Volltext anzeigen4 Seiten
Seite 1
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)TIJDSCHRIFT VOOR MUZIEKTHEORIE
rendragende hemelbaan” (summus coeli stellifer cursus),
DIRK GRIFFIOEN
waarvan de omwenteling het snelst verloopt, zich
beweegt met een hoge en opgejaagde toon. De Maan
De mira harmonia planetarum:
beweegt het langzaamst, met de laagste toon; de Aarde
(de negende sfeer) staat altijd stil in het middelpunt van
het universum. Wel geeft Scipio’s grootvader de volgorde van de hemellichamen. De buitenste van de negen
Athanasius Kirchers opvattingen over de musica mundana
Iter exstaticum coeleste (1660), ‘Extatische hemelreis’, is een minder bekend werk van Athanasius
Kircher, dat een interessant beeld geeft van het zeventiende-eeuwse amalgaam dat toen ‘wetenschap’
heette. Aandachtpunten zijn de relatie van Kirchers Iter met zijn voorbeelden, in het bijzonder Cicero's
Somnium Scipionis, de structuur van het werk, de behandeling van actuele vraagstukken in de astronomie, en de reis zelf, dat wil zeggen wat Kircher zag en hoe dit verband houdt met muziek. Het artikel
laat Kircher in het debat tussen de Kerk en de Wetenschap zien als een verdediger van de traditie, die
is neergelegd in de leerstellingen van de Kerk en de werken van filosofen uit de Oudheid, zoals Plato,
sferen is die van de sterren; daarbinnen draaien, tegenge-
|
steld aan de beweging van de sterren, de zeven sferen van
aarde”), Zon, Venus, Mercurius en de Maan.5
De harmonie die de hemellichamen voortbrengen werd
door “geleerde mensen” (docti homines) op snaarinstrumenten en door gezang geïmiteerd, waardoor zij toegang
Plato’s evocatie van een klinkende kosmos aan het einde
van zijn Staat! heeft een grote invloed uitgeoefend op
het wereldbeeld van de antieke en middeleeuwse mens,
waarin de aarde in het midden van het universum stond,
planeten en sterren op vastgestelde afstanden er omheen
bewogen en alles uiteindelijk omvat werd door het god-
Kirchers hemelreis, is interessant; zeker wanneer het
delijke. Die invloed uitte zich in studies en commentamuziek’ (musica mundana) aan den lijve ondervond.?
ren, die tijdens hun leven als mens de “goddelijke wetenschappen” (divina studia) met uitzonderlijke talenten
beoefenden.* Eén van deze “geleerde mensen” kan heel
wel Pythagoras zijn: lamblichus vertelt namelijk dat
Pythagoras “door onzegbare en moeilijk voor te stellen
goddelijke vermogens zijn gehoor en zijn geest vast op
de hoog verheven samenklank van de wereld richtte.
Cicero
gehele harmonie (&ouovía) en samenzang (ouvwò(a)
naast Kirchers hoofdwerk over de muziek, Musurgia
Universalis (Rome 1650), wordt gelegd. Na een korte uiteenzetting over Cicero zal ik deze behandelen, onder
andere met de vraag of hij, net als Er (de hoofdpersoon
uit Plato's mythe) en Scipio, soms ook de “wereld-
‘Staat’ (De republica) plaatste Cicero, net zoals Plato dat
had gedaan, een droom-visioen: het Somnium Scipionis.
De zeventiende eeuw is het eindstation voor die oude
idee van de ‘harmonie der sferen’: na Copernicus, Galilei,
Bacon, Descartes en Newton is de aarde slechts een
steenklomp in een uithoek van een koud en onmetelijk
Hoewel Joscelyn Godwin over het Iter exstaticum coeleste
opmerkt: ‘Kircher’s story is a Catholic Dream of Scipio’?
is er één groot verschil met Scipio’s droom: nergens is er
in dit werk sprake van ‘het zo grote en zoete geluid’ dat
Scipio hoort wanneer hij met zijn grootvader door het
hemelruim zweeft; nergens merkt Kircher op dat hij een
‘groot en zoet’ geluid hoort. Kircher (in het boek
Theodidactus - door God onderwezen - geheten) reist
onder begeleiding van de engel Cosmiel door hetzelfde
hemelruim als Scipio en hij verwondert zich bij de aanschouwing van Gods werken, maar dit gebeurt in stilte,
slechts onderbroken door het gesprek tussen
Theodidactus en Cosmiel.
