd, in de gestalte van het Egyptische beeld, met het hoofd ten halve behaard ?’*!. De Zonnegod is het scheppen als het ware tot taak 2782. Hij heeft door zijn straling de wereld geschapen °’8?, hij houdt haar door zijn straling in stand?’**. Voor het voortbestaan der wereld is het noodzakelijk, dat de straling nimmer onderbroken wordt ?’®S. De god heet daarom àkepoeKóung, ÒKeupeKÓHNG, „ongesneden van haar” 2756, De laurier is hem heilig; welke boom zijn bladeren nimmer afwerpt 2’®”. De haren van het Egyptische beeld, ter linkerzijde, waren bekort, doch niet verwijderd; zij waren als symbolen van wedergeboorte potentieel aanwezig ®'?®. Als van de Zonnegod de stralen het scheppend vermogen, symbolizeerden de haren des mensen diens deugden ?’5°, Het leerstuk betreffende de instandhouding der wereld door permanente schepping neemt in de antieke godsdiensten een plaats in, te groter naarmate de natuurwetten minder zijn onderkend 27°, Men vindt het terug, niet zozeer in het Christendom als wel in de Islaam 27°! Aan de Zonnegod plachten vnopádta opgedragen te worden °°°, plengingen van water, 2281 Posidipp., Epigr., fr. 23 (Schott); Callistr., Ecphr., 6; Himer., Or, XIII 1; Cedren., Hist. Compend., p. 322c:; Tzetz., Chil., VIII 428-434; Phaedr., Fab, V 8; vgl. Auson., Epigr., XXXIII. 2182 Egyptenaren: Corp. Herm., XI 12-13. Joden: Phil. Jud, Leg. Alleg., 1 5. 2783 K. Preisendanz, Papyri Graccae Magicac, Leipzig en Berlijn, 1928-1931, no. XIII 144-145, 450; De Geboorte van Horus, biz. 406-412, $89. 2784 Corp. Herm, XVI 8; Julian. Apost., Or, IV 132c, 133c, 139c, 14la. Vel. Pyr., 486d; Phil. Jud, De Provid.. Il 49 (Hadas-Lebel). 2085 Corp. Herm, XI 14, XVI 10 (rukvóg, àötáheurrtog), XVIII 3 (äkápatov nveùpa); Stob. Herm, XXIII 34 (äkoriaotos); Marc. Anton, In Sem. Ips., XII 30; Plotin., Enn., II 3, 18, III S, 2, VI 9, 9; Jambl., De Myst, 1 9 (ovvegts); Julian. Apost Or, IV 146a (úôpóos); Viötakihä-i-Zätspram, XXI 4. Om deze reden mocht de Joodse hogepriester zijn kleed niet inscheuren: Levit, X 6, XXI 10; B. H. Stricker, De Maat der Dingen, Amsterdam, Oxford, New York, 1976, blz. 32, noot 233, blz. 35, noot 267 (Het naadloze gewaad ook in Ragnars Saga Lodbrókar, 15). God, niet te scheiden van zijn werking: Corp. Herm., XI 12-13. 2786 Macrob., Sat, 1 17, 47: àkepotkónne, quod numquam radi possunt a fonte lucis avelli. Zo reeds: Hom., IL, XX 39: Idem, Hymn. III, in Apoll., 134; Hesiod., fr. 60 (Merkelbach-West); Pind., Pyth., III 14; Cornut., Theol. Graec., 32 (p. 66, 20, Lang); Philostr., Epist, 16 (p. 349, Kayser); vgl. Ovid, Trist… LIl l. 60. Betrokken op de eeuwige Jeugd: Cornut., Theol. Graec., 32 (p. 67, 1-2, Lang); Ovid, Metam., 1 564. 2287 Callim., Jamb., fr. 194, 23 (Pfeiffer); Diod. Sic. Bibl. Hist. 1 17, 4-5: Phil. Jud, Quaest. in Genes, IV 1; Plut., Quaest. Conviv., VIII 4, 2; Cornut., Theol. Graec., 32 (p. 68, 11-13, Lang); Ovid, Metam., 1 564-565; Fest., De Verb. Signif., sub voce Laureati (p. 104, Lindsay); Serv. Comment. in Vergil., Bueol., VII 12; Isid. Hispal., Etym., XVII 7, 2. Zo ook: Theophrast., Hist. Plant, 1 9, 3; Plin., Nat. Hist, XVI 79. De brenger van goede tijding hecht een laurierkrans aan zijn speer: Plut., Pomp, 41. Altijd-groene bomen in Egypte: Hellan., fr. 54 (Jacoby); Theophrast., Hist. Plant, 19, S; Varr., De Re Rustic., 1 7, 6; Plin., Nat. Hist. XV 46, XVI 81. Hetzelfde te Upsala, in Zweden: Adam Bremens., Gest. Hammaburg. Eccles. Pontif., schol. 138. Vgl. Tertult., De Idolatr.. XV 11: Oudh. Med, N.R., deel XXV, Leiden, 1944, blz. 70, noot 1. 2788 Zie noot 3141, 48. 2789 Phil. Jud, Quod Deus, 88-89. Het hoofd, idem: Philostr., Vit. Apollon, VIII 7, 6; Dênkart, III 213, De heilige haardos, de iepòs nhókapos, van de priesteres der godin Cybele: Rhian, Anthol. Palat., VI 173, 2. De nimbus, attribuut Gods: Serv, Comment. in Vergil., Aen., II 590, 616; aureool der Christelijke heiligen: vgl. B.H. Stricker, De Ark des Verbonds, Amsterdam, Londen, 1971, blz. 8, noot 33. De tonsuur ís van heidense oorsprong en verving de krans als symbool van volmaaktheid, teùsrómmtog öeïyua: Lyd., De Mensib., IV 67. De zon zelf, krans: Preisendanz, Papyri Graecae Magicae, no. XXXVII 217; vgl. Corp. Herm, XVI 7. 2790 Egyptenaren: Corp. Herm., XI 12-14, 17, XIV 3, XVI 10, 19; Asclep. Herm. 20, 29; Stob. Herm, V 2. Joden: Phil. Jud, Leg. Alleg., 1 5-6. Kritisch: Idem. De Provid., 1 6 (Hadas-Lebel); Galen, De Us. Part, XI 14. 2791 A:J. Wensinck, The Muslim Creed, Cambridge, 1932, blz. 75-76, 188-189, enz. 2792 Polem. Il, fr. 42 (Müller).

Pagina 7

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
in de eenhoudt, erge ie eenzei ne zal zijn grenzen °”** niet overschrijden. dingen vinden” rite „Alle En zo niet, de Erinyen, helpers van Dice *'°*, zullen hem weten te in haar barn nimmer tot zon de blijven onbewogen cn zijn eeuwigdurend (äsryevhc). omdat stilstand komt” 27°”. „Ware de zon slechts een klein ogenblik onachtzaam” ” en verwaargeheel te gronde te gaan loosde haar taak, niets wederhield de hemel, de aarde en de zee en jammerlijke chaos te afzichtelijke en deze schone en welgelukzalige wereld in de meest verschroeien ; verwijalles zou zij vervallen” 27°°. „Kwam de zon slechts een weinig naderbij, derde zij zich een weinig te zeer, zij zou alles door de koude doen bevriezen” 2800 Onthouding van wijn in de zonnecultus was derhalve eerbetoon aan de god in diens functie van hoeder der wereldorde 25°! Onder de Naziraeërs vertoont een enkele individuele trekken van verwantschap met de Zonnegod. Dat is Simson. Slechts hij, maar hij dan ook zeer opvallend. Van het vele, dat door de commentatoren der vorige generaties over deze verwantschap is geschreven, heeft slechts weinig de toets der kritiek kunnen doorstaan; hetgeen maant tot soberheid. Het Nazireaat was ouder dan Simson, want reeds voor diens geboorte was bepaald, dat hij Naziraeër zou worden °5°?. De trekken, die hem met de Zonnegod verbinden, ontbreken bij de latere Naziraeërs. Dat hij hen aan het Nazireaat ontleende, kan zonder meer dus niet worden verondersteld. Zij vinden veeleer hun verklaring in locale omstandigheden. Op slechts drie kilometer gaans van Simson’s geboortedorp lag waw” ra, Beth-Semes, een zonneheiligdom 28°. De identiteit van Jahwe en de Zonnegod was in de tijd der Richteren waarschijnlijk nog aanvaarde leer?®®4, Aan de Zonnegod ontleende Simson zijn naam®*°S. Als de Zonnegod met diens zeven stralen ?8°® droeg hij zijn hoofdhaar gescheiden in zeven lokken 28°”. Een zijner opvallende daden, de vernietiging van de tarweoogst der Philistijnen door vossen met 2794 Phylarch., fr. 25 (Jacoby). Zie noot 1722. 2194 Tekst: pérpa, Öpor. 2795 De gepersonifieerde Gerechtigheid. 2796 Herachit., fr. 52 (Marcovich). 2797 Jambl., De Myst, VI 7. Zo reeds Plat. Theact., 153, c-d. 2798 Tekst: àpekeiv. 2799 Dio Chrysost., Or, III 75. Zo de mythe van Phaëthon; vgl. Artemid., De Somn. Interpr., 11 36. 2800 Dio Chrysost., Or., III 79. 2801 Voor de Indiërs: Rgveda, 1 105, 16. 280? Richt, XIII S, 7. Velen waren hem voorgegaan: Epiphan., Panar., XXIX 5, 7. 2803 Als wavy in Joz, XIX 41. 2804 De Ark des Verbonds, blz. 24, noot 110-119. 2805 Vgl. Talm. Babl., Sot., 10a; en Flav. Jos., Antig., V 285. 2809 Orac. Chald., fr. 194 (Des Places); Julian. Apost., Or, V 172d; Procl., Comment. in Platon. Tim, p. 1 (Dicht); Rgveda 1 105, 9, VIII 72, 16; Atharvaveda, VII 107, 1 Egyptenaren: Corp. Herm, 1 34, 21 9; Firm. Matern., De Err. Prof. Relig., VIII 2; Oudh. Med., deel XXXIV, Leiden, 1953, blz. 44, afb. 7; ibid, dit Supplement, blz. 58, afb. 6. De godin Sfh.t-b.w, de „reine”, of de „zeven-stralige”, val. A. Erman en H. Grapow, Wörterbuch der Ägyptischen Sprache, Leipzig en Berlijn, 1926-1953, deel IV, biz. 116, noot 19, blz. 117, noot 6. Zeven openingen van het hoofd: Jambl., Theol. Arithm., 50-51; De Geboorte van Horus, blz. 492, noot 6112. 2807 Richt, XVL13,-19.

Pagina 8

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
brandende fakkels aan de staarten gebonden in het gewas op de akker los te laten 28°8, kan geïnspireerd zijn door een praktijk in de zonnecultus. Op de negentiende april werden te Rome telkenjare ter ere der godin Ceres vossen met brandende fakkels aan de staarten in het circus losgelaten **°*. Welke rol Ceres in deze zede ook speelde, het circus was heilig aan de Zonnegod **!°. De vroeg-Christelijke auteurs identificeren Simson vanwege zijn grote kracht met de Griekse Heracles ®®'!. Van deze identificatie uitgaand schetsen genoemde commentatoren ook Simson als zonneheld, mythische veeleer dan historische figuur. De Hebreeuwse tekst verleent aan deze veronderstelling enige steun. Simson verliest zijn bovenmenselijke kracht, wanneer zijn hoofdharen afgesneden worden, en herwint haar, wanneer zij weder aangroeien °8!?: hij heeft de vermogens van de Zonnegod zelf aangenomen. Helaas, het profiel van de zonneheld is in de antieke letterkunde noch scherp getekend, noch ook homogeen. Om zo verregaande conclusies te kunnen trekken als in het verleden getrokken zijn, zal men eerst over geheel nieuwe en betere parallellen moeten beschikken. De parallellen voor het Nazireaat zelf zijn schaars en summier. Een groep personen in Egypte, aldaar terloops vermeld, liet het hoofdhaar ten halve groeien, schoor het ten halve af?*!3 Bij de Libyers van het volk der Maxyes in het huidige Tunesië was dit de nationale haardracht: de rechterzijde van het hoofd begroeid, de linkerzijde kaalgeschoren ?®!'*. De cynische wijsgeer Diogenes, afkomstig uit Sinope, Griekse kolonie op de Klein-Aziatische kust aan de Zwarte Zee. verscheen ten halve kaalgeschoren op een gastmaal te Athene ?%!5, Het beeld van de Zonnegod, hierboven beschreven °*'°, was ongetwijfeld het model, waaraan de Egyptische haardracht was ontleend. Het is dus aan te nemen, dat de op genoemde wijze gekapte personen aan de Zonnegod heilig waren en‚ behalve in hun haardracht, ook in hun levenswijze aan zekere voorschriften waren gebonden. $40 Wat over het Nazireaat bekend is, wordt uit drie tekstgroepen getrokken. De eerste dezer bestaat uit passages betreffende individuele Naziraeërs in de historische en van voor de ballingschap daterende boeken Richteren en Samuel. De tweede bestaat uit het reglement van het Nazireaat, opgenomen in hoofdstuk VI van het boek Numeri, heden toegeschreven aan de Priestercodex en derhalve daterend uit de tweede helft van de vijfde eeuw v. Chr. ?®!”, De derde bestaat uit het tractaat Nazier in de Misjna en is uitvoeriger dan de beide voorgaande tezamen, maar ook van veel later datum; zijnde het einde van de tweede eeuw onzer jaartelling ?*'®. Deze 2808 Richt, XV 4-5. 2809 Ovid., Fast, IV 679-712. Vgl. de Griekse naam Aáprovpig voor de vos. 2810 Tertull., De Spectac., 8; Coripp., Paneg. in Laud. Justin. 1 338-339; Isid. Hispal., Etym., XVIII 28, 1. 281: Euseb. (Hieron.)., Chron., p. 11, 62a, 280 (Helm); Idem, Praep. Evang., X 9, 7; Filastr., Divers. Haercs., VIII 2; Augustin, De Civ. Dei, XVIII 19; Syncell., Chronogr., p. 163d. 2812 Richt, XVI 17, 19, 22; Flav. Jos, Antig., V 312, 314. Zie noot 2788. 2813 Lucian, De Mort. Peregr., 17; B. H. Stricker, Camephis, Amsterdam, Oxford, 1975, blz. 76-77, noot 675. Joden: vgl. Miën., Makk., III 5. Grieken: vgl. Artemid., De Somn. Interpr., 1 21. Bespotting: De Geboorte van Horus, blz. 33, noot 220; II Sam, X 4. 2814 Herod., Hist., IV 191. 2815 Diog. Laert., Vit. Philos., VI 33. 2816 Zie noot 2779. 2817 Rabbinale commentaren: Midr. Sifr., in Numer., 22-38; Midr. Numer. Rabb, X 1-25. 2818 Uitgave en commentaar: Die Mischna, Giessen, Berlijn, New York, vanaf 1912, deel IT 4: M. Boertien, Nazir (Nasirâäer), ibid, 1971.

Pagina 9

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
drie groepen kunnen tot twee worden herleid, daar de tweede en derde nauw met elkander wij in de documenten verwant zijn en zich daarin van de eerste onderscheiden. Zo vìnden historische gelaagdheid en verdelen haar in een ouder, beknopter, en een jonger, uitvoeriger deel. De periode der Babylonische ballingschap vormt de scheidslijn tussen beide. Het oudere, voorexilische Nazireaat was dat der profeten Simson en Samuel. De bijbelse auteur behandelt hun daden en vermeldt de onthoudingen, waartoe zij verplicht waren, maar heeft niet de pretentie een systematische uiteenzetting van het Nazireaat te bieden. Hij schrijft voor lezers, die met de instelling vertrouwd waren en, anders dan wij modernen, geen nadere toelichting behoefden. Simson wordt Naziraeêr genoemd °*'°. Zijn moeder onthield zich voor zijn geboorte van wijn °°°. Hemzelf wordt deze onthouding niet toegeschreven 2821 maar hij liet zijn haren uitgroeien ?®??. Hij vermeed anderzijds aanraking van het dode lichaam niet, schiep honing uit het lijk van een door hem gedode leeuw °***, ontdeed de door hem gedode bruiloftsgasten eigenhandig van hun klederen °*2* en verdedigde zich tegen zijn vijanden met een vochtig ezelskinnebakken 28°; in alle gevallen zonder zich, althans textueel, van de besmetting te reinigen. Samuel wordt niet als Naziraeër betiteld en de hem opgelegde onthouding betreft slechts de haren, dewelke hij niet mocht afscheren °52®. Ondanks het zwijgen van de tekst houden de antieke commentatoren het erop, dat ook hij Naziraeër was 252”. Niet allen doen dat; volgens sommigen was hij het niet?**®. De mening dezer laatsten lijkt niet zozeer door historische als wel door systematische serupule ingegeven. Zij projecteren op het voor-exilische Nazireaat de maatstaven hunner eigen post-exilische dagen °*2?. Oe ninae RporôtokouPt20, eerstgeborenen. Beider moeder gold als genblik hunner geboorte?*®!. De komst van Simson werd die ens. ee door een engel, ten huize of in het vrije veld 2532, en deze engel stelde de eik in aziraeêr z ü i F se. 8 Jahwe afgesmeekt, in of voor de Ln. edn, en doods °**5 Samuel werd van geboorte aan Jahwe te zullen schenken. alie daan is ke eg Ee gelofte af het kind na zijn p jns levens“ “”. Een engel, verschijnend op 2819 Richt, XIII 5, 7, XVI 17. 2820 Richt, XIII 4, 7, 14. 2821 Vgl. Flav. Jos, Anti q., V 285 (nepì mv Siarrav swepoaûvn). 2822 Richt, XIII 5, XVI 17, 19; Flav. Jos., Antg., V 285. 2823 Richt, XIV 9. 2824 Richt, XIV 19. oes Richt NV S17. ed 1 Sam, 111; Flav. Jos, Antiq., V 347. Misn., Näz., IX 5. Vel. Siraci : IV Qumrân. 1 Sam. 8 1 22 2 23 (naar F.M. Cross, Bulletin of the American tien à, olanen Wote nd nen CXXX .IL, Jeruzalem en Bagdad, 1953, L, 3). Onthoudi blz. 15-26; kolom ding van wijn: 1 Regn., 111 (LXX ‚ Flav. Jos, Antiq., V 347 ne en 2845 Siracid. 5 XLVT 1 tveis-G . Graec. ); Flav. : Fla Jos, Antii q, :V 347 (val. 344), Min , Naz, IX 5; Targ. Jon. 2829 Vel. Miën., IV 6, aanhef, met Sam, 1 11. 2830 Epiphan., Panar., XXIX 57: SL Riht XL 2 301 Sam. 12 -8. Vel. Johannes de Doper, Ev. Luc. 1 7, 36. 2832 Richt, XIII 3, 9. 2833 Richt, XIII 5, 7, XVI 17. SNT San Oelde s: BT Sam. PHS96

Pagina 10

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
gezichtsafstand van Beth-Semes aan een vrouw, die haar zoon Simson noemen zal, moet wel door de in dit heiligdom vereerde god gezonden zijn. Zoals Samuel kan Simson zijn geschonken, ook al bleef hij met zijn ouders in aanraking en bezorgden deze laatsten zijn huwelijk 2836, Juist de eerstgeborene kwam voor schenking in aanmerking. Deze was in beginsel aan Jahwe verschuldigd °**” en werd hem oudtijds ook geofferd. De schenking, die voor dit offer in de plaats kwam, was op levensduur. Met het verlangen van de geschonkene zelf, gewoonlijk zuigeling, werd geen rekening gehouden. De reconstructie van het voor-exilische Nazireaat wordt bemoeilijkt door het feit, dat de gegevens aangaande Simson en Samuel, hoewel aan elkander passend, elkander niet dekken. Simson was Naziraeêr, maar volgens de tekst niet aan enig heiligdom verbonden. Samuel was aan een heiligdom verbonden, maar volgens de tekst niet Naziraeër. Reeds de Rabbijnen hebben met deze moeilijkheid te kampen gehad. S4l In het heiligheidsgebied des tempels, naar de leer op het middelpunt der aardschijf gelegen °°°, werd de welgelukzalige oertijd in stand gehouden. De mens leefde in de oertijd met zijn medemens en met de overige schepselen in vrede. Er was geen doodslag, want men voedde zich met vruchten °**®. Men schoor zich de haren niet af, bij gemis aan werktuigen daartoe °**®, Men at wel druiven, maar er was geen wijnbouw ?®*!. In overeenstemming daarmede was binnen de muren van het heiligheidsgebied alle doodslag verboden °**?. Wapens 2*** en ijzeren voorwerpen 2*** mochten er niet worden binnengevoerd. Het afsnijden der haren, waartoe in de oudheid het mes en niet de schaar werd gebezigd °®**, was met doodslag gelijkgesteld, want in het heiligheidsgebied had het symbool kracht van realiteit ?**®. Men mocht binnentreden in 2836 Richt, XIV 2-5, 10; vgl. 1 Sam., II 19. 2837 Zie noot 1527. 2838 De Geboorte van Horus, blz. 386, noot 4025-4033, blz. 396-406, $ 88. 2839 Zie noot 411, 413, 414. 2840 Postulaat; geen bewijsplaatsen. 2841 Orph., fr. 154 (Kern); Moschion Trag., fr. 6, 24-25 (Nauck). 2842 Egyptenaren: H. Junker, Das Götterdekret über das Abaton, Wenen, 1913, blz. 22 ($7, 45), 31 ($7, 25); De Geboorte van Horus, blz. 384, noot 3972; noot 1822, 2604, hierboven. Joden: Flav. Jos., Bell. Jud., IV 201, V 10, 18. Arabieren: A.J. Wensinck, A Handbook of Early Muhammadan Tradition, Leiden, 1927, blz. 93. Grieken: Pythag., apud Jambl., Vit. Pyth., 154; Callim., Hymn, IV 277; Pausan., Graec. Descr., II 27, |. Germanen: Edda, Lokasenna, praef.; Snorri Sturluson, Edda, Gylfaginning, 48; Landnámabók, 297; Egils Saga Skallagrimssonar, 49; Eyrbyggja Saga, 4. Dezelfden, Helgoland: Alcuin, Vit. Willibrord, 1 10. Dezelfden, de gerichtsplaats: Torgrims Táttr Hallasonar, p. 301 (Kristjánsson). 84) Egyptenaren: Pianchi-stèle, 12; Pap. Spiegelberg, XV 3; U. Wilcken, Urkunden der Ptolemäerzeit (Ältere Funde), Berlijn en Leipzig, 1927-1957, no. 5,10, 6,9, 6a,5. Arabieren: zie noot 2842. Grieken: Strab., Geogr., VIII 3, 33; F. Sokolowski, Lois Sacrées des Cités Grecques, Supplément, Parijs, 1962, blz. 115, commentaar op no. 60. Germanen: Egils Saga Skallagrimssonar, 56; Vatnsdoela Saga, 17. 2844 Indiërs: Ps.-Callisth., Vit. Alex. Magn., III 17, 39, 46. Grieken: Plut., Pracc. Ger. Reip., 26; Sokolowski, op. laud., blz. 114-115, commentaar op no. 59, regel 17-21. 2845 Misn., Negä., XIV 4. Vgl. Pyr., 1428a; Dênkart, VIII 38, 19. 2846 Serv, Comment. in Vergil., Aen, II 116: sciendum in sacris simulata pro veris accipi. Idem, ibid, III 370: in ratione sacrorum par est et animae et corporis causa; nam plerumgue quae non possunt circa animam fieri fiunt circa corpus, ut solvere vel ligare. Zie noot 2392, 2393. Het haar afsnijden, doodslag, behalve noot 692-695, Joden: Phil. Jud., De Spec. Legib., 1 254; Perzen: Dénkart, Ill 80 (p. 58, 2-3, Dresden); Indiërs: Mahâäbhärata, III 256, 7-18; Grieken: Apollod., Bibl, Epit, VI 21; Romeinen: Ovid, Fast, III 341. Het haar der vrouw afsnijden, haar een nieuwe persoonlijkheid verlenen, ten goede of ten kwade, Joden: vgl. Deut, XXI 12; Syriërs: Lucian, De Dea Syr. 6;»

