Show full text7 pages
Page 1
View in PDF(opens in a new window)RH OOSTHOUT |
Pythagoras van Samos moet onder de oudste Griekse filosofen een van de kleurrijkste en ook
en van de veelzijdigste figuren zijn geweest. In de traditie wordt hij geportretteerd als
viskundige en wonderdoener, goeroe en universeel geleerde, staatsman en mysticus. Zijn
ustorische persoonlijkheid gaat echter grotendeels schuil achter de legenden die rond zijn
;ersoon zijn geweven en achter een cultus waarin hij goddelijke status genoot.
Acht eeuwen na zijn aardse optreden vond Pythagoras een vurige pleitbezorgerin de Syrische
‚neoplatonist Jamblichus (rond 240 tot rond 325). Iamblichus pakte de zaken groots aan en
ette zich aan het schrijven van een encyclopedie die negen of tien delen moest omvatten en
aarin alle geleerdheid zou worden samengcbracht die op naam van de godmens van Samos
as overgeleverd.
“Boze tongen beweren dat lamblichus
het neoplatonisme. Hij had het werk
Enneade 5.1), en niet van vandaag,
en. weinig verheffende reden had om
van Plotinus verzameld en uitgegeven,
maar het is reeds lang geleden uitgeijkans cen levenswerk te besteden aan
het van commentaar voorzien en bosproken, zij het in bedekte termen. En
ude filosofie van Pythagoras. lamvendien een biografie van de meester
dan noemt Plotinus de antieke filosolichus schijnt namelijk korte tijdin de
geschreven. De hypothese van sommifen in wie hij zijn eigen leer voorbereid
eer te zijn geweest bij Plotinus’ medegen luidt nu, dat Jamblichus van de
of voorafschaduwd ziet: op de eerste
verker Porphyrius, maar hij zou mer
in leraar niet al te goed overweg hebweeromstuit een onderwerp heeft geplaats natuurlijk Plato, maar ook oukozen waarmee hij even goede, zo niet
dere denkers, en wel al diegenen die
gekund. Dat zou dan wellicht hebnigelegen aan het geringe verschil in
betere, sier kon maken als zijn vroege-
‘zich scharen aan de zijde van Pythagore leraar met Plotinus. De filosofie van
ras.”
ftijd tussen de beide mannen, waar-
Pythagoras kon immers door haar ho-
Plotinus was toch echter vooral veroor
de ene zich niet gemakkelijk kon
ge ouderdom als des te gezaghebbenknocht aan Plato. Van het merkwaargegen in de onderdanige rol van leerder gelden, zeker als aannemelijk kon
dige mengsel van magie en wetenschap
ling van de andere,Inderdaad zijn er in
worden gemaakt dat de grote namen
(of pseudowetenschap, zo men wil) dat
uit het verleden eigenlijk niets anders
het oorspronkelijke Pyrhagorisme moet
hadden gedaan dan te treden in Pythahebben gekenmerkt, valt bij Plotinus
goras’ voetspoor.
dan ook weinig te bespeuren. Daaren-
Minder sensationeel. maar inhoudelijk
tegen verraadt lamblichus' werk een
interessanter, is de verklaring dat lamwarme belangstelling voor religie en in
blichus’ Pythagoreische encyclopedie
het bijzonder voor theurgie of de infeitelijk niet om Pythagoras draair,
menging van bovennatuurlijke krachmaar bedoeld is als introductie tot Platen in menselijke aangelegenheden. Anto. Heeft men de Pythagoreische filotieke bronnen reppen zelfs van geruchsofie begrepen, zo zou Iamblichus hebten dat Iamblichus twee boze geesten
ben geredeneerd, dan staat de weg
zou hebben uitgedreven en dat hij zich
open tot de werken van Plato, waarin
tijdens gebed van de grond verhief. Zo
de filosofie als geheel haar bekroning
kwam de hoeder van Pythagoras’ geesvindt.
telijke nalatenschap zelf als goddelijk
De verbinding van Pythagoras en Plaman te boek te staan, een rol waarin
to was geen vondst van Jamblichus. Al
Plotinus zich blijkens de biografie van
bij Aristoreles is de opvatting te vinden
Porphyrius veel minder op zijn gemak
dat Plato voor cen belangrijk deel de
voelde.
Pythagoreische filosofie had voortge-
In de ogen van Iamblichus had Pythazet. Volgens de rweedc-ceuwse neopygoras niet alleen een diepzinnige leer
thagoreeér Numenius hield Plato het
verkondigd, maar had hij ook prachtig
midden tussen de strenge Pyrhagoras
de essentie van het filosofische leven
en de speclse Socrates: ‘gemoedelijker
verwoord:
dan de cen, maar serieuzer dan de ander.’ Ook Plotinus zag in Pythagoras
‘Pythagoras zou de eerste zijn geweest die
een wegbereider van Plato. Het is nict
zichzelf als *Filosoof” betitelde. Daarmee
nieuw wat ik beweer, zegt Plotinus (in
introduceerde hij niet alleen een nieuwe be-
Page 2
View in PDF(opens in a new window)amblichus en Pythagoras
Pythagoras van Samos moet onder de oudste Griekse filosofen een van de kleurrijkste en ook
een van de veelzijdigste figuren zijn geweest. In de traditie wordt hij geportretteerd als
wiskundige en wonderdoener, goeroe en universeel geleerde, staatsman en mysticus. Zijn
historische persoonlijkheid gaat echter grotendeels schuil achter de legenden die rond zijn
persoon zijn geweven en achter een cultus waarin hij goddelijke status genoot.
cht eeuwen na zijn aardse optreden vond Pythagoras een vurige pleitbezorger in de Syrische
eoplatonist Iamblichus (rond 240 tot rond 325). Iamblichus pakte de zaken groots aan en
_ zette zich aan het schrijven van een encyclopedie die negen of tien delen moest omvatten en
waarin alle geleerdheid zou worden samengebracht die op naam van de godmens van Samos
was overgeleverd.
