Cebes en H.L. Spiegel

Author
Warners, J.D.P.
Published in
Nieuwe taalgids
Year
1971
Subject
SPIEGHEL
Language
Nederlands
Category
B8 Tabula Cebetis
Archive number
3154

Open PDF(opens in a new window)

Show full text6 pages

Page 1

View in PDF(opens in a new window)
+... aut qui idem moliuntur commenticiis e WARNERS AN . 2 picturis aliquanto frigidioribus quam sit tabula Cebetis, \ AY \ Erasmus Dieses sind aber / Der ungründten weiszheit liebhaber (vert. Hans Sachs) Inleiding: H. L. Spiegel. Er is in het algemeen niet zo heel veel aandacht besteed aan H. L. Spiegel’s hoofdwerk, Hertspiegel: we bezitten een uitgave van de cerste drie boeken!, een verhandeling over de ethische denkbeelden van de dichter?, een merkwaardige interpretatie van Spiegel’s overtuigingen door Albert Verwey3, en een handvol artikels, waarvan die van Minderua het mecst recent zijn. Interessant blijft nog altijd het artikel van Jan te Winkel in zijn Ontwikkelingsgang®. Bovendien is er een oudere levensbeschrijving van P. Vlaming* die ook het werk van Spiegel opnieuw uitgaf. Over een onderdeel van de Hertspiegel, die verschillende drukken beleefde?, willen we enkele opmerkingen maken. In het zesde boek®, waar des dichters buitenhuis een bescheiden beschrijving krijgt, lezen we: Het huys vol schildery, al beeld-schrift zinrijk-tuchtig Des voor-zaals noorder wand was heel end al bemaald Met Kebes tafereel, daar op zy dit verhaald. *t Is dertien jaar gheleen, dat ghy om te gronderen Dit Griexe schat, griex leert: nu kóóm ik *t u vol-leren. Dit boek en beeld-schrifts puik heeft veel verborgen zin. It ’s yghlix levens beeld... Zoals bekend is de ik, de spreker in dit grote gedicht, niet Spiegel, maar een Muze; in het zesde boek is het Erato; de toegesprokenc is de dichter. Voorts is er in dit citaat sprake van cen schilderij, het Cebes tafereel voorstellend, terwijl het tevens uit de tekst duidelijk wordt dat deze afbeciding teruggaat op een griekse tekst. Het schilderij is 1 A. C. de Jong: H. L. Spiegels Hertspiegel, Amsterd. diss., Amsterdam, 1930. 2 J. F. Buisman: De ethische denkbeelden van Hendrik Laurensz Spiegel, Utrechtse diss., Wageningen, 1935. 3 Albert Verwey: Hendrik Laurensz. Spieghel, Groningen, 1919. 4 Prof, Dr. P, Minderaa: Opstellen en voordrachten uit mijn hoogleraarstijd (1948-1964), Zwolle, 1964: Twee Hertspieghelproblemen (p. 51 vv.) en: Hendrik Laurensz Spiegel als natuurdichter (p. 63 vv.) 5 Ontwikkelingsgang, IIT, p. 98 vv. 8 P. Vlaming: H. L. Spieghels Hertspieghel cn andere zedeschriften, Amsterdam, 1723. 7 Zie Buisman, p. 155; De Jong, p. 3 vv. 8 Uitgave P. Vlaming, vs. 42 vv. De Nieuwe Taalgids 64-1, 1-11

