Show full text4 pages
Page 1
View in PDF(opens in a new window)DAUTZEMRE RS >»
4
Het apocalyptische sterven van Max Delius
lemaal niet onverwacht. Het is heel goed voorbereid en
het past bovendien in een oude literair-mythologische
traditie.
“
Vlak voor zijn dood zit Max Delius te piekeren
over recente astronomische waarnemingen die hij uit
De wraak van een jaloerse god
KLAAS KOPPE, AMSTERDAM
Amerika heeft binnengekregen en die volkomen in.
strijd lijken met de bestaande theorieën. In een geniale
flits van inzicht ziet hij een mogelijke verklaring; welke
impliceert dat hij de eerste geleerde is die voorbij de
natuurkundige ‘Plancktijd’ heeft weten te komen. Hij
weet nu als enige ter wereld hoe het heelal werkt en
waar het vandaan komt; in feite kent hij de hele be-
J.A. Dautzenberg
Een van de hoofdfiguren uit Mulisch’ De
ontdekking van de hemel sterft doordat er een
meteoor op zijn hoofd valt. Dit is geen absurd toeval maar een door de engelen geregisseerde gebeurtenis. De astronoom Max
Delius wordt gestraft omdat hij het gebied
van de verboden kennis is binnengegaan.
Hij overschrijdt de natuurkundige
‘Planckgrens’ en kent ineens het begin en
het einde van de schepping. Op dat moment
is hij aan God gelijk geworden en moet hij
Bic Banc PLUS TINIEST
FRACTION OF A SECOND
(10*)
staansgrond van de schepping. Hij ziet de Nobelprijs al
opdoemen, maar hij wordt door diezelfde schepping,
die nu ‘ontdekt’ is, gedood — want er zijn dingen die
een mens niet behoort te weten.
Max Delius wordt gestraft zoals eens de mythologische Prometheus en de literaire Frankenstein. Het is
het oeroude thema van de verboden kennis dat al eerder in het werk van Mulisch opduikt. In een interview
met het Filosofie Magazine zei hij over zijn roman archibald strohalm: ‘Die gaat over een man die alles begrijpt
en die eraan ten onder gaat.’
Prometheus stal het vuur van de goden en gaf dat
sterven.
aan de mens: zo ontstonden techniek en wetenschap en
werd de mens een beetje aan de goden gelijk.
D: intrige van Mulisch’ De ontdekking van de hemel
Frankenstein ontraadselde het geheim van het leven en
slaagde erin met behulp van elektriciteit uit dode stof
een levend wezen te maken: zo werd God een deel van
het scheppingsproces ontnomen. Max Delius ontdekt
kan heel kort worden samengevat: God (‘de
Chef’) heeft een engel opdracht gegeven er voor
te zorgen dat er een kind geboren wordt dat de Stenen
Tafelen zal terugbrengen naar de hemel. De parallel
hoe het heelal ontstaan is en ontneemt God het alleen-
De oerknal, schematisch weergegeven. (Uit: George
Smoot en Keay Davidson, Rimpelingen in de tijd, uitgeverij Bodoni)
met het christelijke verlossingsverhaal is duidelijk, en
zoals Jezus twee vaders had - zijn stiefvader Jozef en
zijn echte vader God - zo moet ook Quinten twee vaders hebben: zijn stiefvader Onno en zijn biologische
vader Max Delius. Om redenen die hier niet ter zake
recht op het totale scheppingsproces. Allicht dat God
doen, moet Max Delius sterven. Voor God en de engeschap en techniek. De verboden kennis is altijd natuurde tijd van het rationalisme. Hoofdthema van Shelley’s
wetenschappelijke kennis, niet iets van literaire, taalkundige of historische aard.
boek is de bestraffing van de ratio vanwege haar verge eindigt op pagina 654 met de ironische mededeling:
‘Volgens internationaal gebruik werd het hemellichaam
als een afrekening met de Verlichting.
