De miskende Pythagoras

Autor
Erven Dorens, C. van
Erschienen in
Maandblad voor hedendaagse muziek
Jahr
1933
Thema
HISTORY
Sprache
Nederlands
Kategorie
C2 Music
Archivnummer
7425

PDF öffnen(öffnet in einem neuen Fenster)

Volltext anzeigen8 Seiten

Seite 1

Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)
19-09-10 20:24 Historische Kranten Full screen Vorige zoekresultaat | Volgende zoekresultaat Zoekwoord: pythagoras TU schitderijen, ‘ terwaarde van 6300 je Inspiratie. Een Mendelssohnverheerijkiag via | © INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. Varier en a verleid, oprechtheid, ver- | 7, Casciiis-Mustekcôlioge wijst de redactie | Ÿ'Eaten-wij hopen. dat op dezen Inatsten daa | all :De Moidau-pohrie. Een Smetana ats een vaar aanleiding van hetgeen het Vader- | nog voel schilderijen verkocht zijn. ontroerde en ontfoerende bard. De bezieling | amd schreef over de solisten van Concert en de eenvond, de tibtiele verheelding en de Ditigentia op de „roeltikheden; waarmee Nemi — Wegens haar verhi he issen In O ijk MM Fae eee mee nest rbd over de Voorts vinden we er een nibeschouwing over | val Marauerite Couperun Dinsdag 25 Juli | ej achtig-päkkende voordracht, hei Inhauden het inter je Muzic te A N chen integendeel (zeer merkbaar bij da lange e-dur. | 9 Seat de heer A. D, Loman Jr. voort met kröat) bij intiem beluisteren van alie diep | De muzikale, re te Seheveningen kunnen epireden.. … lin sr EEEN , mi zou in het Theater in der | na In’ September Jouephstadt te Weenen de première gaanvan | fie In het Mbl. voor Hedendasgsche Muziek kar Straus’ operette „Eine Frau, die welsz behandelt Mein Albarda musiek en litteratuur | was sle will", met Fritz) Massary, bespreekt mis) van deStrien Loudoor orient, aat Expressieve bégript en cantabile-lijnen! Jt, vrij enEergebonden, als du | Misch zikale Interval. voorlichting gramofoon. fa op deze manier. , De Strauss-wals. Meér nog een orkest-wals urhaus t vorale paralieliteit en coforaturistigche | à Ge le’heift van de 19e ecuw en vervolgt C, | Nu komt echter uit Karlsbad herichs, dat | HS chntrapuntiek dan een soubrette-wals voor eigen | “+7. Erven Dorens De Miskende Pythagoras. |.de kunstenares daar voor de herfstmaanden | 7 serliiheid en solistische ijdelheid vin onschuk | Groot-Nederland opent met verzen | aan het Scalatheater ín geéngageerd. dige Poort. Een stem als van mevr. Sala heeft | Yan Hendrik de Vries en Camp de Bosechaerde. te w naar inneriijk leven en timbreering, De zangeres | Salon en woonverirsk door dr F. H. Fischer: ve het al ietwat bezwaarlijk drardoor, en dan nog | Johan Wesseling vervolgt „Marletje”; Urbain | 1, iging van Grieksch heat | Ge hier. fk had het orkest in vele episoden en in | van de Voorde begift een essay over Karel haar M D ‘ aden wor Pf dere digheden wat bescheid ge- | van de Woestijne. Verder bevat dit Junioume | ESS mal he ar A ie gemanden voor het | sal #3 wenscht, hoe verrukkelijk het op sichpelf was, | mer: Alberte In de vriiheld door Cora Sandel; | Ar! van de Comtesse de Noaflles, W had in dit opricht ook meer kunnen geven | Buitenlandsche (soort vitaliteit). Toch niettemin qeapectabele pracstatie, die ret litteratuur door Laurens van een reer | der Waals en boeldbesordeingen. t orkest art's en dee"als “cen arent succes, “ioe Naar wij vernemen, zal Perdinand Helf uitmaken van het trio mann geen deet ' Orkest en tzijn na de overige werken | Bosmans—Helmann—van