Show full text13 pages
Page 1
View in PDF(opens in a new window)MINISTERIE VAN
CULTUUR,
RECREATIE
sAes&
EN
MAATSCHAPPELIJK
WERK
ks cese
ZN As RER DN
EN Ss
OUDHEIDKUNDIGE
4e
SrrickER B. H., De praehelleense ascese : OMRL XLVIEI 1967 44-55. | Dans
les preseriptions alimentaires ct hygiénigues de Pythagore nous retrouvóns
des &láments de rites d'abstinence et d'ascèse orientaux. Cependant, le pythugorisme connaissait aussi des règles qui sortent du cadre vriental (à suivre).
Oedbathermd Plededlehiggn. van debann
L e/Aen
LIJD
Ladd
V g Soo
Uitgegeven door en verkrijgbaar bij het Rijksmuseum van Oudheden te Leide
Page 2
View in PDF(opens in a new window)DE PRAEHELLEENSE AS
CESE
$1 De wijsgeer Pythagoras heef
ige
j
gewijd aan de door de de zijn Ee e
n ee
hier volgende bladzijden wederom bezig houden, a het rte Bak k ee ee de
middelpunt der belangstelling zal staan, is dat der
ascese. De ee kt bn Ae
probleem. Zij is geen vanzelfsprekende instelling. Hoez
eer het ook tot de menselijke
behoeften moge behoren zich bijwijlen of voortdurend geneugten te ontze
ggen, het is
toch moeilijk te verstaan, hoe een dergelijk sentiment tot een straffe regeling op het
maatschappelijke vlak kan hebben geleid. In onze dagen vast, behalve op kerkelijke of
medische indicatie, niemand meer, en niemand schijnt terug te verlangen naar de gestrengheid van weleer. De ascese dateert uit de oudheid en kwam met de Christelijke godsdienst
tezamen op; voor de uitbreiding daarvan wordt zij slechts sporadisch in de teksten vermeld. Over haar oorsprong is niets vastgelegd. Wij moeten ernaar raden en dat is niet
eenvoudig, want de ascese is, in scherpe tegenstelling tot de zo rijk geschakeerde liturgie,
van een uniforme en simpele structuur, die haar voor de speurzin nagenoeg ontoegankelijk
maakt. De antieken zwijgen. De formule, waarmede wij geholpen zouden zijn, ontbreekt,
bij Pythagoras, bij de Egyptenaren, bij de Joden.
Pythagoras opent de rij der Griekse wijsgeren; het is aan te nemen, dat hij zijn ascetische
voorschriften evenzeer als de liturgische uit het oosten heeft medegebracht. Een Christelijke schrijver, Hippolytus, zegt het uitdrukkelijk: Pythagoras had de onthoudingen leren
kennen, toen hij zich tijdens zijn verblijf in Egypte met de Joodse instellingen vertrouwd
maakte ®). Dat is uiteraard een tendentieuze wijze van voorstellen. Maar waar is, dat
zowel de Egyptenaren als de Joden dezelfde onthoudingen kenden en bij Pythagoras
nauwelijks enig detail aangetroffen wordt, dat zich bij deze volken niet laat terugvinden;
al zijn de bewijsplaatsen daartoe dikwijls slechts aan teksten van late datum te ontnemen.
Helaas zijn niet slechts de woorden van Hippolytus tendentieus, maar waren dat ook de
daden zijner geloofsgenoten, die de Egyptische letterkunde vernietigden en de Joodse
koesterden. De documentatie inzake de ascese is daardoor zeer onevenwichtig geworden,
en zoals de teksten heden voor ons liggen kan men Hippolytus’ woorden slechts beamen
en haar een nagenoeg uitsluitend Joodse aangelegenheid noemen. De inheemse Egyptische teksten weten in het geheel niets van haar, en de instelling zou onmogelijk voor
Egyptisch kunnen doorgaan, ware het niet, dat zich uit de secundaire bronwerken passages laten bijeenlezen, die, kort en weinigzeggend als zij zijn, toch als zelfstandige bewijsstukken naast de Joodse kunnen worden gelegd. Het blijkt daaruit, dat het Egyptische stelsel zozeer op het Joodse geleek, dat beide als identiek beschouwd kunnen
r) „De Pythagoreïsche Liturgie’, Oudh. Med, N.R., deel XXXI, Leiden, 1950, blz. 72-117.
2) Hippolyt., Refut., IX 27, 3.
Page 3
View in PDF(opens in a new window)worden. Met een volstrekt minimum aan Egyptische gegevens gelukt het ook hier weer
vanuit de Griekse en Joodse door transpositie een Egyptisch leerstuk, althans binnen
dezelfde grenzen, te reconstrueren.
Het door ons ingestelde onderzoek, waartoe alle richtlijnen ontbraken, verliep moeizaam.
Pythagoras betoonde zich een leidsman van beperkte waarde. Toen hij faalde, werd het
duidelijk, dat alle informatie uit de Joodse letterkunde zou moeten komen. Om deze te
winnen was het nodig de structuur van het Joodse stelsel te bepalen. De bewijsplaatsen,
die als druppels water op elkander gelijken en slechts in nuances verschillen, werden
zorgvuldig uitgepraepareerd en gesorteerd. Dit werk nam vele uren in beslag, maar het
leverde tenslotte een positief resultaat op. Het materiaal liet zich ordenen in een classificatie, die, zo zij al weinig bewijst, toch het een en ander suggereert aangaande de oorsprong der ascese. Alvorens hiertoe te geraken zijn verschillende methoden beproefd.
Afgaande op haar inhoud, werden de onthoudingen verdeeld in concrete en in abstracte.
De concrete wekken de indruk van ouder datum te zijn dan de abstracte, die in het algemeen tot een jongere religieuze laag behoren; maar een consequente scheiding liet zich
niet doorvoeren. Afgaande op de quantiteit der onthoudingen, werd onderscheiden tussen
de ascetische praktijken, die van beperkte gelding en nauwkeurig voorgeschreven tijdsduur
zijn, en de ascese als zodanig, die universeel is en permanent. Het leek zinvol hier een scheiding aan te brengen. Daar de ascese vermoedelijk uit de incidentele praktijken is voortgekomen, wordt zij eerst in het laatste hoofdstuk behandeld. Afgegaan werd ook op
de qualiteit der onthoudingen. Een groep van drie, te weten onthouding van gegiste
drank, van dierlijke spijs en van geslachtsverkeer, stak door de zwaarte harer verplichting
scherp tegen de overige af, die talloos en van zeer uiteenlopende aard zijn, doch geen van
alle in gelijke mate ingrijpend. De ascese staat en valt met deze drie fundamentele onthoudingen. Het leek echter niet raadzaam haar te isoleren en apart te behandelen, daar de
nuances, die een gissing naar de onderliggende motieven mogelijk maken, juist bij de
overige voorkomen. Afgegaan werd tenslotte op de functie der onthoudingen. Deze liet
zich in de meeste gevallen zonder moeite bepalen, zodat het gehele materiaal in een
klein aantat homogene groepen kon worden ondergebracht. Deze classificatie voldeed
en toen zij eenmaal doorgevoerd was, volgde een kleine beloning. De groepen bleken op
haar beurt tot twee grotere eenheden te kunnen worden bijeengevoegd, waarvan de eerste
uit onthouding tot reinheid, de tweede uit onthouding als symbool bestaat. Eenvoudiger
kan het niet, en daarom werd deze laatste indeling aan de hier gepubliceerde studie ten
grondslag gelegd.