Daarbij hoorde hij - zoals hij vertelde - geheel alleen de
ren, maar ook in imitaties. De meest invloedrijke imitatie is ongetwijfeld die van Cicero: aan het einde van zijn
Iter exstaticum coeleste
de planeten: Saturnus, Jupiter, Mars (“gevreesd op
(eigenlijk staat er - goed platonisch - een “terugkeer”,
reditus) naar die hoge regionen verkregen; net zoals ande-
Aristoteles en anderen.
van lamblichus maken duidelijk dat de harmonie der
sferen slechts voor buitengewone individuen met ‘goddelijke vermogens’ ervaarbaar is, gewone stervelingen daarentegen kunnen de harmonie der sferen slechts na de
dood of in een visioen ervaren. Ook in de muziek (bijvoorbeeld gemaakt met behulp van instrumenten) kan
de sterveling iets van de harmonie der sferen beleven.
van de sferen en de sterren die daarin bewegen.” Deze
hemelse muziek probeerde Pythagoras volgens
Structuur en inhoud
Iter exstaticum coeleste verscheen onder deze titel pas in
heeft gezet, maar er verder niet meer bij betrokken is.
In het Somnium Scipionis dwaalt Scipio tijdens een
droom met zijn grootvader door het hemelruim, tussen
de sterren en planeten. Het “grote en zo zoete geluid”
(tantus et tam dulcis sonus) dat Scipio daar hoort, is volgens zijn grootvader “een harmonie (concentus), gescheiden door ongelijke, maar toch zorgvuldig samengestelde
intervallen, die veroorzaakt wordt door de beweging en
de aandrift (impulsus) van de sferen zelf” Hoge en lage
tonen verbinden zich tot verschillende harmonieën, er
geraas niet horen. Een tweede reden waarom het geluid
dat van de hemelse sferen komt niet gehoord wordt, is
erin gelegen dat het geluid zo ontzagwekkend groot is
Nu is het opvallend dat juist in die zeventiende eeuw
zijn zeven sferen die met verschillende snelheden bewedat de menselijke oren het niet horen kunnen.®
684). Het tweede deel is wat betreft de hemelse muziek
twee belangrijke wetenschappers, Johannes Kepler en
gen - een beweging die volgens Cicero niet geluidloos
kan verlopen - en daardoor ook zeven tonen.
De mythe van Er, de droom van Scipio en het verhaal
weinig interessant: hierin bespreekt Kircher de
heelal, in haar baan gehouden door de zwaartekracht;
waarbij de rol van God beperkt blijft tot een soort van
‘horlogemaker’ die ooit de gehele machine in werking
Athanasius Kircher, een ‘hemel-reis’ in de vorm van een
droom geschreven hebben. Van Johannes Kepler verscheen postuum Somnium, sive astronomia lunaris
lamblichus voor zijn leerlingen op aardse instrumenten
te laten klinken.” Sterfelijke wezens horen de muziek van
de kosmos echter niet, zo schrijft Cicero, omdat zij er
vanaf de geboorte aan gewend zijn; net zoals de mensen
die bij de watervallen van de Nijl wonen, het constante
1660 te Würzburg. Oorspronkelijk verscheen het in 1656
te Rome onder de titel: Itinerarium exstaticum quo
mundi … siderumque … natura … vires … proprietates,
singulorumgque compositio et structura explorata; maar de
herdrukken die het populaire werk beleefde ontvingen
van Kirchers leerling Caspar Scott (bij gelijkgebleven
inhoud) de nieuwe titel.l° Het werk bestaat uit ongeveer
700 (quarto) pagina’s en is opgebouwd uit twee delen:
Iter exstaticum Ì (p. 1-513) en Iter exstaticum II (p. 514-
Helaas delen Cicero en Macrobius (rond 400 n.Chr.,
door wiens commentaar Cicero’s Somnium overgeleverd
(Frankfurt, 1634) en Athanasius Kircher schreef [ter
is) niet mee welke die zeven tonen zijn. Cicero laat
exstaticum coeleste (Würzburg 1660). Vooral deze laatste,
Scipio’s grootvader alleen opmerken dat “de ganse ster4 _Somnium Scipionis 18, In De institutione musica (l, 27) noemt Boethius de notenamen wel, waardoor er een toonladder van kan worden opgesteld. Zie bijv. Hans Schavernoch, Die Harmonie der Sphären (Freiburg/München 1981) of
1_
Plato, De Staat x, 613-621. X. de Win (vert), Plato - Verzameld Werk dl Il, Haarlem 1962.
2
Bij bestudering van Keplers Somnium bleek dat hierin (anders dan bij Kircher) muziek geen enkele rol speelt, noch
de ‘sferen’; het werk is een raamvertelling om plaats te bieden aan een aantal nieuwe, door Kepler gedane astrono-
Roger Bragard, “L'harmonie des sphères selon Boèce”, in: Speculum 4 (1929), pp. 206-213.
