In de tempel

Author
Schure, E.
Published in
De Priesteres van Isis
Subject
ISIS
Language
Nederlands
Category
C12 Religion
Archive number
5282

Open PDF(opens in a new window)

Show full text7 pages

Page 1

View in PDF(opens in a new window)
WW OE PALESS ERES VEN SS TIENDE HOOFDSTUK IN DE TEMPEL Marcus Helvidius behoorde tot die zeldzame soort van menschen, die aan de vereering der hoogste waarheden een krachtige behoefte aan de daad paren en zich eerst dan in hun gedachte verlustigen, wanneer zij om hen heen schittert door gelijkbesnaarden voor een gemeenschappelijk doel saam te brengen. Zijn geboorteplaats en natuurlijke neigingen trokken hem tot de oude school van Pythagoras, de eerbiedwaardige voorzaat van de edelste Grieksche wijsbegeerte en die niettemin door de geheele Oud- IN DE TEMPEL III geroepen zijn vorderingen te maken, doch zelden om meer dan één trap in een enkel leven te stijgen. De instelling der inwijding moest de school der regeerders worden, de politieke inrichting der steden zich vormen naar het beeld van het wijsgeerig ideaal en van de religieuse waarheid; ideaal en waarheid moesten bewaard worden als in een onschendbaar heiligdom, door een uitgelezen schaar en aan de gewone menigte verkondigd worden, in de mate alleen, waarin zij die onder de sluier van de kunst en het symbool begrijpen kan. Deze leer van de volkomen Aristocratie, die zoowel de vijand van de dwingelandij als van de demagogie was, heeft door alle tijden heen de haat van de dwingelanden en afgunstige demagogen verwekt. Pythagoras, die te Crotona deze soort van regeering had ingesteld, moest vluchten en kwam te Metapontum bij een brand em het leven, tijdens een volksopstand, verwekt door de demagoog Cylon, die hij eens de inwijding weigerde. Daarom werden de Pythagoreeërs, die de slachting overleefden en elders heenheid met een soort van miskenning, gemengd met vrees en vertrokken, door de democratische Grieken slecht ontvangen, terachting, behandeld werd. Te Crotona geboren, waar de Meester zes honderd jaar vroeger zijn onderricht had gegeven, behoorde Helvidius tot de weinige Pythagoreeérs, die de volledige overlevering van de Meester bewaard hadden. In de politiek was hij voorstander van de Aristocratische regeering, welke de macht aan een keur uit de edelsten wil toevertrouwen. Deze mocst, volgens hem, gevormd worden uit de bloem van waarachtig ingewijden. Deze uitgelezen schaar moest uitblinken door verstand en karakter en zoodoende in staat zijn het volk te leeren en op te voeden. De rangorde der zielen, onafscheidelijk behoorend bij wijl de weinige voortzetters der School bij de Romeinsche keizers verdacht bleven. Helvidius was toen een man van dertig jaar, open, edelmoedig, bovenmatig vertrouwend op de kracht der gedachten en anderen gemakkelijk met zijn eigen goedheid te hulp komend. Het vuur van een reine geestdrift en zuiver geweten straalde uit zijn oogen. de menschheid en de inrichting van het heelal, moest worden toegepast in de staat, en de menschen ingedeeld en aangesteld volgens hun plaats in de geestelijke ontwikkeling, waarin allen Een blauwe band, die zijn haar terughield, sierde zijn voorhoofd en zijn edel gelaat werd passend omlijst door bruine lokken. De ontgoochelingen konden zijn vertrouwen in de eindoverwinning van het Goede niet verzwakken. Hij bezat geen enkele persoonlijke eerzucht en zijn eenig geluk was de waarheid te zoeken; hij lachte dan ook om de trouweloosheden van zijn mededingers en verachtte de beleedigingen van de groote hoop.