Page 2

View in PDF(opens in a new window)
voor de toeschouwer geen eenvoudige zaak en Erato zal aan de dichter een uitleg van - de verborgen zin geven. Tenslotte is het mogelijk uit deze regels af te leiden dat Spiegel grieks geleerd heeft om de Cebes-tekst goed te kunnen begrijpen. Dit leerproces is 3 Cebes en H. L. Spiegel Heel in het kort alleen het volgende. De eerste uitgave is van 1494; in 1498 verschijnt naast de griekse tekst een latijnse vertaling. Merkwaardigerwijze bestaat er ook een arabische vertaling die grote bekendheid verworven heeft en die weer in het latijn is dertien jaar geleden begonnen: Spiegel sterft in 1612 cn de eerste druk van de Hertterug-vertaald. De oudste franse vertaling is van 1529; de oudste engelse eerst van 1530. spiegel is van 1614. De oudste duitse vertaling is van Hans Sachs (1531). In Nederland verschijnt er in 1564 een vertaling; in Italiè in 1538, in Spanje: 1585; in Denemarken tenslotte in 1763, Cebes Welbeschouwd is het volslagen onbekend wie de schrijver gewcest is van Cebes' (of Kebes’) Tafereel. In het algemeen meent men nu dat de tekst van de eerste eeuw na Christus is. Maar voorheen, in de tijd van Spiegel en Vlaming, speelde men nog met de onhoudbare gedachte dat Cebes een tijdgenoot van Socrates geweest is: de naam Cebes komt namelijk voor in Plato’s Phaedo en Crito, en men heeft graag deze Cebes Wij zullen wat de nederlandse vertalingen betreft naast die van Vlaming, gebruik maken van de meest geleerde en best gedocumenteerde van de hand van een predikant en rektor te Kampen, Gerhardus Outhofl. Zoals gezegd: de boeiende variéteit van vertalingen, uitgaven en annotaties van vaderlandse bodem blijft nu buiten beschouwing. met de schrijver van het kleine boekje geidentificeerd!. De inhoud van het geschrift van Cebes Cebes niet meer dan het volgende: The extant dialogue (probably belonging to the ist c. A.D.) called KéBntoc Onßulov rivaé makes no pretence to be by Socrates’ geschrift voert de schrijver een ,,wij” in, die cen bezoek brengen aan een tempel en Een eminente bron van kennis als The Oxford Classical Dictionary geeft sub voce friend, and has been ascribed to him by a mere error. It presents an eclectic doctrine which in spite of its Pythagorean setting owes more to Plato, Aristotle and the Stoics than to the Pythagoreans?. Een eenvoudiger, maar bijna altijd even voortreffelijke gids op dit gebied schrijft overigens nog in 19583: A Theban philosopher, one of the disciples of Socrates, 405 B.C. He attended his learned preceptor in his last moments, and distinguished himself by three dialogues that he wrote; but more particularly by his Tabula, which contains a beautiful and affecting picture of human life, delineated with accuracy of judgment and great splendour of sentiment. Little is known of the character of Cebes from history. Plato mentions him once, and Xenophon the same, but both in a manner which conveys most fully the goodness of his heart and the purity of his morals. We zullen er genoegen mee moeten nemen dat we niets meer weten dan deze enkele gegevens, Enkele drukken van Cebes We kunnen in dit artikel er niet over denken om cen bibliografie van het enorm popu- In de eerste regels van dit in de Teubner-editie nauwelijks 34 bladzijden grote prozadaar zien ze cen afbeelding, een schilderij, dat, ook