Pagina 11

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
iedere haardracht °**?, in de gewenste klederdracht 25“, maar eenmaal binnengetreden mocht men zich haren ?®*° of nagels ?8°° niet besnijden, noch ook het kleed inscheuren °***. Wijngenot was niet toegestaan, en aan de beschonkene was de toegang ontzegd ***?. Een ieder, die zijn toevlucht tot God nam en deze als smekeling benaderde, was welkom. God, zich uitsprekende bij monde van zijn priesterschap, ontving hem binnen de muren en garandeerde hem het leven, maar eiste, dat hij zich daarbinnen aan het goddelijke heilsplan conformeerde, het reglement in acht nam en zich tevreden stelde met de frugale levenswijze van was ideëel; hij de eerste mens. De binnengetredene was nu iepódovk.os, slaaf Gods. Zijn staat achter zich gelaten. Deze had zijn keuze op God gevestigd en alle menselijke verworvenheden zorgelijk. Voor nagenoeg echter godgewijde staat was door het ontbreken van bestaansmiddelen werden door hun eed allen was de intrede niet keuze, maar noodzaak. Krijgsgevangenen een misdrijf hadden rage winnaars als oorlogsbuit aan God geschonken; landgenoten, die he zich aan, maar deden hun maatschappelijke verplichtingen niet konden nakomen, meldden een heterogeen heiligdommen om een erger lot te ontkomen. De slaven Gods vormden in de gezelschap, dat door de priesterschap met moeite, dus met straffe hand in toom werd gehouden. De term der hiërodulie, zoals hij in de teksten voorkomt, is genuanceerd. Overeenkomstig zijn samenstelling beduidt hij zowel heiligheid als slavernij. De mens is naar zijn oorsprong hiërodule, slaaf Gods***®, verplicht tot instandhouding van diens cultus?*“* en, mits zijn verplichting nakomend, daardoor geheiligd. Hiërodule in engere zin is de vrije of de slaaf, die zich tot de dienst Gods persoonlijk heeft verplicht, met God een formele verbintenis heeft aangegaan. Hiërodule in de engste zin des woords is, als slaaf Gods, de knecht in diens heiligdom, de laagstgeplaatste in de hiërarchie, door de hogergeplaatsten belast met het zware en vuile werk. Over de loopbaan der hiërodulen is slechts het weinige bekend, dat hieronder betrekking tot de tempelslaven en de kátoyot is verenigd. De kinderen vormden met een aparte groep. Zij werden grootgebracht onder de omstandigheden van het moderne weeshuis. Hoewel billijkheid jegens allen moge zijn betracht, moet het lot van het kind. welks ouders op korte afstand leefden van het heiligdom en vandaar erover het kind, dat deze bescherming miste. waak ten, beter geweest zijn dan dat van ledere god had zijn hiërodulen. Genoemd worden in Egypte de goden Bubastis 2855 Grieken: Dio Chrysost, Or, LXIV 3; Philost r., Epist. Erot., 61 (Kayser); vgl. Plut., Lycurg ., 15. De Arabieren plachten aan het haaroffer aan de god Al-Uqaisir een spijsoffer t oe te voegen: Ibn al-Kalbi, Kitäb al-Asnäm, p. 30, 4-5 (Klinke-Rosenberger): Het spijsoffer vulde het bloedi ge offer aan, zie noot 1325, 1373-1377, 1414, 1455, 1457-1461. 2847 De Egyptische priester was kaalgeschoren: noot 1 647-1651, en zo ook de slaaf: noot 2578. De Joodse priester hield hoofd- en baardharen kort: Levit., XIX 27, XXI 5; Ezech., XLIV 20; Ps., CXXXIII 2; Talm. Babl., Sanhedr., 22b. 2848 Zie noot 68, 148, 347, 351, 3004, 3040. 289 Zie noot 110, 2603, 2927. Zo Philostr., Vit. Apollo n, VIII 7, 6: où Beptróv. Men besneed haren en nagels tijdens verblijf in het buitenland niet, noot 699, noch ook aan boord van een schip, noot 2226. Dit was echter om te vermijden, dat het lichaam, of althans een deel daarvan, in onreine aarde of in (onrein) water bijgezet werd. 2850 Zje voorgaande noot en noot 2943, 3011. 2831 Zie noot 2785. 2852 Egyptenaren: noot 207 (iepóv). Joden: noot 219. 2853 Joden: de term man=say; Flav. Jos, Antiq., XI 90, 101; Openb, VII 3. Arabieren: ‘Abd-alläh. De hiërodule, íepòv ocôpa: Strab., Geogr., VI 2, 5. 2854 Oudh. Med, N.R., deel XXXI, Leiden, 1950, blz. 77, noot 102. 2855 Pap. Soc. Ital., no. 440, 1-2.

Pagina 12

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
Heracles 2556, Hermes 285?, Isis 2558, Jupiter-Ammon 2*5°, Sarapis 2869 en Thueris 28°!; in de stad Jeruzalem de god Jahwe, wiens o°rns of oblaten °*°?, maar ook levieten °*°* in de vertaling der Septuaginta iepóöoukot genoemd worden. Een tempel van de god Heracles, niet ver van de stad Canobus aan de kust beoosten Alexandrië gelegen, was wijkplaats voor voortvluchtigen. Dezen werden na hun opname gemerkt °5°*; hetzij getatoueerd, hetzij gebrandmerkt. Zij waren goddelijke have voor de rest huns levens, want de otiypata ípó op hen aangebracht konden niet meer worden verwijderd. Ptolemaeus IV Philopatoor droeg als vereerder van de god Dionysus het brandmerk van een klimopblad°*°* en wilde, dat ook de Joden, als slaven, daarmede gemerkt werden 28°®. De Aethiopiërs zetten ter ere van de Zonnegod een brandmerk op de knieschijven hunner kinderen 28°”. De Gallen, priesters der godin Cybele ?3°®, en de milites of „soldaten’’, vermoedelijk vereerders van de god Mithras ®*®®, beiden in Klein-Azië, waren gebrandmerkt: de laatsten op het voorhoofd. Gebrandmerkt aan de nek of aan de handgewrichten waren ook de vereerders der godin Atargatis te Hiërapolis in Syrië ?8”®. Pythagoras had op zijn rechterdij een beeld van de god Apollo laten aanbrengen ?®”!. De slavernij derzulken was symbolisch en ideëel. Voor talloze anderen betekende het brandmerk het einde hunner vrijheid °*72. Over de levensomstandigheden van de hiërodule, de tempelslaaf, handelen de volgende twee alinea’s. Het eerste der beide besproken gevallen is ontleend aan de bellettrie en emotioneel getint, het tweede, ontleend aan de geschiedschrijving, is reëel. Creüsa, dochter van Erechtheus, koning van Athene, werd door de Zonnegod verleid en baarde een mannelijk kind, dat zij uit schaamte in een grot achterliet. De goddelijke vader deed het vandaar naar zijn heiligdom te Delphi overbrengen en bij zijn altaar te vondeling leggen. De profetes, de Pythia, vond het, ontfermde zich erover en bracht het groot. De jaren gingen voorbij. De vondeling was volwassen geworden en in het heiligdom aangesteld als schat2856 Zie noot 2864. 2857 FE. Preisigke en Anderen, Sammelbuch Griechischer Urkunden aus Ägypten, Straatsburg , enz, vanaf 1915 deel V, no. 7921. 2858 Sammelbuch, deel V, no. 8142. ee Procop., De Aedif., VI 2, 18. De stad in VI 2, 15 als Augila betiteld. A een Graecae, Berlijn, vanaf 1873, deel XIV, no. 914; Wilcken, Urkunden der Ptolemäerzeit, no. 2861 Pap. Frankfort, no. 2, 11, 51; Pap. Hibeh, no. 35, 2-4. 2862 1 Esdr., V 29, 35, VIII 5, 22, 48 (LXX); Flav. Jos., Antiq., XI 2863 1 Esdr., 1 3 (LXX); Phil. Jud., De Praem. et Poen., 74. 2864 Herod., Hist, II 113. 2805 Etym. Magn., sub voce Páàùoc. 128, 134. 2866 II] Machab., 11 29. Vel. Phil, Jud., De Spec. Legib., 1 58. 2867 Lyd., De Mensib., IV 53. Egyptenaren: vgl. Sext. Empir., Pyrrh. Hyp, III 202. 2868 Prudent., Peristef., X 1076-1080. 2869 Tertull., De Praescr. Haeret., XL 4. Vgl. Openb, XIII 16, XIV 1; Gregor. Nazianz., Or. IV, Contr. Julian, 2870 Lucian, De Dea Syr., 59. 2871 Schol. in Lucian, Vit. Auct, 6. Dij: Openb, XIX 16; Vict. Vitens, Hist. Persec. Afric. Prov, II 2; H.D. Schneider en Anderen, Nederlandse Musea, deel VI, Rijksmuseum van Oudheden, Haarlem, 1981, blz, 69, no. 14 het schaaltje no. AD 14. De dij, symbool van prostitutie? 2872 Phil. Jud, De Spec. Legib., 1 58.

Pagina 13

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
bewaarder °°"°. Hij kweet zich nauwgezet van zijn taak, was een godvruchtig man en ze oe lot verzoend °°“. Op een dag kwam zijn moeder Creüsa het orakel van de Zonnegod legen raa r en verkeerden in en stuitte op hem. Moeder en zoon waren vreemden voor elkande tide over ee komend des bloeds, die hen verbond. Een gesprek ontspon zich: — Creüsa: „Wie zijt gij? Welgelukzalig de moeder, die U baarde!” Hiërodule: „Ik word slaaf Gods 25”5 genoemd en ben dat, o vrouw”. Creüsa: „Als wijgeschenk °*’* ener stad, of door een particulier verkocht?” Hiërodule: „Ik weet slechts dit ene: men noemt mij (slaaf) van de Zonnegod”" 257". Creüsa: „Wij, onzerzijds, hebben medelijden met U”. Hiërodule: „Omdat ik niet weet, wie mij heeft gebaard en wie mijn vader is!" **"®. Creüsa: „Woont gij in deze tempel of in de (bij)vertrekken?” Hiërodule: „Het gehele heiligdom is mij tot woonplaats 2879; (ik slaap) daar, waar de slaap mij overvalt”. Creüsa: „Zijt gij als kind of als jongeling in de tempel gekomen? Hiërodule: „Als kind, zeggen zij. die geacht worden het te weten”. Creüsa: „Welke vrouw heeft U hier in Delphi met haar melk gevoed?” Hiërodule: „Ik heb de borst nooit gekend. Wie mij opvoedde. was … Creüsa: „Wie, rampzalige? (Van ellende) ziek, vind ik anderen, die dat zijn als ik”. Hierodule: „De profetes van de Zonnegod; haar beschouw ik als mijn moeder”. Creüsa: „Hoe voeddet gij U, zolang als gij nog niet volwassen waart?” Hiërodule: „De altaren voedden mij **®®, en de toevallig aanwezige bezoeker”. Creüsa: „Rampzalig zij, die U gebaard heeft! Wie kan zij wel geweest zijn?” Hiërodule: „Ik dank mijn leven wellicht aan een misstap dezer vrouw”. Creüsa: „Gij zijt thans in betere staat, want gij draagt fraaie klederen”. Hiërodule: „Ik draag het gewaad van de god, wiens slaaf ik ben”. Creüsa: „Waart gij niet begerig om een onderzoek in te stellen en Uw ouders (terug) te vinden?” Hiërodule: „Vrouw, ik beschik over geen enkele aanwijzing” °**!. — De functie van schatbewaarder betrof tù ÉEo?®®?, het uitwendige gedeelte van de cultus. De taak bestond in het schoonhouden van de tempel ?®®? het besprenkelen der vloeren 25+, het voorzien in de behoeften van de eredienst ?**5, het verjagen der vogels 85, de ontvangst der bezoekers 255”. Bij de inname der stad Troje onteerde de Locriër Ajax de godin Athene in haar heiligdom 2888, Dric jaar na zijn voortijdige dood brak te Locri een epidemie uit °*5°. Het 2873 Eurip., lon, 54: ypugopbhaë. Ibid, SS: raptas. 287% Ibid, (02-111, 128-140, 633-645. Hiërodulie, verkieslijk boven wereldse slavernij: ibid, 556. 2875 Ibid, 309: Qeoù doùhog; zo ook ibid, 132, 182, 327, 1373. Ibid, 1343: AárpusIbid, 310: àváOnpa. Ibid, 1224: iepós, vgl. 1286. Hij draagt de oréppara van de god, ibid, 522. 1877 Hij heeft geen naam, ibid, 1372, vgl. 661, en moet aangesproken zijn als AoEiov (xóvas), ibid, 78. 2878 Vgl, ibid, 109-111. 2879 Vel. ibid, 55-56; noot 2984. Zijn levenswijze wordt in 576 „vagebondage”, àùnreia, genoemd. 2880 Vgl. ibid., 52-53; noot 2988, 2989. 2876 2881 Eurip., lon, 308-329, 2883 Tbid.414. AMD Ibid 121105 2884 Ibid, 105-106, 121-123, 144-153. 2885 Twijgen: ibid, 79-80, 103. Kransen: ibid, 104-105. Wijwater: ibid, 434-436. 2886 Ibid, 106-107, 154-183. 2887 Ibid, 640. 2888 [liu Pers, p. 49-50 (Kinkel); Eurip., Troad., 70, 170-172; Tim. Taurom., fr. 146 Jacoby); Callim., Aet., fr. 35 (Pfeiffer); Strab., Geogr., VI 1, 14, XIII 1, 40; Pausan., Graec. Descr., 1 15, 2, V 19, 5, X 26, 3; Apollod., Bibl, Epít, V 22; Philostr., Her, 31, 4; Quint. Smyrn., Posthom., XII 420-429; Tryphiod., Il. Excid., 647-650; Tzetz., Posthom., 735; Eustath., Comment. in Hom., Odyss., p. 1460, 27-40 (ed. Rom); Schol. in Hom. Odyss., III 135;

Pagina 14

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
orakel werd geraadpleegd °*°® en bepaalde, dat jaarlijks °*°! bij loting °*®? twee maagden °*° uit de honderd aanzienlijkste families °*°®* zouden worden aangewezen om de godin te verzoenen. Dezen werden naar het heiligdom te Troje gezonden, waarin zij verder als smekelingen 25° verbleven. Zij verkregen geen toegang tot de godin °*°° en waren in feite slaven °59”. Zij waren kaalgeschoren, droegen slechts een enkel kleed, zonder hoofddeksel, en waren ongeschoeid 25°. Haar taak bestond in het boenen en schrobben van het heiligdom **°®. Buiten het heiligheidsgebied waren zij vogelvrij, mochten door een ieder ongestraft worden gedood en werden dat ook; slechts des nachts konden zij het wagen uit te gaan °°°®. De maagden moesten blijven, wanneer zij niet werden afgelost °°°*, en velen harer werden in dit ellendige bestaan oud °°°? Bij haar overlijden mochten zij niet in de Trojaanse aarde worden begraven °°°. Zij werden stervend op het strand gelegd ?°°*, vervolgens werd haar lijk met onvruchtbaar en wild hout verbrand, en werden de beenderen vanaf een berg in zee gestort °°°5, De verzoening der godin moest gedurende duizend jaar worden voortgezet 2°°®; zij werd dat tot het midden van de vierde eeuw v. Chr. °°°? De Locriërs stuurden na verloop van tijd nog slechts een enkele Vergil., Aen. 11 403-406; Hygin., Fab, CXVI 1; Dict. Cret.. Ephem. Bell. Troj., V 12. Voor het hier volgende, noot 2889-2910, vgl. A. Wilhelm, Jahreshefte des Österreichischen Archâolog ischen Instituts in Wien, deel XIV, Wenen 1911, blz. 163-256. 2885 _Apollod.. Bibl, Epit., VI 20. en, Tim. Taurom., fr. 146 (Jacoby); Apollod.. Bibl, Epit.… VI 20. pa en ei Aclian., fr. 47 (Hercher: Lexic. Sud., sub voce Fou); Ee 3 ne: acoby); Callim., Aet., fr. 35 (Pfeiffer); Polyb., 2893 Tr nl en Lim. Taurom., fr. 146 (Jacoby); Apollod., Jambl., Vit. Pythag., 42. Hist, XII $, 7; Apollod., Bibl, Epit., Bibl, Epit., VI 20; Aclian., fr. 47 (Hercher; Lexic. Sud, sub voce 2894 Polyb.. Hist. XII S, 7. 2895 Apollod., Bibl., Epit, VI 20, 22. ee Tim Taurom., fr. 146 (Jacoby); Apollod., Bibl, Epit., VI 21. on nr iederen fr. 146 (Jacoby); Euphor., fr. 192 (van Groningen). Priesteressen, {ëpcrar: 2898 Tim. Taurom., fr. 146 (Jacoby); Euphor., fr. 192 (van Groningen); Apollod., Bibl, Epit, VI 2. Voor het kaalscheren, vgl. Pausan., Graec. Descr.. 11 3, 7; noot 2578. en Behalve noot 2898: W. Otto, Beiträge zur Hieroduli e im Hellenistischen Ägypten, München, 1949, blz. 1214; F. Preisigke en E. Kiessling, Wörterbuch der Griechisc hen Papyrusurkunden, Berlijn en Amsterdam 1924-1971 deel III, blz. 379, sub voce Kaòhvvrno; Supplement, deel 1, blz. 135, sub voce ead., blz. 224, sub pan: Mbvepe. Zo vok de Joodse levieten: Phil. Jud, De Spec. Legib., 1 156. 2208 Tim. Taurom., fr. 146 (Jacoby); Apollod., Bibl., Epit, VI 21-22; Aen. Tact, De Obsid. Tol, XXXI 24: Tzetz., Schol. in Lycophr., Alex, 1160. Vgl. Herod., Hist, VII 197. kt hes Taurom., fr. 146 (Jacoby); Apollod., Bibl, Epit, VI 22; Tzetz., Schol. in Lycophr., Alex, 1160, uphor., fr. 192 (van Groningen): Aelian.. fr. 47 (Hercher); Lexic. Sud, sub voce Kateyhpasav. Vel. Aristot., fr. 485 (p. 308, 19, Rose). 2903 Tim. Taurom., fr. 146 (Jacoby); Tzetz., Schol. in Lycophr., Alex, 1159. 2904 Tzetz., Schol. in Lycophr., Alex. 1155. 2905 Tim. Taurom., fr. 146 (Jacoby). 2906 Tim. Taurom.. fr. 146 (Jacoby); Callim., Aet., fr. 35 (Pfeiffer); Apollod., Bibl, VI 20, 22; Jambl., Vit. Pyth, 42. 2907 Tim. Taurom., fr. 146 (Jacoby); Strab., Geogr., XIII 1, 40.