1 ONTHOUDING TOT REINHEID
Pythagoras
$2 Ziehier allereerst Pythagoras. Hij krijgt een apart hoofdstuk. De Grieken zijn
de erfgenamen geweest der oosterse volken. Zij hebben de door hen overgenomen cultuur
in vormen gebracht, die, in tegenstelling tot de oosterse, voor ons door haar precisie onmiddellijk verstaanbaar zijn. Wij moeten door de Grieken passeren, om tot hun voorgangers te kunnen komen.
Page 4
View in PDF(opens in a new window)hagor:
i
enmadêen repen
-:
ea geen wijn, doch lesten hun dorst met water 2).
drankzucht
*), 5 waartegenover eeg sewilde
ndende.
n
cultiveren 5).rg
Pythagoras zelf
werd nimmer in staat van dronkenschap aangetroffen 6). Anderzijds
d
:
de Pythagoreeërs de wijn slechts des daags meden ?). Aldus pee nn zin
ding tot het zonneritueel. Men meende, dat de zon bezoedeld wordt door de kené
aarde en had daarom de verplichtingen van dag en nacht straf gereglementeerd; alwat ke:
zon beledigen kan is des daags te mijden ®). De wijn werd overigens door de Pytiiagareeërs
als een reine drank beschouwd °) en volgens een traditie wel degelijk door hen gedronken.
Dat geschiedde bij het offer, waarbij wijn geplengd werd'®), en bij de avondmaaltijd,
waarbij wijn niet alleen werd geplengd, maar ook werd gedronken *!). Wijn, oorspronkelijk
wellicht substituut voor bloed, laat zich bij het antieke offer moeilijk wegdenken; offer
en maaltijd zijn in hun oudere phase identiek. Harmoniserend kunnen wij zeggen, dat de
Pythagoreeërs de wijn meden, behalve bij godsdienstige plechtigheden. De onthouding
rang se):
werd met de meeste stiptheid nageleefd door de ordeleden van hoger
in. De slacht was
Onder de spijzen der Pythagoreeërs nam het vlees een aparte plaats
men geen bederfwerende techniek
in de oudheid zaak van de particulier en zij ging, daar
Consumptie van vlees gold als grote
bezat, steeds onmiddellijk aan de maaltijd vooraf.
in het midden-oosten het
luxe; nog in het heden komt bij de arme bevolkingsgroepen
nimmer
Pythagoras offerde wel, maar
vlees slechts een enkele maal per jaar op tafel.
de hij bij één gelegenheid een Boöc Bdouos,
bloedig 25). Om de goden dank te betuigen offer
lagere ordeleden was het bloedige offer van
het wassen beeldje van een rund '4). Aan de
n, bokjes 16),
n waren eerstgeboorten: hanen, bigge
diere
offer
De
15).
staan
toege
tijd
tot
tijd
vissen !°),
ploegende runderen, rammen *® ) of
maar geen lammeren *?); ook geen
) ; Diod. Sic., Bibl.,
); Aristophon Com., fr. 13 (EDMONDS
3) Alexis Com., fr. 220, 221 (EpMONDS
7, 35, 36; Jambl.,
II
21,
I
s., VIII 13; Philostr., Vit. Apollon,
E
Hist, X 7, 2; Diog Laert., Vit. Philo
Vit. Pyth, 13.
Vit. Pyth, 78, 203,
Philostr., Vit. Apollon., I 8; Jambl.,
4) Diog. Laert., Vit. Philos., VIII 9;
:
208, 211.
Vit. Pyth, 69,
Philostr., Vit. Apollon, VI 11; Jambl.,
5) Diog. Laert., Vit. Philos., VIII 13;
188, 226.
6) Diog. Laert., Vit. Philos., VIII rg.
s, in H. Drers, Die
7) Diog. Laert., Vit. Philos., VIII 19; Jambl., Vit. Pyth,
97. Vgl. Orpheu
, 1951-1952, he. I B 2E
Berlijn
Fragmente der Vorsokratiker, (geciteerd als FVS),
97.
blz.
e,
Liturgi
he
oreïsc
8) De Pythag
9) Philostr., Vit. Apollon, 1 8.
ro) Plut., Num., 8.
rr) Jambl., Vit. Pyth, 98.
12) Jambl., Vit. Pyth, ro7.
13, 20,
13) Plut., Num. 8; Sext. Empir., Adv. Dogm., HI 128; Diog. Laert., Vit. Philos., VIII
17, 25,
Pyth,
Vit.
Jambl.,
12);
en
(ro
7
VIII
25,
V
zr,
IV
32,
3x,
24,
r,
I
22; Philostr:, Vit. Apollon,
35, 54, 107, 108, 147, 150. Anders: Diog. Laert., Vit. Philos., VIII 20; Porphyr., Vit. Pyth, 36.
14) Apollodor., apud Diog. Laert., Vit. Philos., I 24-25, VIII 12; Idem, apud Athen., Dipnos., 418f;
Philostr., Vit. Apollon, I 1, V 25; Porphyr., Vit. Pyth, 36. Vgl. Empedocl., apud Athen., Dipnos., 3e.
15) Jambl., Vit. Pyth, r5o.
16) Aristoxen., fr. 7 (Mürrer); Diog. Laert., Vit. Philos., VIII 20; Porphyr., Vit. Pyth., 36; Idem,
De Abstin., II 28; Jambl., Vit. Pyth, 15o.
17) Diog. Laert., Vit. Philos., VIII 20. Anders: Jambl., Vit. Pyth, r5o.
18) Aristoxen., fr. 7 (Mürrer); Jamb., Vit. Pyth, 15o. Vgl. Tacit., Hist., V 4?
19) Plut., Quaest. Conviv., VIII 8, 3-
Page 5
View in PDF(opens in a new window)ee ee ken mp de vrijgegeven delen gegeten 2%). De
goden eisten hun
Porlnbke Ek zi enne me raken a, en daaronder telden bij de
lag in de zielsverhuizing. HetHet dier
dier is
i bezield als
ee
telan
n
de mens 2),
het mag
in tend
e ORTRO
ENE
principe niet gedood
worden ®); niet, wanneer het de mens gevaarlijk %), en nog minder, wanneer het hem
ongevaarlijk is ®). Men ontliep dan ook koks en jagers, die als moordenaars werden beschouwd °). Van de dieren, die geofferd werden, nam men aan, dat zij geen menselijke
ziel bezaten *); de regels, die in deze golden, waren vermoedelijk verwant aan die der
Egyptische moschosphragistiek. Het vleesverbruik der Pythagoreeërs volgde, onder
deze restricties, het rhytme van het offer 2). Pythagoras en de hogere ordeleden aten geen
vlees?®), de lagere ordeleden deden dat wel?®), zelfs aan de avondmaaltijd), maar
moesten zich veelal onthouden %). Boze tongen beweerden, dat de Pythagoreeërs vlees
en vis aten, wanneer zij daartoe slechts de kans kregen 2). Pythagoras zelf zou dit bijwijlen
hebben gedaan %); maar de berichtgeving lijkt tendentieus. Vogels en eieren werden
gemeden 2), in het bijzonder witte hanen, die vanwege hun kleur als smekelingen werden
beschouwd?); ietwat opvallend voor wie bedenkt, dat de Egyptische priesters zich juist
veelal met gevogelte voedden. Vis werd zelden opgediend %7), sommige soorten nimmer 2).
