Show full text6 pages
Page 1
View in PDF(opens in a new window)„Bodem anno in agro L. Petillii
scribae sub Ianiculo, dum cultores
agri altius moliuntur terram, duae
lapideae
arcac,
octonos
ferme
pedes longae quaternos latae, inventae sunt, operculis plumbo
devinctis. Litteris Latinis Graecisque utraque arca inscripta erat,
ip
4
325275
1
SP
82865
oi —
+
Y
+
we go
.
1 Roma»
22578
PA
in altera
oM=GS |
co
558332
i inesse.
De
À =
on
Ss ge
8:52.78
o
cum sen-
5388?
Da
j
et,
qu
5 3384, %me
A
O
FON
a
©
RS È
b
iabuerat,
O +Sees
vestigi
3
gs, “uso
:
Eu,
22337
=
o
8s et g Sllius rei,
TD
2.338>.£
QO
di
a
:n¥
8
.2
9 omnibus
ESSO?
=cy.
5 MS 580
Mio
fasCes
> 8 6 £ 2 S:habuerc
3 3335882
=
a
©
„In het zelfde jaar zijn in het veld
van de klerk L. Petillius aan de
voet van de Janiculus, terwijl de
landbouwers de grond dieper
omwoelden, twee stenen kisten
gevonden, ieder ongevcer acht
voet lang en vier voet breed,
waarvan de deksels met lood
dichtgesmolten waren. Elke kist
droeg cen inscriptie in latijnse en
grickse letters. Daarin werd verklaard, dat in de ene kist Numa
Pompilius, de zoon van Pompo,
de koning van de Romeinen,
begraven was; en dat de andere
kist boeken van Numa Pompilius
bevatte.
Op raad van zijn vrienden liet
de cigenaar de kisten openbrcken.
De kist, die het opschrift van de
begraven koning droeg, werd
ledig bevonden, zonder enig
spoor van een menselijk lichaam
of van iets anders, omdat alles
door het bederf van zovecl jaren
vergaan was. In de andere kist
lagen twee bundels, elk van zeven
bockrollen, gewikkeld in met was
bestreken doeken. Ze waren niet
alleen gaaf, maar nog gloed-
223 a "y © odo sed
LAISSES
SE
.
Se 2 9.8 cm Latinieuw.
De zeven latijnse boeken han-
Bo
8 828
È soptem
2O VILLE
a”
dlstat
EN
Do.
De zeven griekse over de wijsbegeerte, zoals die in Numa’s tijd
O
SÈ Pa
4 plentiac,
A &ZEr4a
à
potuit.
\S > pal ’ythago-
VREESE
è qe
(az)
AERME
2...
pinion,
delden over het Ius Pontificium.
heeft kunnen zijn. Valerius Antias
vocgt cr aan toe, dat ze de Icer
van Pythagoras bevatten, waarmee hij door een schoonschijnend
verzinsel bijval betuigt aan de
Page 2
View in PDF(opens in a new window)noemt als woordvoerders wel Diomedes en Odysseus, doch Nestor
niet. Toch is hij aanwezig, maar zwijgt (XIX, 311). Men stelle zich
het tafereel voor: Agamemnon en Achilles, elkander de hand reikend,
achter hen Nestor, ter zijde Briseïs, met opengekrabde borsten, zij,
een Aphrodite van schoonheid, het lijk van Patroklos omhelzend . . . .
De glorie, door rouw omfloerst, liet nog juist het beleid van Nestor
in zijn volle waarde.
Van nu af treedt Nestor niet meer op. De tactiek is van defensief
volgens Nestor, in offensief van Achilles overgegaan. Alleen de lijkspelen ter ere van Patroklos vragen zijn aanwezigheid. Na afloop
ontvangt hij, hors concours, uit Achilles’ handen een drinkschaal.
Nestor dankt met bewogen woorden; en laten we het de bejaarde
man nog éénmaal gunnen dat hij afblaast: O, was ik nog jong!
Niemand overtrof me toen: in boksen no. 1, worstelen no. 1, hardlopen no. 1, speerwerpen no. 1, alleen in de wedren legde ik het af.
Dat je aan mij gedacht hebt, Achilles, mogen de goden het je vergelden! Hier weer zo’n fijne penseelstreek in het portret van Nestor:
hij is iedereen dankbaar, die hem het ouderdomsgevoel doet vergeten
van niet meer mee te tellen.
Zo eindigt de carrière van een groot mens: het onwrikbare, tijdloze karakter in de stormen der menselijke kortzichtigheid, in één
woord, dat van de organisateur de la victoire.
W. M. A. VAN DE WIJNPERSSE
Boekencensuur in het oude Rome
Naast de overvloed van krijgsvcrhalen, veldtochten en veldslagen
vinden we bij Livius ook vaak interessante mededelingen over civiele
aangelegenheden en over godsdienstige problemen bij de Romeinen.