na enige inspanning, niet begrijpelijk is. Wat ziet de toeschouwer grosso modo? Bij Vlaming lezen we het aldus?: ... Want wy zagen daer noch stadt, noch legerplaets in verbeeldt, maer wel een ringmuur (FlepißoAos), die twee andere in zich bevatte, den eenen grooter, den anderen kleiner, In den cersten was een poort, voor welke een groote meenigte van volk scheen te staen, en binnen den voorsten ringmuur zag men een’ grooten hoop vrouwen. Aen den ingang van het ecrste portael des eersten ringmuurs stondt een oudt man... Het schilderij Onze eerste opmerking is deze: de afbeelding die hier zeer summier aangeduid wordt is cen literaire fiktic; dat schilderij heeft nooit bestaan. Maar omdat het hele Cebesgeschrift zich bezighoudt met een vaak nauwkeurige beschrijving van het fiktieve schilderij, is het begrijpelijk dat schilders in later tijd in de renaissance, toen de tekst cen grote beroemdheid had verworven, er zich toe zetten, meer of minder nauwkeurig bij de literaire bron aansluitend, een zo gedetailleerd mogelijke uitbeelding van het gelezene te geven. Vier nederlandse afbeeldingen zou ik hier in de eerste plaats willen noemen, omdat deze voor iedercen toegankelijk zijn. In het Rijksmuseum is een schilderij uit de Hollandse School van de zestiende eeuw. Wij zien daar twee ringmuren laire Cebesgeschrift hier af te drukken*. Evenmin is het de bedoeling enige zekerheid te krijgen over de filosofische opvattingen, die het geschriftje de lezer aanbiedt®. binnen elkaar, en binnen de tweede ringmuur een steile rots, waarop de derde ring- ! Twijfel reeds over deze identifikatie: Vlaming, p. 331, voctnoot 8. geschilderd door Joris van Schooten, veel minder overzichtelijk voor hem die de tekst 2 Ons stonden ten dienste voor de oorspronkelijke tekst twee uitgaven: Carolus Praechter: KEBHTOZ INNAS Cebetis Tabula (Lipsiae, 1893, Teubner) en Jacobus van Wageningen: KEBHTOE MINAZ Cebetis Tabula, Groningae, 1903 met cen apart boekje: Aanteckemuur te vinden is. Binnen die derde ringmuur verrijst een bouwsel, dat op een ronde tempel lijkt. Veel minder overzichtelijk is een schilderij uit de Lakenhal te Leiden, kent, maar met enige moeite is er wel cen weg in te vinden. Een overdadige en zeer instruktieve eigen zienswijze had Romijn de Hooghe in 1670, Maar de fraaiste prent is van J. Matham, naar een idee van Goltzius, en bewerkt door N. I. Visscher in 1640, ningen (idem). 3 Lempriére’s Classical Dictionary of Proper Names mentioned in Ancient Authors; a new edition by F, A. Wright, London, 1958. 4 Mijn vriend en kollega Dr. L. Ph. Rank vond in betrekkelijk korte tijd cen 140 uitgaven 1 Levens-Tafcreel van Cebes den Thebaner, Uit het Griek Ondigt in Neérlands Digtmaat overgezet. Met brecdvacrige Zinverklaarende Taal- en Oudheid-kundige Uitleggingen; Als en vertalingen scdert de renaissance. Elders zullen we een komparatistische studie over Cebes ook nog met zeven byzondere bygevoegde Verhandelingen verrykt: Met een nieuwe afbeelpubliceren, met een zo volledig mogelijke bibliografie. dinge van Lysis Tafereel en andere kopere Plaaten verciert, door Gerhardus Outhof, Amster- 5 Het meest recent over dit onderwerp: Robert Joly: Le Tableau de Cébés et la philosophie dam, 1727. De vertaling van Vlaming: p. 321 vv. religieuse, Bruxclles-Berchem, 1963 (Collection Latomus, vol. LXI).