Page 2

View in PDF(opens in a new window)
Julia Helconia, ziin vrouw gew orden en die nu niet anders r man, genoemd wilde wor meer dan Helvidia, naar haa vangen, zooals een doo den, ontwikkelde aan zijn zijde haar lie fhebbende en ster ke nat uur . Ree ds vöör het huwelijk had zij, met zijn woord en zijn liefde, ook de gedachte van haar man ont t, had in het stadsbestuur deel heef rschijnende albasten vaas een kostbare wijn opneemt en daaraan de grat ie van haar vormen geeft, terwijl zij zich met zijn gulden purper kleu rt. Voor zijn huwelijk had Hel vidius reizen naar Griekenla nd, Egypte en het Oosten gemaak t, daarna had hij zic h te Pom pe) gevestigd. Deze stad van rust , kunst en genoegens, rozenk orf in de schaduw van een vulkaan, bloeiend aan de oever van de bekoorlijke golf, trok de dichters, redenaars en Wijsgeeren ster k aan. Allen bleven onder haar bek oring. De prachtige omg evi ng, met de weeke en grootsche lijnen, noodde tot diepe overwegingen , stoute scheppende gedachten . Helvidius hoopte er een middelpunt voor de Pythagoreesc he ideeën te stichten en dez e dan langzamerhand in te voeren in de stedelijke maatsc hap pij om ze dan te verbreiden in de nog half-Grieksche steden van de golf van Tarente, en vervolgens, door zijn betrekkingen met Ale xan drié, in Griekenland en het Oosten. In zijn hoedanigheid van decurio, d.w.z. senator, die hy Memnon uit Egypte laten kom en om de verbasterde eeredi enst van Isis weder tot zijn vroege re hoogte terug te brengen, zoo als eertijds de ware leerlingen van Hermes deze cultus wis ten op te voeren. Zoodra hij door zijn vrouw van Alcyone's liefde voor Ombricius hoorde, toonde hij zich ingenomen met een huw eli jk tusschen hen, want hij hoopte in de tribuun een invloedrijk ingewijde van de leer en een ver dediger bij Vespas ian us en Titus te vinden, Helvidius gebrui kte dus al zijn invloed om Memnon zijn overtuiging te laten deel en. Zijn betoogen bewogen Me mnon eindelijk Ombricius als leer ling aan te nemen en hem tot het ° IN DE TEMPEL . . 113 s g nr deze prachtigeFee hadden hem Massilia, i ili waren uitgeweken, .. noviciaat toe te laten. Het onderricht zou door de hiërophant egeven worden ten huize van Helvidius en Helvidia, a een paar. Aan het woor ven<de i woordigheid van het uitverkoren riester van Isis, die de leer van Hermes en Phytagoras ui ° a vette werden somtijds dans- en dichtkunst toegevoegd; ven aam 1} waarheden; een licgn ili Kunst alleen kan aan de goddelijke heilige en. verleenen en het abstracte woortd in een levend woord veran Jonge mannen en meisjes, uit de groep gekozen, voerden N 8 hon “ de Hymnen der Goden op. 7Eindelijk, I gens Pythagoreesche ritus en, i te geheimen van de eer en dieps } om de hoogtepunten daar die deelen aan alle verklanking ontsnappen "a. alleen do de religieuse of dichterlijke vervoering kunnen wor en veront, zou Alcyone als slot, voteens Dorische Wwijze, de schoonste Orfische lofzangen voordragen; maen, ie in de en levering bewaard waren en de hemelsche reizen an Esche D ha van d de t hart e uit het ien o of men bezingen. Men zou dan zien de reine geestdrift kon doen opstijgen, die pune ate als cen ziel verborg Orgen ne van de menschelijke i kristaldruppel in het diepst ligt. Voorloopig zou men van Ombricius een eed van sir gendheid vergen omtrent alles wat hij zien en Boonen+ As ° al had, zou hij plechtig 1 hijg goed zijn ij doorgem aakt ij proeftijd orde worden opgenomen, waarbij dan de eed aan Isis Beda wordt, waarmee men gehoorzaamheid aan de meesters en ° "honesgeaan de waar heid zweert. Daarna zou men komen toewijding ijdi maken op à meenschappelijk i naar Griekenland en Egypte ij een reis een schip, dat Helvidius toebehoorde. Pythagoreeërs, de na ee v von ever in de Rome insche provincie, niet oevers van de Rhône, Ô 8 ae ; à hij hen daarmee ten geschenke gegeven, in n de hoop dat zoeken en misschien zich bij hen vestigen. De decurio van peji liet het vaartuig op dat oogenblik in de haven van Stabia De Priesteres van Isis.