Wezel. eveneens arte in het applaus ph we en — der ’ Nur wi 7a eo bloemenhulde aangevuld, . ur ver € . De Weensche schrijver Richard Durchinsky | ui, heeft een tooncelsiuk geschreven, waarvan | e Hage Mahart de heid is. Het stak zal in den | yy, cunt te. Weenen BAHT de ter Men meldt uit Rome, dai de verkoop van | RC het boek Vite di Arnoldo, waarin Mussolini het | no leven van zijn broer Arnold heachreven gheeft he om a t 2.5. Spletwoche voor blokfiuiten en | Muvsolinl 11250005 lite op en de tweenen | Wi tier cenpassende AAW. | daarbij instr te orgaal derde ieder 50.100 fire, Al dit geld heeft hij voor | on iEL. : ONZE SCHUTTERSSTUKKEN ALS BELICHAMING De Spielwoche ral bestaan uit een dage- | provinciale fascimtische werken geschonken. DER NIEUWE GESCHIEDENIS. : Ri | we gan1 artikel: Kuntgeschiedenis ate ae Eijksche bijeenkomst, in de maand Augustus, van 24-3 var gedurande een week, onder lei di van den heer Gen uit Neuwied, een e et van ou tree menten Fe fader ven „Die Sackpleiffe” ve , . de Het Sehitderhute te A heelt,, due LS a u waarop Schiller en zijn vriend Wolzouen op wi u bisondri zijn aus chattersstukken “Hollandsche leerrijk ee achat rato pad me van flauerhach | Le Dusseldorp, sen vereeniging welke practisch | ezels, rijdend op den insirumenten bespeelt op uitvoerine | naar Rudolstadt in December 1787 zijn aîge- | 2, de oude de tekening |, van achterkant den Aan beeld. en concerten. gen Behundeld worden & blokfivit en yoo ge. | test cen Latijasch distietion van Schiller, “ staan, st wenscht, mann in „Das Goetheanum® het week ind der , tathronosofen: ; : 4 id besloten, werpt hij ons zijn tegeMoet, Teder is middelpunt van „Ik een ben” wereld, zij Eve, In @ in t Yayak van het het burgerlijk je gamba, luit, en ° bis ming omom sich blokiluit « Jeugd; recteurom Gösta komt,Rergner deze maand naar || = fr re zichmet met de oude Homes herder || Berlijn, metEkman Zlisaheih te onder Op initiatief d fe itatiel van den nieuwe b gel Le a a die ons zoo hard en aadrakkelijk vit de | zullen abonneeren op de voorstellingen. Merl eankijken. Hee volgende j Iets voor dea Kon, Schouwburg? „Antoine Bourdetie, seripieur 141927 har bila cetta maison de 1684 & 1929, Le Kdividueisrre bianengerreden. Im de FM van” Münster, Hildebrandt, hebben elle |de welk mi Rue Aurehonderd ite te Partie, L Yin gehedsgemeenschap komt de beroepistand | meentelijke Overheidspersonen aldaar: afstand | waar het atelier van dezen beeldhouwer staat. | be ‘* belangengemeenschap, Slechts schijnbaar | wedasn van hun dienstplaatsen” in Stadt- | Daar is te zijner nagedachtenis een gedenk- | ac UN op zilke schilderijen de meñschen veree- | theater met de toezegging, dat allen zich | steen onthuld eze den staans | an Kop: Krantentitel: Datum, editie: Uitgever: Plaats van Uitgave: PPN: INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. Het Vaderland : staat- en letterkundig nieuwsbtad 10-07-1933, Dag M. Nijhoff [etc.] ‘s-Gravenhage 832689858 Vervolg van dit artikel Verschijningsperiode: 4 Periode gedigitaliseerd: B Alternatief : Het Vaderland Soort artikel: artikel Bezit en bezitskenmerk: KB NBM C 44 [Microfilm] Verspreidingsgebied: Jt . . pes jAa72s « n N ut! Î Ot { \A Cc) ( ; ‘ | € U N. =. = \ > ENDEN DaRENS C. va \a A3 > ‚CG 2 pe À nt À wi 6 sé ns ? 4 Se http://kranten.kb.nl/view/article/id/ddd%3A010014838%3Ampeg21%3Ap013%3Aa0352 4 cover?po r-€ v ER a ray € | ar As | res D iat ‘ El Pagina 1 van 1