Boze tongen beweren dat Iamblichus
n weinig verheffende reden had om
bijkans een levenswerk te besteden aan
le oude filosofie van Pythagoras. Iamichus schijnt namelijk korte tijd in de
er te zijn geweest bij Plotinus’ medeerker Porphyrius, maar hij zou met
ijn leraar niet al te goed overweg hebben gekund. Dat zou dan wellicht heb-
_ ben gelegen aan het geringe verschil in
leeftijd tussen de beide mannen, waardoor de ene zich niet gemakkelijk kon
egen in de onderdanige rol van leervan de andere. Inderdaad zijn er in
Tamblichus’ geschriften passages aan te
wijzen waar hij zich over de opvattingen van Porphyrius kritisch uitlaat. Nu
had Porphyrius zich al opgeworpen als
de beheerder van het geestelijke erfoed van Plotinus, de grondlegger van
het neoplatonisme. Hij had het werk
van Plotinus verzameld en uitgegeven,
het van commentaar voorzien en bovendien een biografie van de meester
geschreven. De hypothese van sommisproken, zij het in bedekte termen. En
dan noemt Plotinus de antieke filosofen in wie hij zijn eigen leer voorbereid
gen luidt nu, dat Iamblichus van de
of voorafschaduwd ziet: op de eerste
weeromstuit een onderwerp heeft gekozen waarmee hij even goede, zo niet
betere, sier kon maken als zijn vroegere leraar met Plotinus. De filosofie van
Pythagoras kon immers door haar hoge ouderdom als des te gezaghebbender gelden, zeker als aannemelijk kon
worden gemaakt dat de grote namen
uit het verleden eigenlijk niets anders
hadden gedaan dan te treden in Pythaplaats natuurlijk Plato, maar ook oudere denkers, en wel al diegenen die
‘zich scharen aan de zijde van Pythagogoras’ voetspoor.
Minder sensationeel, maar inhoudelijk
interessanter, is de verklaring dat lamblichus’ Pythagoreïsche encyclopedie
feitelijk niet om Pythagoras draait,
maar bedoeld is als introductie tot Plato. Heeft men de Pythagoreïsche filosofie begrepen, zo zou lamblichus hebras.”
Plotinus was toch echter vooral verknocht aan Plato. Van het merkwaardige mengsel van magie en wetenschap
(of pseudowetenschap, zo men wil) dat
het oorspronkelijke Pythagorisme moet
hebben gekenmerkt, valt bij Plotinus
dan ook weinig te bespeuren. Daarentegen verraadt Iamblichus’ werk een
warme belangstelling voor religie en in
het bijzonder voor theurgie of de inmenging van bovennatuurlijke krachten in menselijke aangelegenheden. Antieke bronnen reppen zelfs van geruchten dat lamblichus twee boze geesten
ben geredeneerd, dan staat de weg
open tot de werken van Plato, waarin
de filosofie als geheel haar bekroning
vindt.
zou hebben uitgedreven en dat hij zich
tijdens gebed van de grond verhief. Zo
De verbinding van Pythagoras en Plato was geen vondst van Iamblichus. Al
man te boek te staan, een rol waarin
bij Aristoteles is de opvatting te vinden
dat Plato voor een belangrijk deel de
Pythagoreïsche filosofie had voortgezet. Volgens de tweede-eeuwse neopythagoreeër Numenius hield Plato het
midden tussen de strenge Pythagoras
en de speelse Socrates: ‘gemoedelijker
dan de een, maar serieuzer dan de ander.’ Ook Plotinus zag in Pythagoras
een wegbereider van Plato. Het is niet
nieuw wat ik beweer, zegt Plotinus (in
Filosofie Jrg. 16, nr.3 juni/juli 2006
Enneade 5.1), en niet van vandaag,
maar het is reeds lang geleden uitgekwam de hoeder van Pythagoras’ geestelijke nalatenschap zelf als goddelijk
Plotinus zich blijkens de biografie van
Porphyrius veel minder op zijn gemak
voelde.
In de ogen van Jamblichus had Pythagoras niet alleen een diepzinnige leer
verkondigd, maar had hij ook prachtig
de essentie van het filosofische leven
verwoord:
‘Pythagoras zou de eerste zijn geweest die
zichzelf als “filosoof” betitelde. Daarmee
introduceerde hij niet alleen een nieuwe be-
Page 3
View in PDF(opens in a new window)naming, maar gaf hij al meteen een nuttige
mand betwijfelen,’ schrijft Iamblichus
naar een onveranderlijk en eeuwig
les over iets dat hem na stond. Want, zei
elders in dit werk.
hij, de opkomst van de mens in het leven
Of Pythagoras inderdaad als eerste de
lijkt op de menigte die bij een festival samendromt. Daar arriveren namelijk bezoekers van allerlei slag, ieder met zijn eigen
term ‘filosoof in de mond nam, is niet
met zekerheid uit te maken. Heraclitus
van Efese, een generatie jonger dan Py-
‘zijn’ achter de wording, naar eeuwige
vormen achter de steeds van vorm wisselende materie, en zijn betiteling van
bedoeling. De een is gekomen om zo snel
mogelijk zijn waren met financieel gewin af
man van Samos wel van alles had onte zetten, de ander om zich met een demonderzocht, maar dat zijn filosofie toch
stratie van zijn lichaamskracht een reputaniet meer was dan ‘veelweterij en gepruts’, en veelweterij, sneert Heraclitus, is geen teken van intellect. Zonder
Heraclitus’ sarcastische ondertoon was
tie te verwerven. En dan is er nog een derde soort, en wel de meest vrije, van degenen
die samenkomen om plaatsen en fraaie
kunstwerken te bezichtigen en de verrichtingen en voordrachten van hoog niveau bij
te wonen waarvan op festivals gewoonlijk
demonstraties worden gegeven. Precies zo
zouden zich ook in het leven mensen met
allerlei interesses op dezelfde plaats verzamelen. Sommigen zijn in de greep van geld
en luxe, anderen in de ban van het verlangen om te regeren en te commanderen en
van een razende ambitie. Maar het puurst
is het type mens dat openstaat voor beschouwing van het allermooiste, en dat type noemde hij dan ook “filosoof”.