_Somnium Scipionis 17. De opmerking in L.P. Grijp en P. Scheepers (red), Van Aristoxenos tot Stockhausen,
Groningen 1990, dl. 1 p. 122, dat Cicero Venus en Mercurius samen in één baan onderbrengt lijkt mij onjuist: Cicero
spreekt over negen sferen en zegt alleen dat Venus en Mercurius de Zon ‘vergezellen’.
mische waarnemingen van de maan. Zie John Lear (inl.) en Patricia F. Kirkwood (vert.), Kepler’s Dream, Berkeley
6 Somnium Scipionis 18.
1965. Zie over dergelijke ‘hemelreizen’ ook Marjorie H. Nicholson, “Cosmic Voyages”, in: Dictonary of the History of
7_lamblichus, De vita pythagorica XV. 65, in: M. von Albrecht (ed. en vert), lamblichos Pythagoras. Legende,
Ideas, Phillip P. Wiener (ed.), New York 1973-1974, dl. 1, pp. 525-535 (Kepler en Kircher); of bijv. Reinhold
Hammerstein, Die Musik der Engel, Bern/München 1962, p. 62 e.v, en Howard R. Patch, The Other World, According
to Descripions in Medieval Literature, Cambridge (Mass.) 1950.
3
5
Cicero, Somnium Scipionis 18. (De republica VI). ed. E. Struck. Leipzig-Berlin, B.G. Teubner, 1935. Vertaling en commentaar in: William H. Stahl, Macrobius. Commentary on the dream of Scipio, New York/London 1952, pp. 69-77; of
Pierre Boyancé, Etudes sur le songe de Scipion, Limoges 1936, pp. 16-35.
178
Lehre,
Lebensgestaltung, Zürich 1963, p. 70. Voor een Nederlandse vertaling zie Jamblichus/Porphirius, Leven en leer
van
Pythagoras, ed. en vert. H.W.A. van Rooijen-Dijkman, Baarn 1987.
8 Somnium Scipionis, 19 (vgl. Aristoteles, De caelo Il, 9. 2gob-291a).
9 Joscelyn Godwin, “Athanasius Kircher and the Occult”, in: John Fletcher (ed.), Athanasius Kircher und seine
Beziehungen zum gelehrten Europa seiner Zeit, Wiesbaden 1988, p. 30 (in het vervolg Beziehungen).
1o Zie hierover Ulf Scharlau, Athanasius Kircher als Musikschrifsteller, Marburg 1969, pp. 61-62.
TIJDSCHRIFT VOOR MUZIEKTHEORIE, JAARGANG 5 NUMMER 3 (2000)
Seite 2
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)TIJDSCHRIFT VOOR MUZIEKTHEORIE
eigenschappen van de aarde, dus van het ondermaanse.!!
Veel interessanter is Iter exstaticum 1, dat net als II is
opgebouwd uit dialogen tussen Theodidactus (Kircher
plaatst. Dit blijkt al uit de voorwoorden (of ‘voorspel’,
nieuze hypothesen heeft versterkt; bijna alle niet-katho-
Praelusio, zoals Kircher deze noemt) waarmee Iter exstalieke mathematici hebben hem vervolgens nagevolgd,
ticum opent: na een tweetal voorwoorden besteedt
maar geen van de katholieke, bij wie het natuurlijk wèl
zelf) en de engel Cosmiel. Iter exstaticum Î bestaat uit
Kircher twintig pagina’s (p. 19-39) aan een uiteenzetting
over de stand van zaken in de astronomie.
van binnen jeukt om met deze nieuwigheden te koop te
drie delen: een aantal voorwoorden (waarover zo meer),
Dialogus 1 (hierin vindt de eigenlijke reis door het
wereldruim plaats, en ik zal dan ook voornamelijk naar
deze dialoog mijn aandacht laten uitgaan), en tenslotte
Dialogus 11, getiteld De providentia Dei in Mundi opificio
elucescente. In deze tweede dialoog bespreekt
Theodidactus met Cosmiel wat zij in het voorgaande
beleefd hebben. Het is een ‘theoretisch’ deel: zij spreken
bijvoorbeeld over de vraag hoe de wereld ontstaan is,
over de afstanden tussen de verschillende hemellichamen (caput iv), of over het doel waarmee de wereld
geschapen is (caput xi). In deze tweede dialoog worden
alle in het voorgaande deel waargenomen fenomenen
theologisch geduid: alles wat is, is door God geschapen
om hem te eren. De mens kan, zonder ooit volledig
begrip te verwerven, slechts vol verwondering in de
schepping aanwezig zijn.
Op een enkele plaats wordt in dit deel muziek als metafoor gebruikt: bijvoorbeeld in hoofdstuk 412 worden de
bewegingen van de planeten vergeleken met omhoog- of
omlaagbewegingen van tonen in de veschillende modi
(dorisch, phrygisch etc.), of met de mutatie van de ene
naar de andere modus; maar aangezien dit deel zich niet
in het wereldruim afspeelt, valt het ook enigszins buiten
deze beschouwing.
