Volltext anzeigen5 Seiten
Seite 1
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)1474, BEUMER M.G., Het theorema van ryinagurus . museo --
. 1946-1947 255-263.
*. ‘Essai de reconstitution du théorème, dans sa formulation première,
eu égard aux raffinements que lui apportent Hippocrate, Euclide,
Archimede et Pappos. Le théorème et le «gnomon ».
HET THEOREMA VAN PYTHAGORAS
in
door
BEuNER
Me.
vaa
Ca
M. G. BEUMER.
In onze huidige samenleving zal men nog slechts weinige mensen
van enige ontwikkeling aantreffen, die de beroemde stelling, dat
in een rechthoekige driehoek de sommen der vierkantsoppervlakken
beschreven op de rechthoekszijden gelijk is aan het oppervlak van
het op de schuine zijde beschreven vierkant, niet kennen. In ieder
leerboek der elementaire meetkunde vindt men dit theorema van
Pythagoras op diverse manieren bewezen en er is, naar men
verhaalt, een tijd geweest dat een mathematicus geen goede reputatie
bezat, indien hij niet een of ander nieuw bewijs voor deze stelling
had gevonden. Tot allerlei spitsvondigheden is men op deze wijze
gekomen en de samenstelling van bloemlezingen uit die bewijsverzamelingen kon dan ook niet uitblijven!). Toch kan men zich bij
een nadere beschouwing van het probleem de vraag stellen of door
dit alles het essentiéle van het vraagstuk, dat het spraakgebruik en
de traditie aan
Pythagoras
toeschrijft, niet wordt verduisterd
en of men een doodeenvoudige kwestie niet nodeloos moeilijk en
ingewikkeld maakt. Indien men aan de hand van de ons bekende
bronnen de lotgevallen van het theorema vervolgt, dan kan men een
zekere onbevrediging gevoelen over de wijze, waarop dit onderwerp
in de leerboeken wordt behandeld en aldus op de scholen wordt
onderwezen, zonder twijfel traditiegetrouw maar daarom niet minder
onbevredigend. Een historische toelichting moge hier niet misplaatst
zijn; men verwachte geen nieuwe vondsten of hypothesen, maar de
huidige opvattingen van meer competente historici dan schrijver dezes mogen wij op deze plaats in dit verband kort vermelden.
Allereerst dan: wat verstaat men onder een theorema? Het Griekse
woord „theoorein” betekent „doorschouwen”; theorema moet dus
in zijn oorspronkelijke betekenis een aanduiding zijn geweest van
iets, dat door zuivere beschouwing wordt gekend. De betekenis van
dit begrip heeft in de loop der tijden allerlei vervormingen ondergaan. In de laatste vier eeuwen vóór het begin van onze jaartelling
hebben zich in Griekenland naast de vele politieke en sociale twisten
tegenstellingen ontwikkeld ook op wetenschappelijk gebied en het
1)
Zie bv. J.
Versluys, Zes en negentig bewijzen voor het Theorema
van Pythagoras (Amsterdam 1914) en E. S. Loomis, The pythagorean
proposition (Cleveland 1926). Het laatstgenoemde werk bevat 167 bewijzen.
Seite 2
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)mag ons niet verwonderen, dat onder de invloed van een karaktertrek
die vele antieke denkers beheerst, namelijk dat zij in hoge mate
redetwistend en oordeelzuchtig waren, eveneens zich rondom het
begrip theorema een strijd ontwikkelde, waarin namen als Ge minos, Carpos, Speusippos en Menachmos bekendheid genieten. Nadere gegevens hieromtrent vermeldt o.a. de Franse
mathematico-historicus Paul Tannery!), en deze is van
mening dat Euclides (+ 300 v. Chr.) in zijn klassieke leerboek
der vlakke meetkunde, de Elementen, het woord bij voorkeur niet
gebruikt en slechts als titel boven de diverse hoofdstukken plaatst. *
Eerst latere bewerkers zouden de term theorema in de manuscripten
hebben ingelast. De oorzaak van de twist wordt wellicht iets duidelijker, indien men de woorden van Carpos (4e eeuw v. Chr.) in
ogenschouw neemt als deze naar voren brengt, hoe bijzonder moeilijk het is een theorema te vinden en het vervolgens in een vorm
te brengen, zodat het niet te veel en niet te weinig zegt 2). Hiermede
drukt hij. uit, dat er problemen zijn, zoveel men wil, maar dat
theoremata een unicum uitmaken.