In een boeiend verhaal van het 40ste Bock, C. 29, geeft hij ons een
kijk op de boekencensuur, die van staatswege werd uitgeoefend.
We laten het Livius zelf verhalen:
Page 3
View in PDF(opens in a new window)„Eodem anno in agro L. Petillii
scribae sub Ianiculo, dum cultores
agri aldus moliuntur terram, duae
lapideae arcae, octonos ferme
pedes longae quaternos latae, inventac sunt, operculis plumbo
devinctis. Litteris Latinis Graecisque utraque arca inscripta erat,
in altera Numam Pompilium
Pomponis filium, regem Romanorum, sepultum esse, in altera
libros Numae Pompilii inesse.
Eas arcas cum ex amicorum sententia dominus aperuisset, quae
titulum sepulti regis habuerat,
inanis inventa, sine ullo vestigio
corporis humani aut ullius rei,
per tabem tot annorum omnibus
absumptis. In altera duo fasces
candelis involuti septenos habuere
libros, non integros modo sed
recentissima specie. Septem Latini de iure pontificio erant, septem
Gracci de disciplina sapientiae,
quae illius aetatis esse potuit.
Adicit Antias Valerius Pythagoricos fuisse, vulgatae opinioni,
„In het zelfde jaar zijn in het veld
van de klerk L. Petillius aan de
voet van de Janiculus, terwijl de
landbouwers de grond dieper
omwoelden, twee stenen kisten
gevonden, ieder ongeveer acht
voet lang en vier voet breed,
waarvan de deksels met lood
dichtgesmolten waren. Elke kist
droeg een inscriptie in latijnse en
griekse letters. Daarin werd verklaard, dat in de ene kist Numa
Pompilius, de zoon van Pompo,
de koning van de Romeinen,
begraven was; en dat de andere
kist boeken van Numa Pompilius
bevatte.
Op raad van zijn vrienden liet
de eigenaar de kisten openbreken.
De kist, die het opschrift van de
begraven koning droeg, werd
ledig bevonden, zonder enig
spoor van een menselijk lichaam
of van iets anders, omdat alles
door het bederf van zoveel jaren
vergaan was. In de andere kist
lagen twee bundels, elk van zeven
boekrollen, gewikkeld in met was
bestreken doeken. Ze waren niet
alleen gaaf, maar nog gloednieuw.
De zeven latijnse boeken handelden over het Ius Pontificium.
De zeven griekse over de wijsbegeerte, zoals die in Numa’s tijd
heeft kunnen zijn. Valerius Antias
voegt er aan toe, dat ze de leer
van Pythagoras bevatten, waarmee hij door een schoonschijnend
verzinsel bijval betuigt aan de
Page 4
View in PDF(opens in a new window)qua creditur Pythagorae auditorem fuisse Numam, mendacio
veel verspreide opvatting, dat
Numa een leerling van Pythagoras zou geweest zijn.”
probabili accommodata fide.
Primo ab amicis, qui in re praescnti fuerunt, libri lecti; mox
pluribus legentibus cum vulgarentur, Q. Petillius praetor urbanus studiosus legendi eos libros a
L. Petillio sumpsıt: et erat familiaris usus, quod scribam cum
quaestor Q. Petillius in decuriam
legerat. Lectis rerum summis cum
animadvertisset pleraque dissolvendarum religionum esse, L.
Petillio dixit sese libros eos in
ignem coniecturum esse; priusquam id faceret, se ei permittere
uti, si quod seu ius seu auxilium
se habere ad eos libros repetendos
existimaret, experiretur: id integra sua gratia eum facturum.
Scriba tribunos plebis adit, ab
tribunis ad senatum res est reiecta.
Praetor se iusiurandum dare paratum esse aicbat libros eeos legi
servarique non oportere. Senatus
148
„Aanvankelijk zijn de boeken
gelezen door de vrienden, die bij
de opening van de kisten aanwezig waren geweest. Toen daarna meerderen ze gingen lezen,
kreeg de zaak ruchtbaarheid. De
stadspraetor Q. Petillius, die
nieuwsgierig werd om ze te
lezen, kreeg de boeken van Lucius Petillius: en dat waren goede
vrienden, omdat Q. Petillius, als
quaestor, hem (Lucius) in het gilde van de klerken had gekozen.
Toen hij er de hoofdzaken van
gelezen had, bemerkte hij, dat de
boeken een strekking hadden, die
het geloof in de godsdienst ondermijnde. Daarom verklaarde hij
aan L. Petillius, dat hij de boeken
in het vuur zou werpen. Maar
voordat hij dit zou doen, gaf hij
hem de vrijheid om, als hij meende enig recht of titel te hebben om
de boeken terug te eisen, van zijn
kans gebruik te maken om ze
terug te krijgen: hij zou hem dat
absoluut niet kwalijk nemen.