lopen.”7
een poging mogelijke kritiek voor te zijn, bijvoorbeeld in
gedeelten als Auctoritates quibus Mundi hypothesis in hoc
Opere explanata confirmatur (“De autoriteiten door wie
de hypothese over de structuur van de wereld, die in dit
werk uitgelegd wordt, bevestigd wordt” p. 478 e.v.) en
Deze uiteenzetting is in zoverre interessant, dat Kircher,
hoewel hij nadrukkelijk spreekt over een “katholiek
voorspel voor de geleerde”, óók niet-katholieke zaken als
de theorieën van Copernicus of de ontdekkingen van
Galilei bespreekt. Over het aantal sterren zegt Kircher
bijvoorbeeld: “Als je met de blote ogen kijkt, blijkt het
aantal sterren bij de eerste aanblik ontelbaar te zijn, en
wanneer je met de ‘optische buis’!3 kijkt, blijken er nog
>
veel meer te zijn …”.14
De eerste die deze observaties deed
was Galileo Galilei. Kircher vertelt over hem ook dat:
5gn
Syfema _Platonscum
EL iEmal Am
Zl"
ee
Teonfmus IT,
In,
“dezelfde observeerde dat de Galaxis, of de Melkweg,
niets anders is dan een opeenstapeling van een ontelbaar
aantal sterren”!
Tijdens deze uiteenzetting komt Kircher ook te spreken
over de verschillende systemen waarmee men de hemel
heeft willen duiden. Dit zijn er zes volgens Kircher (zie
afbeelding 1): het Ptolemaeïsche, het Platonische (verschilt van het voorgaande in de plaatsing van de Zon),
het Egyptische (Mercurius en Venus bewegen om de
Zon), het systeem volgens Tycho Brahe, een afgeleide
daarvan en het systeem van Copernicus. \6 Over dit laatste systeem zegt hij het volgende:
“Dit systeem wordt het Copernicaanse genoemd, het ìs
door de Pruis Nicolaas Copernicus eindelijk voltooid;
Copernicus, die dit systeem, dat vroeger gedeeltelijk
Kerk en astronomie
Het verhaal van een reis door het hemelruim in Iter exstabedacht is door Philolaos de Pythagoreër en Aristarchos
ticum coeleste is in feite de raamvertelling waarbinnen
van Samos, en vervolgens door Nicolaas Cusanus weer
Kircher de in zijn tijd bekende kennis over de hemel
‘opgewekt’ is, bovendien met vele argumenten en inge-
1 ter exstaticum Il is opgebouwd uit drie dialogen: na een Praefatio ad Lectorem (p. 514 e.v.) bespreekt Kircher in achtereenvolgens: Dialogus | - De elementa Aquae, et universali rerum principio (p. 528 e.v.), Dialogus Il - De admirandis
Geocosmi sive Terrestris Mundi arcanis (p. 555 e.v.), en Dialogus Ill - Iter exstaticum in Mundum Subterraneum (p. 628eind) de verschillende elementen en eigenschappen van de aarde.
Zie Iter exstaticum coeleste (IEC), p. 396: ‘De mira harmonia planetarum.
Men noemde het pas uitgevonden hulpmiddel om de hemel te bekijken nog geen ‘telescoop’; hoewel Kircher,
opmerkelijk genoeg, in een ander werk (Musurgia Universalis. Rome, 1650, ed. UIf Scharlau, Musurgia Universalis,
Hildesheim 1970, deel. Il, p. 389; in het vervolg MU) wel over een ‘astroscopus’ spreekt (een ‘sterrenkijker").
Afbeelding 1
Opvallend is dat er op geen enkele wijze een dialoog met
de afwijkende meningen wordt gevoerd, maar dit was
(en is) nu eenmaal niet ongebruikelijk. Kircher vervolgt
eenvoudigweg met de constatering dat het katholieke
systeem dat van Tycho Brahe is (“Systema nostrum et
Kircherianum, idem est cum Tychonico”).18
Opvallend is ook de nadruk die Kircher legt op de afwijzing van Copernicus en op de juiste, kerkelijke, opvattingen over het universum: hij besteedt ruime aandacht aan
Apologeticon contra censuram … (p. 485 e.v.). Het proces
dat de Kerk tegen Galilei voerde was nauwelijks ouder
dan twintig jaar (1633), en waarschijnlijk was Kircher
hierom (en omdat hij als Jezuïet nadrukkelijk de leer van
de Kerk uitdroeg) zo dogmatisch.