thagoras, beweerde smalend dat de
filosofie aanvankelijk eenvoudig ‘weetgierigheid’ en later ook wel ‘studie’ of
‘wetenschap’. In de vijfde en de vierde
eeuw v. Chr. hadden degenen die wij
nu filosofen noemen ook niet het alleenrecht op deze term. Toen iemand
de cynicus Antisthenes vroeg, aan wie
hij de opleiding van zijn zoon moest
toevertrouwen, antwoordde deze: “Wil
hij onder goden leven, aan een filosoof,
maar onder mensen, dan aan een redenaar.’ Toch noemde een van de groten
onder de Attische redenaars, Isocrates,
aanschouwen en om de regelmaat te bezijn eigen kunst juist ‘filosofie (dus studie of wetenschap) van het woord.’ En
speuren van de sterren die zich aan de hewaar hielden de zelfbenoemde filosomel bewegen. Die schoonheid echter berust
op deelname aan het eerste en het intellechoort men niet als filosofie te betitelen
Welnu, mooi is het om de totale hemel te
tuele. Het “eerste”, dat is de natuur van de
getallen en verhoudingen die alle dingen
doordringt en op grond waarvan alles harmonisch is gerangschikt en passend geordend. En wijsheid is een echte wetenschap
die zich bezighoudt met het schone, het eerste, goddelijke en onvermengde dat altijd
hetzelfde is en in dezelfde toestand verkeert,
“filosofie” daarentegen het streven naar een
dergelijke beschouwing. Mooi is dus ook
fen zich dan bezig? ‘Volgens mij bewat ons hier en nu bij het spreken
evenmin profijt oplevert als bij onze
acties. Zo’n tijdverdrijf noem ik liever
denksport.” Aldus Isocrates over de
theoretische en in zijn ogen wereldvreemde filosofen met wie hij concurreerde als aanbieder van voortgezet onderwijs aan de Atheense jeugd.
Voor Plato, Isocrates’ belangrijkste tedie bekommernis om een ontwikkeling die
in zijn ogen strekt tot het herstel van de
genstrever, strekt de filosofie nu juist
niet op de eerste plaats tot nut in de
besognes van het dagelijkse leven. Zomens.’
als het in Plato’s Staat wordt gezegd,
Aldus lamblichus in Het Pythagoreische leven, het openingsdeel van zijn
encyclopedie, dat niet zozeer een biografie van de meester is als wel een
schets van het ideale filosofenbestaan
zoals Pythagoras dat in zijn lessen en
in zijn eigen levenshouding zou hebben
uitgedragen. Het Pythagoreische leven
is ook wel een evangelie genoemd: een
evangelie waarin Pythagoras als goddelijke gezant onder de mensen is gekomen, ‘want dat de psyche van Pythazijn filosofen immers: ‘degenen die in
contact kunnen treden met wat altijd
hetzelfde is en in dezelfde toestand verkeert; wie dat niet kan en verloren
raakt temidden van de veelheid van
veelsoortige dingen, is geen filosoof.”
Van wat ontstaat en vergaat en daartussenin onafgebroken verandert, is
geen ware kennis mogelijk, hoogstens
een min of meer juiste mening, had
Parmenides van Elea verkondigd.
Maar zo is juist heel de wereld, had
de filosofie als de wetenschap omtrent
wat onvergankelijk en zichzelf steeds
gelijk is.
Aristoteles beschouwde Plato’s zoektocht naar zo’n ideaal object van ware
kennis als een dwaaltocht. Kennis,
meende Aristoteles, moeten wij toch
voornamelijk winnen uit de wording,
uit de individuele waarneembare dingen die wij aan een natuurkundig onderzoek onderwerpen. Als Aristoteles
toch een bevrijding zoekt uit het vluchtige, alledaagse en al te menselijke, dan
grijpt ook hij naar filosofie, maar hij
zoekt de waarde daarvan op de eerste
plaats in de filosofie zelf. Filosoferen is
de meest pure activiteit die de mens
kan ontplooien, de activiteit die de
mens tot mens maakt. In zijn Nicomachische ethiek zingt Aristoteles de lof
van een contemplatief bestaan dat niet
alleen kennis maar ook het hoogste genot brengt, dat zichzelf genoeg is en
zijn doel in zichzelf heeft. Door te filosoferen en ons in alles op het intellect
te baseren, aldus Aristoteles, kunnen
wij in weerwil van onze vergankelijkheid een welhaast goddelijk leven in
volmaakt welbevinden leiden.
In neoplatoonse ogen was de Aristotelische verheerlijking van de filosofie
om het filosoferen zelf heel goed te verenigen met de opvatting dat ware filosofie ons in contact brengt met een hogere realiteit. Aan het begin van zijn
verhandeling Over schouwing (Enneade 3.8) wijst Plotinus Aristoteles
schertsend terecht, omdat deze strenge
denker filosofie als een hoogst serieuze
bezigheid beschouwde:
‘Laten we, voordat we ons onderwerp serieus gaan aanpakken, de zaak eerst eens van
een speelse kant bekijken. Als we zouden
beweren dat alle dingen streven naar beschouwing en dat ze de beschouwing tot
doel hebben: niet alleen denkende wezens,
maar ook dieren, en plantaardige levensvormen, en de aarde waaruit ze groeien; ja, dat
alle dingen eigenlijk schouwen, voorzover
ze op grond van hun aard daartoe in staat
zijn, ieder ding op zijn eigen wijze, en dat
Heraclitus geriposteerd: ‘Alles stroomt’
sommige dingen de werkelijkheid beschougoras onder aanvoering van Apollo,
in een voortdurende ‘oorlog’ van tewen, terwijl andere niet verder komen dan
hetzij als diens begeleider, hetzij in een
gengestelden die ‘leven van de dood
andere, nog nauwere band, naar de
mensen is neergezonden, zal wel nievan de een en sterven aan het leven van
de ander.’ Vandaar Plato’s zoektocht
een nabootsing en een afbeelding daarvan
— zou iemand dan met deze zonderlinge uitspraak kunnen instemmen?