Pagina 15

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
maagd *°°*, en tenslotte zuigelingen met verzorgsters °°°®. De hiërodule substitueert in dit geval duidelijkerwijze een mensenoffer °*'®, maar de substitutie schijnt wreder dan de executie. Hiërodulen, slaven Gods, vrijen in de menselijke maatschappij, waren de personen, die zichzelf in de teksten betitelen als êv katoyù övres, of korter als (&y)kátoyot. Zij worden vermeld in de dienst der goden Bes*®'! en Sarapis®®'? in Egypte, in de dienst der goden Hermes °°'*, Pan °°!4, Sarapis?®!* en Zeus?°'® en der godinnen Cybele 2”, Demeter 2°'8, Isis2®!® en Persephone °°° daarbuiten. Deze personen verbleven in het heiligheidsgebied des tempels 2°?*, dat zij gedurende de katoyn in het geheel niet??? of slechts bij wijze van uitzondering gedurende een korte tijdspanne °°?* verlieten. De lengte van hun verblijf werd, in theorie althans, niet door henzelf bepaald; zij werden door de god in de katoyn opgenomen ?°?* en daaruit ontslagen °°°. Hun taak in het heiligdom bestond in het verrichten van lekendiensten 2°2®. Van de overige aanwezigen onderscheidden zij zich door hun uiterlijk. Zij lieten de haren uitgroeien?” en wisselden niet van kleed *®** Sommigen onder hen hadden zich ten teken hunner slavernij met ketenen beladen °°? De kúátoyoc was van God 2908 Tzetz., Schol. in Lycophr., Alex, 1159. 2909 Tim. Taurom., fr. 146 (Jacoby); Apollod., Bibl, Epit., VI 22. 2910 Vgl. Schol. in Eurip., Med, 264; noot 2496, hierboven. 1, 2911 Memnonium te Abydus, graffito no. 506 (Perdrizet-Lefebvre): vgl. Sammelbuch, deel no. 1066. 23 2912 Memphis: Wileken, Urkunden der Ptolemäerzeit, no. 2-105. Alexandrië: vgl. Euseb., Hist. Eccles, XI (áyvebovteg). 2913 Hesych., Lexic., sub voce Kátogot. 2914 Poll, Onom., [ 19. 2915 Priëne: Inser., no. 195 (Hiller von Gärtringen; ad 29). Smyrna: A. Böckh en Anderen, Corpus Inscriptionum Graecarum, Berlijn, 1828-1877, deel [I, no. 3163. 2916 Baetocacce in Syrië: Corpus Inscriptionum Graccarum, deel III, no. 4474 (ad 60) en 4475, W. Dittenberger, Orientis Graeci Inscriptiones Selectae, Leipzig, 1903-1905, deel 1, no. 262. Vgl. H. Seyrig, Syria, deel XXVIII, Parijs, 1951, blz. 191-206. 2917 Hesych., Lexic., sub voce KúBnBos; Etym. Magn., sub voce Aivövpov. 2918 Arrian., Bithyn., fr. 33 (Roos). 2919 Priëne: Inscr., no. 195 (Hiller von Gärtringen; ad 29). 2920 Zie noot 2918. oel Katoyn: Ptolem., Tetrab., III 13 (p. 163, Camerarius): Vett. Val, Anthol.. I1 7 (p- 63, 29), 16 (p. 73, 24), V 1 (p. 210, 2-3, Kroll). Detentio: Liber Hermetis, p- 26,33-34, 66,21, 76,28, 82,8, 90,7 (Gundel); Firm. Matern., Mathes., IV 2,1, 24,3. 2922 Wileken, Urkunden der Ptolemäerzeit, no. 2,22-23, 3,8, 4,9-10, 6,36. 9,10-11. 10.17-18, 11.18. 15,7-8; vgl. 52,6, 53,6-7. Gedurende enige tijd: ibid, no. 59,7-9, 60,7. Vijf jaar: ibid, no. 2,3. Acht jaar: ibid. no. 6a, 2-4. Tien Jaar ibid, no. 5,3, 6,4. Vijftien jaar: ibid, no. 13, 11-16. Twintig jaar: ibid, blz. 656-665. 2922 Memnonium te Abydus, graffiti, no. 28, 220, 506 (Perdrizet-Lefebvre)? 2924 Wileken, op. laud., no. 59,12, 60,10-11: àro%apBäverv. Vgl. noot 1820, 1833, 1837. 2925 Wilcken, op. laud., no. 59, 25: ärokùerv. 2926 Offer: Wilcken, op. laud., no. 97 (III 14, 18), 99 (1 14, 16, 36, 40), 101 (II 7); vgl. Strab., Geogr.. XII 3, 36, en noot 2751. Bewaking: Wilcken, op. laud., no. 6a, 2; vgl. noot 1819. 2927 Maneth., Apotelesm., 1 241-242; Herm. Trism.. in Catalogus Codicum Astrolog orum Graecorum, Brussel, vanaf 1898, deel VIII 4: P. Boudreaux, Codices Parisini, p. 165, 3-4; Firm. Matern., Mathes., III 2,18, 6,17. Vel. Philostr., Vit. Apollon., 1 8; Epiphan., De Fid., 11, 2. 2918 Maneth., Apotelesm., 1 241; Herm. Trism.. loc. cit, p. 148,2, 165,16; Firm. Matern., Mathes.. III 6. 17 (vuil); vgl. Epiphan., De Fid., 11, 2. Dit wil niet zeggen, dat zij het niet wasten. 2929 Maneth., Apotelesm., 1 239-240. Vel. Epiphan., De Fid.,

Pagina 16

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
bezeten *°°9, hij had de gave der profetie?®!. Hij nam zijn intrek in het heiligdom in vrije wil 222%, als eerbetoon aan de godheid, met dewelke hij zich door een mystieke band verbonden gevoelde. In de tempel te Nob in Palestina bevond zich op het ogenblik, waarop David, vluchtend voor koning Saul, daar binnentrad, „een man van de knechten van Saul, te dienzelfden dage opgehouden voor het aangezicht van Jahwe” °°* Opgehouden, >xy3, kan hier betekenen: êv Katoyù öv, al biedt de vertaling der Septuaginta: ovvegópevos veeooapav 292 Dezelfde betekenis kan aan het werkwoord worden gehecht in een andere passage. De profeet Nehemia, naar het leven gestaan door zijn vijanden, is aan het woord: „Als ik nu kwam in het huis van Semaja, de zoon van Delaja, de zoon van Mehetabeël — hij nu was besloten —, zo zeide hij: „Laat ons samenkomen in het huis Gods, in het midden des tempels, en laat ons de deuren des tempels toesluiten; want zij zullen komen om U te doden, ja, bij nacht zullen zij komen om U te doden” 2°3. Semaja was „besloten”, wsy; in de termen der Septuaginta: kaì aùtòg ovveyópevog °°36. Verkeerde hij in katogt, dit had hem niet verhinderd het heiligheidsgebied des tempels te verlaten en tehuis te verblijven. De priesterschap moet de bevoegdheid hebben bezeten in geval van urgentie tijdelijk ontheffing te verlenen. Aan de katoyt doet ook de staat denken der „te hoop komende vrouwen, die te hoop kwamen voor de deur van de tent der samenkomst” 2°3?, of, verstaan in de zin der Septuaginta, der „vastende vrouwen, die vastten bij de deuren van de tent der samenkomst” 2°*®; en van wier spiegels Mozes het koperen wasvat maakte. De betekenis al dezer passages blijft echter onzeker. Aan de zedelijke reinheid zijner bewoners beantwoordde de materiële reinheid van het heiligdom zelf. Deze laatste werd onderhouden door de tempelslaven, die dagwerk aan haar hadden °°°. De offercultus, waarin het bloed der geslachte dieren in stromen vloeide, en de permanente aanwezigheid van het tempelpersoneel waren oorzaken van nimmer aflatende verontreiniging. De Kútoyot met name stellen ons voor een probleem. Zij verlieten gedurende de periode hunner verbintenis het heiligdom in het geheel niet. Hoe was deszelfs reinheid te verenigen met hun persoonlijke hygiëne? $42 Een geschrift uit de Christelijke periode, Me'arrat Gazze, de „Grot der Schatten’”’, verstrekt aanvullende informatie. De auteur van de in het Syrisch geredigeerde tekst leefde in Mesopotamië in de zesde eeuw A.D. De verplichtingen, die hij doet opleggen, zijn reeds in de litteraturen der voor-Christelijke periode aan het verblijf op heilige grond inhaerent. Van belang is, dat hij haar identificeert met de verplichtingen van het Nazireaat. 2940 Phil. Jud., De Plantat., 39; ldem, De Migr. Abrah., 35; Plut., Alex, 2; Poll, Onom., 1 15-16; Dio Cass. Hist. Rom, XLIX 15, 2; Hesych.. Lexic., sub vocib. katêyeoda, kátoyot. 2931 Plat, Men, 99d; Arrian., Anab., IV 13, 5; Phil. Jud, De Plantat, 39; Idem, De Migr. Abrah., 35: Idem Quis Heres, 69; Vett. Val, Anthol., II 16 (p. 73, 24-25, Kroll); Pausan., Graec. Descr., X 12, 3: Wilcken Urkunden der Ptolemäe rzeit, no. 70, verso, 71, 2-4. Christenen: Euseb., Hist. Eccles, 2942 Vert. Val., Anthol., V 1 (p. 210, 6-7, Kroll): èrì Sóën. 2933 1 Sam, XXI 8 (7). 1934-T Reen. XXI8 (LXX). 2935 Nehemj., VI 10. Onzeker, vgl. Jerem., XXXIII 1, XXXVI 5. 2936 1 Esdr., XVI 10 (LXX). 2937 Exod., XXXVII 8. Zie noot 2055. 293 Exod., XXXVIII 26 (LXX). Zie noot 2056. 2939 Zie noot 2899.

Pagina 17

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
voor het lijk van Methusalem beval op zijn sterfbed zijn kleinzoon Noach zorg te dragen en hun beider voorvader Adam. Hij moest dit naar het middelpunt der aarde 2940 overbrengen „mocht aldaar geen bloed een zijner nakomelingen met de zorg ervoor belasten. Deze persoon vergieten en moest alle dagen zijns levens Naziraeër °°** zijn. Hij mocht geen vrouw nemen en vogels ten offer geen woonhuis aldaar bezitten. Hij mocht aldaar geen viervoetige dieren of brengen, doch alleen wijn en brood aan God offeren” 2°*2. Hij „moest zich in dierenvellen kleden. Hij mocht het haar zijns hoofds niet afsnijden, noch zijn nagels besnijden. Hij moest ook alleen blijven, omdat hij was priester des allerhoogsten Gods” °**. Zelf aan het einde zijns levens gekomen, droeg Noach zijn zoon Sem op de taak aan diens nazaat Melchizedek op te leggen. Sem en Melchizedek namen nu het lijk van Adam met zich mede en kwamen te Golgotha, het middelpunt der aarde, en zij begroeven het. Toen zeide Sem tot Melchizedek: „Gij, wees priester des allerhoogsten Gods, want U alleen heeft God uitverkoren om voor hem te dezer plaatse te dienen. Verblijf hier voor eeuwig en verwijder U niet van deze plaats alle dagen Uws levens. Gij zult geen vrouw nemen, Uw haar niet afsnijden en geen bloed vergieten in deze plaats. Gij zult hier geen viervoetige dieren of vogels offeren, doch eeuwiglijk slechts brood en wijn. Een gebouw mag boven deze plaats niet worden gebouwd. En zie, de engel des Heren zal te allen tijde tot U afdalen en voor U zorgen” °***. Sem zeide Melchizedek vaarwel, liet hem achter en keerde huiswaarts. Toen hij aldaar teruggekeerd was, vroegen Melchizedek's ouders hem: „Waar is de knaap, die gij medegenomen hebt?” En hij zeide: „Hij stierf op de reis met mij en ik heb hem ter plaatse begraven”. En zij treurden zeer om hem °°“. De auteur verraadt zijn Christelijke herkomst door zijn vertrouwdheid met de tekst van het Nieuwe Testament. Hij ontneemt hem de vermelding van Golgotha, het door Jezus’ dood geheiligde galgenveld ***®, en van Melchizedek, de Kanaänietische koning, die hij als diens voorloper beschouwt °°*”. Christelijk in zijn leer is de verplichting tot het coelibaat. De oermens leefde in kudde ?°*8, sober maar niet ascetisch. De Joodse Naziraeër betrachtte lichamelijke reinheid, niet geslachtelijke onthouding. De Griekse filosoof deed dit laatste evenmin. Christelijk ook in de leer des auteurs is diens beperking van de offercultus tot het onbloedige offer. Zijn ontleningen aan het Oude Testament zijn niet minder nadrukkelijk. Hij heeft in het boek Genesis de passage over Melchizedek voor ogen: „En Melchizedek. koning van Salem, bracht voort brood en wijn, en hij was een priester des allerhoogsten Gods” boh gehouden voor, naam der stad Jeruzalem en wordt in de Pentateuch eruzalem werd door de Israëlieten tijdens hun intocht 2°*°. Salem was. of elders niet vermeld. gewapender hand veroverd, haar koning werd gedood L d°°°, Melchizedek, diens voorga nger in voe : een vroegere eeuw, h raham hulde bewezen. Hoewel Kanaäniet, was hij voor de Israëlie ad de aartsvader ten, zijn edelmoedigheid 2940 Me'arr. Gazz., II 15, XVI 22 (Riessler). Zie noot 2838. AEL Tekst: rekati. 2942 Me'arr. Gazz., XVI 23-25 (Riessler). 2943 Me'arr. Gazz., XVI 28 (Riessler). 2944 Me'arr. Gazz., XXIII 19-23 (Riessler). 2945 Me'arr. Gazz., XXIII 25 (Riessler). 2946 Ev. Matth, XXVII 33; Ev. Marc., XV 22; Ev. Luc., XXIII 33; Ev. Joh, 2947 Hebr. V 6, 10, VI 20, VIT 1, 10, 11, 18, 17, 21. Zie noot 2951. 2948 Democrit., fr. 68 B, 5 (Diels; ad 3); Horat., Sat, 1 3, 100. 2949 Genes, XIV 18. 2950 Joz, X 26, XII 10; Richt, 1 8.

Pagina 18

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
ap Hij bracht brood en wijn voort, indachtig, model van het koningschap en het priestersch maaltijd. Daar hij echter feestelijke een voor spijs als 2°S?, bedoelen te schijnt naar de tekst vlees symbool was der het Zoals vatbaar. uitleg priester was, is zijn handeling nog voor andere *®**. Men offerde brood en vergankelijkheid, waren brood en wijn dat der wederopstanding wijn op het graf van de overledene?®**; dus ook op dat van Adam. Dat men zich bij verdagssluiting van slechts brood en wijn bediende, is denkbaar. De auteur heeft verder het oog op de passage in het boek Genesis, waarin Adam en Eva, op het punt staande het Paradijs te verlaten, door Jahwe persoonlijk worden gekleed: „En Jahwe, God, maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen, en toog ze hun aan’ °°*S, Voor de zondeval waren beiden naakt geweest, na het eten van de verboden vrucht hadden zij zich schorten gemaakt van vijgebladeren 25°. De doodslag op het dier wordt in de Joodse overlevering door Jahwe als eerste bedreven °°5”. Hij wordt na de zondvloed door hem ook uitdrukkelijke aan de mens geoorloofd gesteld °°*®. Verliest de mens de goddelijke genade, Jahwe laat zich verzoenen door het onschuldige bloed voor zich te doen vergieten °°*®. De Joodse liturgie was bloedig en bleef dat, toen elders, in Egypte, het onbloedige offer reeds was doorgedrongen *°*®, Ook Jezus gaf zijn bloed; de auteur kiest als Christen voor deze leer. Zijn reconstructie is in dit opzicht voor de aan het Christendom voorafgaande godsdiensten minder juist. De priesters hielden zich van alle doodslag rein. voor zover zij niet offerden *°®!. In het heiligheidsgebied des tempels was niet slechts alle doodslag verboden, maar was dat ook de invoer van alle producten van doodslag, als van leder °°°? of wol *%°3. Joods, zoals trouwens Christelijk, was de door de auteur beleden overtuiging, dat de stad Jeruzalem op het middelpunt der aarde gelegen is °°®*. Zij werd door de overige antieke volken niet gedeeld. Na aftrek dezer Christelijke en Joodse leerstellingen rest datgene, wat de auteur mede te delen heeft over het leven op heilige grond. In het heiligheidsgebied mag geen doodslag worden 2951 Ps, CX 4. Zie noot 2947. 29% Zo: Phil. Jud. De Abrah., 235; Flav. Jos, Antiq.. 1 181. 2954 De Geboorte van Horus, blz. 362-366, S$80, blz. 457-464, $ 103. 29% Tob. IV 17; Ovid, Fast, II 538-539. Grafstèles uit Terenuthis: vgl. H_D. Schneider en M.J. Raven, De Egyptische Oudheid, ‘s Gravenhage, 1981, blz. 149, no. 157, met blz. 166. 2955 Genes, III 21; vgl. De Maat der Dingen, blz. 31-32, noot 227-230. In de Perzische overlevering leggen de eerste mensen zichzelf dierenhuiden aan, Bundahiën, XIV 23 (Anklesaria), en dragen eerst in een later stadium geweven kleding. Firdawsi specifieert deze huiden als tijgerhuiden: Säh Näma. 1 10: in de strijd, bij wijze van pantser: ibid, 1 29 33. De tijger was als verscheurend dier vijand des mensen. zie noot 720. 29% Genes. IIL 7; Flav. Jos, Antiq., 1 44; Cosm. Indicopl., Top. Christ III 71. Perzen. groene bladeren (gijäh): Bundahisn, XIV 17 (Anklesaria). 2987 Het bloedige offer volgens de Indiërs ingesteld door Pragäpati, de 39, VII S. 2, 4, 28. De Schepper: Satapathabrähmana, VI 2, | ehs 2958 Genes, IX 3 Flav. Jos, Antig., 1 102; Cosm. Indicopl, Top. Christ, 11 39-40. Zie noot 418, 419. 2959 Geen verzoening dan door bloed: noot 672. 2960 Zie noot 675. Waartoe: Stob. Herm. XXIII 56; Flav. Jos. Contr. Apion., IL 138-139: Oudh. Med, N.R., deel XXXI, Leiden, 1950, blz. 107-108. noot 824-844. 2961 Zie noot 237. 2962 Egyptenaren: Cyrill. Alex, De Ador. et Cult. in Spirit. et Verit., [1 64. Grieken, Pythagoras: Philostr., Vit. Apollon, [ 1. Romeinen: Varr.. De Ling. Latin, VII 84. 2961 Oudh. Med, N.R., deel XXXI, Leiden, 1950, blz. 80, noot 173, 176, 179, 2964 De Geboorte van Horus, blz. 400, noot 4345, blz. 401, noot 4349.

Pagina 19

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
n, noch zijn haren of nagels r brenge daarin geen bloedig offeoken. ag daarin begaap n. Men mag & t reeds bespr Nu dus verder. besnijden. Dat ie hodweitbet,Delvege dateert wit de: periode; was grondne t. Heilige vin elijks bewusme e d de auteur Is zichh dat Cà nauw g egod was; de Zonn in God noge N N En Zen ing het haar stral alles is in oud-oosterse conteX ee : die in n eilig. mast. cad door de zon beschene werd ge antieke zede ten De angst om van het zonlicht afgesneden te worden lag aan zo meni n en doet dat inderdaad; ra *°°® grondslag. Overdekking werd geacht rotting te bevordere volledig tractaat in de Misjna is aan deze werking gewijd *°°®”. God wilde niet onder een dak, dwz. in een tempel gediend zijn 2°°5. Zich in gebed tot hem richtend besteeg men daarom een bergs 299 of het dak zijns huizes 2°79_ De bevalling geschiedde in de open lucht 297 levensgevaar werd in het zonlicht gelegd °°”. Men brak voor hem open; dak en muur waren de grens tussen *. De zieke in het dak 2°73 of de muur 29°4 des huizes leven en dood °°”. De overledene werd door de Perzen, de opvatting der vaderen getrouw. niet begraven. maar in een ommuurde muimre mtr het zoniet snr vertingachtergdiat en “De stad met 2965 Zo de Rechabieten: Jerem., XXXV 7, 9. Vel. IV Ezr., IX 24, X 51-54. 2966 Joden: Numer., XIX 14. Grieken: vel. Antph., Or, V 11; Sokolowski, Supplément, no. A 115, 16-17. 2967 Misn., Ahilüt. haar huizen gold als Lois Sacrêes des Cités Grecques, 2968 Camephis, blz. 22, noot 157; Oudh. Med., deel LIX-LX. Leiden, 1978-1979, blz. 301, noot op blz. 247. 296% Gebed, Joden: i Kon. XVIII 42: Ev. Matth, XIV 23; Ev. Marc., VI 46; Ev. Luc. VI 12, IX 28; Ev. Joh., TV 20, 21; noot 2153, 2156. Offer, Joden: Genes, XXII 2: Jezaj.. LXV 7; Apoc. Abrah., IX 8, XII 3, 8 (Riessler); Het Oude Verbond, blz. 77, noot 711; en noot 1083, hierboven. Perzen: zie noot 1083, 2140. Grieken: zie noot 1083. Romeinen: Vitruv., De Archit., IV 9. — De berg is overigens symbool van hoogmoed, vgl. Genes. XI 4, waartoe: Hippolyt, Refut., IV 12, 1; Mahäbhärata, 1 17. 14. De bergen ontstonde n op het ogenbik, waarop de zonde zich over de aarde uitbreidde, Joden: Midr. Waijösa’, in Exod.. XV 12; Perzen: Bundahiën, VI C, 1 (Anklesaria): Dätastän-iDenik, LXX 2. Aan het einde der dagen zullen de bergen vernederd worden en zal de aarde wederom een vlakte vormen, Joden: Jezaj., II 14, XL 4, XLI 15, XLIX 11; Ezech., XXXVII 20: Mich, 1 4; Zacharj., XIV 10; Ps, XCVII 5; 1 Bar, V 7; Ev. Luc, III 5; Openb, XVI 20; Perzen: Plut. De Is. ct Osir., 47 (p. 370b); Bundahiën, XXXIV 33 (Anklesaria); Sad Darband Hus, append, 37; vel. Denkart, VI, E 35b (Shaked). Zo ook de hoogmoedige mens: Ezech., XXXVII 14-16; Zacharj., IV 7; Job., XX 6-7. 2970 Gebed, Egyptenaren: Mag. Pap. Londen-Leiden, XXIII 22: Erman-Grapow, Wörterbuch, deel II, blz. 476, noot 7. Joden: Zefanj., 1 5; Jud, VIII 5; Handel, X 9; Talm. Babl, Ta'an, 23b; De Ark des Verbonds. blz. 24, noot 114. Offer: Egyptenaren: R.A. Caminos, The Chronicle of Prince Osorkon, Rome, 1958, blz. 126, 134. Nabatacërs: Strab., Geogr., XVI 4, 26. Joden: II Kon. XXIII 12; Jerem, XIX 13, XXXII 29. Armeniërs: Mos. Choren., Hist. Armen, II 86. Kritiek: Philostr., Vit. Apollon, II 5. ?9%1 Pausan., Graec. Descr., II 27, 6. 2972 De Geboorte van Horus, blz. 293, noot 3231, 3232, blz. 426, noot 4797. Germanen: Landnámabók, 9. De zede te Epidaurus doorbroken; Pausan., Graec. Deser., II 27, 6. 2973 De Maat der Dingen, blz. 15, noot 106. Voeg toe, Joden: Talm. Babi., Mo’. Qät., 2$a. Perzen: Viërkart-i- Denik, p. 42 (Sanjana); Stäjiën-1-Si-rôëak, 27; Zartust Bahräm, Zarätust Näma. 1138. Grieken: Thucyd., Hist, 1 134; Corn. Nep., Vitae, Pausan., V 2. Romeinen: Fab. Pict., Jur. Pontif. Lib.. fr. 2 (Peter). 2974 Perzen: Avesta, Vidëvdät, VIII 10, met commentaar: Rivajat bij Dätastän-1-Denik, XIX. Germanen: Egils Saga Skalla-Grimssonar, 58; Eyrbyggja Saga, 33. 2975 De Perzische soldaat, die wist te zullen sterven, sneed het dak van zijn tent open: At-Tabari. Ahbär ar-Rusul wal-Mulük, p. II 1147, 4-5 (De Goeje). Gebed binnenskamers, voor het venster, Egyptenaren: Pap. III Chester Beatty. [1 24; Joden: Dan., VI 11; Talm. Babl., Beräk., 31la, 34b. 2976 Camephis, blz. 49-56, noot 402-479.