Het aspect ‘raamvertelling’ is nog veel sterker aanwezig
in Dialogus IL, de feitelijke reis door het wereldruim: elke
etappe van de reis (van de Aarde naar de Maan, van de
Maan naar Venus etc. totdat uiteindelijk het firmament
Overigens, voor een bibliografie van Kirchers werk zie: George J. Buelow, “Athanasius Kircher”, in: New Grove
Dictionary of Music and Musicians, deel 10, pp. 73-74; John Fletcher, “Athanasius Kircher and his Musurgia
Universalis”, in: Musicology; a Journal of the Musical Society of Australia. 7 (1982), pp. 73-82; Joscelyn Godwin,
17 IEC, p. 38: “Hoc systema dicitur, Copernicanum, à Nicolao Copernico Borusso, qui illud olim ex parte excogitatum à
Athanasius Kircher: A Renaissance Man and the Quest for Lost Knowledge, London 1979, pp. 9-15; Ulf Scharlau,
Philolao Pythagorico, et Aristarcho Samio, ac deinde resuscitatum à Nicolao Cusano, tandem perfecit, ac pluribus argu-
Athanasius Kircher (1601-1680) als Musikschriftsteller, Marburg 1969, pp. 12-18; Wilhelm Stauder, “Athanasius
mentis ingeniosisque hypothesibus fulcivit; quem deinde secuti sunt pene omnes Mathematici Acatholici, et nonnulli ex
Kircher”, in: Musik in Geschichte und Gegenwart, deel 7, kols. 937-940; en John Fletcher (ed.), Athanasius Kircher und
Catholicis, quibus nimirum ingenium et calamus prurit ad nova venditanda.”. Philolaos was een tijgenoot van Plato;
seine Beziehungen zum gelehrten Europa seiner Zeit, Wiesbaden 1988. In het laatse boek wordt ook Kirchers omvang-
Aristarchos een filosoof uit de Alexandrijnse school, die stelde dat de aarde rond was (zie Albert Van Helden,
rijke briefwisseling behandeld.
14 IEC, p. 24 (in paragraaf 2, getiteld De stellis coeli siderei, earumque nummero et differentiis).
Measuring the Universe, Chicago/London 1985, p. 4 e.v.). Cusanus draagt verantwoordelijkheid voor (naast de docta
ignorantia, waar Kircher een exponent van lijkt te zijn) de introductie van het oneindige heelal, Alexandre Koyré
15 “]dem observavit, Galaxiam seu Viam lacteam nihil aliud esse quàm innumerarum stellarum coacervationem.” IEC, p. 25.
(From the Closed world to the Infinite Universe, Baltimore 1957, bijv. p. vii e.v.) ziet deze idee als de oorzaak van het
16 Zie over deze verschillende systemen ook: E.). Dijksterhuis, De Mechanisering van het Wereldbeeld, Amsterdam 1950
einde van het oude wereldbeeld.
(over het ‘Egyptische’ systeem, zie p. 322).
180
mam
18 IEC, margine p. 38-39.
Seite 3
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)wordt bereikt) wordt voorafgegaan door een voorwoord
(praelusio) over de eigenschappen van de eerstvolgende
halteplaats. Zo worden in de Praelusio in Lunam bijvoorbeeld de maanvlekken (met het oog waarneembare lichte
en donkere gedeelten op de maan) en de oorzaken van
het ontstaan ervan besproken!9; telkens voordat zij het
volgende hemellichaam bereiken treft men een vergelijkbare verhandeling aan.
Niet alleen in deze ‘voorspelen’ wordt veel (zoniet bijna
alle) ruimte besteed aan wetenschappelijke kennis
omtrent het wereldruim, ook in de hoofdstukken die
over de reis handelen heeft Theodidactus eigenlijk alleen
aandacht voor de verschillen of overeenkomsten tussen
hetgeen hem uit zijn studies bekend is over het heelal en
de diverse hemellichamen, en hetgeen hij onder leiding
van Cosmiel mag ervaren. Theodidactus pendelt heenen-weer tussen kennis en ervaring, waarbij telkens de
ervaring (uitgelegd door Cosmiel) nieuwe kennis verschaft; met andere woorden: er is een sterk didactisch
kader aanwezig (waar ook de dialoogvorm, al didactisch
verantwoord sìnds Plato, op wijst). Kircher wil de lezer,
welijks bezijden de waarheid zijn) bij te wonen”?!
Theodidactus is uitgenodigd om een concert? te komen
beluisteren, en tijdens dit concert raakt hij zozeer onder
de invloed van de muziek, door de op- en neergaande
bewegingen van de melodieën, door de chromatiek, door
de harde en zachte noten, dat hij meent dat zelfs de echte
Orpheus, Terpander, of een van de andere bekende klassieke musici nooit een zo geweldige muziek zouden heb-
TIJDSCHRIFT VOOR MUZIEKTHEORIE
alle bewegende banen van de sterren door gekleurde en
kostbare stenen werden uitgedrukt; in zijn linkerhand
droeg hij een staf (dezelfde attributen als op de titelpagina van Ier exstaticum, zie afbeelding 2). Dit is de engel
Cosmiel, van wie Theodidactus behoorlijk schrikt: hij
krijgt hartkloppingen en kan niet meer spreken. Cosmiel
echter is hem goed gezind:
Cosmiel is aan Theodidactus gezonden vanwege diens
verlangen de schepping beter te leren kennen (een verlangen dat hij in het eerste hoofdstuk heeft uitgesproken,
vandaar ook desideria tua) en Cosmiel zal deze hem
tonen. Dit nu is precies wat er gebeurt: Cosmiel toont
Theodidactus allerlei wonderbaarlijke zaken, maar laat
Maar de muziek is niet alleen prachtig, zij brengt hem
sterfelijk vlees, in zijn wereldse werken straalt. … De bol
ook in een meditatieve stemming, waarin hij Gods
die je ziet, betekent het garnizoen van de sterrenwereld;
hem niet luisteren. [ter exstaticum coeleste is visueel
georiënteerd, een schouwspel voor de ogen.