Page 4
View in PDF(opens in a new window)— Zolang die redenering onder ons blijft,
kunnen we ons wel een grapje voor insiders
veroorloven. En wij, schouwen wij dan op
volgens Plotinus eigenlijk niet eens kan
zeggen dat het bestaat, want in dat geval zou het zowel ‘één’ zijn als ‘bestaan’, en dus niet meer volstrekt ongegegeven, de oerdifferentiatie, de eerste
tweedeling in object en subject, in iets
dat werkelijk bestaat en iets dat het bedifferentieerd zijn. En om dezelfde restaande denkt. Het intellect denkt en
omvat de bestaande dingen, dus het
den zal het ook niet denken of gedacht
denkt zichzelf, maar het moet ook
worden en zal het niet leven, al is het
steeds de blik gericht houden op zijn
dit moment ook, terwijl we zo aan het spelen zijn?
— Ja, wij ook, en iedereen die speelt, doet
dat. Men speelt om te schouwen. Kind of
volwassene, spelend of serieus, iedereen
de onuitputtelijke bron van alle denken
oorsprong, het ene, om zich niet in einstreeft in spel of in ernst naar beschouwing.
en leven, van alle dingen, materieel en
deloze deling en differentiatie te verlie-
Iedere activiteit is gericht op beschouwing,
immaterieel.
Het neoplatoonse ‘ene’ valt ten lange leste wel terug te voeren op het
Pythagoreeérdom, maar dit begrip
moest wel een lange en diverse ontwikkeling doormaken, voordat Plozen. Zoals echter het neoplatoonse ene
niet alleen levensnoodzakelijke handelingen
die de beschouwing meer op de wereld om
ons heen betrekken, maar ook activiteiten
die we vrijwillig noemen en die niet zozeer
op de buitenwereld zijn gericht, maar niettemin streven naar beschouwing.”
Waartoe deze universele drang tot beschouwen die alles, levende wezens zowel als levenloze voorwerpen, eigen is?
Plato had in zijn dialoog Theaitetus het
doel van de filosofie beschreven als:
‘overeenkomen met god,’ en hij had
dat praktisch verklaard als: ‘zich op intelligente wijze houden aan de menselijke en goddelijke wetten’. En in Plato’s Staat wordt het moeizame streven
naar ware kennis geïllustreerd met de
grotbewoner die zijn leven lang slechts
schaduwen heeft gezien. Eenmaal naar
buiten gebracht wordt hij door het
zonlicht verblind en is hij lange tijd
niet in staat om de echte dingen te bespeuren.
Wat bij Plato nog kan worden uitgelegd als een praktische aanwijzing hoe
te leven, neemt bij Plotinus de vorm
aan van een metafysische, of zo men
wil, mystieke eenwording tussen de filosoferende psyche en haar oorsprong
in een hogere realiteit. Hebben wij het
doel van de beschouwing en van de filosofie werkelijk bereikt, dan zijn wij
niet langer een ding tussen vele andere,
gebonden aan de materie, ja, dan zijn
wij zelfs niet langer een levend wezen,
tinus het tot de alfa en omega van
zijn metafysica kon verheffen. Oorspronkelijk maakte de één onderdeel
uit van een reeks van basistegenstellingen waarmee de Pythagoreeërs de
te ordenen: grens — onbegrensd, onwen, maar wat het ziet is noodzakelijeven — even, één — veel, rechts — links,
kerwijs een veelheid. Op de eenwording volgt dus steeds de afdaling, van
het puur intellectuele en statische
mannelijk — vrouwelijk, enzovoort.
Maar ‘één’ was natuurlijk ook het
getal 1, ofwel het eerste in de reeks
van de natuurlijke getallen die bij de
Pythagoreeërs zo’n grote rol speelden: “Want de hele kosmos trekken
zij op uit getallen,’ meldt Aristoteles.
Plato wijdde in zijn dialoog Parmenides een subtiele discussie aan de vraag
of de één wel of niet bestaat. Als de
en zal de eenheid zo niet onmiddellijk
mijne is. De hoogste vorm van leven is mijn
worden vernietigd? Maar Plato zou
ook in een nooit gepubliceerde leer de
eigenschaps- en soortbegrippen waarmee hij al het bestaande wilde indelen
en verklaren — begrippen als ‘goedactiviteit en ben ik tot die activiteit gekoheid’, ‘schoonheid’, ‘mens’, ‘levend wekelijk niet, waarom ik nu dan eigenlijk afdaal én hoe mijn psyche ooit binnen in een
geassocieerd met, of afgeleid uit, getallen. Daarbij speelde de ‘één’ een bijzondere rol, niet alleen als oorsprong
als zij mij, in een lichaam nog wel, verscheen.”
tweedeling waaraan soortbegrippen
kunnen worden onderworpen (bijvoorbeeld levende wezens in land- en waferentiatie, een volstrekte eenheid. Het
is de ‘één’ of ‘het ene’, waarvan men
16
Filosofie Jrg. 16, nr.3 juni/juli 2006
men, dan val ik samen met het goddelijke
en zetel ik daarin, boven al het intellectuele.
Na dat verblijf in het goddelijke daal ik van
intellect af naar redenering en weet ik werzen’ — in Pythagoreïsche trant hebben
dat ook dat daarginds niet beweegt. Zij is
‘Dat daarginds’ is iets zonder enige difvensfuncties, van de psyche naar het lichaam. Plotinus (Enneade 4.8):
twee dingen, namelijk eenheid en zijn,
één bestaat, zijn er dan niet feitelijk
zer van de op zichzelf onbegrensde
men. En dat daarginds denkt zelfs niet, dat
het zelfs niet denkt.’
schouwen naar de dynamische redenering, van het intellect naar de lagere le-
‘Dikwijls ontwaak ik tot mijzelf uit het lichaam en geraak ik buiten al het andere en
binnen mijzelf. Ik zie een verbazingwekkend grote schoonheid en vooral dan weet
ik zeker dat een superieure bestemming de
‘Daarom beweegt de psyche dan niet, ommoet immers met dat daarginds overeenkohet intellect is er geen psyche meer. En
het intellect kan evenmin volledig in
verschijnselen in de wereld poogden
en element van de hele reeks van natuurlijke getallen, maar ook als begrenven het leven uitstijgt. Evenmin is zij intellect, omdat dat daarginds niet denkt. Zij
lect en het intellect streeft terug naar
het ene. Maar als de psyche opgaat in
het ene opgaan, omdat de tweedeling
tussen subject en object voor het intellect een onvermijdelijk gegeven is. Het
intellect verlangt het ene te aanschoumens, intellect (Enneade 6.7):
in feite geen psyche [“levenskracht”], omdat dat daarginds evenmin leeft maar boeen paradoxaal begrip is, zo is de terugkeer naar het ene dat evenzeer. De
psyche streeft terug naar het pure intelterbewoners, landbewoners in gevleugelden en ongevleugelden, enzovoort).