Pagina 20

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
onrein, het platte land met zijn open velden als rein °°’. De mens in zijn natuurlijke staat, voortgekomen uit de schoot der aarde, koos zich een grot tot woning?°'®. De oudste geconstrueerde woning was de loofhut **”®, naar alle zijden voor licht en lucht toegankelijk. In de herinnering van het nageslacht was deze laatste de woning des mensen, toen hij het goddelijke gebod nog ín acht nam en zijn dagen in onschuld sleet. Een loofhut, in steen uitgevoerd, behoorde tot de vaste bestanddelen van het Egyptische heiligdom. Het was het gebouwtje, door de Egyptenaren mirw 2°5® of hij.1?°**!, door ons met een Turkse term „kiosk” genoemd, bekend vooral door het exemplaar op het eiland Philae. De Egyptische en de Joodse tempel waren niet overdekt ?®*°. Overdekt in hen was slechts de cella; die een grot voorstelde °°**. Particulieren in katoyn verbleven in het heiligdom in een dienstvertrek °°** Wat dit verblijven inhield, wordt helaas niet duidelijk. „En zie, de engel des Heren zal te allen tijde tot U afdalen en voor U zorgen’. De profeet Elia, op de vlucht voor koning Achab, kwam in de woestijn en werd daar veertig dagen bezocht door een engel, die hem des morgens wekte en hem spijs en drank voorzette ?°®5. Het heiligheidsgebed des tempels was „tafel van de Zonnegod” °°*®, het midden houdend tussen de oppervlakte der aarde, die de schepselen voedt °°®?, en de offertafel, waarop de spijzen nimmer ontbreken 2°*®. De toevoer werd in feite onderhouden door de gelovigen, die hun gaven om der wille Gods aanboden. In katoyn verkerende, bedelde men zijn levensonderhoud in de tempel bijeen 2°®°. In de latere godsdiensten, de Christelijke en vooral de Brahmaanse en de Boeddhistische, was het bedrijf van de bedelmonnik door het sacrale recht erkend en goedgekeurd. De aarde voedde in de oertijd, voor de zondeval, de mens uit eigener beweging °°°, Daarna deed zij dat niet langer °°°. 297? Joden: Phil. Jud, De Vit. Mos, Il 34; Idem, Quod Omn. Prob., 76; Idem, De Vit. Contempl., 19, 20, 24. Grieken: Philostr., Vit. Apallon., 1 7, IH 5, 2978 Grieken: Hom, Hymn. XX, in Vulcan, 3-4: Aeschyl., Prom. Vinct., 453; Moschion Trag., fr. 6 (Nauck; ad 5-6); Posidon., fr. 284 (Edelstein-Kidd; ad 7); Lucian, Amor, 34, Tzetz., Schol. in Hesiod., Op., 42 (p. III 59, 5-9, Gaisford). Romeinen: Lucret., De Rer. Natur, V 955; Ovid, Ars. Amat., 11 623; Idem, Metam., 1 121; Senec. Phaedr.. 539; Juven., Sat, VI 1, 3, 2979 Zie noot 1932-1935. 2980 Erman-Grapow, Wörterbuch, deel II, blz. 30, noot 6-8. Het woord, afgeleid van ì#r, „riet””, dus „rieten hut’? Vel. ibid, deel Il, blz. 12, noot 1, blz. 32, noot 5-9. In tegenstelling tot de kiosk stelde de offertafel, Òù ‚ het met rict begroeide vrije veld der primordiale periode voor. Waartoe: noot 1159, hierboven; De Geboorte van Horus, blz. 389, noot 4114; noot 91, op blz. 49, hierna. 2981 Erman-Grapow, Wörterbuch, deel II, blz. 476, noot 6-7. 2082 De tempel te Jeruzalem, àyavis, „open”. en àvopowos, „daklaos”: Dio Cass, Hist. Rom, XXXVII 17, 3. 2983 Camephis, blz. 21, noot 151; B. H. Stricker, Architectonische Monoliethen, Amsterdam, Oxford. New York, 1978, blz, 6, noot 13, De Geboorte van Horus, blz. 453, noot 5290-5322. 2984 Euseb., Hist. Eccles, XI 23 (áyvebovteg); Wileken, Urkunden der Ptolemäcrzeit, no. 5,4-S, 6,4-5, 12,28,3637, 13,16-18; en noot 2879, hierboven. 2985 Zie noot 2131, 2132. 2986 Zic noot 64; Architectonische Monoliethen, blz. 13, noot 86. 2987 Zie noot 1190. 2988 Zie noot 1191, 2880. 2989 Wilcken, Urkunden der Ptolemäerzeit, no. 2, regel 4 en 7-8; noot 2880, hierboven. 2990 Grieken, aùrópatos: Hesiod., Op., 118; Plat, Polit, 271e, 272a; Dicaearch., fr. 49 (Wehrli; bis); Dioscorid., in Anthol. Palat, VIT 31; Diod. Sic., Bibl. Hist, II 57, 1; Dio Chrysost., Or, VI 28, XII 30; Philostr. Maj., Imag., H 18, 1; Orac. Sibyll., 1 297; Schol. in Hom, Il, XIII 6. Dezelfden, aùróonopos: Aeschyl., fr. 196 (Nauck). Dezelfden: aùtopvhs: Diod. Sic., Bibl. Hist, II 59, 1; Plut., Sertor., 8; Philostr., Imag., II 18, |. 2991 Joden: Genes, III 17-19. Romeinen: Lucret., De Rer. Nat, II 1160-1174.

Pagina 21

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
Het verblijf op heilige grond was in beginsel op levensduur. De Zonnegod heiligt de aarde vanuit het zenith. Zijn Woord daalt vandaar langs de middelloodlijn van de stralingskegel, langs ae as der wereta, op het middelpunt der aardschijf neder. Daar, en slechts daar, is de oppervlakte der aarde Gode nabij en is diens Woord òp0òs Aóyog, verticaal gericht °°°? Neemt de Zonnegod zijn intrek in de tempel, hij zetelt zich juist op deze plaats °°°; verwijdert de mens zich daarvan, hij verwijdert zich van God. De vrome in kartoxú rekte zijn retraite in het heiligdom gedurende tientallen jaren °°°*, en zo ook deed het, in nog strenger afzondering, de Christelijke pilaarheilige. Toen Melchizedek's ouders Sem bij diens terugkeer naar hun zoon vroegen, antwoordde hij: „Hij stierf op de reis met mij en ik heb hem ter plaatse begraven”. Dood en begrafenis zijn hier termen voor de transcendente staat, voor het Nazireaat 2°°5. Twee personen uit de vroegste periode van het Christendom, die niet als Naziraeër betiteld worden. maar toch een leven leidden aan dat des Naziraeërs verwant, mogen hier nog worden vermeld. De ene was Johannes de Doper. Hij dronk geen wijn of sterke drank °°° en voedde zich niet met brood °°”, maar met sprinkhanen en wilde honing °°°. Hij ging gekleed in een mantel van kemelshaar, waaromheen een lederen gordel °°°, beide dierlijke producten. Hij was vervuld van de Heilige Geest van zijn moeders lijf aan °°°°® en de bevolking beschouwde hem als profeet °°°®*. De andere was Jacobus, broeder van Jezus. Deze was heilig vanaf de buik zijns moeders. Hij dronk wijn noch sterke drank en at geen vlees. Hij schoor zich het hoofd niet. Hij smeerde zich niet met olie in en gebruikte ook geen bad °°°?; daarmede afstand nemend van wat in zijn dagen als nodeloze luxe gold *°°*. Hij bracht zijn tijd al biddend door in de tempel, gehuld niet in wol, maar in een linnen rok *°%*. $43 Naast heiligheid van plaats kende men ook heiligheid van tijd, en voor deze laatste golden dezelfde bepalingen als voor de eerste. Men waande zich op de feesten van wedergeboorte, als op de vier cardinale dagen van het zonnejaar °°°*, verplaatst in de gebenedijde dagen onmiddellijk volgend op de schepping: niet slechts de enkeling in de tempel ditmaal, maar het gehele volk, ook daarbuiten. Men had zich van tevoren geheiligd °°°6. Zolang als het feest duurde, heerste de godsvrede en was de dood en de gedachte aan de dood gebannen. Strijd 2992 Architectonische Monoliethen, blz. 9, noot 38-43. Zie noot 3216. 2993 De Geboorte van Horus, blz. 386, noot 4028, 4029. 2994 Zie noot 2922. 2995 Zie noot 1739, 3060. 2998 Ey Luc; 1-15; VHE33. Vgl. Ev. Matth, XI 18. 2997 Ev. Luc. VII 33. Vgl. Ev. Matth. XI 18. 2998 Ev. Matth., III 4; Ev. Marc., 1 6. 2999 Ev. Matth, II 4; Ev. Marc. 1 6. 300 BVE ue 115. 3001 Ev. Matth., XI 9, XIV 5, XXI 26; Ev. Marc, VI 15, XI 32: Ev . Luc, VIT 26, XX 6. Epiphanius, Panar., XXIX 5, 7, noemt hem Naziraeër. 2002 Euseb., Hist. Eccles, I1 23, 5. 3003 Vgl. Apollon. Tyan. Epist., 8, 43 (Kayser); hierboven, noot 330, 331. Hij waste zich uiteraard wel. 200% Euseb., Hist, Eccles, 11 23, 6; vgl. Apollon. Tyan, Epist, 8 (Kayser). De linnen rok, otvöóv, het Egyptische Sndw.t, „lendenschort”’. 3005 Zie $23-26. Juist deze dagen werden oorspronkelijk ingeleid door het mensenoffer. 3006 Exod., XIX 10, 14; Numer., XI 18; II Kon, X 20: Jezaj., XXX 29; Ezr., III 5; II Chron., XXX 17: vgl. 1 Sam., XX 26.

Pagina 22

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
mocht niet worden gevoerd *°®’, men mocht zelfs geen wapens dragen ®°°® Het door de rechtbank gevelde doodvonnis werd niet voltrokken °°°, de rouw werd afgelegd of althans verlicht ®°!°, haar en nagels mochten niet worden afgesneden ®®!!. Noodweer echter was toegestaan °°'?. Bij de Joden gold dit alles ook op de Sabbat, die, hoewel wekelijks terugkerend, toch de rang van feestdag had *°!*. Het feest werd opgeluisterd door muziek, dans en wedstrijd. Beperkende bepalingen aangaande wijngenot en geslachtelijke verkeer zijn, voor zover het de toeschouwers betrof *°**, niet overgeleverd. Mogelijkerwijze waren zij er ook niet; voor de grote menigte kan zonder beide geen feestvreugde hebben bestaan °°! Een verdere vorm van heiligheid was de heiligheid des persoons. Velen verkozen uit vrije wil en voor de duur des levens in de staat te verblijven, die bij het betreden van het heiligdom en voor de duur van het feest verplicht was. De heilige persoon heette bij de Joden N° ?°!®, vertaald als zpophtns. Volgens Flavius Josephus was ook de Naziraeër een zulke *®!”. De teksten zijn over de politieke rol der profeten uitvoerig, over hun levenswijze weinig mededeelzaam. De doodslag was hun zekerlijk verboden, maar of hun daarmede ook de dierlijke spijs was ontzegd, blijft in het ongewisse. Bannus, kluizenaar in de woestijn, voedde zich met plantaardig voedsel *°!5. Johannes de Doper, eveneens in de woestijn, at sprinkhanen; dieren van lager orde, die als alle insecten geacht werden spontaan door de aarde voortgebracht te 3007 Joden, Sabbat: | Machab., Il 32-38; II Machab., V 25-26, VI 11, XV 1-5; Jubil, L 12-13; Agatharch. Cnid., fr. 20 (Jacoby): Strab.. Geogr., XVI 2, 40; Plut, De Superst., 8; Flav. Jos., Vita, 159; Idem, Contr. Apion., 1 209; Idem, Bell. Jud, 1 146, II 392, 456, 634, IV 99-100, VIT 362; Idem, Antig., XII 4, 274, XIII 12, 337, XIV 63-64, XVIII 319, 354; Dio Cass, Hist. Rom, XXXVII 16, 2, 4, XLIX 22, 4, 5, LXVI 7, 2. Arabieren: Wensinck, A Handbook of Early Muhammadan Tradition, blz. 77. Grieken: Thucyd., Hist, III 56, 65, V 49, 54; Xenoph., Hellen, IV 7, 2; Aristot., fr. 533 (Rose); Demosth., Or, XXIV 29; Polyb., Hist, IV 73, 10, XII 26, 2; Strab., Geogr., VIII 3, 13; Plut., Arat. 28: Idem, Lycurg., 23; Phleg. Trall., fr. | (Jacoby; ad 3); Pausan., Graec. Descr., V 2,1, 4,5, 20,1. Romeinen: Macrob., Sat, 1 15, 21. 3008 Joden: Exod., XXXII 25. Dezelfden, Sabbat: Agatharch. Cnid., fr. 20 (Jacoby); Flav. Jos., Vita, 159, 161; Idem, Antiq,, XIV 226; Plut., De Superst, 8; Dio Cass, Hist. Rom., XXXVII 16, 2-4; Misn., Sabb., VI 4. Arabieren: zie noot 3007. Germanen: Egils Saga Skallagrimssonar, 49; Torgríms Táttr Hallasonar, p. 301 (Kristjänsson). 2009 Joden: Misn., Sanhedr., IV 1. Grieken: Plat, Phaed., 58b; Xenoph., Memor., IV 8, 2; Plut., Phoc., 37. Romeinen: Plut., Mar, 45; Tacit., Ann, IV 70; Suet., Tiber, LXI 2. Dezelfden, geen bloedig offer: Plut., Romul., 12. 2010 Egyptenaren: S. Sauneron, Le Temple d'Esna, Caïro, 1959-1982, no. 197, 18. Joden: Miën., Mö’. Qät., 1 5-6, III 5, 7, 8, 9. Geen begrafenis, Romeinen: Columell., De Re Rust, II 21, 4. So1t Joden: Misn., Mo’. Qät., III 1. Grieken: Hesiod., Op, 742-743, met scholia; Pythag., apud Jambl., Vit. Pythag., 154; Idem, apud Jambl., Protr., XXI 27 (offer); Plut fr. 92 (Sandbach). Romeinen: vgl. Columell., De Re Rust. IT 21, 4. De nagels, laagste delen des lichaams en wapenen des mensen, zijn niet als de haren heilig. 2012 Egyptenaren, Hymn. Memph. in Isin, 37: 'Eyò toùg öukaios âpvvopévouc teupò. Joden, Sabbat: 1 Machab., IX 43-47; Flav. Jos, Bell. Jud, 1 146, II 517, IV 99; Idem, Antiq., XII 276-277, XIII 13, XIV 63, XVIII 323-324. Grieken: Thucyd., Hist, III 56. 2013 Misn., Bes, V 2. De Sabbat, geboorte- of althans verjaardag der wereld: Phil. Jud., De Opif. Mund., 89; idem, De Vit. Mos, 1 207, 11 210, 263; Idem, De Spec. Legib., 1 170, 11 59. De Jood heeft op de Sabbat een tweede ziel: Talm. Babl., Bês., l6a; ibid, Ta'an., 27b. Hij verkeert in transcendente staat. 3014 Anders voor de mededingers, zie noot 2091-2102. 3015 Vgl. Deut, XIV 26. Sabbat: Plut., Quaest. Conviv., IV 6, 2 (p. 672a). 3016 Vgl. II Kon, IV 9. 2017 Flav. Jos, Antiq., V 285. Vel. Amos, 11 11. 2018 Flav. Jos, Vita, 11: tpoon aùtopátws pvopévn.

Pagina 23

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
worden *°!9, Kenmerkend voor de profeet waren de haren mantel 2929 en lederen gordel 3021, waarin hij optrad. Deze vonden hun prototype in de rokken van vellen, die God voor Adam en Eva na hun verdrijving uit het Paradijs had gemaakt °°°? Bannus vormde een uitzondering. Hij droeg een kleed aan de bomen ontnomen °°°, dus van bladeren of boombast vervaardigd. Aan de profeet was ook de doodslag op het eigen lichaam begaan verboden. Hij liet de haren uitgroeien en droeg hen lang *°?*. Zijn drank was water *°25, niet wijn. Wat bij de Joden de profeet was, was bij de Grieken de filosoof. De term, okósopos, verkreeg bekendheid door Pythagoras, die zich uit bescheidenheid niet copôs, „wijze, wilde noemen 2926. De Griekse wijze stond niet als zijn Joodse voorganger onder goddelijke inspiratie 3027, hij was man van wetenschap. Maar hij was als deze politiek geëngageerd en leidde ook zijn levenswijze. De onthoudingen, waartoe zich de filosoof verplichtte, worden in de levensbeschrijvingen van Pythagoras en de onder zijn invloed staande Apollonius van Tyana met nadruk gereleveerd. Zij ontbreken in die der lateren. Het geletterde publiek had in de latere periode blijkbaar in haar geen belangstelling meer; wellicht ook verzaakten haar de filosofen zelf. De filosoof onthield zich, actief, van alle doodslag, zowel op zijn medemens als op het dier 3028 en de plant 32°. Hij was vegetariër 2°2® — sloot daarin op de Egyptische veeleer dan op de Joodse ontwikkeling aan — en offerde onbloedig *°**. Om niet in verleiding te komen droeg hij geen wapens *°3, verdedigde zich, wanneer naar het leven gestaan, echter wel 292, Hij hoedde zich, passief, voor verontreiniging van doodswege *°**, beroerde geen lijk 2935, 3019 Zie noot 274-280. 2020 11 Kon. 18; Zacharj., XIII 4. Vgl. I Kon., XIX 19; IT Kon. Il 8, 13, 14: Phil. Jud. De Spec. Legib., 11 20; Idem, De Vit. Contempl., 38; Flav. Jos, Antiq., VIII 353; Hebr. XI 37; noot 2999. 2021 [I Kon, [8; Flav. Jos, Antiq., IX 22; noot 2999. 3022 Zie noot 2955. 202 Flav. Jos. Vita, 11. Zie noot 362. Zo de Indiërs: Väsisthadharmasästra, IX 2024 Flav, Jos, Antig., V 285, 347. 3025 Flav. Jos, Antig., V 347; Ev. Luc., VII 33. 1; Visnusmrti, XCIV 8, : 3026 Heraclid. Pont, fr. 87, 88 (Wehrli). 3027 Vgl. echter het Satpóvrov van Socrates. Pythagoracërs, het tamme dier: Diog. Laert, Vit. Philos., VII 23; Porphyr., Vit. Pyth, 39; Jambl.. Vit. Pyth. 99, Het wilde dier, de jacht: Porphyr., Vit. Pyth, 7; Philostr., Vit. Apollon, 1 37; Jambl., Vit. Pyth, 100. De visvangst: Plut., Quaest. Conviv., VIII 8, 3; Porphyr., Vit. Pyth., 25; Jambl., Vit. Pyth, 36. Het dier, bezield als de mens: noot 22, 23. 2029 Egyptenaren: Porphyr., De Abstin., 1 21. Grieken, Pythagoraeërs, de nuttige plant: Diog. Laert… Vit. Philos., VIII 23; Porphyr., Vit. Pyth, 39; Jambi, Vit. Pyth, 99. Zie noot 3033. 20% Egyptenaren: Asclep. Herm. 41; Philostr.. Vit. Apollon. VI 10. Dezelfden, de Therapeuten: Phil. Jud. De Vit. Contempl., 73. Indiërs: Damasc., Vit. Isid., Epit. Phot., 67. Grieken, Pythagoras: noot 29. Cynici: Diog. Laert., Vit. Philos., VI 104. Stoïcijnen: Philemon Com. fr. 85 (Edmonds). Plotinus: Porphyr., Vit. Plotin.. 2. Atlanten: Solin Coll. Rer. Memor., XXXI 2. Proclus: Marin, Vit. Pracl., 19. 5 2091 Egyptenaren: Apion Oas., fr. 4, o (Jacoby); Porphyr., De Abstin., Il 26. Grieken, Pythagoraeërs: noot 13. ‘02 Joden: Phil, Jud., Quod Omn. Prob., 78 (Essenen). 1043 Pythagoraeërs, de mens: Jambl., Vit. Pyth., 191; zie noot 3012. Dier en plant: Diog. Laert… Vit. Philos VIII 23; Porphyr., Vit. Pyth, 39; Jambl.. Vit. Pyth., 99. Zie noot 3029. wii E 20% Verontreiniging door de blik, Egyptenaren: Cyrill. Alex, De Ador. et Cult. ìn Spirit. et Verit. 1 36. Joden: Min, Sanhedr., II 1, Grieken: Eurip., Hippol., 1437-1438; Porphyr.. De Abstin.. HI 50: Julian. Apost.. Epist. 77 (Hertlein). Romeinen: Serv, Comment. in Vergil., Aen, VI 176, XI 143. Zie noot 2767. jk 205 Jamblichus: Eunap., Vit. Sophist., V 1, 13-15.