Page 3

View in PDF(opens in a new window)
schilderen en opsieren. Op deze galei zouden Helvidius en Helvidia, Ombricius en Alcyone onder leiding van Memnon naar Athene gaan om de feesten van Eleusis bij te wonen. Men zou daar het huwelijk van Ombricius en Alcyone vieren, en teruggekeerd, gezamenlijk het aangevangen werk in Italië voortzetten. Met de dood in de ziel onderwierp Memnon zich aan de uitspraak van het lot. Hij moest, peinsde hij, er zijn kennis en geluk door verliezen. Maar hij herinnerde zich het woord van Sabaccas in de woestijn bij de pyramiden: „Gij zult de opperste waarheid slechts in de grootste smart vinden’. Hij trachtte dus niet meer aan zichzelf te denken, maar alleen aan zijn plicht van Ombricius een volkomen ingewijde en van Alcyone een gelukkige echtgenoote te maken, misschien niet zonder een geheime hoop dat hij niet zou slagen. Doch hij verwierp deze laffe gedachte en wilde voortaan niets anders zijn dan — de meester, — dat wil zeggen een mensch zonder aardsch verlangen, meer dan een mensch .... een levend woord van de EEUWIGE. + * * De lessen begonnen in het Lararium (het vertrek der huisgoden) van het huis van Helvidius. Het huiselijk heiligdom had als eenige versiering een klein altaar, dat altijd met bloemen voorzien was en twee marmeren Muzen, Melpomené en Polyhymnia. Een twaalftal vrouwen en jonge Meisjes stond met Helvidia in een halve cirkel op de kooromgang. Memnon sprak staande voor het altaar. Tegenover hem, onder de zuilengang, zaten Helvidius, Calvus de Stoicijn, Ombricius Rufus en eenige jonge mannen. Allen volgden met groote aandacht de dagelijksche lessen van de meester. Alcyone verscheen nooit bij deze eerste samenkomsten. Sedert twee maanden had Ombricius haar niet meer gezien. Hoewel IN DE TEMPEL 115 deze proeftijd hem hard leek, onderwierp hij zich zonder weerstreven er aan. Hij had vertrouwen in de belofte van de profetes, zijn eigenliefde was voldaan; eindelijk, dank zij de onderrichtingen van Memnon, bekwam zijn geest de vlucht van zijn jeugd weer. Maar in plaats van te strompelen en te vallen in de enge en naakte gangen van het stoïcisme, kon hij rondwandelen in de grootsche lanen en onbegrensde verschieten, die voor hem opengingen. Na een schets te hebben gegeven van de Kennis der Getallen in hun voornaamste grondtrekken, deze sleutel van de Hermetische leer, waarvan men alleen de belangrijkheid begrijpt door haar veelvuldige toepassingen in alle wetenschappen en in de uiteindelijke samenvatting van het Heelal, ging Memnon spoedig over tot de geschiedenis der menschenrassen, waarin de voortdurende nederdaling en zichtbare belichaming van de Geest in de stof tot uitdrukking komt. Hij sprak van verzonken vastelanden, waarvan de gewone overlevering elke herinnering heeft verloren. Hij verhaalde van het leven der eerste menschenrassen, die meer dieren geleken dan menschen, rassen waarvan de Egyptische priesters het beeld en de figuren bewaard hebben in de hiëroglyphen, gegrift op de muren van hun onderaardsche gewelven en tempels. Hij schetste de Lemuriërs, holbewoners, die eens een noordelijk vasteland bewoonden en waaraan Aeschylus schijnt te denken, als hij tot Prometheus laat zeggen: „Die ziende eens, toch met hun oogen niet zagen .... en hoorend, nochtans niet begrepen. Als spoken, droomgestalten gelijk, leefden zij sedert tallen van eeuwen, verwarrend dooreen alle dingen’. Hij verhaalde de geschiedenis van het onmetelijke vasteland Atlantis, dat eens in de groote Oceaan bestond, ver voorbij de zuilen van Hercules. Plato, die ingewijd was bij de Egyptische priesters, spreekt er van in zijn Critias en zijn Timaeus. Na een reeks van aardrampen verdween het laatste eiland, door Plato Poseidonis