Seite 2

Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)
te beleven. Talrijke symptomen wijzen daarop: o.a. de gastvoorstellingen in Parijs, die voor een verbaasd publiek en de élite van musici en critici de vergeten schoonheden van „de Italiaansche in Algiers” en van ,,Asschepoester" onthulden. Maar ook het eeuwfeest van „Willem Tell” ontpopte zich in de Parijsche opera als een groote triomf. Het is dan ook hoogstwaarschijnlijk, dat in de naaste toekomst door de groote operaondernemingen meer werk van Rossini gegeven zal worden. +++ De conclusie uit al het voorafgaande ligt voor de hand: De Italiaansche opera, die jaren lang als afgedaan gold en als een minderwaardige, vulgaire, zelfs belachelijke kunstvorm werd geminacht, wint het vandaag van Wagners werk en rijst op uit de asch van het muziekdrama tot een nieuw leven en zoo, tot een nieuwe zege opgestaan, blijkt zij dat te zijn, wat zij reeds altijd geweest is: de grootste dramatische schepping van den welschen geest en een van de merkwaardigste en origineelste kunstvormen van alle tijden. Zoo moge dan de opera van morgen haar waardige dochter zijn en mogen de komende generaties de muzikale grootheid van Giuseppe Verdi en Gioacchino Rossini zoo levenswaar en actueel aanvoelen, als wij vandaag. (Naar het geautoriseerde Duitsch van G. F. Winternitz). DE MISKENDE PYTHAGORAS door C. VAN ERVEN DORENS. Van verschillende zijden bereikte ons het verzoek, om den heer C. van Erven Dorens in de gelegenheid te stellen, in een uitvoerig artikel nader in te gaan op de in onze vorige nummers verschenen bijdragen van de heeren Loman en Pot. Wij besloten hieraan te voldoen, maar wijzen erop, dat voor verdere discussies geen plaatsruimte meer beschikbaar zal worden gesteld. De Redactie. Het komt mij voor, dat om wille van waarheid en rechtvaardigheid het laatste stuk van den heer Pot in dit maandblad (April) niet onweersproken mag blijven. Moge het even den schijn hebben, alsof een derde zich hier gaat mengen in andermans zaken, zich bemoeien met een meeningsverschil wat alleen den betrokkenen zelf zou aangaan, die schijn moge aanstonds wijken voor het inzicht, dat hier allerminst persoonlijke opinies in het spel zijn en dat voor een gegrond woord van afkeuring, door wie dan ook uitgesproken, reden genoeg aanwezig is. Wie de bedoelde discussie met eenige kennis van zaken heeft gevolgd zal met leedwezen de onjuiste voorstellingen hebben bemerkt, die de heer P. van zijn tegenstander tracht te geven. Beknopt samengevat komt de zaak hierop neer, dat de ,,onzin' die door schr. aan Loman wordt verweten, niets meer of minder is dan de wijsheid van Pythagoras. In zijn talrijke geschriften zoowel van vroeger als van later tijd heeft de heer Loman de toonbepalingstheorie moieathgóretn volgens de beginselen van Pythagoras uiteengezet en verdedigd. Hij heeft deze leer als logische grondslag van ons Europeesche muziekstelsel telkens en telkens weer met groote helderheid van alle mogelijke kanten belicht; hij heeft overtuigend, d.w.z. met afdoende bewijsgronden van allerlei aard aangetoond dat bedoelde theorie van de grijze oudheid af tot op onze dagen door de universeele muziekpraktijk met vrije toongeving (zooals zang en strijk) een volkomen bevestiging ontvangt. — Omtrent waarheid en waarde van de pythagoras-theorie raadplege de belangstellende b.v. ook eens de werken