Ook Mulisch’ boek is een afrekening met de
Verlichting. De basisidee ervan is dat door de opkomst
van de exacte wetenschap en techniek het verbond dat
God en mens ooit gesloten hebben, niet meer geldig is.
De wortels van het kwaad liggen rond 1600 bij Francis
Bacon. Mulisch beschrijft hem — geheel in overeenstemming met de gebruikelijke visie in de wetenschapshistorie — als ‘de man die de moderne wetenschappelijktechnologische wereld profetisch heeft voorzien’ (p. 246).
Rondom Bacon heeft altijd iets geheimzinnigs gehangen, waarvan Mulisch gretig gebruik maakt. Hij zou de
werkelijke schrijver zijn van Shakespeares toneelstukken, de oprichter van de Rozenkruisers-beweging en
vernoemd naar het dichtstbijzijnde postkantoor: De
de auteur van Marlowes tragedie Doctor Faustus (p. 247).
terugslaat.
De overeenkomst in alle drie de gevallen is dat de
overtreding telkens iets te maken heeft met wetenlen is dat een koud kunstje, en dus ook voor Mulisch.
Hij had Delius een auto-ongeluk kunnen laten krijgen,
een vreselijke ziekte, een hartaanval. Maar Mulisch laat
Harry Mulisch
Shelley’s roman Frankenstein (waarvan de ondertitel luidt: or the modern Prometheus) is een voorbeeld van
hem nu net op een plek staan waar een meteoor neervalt...
genkomen (een treffend voorbeeld is het slot van De
een romantische ‘gothic novel’. Dit genre - zeg maar de
vroege griezelroman — was al vóór de romantiek ont-
Men kan dit zien als een van de mateloze overdrijvingen waarop Mulisch het patent lijkt te hebben.
Want de kans dat een mens getroffen wordt door een
meteoor is zo klein dat - in de woorden die Mulisch in
een ander verband gebruikte — ‘het heelal te klein is om
het papier te bevatten, waarop het aantal nullen achter
de komma staat, dat nodig is om die kans te beschrijven’ (De zuilen van Hercules, p. 133; dit is zelf weer een
mateloze overdrijving).
Het sterven van Delius wordt met een zekere ironie
beschreven, wat we eveneens regelmatig bij Mulisch tediamant, waarin Krijn zich met een zeis het hoofd afslaat). Er zit bovendien nog een extra ironie in Delius’
dood: hij is van beroep astronoom, dus iemand die alles van meteoren dient te weten en die nu door een van
zijn onderzoeksobjecten vermorzeld wordt. Daar komt
nog bij dat de halfjood Delius zijn absurde lot ondergaat bij de radiosterrenwacht van Westerbork, gevestigd naast het vroegere doorgangskamp. De hele passametelheid, en de roman als geheel kan men opvatten
Met name die verwijzing naar Faust komt Mulisch
Westerbork.’
J.A. Dautzenberg is docent Nederlands en medewerker van de
Volkskrant. Hij schreef onder meer een literatuurgeschiedenis voor
het middelbaar onderwijs en een studie over Het stenen bruidsbed
van Harry Mulisch.
staan als een onder- en tegenstroom van de Verlichting,
goed van pas: Faust verkocht zijn ziel aan de duivel om
kennis te bezitten, waarmee wederom de band gelegd
Delius, Prometheus, Frankenstein (en Faust)
is tussen kennis en zonde. (Vergelijk ook het bijbelse
Komt de dood van Delius dus letterlijk uit de lucht vallen, romantechnisch komt zijn buitenissige sterven hemotief van de boom der kennis van goed en kwaad in
pers
Page 2
View in PDF(opens in a new window)de hof van Eden.) Er zit trouwens nog een subtiele verwijzing naar Faust in de roman: net als Goethes toneelstuk begint hij met een ‘proloog in de hemel’.