Hoe nu brengt men het theorema in verband met
Pythagoras?
Pythagoras van Samos was een Grieks wijsgeer uit de zesde
eeuw vóór onze jaartelling; zijn sterfdatum ligt waarschijnlijk omstreeks 496 v. Chr. In Zuid-Italié (Croton) stichtte hij een gemeenschap op religieuze grondslag, die een legendarische vermaardheid
bezat en waarover de biografen der oudheid met ophef schreven 3).
De wetenschappen werden door
Pythagoras en zijn leerlingen
ijverig beoefend; naast de philosophie, d.w.z. de physica werd in
deze door mystieke sluiers omhulde bond aan de wiskunde veel
aandacht besteed. Deze religieuze gemeenschap is op vrij tragische
wijze tot opheffing gekomen; zij viel ten prooi aan wraakzucht en
fanatisme van tegenstanders en slechts weinige leden van de school
des beroemden meesters- wisten aan de vermoording te ontkomen;
deze werden verspreid over geheel Italié. Of deze gebeurtenissen
hebben plaatsgevonden, toen Pythagoras nog leefde en of
hij dus ook een slachtoffer van zijn opvattingen is geworden of
dat hij op het betreffende tijdstip reeds overleden was, daaromtrent
kan men op het huidige ogenblik slechts weinig met zekerheid vaststellen. Historici en biografen uit die dagen spreken steeds over
1) In zijn beroemde werk: La géométrie grecque, comment son histoire
nous est parvenue et ce que nous en savons. J (Paris 1887), p. 145.
2) Tannery l, p. 146.
8) Zie bv. Diogenes Laertios, Lives of eminent philosophers
(ed. R. D. Hicks, Loeb’s Classical Library) II (London—New York
1925), Liber VIII, Caput 1, p. 321-367.
de ,,Pythagoreèrs” en zodoende is het absoluut onmogelijk ook maar
bij benadering te onderscheiden tussen de werkelijke verdiensten van
den leider van de bond en die van zijn gezellen.
Dit geldt ook voor het geval van het theorema. Doch zonder
bovenstaande feiten te kennen zal het eveneens reeds duidelijk zijn,
dat de stelling die het verband tussen de rechthoekszijden en de
hypotenusa in de rechthoekige driehoek aangeeft de naam van
Pythagoras hoogstens nog draagt als een gemakkelijk distinctief, waarover wij hieronder nog zullen vermelden in hoeverre dit
gerechtvaardigd is, en niet als een uitdrukking van het feit, dat dit
theorema van origineel Pythagorees origine is. Want reeds in de
empirische Egyptische meetkunde van 2000 jaren vóór onze jaartelling gebruikte men voor de constructie van rechte hoeken een
draaddriehoek met zijden in de verhouding 3:
4:5 en in de pyramiden vindt men deze afmetingen voortdurend terug '), terwijl ook
uit Babylonié en de andere oosterse landen overblijfselen daarvan
bekend zijn. Over de kwestie aan welken onderzoeker de formulering van deze eigenschap, zoals wij die op het huidige ogenblik
kennen, moet worden toegeschreven, is een interessant probleem,
dat zich steeds in een grote belangstelling der historici mocht verheugen. Velen hunner hebben getracht een enigszins aannemelijke
verklaring te creéren doch slechts weinigen slaagden er in hypothesen naar voren te brengen die werkelijk pasten in een geleidelijke
harmonische ontwikkeling der meetkundige begrippen van de oudste tijden tot op
Euclides; in de
Elementen vindt men een vrij gecompliceerd bewijs
voor het theorema 2), en dit duidt op een langdurige ontwikkelingsgang eer men tot een dergeliike hoogte der bewijsvoering was gekomen.
Een tweetal concepties mogen hier bespreking
ondervinden, die van
Tannery en van Naber.
Tannery neemt aan, dat het inzicht in het theorema zou zijn ontstaan uit de beschouwing van de
Fig. 1.
gelijkvormigheid der beide driehoeken, waarin een
rechhoekige driehoek wordt verdeeld door de loodliin op de hypotenusa, met de gehele driehoek. (Fig. 1). Uit de
gelijkvormigheid volgt, dat de vierkanten opgericht op de zijden AB
1)
Vel. b.v. de resultaten der opmetingen van den „Astronomer Royal
for Scotland” Charles
Piazzi
Smyth (1819—'90), vermeld bij
H. A. Naber, Van theorema naar sectio divina (Den Haag 1939),
biz. 81 ev.