De afschuw der Egyptische priesters van vis is bekend, maar in de periode van Pythagoras
was gezouten vis in Egypte toch volksvoedsel; en men ziet niet wel hoe de geheel op de
zo) Porphyr., Vit. Pyth., 34.
21) Aristot., fr. 194 (Rose); Diog. Laert., Vit. Philos., VIII ro; Jambl., Vit. Pyth, 109; Idem,
Protrept., XXI 30-31. Voor de keuze, vgl. Phil. Jud, De Spec. Legib., 1 212-219.
22) Diod. Sic., Bibl. Hist., X 6, 1; Sext. Empir., Adv. Dogm., III 128; Diog. Laert., Vit. Philos.,
VIII 13, 36; Jambl., Vit. Pyth., ro8, 168.
23) Apollon. Tyan. Epist., XLIII; Sext. Empir., Adv. Dogm., III 128; Diog. Laert., Vit. Philos..
VII 13; Jambl., Vit. Pyth, 32, 107, 108, 168, 186.
24) Jambl., Vit. Pyth., 108. Maar vgl. ibid, 99.
25) Plut, Quaest. Conviv., VIII 8, 3; Diog. Laert., Vit. Philos., VIII 23; Porphyr., Vit. Pyth,
39. Vgl. Idem, Vit. Plotin., 2.
26) Philostr., Vit. Apollon, 1 37; Porphyr., Vit. Pyth, 7; Jambl., Vit. Pyth., zoo. Vgl. Plat.,
Respubl., 373b, 412b.
27) Jambl., Vit. Pyth, 85.
28) Plut., Quaest. Conviv., VIII 8, 3; Athen., Dipnos., 308c; Porphyr., Vit. Pyth, 34; Idem,
De Abstin., 1 26, II 28; Jambl., Vit. Pyth, 85; Phot., Bibl, cod. 249 (p. 438b, 26-27, BEKKER).
29) Antiphan. Com, fr. 135 (EpMmonps); Mnesim. Com, fr. 1 (EpMonps); Alexis Com, fr. 220,
z21 (EpMmonps); Diod. Sic., Bibl. Hist, X 6, 1; Apollon. Tyan, Epist., VIII, XLIII; Strab., Geogr.,
XV 1, 65; Sext. Empir., Adv. Dogm., III 128; Athen., Dipnos., 3e; Diog. Laert., Vit. Philos., VIII 13,
33, 37, 44; Philostr., Vit. Apollon, Ir, 8, 21, 32, II 6, 7, VI rr, VIII 7 (4); Porphyr., Vit. Pyth, 7, 23;
Idem, De Abstin., I 23, II 28; Idem, Vit. Plotin., 2; Jambl. Vit. Pyth, 13, 68, 85, 107, 108, rog, 168,
186, 187, 207, 225; Idem, Protrept., XXI 39.
30) Plut., Quaest. Conviv., VIII 8, 3; Athen., Dipnos., 308c; Porphyr., De Abstin., II 28; Jambl.,
Vit. Pyth., rog.
31) Jambl., Vit. Pyth., 98.
32) Jambl., Vit. Pyth., rog.
33) Aristophon Com, fr. 9 (EDMONDs).
34) Aristoxen., fr. 7 (Mürrer); Porphyr., Vit. Pyth, 34.
35) Diog. Laert., Vit. Philos., VIII 33.
36) Diog. Laert., Vit. Philos., VIII 34.
37) Alexis Com., fr. 220
Jambl.‚Vit. Pyth, 98.
(E
(EpMoNps); Plut., QQuaest. Conviv., ‚ VVII 8, 3;; Athen., Dipnos.,
i
308c;:
38) Aristot., fr. 194 (Rose); Plut., Quaest. Conviv., VIII 8, 1, 3; Diog. Laert., Vit. Philos., VIII
Page 6
View in PDF(opens in a new window)zee georiënteerde Grieken het zonder vis zouden hebben kunnen stellen. De onthouding
van dierlijk voedsel gold als daad van zelftucht en soberheid 3%). Vlees is onrein en maakt
de rede stomp 4); wie het zich ontzeggen kan, verwerft daarmede waarheid en rechtvaardigheid “!).
Het vlees terzijde gesteld, blijft de normale maaltijd der Pythagoreeërs over. Deze
was zeer eenvoudig. Hij bestond ten dele uit dierlijke producten, als honing en honingraat #2), melk ®) en kaas **). Deze mochten gegeten worden, omdat zij van het levende,
niet van het dode dier gewonnen werden; de moord op het dier was niet toegestaan, de diefstal van het dier blijkbaar wel. Overigens was de maaltijd plantaardig;
alle vegetatie der aarde was geoorloofd *). Het hoofdvoedsel was het brood %), dat
gebakken werd van gerst of van gierst *7). Van dezelfde gewassen at men ook meelspijzen *£).
Groenten werden genuttigd in velerlei soort *®), met uitzondering van slechts bonen, die
als gruwel golden °°). Onder de groenten werd aan de wilde de voorkeur gegeven boven de
gecultiveerde 5!) en aan de rauw toebereide boven de gekookte °%); deze laatste voorkeur
mogelijkerwijze rudiment uit een periode, waarin de maatschappij om redenen van zelfbehoud aan haar leden de natuurstaat voorschreef. Als toespijs volgden verse of gedroogde
vruchten 5), die evenals de groenten rein geacht werden %). De matigheid stond zeer in
ere %). Pythagoras zelf at nimmer te veel 5%) en leerde zijn volgelingen zich met weinig
tevreden te stellen 5°). Sommigen gingen zover slechts eenmaal in de vijf dagen te eten 58).
De tucht in deze werd met enig raffinement gehandhaafd. Men deed smakelijk toebereide
spijzen opdienen en de ordeleden voorzetten, die hen echter niet mochten aanraken;
daarop werden zij teruggestuurd aan de slaven 5°).
39) Diog. Laert., Vit. Philos., VIII 13; Jambl., Vit. Pyth., 207.
40) Philostr., Vit. Apollon, I 8.
41) Porphyr., De Abstin., II 28; Jambl., Protrept., XXI 39.
42) Aristoxen., fr. 6 (Mürrer); Apollodor., apud Athen., Dipnos., 4rga; Diog. Laert., Vit. Philos.,
VIII 19; Philostr., Vit. Apollon, II 6; Porphyr., Vit. Pyth., 34; Jambl., Vit. Pyth. 97, vgl. 150.
43) Porphyr., Vit. Pyth., 34.
44) Alexis Com., fr. 196 (EpMmonps); Porphyr., Vit. Pyth, 34.
45) Philostr., Vit. Apollon, VII 7 (4).
46) Alexis Com., fr. 221 (EDMONDS; xa0após); Aristoxen., fr. 6 (Mürrer); Apollon. Tyan., Epist.,
LXXXIV; Diog. Laert., Vit. Philos., VIII rg, 34, 35; Philostr., Vit. Apollon, I 21 (gezuurd), 35;
Jambl., Vit. Pyth., 97, 98.
47) Antiphan. Com., fr. 226 (EpMonps); Apollon. Tyan., Epist., LXXXIV: Porphyr., Vit. Pyth.,
34; Jambl., Vit. Pyth., 98, 106.
48) Alexis Com, fr. 221 (EpMoNps); Porphyr., Vit. Pyth., 34.