Pagina 24

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
ontweek de doodslager °°3S en de plaats van doodslag °°3”. Hij was gekleed in de tpífwov 29%, een grove wollen pij, zonder onderkleed *°%°®; of beter, in een pij, waarin geen dierlijk product was verwerkt °°°. Hij ging ongeschoeid %%*!, Hij liet haren en baard uitgroeien °9**; die in deze periode ook symbolen waren van weerloosheid *9**. Hij dronk geen wijn en leste zijn dorst met water 39**. Hij sliep op de grond °°“. S44 Wij gaan nu over tot een systematische behandeling van het Nazireaat der naexilische periode. Het Nazireaat, als nedergelegd in het boek Numeri en het tractaat Nazier, vormt een selectie uit het voorgaande. Het is heiligheid des persoons. Heiligheid van plaats en tijd zijn voor de Naziraeër niet relevant. Met de tempel bestaat een band in zoverre, dat hij de periode zijner heiligheid aldaar beëindigen moet, met het feest bestaat er geen. Er is ook geen aanzet tot ascese. Onthouding van geslachtelijk verkeer, kern aller ascese, en onthouding van dierlijke spijs komen niet ter sprake. 3036 Pythagoras: Philostr., Vit. Apollon, VI 5; Porphyr., Vit. Pyth, 7; Jambl., Vit. Pyth, 133, 177; noot 26, hierboven. 3037 Philostr. Vit. Apollon, IV 22. 3038 Zie noot 147. Socrates: Plat, Protag., 335d; Idem, Conviv., 219b. Cynici: Plut., Ad Princ., Inerud., 5; Idem, De Vit. Aer. Alien. 8; Idem, De Es. Carn, 1 6; Diog. Laert., Vit. Philos., VI 13, 91; Lucian, Demon, 48; Idem, Vit. Auct., 8-9. Stoïcijnen: Zeno, fr. 1 277 (von Arnim); Epictet., Dissert., III 1,24, 22,10, IV 8, 4, 6, 12, 15. Anderen: Sosicrat. Rhad., fr. 20 (Müller), Plut., De Adul. et Amic., 7; Idem, De Profect. in Virtut., 10; Lucian., De Mort. Peregr., 15; Idem, Pisc, 11; enz. Romeinen, pallium: Apul., Flor., 4, 7; Idem, Metam., XI 8; Gell., Noct. Att, IX 2. 4. 2039 Dio Chrysost., Or, LXXII 2; vgl. ibid., XXXIV 3, XXXV 3, Diog. Laert., Vit. Philos., VI 13, 91, 104, VII 169, Zie noot 2898. 2040 Egyptenaren: Herm. Trism., zie noot 2928. Pythagoras: Philostr., Vit. Apollon. 1 1, 8, 32, IV 40, VI 11, VIII 5, 7 (4, 5); Jambl., Vit. Pyth, 100, 149. 2041 Zie noot 1S1, Socrates: Aristoph., Nub., 103, 363; Plat, Phaedr., 229a: Idem, Conviv, 174a, 220b. Vgl. De Geboorte van Horus, blz. 351, noot 3363. 1042 Egyptenaren: Herm. Trism. in Boudreaux, Codices Parisini (zie noot 2927), p. 165, 15-17. Grieken, Pythagoras, behalve noot 102: Hermipp. Callim., fr. 24 (Wehrli); Apollon. Tyan, Epist., 8 (Kayser); Philostr., Vit Apollon, 1 32, VII 15, 34, 35, 36, VIII 7 (2, 6). Cynici: Hermipp . Callim., fr. 24 (Wehrli). Anderen: Aristoph., Aves 1282; Dio Chrysost, Or, XII 15, XXXV 2, 3, 10, 11. LXXII 2; Epictet., Dissert., III 22, 10; IV 8, 4, 6. 12: fien De Mort, Peregr., 15; Artemid., De Somn. Interpr., 1 18: Diog. Laert., Vit. Philos., 1 109, IV 62; Banie vie Ëit. Epit. Phot., 114; Gell, Noct. Att IX 2, 1; Firm. Matern., Mathes., III 2, 18. — Alleen de ba vermeld; A U : Tyan, Epist, 3 (Kayser); Plut., De Adul. et Amic., 7; Idem, De Profect, in Virtut.. 10; Idem, De Is. et Osir IN he iä: Dissert., 12, 29, III 1, 24, IV 8, 15; Lucian. Demon., 13; Idem, Eunuch., 9; Idem, Beâreni Sy Eder. Pi Ee E Aelian., Var. Hist, XI 10: Alciphr., Epist. III 19, 3: Diog. Laert., Vit. Philos., VI 13: Kidal Palo Eon VI 93e; Horat., Sat 1 3, 133-134, II 3, 35; Senec, pist, XLVIII 7: Apul., Metam XI 8; Gell N t.A BE XIII 5, 5. Zie noot 2775. De nagels uitgroeiend: Carnead., Diog. Laert., Vit. Philos. IV 62 en ®*3 Door zijn vijand bij haren of baard te grijpen heeft men hem in zijn macht, Joden: II Sam, XX 9-10 Grieken: Alex. Com. fr. 264 (Edmonds); Ptolem. Lag. fr. 11 (Jacoby); Chrysipp., apud hea Di n “s6ar ses Plut, Reg. et Imp. Apophth., Alex. 10 (p. 180b); Idem, Thes., S; Polyaen., Strateg., 14, IV 3,2; S ie lt E zie 16; Arsen, Violet, p. 98 (Walz). Lang haar, de man tot oneer: I Cor, XI 14, et 2044 Indiërs: Damasc., Vit. Isid., Epit. Phot., 67. Pythagoras: noot 3-6 12, Socrates: Aristo ph., Nub., 417, Cynici: Diog. Laert., Vit. Philos.. VI 104; Lucian, Vit Auct., 9. Epicurus: fr. 181, N 182 (Usener). Stoïcijnen: Philemon Com, fr. 85 (Edmonds). Therapeuten: Phil. Jud, De Vit. Co ntempl., 73-74, 3045 Lucian, Vit. Auct. 9,

Pagina 25

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
Het Nazireaat werd aangenomen bij gelofte. Dit is het eerste, wat er in genoemd hoofdstuk, Numeri, VI, over gezegd wordt: „Wanneer een man of een vrouw zich afgescheiden zal hebben. belovende de gelofte eens Naziracërs, om zich voor Jahwe af te zonderen” °°“. De Hebreeuwse tekst biedt: mmo rn In 72 9729 NID 22 AUNTIN UN. De betekenis van het werkwoord N>D is niet al te duidelijk. De Septuaginta vertaalt met: àvnp ù yovh, öc êàv meyde eÜÉntat eùyùv âpayvisaclar áyvetav Kvpiw. Hiervan uitgaande vermoedelijk betitelt Philo de Nazireaatsgelofte als peyóÀn eùyh, grote gelofte *°*”. Hijzelf verklaart de term uit het feit, dat in deze gelofte de mens zichzelf offert *°*8, Dat is naar de letter genomen onjuist; het menselijke leven was de inzet van iedere gelofte. Philo moet onder de term offer de transcendente staat bedoelen, waarin de Naziraeër zich door zijn gelofte brengt. Het Nazireaat wordt in alle passages, waarin het als voorwaardelijk staat beschreven 3049 . aangenomen onder opschortende voorwaarde *°*®. Men werd Naziraeër na de door God opgelegde beproeving te hebben doorstaan. Het Nazireaat was niet onthoudings-, maar schenkingsgelofte %°5!; het heeft geen zin zich te onthouden, wanneer het leed geleden is en de blijdschap wedergekeerd. Het ging parallel met het dankoffer *°*?, niet met het brandoffer. Het was een positieve bijdrage aan de cultus; de Naziraeër schonk zichzelf aan God, zie Phílo. Het prototype van het Nazireaat kan derhalve de geste desgenen geweest zijn, die zich, na de beproeving doorstaan te hebben, in dank aan God gedurende enige tijd in diens eredienst ter beschikking stelde. Een passage ontnomen aan een Griekse oorkonde vermag dit wellicht te illustreren. Zekere Hephaestion, schrijvende vanuit het Serapeüm te Memphis, zegt in zijn brief dtageodtobar èy pEyá\ov Kwvôóvov Kai eivar êv Katoyijt, „aan grote gevaren te zijn ontsnapt en zich (thans) in katoyn te bevinden” 2953, Het Nazireaat werd somtijds aangenomen, voordat de gestelde voorwaarde was vervuld. Als voorbeeld wordt de gelofte desgenen gegeven, die verklaart het Nazireaat te zullen aannemen, wanneer hem een zoon geboren wordt, en dit te zullen voortzetten met een tweede Nazireaat; vervolgens, zonder de geboorte af te wachten, met dit tweede Nazireaat aanvangt °°**, Had hij dit voor de geboorte niet beëindigd, hij was verplicht op dat ogenblik het eerste Nazireaat aan te vangen en moest het tweede na afloop daarvan voltooien. De vervulling der gestelde voorwaarde had ook in dit geval geen ontbindend effect. De tweede gelofte was aan de eerste ondergeschikt en had daarom als deze opschortende voorwaarde. De technische term voor het aannemen van het Nazireaat luidde vn °°55, vertaald als 2046 Numer., VI 2; Midr. Sifr., in Numer., 22; Midr. Numer. Rabb. X 5, 7. Gelofte, verder: 1 Sam, 111; Flav. Jos., Bell. Jud, II 313; Idem, Antiq., IV 72; Handel., XVIII Numer., VI 5, 21: 18, XXI 23; Misn., Nedär., I 1, XI 5 9: ibid., Näz., IV 3, 4, 6. V 3, 4, VIII 1, LX 1; ibid, ‘Êduij., IV 11. En 2047 Phil. Jud., Leg. Alleg., 1 17; Idem, Quod Deus, 87; Idem, De Agric., 175; Idem, De Ebriet. 2: Idem De Fug., 115; Idem, De Spec. Legib., 1 247-248. en ee Phil. Jud, De Somn., 1 252-253; Idem, De Spec. Legib., 1 248. 254. En Senn Jud, II 313; Misn., Nâz., II 7, 8, 9, 10. III 6: vgl. 1 Sam, 1 11. Als gelofte tot garantie: 2050 Op termijn: Misn., Nedär., XI 9. 3051 Vgl. $36, aanhef, $37, aanhef. 052 Zie noot 2248, 2249. 2083 Wileken, Urkunden der Ptolemäerzeit, no. 60, regel 6-7. Vgl. Flav. Jos., Bell. Jud, 3054 Misn., Näz., II 9-10. 3055 Numer., VI 2, 3, 5, 6, 12.

Pagina 26

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
(âp)ayvilesBa1 °°*°. Het Nazireaat was dienovereenkomstig áyveia of een der varianten daarvan °°5”. De Naziraeër zelf gold als wyap, „heilig” 2955, en deze term wordt in vertaling wedergegeven met úytog *°*®. Daar hij schenking was aan God, was de Naziraeêr in principe aan diens altaar vervallen, in dat aspect heilig, niet meer tot de levenden behorend *°°°, Hem werden transcendente vermogens toegeschreven: de kracht *°°! tot het verrichten van bovennatuurlijke daden, en de profetie *°°?, het bovennatuurlijke weten. De Nazireaatsgelofte was tot God gericht *°°®, Zij mocht in staat van onreinheid worden afgelegd, maar in dat geval eerst na het herwinnen der reinheid worden nagekomen *°°*. De verplichtingen van het Nazireaat waren wettelijk voorgeschreven. De Nazireaatsgelofte werd niet, als de onthoudingsgeloften 2°°S, teniet gedaan door verzaking. In de verbintenis gold het recht Gods als het hogere, het recht des mensen als het lagere recht *°°®, De Nazireaatsgelofte werd met luider stem afgelegd *®®”. Dat zij het zwijgend worden kon 3968, lijkt, gezien haar publiek karakter, onwaarschijnlijk. De gebezigde formule luidde: ya pan 2009, ik ben Naziraeër”, d.w.z. „ik neem hierbij het Nazireaat aan”. Omschrijvingen waren geoorloofd *°°® en, als bij de gelofte elders, verbasteringen. Zo zeide men: pna, n° of np in plaats van het correcte vm 20?1; in schroom een zo praegnante term in de mond te nemen, in angst voor aansprakelijkheid. Welke term men ook bezigde, de bedoeling het Nazircaat aan te nemen moest op een onder de omstandigheden ondubbelzinnige wijze zijn uitgedrukt, wilde hij effect sorteren 2972. De Nazireaatsgelofte was ondeelbaar. Wie verklaarde een der drie verplichtingen van het Nazircaat op zich te nemen, was Naziraeër en tot alle drie verplicht *°”3. Wie verklaarde gedurende een enkele dag Naziraeër te willen zijn, was Naziraeër voor de normale duur van het Nazireaat?0°* Wie verklaarde Naziraeër te willen zijn op voorwaarde een der drie verplichtingen te mogen verzaken, was Naziraeër en gehouden tot alle verplichtingen van3056 Numer., VI 2, 3, S (LXX); Handel. XXI 24, 26, XXIV 18: Phil. Jud, De Somn.. 11 25. Maar àytáles0at in Numer., VI 12 (LXX). 3057 Numer., VI 2, 21 (LXX); Phil. Jud., De Somn., II 25. Zie noot 515. 3058 Numer.. VIS, 8, 11: Phil. Jud., De Somn., 1 253 (aváÒnpa); Midr. Sifr., in Numer., 25, 27; Midr. Numer. Rabb, X 12: zie noot 2769. Tijdelijke heiligheid: Miën., Näz., VIT 1. Sanctus: Hieron.. Comment. in Hiezech., VII 18; Isid. Hispal., Etym., X 190. 2059 Numer., VIS, 8, 11 (LXX); Phil. Jud, Leg. Alleg., 1 17; Idem, Quod Deus, 88; 3060 Zie noot 1739. Idem, De Somn., 1 253, 3061 Richt, XVI 17 (na, ioyùc). 2062 Flav. Jos, Antiq., V 285. Zie noot 3017. 208% Numer., VL 2, 5, 6, 12; Midr. Sifr., in Numer.. 22: vel. Numer., VI 7, 8, 21. Tot Baäl-Pcor: Hoz., IX 10. 3064 Misn., Näz., III S: zie noot 3115. Het vuur op de begraafplaats niet verontreinigd: Manusmrti, IX 318. 2065 Zie noot 3109. 3068 Zo Rabbi Simon: Misn., Näz., II 8: Talm. Babl.. Näz.. 8a, 13a. Zie noot 3125. 3067 Misn., Naz., 11, 3, 4, II 2, 3,5, 6, 7, 8, III 1, 3, 6, IV 1, 2, V 5, 6, 7, VIII 1. Zie noot 2250. 3068 Zie noot 2252. 3069 Min, Näz., 1 1-7, II 1-5, 7-10, HI 1, 3, 4, IV 152,7, V4,-56, 7, MIIS, 3010 Miën., Näz., IT 1,2, 3071 Miën., Näz., 1 1. Zie noot 2256. 2072 Vgl. Miën., Nâz., 1 1, II 7; ibid. Teh:, IV-7,12. 3073 -Misns-Näz 12113; 30%4 Misn., Näz., 1 3, 6. Zie noot 3086, 3087.

Pagina 27

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
van het bestaan van een der dien 3°75. Wie de Nazireaatsgelofte had afgelegd en verklaarde niet evenzeer gehouden als drie daarmede verbonden verplichtingen te hebben geweten, was tot deze tot de overige °°°. Bij collectieve aanname van het Nazireaat sprak cen der aanwezigen de formule uit, beperkten alle overigen zich ertoe haar adhaesie te betuigen RA De met wilsgebrek uitgesproken Nazireaatsgelofte was ongeldig 3078 Wie verklaarde Naziraeër te willen worden, met bedriegelijke opzet 2°°°, in dwaling °°*° of door derden *9** dan wel door de omstandigheden 2°*? gedwongen, werd het niet. Ongeldig ook waren de elliptische geloften, de geloften van handel en conversatie. De garantiegelofte, waarbij men verklaarde het Nazireaat te zullen aannemen, mits deze of gene eventualiteit zich voordeed of niet voordeed, verplichtte tot het Nazireaat, al naar gelang de voorwaarde werd vervuld of niet. De bedoeling — zo al aanwezig — deze verplichting na te komen, werd in de praktijk des levens echter niet steeds in de daad omgezet *°**. Tot zelfs de bedoeling Naziraeër te worden ontbrak bij hem, die zich ten overstaan van hem aangeboden spijs of drank tot Naziraeêër verklaarde 2°®*. In diens mond betekende de formule nog slechts uitdrukkelijke en onherroepelijke weigering. De tijdsduur, waarvoor het Nazireaat werd aangegaan, bedroeg minimaal °°5*, en tevens normaal *9%$, dertig dagen; hetgeen deszelfs beëindiging betekende op de dertigste dag naar oudere, incluzieve, op de een en dertigste dag naar jongere, excluzieve telling °°”. Het getal dertig staat in het boek Numeri nog niet vermeld. Werd het Nazireaat voor langer tijd aangenomen, men had de neiging deze in perioden van dertig dagen in te delen 2955 en de eerste harer voor de overige representatief te stellen 2°5°. Als langere, ongedeelde perioden worden genoemd: honderd dagen °°°, zeven jaar °°°! en levensduur. Op levensduur was het Nazireaat voor de ballingschap geweest. Maar de tijden waren veranderd, de ascese had zich uitgebreid en daartegen werd wederstand gevoerd. De Rabbijnen zagen een langdurig Nazireaat ongaarne en 3075 Miën., Näz., II 4. 3076 Miën., Näz., II 4. 2077 Misn., Näz., IV 1. Vgl. ibid. 11 5, 6, en noot 2406. 3078 Zie noot 2302-2309. 079 Misn., Näz., V 4. Zie noot 3247. 3080 Miën., Näz., II 1. Vel. ibid, 114, V 1-3, en noot 2400. 2081 Misn., Näz., II 3. 3082 Miën., Näz., HI 4. 2083 Misn., Näz., II 2, V 5, 6, 7. 3084 Min, Nâz., II 1. 2, 3 (de vrouw vreest verkrachting) 3085 Misn., Näz., 13, 6, II 10, VIS. 2086 Flav. Jos., Bell. Jud. II 313; Misn., Näz.. 1 3, $, 19, IT 1-6, VI 3, VII 1. 3087 B te eis 5 behe ng val. het Romeinse nudius tertius, „eergisteren”, À ARE erde dag”. E.M. Bruins, Amsterdam, aan wie ik dit voorbeeld verschuldigd ben, wijst erop, dat de incluzieve telling dateert uit de periode, waarin men het cijfer nul niet kende Incluzief geteld is ook de term A hr psd.t.f, „Re met zijn Enneade”, mits, hetgeen naar ik vermoed het geval is Re van het negental deel uitmaakt en dit getal te verdelen is in een, de God Re zelf als essentie, plus acht, de ann oergoden als materie. Vgl. De Geboorte van Horus. blz. 249, noot 2501 3088 Miën., Naz., 14, 5, VIII 2. 3089 Miën., Näz., III 4, 6. 3090 Misn., Näz., II 10, II 4. 2091 Miën., Näz., III 6.

Pagina 28

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
gaven hun onwil te kennen door er geen duidelijke regeling voor te ontwerpen. Zij erkenden het Nazireaat van Simson, dat textueel vastlag, maar voerden het in het absurde, en wezen het Nazireaat van Samuel, dat textueel niet vastlag, af. Wie naar de Rabbinale formule het „Nazireaat van Simson” op zich nam, was, wanneer met het dode lichaam in aanraking gekomen, niet tot het opdragen van een reinigingsoffer verplicht *°°2, mocht echter voor de duur zijns levens zijn haren niet afsnijden °°°. Dat is letterlijk aan de tekst van het Oude Testament ontnomen. Simson verontreinigde zich tot drie maal toe aan het dode lichaam °°°*; tot drie maal toe laat de tekst na te vermelden, dat hij zich vervolgens reinigde. Simson verloor zijn kracht, toen zijn haren afgesneden werden, en herwon haar, toen zij weder aangroeiden, maar was toen tevens aan het einde van zijn leven. Dat moge zo zijn, de uit dit laatste feit getrokken conclusie is onevenredig. Een Nazireaat, waarin men de haren tot zijn dood niet mag inkorten, is onleefbaar; ware het ook voor Simson geweest. Een Nazireaat van Samuel bestaat volgens de Rabbijnen niet. In Hanna’s woorden: „er zal geen scheermes, 7913, op zijn hoofd komen” *°°5, is de term an schrijfwijze voor Rv, „vrees”’ 3096, Wie zich op levensduur wilde verbinden, mocht van de Rabbijnen, die deze opvatting toch niet geheel durven uit te sluiten, zijn haardos inkorten, wanneer deze hem lastig werd, mits hij daarop de slotoffers bracht °9°7. Tot het afleggen van de Nazireaatsgelofte was de meerderjarigheid vereist °°°8. De regeling week van die der overige geloften slechts hierin af‚ dat de vader zijn minderjarige zoon het Nazireaat kon opleggen *°°® Overeenkomstig de verklaring van het Nazireaat hierboven gegeven *'°° kan deze bepaling restant geweest zijn uit de periode, waarin de vader zijn zoon bij gelofte aan het heiligdom schonk. De moeder kon het niet *!°!. Hanna beloofde haar zoon Samuel aan God *'??, hetgeen tegen de bepaling schijnt te spreken, maar haar gelofte werd door Elkana, haar man, uitdrukkelijk bevestigd *'°3, Het stond in geval van noodzaak ook aan de vader, niet aan de moeder, het kind te verkopen *'°*. De zoon, al dan niet door zijn verwanten gesteund, kon zich tegen de vader verzetten, hetzij door zich te scheren, hetzij door mondeling verweer 2!°5, Het scheren was ook ditmaal symbool des doods. De gehoorzaamheid door de minderjarige zoon aan de vader verschuldigd was volstrekt en kon slechts door de dood worden doorbroken. 1092 Hetgeen hem niet van de wassingen onthief. 3093 Misn., Näz., 1 2. Zie noot 2833, 2835. 3094 Zie noot 2823-2825. 2095 f- Samo KL 20% Misn., Näz., IX S. Targ. Jon, in 1 Sam, 1 11: wk=nvn, „heerschappij eens mensen”. Zie noot 3101. 3097 Misn., Näz., 1 2. 3098 Zie noot 2288, 2289. 2099 Min, Näz., IV 6; ibid, Söt., III 8. 2100 Zie noot 2753. 3101 Zie noot 3096. TAR TeSarnsdel FT. he nn Er *104 Exod., XXI 7; Jezaj., L 1; Nehemj., V 5; Misn., Gitt., IV 9; Midr. Mekilt., in Exod., XXI 7; Midr. Sifr., in Deut, IIT 23, $26. 3105 Misn., Näz., IV 6.