Page 4

View in PDF(opens in a new window)
schilderen en opsieren. Op deze galei zouden Helvidius en Helvidia, Ombricius en Alcyone onder leiding van Memnon naar Athene gaan om de feesten van Eleusis bij te wonen. Men zou daar het huwelijk van Ombricius en Alcyone vieren, en teruggekeerd, gezamenlijk het aangevangen werk in Italië voortzetten. Met de dood in de ziel onderwierp Memnon zich aan de uitspraak van het lot. Hij moest, peinsde hij, er zijn kennis en geluk door verliezen. Maar hij herinnerde zich het woord van Sabaccas in de woestijn bij de pyramiden: „Gij zult de opperste waarheid slechts in de grootste smart vinden’. Hij trachtte dus niet meer aan zichzelf te denken, maar alleen aan zijn plicht van Ombricius een volkomen ingewijde en van Alcyone een gelukkige echtgenoote te maken, misschien niet zonder een geheime hoop dat hij niet zou slagen. Doch hij verwierp deze laffe gedachte en wilde voortaan niets anders zijn dan — de meester, — dat wil zeggen een mensch zonder aardsch verlangen, meer dan een mensch ,.., een levend woord van de EEUWIGE. * * * De lessen begonnen in het Lararium (het vertrek der huisgoden) van het huis van Helvidius. Het huiselijk heiligdom had als eenige versiering een klein altaar, dat altijd met bloemen voorzien was en twee marmeren Muzen, Melpomené en Polyhymnia. Een twaalftal vrouwen en jonge meisjes stond met Helvidia in een halve cirkel op de kooromgang. Memnon sprak staande voor het altaar, Tegenover hem, onder de zuilengang, zaten Helvidius, Calvus de Stoïcijn, Ombricius Rufus en eenige jonge mannen. Allen volgden met groote aandacht de dagelijksche lessen van de meester. Alcyone verscheen nooit bij deze eerste samenkomsten. Sedert twee maanden had Ombricius haar niet meer gezien. Hoewel IN DE TEMPEL 115 deze proeftijd hem hard leek, onderwierp hij zich zonder weerstreven er aan. Hij had vertrouwen in de belofte van de profetes, zijn eigenliefde was voldaan; eindelijk, dank zij de onderrichtingen van Memnon, bekwam zijn geest de vlucht van zijn jeugd weer. Maar in plaats van te strompelen en te vallen in de enge en naakte gangen van het stoicisme, kon hij rondwandelen in de grootsche lanen en onbegrensde verschieten, die voor hem opengingen. Na een schets te hebben gegeven van de Kennis der Getallen in hun voornaamste grondtrekken, deze sleutel van de Hermetische leer, waarvan men alleen de belangrijkheid begrijpt door haar veelvuldige toepassingen in alle wetenschappen en in de uiteindelijke samenvatting van het Heelal, ging Memnon spoedig over tot de geschiedenis der menschenrassen, waarìn de voortdurende nederdaling en zichtbare belichaming van de Geest in de stof tot uitdrukking komt. Hij sprak van verzonken vastelanden, waarvan de gewone overlevering elke herinnering heeft verloren. Hij verhaalde van het leven der eerste menschenrassen, die meer dieren geleken dan menschen, rassen waarvan de Egyptische priesters het beeld en de figuren bewaard hebben in de hiëroglyphen, gegrift op de muren van hun onderaardsche gewelven en tempels. Hij schetste de Lemuriërs, holbewoners, die eens een noordelijk vasteland bewoonden en waaraan Aeschylus schijnt te denken, als hij tot Prometheus laat zeggen: „Die ziende eens, toch met hun oogen niet zagen .... en hoorend, nochtans niet begrepen. Als spoken, droomgestalten gelijk, leefden zij sedert tallen van eeuwen, verwarrend dooreen alle dingen’. Hij verhaalde de geschiedenis van het onmetelijke vasteland Atlantis, dat eens in de groote Oceaan bestond, ver voorbij de zuilen van Hercules. Plato, die ingewijd was bij de Egyptische priesters, spreekt er van in zijn Critias en zijn Timaeus. Na een reeks van aardrampen verdween het laatste eiland, door Plato Poseidonis