Seite 3

Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)
MAANDBLAD VOOR over Muziekgeschiedenis van Dr. Bernet Rempers en C. Hôweler. — Sinds de heer Pot per-abuis den naam van Pythagoras op zijn reclame-toonschijf had vermeld en deze veelzeggende vergissing erkende (Caecilia, Oct.-Dec. "32), weet hij zeer goed, dat de theorie, die hij wenscht te bestrijden geen andere is, dan die den naam draagt van genoemden antieken wijsgeer. Stelselmatig evenwel vermijdt hij het noemen van den beroemden naam en tracht den schijn te wekken alsof hij (Pot) strijd voert tegen een of andere dwaze nieuwigheid, een „onzin”” een muzikale ketterij, „pour le besoin de la cause” verkondigd door een zekeren Loman. Deze persoonsverwisseling is evenwel niet het eenige wat in de pennestrijd opvalt. Er is meer. De veronderstelling zou voor de hand liggen, dat een schrijver, die zich te weer stelt tegen eeuwenoude en beproefde wijsheid en -waarheid, terdege thuis zal zijn in de materie, dat is hier de muziekwetenschap, de elementaire muziekleer in de eerste plaats mee inbegrepen. Wanneer wij dan echter bij schr. op biz. 150 de intervalsafstand van C' tot bes’ vermeld vinden als een verminderde septime en de afstand van bes’ naar b' als een kleine secunde, dan weet de ingewijde voldoende over de theoretische bevoegdheden van den heer Pot. Ook andere passages geven hiertoe aanleiding. Zoo gebruikt schr. bijvoorbeeld de woorden ,,functies” en ,,leidtonen” in een zin, waarin de musicus deze termen niet herkent. Hij spreekt van „dur-symbolen” (blz. 129) en richt aanvallen tegen onze ,,nietszeggende kruisen en mollen”. Hij ontzegt aan de kruisen en mollen, die hem blijkbaar irriteeren, het ,,bestaansrecht”. Eigenaardig standpunt voor een muziektheorist, Maar ook deze kleinigheden buiten beschouwing gelaten, zou men mogen verwachten, dat schr. bij de ontwikkeling van zijn denkbeelden zichzelf gelijk blijft en niet in tegenspraak vervalt. Helaas wordt ook deze verwachting niet geheel vervuld. Hij is b.v. wel verplicht aan minstens één van de fatale mollen (bes) onder de natuurtonen een plaatsje te gunnen. Hij wil deze natuurseptime zelfs, buiten en behalve de gewone groote septime (De toonwaarde blijve hier even buiten beschouwing) aanvaarden als laddertoon van de groote-terts-toonladder, zoodat ons welbekend zevental met een achtste familielid wordt uitgebreid. — Ander voorbeeld van tegenspraak: schr. herbergt onder de natuurtonen op blz. 150 een waarde, die hij juist op de voorafgaande bladzijde als ,,onnatuurlijk” had verworpen, n.l. de bastoon van het vierde akkoord, lager octaaf uit de ,,Loman-reeks”. Dit alles is voor het minst merkwaardig, maar het merkwaardigste lijkt toch wel, dat de eigenlijke ishoud van het artikel goed beschouwd, n.l. de bestrijding van het „stelsel-Loman” (lees: Pythagoras), geen doel treft en naast de kwestie blijft. Het is als een sabelhouw in de lucht. Wordt hier werkelijk de pythagorische toonbepaling bestreden? Worden de vele, of ook maar sommige uit de talrijke bewijsgronden voor de overeenkomst van deze theorie met de feiten der toonkunst-zelve aan een critiek onderworpen? Maar zij worden nog niet eens vluchtig vermeld, laat staan weerlegd! Schr. beperkt er zich feitelijk toe, van zijn rechtmatige bewondering te getuigen voor het verschijnsel van de boventonenreeks met zijn eenvoudige getallen, consonneerende intervallen en welluidende rustakkoorden. Niemand zal op die bewondering iets willen afdingen, allerminst een musicus. De zoete en tooverachtige natuurklank van een Aeolusharp, in oude burchtruines door de windzuchten bespeeld, inspireerde den dichter Mörike en den componist Hugo Wolf tot een wondermooi lied. Ieder echt musicus is met de natuurtonenreeks voldoende vertrouwd en het is heusch niet noodig, in een vaktijdschrift voor toonkunstenaars daarvan explicatie te geven, alsof Mersenne het verschijnsel eerst verleden week had ontdekt in plaats van drie eeuwen geleden. De heer