Max Delius, Max Planck
Max Delius heeft dus iets ontdekt. Nu wil Mulisch niet
alleen zéggen dat Delius iets groots op het spoor is, hij
wil dat ook tonen. Hij doet dat door de wetenschappelijke gedachtengang van Delius fragmentarisch weer te
geven en hij maakt het zich dus aanzienlijk moeilijker
dan Mary Shelley, die het liet bij enige duistere verbalismen over Victor Frankensteins buitengewone wetenschappelijke inzichten. De hele passage (p. 646-654, met
een voorbereiding op p. 631-634) is een kunststukje van
toespelingen, woordspelingen en verwijzingen die niet
alleen diverse wiskundige en natuurkundige theorieén
met elkaar in verband brengen, maar die ook Mulisch’
eigen filosofische opvattingen incorporeren in Delius’
fundamentele ontdekking.
De passage staat vol met termen als oersingulariteit, Big Bang, Plancktijd en unificatie, die alle te maken
hebben met wat in de kosmologie en de deeltjesfysica
het ‘standaardmodel’ wordt genoemd. Voor een lezer
die daarvan op de hoogte is, wordt op die manier aannemelijk gemaakt dat Delius inderdaad een oplossing
heeft gevonden voor het enorme probleem waarmee
dat standaardmodel al sinds vele jaren worstelt.
Het gevolg hiervan is dat de goddelijke ingreep gemotiveerd lijkt, want het lijkt inderdaad alsof Delius
iets op het spoor is. Voor lezers die niets van deze materie weten, is de passage echter een soort lege plek in
ker. De energie die nodig is om de zwaartekracht met
de overige krachten te verenigen wordt de Planck-energie genoemd (naar de Duitse fysicus Planck die — toeval? — dezelfde voornaam heeft als Delius). Die is echter zo onbeschrijfelijk groot dat we ze zeker nooit zullen kunnen opwekken. Een theorie die alle vier
krachten verenigt, wordt een Toa genoemd (Theorie
over Alles), want ze geeft een volledige beschrijving
van de grondslagen van de (fysische) natuur, van de
‘compositie van de wereld’ om met Mulisch te spreken.
En het is deze Toa die Max Delius ontdekt.
Omdat we de Planck-energie nooit kunnen opwekken, kunnen we alleen te rade gaan bij de natuur: is ergens zoveel energie voorhanden? In het huidige heelal
niet, maar vroeger, dicht bij de oerknal wel. Zoals men
weet dijt het heelal uit, wat impliceert dat het vroeger
veel kleiner moet zijn geweest. Dat betekent dat het
toen ook veel heter was, want wanneer materie wordt
samengedrukt stijgt de temperatuur (zoals iedereen
weet die wel eens een band heeft opgepompt).
Fysici kunnen een model opstellen van wat er vlak
na het ontstaan van het heelal (circa vijftien miljard jaar
geleden) moet zijn gebeurd. Draaien we de film van
History of the Universe
het boek, die nauwelijks (literaire) overtuigingskracht
heeft. Voor die lezers zal ik trachten uiteen te zetten
wat Delius heeft ontdekt en waarom dat zo belangrijk
derne kosmologie en deeltjesfysica noodzakelijk. Wie
dit niet wil meemaken, kan verder lezen bij het volgende tussenkopje (maar ook daar zullen enkele bètazaken aan de orde komen).
Er zijn vier natuurkrachten: de zwaartekracht, de
elektromagnetische kracht, de zwakke kernkracht en
de sterke kernkracht. Fysici denken dat die vier krachten in feite manifestaties zijn van één Universele Kracht:
bij een veel hogere energie /temperatuur dan wij kennen vallen de zwakke kernkracht en de elektromagnetische kracht samen tot de ‘elektrozwakke kracht’, bij
nog hogere energie voegt de sterke kernkracht zich erbij, en bij de allerhoogste energie vindt de unificatie
274 Literatuur 95-5
dat alles wat zich nu in het heelal bevindt (en dat is
heel veel) in zo’n klein volume kan hebben gezeten,
moet bedenken dat volgens Einsteins beroemde vergelijking E=mc? materie gelijk is aan energie. Als dat
piepkleine volume maar heet genoeg was, kan alle huidige materie en straling eruit voortkomen. En 1032
graden is héél erg heet.