Page 5

View in PDF(opens in a new window)
genoemd, negen duizend jaar voor de stichting van Rome. Dit geweldige vasteland, thans geheel verdwenen, was in zijn tijd het tooneel van een wonderlijke beschaving, die duizenden en duizendtallen van jaren duurde en waarvan zijn reusachtige tempels en steden met gouden poorten getuigden. Een reeks eilanden, sindsdien door opeenvolgende watervloeden verzwolgen, verbonden Atlantis met Europa en Afrika en maakten de volksverhuizingen mogelijk. De wetenschappen en kunsten, de tooverkunst en de zonnedienst werden bij de Atlantiërs geboren. Uit hen ontstonden de uitverkoren volken, die Europa, Afrika en Azië gingen bevolken. Maar de heilige kennis in haar volle strengheid ontstond eerst in Egypte door Hermes, de erfdrager van de Atlantische overlevering, en door de ingewijden, die in zijn naam regeerden. De kennis der Getallen en der Sterren, van het schrift en der voorspelling, de godsdienst, die de verborgen krachten en kosmische machten in sprekende zinnebeelden overbrengt, en de kunst om de menschen te leiden, welke voortkomt uit de kennis der ziel, bereikten in Egypte hun hoogtepunt. „Aldus’', besloot Memnon, „in de verpletterende uitgestrektheid der menschelijke geschiedboeken, van eeuw tot eeuw, van duizenden tot duizendtallen van jaren, door alle rassen en aardveranderingen heen, is de heilige overlevering de leidende draad, de keten die niet breekt, de fakkel die dikwijls dooft maar nimmer uitgaat. Als de blinde massa langzaam vooruit schrijdt, is dit slechts te danken aan de profeten, de gezanten van de Eeuwige, die op aarde in het vleesch neerdalen. Om hen heen vormt zich een keurbende, die de massa meetrekt. Dank zij de Ingewijden die elkaar de fakkel des levens overdragen, sterft het heilige vuur nooit, gaat niets essentiëels verloren en de schat van hen, die weten, neemt steeds toe. Aan elke profeet zijn boodschap, aan elk ras zijn werk”. IN DE TEMPEL 117 „Met het Dorische ras, waarvan Orpheus de profeet was”, vervolgde de hiërophant, „begint het tijdperk waarin wij leven. De goddelijke Orpheus, voortgekomen uit de heiligdommen van Egypte, wilde voor de Hellenen de goddelijke kennis overbrengen in het leven en in de schoonheid, in de steden en in de tempels, in het marmer en in het vleesch. Zoo is de herinneringwekkende macht van zijn betooverende lier. Voor hem kende de wereld slechts de Priesteren de Koning. In het donkere woud der menschen wierp Orpheus als fakkellichten de Held en de Dichter, de Geliefde en de Profetes, levende toortsen van Prometheus. Wij, de leerlingen van Hermes, Orpheus en Pythagoras, bewegen deze toortsen in de wereld: wij haken er naar nog schoonere te ontsteken... . Maar wij moeten aan de goddelijke kennis gelooven om de goddelijke strijd te strijden!’ Deze koene beschouwingen sleepten Ombricius mee. Zij deden ongekende bronnen in de harde rots van zijn hart ontspringen. Misschien zou hij niet het oor aan die onbekende klanken geleend hebben, wanneer hun machtige harmonie niet zijn trots had gestreeld. Hij zag zichzelf reeds ingewijde, profeet, magiër, machtiger dan alle keizers. Hij verschrikte de menigte met zijn overmacht, zijn wil maakte en onttroonde de Césars. — Maar de gedachten van Ombricius namen een andere loop, zijn houding veranderde geheel en al toen Memnon het tweede gedeelte der geheime leer aanving. De mensch en het menschelijk geslacht hebben niet alleen een aardsche geschiedenis, zij hebben ook een kosmische geschiedenis voor en na dit leven. Hoe is de menschelijke ziel uit de godheid ontsproten? Door welke reeks van nederdalingen en wederopstijgingen is zij tot haar huidige toestand gekomen? Wat is haar kosmische reis na elke daad? Door welke onvermijdelijke wet is zij gedwongen na elk verblijf bij de beschermgeesten en scheppende goden weder een stoffelijk lichaarn