Met de introductie van de twee hoofdpersonen kan het
verhaal een aanvang nemen. In het volgende hoofdstuk
begeven zij beiden zich dan ook omhoog, de hemel in;
maar dit is niet meer dezelfde dag, de droom, of beter
gezegd: het visioen dat Kircher kreeg terwijl hij naar de
muziek luisterde, zette zich de volgende nacht voort.
ben kunnen maken (net als Johannes Kepler is Kircher
“Sta op, vrees niet, Theodidactus, zie, je verlangens zijn
overtuigd van de superioriteit van de muziek van zijn
gehoord en ik ben naar je gezonden, opdat ik je toon
eigen tijd)?
hoe de hoogste majesteit van God, de allerhoogste,
zoveel als maar toegestaan is aan mensenogen gevat in
schepping en haar wetten overdenkt:
“Derhalve werd mijn geest, dronken door deze onvergede met stenen versierde staf, waarmee wij, volgens de
Cosmiel verschijnt en leidt hem “boven alle toppen van
wetten door God voorgeschreven, alles meten, en in de
de aardse massa’s, boven alle ankerplaatsen van de wolallersierlijkste harmonie ordenen.”
ken, in de hoogste lucht waar de hemelverschijnselen
optreden, de aether.”26
lijkbare, weldadige samenklanken, hevig aangedaan,
meegesleurd naar de buitengewone harmonie van de
hemellichamen. Hier beschouwde ik de wetten van overeenstemming en afwijking van alle en van de afzonderlijgeschoold in astronomie of niet, een verantwoord,
ke lichamen van deze wereld, en bevond ik dat zij zo verkatholiek wereldbeeld onderwijzen. Iter exstaticum is in
feite een populair wetenschappelijk werk.2
ordend zijn, dat terwijl de afzonderlijke consonanten
De hemelreis
versum samenwerkt.”"?4
met dissonanten overstromen, alles toch in alles tot de
instandhouding van de bedoelde harmonie van het uni-
De feitelijke aanleiding voor Kirchers (Theodidactus’)
En terwijl hij zo in gedachten verzonken is, verschijnt
hemelreis was de volgende: “Het gebeurde niet zo lang
geleden dat ik in de academie uitgenodigd werd om een
privé-uitvoering van drie onvergelijkelijke musici (als ik
hem plotseling een man met een wonderbaarlijk uiterlijk, wiens hoofd en gezicht straalden met een stralend
licht, met ogen rood als robijnen, en op bijzondere wijze
hen de Orfeuzen van onze tijd zou noemen, zou dat naugekleed. In zijn rechterhand droeg hij een bol, waarin
19 Quid sint maculae antiquae et novae in Luna. IEC, p. 66.
20 Over Iter exstaticum coeleste werd door Christiaan Huygens gezegd: “… if Athanasius Kircher had dar’d freely to
speak his mind, he could have afforded us other guess-things than these.” (Christiaan Huygens, The celestial worlds
8
Bi, il :
undiscovered, London 1658, geciteerd naar John Fletcher, “Athanasius Kircher: a man under pressure”, in:
Beziehungen, p. 4. Kirchers ideeën in dit werk waren, met andere woorden, van nogal lichte aard, zoals Huygens lijkt
te bevestigen.
:
d
tt ej)
bleek
-
a
|
21 IEC, p. 72.
é
he
:
erk
í
bii
22 Kircher deelt ook mee door wie het concert gegeven werd: “Nomina eorum sunt Michaël Angelus Rossus, Laelius
SA
pna
Chorista, Salvatore Mazzellus, quos omnes novi.” (“Hun namen waren … die ik alle heb gekend”. IEC, p. 77). UIf
on
Preelufionsbus & Scholijs
Vn
on Bosse segorra &
en
Tp En
IP
Scharlau zegt over hen: “Michelangelo Rossi, wohl der bekannteste der drei, war zu seiner Zeit als Instrumentalist
berühmter denn als Orgelkomponist, als der er noch heute ein Begriff ist. Lelio Colista galt als der berühmteste
Afbeelding2
Theorbenvirtuose Roms; Kircher bezeichnet ihn als vere Romanae Vrbis Orpheus (MU 1, 480). Salvatore Mazzella ist
heute vergessen.” Zie: “Athanasius Kircher und die Musik um 1650”, in: Beziehungen, p. 63.
23 Zie over dit fragment (IEC, p. 72-73) en het belang ervan voor een beter begrip van de musica pathetica (en ìn het
‘Intellegimus itaque, Deum esse intra omnia, sed non inclusum, quia infinitus est et incommensurabilis; extra omnia vero,
Beziehungen, p. 63-64.
sed non exclusum, quatenus in circumscripta sua magnitudine omnia creata concludit.” Robert Fludd, Utriusque … cosmi
historia, Oppenheim 1617-1621, dl. I, tractaat 1, hfdst | p. 17).