Seite 4

Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)
Loman denkt er dan ook niet aan, de boventonenreeks te willen ontwrichten of verwringen, of vervalschen met onnatuurlijke waarden, maar hij maakt, zoo goed als ieder ander theorist en zooals het behoort, onderscheid tusschen natuurtonen en laddertonen. Dat dit onderscheid stellig en zeker bestaat en niet kan worden weggeredeneerd zal vanzelf blijken, wanneer de waarachtigheid van de pythagorische toonbepaling proefondervindelijk is aangetoond, bewijsvoering die verderop met een reeks van controleerbare feiten zal worden ondernomen, zonder cijfers, zonder breuken, zonder wiskunde. Wij mogen de gegevens van de natuur niet zoo maar zonder meer vooropzetten, als wij de grondslagen van welke kunst dan ook willen onderzoeken en bepalen. Wij mogen niet zeggen: de natuur geeft ons een geheele lange reeks van boventonen, deze zijn derhalve het materiaal van de toonkunst. Wie zoo redeneert begaat een tweetal denkfouten, vooreerst, door zonder blikken of blozen van de eene orde van zaken gevolgtrekkingen te maken naar een andere — van de natuur naar de kunst, — en ten tweede, door een bewering op te stellen geheel zonder bewijs, of op gronden, die tot de inhoud behooren van de bewering zelf: het is 266, omdat het z66 is; een parti-pris dus, een apriorisme. Hoeveel erger wordt de fout, wanneer, zooals hier, onze dagelijksche ervaringen de bewering daarbij nog logenstraffen, zoodat het parti-pris in zijn tegendeel omslaat: het is 266, alhoewel het niet z66 is! Tusschen natuurtonen en laddertonen bestaat een onderscheid dat tot heden nog door geen enkel beoefenaar van de muziekwetenschap werd betwist of betwijfeld. De eerstgenoemde zijn klankbestanddeelen klank-constituénten, die aan iederen toon zijn eigen kleur geven. Zij kunnen worden geacht te behooren tot de chemie van elken toon afzonderlijk, de scheikundige inhoud, om deze term als vergelijking en ter verduidelijking eens te gebruiken; vandaar de naam „deeltonen”, ,,partiaal-tonen”. Laddertonen daarentegen zijn het materiaal waarvan de scheppende en uitvoerende toonkunst zich bedient. Onze zeven stamtonen, welbekend, zijn alle zeven gelijkgerechtigde individualiteiten, weliswaar onderling verwant, maar toch geenszins onderschikt aan, — of onderdeelen van, — of tezamen reeds aanwezig in een willekeurige grondtoon C, als de geledingen van een inschuifbare hengelstok. Men behoeft slechts even aan onze mineur-toonladders te denken, of aan de antieke, middeleeuwsche en exotische toonladders, om de bekrompenheid en onhoudbaarheid van een zoodanig parti-pris te doorzien. Geen enkele bruikbare ladder ligt kant en klaar voor het grijpen in de boventonenreeks. Een violist, die de z.g. natuurlijke toonladder (blz. 150 bovenaan) zou strijken, krijgt stellig het verwijt te hooren dat hij (Wordt vervolgd). valsch speelt. TTL MMT MMT VEREENIGINGSNIEUWS. CAUSERIE OVER JAPANSCHE MUZIEK. manifesteert in de stof en hieruit weelderig opbloeit, terwijl de muziek van het Oosten, speciaal in Japan en China, tracht de stof te ontvlieden en daardoor, ten minste Donderdag 18 Mei hield de heer S. volgens onze begrippen, zeer begrensd is aandachtig gehoor een causerie over de De oorzaak hiervan is te zoeken in het functioneele verschil van de Japansche en Chineesche muziek met die van het Wes- Lubienski in het Muzieklyceum voor een Japansche muziek, Met eenige voorbeelden uit de schilderkunst, dichtkunst en muziek toonde spreker het groote verschil tusschen de kunst in het Westen, die zich in haar uitdrukkingsmiddelen. ten. De Westerling vraagt concreten opbouw, in Japan en China is iedere kunst-

Seite 5

Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)
door deze geladen muziek niet heeft doen besmetten, en die een eigen weg is ingeslagen. — Met de overheersching van Wagner in de muziek, is onder de dichters de invloed van Victor Hugo te vergelijken. Voor de dichters, die niet ontkomen kunnen aan de overdadige poézie van Victor Hugo, is de intieme, zangerige dichtkunst van Verlaine een openbaring, die hen den weg opent om onbevangen en eenvoudig zich uit te drukken, en hen vertrouwen geeft in hun eigen kunnen. Maar lang klinkt de stem van Wagner nog na, vooral in Duitschland. — In Frankrijk dringt het systeem van het ,,Leitmotiv'' zelfs in de letterkunde door. In de romans van Zola is soms een duidelijk te volgen Leitmotiv te vinden, dat het geheele boek doorloopt. Wij vinden de theorieén van Wagner in de ideeén van Des Esseintes uit l’oeuvre en van Gagniére uit A. Rebours. Debussy doet er de eerste onafhankelijke stap. Na Wagner begint een geheel nieuwe periode. De eenheid van litteratuur en muziek is door Wagner sterk bevorderd. Maar de muziek heeft veel van haar zuiverheid en eenvoud verloren. Deze zal zij herwinnen, en teruggekomen tot haar zuiverste eigen wezen, zal zij daar weer raken aan de poézie die zich op haar beurt gezuiverd openbaart. NEED DE MISKENDE PYTHAGORAS door C. VAN ERVEN DORENS (Vervolg). De toonladders van de muziek zijn allerminst af te leiden uit — en zelfs niet in verband te brengen met de boventonenreeks. Immers deze reeks vertoont stijgend een volgorde van intervalsafstanden, die de een na den ander steeds kleiner en kleiner worden, als de vele bogen van een onafzienbare spoorbrug in perspectief van den oever af aanschouwd, vervagend in de verte. Welk een geheel ander beeld geeft de stamtoonladder met zijn beurtelings afwisselende groepen van twee of drie gelijk-groote secunden, telkens gescheiden door een kleine dito, een ladder, waarvan iedere sport als het begin of het einde kan gelden van een zelfstandige diatonische toonschaal. Het is duidelijk, dat geen van die toonschalen zou kunnen samenvallen met een of ander fragment uit de boventonenreeks en noodzakelijk daarvan afwijkende waarden te erkennen moet geven. Dit bevestigen niet alleen de Pythagoristen, maar ook de Didymisten, zooals Zarlino, Rameau, Helmholtz, Hauptmann, Von Ottingen, Riemann, De Lange enz. Er wordt op gewezen, dat de heer Pot evenmin akkoord gaat met de toonbepaling van genoemde muziekgeleerden, theoristen van de z.g. „reine of natuurlijke” stemming, waarvan men de officiéele noteeringen kan vinden bijv. in Riemann's Lexicon, artikel en tabel ,Tonbestimmung”, De heer Pot erkent alleen natuurtonen, hij accepteert alleen, maar dan ook alle intervallen en samenklanken, die wij rechtstreeks van de natuur in de boventonenreeks ten geschenke krijgen. Hoe hij zich de uitwerking van dit beginsel voorstelt tot een logisch samenhangend stelsel met een muzikalen ondergrond, bleef tot heden aan onze moeizame gissing | toevertrouwd, want deze theorie staat in de muziekgeschiedenis nog volkomen geisoleerd. Theorie is wetenschap van de kunst. De kunst gaat vooraf, de wetenschap volgt en tracht de kunst na te rekenen, haar wording en werking te verklaren, de wetten, waaraan de kunstenaars intuitief gehoorzamen, op te sporen en te formuleeren. Een theorie, die door de kunst zelve doorloopend en aanhoudend wordt gelogenstraft, deugt niet, is onwaar en heeft dus geen reden van bestaan, En dit geldt niet alleen van de z.g. „reine stemming” bovengenoemd, maar ook zeer bijzonder van een theorie, waarbij consequent