49) Antiphan. Com. fr. 160, 168, 226, 227 (EpMonNps); Aristophon Com, fr. 13 (EDMONDS);
Diog. Laert., Vit. Philos., VIII rg; Philostr., Vit. Apollon., I 8, 21; Porphyr., Vit. Pyth, 34; Jambl.,
Vit. Pyth., 98.
50) Vgl. De Pythagoreïsche Liturgie, blz. 81, noot 181-182. Wel erwten; Porphyr., Vit. Pyth, 34.
51) Philostr., Vit. Apollon, I zr.
52) Diod. Sic., Bibl. Hist., X 7, 2; Diog. Laert., Vit. Philos., VIII 13.
53) Alexis Com., fr. 196 (Epmonps); Philostr., Vit. Apollon, 18, 21, 35, VIII 7 (4); Porphyr.,
Vit. Pyth., 34; Jambl., Vit. Pyth, 17.
54) Philostr., Vit. Apollon, 18, VIII 7 (4).
55) Diog. Laert., Vit. Philos., VIII 9; Porphyr., Vit. Pyth, 22; Jambl., Vit. Pyth., 34, 171, 203,
205, 207, 211.
5 56) Lyc. las, apud Athen., Dipnos., 418e; Diog. Laert., Vit. Pyth., VIII 19; Jambl., Vit. Pyth., 13.
57) Alexis Com., fr. 197 (Epmonps); Jambl., Vit. Pyth., 69, 188, 223, 226.
58) Alexis Com., fr. 221 (EDMONDS).
59) Diod. Sic., Bibl. Hist, X 5, 2; Jambl., Vit. Pyth, 187.
Page 7
View in PDF(opens in a new window)De maaltijd zelf was streng geregeld en werd door de Pythagoreeërs, zoals door alle
asceten, in vrome gezindheid genuttigd. Hij was van oorsprong, gelijk gezegd, een offerplechtigheid en dateerde als zodanig uit de periode van de private liturgie, toen iedere
huisvader zijn eigen priester was en voor zichzelf slachtte, zonder zich daarbij om tempel
of priesterschap te bekommeren. Het offer, dat als prototype van de maaltijd kan gelden,
was een plechtigheid, waarbij het dier geslacht werd met het vooropgezette doel het de
offeraar en zijn gasten als voedsel voor te zetten. Het is het offer, dat in het Oude Testament ow, dankoffer, wordt genoemd °°). Daar de Pythagoreeërs in het algemeen geen
vlees aten, kan nog aan een ander offer gedacht worden, het Oudtestamentische nas
of spijsoffer, dat geheel uit brood bestond %); men moet met deze parallel echter voorzichtig zijn, daar dit laatste offer in zijn geheel aan de priesterschap verviel 6). Welke ook het
prototype was, het was in de maaltijd herleid tot zijn meest elementaire vormen, maar had
daarin overigens zijn structuur getrouwelijk bewaard. De maaltijd was voor de antieken
res divina, een sacrale plechtigheid 3). Hij deelde met het offer diens cosmische betrekkingen. De tafel, waarop de spijzen geplaatst werden, was identiek aan het altaar, maar
ook aan het oppervlak der aarde %*). De kok, die de plechtigheid leidde, had de staat van
priester 6%), en deze zelf was middelaar tussen God en mens. In het vervolg van deze studie
zullen altaar en priester in hun cosmische betrokkenheid nog ter sprake komen. Bepalen
wij ons hier tot de voorschriften van Pythagoras.
Men zette zich aan de dis na zich te hebben gereinigd. Deze reiniging, ook heiliging
6o) Levit., III, enz.
61) Levit., II, enz. Vgl. Genes, XIV 18; Ezech., XLIV 3; Testam. Levi, VIII 5. De bakker
kneedt zijn deeg gesluierd en gehandschoend: Clearch. Sol., fr. 14 (MÜrrer).
62) Vgl. echter Genes., XXXI 54; Exod., XVIII rz.
63) Fest. De Verb. Signif., sub voce Daps (p. 59, LINDSAY).
64) Plut.} Quaest. Conviv., VII 4, 7. Vgl. Pherecyd., FVS, fr. 7 B, 12; Anaximen., apud Aet.,
De Placit., III ro, 3; Plut., Sept. Sap. Conviv., 15; Idem, Quaest. Roman, 64; Idem, De Defect. Orac.,
15. — De Perzische koning Cambyses stuurde tijdens zijn verblijf in Egypte spionnen naar Meroë
om daar inlichtingen in te winnen over de „Tafel van de Zon”. Herod., Hist., III 18: ‚Met de Tafel
van de Zon is het, naar men zegt, als volgt gesteld. Zij bestaat in een weiland, in de nabijheid van de
de stad gelegen, vol met gekookt vlees, (afkomstig) van alle viervoetige dieren. Des nachts brengen de
afzonderlijke magistraten, die de zorg daarvoor dragen, het vlees erop, des daags eet dat op wie er zich
vertonen wil. De inwoners zeggen, dat de aarde telkenmale deze (spijzen) voortbrengt. Alzo staat
het met de dusgenaamde Tafel van de Zon”. Vgl. ibid, III 23; Orph., fr. 217 (KERN); Pausan., Graec.
Descr., I 33, 4, VI 26, 2; Pomp. Mel., Chorogr., III 87; Solin., Collect. Rer. Memor., XXX ro. De
tafel was een afgeperkt stuk land, dat representatief was voor de gehele aarde. Het beschreven gebruik vormt wel het oudst bekende voorbeeld van georganiseerde weldadigheid. Identiek aan dit
stuk land was mogelijkerwijze de òpyác, het heilige veld, waarop te Meroë aan de Zonnegod, de Maangodin en de god Dionysus offers gebracht werden, vgl. Heliodor., Aethiop., X 2, 6; aldaar ook werd het
tribuut der schatplichtige volken ontvangen, ibid, X 23-27. Voor de term wdhw n R*, „tafel van de
Zonnegod”’, vgl. J. DE MoRrGAN, U. BOURIANT, G. LEGRAIN, G. JÉQVIER en A. BARSANTI, Kom
Ombos, Wenen, 1895-1909, deel II, blz. 128, no. 698, blz. 195, no. 800 (naar mededeling van
Dr. W. F. Reineke, Wörterbuch der Ägyptischen Sprache, Berlijn, aan wie mijn beleefde dank);
F. Dumas, Les Mammisis de Dendara, Caïro, 1959, blz. 45, regel ro. In Perzië zelf plachten hofhouding
en lijfwacht door de tafel des konings te worden gespijzigd. De spijzen werden eerst daarop gebracht
en vervolgens aan begunstigden verdeeld, Heraclid. Cym., fr. 2 (JacoBy); zij werden blijkbaar door
de tafel geheiligd. Tafels rond als het aardoppervlak: Athen., Dipnos., 489c. Voor de Joden, vgl.
Talm. Babl., Sabb., 11ga; Midr. Genes. Rabb., XI 4.
65) Vgl. Athen., Dipnos., XIV 78-79 (p. 659d-66o0d).