Pagina 29

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
de Nazireaatsgelo De vrouw 31° en de slaaf 3'°? waren beiden totB het afleggen vanse 3108 . De bekwaam; voor beïden golden de regels der gelofte, die tevoren reeds zijn besproken Nazireaatsgelofte der vrouw kon, geheel zoals haar onthoudingsgelofte, door haar echtgenoot worden herroepen **°®. De slaaf was zijn meester de gehoorzaamheid verschuldigd van het minderjarige kind *!°. De meester mocht de door zijn slaaf afgelegde gelofte dan ook als nietig beschouwen *'!!. De vreemdeling was tot het afleggen van de Nazireaatsgelofte niet rs aan het einde van bekwaam stie De Naziraeêr was verplicht, tot het opdragen der slotoffe 3!!3. Dat was de zijn Nazireaat, de offerhof des tempels te betreden 8 15 De Iaad kon zijn Nazireaat in het buitenland aannemen î 3114 verboden“. vreemdeling le 315, doch slechts te Jer uzaiem beëindigen ***°. De Naziraeër, die bij zijn overlijden het bedrag tot bekostiging der slotoffers ongespecifieerd naliet, werd geacht overleden te zijn zonder substituten te hebben gesteld. Zijn zoon placht dan het Nazireaat aan te nemen op voorwaarde, dat hij met dit bedrag, door hemzelf te specifiëren, zijn eigen slotoffers mocht bekostigen *''”. De zoon, anders dan de dochter *!!$, was naar oud-antieke leer met de vader identiek; hij was de vader herboren *'*°. Zijn Nazireaat was in dit geval potentieel. De slotoffers, hoewel door hem opgedragen, besloten in werkelijkheid het Nazireaat des vaders. Toen de leer aan kracht van overtuiging inboette en de voorrang zich van de voorbijgegane op de huidige generatie verlegde, keerde men de regel om door de eis te stellen, dat de zoon, om voor overname van het bedrag in aanmerking te komen, het Nazireaat reeds bij het leven van zijn vader, dus in diens laatste maand, had aangenomen *'?°. De slotoffers besloten nu het Nazireaat des zoons, en het Nazireaat des vaders bleef in potentie. De Naziraeër had alle contact met het dode lichaam te vermijden **?*. Overtreding van dit gebod had terstond, en met onbeperkt terugwerkende kracht, nietigheid van zijn Nazireaat tot gevolg *'2?. Had hij met voorbedachten rade gehandeld, hij werd bestraft *'23, had hij het in 3106 Numer., VL 2; Flav. Jos., Bell. Jud, HI 313-314; Misn., Nedär., XI 5, 9; ibid. Näz., HI 3, III 6, IV 1-5, 7, VI 1, IX 1; ibid, Qidd., 18; Midr. Sifr., in Numer.. 22; Midr. Numer. Rabb., X 7. 2107 Misn., Näz., IX 1; Midr. Numer. Rabb, X 7. 3108 Vrouw: noot 2289-2299. Slaaf: noot 2300-2301. 3109 Miën., Näz., Iv 1-5, IX 1. Maar niet, als de gelofte in noot 2405, worden 3110 Misn., Ma'as. Sén., IV 4; ibid. ‘Erüb., VII 6. Zie noot 2288. gebroken: Misn., Näz., IX 1. 3111 Miën., Näz., IX 1. 3112 Misn., Näz., IX 1. 3113 Numer., VI 18-20. 2114 Epist. Arist., 103-104; Flav. Jos, Anti q. XV 417-42 0, XX 191. Vel. BH. Stricker. De Brief van Aristeas, Amsterdam, 1956, blz. 40, noot 260. in Ontkend door Hilleel: Mün., Näz, III 6; zie noot 3064. de mf = B 116 ne UI 6, V 4; ibid, Menäh., XIII 10: waartegenover Tôs., Nezir, f 5. In tijd van oorlog te Mispa: 3119 Miën., Näz., IV 7. 2118 Miën., Näz., IV 7. Vgl. noot 1435-1439, 2333. 2119 De Geboorte van Horus, blz. 61-62, $22, blz. 286, afb. 38, en elders. +120 Misn., Näz., IV 7. N12L Numer., VI 6, 7; Phil. Jud., De Spec. Legib., 1 250; Misn. Näz ; ibi ë i Sifr., in Numer., 26; Midr. Numer. Rabb, X 11 (ook lichaam van dier) en rie 2122 Numer., VI 12; Phil. Jud., Leg. Alleg., 1 17; Idem, Quod Deus, 90; Idem. De Agric. , 179; Miön., Näz., II 3, 4, 5, VIS, 11, VIT 2, IX 2; Midr. Sifr., in Numer., 31; Midr. Numer. Rabb, »123 Zie noot 3158.

Pagina 30

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
onschuld gedaan, hij mocht zich rehabiliteren en zijn Nazireaat overnieuw aanvangen. Dit laatste was vooral dan het geval, wanneer zich een onvoorzien en plotseling sterfgeval in de kring der zijnen voordeed *'?4. Een enkele uitzondering doorbrak de regel. De Naziraeër, die een onbeheerd en onbegraven lijk aantrof, was, door hoger recht gedwongen *'?5, verplicht dit te begraven en zich dus doende te verontreinigen **?®. De heiligheid zowel als de reinheid van de Naziraeër gingen teloor bij grote verontreiniging: door contact met het lijk of met de delen daarvan boven een vastgestelde minimale quantiteit **?”. Zijn reinheid alleen, niet zijn heiligheid, ging teloor bij kleine verontreiniging: door contact met door het lijk verontreinigde voorwerpen of stoffen, en door contact met de delen van het lijk beneden de vastgestelde minimale quantiteit **2*. Voorwerpen en stoffen, over welker reinheid of onreinheid men in het ongewisse verkeerde, bijvoorbeeld water, werden geacht noch te verontreinigen, noch ook het vermogen te bezitten om reinheid mede te delen *'°?. De reiniging geschiedde voor de Naziraeër en de leek op dezelfde wijze. De onreinheid hield aan gedurende zeven dagen *'*®. Op de derde en de zevende dag*'**, termijnen van wederopstanding *'*?, werd de verontreinigde met het water der afzondering *'** besprengd. Op de zevende dag baadde hij zich en waste zijn klederen *'**, waarna hij in reinheid hersteld was. De Naziracër moest zijn hoofdhaar laten groeien *'**. Schoor hij het af, hij verloor zijn reinheid niet, maar wel zijn heiligheid, met terugwerkende kracht *'*® tot ten hoogste dertig dagen, d.w.z. over de afgelopen dagen van zijn Nazireaat. Verplicht tot het afscheren der haren was hij in geval van melaatsheid ***” en van grote verontreiniging ***®. Bij grote verontreiniging beschoor hij zich het hoofd na het reinigingsbad op de zevende dag ***® en begroef vervolgens zijn verontreinigde haren *'*°. Het nieuw aangroeiende haar was dan rein tot in de wortel en 2124 Numer., VI 9; Phil. Jud., Leg. Alleg., 1 17; Idem, Quod Deus, 89; Idem, De Agric., 175-178; Idem, De Fug., LS; Miën., Kerêt., II 2; Midr. Sift, in Numer., 28; Midr. Numer. Rabb, X 13. 3125 Zje noot 2755, 3066. 3126 Mísn., Nâz., VIS, VII 1. Zo ook de hogepriester: Misn., Näz., VII 1; Serv, Comment. in Vergil., Aen., VI 176. 3127 Misn., Näz., VII 2. 3128 Misn., Nâz., VII 3, 4; Tös., Ahil., IV 4. 3129 Misn., Näz., IX 2. 3130 Naziraeër: vgl. Misn., Näz., III 3, 4. Leek: Numer., XIX 11, 12, 14, 16, 19. 2141 Naziraeër: Misn., Naz., VI 6, VII 2, 3. Leek: Numer., XIX 12, 19, XXXI 19, 24; Phil. Jud, De Spec. Legib., 1 261, HI 205. 3132 Drie: De Geboorte van Horus, blz. 232, noot 2265, 2268. Zeven: ibid, blz. 249, noot 2511, 2520. Vgl. noot 534, 535, hierboven. 2135 Zie:noot. 591. 3134 Naziraeër: Miën., Näz., IX 2. Leek: Numer., XIX 19, XXXI 20, 24. 2135 Numer., VI 5; Phil. Jud., Quod Deus, 88; Idem, De Somn., 1 253; Idem, De Spec. Legib., 1 250; Flav. Jos., Bell. Jud, 11 313; Idem, Antiq., IV 72; Misn., Nâz., VI 1, 3, 5; ibid, Kerêt, II 1; Midr. Sift. in Numer., 25: Midr. Numer. Rabb., X 10. 3136 Misn., Näz., VI 3, 5, 10. 2137 Misn., Näz., VIS, VIII 2, 3138 Misn., Näz., VII 2, 4. Niet bij kleine: ibid, VII 3. De Pers waste bij grote verontreiniging zijn hoofd: Sad Darband Hus, XIII 24. 2159 Numer., VI 9; Phil. Jud, De Agric., 175; Miën., Näz., VI 6: Tôs., Ahil., 1 2, IV 12, 14; Midr. Sift, in Numer., 28; Midr. Numer. Rabb, X 13; vgl. Misn., Qidd., II 9: en zie noot 3143. 2140 Misn., Temür., VII 4; Tôs., Nezir., IV 6; vgl. noot 3143. Profaan gebruik van het haar was verboden:

Pagina 31

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
kon op zijn beurt worden geheiligd *'**. Bij voortgezet Nazireaat werd deze gehele dag, van zijn aanvang af, als eerste van de nieuwe reinheidsperiode geteld *'*2. De piëteit gebood echter, dat men de reinheid cerst aannam op het ogenblik van zonsondergang ***>, wanneer de Zonnegod zelf herboren werd, de afgelopen dag ten einde was en met het invallen van de nacht het nieuwe etmaal begon *'**, Sommigen stelden met het oog hierop het scheren uit tot de achtste dag na de verontreiniging ***$. Na voltooiing van zijn Nazireaat in reinheid beschoor de Naziracër zich het hoofd bij het dankoffer, op de dertigste ***® of op de eenendertigste dag 21+. Het goddelijke gebod is groter dan de menselijke verdienste. Van de beide voorgaande verplichtingen van het Nazireaat was de reinheid de belangrijkste. Zij was verplichting, eeuwige verplichting, des mensen tegenover God. Verzaakte de Naziraeër haar, zijn Nazireaat, hoe langdurig ook, was over zijn volle lengte ongeldig. De heiligheid was van geringer belang. Zij was menselijke verworvenheid, binnen het kader van het door God getrokken heilsplan. Slechts de voorafgaande dertig dagen gingen verloren, wanneer zij werd verzaakt. In deze verhouding moet de reden liggen, waarom de Rabbijnen de Nazireaatsperiode de duur van dertig dagen hebben verleend. Dertig dagen vormen de lengte van de maand, en de maand is slechts het twaalfde gedeelte van het jaar, levensduur, om het zo te zeggen, van de Zonnegod. Zij hebben anderzijds willen aanduiden, dat de heiligheid des mensen, al is zij kortstondig, steeds vernieuwd kan worden. Het symbool dezer vernieuwing was het kaalscheren. Men placht zich het hoofd te scheren, wanneer overgaand vanuit onheiligheid in heiligheid *'*®, en evenzeer, wanneer overgaand vanuit heiligheid in onheiligheid *'*®. Met de haren, die men afschoor, legde men een persoonlijkheid af,‚ met de haren, die nieuw aangroeiden, nam men een andere persoonlijkheid aan. Het was de Naziraeër verboden wijn te drinken *'“° en producten van de wijnstok te eten 2151. Druiven, druivenpitten en druivenschillen werden als aparte soorten geteld *'**. De toegestane hoeveelheid van een ieder harer was zeer gering, enige kubieke centimeters *'**. 3141 Zie noot 2788. 3142 Numer., VI 11; Miën., Näz., III 2; Midr. Sifr, in Numer., 30; Midr. Numer. Rabb, X 15. Zie noot 3087. 2143 Numer., XIX 19. Op het ogenblik harer ondergang verliest de zon haar stralen, en daarmede haar haren. 3144 Camephis, blz. 9, noot 59-61 (voeg toe, Germanen: Snorri Sturluson, Edda, Gylfaginning, 9). Zie noot 2765. 3145 Misn., Näz., VI 6; in afwijking van Numer., VI 9. 3146 Miën., Näz., III 1, 2. 3147 Misn., Näz., III 1, 2. 3148 Miën., Mö’. Qät., II 1. Syriërs: Lucian, De Dea Syr. 53. Indiërs: Asvaläjanagrhjasütra, IV 6, 4. 3149 Joden: zie noot 3131, 3132. Arabieren, na afloop van de bedevaart. Wensinck, A Handbook of Early Muhammadan Tradition, blz. 212-213. Phrygiërs, de Gallen, na afloop hunner diensttijd: Rhian, Anthol. Palat., VI 173; Anon., ibid, VI Sl. Indiërs, na afloop van het kroningsritueel: Rägasüja, p. 212-219 (Heesterman); van het Soma-offer in de lente: Agnistoma, 256 (Caland-Henry); van de drie om de vier maanden gevierde Caturmasia-offers: Ápastambaörautasütra, VIII 4,1-3, 8,19-22, 19,9, 21,1; na verrichte gelofte: Viäsasamhitâa, 1 41. 3150 Numer., VI 3; Amos, II 12; Phil. Jud., De Ebriet., 2; Idem, De Spec. Legib., 1 249; Flav. Jos., Bell. Jud, 1 313; Idem, Antig., IV 72; Miën., Näz., II 4, VI 1, 2, 5; ibid, Kerët., Il 1; Midr. Sift, in Numer., 23; Midr. Numer. Rabb, X 8. Zie noot 2820, 2996, 3002. 3151 Numer., VI 4; Phil. Jud., De Spec. Legib., 1 249; Misn., Naz, 1 2, VI 1, 2, $; Midr. Sift, in Numer., 24; Midr. Numer. Rabb., X 9, SLE Misn,Näz VI 2, 3158 Mién., Naz VILT.

Pagina 32

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
Uitzonderingen op het verbod werden niet gemaakt *'**. Overtreding ervan moest worden gezoend *'**, maar had geen terugwerkend gevolg *'°°. De verzoening Gods geschiedde bij bestraffing of bij offer. De Naziraeër, die een der drie geboden overtreden had *'*’, meldde zich bij de tempel. Aan de poort daarvan werd hem gerechtigheid gedaan *'**. Had hij met voorbedachten rade gehandeld, hij werd met veertig zweepslagen bestraft *!*°; had hij het in dwaling of onder dwang, hem werd toegestaan het stijgende en dalende vogeloffer te brengen **°®. Hij erkende zijn overtreding, waarna het offer in zijn naam opgedragen werd, terwijl hij aan de poort wachtte *'®!. Door de tempel te betreden zonder dit offer te hebben gebracht verontreinigde hij hem *'*? en stelde zich aan bestraffing bloot *®*. Hij kon zich echter verontschuldigen door te verklaren en aannemelijk te maken, dat hetzij de heiligheid van het gebouw, hetzij zijn eigen onreinheid hem ontschoten was, hetzij beide tezamen dat waren; in welk geval hij alsnog tot het offer werd toegelaten *!**. De overtreding van ieder der drie geboden werd, wanneer begaan zonder vermaning door derden, soortelijk geteld. Wie de gehele dag in overtreding bleef, was slechts een maal strafbaar. De overtreding begaan na vermaning door derden werd individueel geteld. De schuldige was dan zovele malen strafbaar, als hij in gebreke was gesteld *'*5, Het Nazireaat werd beëindigd met een feestelijke plechtigheid, waarbij drie offers werden gebracht, een zondoffer, een brandoffer en een dankoffer, respectievelijk een ooilam, een lam en een ram *'€®, Deze alle waren schapen, dieren van eenzelfde soort, als zodanig gekozen om de eenheid van de gesubstitueerde te accentueren *'°”. De volgorde der offers was dwingend. Het zondoffer had op alle overige offers voorrang*'*®, werd dus het eerst opgedragen. Het brandoffer was hoogheilig en had voorrang op het minderheilige dankoffer *'°°, 3154 Misn., Näz., VIS. 3155 Zie noot 3156. 2156 Misn., Näz., VI 5. 3157 Misn., Näz., IV 3, VII, 2, 3, 4; ibid., Makk., III 7, 8. +158 Zie noot 2068. 3159 Misn., Näz,, IV 3; Tôs., Nezir., 1 6, 11 14, 111 14, 15, V 4. Zie noot 1987, 1988. Hij had zich wel gereinigd met water, daar hij zonderdien des doods schuldig was: Numer,, XIX 13, 20. 2160 Numer., VI 10-11; Min, Nâz., 1 1, VINT 1; Midr. Sifr., in Numer., 29-30; Midr. Numer. Rabb., X 14-15. Zie noot 1985, 2003. 3161 Numer., VI 10; Midr. Sifr., in Numer., 29; Midr. Numer. Rabb. X 14. Zie noot 1986, 3245, +162 Misn., Kerêt., II 4. Voor het betreden van de buitenhof des tempels kon met een onbloedig offer worden volstaan, de binnenhof mocht echter slechts door hem betreden worden, die een bloedig offer voor zich had doen opdragen, Eurip., lon, 226-229, 418-420; zie noot 1986, 2069. Hij moest zichzelf symbolisch de dood hebben gegeven. De reden van dit voorschrift in noot 1739, „Mij zal geen mens zien, en leven”, zegt Jahwe in Exod., XXXIII 20. Zo aak: Deut, V 23 (26); Richt, VI 22-23, XIII 22, IT Sam, VI 6-7, Phil. Jud, Quaest. in Exod., IÌ 39. Egyptenaren: Cyranid., Il a, 28. Grieken: Hom, Il, XX 131; Eurip., lon, 15S1-1552; Callim., Hymn, V 100-102, 3163 Misn., Näz., VII 4; ibid., Makk., III 2. 3164 Misn., Sebû’, II 1; ibid, Kerêt., 11 4, 3165 Misn., Näz., VI 4; ibid, Makk., III 7-8; ibid, Kerêt., II 3. 2366 Numer., VI 14; Phil. Jud, De Spec. Legib., 1 251; Flav. Jos, Bell. Jud., II 313; Misn., Näz., IV 4, 6, VI 7, 8, 10; Midr. Sifr., in Numer., 33; Midr. Numer. Rabb, X 18. Vgl. Handel, XXI 26. Beëindiging door het eerstgesprengde bloed: Misn., Näz., IV 5, VI 9. 3167 Phil. Jud, De Spec. Legib., 1 253. 3168 Zie noot 1273. 3169 Misn., Zebäh., X 2.