De onbegrensde twee en zijn begrenzende tegenhanger hervatten hun spel
in de verhouding tussen het Plotiniaanse ene en het intellect dat onmiddellijk
onder het ene staat. Het intellect vertegenwoordigt de eerste realisatie van de
oneindige potentie die met het ene is
lichaam is geraakt, als zij op zichzelf is zo-
Op deze afdaling in het lichaam hadden oude filosofen al wel gezinspeeld.
Plotinus citeert Heraclitus, als altijd
cryptisch en bondig: ‘De weg omhoog
en omlaag, één en dezelfde.” En Empedocles van het Sicilische Acragas
schreef in de vijfde eeuw v. Chr. niet
minder raadselachtig: ‘Een balling van
godswege ben ik en een doler.” Maar
van de filosofen vóór Plato waren het
de Pythagoreeërs geweest die Plotinus’
verwonderde vraag naar het waarom
van de afdaling in begrijpelijker termen
hadden beantwoord. De volgende uit-
Page 5
View in PDF(opens in a new window)spraak wordt door de christelijke kerkvader Clemens van Alexandrië in de
chaam en in haar oorspronkelijke staat
worden hersteld.
mond gelegd van de Pythagoreeër Philolaus, tijdgenoot van Socrates:
Nu was aan het begin van onze jaartelling een filosofisch-religieuze stroming
opgekomen waarin het thema van de
‘Ook de godgeleerden en waarzeggers van
eertijds getuigen, dat om reden van zekere
vergeldingen de psyche met het lichaam onder één juk is gebracht en dat zij in het lichaam is bijgezet als in een graf.’
‘Van eertijds’ wordt gewoonlijk uitgelegd als een verwijzing naar de Orfiek,
een religieuze stroming die zich op de
mythologische zanger Orpheus als
haar stichter beriep. In Plato’s Cratylus schrijft Socrates het motief van het
lichaam als graf en plaats voor uitboeting van wandaden uitdrukkelijk aan
de aanhangers van deze stroming toe.
De Orfici spraken van een ‘graf’ (sering tot filosofie genaamd, formuleert
kelijk het openingsdeel van een lange-
Jamblichus het zo:
re verhandeling, waarvan het slot in de
uitgave van Porphyrius de titel Tegen
de gnostici (Enneade 2.9) kreeg. Deze
punten van hun handelingen zijn en dat ze
gnostici dreven de tegenstelling tussen
het aardse ballingsoord en het ware
goras zegt dus niets anders dan dit: dat wij
De leer van de Pythagoreeërs en de Orfische traditie vloeiden in menig op-
De gnostici schilderden de afdaling van
de psyche als een kosmisch drama en
zij bedienden zich daarbij van een heel
beeldende taal. Voor die beelden waren zij echter tenminste deels schatplichtig aan de Pythagoreeërs. Het
hoeft daarom ook weer niet te verbamythische stichter; de eerste Pythagoreeërs vormden een leefgemeenschap
met strenge regels rond een historische
persoon. Pythagoras zelf was omstreeks 530 v. Chr. van zijn geboorte-eiland Samos geëmigreerd naar Zuid-Italié, waar hij in de stad Croton een religieuze gemeenschap had gesticht. De
uit zichzelf de macht hebben om persoonlijk het goede te kiezen en het kwade te mijspits, dat het goddelijke in de materiëniettemin een beeld van de eeuwigheid.
zicht in elkaar over. De Orfiek was een
ascetische religieuze beweging met een
Gegeven immers dat mensen de uitgangsle kosmos geen plaats meer had en het
aardse leven nog slechts werd beheerst
“worden gered’ (soizesthai).
ven’ (semainein), en ‘lichaam’ (soma)
de deel van de encyclopedie, Aanspoden, dan zal degene die niet van die macht
gebruik maakt de door de natuur aan hem
thuisland van de psyche zo op het
is de plaats waaruit de psyche moet
de psyche alleen door middel van het
lichaam in staat is iets ‘te kennen te gethagoras heeft gegeven. In een van de
meer bevlogen passages uit het tweeafdaling een veel grimmiger klank
kreeg. Het eerder geciteerde traktaat
van Plotinus Over schouwing was volgens moderne onderzoekers oorsprondoor kwaad, duisternis en dood. Tegen
zo’n uitleg van de afdaling moest Plotinus zich fel verzetten, trouw als hij
was aan de klassieke Griekse opvatting
van de kosmos als een ordelijk geheel
en aan Plato’s beschrijving van de tijdelijke wereld als onvolmaakt maar
ma), zo etymologiseert Socrates, omdat
Wij kunnen in het aardse bestaan geluk en welvaren vinden, mits wij ons
laten inwijden in de Pythagoreïsche
wetenschap en wij ons leven inrichten
overeenkomstig de richtlijnen die Pyzen, als Plotinus elders, bijvoorbeeld in
de openingsregels van Enneade 5.1, de
gnostisch gekleurde terminologie onbeschroomd overneemt:
verleende voordelen onwaardig zijn. Pythahet zijn die onze demon kiezen, dat wijzelf
voor onszelf de rang bekleden van lot en
demon, en dat wijzelf de voorwaarden voor
ons eigen welvaren scheppen. Dat is een
aansporing tot het enige schone en het laat
zien dat de waarde daarvan om zichzelf te
prefereren is.