Page 6

View in PDF(opens in a new window)
aan te nemen? Welke zijn de voorwaarden van haar eindelijke bevrijding, van haar terugkeer met vol bewustzijn en macht in haar goddelijk vaderland? Over deze schrikkelijke en verheven zwerftocht van de menschelijke, lijdende Psyche naar een goddelijke Psyche, gaf Memnon slechts korte overzichten, die gedeeltelijke inzichten openden, terwijl hij alleen zorgde dat de draad, die deze verschillende bestaansvormen verbindt en de samenwerkende wet, die ze beheerscht, niet verward werd. Hij voegde er tevens bij dat Ombricius over dit onderwerp veel breeder licht te Eleusis zou ontvangen, en dat om bij benadering een voorstelling te krijgen van het „aan deze zijde” en het „hiernamaals”’ van het aardsche leven, hij langzamerhand leeren moest in zijn eigen wezen door te dringen. Dit bleef aan de laatste graden der inwijding voorbehouden. Bij de eerste stappen van de meester in De hemelsche geschiedenis van Psyche ondervond Ombricius een gevoel van onrust en duizeligheid. Deze leer der veelvoudige en in rangen verdeelde onsterfelijkheid mocht misschien uit het arkanum van het bewustzijnen uit het goddelijk middelpunt van het heelaal komen, maar zij wekte toch een geheime afkeer bij de tribuun op. Terwijl hij naar Memnon luisterde, had hij de gewaarwording van een bewoner van de vaste bodem, die tegen zijn wil door vermetele matrozen wordt meegesleurd in de wilde golven van een oeverlooze zee, Wilde het innerlijk oog niet in hem opengaan, of weerhield de onwillekeurige vrees voor het onbekende zulks? Weldra verkeerde zijn onbehaaglijkheid in opstandigheid. De bekrompenheid van zijn geest, de kleinmoedigheid van zijn ziel zetten de helm van hoogmoed op, om zich te vermommen en op te pronken voor zijn verduisterd bewustzijn. Zijn verstandelijkheid weigerde de stoute hypothesen te aanvaarden, die men hem voorhield als bovenzinnelijke waarheden en waarvan men IN DE TEMPEL 119 liefde en eerbied omringden. Als gevangene van haar stoet, leek hem geen enkel tastbaar bewijs leverde, Zijn trots kwam in verzet tegen de gedachte dat hij onder andere vormen bestaan had en nog menigmaal van lichaam en bewustzijn moest wisselen. Wat was die leer, die U aan de vaste grond van het zintuigelijke ontrukt om U in een afgrond van onzekerheden te storten? Met welk recht durfde die ingebeelde priester de ziel van de tribuun uit zijn gezond lichaam trekken, om haar in de ruimte te slingeren? Was deze verzonnen hemel van evenveel waarde als de tastbare vreugden dezer wereld? Liever, zeide hij, één enkel leven genieten met alle energie der hartstochten en aan het eind ervan het Niet vinden, dan als een ijdele schim door een onbekende macht gejaagd te worden door zooveel bestaansvormen heen! De aanwezigheid van Alcyone, die eindelijk in de halve cirkel verscheen, verhoogde slechts deze verbittering. Zij verliet de kring van vrouwen en meisjes niet, die haar met een muur van zij hem bijna vreemd. De tribuun en de profetes konden slechts heimelijke blikken wisselen. Dikwijls richtte zij haar vochtige en glanzende oogen op hem. Somtijds ook werden zij door koelheid overtogen en de ziel van Alcyone dwaalde ver weg, Het geheimenis dezer ziel, waarin hij niet kon doordringen, verontrustte hem nog meer dan het geheim der dingen. De houding van Alcyone tijdens de laatste onderrichtingen van Memnon, maakte de afgrond, die hen scheidde, nog grooter. Terwijl Ombricius meer en meer zich verzette tegen de ideeën van de hoogepriester, steeg de profetes met diep genot tot deze ongenaakbare verhevenheden. Zij zweefde er heen als een vogel door de wind gedragen. Als inleiding en besluit van de woorden van de meester zongen de koren der jonge mannen en meisjes bij het spelen van theorbe en lier. Het waren heel oude zangen, aanroepingen van de goden uit de tijden van Orpheus afkomstig. Terwijl deze vertrouwende zielen