Page 8
View in PDF(opens in a new window)genoemd %), bestond hierin, dat men zich waste 6?) en een wit kleed aanlegde °°), geheel
zoals dat de Egyptenaren en de Joden plachten te doen. Niet meer dan tien personen
mochten tegelijkertijd aanwezig zijn; het gezelschap werd beperkt gehouden 6%). De
maaltijd ving aan met een pleng- en een wierookoffer aan de goden °°). Men plengde
driemaal °*), lette er daarbij op de ogen niet te sluiten ??) en goot de wijn over het oor van
de beker uit 73). Nu volgde de maaltijd. Werd er niet geslacht, dan vormde het brood de
hoofdschotel. Het werd met plichtplegingen zonder einde bejegend, blijkbaar als heilig
beschouwd %%). Men mocht het graan niet in de pispot werpen (wie denkt aan zoiets!) %5),
geen broodkruimels met de voeten vertreden %%). Men mocht niet op de korenmaat gaan
zitten °°), men mocht het brood niet breken 78), maar evenmin van een heel brood bijten °°);
men moest de kruimels op de grond laten liggen 8%). In het brood „had het al zijn begin
gehad” %1). Bij het brood werd zout genuttigd, „ter herinnering aan de rechtvaardigheid’’8?);
het zout heiligde de tafel 83). Heilig was ook de wijn %). Men dronk en ledigde de beker tot
op de bodem 5). De gesprekken aan tafel waren ernstig. Een onderwerp, dat nimmer
onaangeroerd werd gelaten, was dat van dood en herrijzenis #). Dat is bij een plechtigheid,
die van oorsprong een offerplechtigheid was, begrijpelijk. De Egyptenaren 87), en evenzo
66) Egyptenaren, w‘b: Pap. Rylands IX (Peteëse), VIII 7, X zo, XI 2, XVI
V
15; Pap. Spiegelberg,
I 14, III 23-24; Pap. Bibl. Nat.,
12-13, IX 8, fr. A, I 3; Pap. Brits Mus., DCIV (Chaëmwese II),
CCXV, verso, kol. a (Amasis en de Schipper), 20. Zo reeds Pap. Brits Mus.,
XMLX (Verwenste Prins),
vgl. IT Sam. XVI 5, XXI 5
, Com., fr. 25 (EDMONDS). Joden, PIP: Numer., XI 18;
vo. V 8; Nicostrat
235; vgl. Ev. Marc., VIT 2,5. Perzen: Hera(4); Zefanj., 1 7. Dezelfden, dyveberv: Flav. Jos, Antiq., VI
clid. Cym., fr. 2 (JacoBY).
67) Jambl., Vit. Pyth., 98.
, Cym., fr. 2 (JAcoBY).
68) Diog. Laert., Vit. Philos., VIII rg. Perzen: Heraclids
ambl., Vit. Pyth, 98.
158.
Heliodor., Aethiop., II 22. Joden: Epist. Arist.,
se are Vit. Den. 98, 149. Egyptenaren:
RIA).
(ANKLESA
21
XIV
n,
Bundahië
vgl.
71) Jambl, Vit. Pyth, 155, vgl. 152. Perzen:
655.
72) De Pythagoreïsche Liturgie, blz. 99, noot
99, noot 656.
73) De Pythagoreïsche Liturgie, blz.
_
:
n.
hierbove
61,
74) Zie noot
in het stadhuis te Naucratis
98, noot 646. Geen pispotten
blz.
Liturgie,
eïsche
Pythagor
75) De
Hermias, apud Athen., Dipnos.,
1504.
blz. 98,
76) De Pythagoreïsche Liturgie,
noot 647.
blz. 98, noot 648.
en vgl.
77) De Pythagoreische Liturgie,
Jambl., Vit. Pyth., 86,
649. Voeg toe:
noot
98,
blz.
Liturgie,
78) De Pythagoreïsche
ek Eres
Eres Rab b., IX 1; Der
Rabb., IX 1.
noot 650. Vgl. Derek
98,
blz.
,
rgie
Litu
he
Nee Pythagoreïsc
e.
, Vit
p
bl.
o
); Jam
UCKn
r
(NA
5
e
ipipid., fr. 664
Euri
Zat. VES
noot 651. Vgl. „ Eur
99,
blz.
i
ie,
i
urg
Lit
80) De Pythagoreische
pzig en Berlijn, 192
icae, Lei
NZ, Papyri Graecae Mag
Pyth, En K. PREISENDA
35I
VII
os.,
Phil
81) Diog. Laert., Vit.
os., VIII 35.
82) Diog. Laert., Vit. Phil
, II 67.
83) Arnob., Adv. Nat
Se
:
:
84) Testam. Levi, VIII 5.
t 657n
noo
e
99,
ge
blz.
wa
26
gie,
stur
d
Ï
Pyth
II 26; esn
.,
tin
Abs
t
d
De
r..
e
phy
ES
s val Por
., 2;„ Idem, ‚ De Ís.e€
pe End E
2 ee 178; Plut., Sept. Sap- Convivi
n
e
n
e
e
ë
kt met
L. KeiMer, Caïro, verrij
de vere vult een
e geschenk van Prof.
d
a
sn
ee
Se
:
e
D
en
es
sag
pas
e
dez
in
beschrevene
che die ir ve aan de
deksel is voorzien
is. Het
e e van de god Osir
aag,
et
udon
een pse
e
l een halskr
en des
att
e
a
bev
p,
rt,
a
rko
zwa
he
rwe
en
isc
spe
l
ypt
gee
i
‘Bg
uw,
demm
el
ie met
dd
bla
mi
,
mu
wit
or
do
d,
roo
tje
kis
g in
past OP
Ikleurige beschilderin
vijf regels. Het deksel
van
st
tek
che
his
lyp
hiërog
da berde en en
Page 9
View in PDF(opens in a new window)r of iedeen gn ed
de Romeinen 8), plachten aan tafel een kleine pee
de gesprekken hierbij een ogenblik te doen verwij ee
er
an
en
° ).
geplengd
ergang afgelopen behoorde te zijn °®), werd wederom
en
ee
oe
de en
riseen aak het drinkgelag, maar bij
waarbij het jongste lid een door het semee tekst voorlas
d ging men uiteen
ij
°*).
Na nog ee
*%).
enne Eike het geslachtsverkeer waren vooral gericht op de hyrd.