on
Tijdschaal van de geschiedenis van het heelal
(Uit: George Smoot en Keay Davidson, Rimpelingen in
de tijd, uitgeverij Bodoni)
menteel bewezen. Wil je de zwaartekracht in dit systeem onderbrengen, dan moet ook die door een boson
worden overgebracht. Het zwaartekracht-boson wordt
graviton genoemd, maar helaas is er nog nooit iemand
in geslaagd aan te tonen dat dit deeltje ook werkelijk
bestaat. -
Anderzijds hebben we een volmaakt werkende en
zeer goed geverifieerde theorie van de zwaartekracht:
de algemene relativiteitstheorie van Einstein. Maar dit
is helemaal geen quantumtheorie over krachtvelden en
bosonen, het is zuiver geometrische theorie. In de
quantummechanica stelt men zich voor dat de aarde
om de zon draait omdat beide gravitonen uitwisselen,
in de relativiteitstheorie draait de aarde om de zon omdat de zon de ruimte zodanig vervormt dat de aarde in
een ronde baan eromheen moet gaan lopen. (De analogie die steeds wordt gebruikt is die van een strak gespannen laken met in het midden een biljartbal. Het laken zal in het midden naar beneden uitstulpen en als je
een pingpongballetje erover laat rollen zal dat in steeds
naam voor een zo miniem deel van een fractie van een
seconde). De eerste is een kosmologische. Uit de relativiteitstheorie van Einstein volgt dat voorbij de
Planck Tijdperk, dan moet hij deze twee geheel verschillende beschrijvingen van de wereld met elkaar
zien te verenigen, dus ofwel een quantumversie van de
Plancktijd het heelal gewoon verder krimpt totdat het
geometrische zwaartekracht maken ofwel een geomeop het tijdstip nul een ‘singulariteit’ vormt, dat wil zeggen een dimensieloos punt met een oneindig hoge
energie en druk. Singulariteiten zijn een natuurkunditrische versie van de drie quantumkrachten - en niemand heeft ook maar een spoor van een idee hoe dat
kleinere cirkels om de biljartbal gaan lopen totdat het
in de kuil blijft liggen.)
Wil iemand dus iets zinnigs zeggen over het
zou moeten.
Maar Max Delius ontdekt het. Hij beschikt dan
bij een oneindig grote druk en energie?
Terzijde: Mulisch maakt een fout door Delius op
over een TOA, dus over een volledige beschrijving van
hoe de natuur werkt, en kan dus ook iets zeggen over
die verdoemde singulariteit aan het begin van het heelpagina 648 en 652 te laten denken dat aan de rand van
al. Want ook zo’n singulariteit hoort bij beide visies op
het zichtbare heelal misschien ‘de Big Bang nog was te
zien’. Het hele heelal is ontstaan uit de oerknal, die dus
niet ‘ergens’ plaatsvond maar ‘overal’: het huidige
de natuur. Ze is immers een geometrische verschijnsel
(een dimensieloos punt) alsook een quantumverschijnheelal is de ontploffende oersingulariteit, alleen miljarpuntvormige deeltjes zonder enige innerlijke structuur.
werkende cur hebben, dan moet die verenigd worden
met de zwaartekracht om de Toa te vinden die Max
Delius in een flits ontdekt. Maar de ellende is dat we
Bob,
de zogenaamde bosonen ofwel de ‘quanta’ van de
krachtvelden. Het bestaan van deze deeltjes is experi-
Tot nu kunnen geleerden om twee redenen geen
enkele uitspraak doen over het ontstaan van het heelal
(de Big Bang), dus over de periode vóór de Plancktijd
(het zogenoemde Planck Tijdperk, een nogal weidse
De tweede reden dat er niets over die eerste fractie
van een seconde gezegd kan worden, heeft te maken
met het opstellen van een TOA. Stel dat we — zoals de
meeste fysici denken — binnen enkele decennia een
De eerste unificatie werd theoretisch bereikt in de
jaren zeventig en werd in 1983 experimenteel bevestigd
toen de vereiste energie in de deeltjesversnellers opge-
Universele Theorieën). De volgende stap is nog moeilijheet de Plancktijd omdat op dit punt het heelal een temperatuur heeft van 103? graden en dat is precies de bovengenoemde Planck-energie. Het heelal is dan kleiner
dan een elementair deeltje. Wie zich erover verbaast
den keren vergroot.