Page 3

View in PDF(opens in a new window)
Evenals bij het eerst genoemde schilderij zijn door Visscher verklarende aantekeningen op de prent genoteerd, terwijl de laatste ook nog de getallen van 1-22 op de prent heeft aangebracht, die naar een uitleg onder de afbeelding verwijzen en cen nadcre verklaring geven van de allegorische of personifiérende voorstellingen. Beide laatste platen zijn in het Rijksprentenkabinet te Amsterdam. 5 Cebes en H. L. Spieget beknopte overzicht voldoende, hoeveel we ook terzijde lieten. Nogmaals samengevat: het leven van elk mens gaat via Fortuna en veel menselijke ellende en slechtheid, via schijngeleerdheid naar geleerdheid en gelukzaligheid. Het tweede perk Hier is een fragment van de griekse tekst!: Nadere mededelingen over de inhoud Taötnv toívov of noddoi Kai sixator tv dvipdv IHo1Sgiav xahototv: Nu zullen we de inhoud van de Cebes-tekst nader bezien, toegespitst op één onderdeel, dat in dit artikel onze bijzondere aandacht zal hebben. Uit het slot van ons laatste citaat kan reeds enigszins blijken dat de schilderij in de tempel een soort allegorische voorstelling is van het menselijk leven, het leven van odk ton Se, GAAG Wevdonmôeia, Epn. of pév tor owlôuevor ônétav BoöAovraı sic thy GAnOwwiv Iardziav ¿A0etv, Ge npdtov rapayivoviat. ieder mens. Iedereen die zijn leven begint gaat de poort binnen van de eerste peribolos, de vitae introitus, of oorspronkelijk Bios. Bij die eerste levensingang vindt de mens een oud man op zijn pad, of ,,een Engel met een papier inde handt de kindren die in dit Leven komen seer nutten ende Dienstigen raat mededelende van Deuchden te omhelsen ende de gebreken te verfoejen”, zoals we onder de plaat van Visscher lezen. In het grieks heet deze oude man Aatpov, vaak vertaald door genius; bij Spiegel staat: Natuur-God, een aanduiding die zonder twijfel diep inzicht kan geven voor de opvattingen van deze dichter, maar we moeten die hier terzijde laten. De vertaling engel is natuurlijk een duidelijke verchristelijking van de oorspronkelijke tekst. Het eerste perk Kort nu over het eerste perk. Vrouwe *Axátn, of Bedrieglijkheid wacht de mens onmiddellijk in zijn jonge leven op en geeft hem een drank van dwaling en onwetendheid te drinken; de ene mens neemt een grotere teug dan de andere, met alle gevolgen van dien. Daarna komt de ontmoeting met vrouwe Vevdoratéeta, of Fortuna, die rijkdom, adeldom, nageslacht, en macht aan de mensen schenkt. Het tweede perk is voor ons in dit artikel het belangrijkste. We zullen zo dadelijk de tekst nauwkeurig citeren, en volstaan nu met een enkele samenvattende opmerking. Het tweede perk Voor de ingang naar het tweede perk heeft de mens de vrijheid zijn leven verder te verslingeren in onmatigheid en onverzadelijkheid, met roverij, meinedigheid en verraad. Komt de mens niet tot beter inzicht dan wacht hem straf, ellende, droefheid en nog veel meer zulke ongemakken. Maar gaat hij het tweede perk in, dan is er althans enige verbetering in zijn lot te wachten: hij komt bij een vrouw die naar zijn eerste mening Geleerdheid is, maar die bij nader inzicht slechts Schijngeleerdheid heet. Wat de mens daar onderwezen krijgt zal ons straks bezig houden. .non.oon..... i nn Na een niet al te lang verblijf moet de mens naar het derde perk, dat moeizaam te bereiken is, langs een schier onbegaanbare rots naar werkelijke geleerdheid, geper- Zij voert de mens naar Eddaruovía, Gelukzaligheid, een oude vrouw op een troon. Daarmee is het geschrift nog niet ten einde, maar voor ons doel is dit uiterst 6 10 00000 Ot tis Weudonandelas, Epn, Épaotai nratnyévor Kai oidpevor peta Tiveg odv Kalodvran odrot; Oi pév momtat, Epn, of dè fintopeg, of Se Siadextikoi, of Sè povotkol, of Sé äpıdunrıkol, of Se yeapétpat, of SÈ dotporéyor, of sè Kpitikoi, of sè flôovixoi, of SÈ nepinatnuikoi Kai Scot Gor tobvtots eloi naparAtotot. De toeschouwers van het schilderij worden nu door de oude man dus ingelicht over het wezenlijke van het tweede perk des levens. Zij zien de vrouw die daar bij de ingang staat en dan ontwikkelt zich de hierboven geciteerde dialoog. Vlaming vertaalt deze passage aldus?: Deeze noemen het gemeen en ydele menschen Geleerdheidt, doch zy is die niet, maar Schyngeleerdhcidt: by deeze koomen zy, die behouden staen te worden, en tot de Waarachtige Geleerdheïdt te geraken, het aller eerst . . Welke zyn die menschen, die binnen den ringmuur kuieren? De minnaers, zeide hy, van Schyngeleerdheidt, Bedrogene, dewyl zy waenen met de Waerachtige Geleerdheidt om te gaen. Hoe hect men hen? Zommigen, antwoorde hy, Poéten, anderen Redenaers; deezen Redenkavelaars, anderen Zangkonstenaren, geenen Telkundigen, die Lantmectkundigen, anderen Sterrekykers, anderen Lustzoekenden, anderen Wandelaers, anderen Oordeelkundigen, en wyders allen die met deezen overeenkomst hebben. Spiegel®, die dit fragment ook in zijn Hertspiegel gebruikte, wat het slot van ons artikel zal vormen, heeft zich ook nog eens heel kort over het tweede perk uitgelaten in een gedicht dat onmiddellijk op de Hertspiegel volgde: ,,Kebes Tafereels”: Haar reis-gheld nemend' aan zo veel wy dies behoeven: Na Heil-geleerdheids gaaf doch naarstelik doordringhen, Dat’s ware wetenschap van rechte nutbaar dinghen... sonifieerd in een oudere vrouw, op cen vierkante steen (Vrouwe Fortuna staat als steeds op een ronde steen, wat de veranderlijkhcid van haar gaven symboliseert). 0 tfc GAnOivijc Iardeiag ovvomaAetv. By schyn-ghelcerdheid heet hy eenigh tyd vertoeven, Het derde perk Sè Oitoi dè of GvOpwxor of Eow tod nepıßöAov dvaxdpntovtes tives eioiv: 1 XII, 3-XIII. 2 Vlaming, p. 330 vv. 3 Viaming, p. 149.