2)
Boek I, prop. 47; zie: E. J.
Dijksterhuis,
Euclides I (Groningen 1929), blz. 203.
De elementen van
Seite 3
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)en AC opv. gelijk zijn aan de rechthoeken gevormd door BC, BD
en BC, CD. Dit bewijs nu levert Euclides op geheel andere
en meer exacte wijze, in overeenstemming met het stadium, dat de
dat wij aan Naber
ontlenen (Fig. 3) aantoont !). Ook de z.g.n.
Stelling van
Pappos (3e eeuw na. Chr.), waarbij op de zijden
S
wiskunde in zijn tijd had bereikt !). Deze hypothese van Tannery
vult de kloof tussen de oudere geometrie en die der elementen op
aannemelijke wijze op, en dit is reden dat zij op het ogenblik wel
wordt aanvaard als zijnde het meest in overeenstemming met de
bekende feiten. Toch mogen wij niet verzuimen op deze plaats ook
parallelograms worden beschre-
JOA
ven 2)
GY |
/\\
D
hoekszijden en op de schuine
4
E
zijde van een rechthoekige drieK
4
hoek gelijkvormige figuren Fa,
\
y
Fb en Fc op, waarin de recht-
4
‘
hoekszijden en
y
Ú
=
L
A
is welbekend (Fig. 4).
Algemeen: richt men op de rechtde
hypotenusa
homologe lijnstukken zijn, dan
B
geld: Fa + Fo = Fe.
Een interessante toepassing
Fig. 4.
hiervan vindt men in de kwadraturen van Hippocrates (5eeeuw
v. Chr.). Deze Atheense geleerde, die wij hebben te onderscheiden
van
zijn
beroemden
medischen
naamgenoot, zocht de kwadratuur
van de cirkel, en hierbij wordt het
theorema gebruikt met cirkelvormige figuren op rechthoekszijden
en schuine zijde. Een uitbreiding
Fig. 2.
Fig. 3.
de. andere hypothese, die van H. A. Naber?) te vermelden.
‘Naber wijst er eerst op, dat bij Euclides?) de gelijkvormigheid, waarvan Tannery spreekt, wordt vermeld. Dit zou eigenlijk
het theorema van Pythagoras in de kern bevatten: immers
slaat men de beide driehoekjes naar buiten om, en ook de gehele
driehoek, (Fig. 2), dan heeft men het theorema vöör zich, en wel
in veel algemener vorm dan in het geval met de vierkanten. De
stelling toch geldt voor alle gelijkvormige figuren, zoals een figuurtje
1)
Vgl. Tannery, I, p. 105.
2)
Henri
Adrien
Nabér
later de
Arabische
4
(gestorven 1039), en de figuurtjes
|
sectio divina” van 1939 (biz. 205—216); dit boek mag wel de bekroning
van de geestelijke arbeid van dezen veel miskenden geleerde genoemd
Dijksterhuis
Il (Groningen 1930), blz. 90.
B
Fig. 5.
op de rechthoekszijden genieten tegenwoordig grote bekendheid als
de maantjes of meniscen van Hippocrates (Fig. 5.) Ook de
sikkel van Archimedes (287
—212 v. Chr.) (arbelos, of in een
speciaal geval salinon) is een uitbreiding
van
het theorema
Pythagoras
B wijze
(overleden in 1945) promoveerde in
Een lijst van zijn verhandelingen vindt men in zijn „Van theorema naar
Bk, VI, prop. 8; zie
gaf
mathematicus Ibn Alhaitam
figuren3)
1901 tot doctor in de wis- en natuurkunde op een dissertatie over de stereometer; hij bestudeerde verschillende historische kwesties, o.a. het theorema
van Pythagoras, het perpetuum mobile en de duikboot van Drebbel. In'Hoorn stichtte hij een Drebbelmuseum en polemiseerde jarenlang o.a. met Prof. F. M Jaeger (overl. in 1945) en de Kon. Acad. der
Wetensch. Hij schreef vele studies in een merkwaardige trant en zijn werk
steunt op een schier onbeperkte belezenheid en een grote verbeeldingskracht.