Page 7

View in PDF(opens in a new window)
WITTE EN ZWARTE MAGIE „Ken je niet de gewoonte van de Pythagoreesche school?” vroeg Helvidia. „Wanneer een leerling ontrouw is geworden aan de leer en zich tegen zijn meesters heeft gekeerd, beschouwt men hem als dood. Hier is het graf van de vroegere Ombricius, die niet meer is”. „Is het mogelijk?” .... zeide Alcyone, bevend van top tot teen en nog bleeker geworden. „Zie en lees!” sprak Hedonia. Alcyone boog zich over de woorden, die in de steen gehouwen waren en las: „Hier ligt OMBRICIUS RUFUS. Hij is meer dood dan de andere dooden, want hij is teruggevallen tot het slechte leven. Zijn lichaam wandelt onder de levenden, maar zijn ziel is uitgedoofd, Leerlingen, beweent hem’’. WITTE EN. ZWARTE MAGIE 215 nacht in de droom zag. Herhaaldelijk verscheen de patricische voor haar geestesoog naakt, in haar wonderlijke schoonheid, met vlammende, strakke oogen, het koninklijk haar gekroond met een diadeem, de armen uitgestrekt. Maar afzichtelijk werd haar lichaam grooter door een groot, grijskleurig vlies, dat bijna zwart was. Dit vlies, dat de armen en beenen als twee vleugels verbond, had aan de uiteinden geweldige nagels tot klauwen, waardoor deze prachtige vrouw een reusachtige vleermuis geleek of liever een harpij, die gereed stond zich op de profetes te werpen om haar te wurgen en te verscheuren. Maar Alcyone richtte op dit visioen haar wil als een scherp zwaard, zoodat de angstwekkende vorm verbleekte en met een kreet van een wilde vogel verdween. Wat Ombricius betreft, Alcyone zag hem bedrukt en onrustig. Zij koesterde hem met haar liefde als met blanke duivenvleugelen. Maar het was haar onmogelijk zijn beeld vast te houden. Het verdween steeds. Door deze sterke en geconcentreerde overdenkingen, kwam de profetes tot de overtuiging dat zij op haar verwijderde vijandin inwerkte en haar begon te kluisteren. * * * Weenend zonk Alcyone bij de zuil neer en omarmde die. Na een lange tijd stond zij op en sprak met sombere wilskracht: „Goed, ik zal die ziel weer ten leven opwekken!” „Tracht niet het onmogelijke te doen”, smeekte Helvidia. Maar niets kon de wil van de profetes tegenhouden, Na eenige dagen had zij, geholpen door Helvidia op de plaats van de lijkenurn een klein standbeeld van de gevleugelde Eros met omgekeerde fakkel opgericht, het teeken van de beschermgeest der opstanding, die waakt over de dooden. Alle dagen verscheen zij in de tuin van Isis, om bij het beeld te peinzen, te mediteeren en te bidden. Haar gedachte richtte zich vaak op haar vijandin Hedonia Metella, die zij nimmer had ontmoet, maar dikwijls tijdens de - Op hetzelfde tijdstip was Hedonia Metella te Pompeji teruggekomen, had haar aanhangers verzameld en begon met overleg de stad voor te bereiden voor de ontvangst van de consul Ombricius Rufus en haar huwelijk met hem, Sinds vele dagen had zij zich teruggetrokken in haar huis te Bajae. Door haar Lybische slaven bewaakt, bracht zij alleen haar nachten door in de kleine tempel van Hecate in de grot van het voorgebergte. Hier was zij gewoon in moeilijke uren te verpoozen om al haar krachten bijeen te zamelen. De dochter van Metellus naderde het doel van haar verlangens. De zegevierende intocht van Ombricius te Pompeji met het eerbetoon voor een consul, gevolgd door het huwelijk tusschen de