met de zwaartekracht plaats.
is het verenigen van de nieuwe elektrozwakke kracht
met de sterke kracht. De nog zeer gebrekkige theoretische modellen daarvoor worden cut’s genoemd (Grote:
ten slotte ook de zwaartekracht zich erbij. Dit tijdstip
ge en logische gruwel: want hoe kan iets bestaan dat
geen enkele afmeting heeft en wat moet je je voorstellen
is. Hiervoor is echter (helaas?) een uitstapje in de mowekt kon worden (zowel de theorie als het experiment
werden beloond met de Nobelprijs). De volgende stap
die allereerste periode in omgekeerde volgorde af, dan
zien we het volgende.
u
Ongeveer 10°10. seconde (dat is ééntienmiljardste seconde) na de oerknal gaan de elektromagnetische en de
zwakke kracht samensmelten, nog dichter bij het begin,
op het tijdstip 10°34 voegt de sterke kracht zich erbij
(het heelal is dan ongeveer zo groot als een sinaasappel) en op het tijdstip 10°43 (dus een nul met achter de
komma, tweeënveertig nullen en dan een één) voegt
van die veronderstelde cur in elk geval al één ding
denken te weten: zij zal niet gecombineerd kunnen
worden met de zwaartekracht. Want — en dit klinkt
veel moeilijker dan het is — een cur is een quantumtheorie en de zwaartekracht niet.
De elektromagnetische, zwakke en sterke kracht
worden beschreven in de zogenoemde quantummechanica. Essentieel daarin is dat een kracht wordt opgevat als de uitwisseling van ‘krachtdragende deeltjes’,
sel, want elementaire deeltjes als bosonen zijn ook
Delius, Pythagoras, Cantor (en Mulisch)
Max Delius begrijpt dus ineens hoe de (fysische) wereld in elkaar zit. Hij kent de grondslagen van de natuur en weet dus in zekere zin ‘alles’. Zoals men weet is
Max Delius voor een deel een autobiografisch figuur,
wat ook op dit punt blijkt. De euforie van Delius is dezelfde als die welke Mulisch in Voer voor psychologen
(p. 24 en 26) beschrijft naar aanleiding van een gebeurtenis in 1949: ‘Ik wist alles. Ik begreep alles. (...) Ik leefde
op de top van de wereld.’ Uit die tijd stamt zijn theorie
van de ‘octaviteit’, die hij later neerlegde in De compositie van de wereld, welke theorie men kan beschouwen
als de filosofische tegenhanger van Delius’ fysische
Theorie over Alles. In dit boek wordt dezelfde gebeurtenis beschreven op pagina 190 het geval is: ‘en werkelijk voltrok zich toen iets in mij, dat ik later bij mystici
Page 3
View in PDF(opens in a new window)beschreven vond als “de nadering van het licht”
Over Delius schrijft Mulisch op pagina 647: ‘En opeens was het of er een groot licht in hem werd ontstoken: hij begreep alles!’ (Vergelijk ook Jesaja 9:1 waarin
de geboorte van Christus wordt aangekondigd: ‘Het
volk dat in duisternis wandelt, zal een groot licht
zien”) Niet in mystieke doch in letterlijke (en verwoestende) zin daalt dit licht daarna op Delius neer: ‘een
verblindend witte vuurbol als een raket uit de hemel’
(p. 653).