De Pythagoreeérs preekten een leer,
een wetenschap van de kosmos, maar
zij propageerden ook een levenswijze.
Tussen deze beide aspecten van de Pythagoreïsche denkwereld, het wetenschappelijke en het ethisch-sociale, bestond een innige band, die zich in twee
sleutelwoorden laat uitdrukken: harmonie en vriendschap. Iamblichus in
Het Pythagoreische leven:
persoonlijke bezittingen en moesten
zich dagelijks rekenschap geven van
wat zij gedaan, misdaan en verzuimd
vergeten en dat zij, hoewel delen van hem
en geheel aan hem toebehorend, zowel zichhadden. Voor nieuwe leden gold een
proeftijd van drie jaar en daarna nog
zelf als hem niet kennen? Wel, de oorsprong van hun ellende lag in hun over-
“Vriendschap van allen jegens allen: van goden jegens mensen door eerbied en wetenschappelijke verering; van leerstellingen onderling; van de psyche als geheel jegens het
lichaam en van haar redelijke deel jegens de
redeloze aspecten door filosofie en daarop
gebaseerde beschouwing; van mensen jeeens een zwijgplicht van vijf jaar om
moed en in de wording, in het eerste angens elkaar: onder burgers door een gezond
hun zelfbeheersing te bewijzen. In deze periode mochten de novicen Pythaders-zijn en in de wens om zichzelf toe te
behoren. Toen eenmaal was gebleken hoeschillende stammen door een juiste natuurgoras niet zien en volgden zij de colleveel plezier zij beleefden aan hun eigenges van de meester vanachter een gormachtigheid, maakten zij overvloedig gebruik van hun zelfstandige beweging. Ze
vlogen de andere kant op, schiepen een geleden leefden eenvoudig, hadden geen
dijn.
Aan de Orfici ontleenden de Pythagoreeërs waarschijnlijk de gedachte dat
de mens alleen door inwijding in zeke-
“Wat heeft er toch eigenlijk voor gezorgd
dat de psyches hun goddelijke vader zijn
kennis, van de man jegens zijn vrouw, kinderen, broers en zusters en huisgenoten
door onbedorven relaties, kortom van allen
jegens allen; en bovendien een vorm van
weldige afstand en wisten niet eens dat zijzelf van hem afkomstig waren.
vriendschap onder redeloze levende wezens
Iamblichus blijft in zijn encyclopedie
trouw aan het Orfisch-Pythagoreïsche
chaam op zichzelf vredestichting en verzoening tussen de tegengestelde vermogens die
daarin schuil gaan door gezondheid en een
door gerechtigheid, natuurlijke vervlochtenheid en gemeenschap; en in het sterfelijke lire verborgen kennis tot de waarheid
omtrent zijn eigen natuur kan komen.
in acht houden van de wetten, tussen ver-
De mens is van goddelijke afkomst en
bestemd om tot het gezelschap der gowereldbeeld. Volgens de Pythagoden terug te keren. Wordt de mens zich
hiervan bewust, dan kan zijn psyche
reeërs hoeft de psyche zich in het lichaam niet louter als een gevangene,
ontsnappen aan de boeien van het lieen verloren vreemdeling, te voelen.
daarop gerichte levenswijze en soberheid als
imitatie van de voorspoed in de kosmische
elementen.”
Page 6
View in PDF(opens in a new window)Voor de verklaring van deze kosmische
elementen namen de Pythagoreeërs
hun toevlucht tot wiskunde. De reden
daarvoor geeft Porphyrius, dezelfde
met wie Iamblichus als leerling een
moeizame verhouding zou hebben ge-
‘geeft de psyche ogen en zuivert het intellect
van de verblinding die het gevolg is van anhad en die in zijn jonge jaren nog een
Op moderne lezers maakt de Pythagobiografie van Pythagoras had geschreven:
reïsche getallensymboliek een tamelijk
‘Omdat de Pythagoreeérs niet bij machte
waren de onstoffelijke vormen en de eerste
beginselen in woorden over te dragen, kwadere bezigheden, zodat het de werkelijke
beginselen en redenen van het geheel der
dingen kan bespeuren.’
worden opgevat (“Onthoud je van boonnozele indruk. Zo zou 7 voor de Pythagoreeërs het getal achter het beslissende moment of keerpunt zijn ge-
“Stap niet over een weegschaal heen.’
mens steeds een veelvoud van zeven
Juist omdat de ware betekenis ervan
voor buitenstaanders verborgen bleef,
stonden dergelijke spreuken bekend als
de Pythagoreïsche ‘wachtwoorden’.
In Aansporing tot filosofie, het tweede
deel van de Pythagoreïsche encyclopedie, staat lamblichus uitvoerig bij deze
identiteit en gelijkheid, voor de oorzaak van
het meeademen en meevoelen van het al en
voor het huwelijk, omdat het de vervoor het behoud van wat hetzelfde is en in
dezelfde toestand verkeert.”
eniging zou zijn van 2 en 3, of even
(het vrouwelijke) en oneven (het mannelijke).
Volgens Iamblichus was Pythagoras op
De Pythagoreeërs zouden echter ook
hebben geconcludeerd dat bepaalde
natuurverschijnselen zich laten beschrijven als verhoudingen van gehele
dit spoor gezet door een uitspraak van
Orpheus:
‘Het eeuwige wezen van het getal is het alvoorzienige beginsel van de gehele hemel en
aarde en van de natuur die zich daartussen
bevindt, en het is ook de wortel van het
voortbestaan van goddelijke mensen, goden
en demonen.’
De studie van het getal gold bij de Pythagoreeérs als de studie (mathema) bij
uitstek, zoals ook het Nederlandse
‘wiskunde’ eigenlijk niets anders betekent dan ‘weetkunde’. De Pythagoreeërs verdeelden deze studie in vieren.