Page 4

View in PDF(opens in a new window)
Het tweede en derde perk worden hier door de dichter met door hem zeer beminde terminologie aangegeven: schyn-gheleerdheid en Heil-geleerdheid, fundamenteel voor zijn hele Hertspiegel. We geven ook nog de dichterlijke vertaling van Outhof!: Nu deeze (vrouw) wordt by *t slegt En dwaaze, of zotte volk, die lecringe gezegt, Of onderwyzing, die *t de waare koomt te heeten. Dog z’is die niet, maar z’is de valsche, moet gy wecten. By deeze koomen zy gemeenclyk eerst aan, Die om behoudnis tot de waare leerling gaan. 7 Cebes en H. L, Spiegel helder is, de schrijver er van uitgaat dat de mens ook onmiddellijk van het verderfelijke eerste perk naar het derde perk kan gaan, zonder de schijngeleerdheid ook maar bezocht te hebben!. Outhof vertaalt aldus: Maar is “er vroeg ik, dan geen andre weg t'ontdekken, Die tot de waare tugt of Icering komt te strekken? Ja, sprak hy... Moderne vertalers hebben hier gcen ja, maar een nee. Onze vertalers volgen de positieve overlevering. Deze regels komen voor in het reeds geciteerde gedeelte, aangaande het tweede + + + Maar wat zyn’t voor menschen die hier dan perk, als de lezer Schijngeleerdheid leert kennen, en Outhof voegt hier o.a. als anno- Weerkeeren in dit perk? ’t zyn, sprak hy, minnaars van De valsche leering, die misleidt niet anders weeten, Of ’t onderwys, waar meé zy omgaan, wordt geheeten tatie aan toe: De waare leering. Maar hoc heeten zy al t'saam? Waarop hy zeide, hoe dat sommigen den naam Van Digters, anderen van Redenaaren dragen, Reenkavelaars, en wien de Zangkunst kan behagen, Voorts Reckenkonstenaars, Landmeeters, en de geen, Die Starrewikkers zyn, daarby wellustighecn, Beminnaars, Wandelaars, Nauziftend oordeelgeevers, En zoo meer anderen van deeze konstnastreevers. Het voor ons verbazingwekkende van het tweede levensperk Het is de lezer wel duidelijk geworden dat het tweede levensperk ook niet alles is voor de mens die op zoek is naar werkelijke geleerdheid, naar ,,Heilgeleerdheid”, naar het ware heil, naar gelukzaligheid, eudaimonia. Tien soorten mensen treffen we in het tweede perk als vaste bewoners aan, terwijl mensen op hun levensweg daar voor langer of korter tijd blijven; liever kort dan lang: het is er niet gehcel pluis, het is het gebied van de schijngeleerdheid. Het kost niet veel moeite de tien soorten mensen die in het tweede perk vertoeven enigszins nader in te delen: zeven, onderverdeeld in drie en vier, en dan nogmaals drie. De eerste zeven soorten beoefenen de zeven vrije kunsten. Allereerst de dichters, redenaars en dialektici, dan musici, arithmetici, geometrici en astrologen. Daarna drie soorten filosofen: de Epicuristen, de Peripatetici en de moeilijkst thuis te brengen groep: de kritici; sommigen willen deze kritici zonder meer als kritikasters aanduiden, anderen zien er grammatici in?, Het behoeft geen betoog meer dat in de voorstellingen van Cebes de vrije kunsten geen hoog aanzien waard zijn, indien men, zoals de auteur, het menselijk leven als ecn weg naar de gelukzaligheid voorstelt. Een tijdelijk verblijf bij deze kunsten en wetenschappen is geoorloofd; de mens kan bij hen „reis-gheld” krijgen voor zijn hoogste bestemming maar daar is het dan ook mee uit. En laten we niet vergeten dat Cebes al deze menselijke kunsten en wetenschappen plaatst onder de leiding van Pseudopaideia. En we vermelden er nog bij dat, hoewel de tekst van Cebes hier niet bijzonder Cebes wil zcggen, ja, daar is noch cen andere weg, en staat bygevolg toe; dat men zonder deeze schyngeleerdheidt wel kan gelukzalig worden, ten minsten zal "t niet nodig zyn, dat men der zich zoo langen tydt als veelen daar, by ophoude. *t Is wel niet onnut, wil hy zeggen, dat men zich by de Geleerden eenigen tydt ophoude, en *er zoo veel van leere, als nodig is, maar men moet ‘er niet altydt byblyven, maar na ’t verkrygen van kennisse voortgaan tot de oeffeninge van de deugdt, waar toe men cenen anderen weg moct inslaan of opgaan ... We laten nu het grootste deel van de tien figuren in het tweede perk rusten, maar dan blijft er toch nog altijd dit over: dichtkunst, retorika en dialektika kunnen tijdelijk enig nut hebben, maar de mens kan ze ook missen, ,,overslaan”, omdat ze geen essentiéle betekenis voor het einddoel, de gelukzaligheid, hebben. En dat nog wel, terwijl in de renaissance het dichterschap en de studie der retorika en dialektika (in mindere mate) zo hoog aangeschreven stonden. We citeren een recente studie?; De dichter is degeen die de mensen de weg wijst naar de hoogste ontplooiing van de deugd door de gebeurtenissen treffender te maken dan ze in werkelijkheid zijn, Wat moeten we hier van denken? Dat er meer dan één opvatting aangaande menselijke kennis en menselijk dichterlijk en retorisch kunnen en weten in de renaissance aanwezig is. Zonder twijfel bestaat de mening die in het hierboven gegeven citaat tot uitdrukking komt: poézie behoort tot het hoogste menselijk kunnen. Maar er is een duidelijke tegenstroom, die bijvoorbeeld in het christelijk humanisme van Erasmus, van Spiegel en bij de minnaars van Cebes, omer maar enige te noemen, zich machtig openbaart?. Het gaat in het humanistisch-christelijk geloof, in de philosophia christiana van Erasmus niet om poézie en retorika, het gaat daar tegen de dialektika in en het gaat alleen om ecn leven, dat men deugdenleven kan noemen, of enigszins met een andere nadruk: het leven dat gebaseerd is op de imitatio Christi. Het heidense geschrift van Cebes was voor de deugdminnaars, waar onze letterkunde zo zeer vol van is, een ' Viaming, p. 330 vv.; Outhof p. 95v + aant. 178 (p. 96). 2 S. F. Witstein: Funeraire poézie in de Nederlandse Renaissance (Utr. diss.), Assen, 1969, p. 17. Men zic het gehcle hoofdstuk: Dichtkunst en rhetorica p. 16 vv. 1 p. 94 vv. 3 Zie ter nadere adstruktie mijn artikel: Erasmus, Augustinus en de retorika, dat elders 2 J, van Wageningen: Aanteekeningen p. 20. za) verschijnen.