Alle huidige speculaties over een Toa behoren eerder tot de filosofie dan tot de fysica. Als zo’n theorie
ooit wordt gevonden, dan zal ze waarschijnlijk niet komen van een gevestigd natuurkundige of kosmoloog,
maar van een geniale halve buitenstaander die een totaal nieuwe benadering vindt. En Max Delius is zo’n
halve buitenstaander: hij heeft nooit ‘weten door te
dringen tot de echte top van het internationale astronomendom’ (p. 644). Ook hier ligt weer een autobiografische parallel. Bij het verschijnen van De compositie van
de wereld werd door vakfilosofen opgemerkt dat alleen
buitenstaanders nog zulke allesomvattende wereldsystemen opstellen. Maar in het al eerder aangehaalde interview zegt Mulisch daarover: ‘Misschien zijn die
buitenstaanders wel de echte filosofen.’
Dit geeft hem de mogelijkheid in zijn weergave
van Delius’ wetenschappelijke gedachten enkele elementen te introduceren die weliswaar ook iets te ma-
De tetractys van
Pythagoras
sche klinieken, wat Mulisch meedeelt op pagina 651.
Het begrip ‘oneindigheid’ is een goddelijk attribuut,
iets waaraan de mens niet mag raken, en men zou dus
de waanzin van Cantor kunnen zien als een straf van
God voor zijn overmoed het rijk van het oneindige (of
van de Oneindige) binnen te treden.
in de twee hoofdstukjes ‘Uit de diepte’ op pagina 427
en 670. (De in de war geraakte vorm van de tetractys op
pagina 427 heeft te maken met andere interpretatie-aspecten van de roman, waarop ik hier niet kan ingaan.)
Ook de supersnaartheorie is verbonden met het getal 10, want volgens de meest bekende versie ervan
heeft het heelal geen vier dimensies (tijd, lengte, breedte en hoogte) maar tien. De zes ‘nieuwe’ ruimtelijke dimensies zijn voor ons niet waarneembaar omdat ze
meteen na de oerknal op microscopisch niveau zijn
‘opgerold’ (wat dat betekent laat ik hier verder in het
midden.)
Op pagina 650, na de tetractys, valt de naam van de
Duitse wiskundige Georg Cantor (1845-1918): ‘kon hijzelf dan misschien te rade gaan bij Cantor, de grondlegger van de verzamelingenleer? Cantor? De Zanger!’
Door de woordspeling wordt een verband gelegd tussen enerzijds de snaartheorie en octaviteit en anderzijds een begrip dat al op pagina 648 viel: oneindigheid.
Dit laatste verbindt het standaardmodel met de wis-
-
Ook Delius treedt misschien dit rijk binnen. Boven
is gezegd dat de bestaande cut’s nog steeds niet gerenormaliseerd zijn en zo lang dat niet het geval is, zijn het
geen zinvolle beschrijvingen van de werkelijkheid. Stel
dat een Toa helemaal niet gerenormaliseerd kán worden, dus altijd oneindige getallen in zich bevat, dan wil
dat zeggen dat Delius, als hij een Toa heeft ontdekt, wel
kan omgaan met oneindige getallen, en dus ook geen
problemen meer zal hebben met de oneindigheden van
de singulariteit, dus van de Schepping.
De Goddelijke Paradox
De oerknal, de Plancktijd en Cantors verzamelingenleer (en dus Max Delius) kunnen nog op een andere
manier met elkaar in verband gebracht worden. Een
singulariteit is in zekere zin een paradox: iets dat geen
enkele afmeting meer heeft en tegelijk oneindig veel
energie (dus massa) bezit. Ook de Plancktijd lijkt op
een paradox, omdat de twee meest gerespecteerde natuurkundige theorieén van deze eeuw, die beide talloze toetsingen hebben doorstaan, elkaar op dit punt
kunde.
uitsluiten.
ken hebben met het boven geschetste standaardmodel,
maar die tevens verwijzen naar zijn theorie van de
Boven besproken unificatietheorieën kampen allemaal met het probleem dat er in de berekeningen tel-
Mulisch’ ‘oerfenomeen’ uit De compositie van de wereld
octaviteit als grondslag van de wereld.