2)
hiervan
van
op cirkelvormige
(Fig. 6). En juist de
waarop
Hippocrates
het theorema onbevangen uitbreidt
op cirkelvormige figuren, hetgeen
vermeld wordt in een historiografisch controleerbare overlevering,
1) Naber, biz. 17; een korte samenvatting in gemakkelijk leesbare
vorm geeft W. Lietzmann, Der pythagoreische Lehrsatz (Leipzig—
Berlin 1926), S. 2640.
2)
Bk. IV, prop. 1; zie:
supersunt ..edidit...
Fr.
Pappi
Hultsch
Alexandrini, Collectionis quae
I
(Berlin
1876),
S.
176.
Euclides Bk. VI, prop. 31; zie Dijksterhuis Il, biz. 114.
3)
Zie bv. D. J. E. Schrek, De sikkel van Archimedes.
Tijdschrift voor Wiskunde 30 (1942—'43), 2; 9 ev.
Nieuw
Seite 4
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)nl. de commentaar van Simplikios op de Physica van
Aristoteles !), geldt als een sterk argument in bevestigende
zal
zin voor Naber’s opvatting.
theorema. Door dit inzicht wordt het theorema van
Uit dit bericht trekt Naber overigens nog een conclusie, die in
dit verband zeker de vermelding waard is. Allereerst dan, dat de
Grieken vóór of in ieder geval ten tijde van Hippocrates er
blijkbaar geen bezwaar in zagen met kromlijrige figuren te werken,
hoewel in de Elementen daarvan niets tot uiting komt?); Hippocrates bezigt het theorema in de modificatie, die gewoonlijk „de
uitbreiding van Euclides” wordt genoemd. Hieruit meent hij
te kunnen concluderen, dat men voor de uitbreiding van de stelling
in het geheel niet behoefde te wachten op Euclides, maar dat
de Pythagoreérs (of liever: de wiskundigen uit het tijdperk voor
350 v. Chr.) en misschien Pythagoras zelf de meest typische
toepassingen van het theorema reeds bekend geweest moeten zijn.
Uit de omstandigheid, dat zij met kromlijnige figuren werkten meent
hij te kunnen besluiten, dat deze wiskundigen het theorema als iets
zeer eenvoudigs beschouwden en dat zij geen bewijs nodig achtten;
dat dit dus aanvaard zou zijn als iets , e e e e... ©
vanzelfsprekends.
o...
e
ololo 0 è
Een ander argument ziet Naber RS DE PR
in de ontwikkeling van het begrip gnomon 3). De gnomon, later ook Jacobs. © ® * ® ®|®|® ee
staf is een apparaat bestaande uit twee © © © 0 ejeje e ©
of meer loodrechte staafjes met kijk- e. e eo eo e eje © e
gleufjes en het werd ten tijde vane e e e e e o o e
Newton nog voor hoekmetingen op oe e e © e e © © è
zee gebruikt. De betekenis echter heeft è è è è o e eo o è
zich gewijzigd; bij Aristoteles is
het de rand om een vierkant en bij
Fig. 7
Euclides een figuur in de vorm van een scheve winkelhaak. Bij
Heroon van Alexandrié (+ 100 v. Chr.) is het alles wat een figuur
of ook een getal maakt, dat gelijkvormig is aan het oorspronkelijke;
de oneven getallen zijn gnomon-getallen, omdat 1? + 3 = 2°;
32 + 7 = 42; 52 + 11 = 6°, enz. (Fig. 7).
Nu bezit alleen de rechthoekige driehoek (afgezien van de rechthoek met als zijden 1 en Y2) de eigenschap dat de gnomon dezelfde
1) Zie F. Rudio, Der Bericht des Simplicius liber die Quadraturen
des Antiphon und des Hippocrates. Bibliotheca Mathematica
3 (1902), 7—62 en Dijksterhuis I, biz. 25 ev.
[37
2)
Bk. VI, prop. 31; zie Dijksterhuis II, blz. 114; vgl. Naber,
blz. 28—29,
3)
Naber, biz. 19-21.
vorin heeft als begin- en eindfiguur, en dit, aldus oordeelt
veel
hebben
bijgedragen
tot
een
spontaan
Naber
begrip van
het
Pythagoras
weer een echt theorema, dat is: iets, wat door zuivere beschouwing
wordt
gekend; de
latere wiskundigen
echter hebben
door hun
arithmetisering der meetkunde het begrip verduisterd en deze simpele oplossing over het hoofd gezien.