Page 5

View in PDF(opens in a new window)
Cebes en H.L. Spiegel prachtig eksempel van hun eigen inzichten en hun eigen voorkeur: geen wetenschap en het al te spitsvondig redeneren, waar ook Erasmus zo een oprechte afkeer van had, geen kunsten, maar het hoge leven van de deugdzaamheid. In het voorbijgaan kon men strijdend tegen de scholastiek van zijn dagen. Ook de dialektiek behoort niet tot de iets meenemen van de kennis en wetenschap, maar noodzakelijk was dat geenszins. zedekunst, al is ze nuttig ,,om onze bedorven reden op te helderen, om ’t valsche te Erasmus is het grote voorbeeld van deze gedachte, Spiegel. op beperkter terrein en met ontdekken, en om de waarheidt op te delven, en 't verstandt daar toe te scherpen . . .”. beperkter inzicht, eveneens. Of om het de jonge, doperse Vondel te laten zeggen: De Deughd’, de witte Deughd, die altijd wert verschoven, Tenslotte: Spiegel De Deughd die *t edel Goud en Peerlen gaet te boven, In de dissertatie van Buisman! wordt reeds op het feit gewezen dat Spiegel meer dan Is d’alderschoonste Kroone, en t’heerlijckste cieraet eens over Cebes spreckt en dicht. Maar het eveneens genoemde feit dat het zesde en Dat hier den Mensche ciert waer dat hy henen gaet.! zevende boek van de Hertspiegel in niet geringe mate op Cebes’ Tafereel gebouwd zijn, We volgen nu eerst nog in het kort Outhof’s aantekeningen bij de besproken passage blijkt uiteraard de belangrijkste relatie van Spiegel tot Cebes te zijn.2 Ook hier bevan Cebes?. Het gaat Outhof duidelijk aan het hart dat dichters, retoren en dialektici moeien we ons alleen maar met de voorstelling van het tweede perk. Veel meer dan zulk een kleine en onbelangrijke plaats wordt tocbedeeld in het geheel van het menselijk Outhof sluit zich Spiegel van ganser harte aan bij de teneur van Cebes’ opvattingen :3 leven, maar bij alle tien genoemde soorten kunstenaars en wetenschapsmensen moet hij het wel met Cebes eens zijn. Bij de dichters tekent hij aan: Het is zeeker, dat de dichtkunst niet volstrekt tot de Zedekonst behoordt, of tot zalig te worden noodtzakelyk is, wyl men zonder de kennisse van de Digtkunst wel kan deugdelyk worden, en ook altydt onder de dichteren quaadt leerende en ondeugend leevende menschen waaren, en noch zyn. Maar ondanks dit getuigenis, dat zwaar weegt als annotatie bij Cebes’ opvattingen, acht Outhof de dichter toch wel belangrijk: poézie is een loffelijke zaak, en ecn hulpmiddel tot wijsheid. En er volgt een hele uiteenzetting ter ere van de goddelijke poézie, „eene hemelgaave”, omdat dichters ,,onder de schorsse der fabelen allerhande wysheidt mededeelden en leerden, als die de schatbewaarders der oude Heiligdommen waaren..”