giëne; voorschriften met ascetische strekking zijn in deze van hem niet overgeleve
,
Hijzelf was getrouwd en bezat kinderen 8); de Pythagoreeër Apollonius van Tyana
jk,
akeli
goras
noodz
ing
leek Pytha
daartegenover, was verstokt vrijgezel %). De voortplant
niet zozeer tot instandhouding van het ras als wel tot instandhouding van de dienst der
goden °5). Het geslachtsverkeer moest de voortplanting ten doel hebben; al het overige
was verboden %). Pythagoras beschouwde alle geslachtelijk verkeer als verslappend en
schadelijk voor de gezondheid °7). De jonge man behoorde er tot het twintigste levensjaar
geheel van afgehouden te worden; na die datum was hij vrij, maar deed ook dan beter
zich er slechts sporadisch aan over te geven ®®). Het seizoen voor de verwekking was de
winter; in de zomer paste de onthouding °°). De huwelijkstrouw werd in het gezin van
Pythagoras, alsook in de gehele orde, hoog gehouden?) ; overspel en ontucht werden naar
van vier houten pinnen, waarvan er nog drie over zijn. In het kistje een pseudo-mummie van Osiris,
gevormd door een in linnen gepakt pakje graankorrels; het hoofd bedekt met een masker van zwart
beschilderde was, met Atef-kroon, uraeusslang en baard. Oorspronkelijk bedekt met funeraire kransen,
waarvan fragmenten aanwezig zijn”. F 1951-9-2, terlengte van 49 cm, is een „dergelijk sarcophaagje
met eenzelfde pseudo-mummie van de god Osiris. Het deksel is eveneens voorzien van een rijke, veelkleurige beschildering met dezelfde motieven; alleen ontbreekt hier de hiëroglyphische tekst. Op het
hoofd van de mummie een masker van was en een funeraire krans; voorts fragmenten van dergelijke
kransen”. „Beide stukken zijn gevonden te Toenah-el-Gebel in Midden-Egypte op een begraafplaats
uit de Grieks-Romeinse tijd (re-ze eeuw na Christus)”. Zij behoren tot de serie der vegetatieve Osirisbeelden, waarover zojuist E. CrassiNAT, Le Mystère d’Osiris au Mois de Khoiak, aflevering I, Caïro,
1966, blz. 41-51. De symboliek dezer beelden betrof oorspronkelijk niet de vergankelijkheid van het
leven, zoals later bij de Griekse auteurs, maar de wederopstanding uit de dood. Daartoe past,
dat
men zich tijdens de maaltijd met een lotuskelk placht te tooien, vg1. Anacreon, fr. 397 (Pace); Nicostr.,
Com, fr. 25 (EDMONDS; krans); Nicandr., fr. 81 (Gow-ScuHorFreLp); Athen., Dipnos., 677d; Heliod.,
Aethiop., X 3 (vgl. IX 22); Midr. Levit. Rabb., XXIII 6: Midr. Hoogl. Rabb, II 2, 6; dikwijls
afgebeeld op reliëfs. De vegetatieve Osirisbeelden treden buiten Egypte op onder de naam 'A8dvidos
ximot, „tuinen van Adonis”; daarover bestaat thans een aanzienlijke literatuur. Zij waren ook bekend
in Perzië, vgl. Al-Birüni, Al Átär al-Bäqiya, P- 217 (SACHAU; vgl. p. 268-269); en in Indië, vgl. Idem,
Ta’rih al-Hind, p. 288 (SacHau). In onze collectie behoren tot dezelfde serie de nummers A 618 en A 619.
88) Petron., Satur, XXXIV 8-10. Vgl. Amphis Com, fr. 8 (EpMonps); Lucret., De Rer. Natur.,
II 912-915.
89) Jambl., Vit. Pyth, 98; vgl. noot 8. In het verborgene eten: Vit. S. Anton. 45.
go) Jambl., Vit. Pyth. og.
or) Jambl., Vit. Pyth, gg.
92) Jambl., Vit. Pyth. og.
93) Diog. Laert., Vit. Philos., VIII 42, 43; Jambl., Vit. Pyth, 132, 265.
94) Philostr., Vit. Apollon, I 13.
95) Jambl., Vit. Pyth., 86.
96) Jambl., Vit. Pyth, z1o.
97) Diod. Sic., Bibl. Hist, X 9, 3-4; Diog. Laert., Vit. Philos., VIII 9; Porphyr., Vit.
Pyth., 39.
98) Jambl., Vit. Pyth., 209, 210.
99) Diod. Sic., Bibl. Hist. X g, 3; Diog. Laert., Vit. Philos., VIII 9, — Vgl.
hiertoe: Hesiod.,
Op., 586; Alcaeus, fr. 94 (Dreur); Aristot., Problem, IV 25, 28; Idem, fr.
285, 7 (Rose).
zoo) Diog. Laert., Vit. Philos, VIII zg, 21, 43; Jambl., Vit. Pyth, 48, 55, 57, 78, 213.
Page 10
View in PDF(opens in a new window)vermogenen bestreden nn 101). De monoga
i was voor de Griek
tie vanzelfsprekend.
van Pythagoras’ genera
Het ascet
ische element ontbree
i de voors
;
e
e
eee sas
n
chrif
ten betreffende de lichaamsEe n waren 1%). Lang
deze 1 aatsten vrije
sn
mi
8"), gelijk al zijn tijdgenoten, voor zove
es
g haar werd beschouwd als teken van mannelijkh
eid
en moed ), ook en wijsheid 105); kort droeg het haar slechts de slaaf 106) en de vreemdeling 1%). De leerlingen van
Pythagoras droegen het haar in de gangbare snit 108),
hetgeen oorspronkelijk zekerlijk lang wilde zeggen. In de periode van het Hellenisme
veranderde de mode en gingen ook de vrijen op de korte haardracht over. Maar de philosophen hielden de oude gewoonte aan; lange haren en baard waren van dat ogenblik af
hun beroepsdracht 10°). Apollonius van Tyana, blijkbaar reeds kort geknipt, liet zijn haar
groeien tijdens zijn verblijf in het heiligheidsgebied van de tempel #°). Dit was krachtens
voorschrift; doodslag is aldaar verboden #4) en in de liturgie geldt als zodanig ook het
afsnijden der haren #2). De lichamelijke reinheid werd in stand gehouden door baden.
Men baadde in de open lucht en in koud water #2). Van het badhuis met zijn warme
water was men afkerig #4), naar het heet wegens de aard van het daar verschijnende
publiek #5), in werkelijkheid vermoedelijk, omdat, zoals bij de Joden *®), open water
als „levend”’, gesloten water als „dood’’ werd beschouwd. Volgens een traditie wasten de
Pythagoreeërs zich in het geheel niet en waren zij vuil #7). Dat strookt weinig met de
mentaliteit van een Pythagoras, die aan de reinheidsleer zoveel waarde hechtte. Het kan
zijn, dat de Pythagoreeërs, na hun organisatie te hebben verloren, gebruiken ontleenden
aan concurrerende scholen, als de Cynici, die de wereldverzaking in de scherpste vorm
beoefenden #8). Het zich zalven, gewoonte daterende uit een verwijderd verleden, waarin
de mens geen of onvoldoende textiel tot zijn beschikking had, was toegestaan 19); men
ror) Jambl., Vit. Pyth, 5o, 132, 195.
zoz) Philostr., Vit. Apollon, I 32; Jambl., Vit. Pyth, 11, 30.
103) Philostr., Vit. Apollon, VIII 7 (6).
104) Diog. Laert., Vit. Philos., VIII 47, 48; Philostr., Vit. Apollon, VIII 7 (6).
105) Philostr., Vit. Apollon., VIII 7 (6).
106) Aristophan., Av. orr, met scholion; Olympiodor., Comment. in Platon. Alcib. I, r2ob; enz.
107) Apollon. Tyan. Epist., VIII.
108) Hermipp. Callim., fr. 26 (Mürrer); Sosicrat. Rhod, fr. zo (Mürrer). Lang: Alciphr.,
Epist., III 19, 4.
5
rog) Dio Chrysost., Or., LXXII 2, enz.; Plut., De Is. et Osir., 3; Philostr., Vit. Apollon, VII
15, VI 7 (2, 6).
rro) Philostr., Vit. Apollon., 1 8. Vgl. Dio Chrysost., Or., XXXV rr; Oudh. Med, N.R., deel
XXV, Leiden, 1944, blz. 77.
rr) Vgl. Oudh. Med., loc. cit.
112) Phil. Jud., De Spec. Legib., 1 254. Hierover meer in hoofdstuk II.
113) Sosicrat. Rhod., fr. zo (Mürrer); Philostr., Vit. Apollon., 1 16.
114) Philostr., Vit. Apollon., I 16 (yîjpas dvOpórov), VIT 12; Jambl,, Vit. Pyth. 83. Vgl.