Allereerst onderscheidden zij de wetenschap van hoeveelheden van die van
grootten of afmetingen. De rekenkunde bestudeert welbepaalde hoeveelheden op zichzelf, de harmonie- of muziekleer diezelfde hoeveelheden in hun
onderlinge verhoudingen. Ook de afmetingen van de dingen werden in
twee disciplines onderzocht: de meetkunde voor objecten in rust en de astronomie voor objecten in beweging.
nen’), maar al in de tijd van Plato circuleerde er volgens antieke bronnen
een explicatie van de diepere zin die
zou schuilgaan achter soms mysterieuze regels als: ‘Splijt onderweg niet,’ en:
weest, omdat de levensfasen van de
jaar zouden beslaan. Het getal van de
gerechtigheid was ‘een gelijk aantal
malen het gelijke’ (een kwadraat), namelijk ofwel 4, ofwel 9. En 5 stond
men zij ertoe om ze door getallen te verduidelijken. En zo werd ‘één’ bij hen de aanduiding voor de verhouding van eenheid,
mooist? — Harmonie.’ Bovendien vernamen zij voorschriften over wat te
doen en te laten.
Sommige van deze voorschriften dienden misschien als taboes letterlijk te
wachtwoorden stil. Hij doet dat in het
laatste hoofdstuk, dat daarmee een logische overgang vormt naar de delen
die gewijd zijn aan de Pythagoreïsche
wiskunde. Men moest immers het stadium van toehoorder achter zich hebgetallen. Een zekere Timaeus uit Zuidben gelaten, voordat men kon worden
Italië — de geografische associatie met
de school van Pythagoras ligt voor de
hand — herleidt in Plato’s gelijknamige
dialoog de afstanden tussen de hemellichamen tot de verhoudingen van muzikale intervallen of harmonieën. Langs
deze weg zouden de Pythagoreeërs
ingewijd in de wiskunde die alleen
hun, zoals Aristoteles het noemt, ‘spitsvondige en buitenissige’ theorie hebben
ontwikkeld van de harmonie der sferen: de samenklank van de geluiden die
de afzonderlijke hemellichamen bij hun
omlopen produceren.
Harmonie lag volgens de Pythagoreeërs dus ten grondslag aan de kosmos en de vriendschap die Pythagoras
zo hoog aansloeg is dan niets anders
dan een afspiegeling van deze natuurwet in de sociale orde.
Nu waren de wetenschappelijke finesses van de Pythagoreïsche leer kennelijk niet voor ieder even gemakkelijk te
voor de ijverigste en intelligentste studenten was weggelegd.
Het staat voor Iamblichus buiten kijf
dat de wachtwoorden zonder uitzondering moeten worden uitgelegd met
het oog op deze hogere wijsheid. Elk
wachtwoord is in zichzelf een aansporing tot filosofie, een oproep om de
studie van de Pythagoreische wetenschap serieus en consequent ter hand te
nemen. Anderen hadden aan de wachtwoorden eerder een praktische betekenis gehecht en ze begrepen als richtlijnen voor de correctie van bepaalde ongewenste gewoonten en gedragingen.
In het verbod om over een weegschaal
te stappen las Porphyrius bijvoorbeeld
een oproep om niet arrogant te zijn.
Daarentegen Iamblichus:
bevatten. Iamblichus bericht dat Pytha-
“Niet over een weegschaal heenstappen,”
is een aanmoediging om recht te doen en
Dit zijn juist de vier vakken die Plato
goras zijn leerlingen op grond van hun
buitengewone waarde te hechten aan gelijkin het zevende boek van zijn Staat als
onontbeerlijk beschouwt voor de vorcapaciteiten in twee groepen indeelde.
Leden van de ene groep stonden bekend als ‘Pythagoreeérs’ in de volle zin
heid en maat en om rechtvaardigheid te
herkennen als de meest volmaakte vorm
van perfectie, want de andere vormen vullen haar aan maar zijn zonder haar van
geen waarde. Men moet haar kennen, niet
terloops, maar door beschouwingen en weming van de filosoof. De wiskunde is
immers bij uitstek de wetenschap die
zich losmaakt van het individuele en
het waarneembare en van de onnauwkeurigheid en het ‘ongeveer’ dat de
stoffelijke dingen lijkt aan te kleven.
De wiskunde, zegt ook Iamblichus:
18
Filosofie Jrg. 16, nr.3 juni/juli 2006
des woords of ‘wiskundigen’; die van
de andere heetten ‘Pythagoristen’ of
‘toehoorders’. Wat de toehoorders als
een catechismus van ‘goddelijke leerstellingen’ moesten onthouden, waren
vragen en antwoorden van het type:
“Wat zijn de eilanden der gelukzaligen?
— Zon en maan,’ en: ‘Wat is het
tenschappelijk bewijs. En haar kennen is de
taak van geen andere vaardigheid of wetenschap dan enkel de filosofie volgens Pythagoras, die aan de wiskunde met uitsluiting
van andere studies de voorkeur geeft.”
Page 7
View in PDF(opens in a new window)Diepzinnig is ook Iamblichus’ uitleg
van de cryptische opdracht: ‘Splijt onderweg niet.’ Volgens andere auteurs
bedoelden de oude Pythagoreeërs dat
men het leven niet mocht afbreken, ofwel, dat zelfmoord uit ten boze was.
Iamblichus bedenkt echter twee heel
andere verklaringen:
bijvoorbeeld zijn ingegeven omdat de
stengels van dit gewas geen knopen
hadden. Psyches van gestorvenen zouden daardoor snel en gemakkelijk vanuit de onderwereld in de plant kunnen
reïncarneren. Zulke psyches gaven
door hun haast echter blijk van een al
de waarheid één is, maar de onwaarheid gete sterke gehechtheid aan het aardse leven. Andere verklaringen reppen van
de moeilijke verteerbaarheid van bonen of van de gelijkenis tussen bonen
spleten. Dat blijkt uit het feit dat er, althans
en testikels. Pythagoras zelf zou volwanneer men zich correct uitdrukt, telkens
maar één manier is om een waarheid te zeggens Porphyrius hebben gezegd dat bij
““Splijt onderweg niet,” maakt duidelijk dat
het ontstaan van het universum bonen
en mensen uit dezelfde rottende mategen, maar telkens een onbegrensd aantal
manieren om dat niet te doen. De filosofie
rie ontkiemden. Als bewijs hiervoor
lijkt in feite op een weg. De bedoeling is
zou Pythagoras hebben aangevoerd,
dan: kies die filosofie en die weg naar de
wijsheid, waarop je niet zult ‘splijten’, dat
wil zeggen, waarbij je niet tot tegenstrijdige opinies zult komen, maar tot opvattingen die standhouden en zichzelf niet tegenspreken, omdat ze door middel van wiskunde en beschouwing met wetenschappelijk
bewijs zijn onderbouwd. Met andere woorden: filosofeer als een Pythagoreeër.