. En dat is dan ook een befaamde omschrijving van het dichterschap in de renaissance. Ziet daar voor *t twede park een schoone vrouw, die reinlik En cierlik is gekiect: dees noemtmen al gemeinlik Gheleerdheid. Want zy maakt de menschen schoolgeleerd: Die meest doch blijven lijkewel in *t hert verkeert, Vol misverstand, vol zond, trots, gulzich, en putierigh, Vol faam, staat, eerghezoek, luy, toornigh, nidigh, gierigh, Maar boven al, ghoed-dunkend en vol hoovaardy, Kleinachtenz' alle menschen, die niet zo als zy In Horezeggens school zijn bue van boekwey koeken. Van God van heil van dueghd lerenz’ alleen uyt boeken Te preken meesterlik. in artseny, in ’t recht, In taalkund, rekenkunst, in schoolwijs reengheveght, In rijm, in woordgepronk, in redenrijkheid aardigh Leit schijogelecrdheids duegd. dat maakt zo meest hovaardig. Over de retoren het volgende citaat: Het hier gegeven beeld van de vrouw bij het tweede perk is niet opvallend, maar de Door de Grammatica leerdt eigentlyk een leerling welsprecken, woorden gronden, en wel voegen: dog de Rhetorica geeft cenen glans en cieraadt aan cenen letterkundigen, en bestaat voornamentlyk in twee zaaken, in de opcieringe, en overredinge: als zynde eene konst om bequamelyk en cierlyk te spreeken, en krachtig te overreden, leerende van groote zaaken verhecven, van kleine zaaken eenvoudig, en van alle zaaken deftig en fraai spreeken.” En dan weer: interpretatie van deze allegorie des te meer: Spiegel gebruikt de Cebes-gegevens vrij, en naar hartelust zonder hantering van de personifikaties. Hij schetst het beeld van de geleerde, de schijngeleerde wel te verstaan; deze heeft een grote boekenkennis, maar in de levenspraktijk blijkt daar niets van en in een enumeratie van meerdere regels (zo bemind in de vroege renaissanceletterkunde) beschrijft hij de menselijke tekortkomingen van de schijngeleerde, zowel in onaangename eigenschappen als in zijn zoeken naar roem, macht en cer. De schijngeleerde heeft alles van horen-zeggen en niets uit de Deeze konst is wel niet volstrekt nodig tot de Zedekunde, wy! een onbespraakt mensch praktijk des levens, door Spiegel zo hoog gewaardeerd. Het schoolwijs reengheveght is ook deugdelyk kan zyn, en der ook ondeugende en schadelyke redenaars konnen weezen, een fraaie vertaling van wat de dichter onder dialektika verstaat; de dichter met zijn als in de oproerige Gracchen bleek. Tenslotte de Dialektici, de ,,Reenkavelaars”. De dialektiek is ,,ecne kunst of weetenschap...om van alle voorgestelde zaaken met goede redenen grondig en bewyslyk te konnen spreeken, ook het waare van het valsche te konnen onderscheiden, en woordgepronk krijgt even bijzondere aandacht en de redenrijkheid ontbreekt evenmin. Ons citaat is nog maar een onderdeel van Spiegels rekwisitoor tegen het bouwen op geleerdheid. De ware Godgeleerdheid raakt definitief zoek (vs. 514). Hovaardij is het afschuwelijk grondgevolg van dit soort geleerdheid, die een waan is (vs. 515). bondig te konnen verklaaren, wat elke zaake is... .”. De schrijver keert zich dan tegen 1 Uit het inleidend gedicht op Den Gulden Winckel! waarin Cebes ook genoemd is. (W.B. I, 1 p. 109 vv. p. 271, vs. 1 vv.) 2 Zie Boek VI, vs. 489 vv. (Vlaming p. 126 vv.) en Boek VII, vs. 103-310 (Vlaming p. 135 vv.). 2 p. 97, aantekening 180; p. 98, aantekening 181; p. 99, aantekening 182. 3 VI, vs. 489 vv.