De klerk richtte zich tot de
volkstribunen; door de tribunen
is de zaak naar de senaat verwezen. De praetor verklaarde
bereid te zijn een eed te zweren,
dat de boeken van die aard
waren, dat ze niet gelezen of
bewaard behoorden te worden.
Page 5
View in PDF(opens in a new window)censuit satis habendum quod
praetor iusiurandum polliceretur;
libros primo quoque tempore in
comitio cremandos esse; pretium
pro libris, quantum Q. Petillio
praetori maiorique parti tribunorum plebis videretur, domino
esse solvendum. Id scriba non
accepit. Libri in comitio igne a
victimariis facto in conspectu
populi cremati sunt.”
De senaat besloot, dat men genoegen moest nemen met de belofte van de praetor om het
onder eed te bevestigen, en dat
de boeken zo spoedig mogelijk
op het vergaderplein verbrand
moesten worden. Dat aan de
eigenaar een prijs moest betaald
worden overeenkomstig het oordeel van de praetor en het merendeel van de volkstribunen. De
klerk weigerde er geld voor aan
te nemen. Nadat er door de
offerdienaren een vuur was aangelegd, zijn de boeken ten aanschouwen van het volk op het
plein van de volksvergadering
verbrand.”
Tegen het veel verspreide, maar onjuiste verhaal van Numa’s contact
met Pythagoras, had Livius al veel vroeger protest aangetekend.
In het 1ste Boek van zijn grote geschiedwerk, waarin hij de geschiedenis van de eerste koningen behandelt, had hij in het 18de
hoofdstuk deze fabel al grondig weerlegd. Zij was ontstaan, omdat
men zocht naar een verklaring, waarvandaan de koning, gesproten
uit het landelijke en onontwikkelde Sabijnenvolk, die grote wijsheid
en die zeldzame bestuurdersgaven gekregen had, die hem door alle
geschiedschrijvers werden toegekend. — Livius argumenteert als
volgt:
„Auctorem doctrinae eius, quia
non extat alius, falso Samium
Pythagoram edunt, quem Servio
Tullio regnante Romae, centum
amplius post annos, in ultima
Italiae ora circa Metapontum
Heracleamque et Crotona iuve-
„Als leraar van Numa Pompilius
noemt men, bij gebrek aan een
ander, ten onrechte de persoon
van Pythagoras uit Samos. Van
hem weten wij zeker, dat hij
onder de regering van Scrvius
Tullius, dus meer dan honderd
jaar na Numa, aan de uiterste
kust van Italië, namelijk in de
omgeving van Metapontum en
Page 6
View in PDF(opens in a new window)num aemulantium studia coetus
habuisse constat. ex quibus locis,
etsi eiusdem aetatis fuisset, quae
fama in Sabinos? au quo linguae
commercio quemquam ad cupiditatem discendi excivisset ? quove
praesidio unus per tot gentes dissonas sermone moribusque pervenisset? suopte igitur ingenio
temperatum animum virtutibus
fuisse opinor magis instructumque non tam peregrinis artibus,
quam disciplina tetrica ac tristi
veterum Sabinorum, quo genere
nullum quondam incorruptius
fuit.” (I–18.)
Heraclea en Croton, groepen van
leergierige jongemannen rond
zich verzamelde.
Maar ook al indien Pythagoras
van de tijd van Numa Pompilius
zou geweest zijn: hoe zou toen
uit die verafgelegen streken zijn
faam hebben kunnen doordringen tot bij de Sabijnen? Of welke
taal zou hij hebben moeten gebruiken, om bij iemand (uit die
streek) de zin naar wijsgerige
studie op te wekken? Of (omgekeerd) onder welke hoede zou
Numa als eenling, door zoveel
volkstammen van geheel verschillende taal en zeden heen,
tot hem doorgedrongen zijn?
Ik geloof dan ook eerder, dat
Numa van eigen natuurlijk aanleg deze wijze evenwichtigheid
heeft meegekregen. En dat hij
niet zozeer door buitenlandse
wijsgerige leer is onderricht;
maar dat hij is opgegroeid in de
stugge en strenge tucht van de
oude Sabijnen, het meest onbedorven volk van die tijd.” (Liv.
I, 18).
Vóór Livius, had ook Cicero (De Republica II, 15) op de onhoudbaarheid van dit hardnekkige verhaal gewezen. Geen wonder, dat
Livius bij het verhaal van de opgegraven kisten nogmaals probeert
om dit „mendacium probabile9 te ontzenuwen.
Overigens valt het op, dat in dit verhaal van de boekencensuur,
niet de Censor genoemd wordt, of de Pontifex Maximus of enig lid
van de vele priestercolleges; maar dat de Auctoritas Patrum zelf
waakte over het behoud van de godsdienstzin bij de Romeinse
burgerij.
J. DE VREESE, S. J.