IEC, p. 73: ‘Hac itaque incomparabili sane symphonia delibutus animus, exotico quodam affectu in mirificam coelestium
globorum harmoniam rapiebatur. Hic omnium et singulorum hujus mundi corporum consensuum dissensuumgue leges
contemplabar ita ordinatas, ut dum singula consona dissonis abundent, omnia tamen in omnibus ad conservationem
Universi intentam harmoniam conspirare reperirem.” NB. ‘Omnia in omnibus’ (l Corinthiërs 15:28) in dit citaat oftewel
‘alles in allen’ (NBG) maar ook ‘alles in alles’. Het is niets anders dan een formulering van de zgn. ‘volkomenheidsej
EN
24
leer aanwezig, maar daar is God niet in, maar tussen (infra) alles, omdat hij nergens door bevat kan worden:
algemeen de affectenleer van de barok) ook UIf Scharlau, “Athanasius Kircher und die Musik um 1650”, in:
leer’, waarmee Kirchers werk doordrongen is. Ook bij een tijdgenoot van Kircher, Robert Fludd (1574-1637), is deze
26 IEC, p. 77.
182
25 IEC, p. 74: “Surge, ne timeas, Theodidacte, ecce exaudita sunt desideria tua et ego ad te missus sum, ut tibi summam Dei
Optimi Maximi Majestatem, quantum humano oculo in hac mortali carne constituto permissum est, in operibus suis
mundanis elucescentem monstrarem. (…) sphaera quam vides, siderei Mundi praesidium signat; baculus gemmeus [sic],
quo juxta leges à Deo praescriptas omnia mensuramus, et in concinnissimam harmoniam disponimus.”
Seite 4
Im PDF ansehen(öffnet in einem neuen Fenster)Nergens klinkt geluid. Het is koud, stil en er is geen
lucht. Theodidactus is bang, bang vanwege het feit dat
het zo koud is en omdat hij geen adem kan halen. Op
Theodidactus’ vraag antwoordt Cosmiel dat er geen
warmte is “omdat wij buiten de reflecties van de zonnestralen zijn” en ook is er geen lucht “opdat de mens hier
niet zou leven”? Maar gelukkig hoeft Theodidactus,
vanwege zijn begeleider, niets te vrezen. Vervolgens begeven zij zich naar de maan, en daarop reizen zij van planeet naar planeet, waarbij Theodidactus telkens vragen
stelt, die Cosmiel op zijn beurt beantwoordt.
Uiteindelijk komen zij zo bij het firmament, waarin de
vaste sterren hun plaats hebben. Maar om daar te komen
moeten zij een grote afstand afleggen, een afstand die
Cosmiel met grote snelheid overbrugt, waardoor
Theodidactus bevreesd raakt: “Waarheen voer je me,
Cosmiel? Waarheen word ik met een zo onuitsprekelijke
snelheid bewogen?” Cosmiel verzekert hem dat zij niets
te vrezen hebben, en ook dat hij zich niet hoeft te verbazen, want zij bewegen “niet met een menselijke, maar
met de snelheid van een engel, waarmee vergeleken alle
natuurlijke snelheid langzaam is.”28
Nadat Theodidactus ook het firmament aanschouwd
heeft, is zijn verlangen om te leren kennen ten volle vervuld: “Hou op, hou op, beste Cosmiel, ik verlang niets
meer te zien, want ik vrees dat ik door de te grote majesteit van de glorie van de Schepper verpletterd zal worden”29
Toch is dit alles, de verhandelingen over astronomie,
over eigenschappen van de hemellichamen enzovoorts,
niet de hoofdzaak van Kirchers Iter. De strekking ervan
is, dat het besef van de onmetelijke grootheid van de
schepping veel belangrijker is dan welke kennis ook.
Kennis is belangrijk en waard om nagestreefd te worden,
maar de mens zal nooit de volledige omvang van Gods
werken kunnen bevatten. Enkel bewondering is passend,
ja zelfs verplicht.
Theodidactus besluit zijn reis, de eerste dialoog met
TIJDSCHRIFT VOOR MUZIEKTHEORIE
“beschouw hem, hij die het centrum van onze geest,
analogie verklaard: de hemellichamen worden tot ‘koren’
gegroepeerd, en het is zelfs zo dat de planeten een
bepaalde cadens kunnen ‘zingen’2? Ook in de Iter exstaticum wordt een muzikale analogie gebruikt voor de
bewegingen van de planeten, maar dit krijgt in het werk
geen nadruk. Hiernaast heeft de muziek, zowel die van
het centrum van de wereld, het doel en de uiteindelijke
de wereld als die van de mens, een duidelijke functie: lofgelukzaligheid is; hij die derhalve altijddurend gezegend
prijzing. Al het bestaande is in wezen muziek, tegelijk
klank en instrument, en ìs, door te bestaan, een eeuwigdurende lofzang gericht tot de Schepper.