Artemidor., De Somn. Interpr., 1 64.
115) Jambl., Vit. Pyth., 83.
II 13,
116) Genes., XXVI 19; Levit., XIV 5, 6, 50, 51, 52, XV 13; Numer., XIX 17; Jerem.,
De Ling. Latin,
XVII 13; Zacharj., XIV 8; Hoogl, IV 15; Ev. Johann., IV ro, 11, VII 38. Vgl. Varr.,
LINDSAY).
152,
(p.
Muries
voce
sub
Signif.,
Verb.
De
V 123; Fest,
Tyan,
117) Alexis Com., fr. 197 (EDMONDS); Aristophon Com., fr. 9, 13 (EpMoNps); Apollon.
Epist., VIII, XLIII; Philostr., Vit. Apollon, I 16 (ad finem).
118) Hermipp. Callim., fr. 26 (Mürrer).
119) Sosicrat. Rhod., fr. 20 (Mürrer); Philostr., Vit. Apollon, I 16.
Page 11
View in PDF(opens in a new window)zalfde zich met het oog op de lichaamsoefeningen 12°). De slaap was kort #21); men sliep,
in later tijd althans, onder linnen lakens 122) en stond op voor zonsopgang 123). Het bed
ontbrak; was het er, dan behoorde het eenvoudig te zijn *°). Pythagoras had veel belangstelling voor de sport, bezocht de sportschool 125) en was eenmaal ook aanwezig bij
de Olympische spelen 1%). Bij de Egyptische en Joodse asceten zullen wij van de sport
in het geheel niets horen !27), maar Pythagoras was in deze kind van zijn volk; de Grieken
waren, voordat zij zelf tot macht kwamen, de huursoldaten geweest der oosterse vorsten.
Overigens prentte hij zijn leerlingen in, dat beschaving des geestes een hoger goed is dan
paraatheid des lichaams 125). De Pythagoreeërs openden de dag met een morgenwandeling
en besloten hem met een avondwandeling 22°). Een deel van de morgen was aan de sport
gewijd 18°). Om een goede lichaamshouding aan te kweken had Pythagoras zekere dansen
ontworpen #1). Het lichaam mocht niet te dik zijn en niet te dun, ook niet afwisselend
het een en het ander 2%).
Individuele eigendom was de Pythagoreeërs in principe ontzegd 55). Alle bezittingen
behoorden aan de orde en werden door de administrateurs der orde beheerd 34). Men
schonk zijn goederen bij intrede 185) en kreeg hen, desgewenst, terug bij uittrede 13).
Wilde men het een en ander voor zijn verwanten reserveren, dan moest men hun dat voor
de intrede uitkeren 197); daarna was het niet meer mogelijk 228). Men kon zijn bezittingen
ook behouden, maar werd dan niet als volwaardig lid opgenomen 139). Onder de leden
waren alle goederen volstrekt gemeenschappelijk; men maakte slechts front naar buiten 14).
Een dergelijke patriarchale maatschappij had geen behoefte aan geld. Wat er aan geld
rags door de administrateurs bewaard Mi); de ordeleden kregen het niet in hanee dere wanneer zij uittraden 16). De slavernij werd erkend; Pythagoras
elijk, dat de vrije en de slaaf niet op gelijke voet behandeld dienen te
120) Jambl., Vit. Pyth., 97, vgl. 163.
ee, re Pyth., 13, 69, 188, 226; vgl. 16, 153.
ni
22 menn
ostr., Vit.en
ge
Apollon
, VIII 7 (5). : Op de grond slapen:= Jul. Capit.,
Marc. Antonii n, II 6.
i
124) Jambl., Vit. Pyth, 205.
ed Jambl., Vit. Pyth., zr, 45.
126)
Jambl., Vit. Pyth, 7 r4o. Vgl. 5 Aelian., 5e Var. :
Hist. 5 II 6, IV 1
on nen ten 15; II Maccab.
, IV 7-17; Flav. Jos.,
127) Vgl. echter I Maccab., I rr-rs:
ard
129) Jambl., Vit. Pyth., 96, 97. Vgl. Porph
Fab
je
i
Antiq., XII 240-241.
i
EE ed
131) Porphyr., Vit. Pyth, 32.
132) Porphyr., 5 Vit. Pyth > 35; Jambl.,
35
„ Vit Vit.
„196
133) rat
ee:
Diog. ed
ee… Vit. EPhil
En VIII 23;> Jambl.,
SdVit.
GE
Pyth., 168. Vgl. Philostr., Vit.
Apollon, IV 3.
135) Jambl, Vit. Pyth. 72.
136) Jambl., Vit. Pyth, 74, 168.
137) Philostr
L
., Vit. Apollon
e
, I 13;
sn.
En VIII 7 (3).
ÁVgl. Anaxag., FVS, fr. 59 A, 1 (6-7).
139) Jambl., Vit. Pyth, 81.
140) ee
Diod. Sic., Bibl. Hist,
1)
eeX 3, 5;DiDiog.
Laert., Vit.
i Philos.,
VIII 23; Jambl., Vit.
i
Pyth, 81, 168.
E
142) Aristop
t
hon Com. fr. 99 (EpMon
(E
ps). Vgl. Apollon. Tyan, Epist,
VIII; Philostr., Vit.
143) Jambl., Vit. Pyth, 74.
Page 12
View in PDF(opens in a new window)ee: apie se zag ri het land werkten M5); men keurde
zich met vee uispersoneel omringden #6). De kledij,
den
en 3
gereikt, verbleef bij de drager. Men bezat twee klederen; voor het dagelijkse
gebruik de zofBwv, een plunje, die tot op de draad werd afgedragen 147), en voor plechtige
gelegenheden als dispuut, gebed of, gelijk wij zagen, offer, een linnen gewaad 5), dat
in Pythagoras’ tijd, toen het linnen in Italië nog niet bekend was, van wol vervaardigd
werd 49), in ieder geval wit en rein behoorde te zijn 15°). Men schoeide zich in het algemeen
niet, mocht het echter wel 151); het schoeisel was voor de generatie van Pythagoras nog
enigermate luxeartikel. Een ieder zag erop toe, dat zijn kleding eenvoudig bleef 152).
Dat was wel nodig; gouden ringen en ornamenten, omzoomde gewaden en dergelijke
vormden de beroepsdracht der mannelijke en vrouwelijke prostituees 153). Van de overige
goederen was de woning bescheiden, het daarin geplaatste meubilair summier; het bezit
aan vee beperkte zich tot het hoog nodige 15%). In verband met deze laatste inzettingen
vraagt men zich af, of de praktijk bij de Pythagoreeërs aan de theorie beantwoordde.
Onthouding in juist deze zaken is steeds zeer moeilijk af te dwingen.
De reeks der onthoudingen wordt besloten met enige voorschriften betreffende het
maatschappelijke gedrag. De Pythagoreeër had zich te matigen in het gebruik van de tong.
De vijf leerjaren, die aan de toelating tot het lidmaatschap voorafgingen, werden zwijgend
bedoorgebracht 155). Eenmaal lid, werd de Pythagoreeêr om deze zelfde zwijgzaamheid
197).
wonderd 158). Onder zwijgen is uiteraard ook onthouding van lachen te verstaan
van
Men behoorde noch te lachen, noch ook zich ontstemd te tonen, doch gelijkmatigheid
omgang te
humeur te betrachten 158). Men behoorde met de grote massa geen familiaire
de hoofden
16°)
onderhouden 15°), de rechterhand niet al te gemakkelijk uit te steken
deze laatste onthouding
verkeerswegen te vermijden '®1). Apollonius van Tyana ging in
zover, dat hij zijn huis zelden verliet weet
144) Diog. Laert., Vit. Philos., VIII 34.