Men moge het ons niet ten kwade duiden, dat wij naar aanleiding
van Naber’s opvaiungen, die ongeveer uit 1894 dateren en voor
het eerst uitvoerig in 1908 werden geponeerd') wellicht meer geschreven hebben dan de actualiteit van deze beschouwingen toelaat.
Wij willen evenwel niet nalaten te wijzen op de verfrissende werking, die zijn gedachten kunnen uitoefenen bij de behandeling van
het theorema. Vooreerst zou men van de huidige behandelingswijze
der meetkunde in de leerboeken kunnen opmerken, dat in de geometrische begrippen al te veel de namen van getalgroepen en de bewerkingen op deze gezien wordt. Met het neerschrijven van a?, 6?
of c? wordt bijna onmiddellijk verbonden de gedachte aan een vierkantsfiguur. Ook van historisch oogpunt zou men bezwaren kunnen
inbrengen tegen de wijze, waarop de stelling van
Pythagoras
in de leerboeken wordt ingevoerd 2). Gewoonlijk vindt, naar aanleiding van de gelijkvormigheid der driehoeken waarin de loodliin op de schuine zijde een rechthoekige drieheek verdeelt, met de
gehele driehoek, de afleiding piaats van de algebraische uitdrukking
der stelling. De meetkundige lengten der zijden vindt men door
middel van algebraische getallen uitgedrukt in
(overigens
willekeurige) lengte-eenheden. Is men gekomen bij de behandeling van
de oppervlakken, dan volgt de opmerking dat a? beschouwd kan
worden als het oppervlak van een vierkant met een zijde van a
lengte-eenheden, en dit wordt dan op andere wijze geformuleerd
dan de eerste maal. Deze behandelingswijze nu is nog de meest
gangbare in de schoolboeken 3), hoewel representatieve leerboeken
1) Naber schreef over het theorema van Pythagoras in het
studententijdschrift Propria Cures (1892 en '94), en poneerde het bewijs met
behulp van de uitslaande driehoeken en het gnomon in een stelling van zijn
dissertatie „De stereometer” (1901); voorts uitvoerig in de boeken Das
Theorem des Pythagoras (Haarlem 1908), Meetkunde en mystiek
(A'dam 1915) en Van theorema naar sectio divina (Den Haag 1939).
2) Vgl. bv. Derksen en De Laive, Leerboek der vlakke meetkunde, di. 2 (11e druk, Zutphen 1937), blz. 31; 80.
3)
In P.
Molenbroek,
Leerboek der vlakke meetkunde (Groningen
1924), biz. 167; 185 wordt dit standpunt gehuldigd; in latere uitgaven van
dit werk is hierin verandering gebracht; zie b.v de 9e druk, bewerkt door
P. Wijdenes (Groningen 1943), blz. 176; 205.
Seite 5
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)vr et
per:inestrunde Iungraniarkand een andere€ opvatting gaan huldigen,
die meer in overeenstemming is met de methode, waarvan de loop
in algebraische grootheden; als uitbreidingen van het theorema
volgen daarna de stelling van Pappos, de maantjes van Hipder historische ontwikkeling in vele punten is opgehelderd. Eenheid
pocrates e.d.
in behandelingswijze is niet te bespeuren en men kan zich de
vraag Stellen of niet met evenveel recht andere opvattingen, als b.v.
die van Naber opgeld zouden kunnen doen. Wel is waar is zijn
De invoering van de z.g. Pythagoreische drietalien is gemakkelijk
mogelijk met behulp van het gnomon. Immers, volgens de hierboven
gegeven definitie is een gnomon een oneven getal, indien men een
kwadraat 52 wil vormen uit een kwadraat a?, als b — a = 1 is
(Fig. 7). Indien men nu slechts de gnomons zoekt, die zelf vierkanten zijn, dan kan men deze als volgt in uitdrukking brengen:
mening over de historische ontwikkeling van de stelling van P y th agoras niet ver verwijderd van het hypotetische, maar men kan
zeggen dat bepaalde argumenten en bewezen feiten een zekere
stevigheid van fundering aan deze gedachtengang verlenen, en om- .
standigheden, die op een totale of ook maar gedeeltelijke absurditeit
van deze mening duiden zijn niet aanwezig. Maar welk nut heeft
.
4a + (a
— 1)? = (a + 1)?
waarin a > 1 een natuurlijk getal is.