Seite 6

Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)
MAANDBLAD VOOR alle toonbepaling in nevelen vervliegt en het geheele muziekstelsel in een dichte mist van komen bevol st kun de n raa waa rie, theo een zal en teg ren Daa . uld geh dt wor id en be ing onklaarhe dig aar htv rec r haa d ron erg ond len ika muz n hte hec n die r doo twoordt,; in en . . b = an goed —eerhi nde Pythagoras het dat de miskemoge aan te toonen,van ER Rzijde en voorafgaan, daartoe ieden o de zaak heeft. Een juist begrip zijn strijkinstrumenten, die wij allen kennen, viool, alt en violoncel, aanknoopingspunten van uitnemend praktische beteekenis. Pythagoras’ eenig beginsel van toonbepaling, binnen de grenzen van het octaaf, is het interval van de reine kwint. Onze drie strijkinstrumenten zijn in reine kwinten gestemd, en de losse snaren van deze drie tezamen genomen vormen een collectie tonen, waarin reeds een aantal belangrijke intervallen zijn te onderscheiden, niet alleen octaven, kwinten en kwarten, maar ook een paar groote secunden, een groote sext en een groote decime (terts). Denken wij ons — ten einde niet in woordherhalingen en lastige omschrijvingen te vervallen — onze drie instrumenten gecombineerd tot één groot snarentuig met octaafvertegenwoordiging van de losse snaren op diverse toonhoogten opwaarts en afwaarts. Wij hebben dan een instrument met een echte »vijftonige” toonladder zooals wij die uit de muziekgeschiedenis kennen. Completeeren wij deze vijftonige toonladder met nog twee aansluitende kwintverwante tonen, b.v. de onderkwint van c en de bovenkwint van e, en het zevengesternte van onze stamtoonladder is in pythagorische stemming present. Er is nu reeds materiaal in overvloed aanwezig voor proefondervindelijke bewijzen. Doch eerst moet de aandacht worden gevestigd op drie eigenaardiaheden van deze taancchaal, die voor de bewijsvuering van overwegend belang zijn: 1°. De kleine tertsen zijn iets kleiner dan die van piano en orgel *). 2°. De kleine secunden zijn kleiner dan de halve-toonsafstanden van het klavier. 3°, De groote tertsen zijn iets grooter dan die van het klavier. Het ontwikkelde gehoor neemt deze fijne verschillen waar, die rekenkundig met nauwkeurigheid worden vastgesteld. De wiskunde geeft ons bovendien voor alle intervallen, van de grootste tot de kleinste en zelfs de allerkleinste verschillen, aanschouwelijke en daarbij volstrekt betrouwbare afstandsmaten, uitgedrukt in logarithmen, die spelenderwijs kunnen worden behandeld, door simpel optellen en aftrekken, en die op iedere octaafhoogte onveranderd dezelfde blijven. Voor de berekeningen, afstandsmaten en alles wat hier niet, of slechts terloops, kan worden behandeld, verwijs ik eens en voor goed naar het zeer belangrijke werk van A. D. Loman, „De logische grondslagen der muziek” (Alsbach, Amsterdam). Er volgt nu een eerste serie van proefondervindelijke bewijzen met ons groote gecombineerde snaarinstrument. Toonladders, melodieén in Dur, onveranderd-Moll, of kerktoon naar keuze, klinken, wat zuiverheid van intonatie betreft, op ons instrument volkomen overeenkomstig de wenschen van het meest verfijnde muzikale gehoor. Geen interval zou men hooger of lager verlangen. Zij klinken geheel zooals ieder goed zanger die zingt, ieder goed violist die strijkt. Wij herkennen de hooge, cordate tertsen en de suggestieve leidtonen van onze beroemde voordrachtskunstenaars. Nemen wij op ons instrument een kleine drieklank, a, e of d, dan herkennen wij het mineur-akkoord van strijkkwartet 1) Instrumenten met noodzakelijk vastgelegde en dus beperkte toongeving (gelijkzwevende temperatuur) vallen uitteraard buiten deze beschouwingen, kunnen niettemin als vergelijkingsobject dienst doen voor de duidelijkheid.