Page 6

View in PDF(opens in a new window)
Evenals Cebes acht Spiegel een tijdelijk verblijf bij Schijngeleerdheid niet geheel Il Cebes en H. L. Spiegel En daarbij aansluitend: onnuttig: Want Christ vrijt niemand, dan die in zijn woorden blijft. en dat ghy slechs de Icer Ghy Naam-Christens ghy zegt om strijt al, Here, Here: Des schijngheleerdheids bezicht, om alzo te ecr Maar Christ-navolgings errenst zie ik nimmermere.! En voechlijker door hulp van redekavlings klaarheid Te spoen na heilgheleerdheid, en haar dochter waarhcid: Slot Zy komt alzo te nut. Byzonder nu ter tijd, Het bekende fcit dat de twee laatste boeken van Hertspiegel gebouwd waren op de Dat elk (door haar misbruik) verwert in kerkestrijt, Cebestekst bracht ons er toe, een enkel onderdeel van deze twee geschriften iets nader In Aristotels broek, in duysterheid der rechten, te bezien. Daar we tegelijkertijd bezig waren met opvattingen van Erasmus en Augusti- In lijfghevaarlik Artsenys natuur-bevechten.! nus (voetnoot 23) aangaande de betekenis van de retorika, lag het voor de hand dat we Talloze uitspraken die van dezelfde instelling blijk geven volgen en een enkel voorbeeld voegen we hier nog aan toe. Om te beginnen: De kindse slechte luy ghemeenlik leven best. De eighenwijsheid is alleenlik onze pest.? De zegswijze: Hoe geleerder, hoe verkecrder, en: Geleerden zijn verkeerden, vinden we hier in hun oorspronkelijke betekenis?. Onmiddellijk daarop volgend: ook in dit artikel de schijnwerper richtten op dit onderdeel van het geheel, vermeerderd met opvattingen aangaande de dichters, die evenals de retoren in het tweede perk der schijngeleerdheid vertoefden, volgens Cebes, en volgens Spiegel in zijn gevolg. Op deze wijze wilden we een kleine bijdrage leveren tot kennis van een renaissance-onderstroom, die rechtstreeks indruist tegen de wellicht overheersende stroom van de renaissance-der-geleerdheid. Tegenover de zich machtig uitbreidende kennis op zo vele gebieden, niet in de laatste plaats op het terrein van ,,literaire theorie”, zien en horen wij de meestal nict minder geleerde schrijvers en dichters, voor wie deze kennis enige betekenis heeft, of althans kan hebben, maar wier aandacht toch meer gericht is op het Maar schicrrijk die alleen is wijs en welgheleerd, Die hier, Godvolgigh, alle ding ten besten kcert. Daar toe geeft schoolgeleerdheid hulp den wel bedachten rechtschapen en eerlijk leven, op de praktijk van het bestaan, op christelijke waarheid die heil en heul dient te vinden. Erasmus, Coornhert, Spiegel en vooral ook de jonge Vondel leveren in overmatige hoevcelheid daar het bewijs van. Die door haar kunst en wetenschap na wijsheid trachten: J. D. P. WARNERS Diens grond, is kennis van Goods wyze ghoedicheid, En ’s menschen onmacht dwaas: die tot ootmoedicheid (De grond van alle dueghd) u brengt... In dit citaat hoor ik dezelfde grondgedachte als bij Erasmus zo rijk geschakeerd te vinden is: wijsheid is te vinden in de imitatio Christi. Alle wijsheid is kennis aangaande Gods goedheid en menselijke onmacht. Ootmoedigheid is de grond van alle deugd. Waar ligt Belisia ? De grote voorbeelden van zulk leven en streven zijn Socrates (vs. 555), Cebes en Friedrich Wilhelm verzucht in zijn ,,Sankt Servatius oder wie das erste Reis in deutscher Zunge geimpft wurde,” [Ein Beitrag zur Kenntnis des religiösen und literarischen Lebens in Epictetus en „Een Fransman van den Bergh” die ,,het schools verstand ter zijden” Deutschland im elften und zwölften Jahrhundert. München 1910, Vorwort XV; Einleitung stelt4. XCVI, Gesta Sancti Servatii episcopi Tungrensis et Confessoris, en Sante Servatius Leben, Uit het zevende bock (vs. 117 vv.) in erasmiaanse zin: 321 S.]. op S. 137 bij $ 60, waarvan het incipit luidt:,, Abbatissa de Belisia . . .” in voetnoot d: „Den Ort kann ich nicht nachweisen”. Bedoeld is de Abdis van het vrouwenconvent te Mun- Zo dattet kettery, en dwaasheid, schijnt te horen Datmen door waarheid vry wert, of door Christ herboren. Nogmaals de schijngeleerdheid: sterbilzen. Dit is gelegen + 15 km ten westen van Maastricht. Wilhelm had de vormen Belisia e.a, kunnen vinden in het boek van Jef Cuvelicr en Camiel Huysmans: Oude en nieuwe plaatsnamen der gemeente Bilsen, Op biz. 289 staat bij het trefwoord Bilsen te lezen: Beila, Belisia, Belua, Beyla. Belysia, Bilisia, etc. Voor hedendaagse De schijn-geleerdheid, zeit zy, gheeft meer scha als baat: literatuur verwijs ik o.m. naar Albert Carnoy, Origines des noms de Communes de Belgique Maakt trots, en maakt verwaant, bestaat meest inde praat.® {y compris les noms des rivières et principaux hameaux), Louvain 1918, I, p. 73: Bilzen (Arr. Tongres) [950 Belisia]. Maurits Gysseling, Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (vóór 1226). Deel I A-M, 1960. U VI, vs. 523 vv, won biz. 144, 2de kolom, en blz. 724. Sedert cen ministerieel besluit van 1949 is de officiéle spelling in Belgié: Bilzen. VI, vs. 535 vv. VI, vs. 537 vv. Maastricht, herfst 1970 Montaigne bijv. tegen de retorika: Essays 1, 51. VI, vs. 147 vv. ! vs. 156 vv. JEF NOTERMANS