Immers, vergelijkt men het vierkant van een getal met de vierdienstbaar maakt aan de didactiek. Het bewijs voor de stelling van
kanten van de getallen, die opv. + 1 en — 1 van het oorspronkelijke getal verschillen, dan is het verschil met elk van beide een
gnomon, die ontstaat door het tweevoud van het eerste getal opv.
Pythagoras
moge interessant zijn uit
te vermeerderen of te verminderen met 1. Het verschil der beide
geometrisch oogpunt (en er zijn nog veel meer mooie bewijzen),
vierkanten, die het eerst beschouwde vierkant omgeven, is dus een
veelvoud van 4. Is 4a zelf een vierkant, dan is het drietal getallen
een Pythagoreisch drietal. Algemener kan men het nog uitdrukken
door 4a te vervangen door (2n)?; een viervoud toch kan alleen het
. de meer exacte kennis van een historische groei, zoals b.v. van de
Elementen van
Euclides, indien men deze niet respecteert of
volgens
Euclides
maar deze zijn niet de meest geschikte om het inzicht te bevorderen.
Een historisch voorbeeld: een der meest vooraanstaande mathematici
uit onze eeuw,
Albert
Einstein
bracht in zijn jeugd twee
weken door met ,,angestrengtem Nachdenken” voor hij het bewijs
kwadraat zijn van een tweevoud. De betrekking tussen de zijden van
begreep. Maar wij kunnen ons de vraag stellen of dat nodig is;
een Pythagoreische driehoek luidt dus:
steeds worden er bewijzen gevonden maar geen enkele dezer oplossingen draagt het kenmerk dat onze grote landgenoot
Boerhaave
(2n)? + (n° — 1)? = (12 + 1)?,
waarin n een natuurlijk getal is.
van Naber aanvaarden — en wij kunnen dit met evenveel recht
Een omstandigheid is er nog, die wij hier in het kort willen vermelden. Als men uit de oorspronkelijke verhandelingen van N aber
doen als dat wij de huidige kennis van de ontwikkeling van het
de beschouwingen put, die in het bovenstaande zijn weergegeven,
Euclidisch systeem als acceptabel aannemen — dan heeft de Griekse
dan kan men zich de vraag voorleggen of deze opvattingen niet
mathematicus met deze zaak weinig moeite gehad.
getuigen van een zekere eenzijdigheid, een sterk, soms ietwat ge-
‘aan het ware inhaerent achtte, nl. de eenvoud. Als wij de argumenten
Bij de behandeling van het theorema behoeven dan niet eens de
uitgezaagde plankjes gebruikt te worden zoals het vroeger wel gedaan werd!). De gelijkvbrmigheid van de driehoek kan toegepast
forceerd drijven van de gedachten in een bepaalde richting. Wij: zullen zeker de laatste zijn om dit, hetzij uit piéteit of gevoelsoverwegingen te ontkennen. Want wij willen hier de mening uitspreken
worden op de driehoekjes, waarin de loodlijn op de hypotenusa
dat een dergelijke eenzijdigheid in velerlei opzicht een verfrissende
een rechthoekige driehoek verdeelt, Klapt men de driehoekjes en ook
-terend leent in het kader van dat hoofdstuk. Daarop kan men een
en stimulerende werking kan uitoefenen in de wetenschap, en door de
eenzijdigheid van andere opvattingen (een eigenschap, die elke
meriing aankleeft) zal dit toch nooit al te sterk worden doorgevoerd.
Wij behoeven ter illustratie hiervan geen voorbeelden te vermelden
uit de geschiedenis der wijsbegeerte of der sociale wetenschappen,
maar een aandachtig toeschouwer zal, wat dit betreft, in de ge-
‘ beschouwing laten aansluiten over het uitdrukken van opperviakken
beurtenissen der laatste jaren wel voldoende stof ter overpeinzing
de gehele driehoek naar buiten om
(Fig. 2)
dan ziet men het
theorema aanschouwelijk voor zich en reeds in een meer algemeen
geval dan met de vierkanten. Bij de behandeling van de opperviakken
kan het bewijs van
Euclides gegeven worden, dat zich schit-
1) Vgl.K. Vos, Multatuli en het theorema van Pythagoras.
; Nieuw Tijdschrift voor Wiskunde 8 (1920—’21),
266
hebben gevonden.
Utrecht, Juli 1946.