Seite 7

Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)
orkest en a-cappella-koor, d.w.z. een moll-klank, die het gehoor meer bevredigt dan die van het klavier. Zelfs aan pianisten, hoezeer ook gewend aan de getempereerde stemming, valt het weleens op, dat de kleine terts op het klavier iets te ruim, te vriendelijk klinkt, niet mineur-achtig genoeg, b.v. in Beethoven op. 10 no. 1; een nôg ruimere kleine-terts (Zarlino) vertoont dit euvel in nog hoogere mate. — Laat nu ons instrument met kracht een groote drieklank C ten gehoore brengen, en wij herkennen het majeur, waarmede een orkest het Meistersinger-voorspel inzet of de Finale van Beethoven's 5e symphonie e.a., het Dur-karakter dat met een geheele serie van adjectieven te omschrijven is als: vooruitstrevend, voortvarend, moedig, blijgeestig, levenskrachtig, uitdagend, vlammend, tartend enz, Loman beschrijft het in zijn brochure „Een schema enz.” blz. 21: „Stellen wij ons juist ,Majeur” niet voor als een geweldige massa opgehoopt arbeids„vermogen, als een groote menigte jeugdige, sterke, gezonde menschen, op het punt uit „te barsten in het jubelendste gejuich?” In pianissimo „rustakkoorden” is dergelijk levendig en strijdvaardig karakter uitteraard niet gewenscht en klinkt onze hooge dur-terts iets te onrustig, te ,scherp", Daarvoor is dan ook de vrije toongeving van zangstem en orkestinstrumenten, die naar de wenschen van het gehoor de typeerende spanning van de dur-terts kan verzachten en tot de neutrale, zwevinglooze rust herleiden van de ongespannen, sluimerende natuurklank. De oude contrapuntisten verkregen deze zwevinglooze consonantie met hun ,,leege” kwinten aan het einde, en dergelijke rustakkoorden komen dan ook vooral te pas bij een uitstervend slot, of als geisoleerd akkoord, d.w.z. buiten het verband van de melodische en harmonische stuwing, buiten de muzikale ontwikkeling. Een markant voorbeeld hiervan geeft de C-durklank met fermate, die aan het , Preislied” voorafgaat. Men lette dan op de hoogere intonatie van e’ als de tenoor zijn lied aanheft. De terts van bedoelde rustakkoorden ligt ongeveer een negende-toon lager dan de groote terts op het snaarinstrument van onze proefnemingen. In het forte mist die natuurterts het eigenlijke dur-karakter, is bovendien alleen te dulden in het grondakkoord, zonder eenige toegevoegde dissonant. Het dominant-septime-akkoord b.v. verdraagt de natuurterts niet, noch in het forte, noch zelfs in het pianissimo, doordat de spanning ontbreekt. Ook de omkeeringen van den grooten drieklank verdragen geen afgezakte terts. leder musicus zal zonder omslag van bewijsvoering inzien, dat de reinheid wordt benadeeld, wanneer de basterts van een sextakkoord een negende-toon uit het lood zakt. Het Dur-sextakkoord is dan ook een van de meest bezwarende getuigen tegen de zoogenaamde ,,reine stemming” van Didymos en adepten, en de heer Loman is de eerste geweest die op dit zwaarwichtige argument ten gunste van Pythagoras heeft gewezen met proefondervindelijke bewijzen, dat een sext-akkoord in Helmholtz-stemming onduldbaar valsch klinkt. Men leze het relaas*) van die proeven, vele jaren geleden getoond in een drukbezochte bijeenkomst van toonkunstenaars te Amsterdam, In aansluiting aan — en geheel in overeenstemming met de voorafgaande experimenten moge hier op een ervaring worden gewezen, die het meerendeel der lezers allicht weleens heeft opgedaan. Wie ooit in de gelegenheid was, ergens op de lieve wijde wereld een vakkundig geleide zangles of koorrepetitie bij te wonen, zal meermalen zijn getroffen door de aanhoudende zorg, die aan de juiste intonatie van de groote terts wordt gewijd. Er is geen koordirigent denkbaar, met of zonder theoretische begrippen, die zijn volkje aldus zou toespreken: ,, Dames sopranen, die e asjeblieft iets lager! lets tegen de piano aan!” Integendeel, een goed koordirigent zal zich veeleer beklagen, dat het klavier ons nu een2) in het geciteerde werk.