Pagina 33

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
Het zondoffer, een ooilam **’°, besloot het Nazireaat ten overstaan van God *'”'. Was het Nazireaat ten gevolge van verontreiniging voortijdig ten einde gekomen, men besloot het met een schuldoffer, een eenjarig lam *”?, offer van lager rang dan het zondoffer, maar eveneens hoogheilig. Het schuldoffer verving het zondoffer, wanneer twijfel bestond aan de toerekenbaarheid der begane zonde **”>. Voortijdige beëindiging kon voorlopige, maar eventueel ook definitieve beëindiging zijn; zekerheid daaromtrent had men niet. De Naziraeër, die niet verontreinigd was en zijn termijn had uitgediend, droeg zijn zondoffer op in reinheid en heiligheid **7*, Indien aldus, vraagt men zich af, welke was zijn zonde? Het zondoffer was Gode verschuldigd in een aantal gevallen, die bij nadere beschouwing in twee groepen kunnen worden verdeeld. De eerste dezer omvat de gevallen van ontheiliging: ontheiliging van tempel *'’* of altaar 3176, van de publieke of de private liturgie **””, van de cultische gemeente *'® of van het individuele lid daarvan 3!”°. De tweede groep omvat gevallen van feestelijk karakter ***°, als daar zijn de publieke kalenderfeesten *'*! en, publiek zowel als privaat, plechtigheden, welker feestelijkheid ligt aangeduid in het dankoffer, waarmede zij werden besloten: de tempelwijding *'82, de priesterwijding *'S*, de priesterlijke ambstaanvaarding *'**, de afsluiting van het Nazireaat 3'**, de toetreding tot de cultische gemeenschap ***°®. Feestelijke en gewijde staat zijn beide transcendente staat; men bereidde zich op hen voor door zich te heiligen, door het aannemen van reinheid *'*”. Kort gezegd: het zondoffer was verschuldigd zowel bij ontheiliging als bij heiliging. Dat lijkt geheel onmogelijk, beide gevallen sluiten elkander uit. Het is echter juist in deze tegenstrijdigheid, dat zich de weg opent naar beter inzicht in het wezen van het zondoffer. Het tweede geval is namelijk irreëel. De mens is tot het aannemen van transcendente staat, van heiligheid, onmachtig. Te denken, dat men heilig is, is waanzin: de gedachte in de daad om te zetten, is doodzonde. Philo geeft correct commentaar. Door het zondoffer werd 2170 Voor het vrouwelijke geslacht van dit dier, val. Het Oude Verbond. blz. 127, noot 1147. 3171 Zie noot 3226, 3229. 3172 Numer., VI 12; Miën., Zebah., X S; ibid, Kerèt. II 2: Midr. Sifr, in Numer.. 31: Midr. Numer. Rabb., X 16. De bezwaren van de hogepriester Simon de Rechtvaardige tegen dit offer zijn niet duidelijk, vel. Tos, Nezir., IV 1; Talm. Jer, Nedär., p. 36d, 50-60; ibid, Näz., p. Slc, 40-51; Talm. Babl., Nedär., 9%: ibid, Näz.. 4b: Midr. Sifr in Numer., 22; Midr. Numer. Rabb. X 7. 5 *173 Zie noot 1309, 1311, 3278. 2174 Misn., Näz., IV S, VI 7. 2175 Ezech., XLV 18-20. Zie noot 3182. 2176 Zie noot 766. 217 Zie noot 1287. 218 Zie noot 1293, de grote Verzoendag. 2179 Zie noot 1284, de lichamelijke zonden. 2180 Phil. Jud, De Spec. Legib. 1 190-193. S181 Zie noot 1292, SME IL Chron KKK 21, 23, 24. Dankoffer: ibid. 35; zie noot 3175. 2183 Zie noot 1291. Vuloffer: zie noot 1472. BEK Levit IX2; 8 TB TOENS 2E Dankoffer: ibid, 4, 18, 22. 3185 Zie noot 1294, 3166. 3186 Zie noot 1289. Zo wel ook: Ezr.. VII 35. Dankoffer: Numer., VII 17, 23, 29, 35, 41, 47, 53, 59, 65, 71, 77, 83, 88; Flav. Jos, Antiq., 111 222. 3187 Zie noot 500-519.

Pagina 34

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
aangeduid, zegt hij, „dat ieder sterfelijk wezen, ook al is het voortreffelijk, uit hoofde zijner verwekking de zonde aangeboren is” *'*® Want, „Ook de volmaakte (mens) ontkomt, uit hoofde zijner verwekking, niet aan de zonde” *!*°. De zonde, waarover Philo spreekt, is duidelijkerwijze de erfzonde. De aangeboren zondigheid des mensen komt in het Oude Testament in enige passages ter sprake *'°®, maar wordt in geen dezer zo scherp gedefinieerd als in de liturgie. Het leerstuk is overgegaan in de godsdienst der Christenen, daarin door Augustinus, zonder beroep op het zondoffer, als eerste nader uitgewerkt. De ziel des mensen komt bij haar nederdaling uit de hemel eerst in het vaderlijke lichaam, waarin zij in het zaad wordt opgenomen ®'®!, vervolgens bij geslachtsgemeenschap in het moederlijke, waarin het zaad zich verenigt met het menstruele bloed *'*?. De ziel is immaterieel, de vaderlijke en moederlijke secreten zijn materieel. Bij de dood keert de ziel naar de hemel terug en blijft het lichaam op aarde achter. Het lijk, materieel residu, is onrein, het is prototype aller onreinheid **°*. Deze onreinheid, op het ogenblik der verwekking latent, is na de dood manifest: zij is in de kiem potentieel, in het dode lichaam actueel. Door zich met de materie te verbinden wordt de ziel verontreinigd **°*, het lichaam is haar tot graf **°*. Om deze reden zijn geboorte en dood gelijkelijk van het antieke heiligheidsgebied uitgesloten *!°®, en in de mate van 3188 Phil. Jud. De Vit. Mos., II 147: navri yevnrò, Kùv onovòaïov ù, rapóoov tÀbev eig yéveowv, ovHPVÈG TÔ úpaprtúveuv èotiv. Priesterwijding. 189 Phil. Jud, De Spec. Legib., 1 252: kaì vàp ó téherog ù yevnròg oùkK èkpeüyer Tò Örapaptúverv. Afsluiting van het Nazireaat. Vel. Midr. Levit. Rabb., XIV 5. 2190 Genes, VIII 21; 1 Kon, VIII 46; Jezaj., XLVIII 8; Ps, LI 7, CXLIII 2; Spreuk, XX 9; Predik., VII 20; Job, XIV 4, XV 14, XXV 4 Vgl. Siracid., VIII 5, XVII 31. Grieken: vgl. De Geboorte van Horus, blz. 479, noot 5838. Cosmische werking wordt Adam's zonde slechts toegeschreven in Genes, II 17: „Het aardrijk zij om Uwentwil vervloekt”. 2181 De Geboorte van Horus, blz. 19-23, $7. Sexualiteit en nederdaling: — 1° De echtgenoot, hij, de „nederdalende”? Bevruchten, hij, als onovergankelijk werkwoord: Erman-Grapow, Wörterbuch, deel II, blz. 475,10476,1. — 2° Het overstromen van de Nijl, hij: W. Spiegelberg, Ägyptische und andere Graffiti (Inschriften und Zeichnungen) aus der Thebanischen Nekropolis, Heidelberg, 1921, blz. 69-72, met pl. XCII-XCV, nos. 850, 856, 862, 881 (J.J. Janssen, Oegstgeest). De Nijl daalt neder uit de hemel: De Geboorte van Horus, blz. 110, cit. 415, 417, blz. 121, noot 1015. Hij bevrucht de akker: ibid, blz. 98, noot 698, blz. 109-121, $34, blz. 143-147, 840, — 3e Geboren worden, hij: Erman-Grapow, Wörterbuch, deel II, blz. 472, noot 8. Vgl. Asclep. Herm., 2; Hippolyt., Refut., V 7, 38. 4° De misgeboorte, hiw-h.t 2oyge : Mag. Pap. Londen-Leiden, verso XXX 1. — S° Dalende rangschikking van het Embryologische Tractaat: A. Piankoff, La Création du Disque Solaire, Caïro, 1953, pl. D. — 6° Onreinheid der nederwaartse beweging: Julian. Apost., Or, IV 174b, 175c-176a. 2192 De Geboorte van Horus, blz. 121-125, $35. 2194 Joden: Miän., KEl, 1 4. Nabatacërs: Strab., Geo gr, XVI 4, 26. Grieken: Heraclit., fr. 22 B, 96 (Diels) Damasc., Comment. in Platon. Phaed.. 1 126. ok heden De Abstin., IV 20 (p. 262, 18-24, 263, 17-21, Nauck); Jambi, Vit Pyth, 153. e Geboorte van Horus, blz. 385, noot 3985. 219 Indiërs: vel. Ps.-Callisth., Vit. Alex. Magn., HI 17, 39. Grieken, Athene: C.D. Tsountas, Epheme ris Archaeologice, deel III, Jaargang 1884, Athene, 1885, blz. 1 66-171, regel 10-11 der inscriptie. Delus: Thucyd., Hist 104; Diod. Sic, Bibl. Hist, XII 58, 7; Plut.. Apopht h. Lacon, Pausan., | (p. 230, c-d); Pausan., Graec. Dan: fra l ie brie De Abstin., IV 16. Epida urus: Pausan., Graec. Descr., II 27, 1. Elders : F. Sokolowski, Lois Sacrées ze Nene 1955, blz. 198, sub voce ‘Ayvebo; Idem, Lois Sacrées des Cités beans: Supplément 223 oce ead.; Idem, Lois Sacrées des Cités Grecq ues, Parijs, 1969, blz. 326, sub vocib. ‘Ayve bw ‘Ayvós val. Diog. wdn Laert., Vit. Philos., VIII 33; Hesvc yeh, Lexic. ic. , sub s voce 3‘Ayvevï erv: Porphyr., De Abstin., IV 20 (p. 263,21-264,2,

Pagina 35

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
het mogelijke ook van het antieke feest *'°”. Onrein in detail zijn: het zaad *'°®, het menstruele bloed *'°%, de geslachtsgemeenschap *2°°%, de geboorte °2°!, de kraamvrouw 22°2. Het onreine mag de Zonnegod niet worden getoond. Dit geldt vooral de geslachtsgemeenschap. die gedurende de nacht, het zwarte rijk van dood en potentie *°°3, heeft te geschieden en dat niet mag in het zonlicht, gedurende de dag**®*. Het geldt ook het zaad *°°5, het menstruele $2°® en de hermafrodiet 3210, bloed 3299, de geboorte *2°7, de kraamvrouw *2°5, de misgeboorte wiens lichaam als het ware een permanente geslachtsgemeenschap vormt. 2197 Geslachtsgemeenschap, Egyptenaren: Sauneron, Le Temple d'Esna, no. 197, 16-19; Joden: vgl. Exod., XIX 15, Dood: zie noot 3007-3012. 3198 Egyptenaren: Pap. Kahun, VI 12, regel 37 (pl. HIL, Griffith; met blz. 4). Joden: Levit., XV 16-18, 32, XXII 4; Talm. Babl., Bäb. Bätr., 9% (anders: ibid, Sanhedr., 36b). Indiërs: Manusmrti, V 135, enz. Grieken: Plut, fr. 91 (Sandbach); Galen, Ling. Hippocr. Explic. p. 9% (Kühn); Porphyr., De Abstin., [V 20. 2199 Egyptenaren: Pap. Jumilhac, A, XII 16-17, XIX 14; Geogr. Pap. Tanis, fr. 12, 14 (Griffith); M. De Rochemonteix en E. Chassinat, Le Temple d'Edfou, Parijs en Caïro, 1897-1934, deel I, blz. 332, 16-17, 342, 7. Joden: Levit., XV 19-33; Flav. Jos, Antiq., III 261; Misn., Nidd.; enz. Arabieren: Wensinck, A Handbook of Early Muhammadan Tradition, blz. 151-152. Perzen: Avesta, Videvdât, XVI 1-18; Sajast-në-Säjast, III 1-35; enz. Indiërs: VäsisthadharmaSästra, III 58, V 4-9, XXVIII 3-4; Manusmrti, V 66; Visnusmrti, XXII 72-74, 91; Susruta, Samhitä, Sarirasthäna, Il 24. Grieken: Hesiod., Op, 753-755, met scholia; Florentin, apud Cassian. Bass, Geopon., XII 20,5, 25,2; Porphyr., De Abstin., II 50; IL. de Prott en L. Ziehen, Leges Graecorum Sacrae, Leipzig. 1896-1906, deel II, no. 49 (5); Sokolowski, Lois Sacrécs des Cités Grecques, Supplément, no. 54 (7-8), 91 (16), 119 (13); Idem, Lois Sacrées des Cités Grecques, no. 55 (5), 99 (3). Romeinen: Plin., Nat. Hist, VII 64. 3200 Egyptenaren: Dodenb., CXXV, neg. conf.‚ 1 21 (Maystre); Geogr. Pap. Tanis, fr. 26, 30 (Griffith); Sauneron, Le Temple d'Esna, no. 197, 16-19; Herod., Hist, II 64; Clem. Alex, Strom. 1 16, 74, 2. Joden: Levit., XV 18, 32; Phil. Jud, De Spec. Legib., III 63; Doc. Zadoc., XII 1 (Lohse); zie noot 2223. Babyloniërs: vel. Herod., Hist, 1 199. Christenen: Orig., De Orat., XXXI 4. Indiërs: Manusmru, V 63, 144; Visnusmrti, LXIX 7; enz. Grieken: Achill. Tat, Leucipp. et Clitoph., V 16, 8; Porphyr., De Abstin., II 50, IV 20. 3201 Egyptenaren: Stob. Herm. XI 2 (35). Indiërs: Manusmrti. V 58, 62, 71, 77, 79, enz. Grieken: Aristoph., Lysistr., 742-743, met scholion; Idem, Ran., 1080; Jambl., Vit. Pyth. 153. »202 Egyptenaren: Pap. Westcar, XI 18-19. Joden: Levit., XII 2, 5; Ezech., XXII 10; zie noot 1993. Indiërs: Manusmrti, V 85, 135, enz. 3203 Joden: Talm. Babl., Nidd., 16b. Vgl. Jambl., Vit. Pyth. 153: noot 1724. 2204 Egyptenaren: Calend. Hemer., de dato 7 Tybi (Pap. Brits Museum, no. 10184, Sallier IV; Pap. Caïro. no. 86637); Pap. III Chester Beatty, IX 22; Pap. Jumilhac, XX 20-21; vgl. Asclep. Herm. 21. Joden: Il Sam. XII 1112; Talm. Babl., Beräk., 59b; ibid, Sabb., 86a; ibid. Jóm.. 28b (knedende vrouw); ibid. Ketüb.. 65b: ibid. Nidd.. 16b, 1a, 64b. Indiërs: Ápastambadharmasütra, II 1, 1, 16; Baudhäjanadharmasütra, II 1, 1. 29; Manusmrti. XI 175: Jägùavalkjasmrti, III 291; Visnusmrti, LIJI 4, LXIX 9; Prasnopanisad, 1 13; Mahäbhärata, XIII 95,60. 96,24, 107.100. Grieken: Cyrenaici, fr. 240 (Mannebach): Plut. Quaest. Conviv., III 6, 4. — Niet voor haardvuur. Egyptenaren: Calend. Hemer., de dato 7 Tybi (Pap. Caïro, no. 86637). Grieken: zie noot 3205. — Niet voor lamp. Joden: Talm. Babl., Pesäh.. 112b: Mass. Kall., 14; Mass. Kall. Rabb., 1 22. — Niet voor gouden voorwerp. Grieken: Jambl., Vit. Pyth, 84; Idem, Protr., XXI 35. — Op geslachtsgemeenschap niet toezien: Arrian.. Cyneg., XXVIII |: Timoth. Gaz., De Anim, XXXII 8; Talm. Babl., Nidd., 17a. — De Nijl bevrucht zijn gemalin bij dag: Madamoed. inscr. 346, 4 (Drioton). ij 3205 Egyptenaren: Pap. Kahun, VI 12, regel 37 (pl. III, Griffith; met blz. 4). Grieken: Plut.. fr. 91 (Sandbach; haardvuur). 3206 Joden: Talm. Babl., Nidd., 20b. Perzen: Sad Dar, XLI 10. 3207 Grieken, Delus: zie noot 3196. 5208 Perzen: Käma Bohra, Riväjat, p. 1 223, 7-8 (Unvala; blz. 224, Dhabhar). Waartoe: Sokolowski, Lois Sacrées des Cités Grecques, Supplément, no. 115, A 16. 3209 Joden: Ps, LVIII 9; Predik., VI 5. 3210 Egyptenaren: Corp. Herm, II 17.

Pagina 36

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
De mens ontstond na de schepping door spontane generatie uit de aarde **!!, Hij was daarin gezaaid door de Zonnegod **'? en met hem waren dat de overige levende wezens 125. De Zonnegod haalde op deze wijze de onreinheid in zijn eigen rijk binnen, daar de natuur uit de verbinding van essentie en materie *2!*, van wording en vergaan, bestaat en Het beleid Gods en de daaruit voortkomende consequenties vormen het onderwerp der theodicee *2!6; het is de mens niet gegeven hen te beoordelen. Toen de aarde opdroogde, hard werd en tot spontane generatie van nog slechts de plant in staat was, nam de mens de verantwoordelijkheid Gods over en ving de geslachtelijke voortplanting aan **'”. Daar sedertdien alle mensen van elkander afstammen, moet de beslissing daartoe door hun gemeenschappelijke stamvader genomen zijn. Dat is in bijbelse context Adam. Diens vrouw Eva plukte een vrucht van alien in het Paradijs en bood hem deze aan. Hij at haar op en verviel daarmede in zonde *"*. In het licht van het bovenstaande is deze mythe op de geslachtsgemeenschap te betrekken. De boom is de wereldboom 321°, diens bladerdek de hemel 222. Zijn vruchten zijn de sterren *??!, de nietgeïncorporeerde zielen *22?, en de nederdaling dezer is haar incorporatie ***, De vrouw verleidt de man tot verwekking *??*, zij is het, die het kind het aanzijn verleent. De slang, die de materie, salt De Geboorte van Horus, blz. 239, noot 2364. 3212 De Overstroming van de Nijl, blz. 8, noot 26: De Geboorte van Horus, blz. 19, noot 68, blz. 239, noot 2363, blz. 419, noot 4689, 4690. 3213 De Geboorte van Horus, blz. 140, noot 1223. 3214 Ibid, blz. 210-215, $48. 3215 Anaxag., apud Act, De Placit., 1 30, 2; Aristot.. De Gen. et Corr. 336b. 2216 De Geboorte van Horus, blz. 490-491, noot 6079-6085. De beide driften door de Rabbijnen aan de mens toegeschreven, de goede en de slechte, zie noot 440, 1733, zijn duidelijkerwijze varianten van de doeloorzaak, op God gericht, en de bewerkende oorzaak, van God af gericht, zie noot 1725, 1734-1735. In deze zin laat de profeet Jezaja, LV 11, God zeggen: „Alzo zal mijn Woord, dat uit mijn mond uitgaat, (ook) zijn; het zal niet ledig tot mij wederkeren, maar het zal doen hetgeen mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn (in) hetgeen, waartoe ik het zende”. Om de wereld het aanzijn te verlenen volgde God de bewerkende oorzaak, dus de slechte drift, zie noot 2959. Hij handelde in begeerte, volgens de polytheïsten in begeerte tot voortplanting, vel. De Geboorte van Horus, blz. 490, noot 6079. De monotheiïsten pogen zich aan deze conclusie te onttrekken. De Rabbijnen menen, dat God de slechte drift schiep: Talm. Babl., Qidd., 30b; ibid, Bäb. Bätr., 16a; Midr. Ps., XXXII 4: doch dat het hem berouwde dit te hebben gedaan: Talm. Jer, Ta'an, p. 66c, 69-75; Talm. Babl., Sukk., 52b: Midr. Genes. Rabb, XXVII 4; Midr. Tanhüm., Nöah, 4 (Buber). 2217 De Geboorte van Horus, blz. 239, noot 2365, blz. 410, noot 4521. 2218 Genes, III 1-24. Geslachtelijk verkeer: Phil. Jud, De Opif. Mund., 156, 161. 2219 De Geboorte van Horus, blz. 381-385, $84, 2220 Ibid, blz. 218, noot 1936. 2221 Ibid, blz. 384, noot 3965. 2222 Ibid, blz. 383, noot 3939, blz. 384, noot 3968. 2225 [bid., blz. 382. noot 3920-3928, blz. 385, noot 3982-3091. 2224 Ibid, blz. 361, noot 3575-3576, blz. 492, noot 6120-6124, De in Eudox., fr. 299 (Lasserre; ibid, blz. 159, cit. ide vermelde god, wiens beide benen aaneengegroeid zijn, is bekend uit Dodenb., LXXI 10 (Naville): 7 nt1 m ie en! 5! En Ed bmm ends zijn, die pij ure is”. Over de invloed der vrouw op de man het 7 jé gelegen onder het hart, aan wederszijden in de buikholte. Van de inwendige organen zijn slechts zij dubbel: Aristot., De Part. Anim. 669; Phil. Jud, De Opif. Mund., 118; Idem, Leg. Alleg., bed be he ee ged Tadö., 6. 2e en en Eh vormen de driehoek, die symbool is der natuur: S, DIZ, £13, noot 1807. Het hart vormt als eenheid daarvan de essentie, ibid. blz. 215, noot 1831-1832, en bevat het blz 30, noot 187 goddelijke Woord: ibid. biz. 67, noot 502, blz. 296, noot 3307-3315. De die eel Rts materie: ibid., blz. 282, noot 3006. Het hart is daarom mannelijk, de nieren zijn vrouwelijk ei nen ‚ noot 2992, blz. 282, noot 3000. Het hart bestaat uit droog en hard, de nieren en slap vlees: Galen, De Temper 11 3: vgl. De bestaan uit vochtig Geboorte van Horus, blz. 152-157, $43, blz. 455, noot 5343. Het hart