Er is ook een andere uitleg mogelijk. De filosofie die door het lichamelijke en waarneembare gaat (daarvan maakt de nieuwere generatie tot vervelens toe gebruik; zij
meent dat god, kwaliteiten, de psyche, vormen van perfectie, kortom alle oorzaken in
het bestaande in de meest eigenlijke zin lichamelijk van aard zijn) is namelijk glibberig en gemakkelijk te weerleggen. De buitengewoon bonte pogingen van diegenen
die menen dat ze op dit terrein iets zinnigs
te zeggen hebben, maken dat wel duidelijk.
De filosofie echter die wordt bedreven door
middel van het onlichamelijke en intellectudat een geplette boon die een tijd in de
zon heeft gelegen naar menselijk zaad
ruikt. Stopte men de bloesem van de
bonenplant onder de aarde, dan zou
zich daaruit na negentig dagen ofwel
een kinderhoofdje ofwel een vrouwelijk geslachtsdeel vormen. Volgens de
Latijnse auteur Aulus Gellius is er sprake van een woordspeling waarbij de
bonen (kuamoi in het Grieks) staan
voor testikels, omdat die zwangerschap
(kuein) veroorzaken. Het verbod op
het eten van bonen zou in dat geval
een oproep tot seksuele matiging inhouden. Niets van dit alles bij Iambaar en stabiel, bouwer van gefundeerd en
evenwichtig bewijs. Het voorschrift adviseert ons dus om, telkens wanneer wij filosoferen en de aangegeven weg afleggen, de
inval en de acceptatie van het lichamelijke
en vele malen gespletene te ontvluchten en
ons vertrouwd te maken met het wezen van
de dingen die op geen enkel moment aan
zichzelf ongelijk kunnen zijn door de waarheid en onfeilbaarheid die van nature erin
herhaalde onderbreking is de zwaluw gebruikt, omdat die een deel van het jaar bij
ons verkeert en als het ware voor een korte
periode onze gast is, maar zich de meeste
tijd op een afstand houdt en zich niet aan
ons laat zien.’
Het Pythagoreische leven en Aansporing tot filosofie zijn geen metafysische
verhandelingen zoals de Plotiniaanse
Enneaden dat zijn, maar gids en leidraad tot een filosofische vorming die
de ideale menselijke levenswijze in het
vooruitzicht stelt. De hoogste menselijke perfectie, zo besluit Iamblichus Het
Pythagoreische leven, is de vriendschap
die ons ervoor behoedt om ‘de god in
onszelf aan stukken te scheuren.’ Heel
die vriendschap moet ‘in woord en
daad’ erop zijn gericht om de psyche
‘met god te verenigen en deel te laten
hebben aan het intellect’. Want ‘iets
mooiers dan dat zal wel niemand kunnen vinden, niet om in woorden uit te
drukken en niet om in daden te praktiseren.’ Zo stelt Iamblichus het Pythagoreïsche vriendschapsideaal uiteindelijk toch in het licht van een bij uitstek
neoplatoons thema, namelijk de omblichus, die, tegen zijn gewone breedsprakigheid, met een korte explicatie
mekeer van lichamelijkheid naar intellect, van het actieve naar het beschouwende leven, van verstrooiing naar
volstaat:
eenheid.
‘“Onthoud je van bonen” is een raad om
Henri Oosthout
op te passen voor alles wat de omgang met
goden en de goddelijke voorspellingskunst
kan bederven.”
ele, het onstoffelijke en eeuwige, ‘wat altijd
identiek en hetzelfde is’ en uit zichzelf nooit
vernietiging en verandering toelaat, die filosofie is evenals haar onderwerpen onfeilaan wiskunde die er onderdeel van uitmaakt. Als metafoor voor nonchalance en
Dr. H. Oosthout publiceert op het gebied
van de antieke wijsbegeerte, de filosofie
der natuurwetenschappen en de metafysica. Van zijn hand verschenen onder andere Modes of Knowledge and the
Aardig is tenslotte Iamblichus’ toelichting op het Pythagoreïsche verbod om
een zwaluw onderdak te verlenen. Porphyrius zegt hierover: ‘Niet onder een
dak verblijven met babbelzieke lieden
Transcendental (1991), Boethii De arithmetica (1999) en Tijd, getal, bewustzijn;
die hun tong niet in bedwang kunnen
het spel van eenheid en veelheid van
houden.” Volgens Iamblichus had Pythagoras echter iets anders dan het gekwetter van dit gevederde dier op het
oog:
Herakleitos tot Hawking (2003). Ook
verzorgde hij geannoteerde vertalingen
van werk van Aristoteles (de boeken M
en N van de Metaphysica), Iamblichus
(Protrepticus) en Francis Bacon (Novum
organum).
‘“Neem geen zwaluw in je huis op,” geeft
de raad: laat geen nonchalante scholieren,
aanwezig zijn.’
geen leerlingen die er niet van houden om
zich onafgebroken in te spannen en wie het
Een van de bekendste Pythagoreïsche
leefregels is het verbod op het eten van
bonen. Antieke commentatoren hebben zich door deze regel tot wilde speculaties laten verleiden. Het taboe zou
aan standvastigheid ontbreekt, tot je leerstellingen toe, want zij vereisen voortdurende en tot het uiterste gespannen aandacht
en uithoudingsvermogen door de afwisseling en complexiteit van de verscheidenheid