Kirchers opvattingen over de musica mundana zijn in
wezen conservatief: hij leunt sterk op bijbel en klassieke
Cosmiel, in dezelfde gemoedssterming als waarin
Musurgia Universalis (Rome, 1650 - zie o.m. noot 13)
wordt besloten, namelijk met een gebed en een oproep
aan de mens God te eren:
is, zonder einde geliefd, zonder grenzen geprezen in
eeuwigheid. Amen.”3°
Besluit
traditie, en wijst al het nieuwe, zoals de werken van
In de Iter exstaticum coeleste zowel als in de Musurgia
Universalis komt één punt sterk naar voren: kennis, studie, is belangrijk, want zij kan de mens tot op zekere
hoogte inzicht in de schepping verschaffen, maar veel
belangrijker is het geloof. Een geloof dat ontstaat uit de
bewondering vóór, en verwondering ìn de schepping, die
beide het gevolg zijn van het besef dat de bestudering
van de schepping immer ontoereikend is, Nooit zal de
mens volgens Kircher ten volle ‘Zijn raadsbesluit’ doorgronden.
Wat betreft de musica mundana, de behandeling hiervan
door Kircher is volkomen in overeenstemming met de
traditie, zowel de christelijke als de klassieke. In
Musurgia Universalis gelooft Kircher niet in een hoorbaar klinkende hemel; hij sluit zich aan bij Anselmus van
Canterbury in de mening dat er geen lucht is in de
hemel èn dat onze oren te klein zijn om een dergelijk
groot geluid te kunnen horen! Dit laatste is waarschijnlijk de reden dat het hemelse geluid afwezig is in de Iter
exstaticum.
Wel echter wordt muziek gebruikt, in beide werken, als
metafoor. In de Musurgia Universalis wordt de relatie
tussen God en zijn schepping weergegeven met behulp
van de verhoudingen van de eenvoudige consonanten
(octaaf, kwart, kwint), en ook de bewegingen van de
hemellichamen worden met behulp van een muzikale
Copernicus, Galileo en Kepler, af. De ontwikkelingen in
de 17de eeuw, die uiteindelijk zouden leiden tot een totale scheiding van God en wereld, waren voor Kircher
onaanvaardbaar. Kircher kon, gesteld voor het probleem
van de nieuwe gegevens over de aard van deze wereld,
deze nieuwe ontwikkelingen slechts afwijzen; en zelfs in
de voor hem aanvaardbare wetenschap is hij zich voortdurend bewust van de superioriteit van het geloof en de
taak die hij daaruit voor de mens in deze wereld afleidt:
de voortdurende lofprijzing die de mens zijn Maker verschuldigd is.
Abstract
This article examines a little-studied work by Athanasius
Kircher, lter exstaticum coeleste (1660), an interesting
portrayal of the 17th-century amalgam then called science. Focal points are Iter’s relation to its precursors
(especially Cicero's Somnium Scipionis), the structure of
the work, its handling of contemporary issues in astronomy, and the journey itself- what Kircher saw and how
that is related to music. The article shows that in the
debate between Church and Science, Kircher was a
defender oftradition, as laid down in the teachings of
the Church and of Plato, Aristotle and other ancients.
27 IEC, p. 78.
28 (EC, p. 340. Theodidactus: “Quo me rapis, Cosmiel? Quo feror tam ineffabili motus velocitate? Quis tandem itineris mei
‘finis? ubi jam Sol, ubi Terra, Luna, caeterique planetae? omnes siquidem dispatuisse video. Fierine potest, tam brevi tempore tantum nos spacium consecisse?” Cosmiel: “Ne mireris; non enim humano, sed angelico motu raperis; cujus comparatione omnis naturalium rerum motus tarditas est”
29 IEC, p. 363: “Cessa, cessa, mi Cosmiel, nihil amplius videre desidero, timeo enim ne à nimia majestate gloriae Conditoris
oprimar … ”
30 IEC, p. 364: “… illum contemplemini qui est centrum animae nostrae, centrum universae naturae, finis et ultima beatitudo; qui proinde sit in aeternum benedictus, sine fine amatus, sini termino laudatus in secula. Amen.”
31 MU Il, pp. 374-376. Op p. 376 vindt men Anselmus’ woorden: “De zeven banen van de hemellichamen wentelen
zich met de zoetste harmonie rond, en door hun omwenteling worden de meest lieflijke samenklanken te weeg
gebracht. Dit geluid reikt daarom niet tot onze oren, omdat het boven de lucht ontstaat, en de omvang ervan ons
beperkte gehoor te boven gaat.” “Septem coelorum orbes cum dulcissima harmonia voluuntur, ac suavissimus concentus eorum circuitione efficiuntur. Qui sonus ideò ad aures nostras non peruenit, qui ultra aerem fit, et eius magnitudo nostrum angustum auditum excedit.”
184
32 MU Il, pp. 381-390.