Pagina 37

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
en daarmede onreinheid en zonde belichaamt, hangt niet aan de takken van de boom, maar ligt aan diens voet 2225. Het brandoffer van de Naziraeër besloot het Nazireaat ten overstaan van hemzelf °°°. Besloot het zondoffer het verleden, het brandoffer opende de toekomst. De Naziraeër riep door middel van dit laatste de goddelijke genade in voor de dagen, waarin hij tot de profane staat zou zijn teruggekeerd. Het brandoffer bestond uit een eenjarig lam °°°” en ging begeleid van een spijs- en een drankoffer *2?®. De rouwmoedige stemming, waarin het zondoffer was opgedragen, sloeg boven het brandoffer, in afwachting van het dankoffer, in vreugde om. Het dankoffer, dat hierop volgde, was weder op het verleden gericht, het besloot het Nazireaat ten overstaan der menselijke maatschappij °22°. Het bestond uit een ram *23°, met spijs-***! en drankoffer en daarenboven een korf met ongezuurde, met olie bestreken 3232 warm, ibid, blz. 156, noot 1420; de nieren zijn koud, Hippocrat., De Muscul., 9, maar door een verwarmende vetlaag omgeven: Aristot., De Part. Anim, 672a. — 3° Het hart bevat de gedachten en de driften: De Geboorte van Horus, blz. 295, noot 3269, blz. 244, noot 2428. Zo ook doen dat de nieren, de gedachten: Jerem., XII 2; Talm. Babl., Ros has-Sän., 26a, en de driften: Ps, LXXII 21; Spreuk, XXIII 16; Job, XIX 27; Theodoret. Cyr, Comment. in Ps., VII 11. Hart en nieren vormen tezamen een eenheid. Bij de mummificatie werden beide in de lichaamsholte gelaten, de overige inwendige organen daaruit verwijderd: Diod. Sic., Bibl. Hist, 1 91, 5; vel. Oudh. Med, deel XLIX, Leiden, 1968, blz. 55, noot 97. God beproeft beide, hart en nieren: Jerem., XI 20, XVII 10, XX 12; Ps, VIT 10, XXVI 2; Openb., IT 23. Het hart beslist, de nieren geven het hart raad: Test. XII Patriarch, VIII 2, 8; Talm. Babl., Beräk, 6la; ibid, Sabb., 33b; ibid, Hull, la; Mass. Äb. de Rabb. Nät., XXXI 3; Midr. Genes. Rabb. LXI 1; Midr. Levit. Rabb, IV 4; Midr. Numer. Rabb, XVIII 11; Midr. Predik. Rabb, VII 19, 1; Ôtijj. de Rabb. ‘Agib., 2 (p. III 42, Jellinek); Theodoret. Cyr, Comment. in Ps, VII 11. Zij doen dat des daags, maar ook des nachts, Ps, XVI 7; dus zo, als de vrouw het de man doet, en zo, als de materie de essentie beinvloedt, zie noot 2767. — 4° De rechternier higt hoger dan de linker: Aristot., Hist, Anim, 496b-497a; Idem, de Part. Anim, 671b; Galen. De Anat. Admin, VI 13; Idem, De Us. Part, V 5, 6, XIV, 7; Idem, De Ren. Affect., 1. Zij is warmer, daar van minder vet omgeven: Aristot., Hist. Anim, 497a, 520a; Idem, De Part. Anim, 672a, Zij is tevens droger: Idem, Hist. Anim, 497a; Idem, De Part. Anim, 672a. Zij is sterker, Aristot., De Part. Anim, 671b, en bewegelijker: Idem, De Part. Anim., 671b, 672a. De reden van dit alles is metaphysisch, de voorrang der rechterzijde boven de linkerzijde: Predik., X 2; Aristot., De Part. Anim, 671b, 672a. In deze zelfde hoedanigheden heeft de man voorrang boven de vrouw: De Geboorte van Horus, blz. 31-35, $ 10, blz. 152-157, $43, blz. 160, noot 1472-1475, blz. 487, noot 5954-5974. De rechternier is aan de man, de linkernier is aan de vrouw verwant. — 5° De tweeheid der nieren beantwoordt aan de tweeheid der driften. De goede drift is in de rechternier, de slechte drift is in de linkernier gelegen: Talm. Babl., Berak., 6la. Deze opvatting van de functie der nieren verklaart haar opname onder de bezielde, op het altaar te verbranden offerdelen, zie noot 959. 3225 Zie hieronder, blz. 74, noot 341, met pl. Ib. 3338: Zie noot 3171, 3229: 3227 Numer., VI 14, 16; Phil. Jud, De Spec. Legib., 1 251-253; Miön.. Naz., IV 4, 6, VI 7, 8, 10, VIII 1; Midr. Sifr., in Numer., 33; Midr. Numer. Rabb, X 18. Zie noot 3269. 3228 Numer., VI 15; Midr. Sifr., in Numer., 34; Midr. Numer. Rabb, X 19. 3229 Zie noot 1416-1420, 3171, 3226, 3281. 3230 Numer., VI 14, 17; Phil. Jud, De Spec. Legib., 1 251-253; Misn., Näz., IV 4, 6, VI 7, 8, 9, 10; Midr. Sifr., in Numer., 33; Midr. Numer. Rabb, X 18, 20. Het rund, symbool van ascese, zie noot 384-388, en van priesterschap, zie noot 1280. De ram, symbool van vruchtbaarheid, zie Oudh. Med, deel LIL, Leiden, 1971, blz. 36, noot 9 (Voeg toe: Procl., Comment. in Platon. Tim., p. 1 96, (Diehl). De zon, zaadkorrel, als ram: M-L. Ryhiner, Revue d'Égyptologie, deel XXIX, Parijs, 1977, blz. 136, noot 70); De Geboorte van Horus, blz. 471, noot 5628. Van het rund werd de kop apart geofferd: Miën., Jóm., II 7; zie noot 2769. Van de ram werd de kop niet apart geofferd: Misn., Jom., 11 6. In geval van publiekelijk voorgeschreven onthouding van geslachtelijk verkeer was het verboden de tempel te betreden, gehuld in een ramsvel: Sauneron, Le Temple d'Esna, no. 197, 17. 3231 Zie noot 3251. 3232 Misn., Menäh., X (IX) 3. Prototype van de met boter besmeerde snede brood, de hedendaagse boterham.

Pagina 38

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
koeken en vladen °°**; van iedere soort tien stuks *?**. Zij alle werden op de dag zelf van het offer geconsumeerd *2*5. De Naziraeër schoor na de slachting zijn haar af en trad daarmede uit zijn gewijde staat *2**. Hij wierp het haar in het vuur onder de ketel, waarin het offer gezoden werd 2237. De geste had dubbele betekenis. Zij stelde enerzijds de hemelvaart van de ziel voor, nadat deze haar strijd zegevierend ten einde had gevoerd *?*®, Zij stelde anderzijds de identiteit voor van de gesubstitueerde met zijn substituut; in het dankoffer schonk de gastheer zijn leven, zijn lichaam, aan zijn gasten ***°. Daar het onmogelijk was het haar in de ketel te werpen en de inhoud daarvan aan de gasten voor te zetten, vergenoegde hij zich ermede een weinig van het vleesnat van het offer over de haren uit te gieten alvorens deze aan het vuur prijs te geven 22+, De dienstdoende priester had recht op het borststuk en de rechterschenkel *2*!, het eerste als beweegoffer, het tweede als hefoffer door de Naziraeër voor hem aan het altaar onttrokken 2242, Hij ontving tevens de rechterschouder, een koek en een vlade bij wijze van geschenk *°**; de rechterschouder gezoden en dus als gast van de Naziraeër door hem genuttigd. Na de onttrekking van beweeg- en hefoffer dronk deze laatste, ten bewijze van zijn uittrede uit het Nazireaat, een beker wijn *2**, De maaltijd had in den beginne voor de deur van de tent der samenkomst plaats *°*S. Later, in het geheel van steen opgetrokken heiligdom te Jeruzalem, in de voor het tempelgebouw aangelegde buitenhof, waarin een apart vertrek voor deze plechtigheid was ingericht *2*®. Wie het Nazireaat op zich nam, moest op het ogenblik, waarop hij de gelofte aflegde, beschikken over het daartoe benodigde offermateriaal. Deed hij het niet, zijn gelofte was 3233 Numer., VI 15, 17; Midr. Sifr., in Numer., 34; Midr. Numer. Rabb, X 19, 20. 3234 Misn., Menäh., VII (VI) 5. 3235 Misn., Naz., IV 4. Zie noot 1462. 3236 Zie noot 3146, 3147, Eventueel reeds na het zondoffer: Miën., Naz., VI 7. Fouten in de procedure: Misn., Näz., VI 10. 3237 Numer., VI 18; Phil. Jud., De Spec. Legib., 1 254; Misn., Nâz., VI 8; Midr. Sifr., in Numer., 35; Midr. Numer. Rabb, X 21. Het haar, geheiligd door het vergoten bloed: Tös., Nezir., IV 9, 10. Het haar, aan de priesters geschonken: Flav. Jos, Antig., IV 72, waartoe: De Geboorte van Horus, blz, 479, noot 5848. Voor de ketel, vgl. Misn., Kets VE2. 3238 Zie noot 3143. 2239 Phil. Jud., de Spec. Legib., 1 254: {va Buoias eïöer ovvavakpa0i. Vgl. Oudh. Med., deel LV, Leiden, 1974, blz. 132. 320 Tos Nezir IV-6: 3241 Numer., VI 20; Midr. Sift, in Numer., 37; Midr. Numer. Rabb., X 23. Zie noot 1424. 3242 Zie noot 1448-1453. De priester legde daarbij de hand onder die van de Naziraeër, noot 1454; hetgeen hij om reden van welvoeglijkheid naliet, wanneer deze vrouw was: Miën.. Qidd., 1 8. 2243 Numer., VI 19; Misn., Näz., VI 9; ibid., Hull., X 4; Talm. Babl., Hull, 134b; Midr. Sifr., in Numer., 36; Midr. Numer. Rabb., X 22. 2244 Numer., VI 20; Mn, Näz., VI 9; Midr. Sifr., in Numer., 24, 37; Midr. Numer. Rabb, X 23. Zie noot 10, hierboven. 3245 Zie noot 3237. 2246 Misn., Midd., II 5. Centralizatie van de cultus, zie Oudh. Med, N.R., deel XXXI, Leiden, 1950, blz. 111113, waarbij de plaats voor de deur, van Num., VI 18, in het heiligheidsgebied werd geïncorporeerd. Toegestaan werd echter op de oude voet voort te gaan en de plechtigheid „in de stad”, d.w.z. voor de deur van de nieuwbouw te vieren, Misn., Näz, VI 8. Daar buiten de tempel niet geofferd mocht worden. werden de haren dan niet onder de ketel geworpen.

Pagina 39

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
nietig *2*7, daar bedriegelijk. Deed hij het wel, zijn gelofte was van kracht, ook al ging dit materiaal door nadien optredende onvoorziene omstandigheden verloren *°*®. Hij had de keuze tussen twee handelwijzen: hij kon de dieren zelf reserveren, of een bedrag terzijde leggen, waarvoor hij hen op de vervaldatum kopen kon. De dieren, eenmaal gekozen, werden voor de drie offers individueel bestemd ***°®. Bij voortijdige en noodgedwongen beëindiging van het Nazireaat werden het lam en de ram alsnog als brand- en als dankoffer geofferd *25°, het laatste in dit geval zonder brood **°*. Het zondoffer kwam echter te vervallen, daar het geëist offer was en niet vrijwillig kon worden aangeboden *°**. De ongemotiveerd aanvaarde dood is zelfmoord; zich het recht daartoe aan te matigen schending van de majesteit Gods. Men doodde het ooilam, dat niet op het altaar gebracht mocht worden en er krachtens de wil van de gesubstitueerde evenmin aan kon worden onttrokken *°**, dan niet. Het werd in een afgesloten ruimte achtergelaten, waarin het door uithongering overleed **°*. Onbestemd gelaten dieren werden over de offers verdeeld naar gelang hunner geschiktheid ***S. Bij reservering van een geldelijk bedrag bestemde men de delen daarvan eveneens voor de drie offers afzonderlijk. Bij voortijdig afbreken van het Nazireaat werden met de daartoe bestemde delen het brandoffer en het dankoffer bekostigd en werd het voor het zondoffer bestemde deel in de Dode Zee geworpen °°°, Het onbestemd gelaten bedrag verviel als vrijwillige offergave in zijn geheel aan de tempel 2”; van individuele substitutie was dan geen sprake meer. De aankoop van drie dieren, een ram en twee lammeren, lag niet in het bereik van ieders beurs. Het gold als vroom werk het Nazireaat ook voor de arme aanneembaar te maken door hem de voor de slachtoffers benodigde som ter beschikking te stellen *255. De bewindslieden dongen door alzo te handelen naar de gunst des volks °°. De Nazireaatsgelofte kon ter beoordeling worden voorgelegd aan vertrouwensmannen 32°. Dezen beslisten over haar geldigheid. Al naar gelang zij de gelofte geldig of, op grond van wilsgebrek *2°!, ongeldig verklaarden, werd het Nazireaat als bestaand vanaf het ogenblik harer aflegging ***® of als in het geheel niet bestaand *°°* geacht. 3247 Misn., Nâz., V 4. Zie noot 3079. 3248 Miën., Näz., V 4, Zie noot 2337, 2338. 3249 Zie noot 3255. 3250 Misn., Naz., IV 4, 6. 3251 Miën., Näz., IV 4, 6; ibid., MeT, III 2. D.w.z. zonder de feestelijke maaltijd. Het dierlijke substituut symbolizeerde de ziel, het toegevoegde spijsoffer het lichaam van de gesubstitueerde. Zie noot 3239, 3276. 3252 Zie noot 1296, 3273. Zo Cicero, De Legib., Il 22: /mpius ne audeto placare donis iram deorum, „De goddeloze wage het niet de goden in hun toorn te verzoenen met gaven”. 3253 Zie noot 1142, 2691, 2696. 3254 Miën., Näz., IV 4, 6; zie noot 1298. Waartoe: Sophocl., Antig., 776, 889. 3255 Misn., Näz., VIS. 3256 Misn., Näz,, IV 4, 6; ibid., Mel, III 2. 3257 Misn., Nâz., IV 4, 6, 7; ibid., Mel, III 2. Vgl. ibid, Seqäl., II 5. 3258 Misn., Näz., II 5, 6. 3259 Flav. Jos., Antiq., XIX 294; Handel., XXI 24; Talm. Jer, Beräk., p. 1lb, 42-47; ibid. Naz., p. 54b, 2-7; Midr. Genes. Rabb., XCI 3; Midr. Predik. Rabb., VIT 12, |. 3260 Zie noot 2344, 2345. 3261 Zie noot 2302-2311. III 19. 2262 Miën., Nâz., V 3. Sjammaaj, vanaf het consult: Talm. Jer, Näz., p. 54, 31-33; val. Tos., Nezir., 3263 Miën., Näz., V 3.

Pagina 40

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
Twee gevallen uit de casuïstiek worden nader toegelicht. Het eerste betreft verontreiniging, geconstateerd bij een van twee Naziraeërs, zonder dat het duidelijk was bij welke. De positie dezer was, afgezien van de strijd, die der partijen in het gerechtelijke proces: de een rein, resp. rechtmatig, de ander onrein, resp. onrechtmatig. Daar slechts een hunner onrein was, kon het offer der onreinheid door hen niet afzonderlijk worden gebracht ****. Beiden behielpen zich door aan het einde hunner Nazireaatsperiode gezamenlijk zowel het offer der onreinheid, zijnde het vogeloffer *°5, als het offer der reinheid, zijnde het offer der drie dieren *26®, te brengen. leder van beiden sprak daarbij: „Indien ik de onreine ben, is het offer der onreinheid van mij en het offer der reinheid van U. Doch indien ik de reine ben, is het offer der reinheid van mij en het offer der onreinheid van U”. Dertig dagen later brachten zij gezamenlijk het offer der reinheid, en nu zei een ieder: „Indien ik de onreine was, was het offer der onreinheid van mij en het (eerstgebrachte) offer de reinheid van U, en is dit mijn offer der reinheid. Doch indien ik de reine was, was het (eerstgebrachte) offer der reinheid van mij en het offer der onreinheid van U, en is dit Uw offer der reinheid” 22°”. Stierf een beider Naziraeërs, men kon een persoon, die zich hiertoe bereid verklaarde *°**, het Nazireaat laten aannemen als substituut van de overledene, erop vertrouwend, dat hij de regels daarvan in acht zou nemen. Waarna men dezelfde procedure volgde. Meer in overeenstemming met de heiligheid van het Nazireaat en minder bezwaarlijk was echter, dat de overlevende, gebruik makend van het in het vogeloffer aanwezige dualisme, de vogel ten zondoffer en een lam ten brandoffer bracht, en sprak: „Indien ik onrein was. is het zondoffer mijn verplicht offer (der onreinheid) en het brandoffer vrijwillige gave. Doch indien ik rein was, is het brandoffer mijn verplicht (slotoffer) *2°° en is het zondoffer offer des twijfels”. Na dertig dagen bracht hij het offer der reinheid en zeide: „Indien ik onrein was, was het eerstgebrachte brandoffer vrijwillige gave en is dit hier mijn verplicht (offer der reinheid). Doch indien ik rein was, was het eerstgebrachte brandoffer verplicht (offer der reinheid), is dit (brandoffer) hier vrijwillige gave en is dit 22°° het resterende (gedeelte) van mijn offer” 2271, De eenheid der slotplechtigheid was op deze wijze doorbroken, daar het verplichte brandoffer reeds voordien opgedragen was ®*’?. Men nam dit voor lief. Over de afzonderlijke offers nog het volgende: Het zondoffer kon als geëist offer niet vrijwillig worden aangeboden %2”3. Het was echter geëist uit hoofde van zowel de Nazireaatsgelofte. welker verbintelijkheid over de dood heen reikte *27%, als uit hoofde der bevlekking *2°5. Daar de overledene niet langer bestond, bracht men voor hem het zondoffer als „offer des twijfels”, zonder het bijgaande spijsoffer 327. 3264 Zie noot 3252. “aes Zie noot 3160. 3266 Zie noot 3166. 2267 Misn., Näz., VIII |. Ten tweeden male drie dieren. 2268 Op de markt: dus tegen remuneratie. 3269 Zie noot 3227. 3220 Bedoeld: het zondoffer en het dankoffer. 3271 Misn., Näz., VIII 1. letwat anders: Tôs., Nezir., VI 1. 2212 Zo Rabbi Jozua: Miën., Näz., VIII 1, ad finem. Doorbreking van de regel van noot 1273, vgl. noot 3167. 3273 Zie noot 3252. 3274 Zie noot 2312, 2331. 3275 Zie noot 3160. 3236 Misn., Temür., VII 6. Zie noot 3251.

Pagina 41

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
Het schuldoffer, een lam als offer der voorlopige verzoening 22°”, was slechts de levende, niet de door zijn dood definitief verzoen°2”8 de overledene tot verplichting. Het kon in beider naam niet worden opgedragen. De levende offerde inderdaad een lam, maar als vrijwillig brandoffer. Dit eerstgeofferde lam verdrong het vogelbrandoffer, daar men zich in eenzelfde offer, ditmaal het brandoffer, niet op tweeërlei wijze kon doen substitueren 22°®. Het brandoffer was aangeboden offer en kon naar believen worden herhaald %2*°®. Het dankoffer had vooral sociale functie ***!, Het beduidde het einde der handelingen en kon van de laatste plaats niet naar voren worden geschoven. Het tweede geval betreft verontreiniging van de Naziraeër door melaatsheid. Wic vreesde door deze ziekte getroffen te zijn, deed zich onderzoeken door de priester, die hem daartoe enige tijd bij zich opsloot. Verklaarde hij hem vervolgens melaats, de melaatse verloor het recht van toegang tot de tempel *28?. Hij moest als onreine de stad verlaten en zich in de vrije natuur terugtrekken %2®*. Verklaarde de priester hem genezen, hij bracht voor de genezene een reinigingsoffer bestaande uit twee vogels °28*, eveneens in de vrije natuur. Deze laatste schoor zich daarop, meed zijn huis en schoor zich na een week ten tweeden male *°**, om op de volgende dag zijn genezing met een slotoffer in de tempel te bekrachtigen *°*$. Indien de Naziraeër in deze situatie verkeerde, maakte het scheren zijn Nazireaatsperiode ongeldig °°*”, zodat hij opnieuw daarmede moest aanvangen. Maar de priester was niet steeds in staat een verklaring van reinheid of onreinheid af te geven. De Naziraeër volgde dan een voorlopige procedure 2285. Hij liet zijn Nazireaat doorlopen. Op de dertigste dag bracht hij in de vrije natuur het vogeloffer des melaatsen, schoor zich en bracht in de tempel het vogelzondoffer en het lam ten brandoffer, ter verzoening en beëindiging van zijn eerste Nazireaatsperiode. Dertig dagen later schoor hij zich ten tweeden male en bracht nogmaals het vogelzondoffer en het lam ten brandoffer. Hij bekrachtigde zijn genezing de dag daarop echter niet met een slotoffer; zijn herwonnen reinheid bleef empirisch. Ook in deze procedure had de reinheid Gods voorrang boven de heiligheid des mensen *°®°. Eerst na het tweede scheren mocht de Naziraeër, van melaatsheid voorlopig als vrij beschouwd, de termijn tot beëindiging van zijn Nazireaat aanvangen. Na de verwoesting van de tempel in het jaar 70 A.D. bestond de offercultus niet langer en moest het Nazireaat gereorganizeerd worden. Dat geschiedde niet. De afkeer der Joden van de 3277 Zie noot 3172-3173. 3218 Zie noot 649, 1739, 3252. 2279 Eenheid van substituut en gesubstitueerde. Vgl. Legis Actio Sacramento, blz. 43, noot 364, 365. Eenheid van wil: Talm. Jer., Ta'an., p. 68b, 20-25. gee bevits. Es: 2281 Zie noot 3229, 2282 II Chron., XXVI 20-21. 2285 Levit., XIII 45-46; Numer., V 2; II Kon. VII 3: II Chron., XXVI 21. 2284 Levit, XIV 4-7; zie noot 1903-1908. Niet te verwarren met het stijgende en is zondig: Legis Actio Sacramento, blz. 64, noot 503 (voeg toe: AARS Levit. IVER dalende vogeloffer. De melaatse Pap. Dodgson, verso, 10-11, Griffith). 3188 Eevits XIV-10-32 3287 Zie noot 3136. 2288 Misn., Näz., VIII 2, met Gemara. 2289 Zie noot 3066. De Zonnegod, vertoornd over de aanwezi gheid Jacoby; ad 306); zie noot 3284. der melaatsen in Egypte: Lysim., zie

Pagina 42

Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)
ascese trof ook het Nazireaat, hoewel dit met haar slechts in het verbod van wijngenot parallel ging. In de tweede eeuw A.D. spreekt een der Rabbijnen als zijn mening uit, dat de Naziraeër zondaar is, daar hij zich het wijngenot ontzegt °°°. In het Targoem op Amos, Il 11: „Ik heb (sommigen) uit Uw zonen tot profeten verwekt, en uit Uw jongelingen tot Naziraeën”, is de term „Naziraeën” in vertaling wedergegeven als „leeraren’’, waarmede een zekere afstand van het Nazireaat schijnt te zijn genomen. Het Targoem dateert uit de derde tot de vijfde eeuw onzer jaartelling. ete haq-Qappáär: Talm. ak abo EE Eleazar Babl., Ta’an. lla; ibid, Nedär., la; ibid, Näz., 19a, 22a; ibid., Söt, 15a: ibi > Bäb. Qamm., 91b; ibid, Sebü”, Ba; ibid, Kerët., 26a: Midr. Sifr., in Numer., 30; Midr. Numer Rabb X7 Is. Schriftbewijs: Numer.. VI 11. Zo ook: Tós.. Nedär.,