Seite 8

Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)
MAANDBLAD VOOR maal die „mooie hooge dur-terts” niet geven kan, en als hij bijgeval in zijn theorie-klas het geloof van Zarlino-Helmholtz-De Lange zou belijden, dan heeft hij als koorleider deze overtuiging in zijn hoed aan den kapstok gelaten. Wanneer wij de kwintenvorming op het groote gecombineerde snaarinstrument voortzetten, zoowel opwaarts te beginnen met b, als afwaarts te beginnen met f, dan keeren onze stamtonen in dezelfde kwinten-orde terug, opwaarts met kruisen en afwaarts met mollen. Ons instrument zal dus binnen ieder octaaf met een dubbel zevental snaren worden verrijkt. Deze veertien nieuwe, gevoegd bij de zeven reeds aanwezige, beantwoorden aan de voorteekens van ons muziekschrift, in opklimmende orde: zeven mollen, zeven herstellingsteekens, zeven kruisen, totaal eenentwintig toonwaarden. De dubbelteekens blijven ter wille van den eenvoud onvermeld; zij vloeien uit hetzelfde beginsel voort. — — Het gehoor neemt waar, en berekeningen wijzen uit, dat cis op ons instrument ho oger komt te liggen dan des, kortom, dat van de toonwaarden, die wij gewoon zijn enharmonisch gelijk te stellen, de kruis-toon niet alleen een ander muzikaal begrip vertegenwoordigt, maar bovendien hooger ligt dan de correspondeerende verlaging.*) Ziehier wederom een afdoend bewijs voor de juistheid van de pythagor. toonbepaling. Dat cis hooger ligt dan des is voor ieder violist, cellist, fluitist, vocalist enz. zulk een vanzelfsprekende, levende overtuiging, dat de vraag gewettigd is, wat de tegenovergestelde theorie toch eigenlijk nog wel zou kunnen mogen beteekenen. Men verstaat er den zin, de bedoeling niet zen. ren ho etes ela consegpent a de „reine stemming” dat cis = ian “ui EN practijk. Maar a SE, vor weleéns op het eeuwi zwe hgygen dan des. OD een schappelijk geweten. aar als nu de eele bekenteni oraktüf, sy, nn E lager Abe ai cu n ws alses entenis van ongeliik. Er is toch Radio en gramofoon stellen iedereen in staat tot proe fnemingen rechtstreeks op de toonkunst zelf in haar meest volmaakte vormen. Gewapend met een goedgestemde viool kan iedereen, ook de niet-violist, de toongeving controleeren van orkest, strijkkwartet en onberispelijk a-capella-koor. De noten volgend in de partituur nemen wij steekproeven 3E—Rsy: overal, waar een van de vier losse snaren de vergelijking toelaat. Wij bemerken dan, dat de toonwaarden in hun reine kwintverhouding volharden en dat zij geenszins op en neer dansen naar hun diverse en wisselende opvattingen. Een en dezelfde normaal-a kan worden gedacht en verstaan als terts van f, kwint van d, kleine septime van b en in onbeperkt aantal andere functies. Die velerlei opvattingen bestaan echter alleen in de voorstelling, zijn rein psychisch en tasten de toonhoogte niet aan, zooals de „reine stemming” dat zou willen doen voorkomen. 3) Het verschil tusschen cis en des is het interval van de verminderde secunde, wordt het „komma van Pythagoras” genoemd en bedraagt ongeveer een achtste-toon. VEREENIGINGSNIEUWS. Plannen voor het komende seizoen. Het Bestuur van de Nederlandsche Vereeniging voor Hedendaagsche Muziek heeft o.a. plannen in voorbere idin den loop van het volgende g om in seizoen in drie avonden een overzicht te geven van den stand der europeesche muziek, omstreeks 1913, 1923 en 1933. *** Dames en heeren vocalisten, zijn hunne medewerking te die bereid verleenen aan eenige in het volgende seiz oen voorgeno-