Vit. Pyth, 187, 197.
145) Diod. Sic., Bibl. Hist, X 5,2, 7,4; Jambl.,
É
:
zo5.
Pyth.,
Vit.
Jambl.,
146)
fr. 20 (Mürrer); Philostr. Vit.
Rhod.,
at.
Sosicr
nps);
(EpMo
13
9,
fr.
5 A ashoe Com,
Osir., 3.
VI 15, VIII 19. Vgl. Plut., De Is. et
Apollon, II zo (grauw), IV 20, VI 11,
1 32, VIII 7 (4-5).
n.,
Apollo
Vit.
r.,
Philost
VIII;
,
148) Apollon. Tyan. Epist.
:
Vgl. Apul., Apol., 56.
Diog. Laert., Vit. Philos., VII 19.
Philos.,
I
Vit.
.,
Laert
Diog.
6;
9,
X
; Diod. Sic., Bibl. Hist,
se Sosierat. Rhod., fr. zo (Mürrer)
4
VI 1x. Maar vgl.
LER ; Philostr., Vit. Apollon, 18,
Aforzer)
eatm., fr. 26 (MÜL
Hermipp. Calli
:
151)n
e
à
56, 205.
it.
h., 100, 149.
VIT 15.
h.,
ek
ambl., Vit.
XII 21, 1; Jambl., Vit. ike
(JacoBY); Diod. Sic., Bibl. Hist,
ae
ak.
biv
., Vit. Philos., 1 7.
a
Laert
Diog.
n:
Perze
de
Voor
Protrept., XXI 35.
Vgl. Jambl., Vit. Pyth., 84; Idem,
205.
,
Pyth.
246;
Vit.
.,
Jambl
:
Alles
68, 72, 90, 94, 188, 195, 225,
VIII ro; Jambl., Vit. Pyth,
es Diog. bne Vit. Philos.,
n., Dipnos.,
_ Vit. Apollon, 1 14, VI 11.
i
) ; Archestr. Gel., apud Athe
Alexis Com., fr. 197 (EDMONDS
Eee lat Busir., a
5
16zb; Jambl., Protrept., ran
;
5
26.
I71, 196.
ambl., Protrept.,
I
Pyth, 35; Jambl., Vit. Pyth., ro,
Vit.
r.,
phy
Por
Vgl.
23.
VIII
.,
En es Laert., Vit. Philos
159) Porphyr., Vit. Pyth, 32.
17; Jambl., Protrept., XXI 28.
160) Diog. Laert., Vit. Philos., VIII
Vit. Pyth., 83, 105;
17; Porphyr., Vit. Pyth., 42; Jambl.,
VIII
161) Diog. Laert., Vit. Philos.,
Idem, Protrept., XXI 4.
162) Apollon. Tyan, Epist., VIII, XLIII.
Page 13
View in PDF(opens in a new window)Het stelsel der onthoudingen maakte deel uit van de áyvela of reinheidsleer 169),
de leer inzake de verwerving der menselijke volmaaktheid. De mens is een samengesteld
wezen, bestaande uit ziel en uit lichaam. Op beide wezensdelen hadden de onthoudingen
haar uitwerking; welke in het eerste geval op het terrein der ethiek, in het tweede op dat
der hygiëne gelegen was. De ziel wordt bedreigd door het genot 16%), waarnaar des mensen
begeerte uitgaat 165). De mens moet deze laatste bedwingen door soberheid (&yxpareta) 166).
De ziel ondergaat het leven op aarde als een straf 167). Aanvaardt zij deze gewillig en poogt
zij zich daaraan niet te onttrekken door zich in het genot te storten, dan verwerft zij
daardoor godgelijkheid 268), jazelfs goddelijkheid. Dat was de deugd, en meer dan deze.
Als goddelijk beschouwden zich zowel Pythagoras 16°) als Apollonius van Tyana !7°®); en
deze goddelijkheid verleende hun het transcendente weten, de profetie, en het transcendente kunnen, de wonderdadigheid. Op gelijke wijze wordt het lichaam bedreigd
door de ziekte. De ziekte ontstaat in het algemeen uit overdaad *?!), waaraan weer de
begeerte schuld is. Het verweer ertegen ligt in de onthouding, en deze verleent, met gezondheid *®), een hoge ouderdom 7%).
De onthoudingen werden nageleefd uit kracht van overtuiging. Ontbrak deze laatste
en werden de voorschriften overtreden, dan bezigde men negatieve middelen om de
overtreders tot de orde te roepen. Het terugsturen van de opgediende spijzen aan het
dienstpersoneel, hierboven vermeld !%), was een daarvan. Gesproken wordt ook van
straffen, van breideling der zielen met vuur en met ijzer 175); middelen, welke ook, die
zekerlijk niet zachtzinnig waren. Tuchtiging is naar haar oorsprong niet een ascetische,
maar een disciplinaire instelling. Bij de overige heidense orden horen wij niets van haar;
bij de Christenen blijkt zij geheel in de ascese te zijn binnengedrongen en neemt zij, als
zelftuchtiging, een vooraanstaande plaats onder de onthoudingen in.
163) Porphyr., Vit. Pyth., 7. Vgl. ibid, 12; Diod. Sic., Bibl. Hist, X 9, 6; Diog. Laert., Vit.
Philos., VIII 33; Jambl., Vit. Pyth, 5r, ro6.
164) Diog. Laert., Vit. Philos., VIII 18; Porphyr., Vit. Pyth, 35, 39; Jambl. Vit. Pyth, 7o, 78,
85, 204, 223, vgl. 23.
165) Diod. Sic., Bibl. Hist., X 5,2, 9,8; Jambl., Vit. Pyth. 4r, 64, 70, 71, 78, 94, 111, 174, 181,
187, 198, 202, 205 (waartoe Aristoxen., fr. 17, MÜLLER), 206, 207, 233.
166) Diod. Sic., Bibl. Hist., X 5, 2; Philostr., Vit. Apollon, I 20; Jambl., Vit. Pyth., 32, 72, 195;
Idem, Protrept., XXI 28.
167) Jambl., Vit. Pyth, 85.
168) Jambl., Vit. Pyth, 32, 86, 137, 240. Vgl. Porphyr., Vit. Pyth, 41.
169) Diod. Sic., Bibl. Hist, X 3,2, 9,9; Diog. Laert., Vit. Philos., VIII 11, 41; Porphyr., Vit.
Pyth, ro, 20; Jambl., Vit. Pyth, 1, 7, 8, ro, 11, 12, 15, 16, 17, 30, 31, 53, 65, 66, 70, 91, 92, 135, 140,
I44, 216, 222.
170) Philostr., Vit. Apollon, VII 21, 38, VIII 5,7 (7).
171) Diod. Sic, Bibl. Hist, X 7, 1.
172) Diog. Laert., Vit. Philos., VIII 13; Jambl., Vit. Pyth, 13, 4r.
173) Philostr., Vit. Apollon, VIII 7 (12); Jambl., Vit. Pyth.,
266.
174) Zie hierboven, blz. 48, noot 59.
175) Jambl., Vit. Pyth, 68, 225.