kens oneindigheden opduiken (bij voorbeeld omdat
een getal door nul gedeeld moet worden) en daarmee
Zo introduceert hij op pagina 649 het begrip
‘snaar’, dat natuurlijk verwijst naar muziek en dus naar
is vanzelfsprekend niet te werken. De theorie van de
octaviteit, maar ook naar een onderdeel van de recente
elektrozwakke kracht werd van de ondergang gered
fysica. De zogenoemde snaartheorieén, die in de vroedoor de Nederlandse fysicus Gerard ’t Hooft, die liet
zien dat je de theorie kon ‘renormaliseren’, dat wil zegge jaren tachtig werden opgesteld, leken een oplossing
te bieden voor de onverenigbaarheid van de relativiteitstheorie en de quantummechanica. Zij beschrijven
de elementaire deeltjes niet als dimensieloze punten
gen door middel van een wiskundige handigheid ontdoen van de oneindigheden. Van de bestaande-eur's
is
echter nog steeds niet aangetoond of en hoe ze geremaar als ééndimensionale snaartjes die op allerlei manormaliseerd kunnen worden, laat staan van een TOA.
nieren kunnen trillen. Aanvankelijk dacht men dat eindelijk de juiste weg naar een TOA was gevonden, maar
de snaartheorieën verkeren al jaren in een impasse en
veel geleerden denken nu dat ze een doodlopende weg
Oneindig grote getallen werden in de wiskunde
voor het eerst bestudeerd door Cantor. Bij het begrip
‘oneindig’ is men geneigd alleen te denken aan de
zijn. Maar toen Max Delius in 1985 stierf, was men nog
veel optimistischer en het is dus logisch dat Mulisch
hem via de snaartheorie de Planckgrens laat overschrijen.
Cantor toonde aan dat er meer ‘oneindigheden’ zijn.
Zo is het aantal ‘reële’ getallen (dat zijn getallen met cijfers achter de komma) veel groter dan het aantal natuurlijke getallen. Cantor ontdekte meer van dit soort
Wie aan snaren en octaviteit denkt, denkt aan
oneindige hoeveelheden en noemde die achtereenvol-
Pythagoras, en Pythagoras is onverbrekelijk verbonden
met het getal 10, het heiligste aller getallen in zijn leer.
compositie van de wereld schrijft (p. 351) ontdekte
Pythagoras ‘dat bij de harmonische intervallen octaaf,
kwint en kwart de snaarlengten zich verhouden als 2 :
gens aleph-o (de natuurlijke getallen), aleph-1 (de reéle), aleph-2, et cetera. Hij bewees dat het aantal alephs
zelf ook weer oneindig is.
Waarom haalt Mulisch Cantor erbij? De buitengewoon moeilijke abstracte problemen van de verzamelingenleer (en de aanvankelijk afwijzende houding van
1,3:2en 4:3.’ Het getal 10 werd door de Pythagoreërs
uitgebeeld in de figuur van tetractys, die Mulisch op
pagina 650 van zijn roman afdrukt en die ook voorkomt
andere wiskundigen) tastten Cantors geestelijke gezondheid aan: de laatste twintig jaar van zijn leven
moest hij regelmatig opgenomen worden in psychiatri-
Tien is de som van 1, 2, 3 en 4, en zoals Mulisch in De
reeks van de natuurlijke getallen (1, 2, 3, 4, … ), maar
Zoals de oerknal in zekere zin een paradox is, Zo is
dat ook. Dit wordt op pagina 104 gedefinieerd als ‘de
primaire, muzikale harmonie van het octaaf’ en deze
harmonie is in wezen een paradox. In het genoemde interview zegt Mulisch: ‘Ik sloeg zo maar een rijtje tonen
aan. Een c, een d, een e, en toen een c een octaaf hoger.
Wat raar, dacht ik, dat is dezelfde (...). Het was eigenlijk één toon. Dus die octaaftoon was dezelfde als de
eerste en toch ook weer niet. Dat kan dus niet, dacht ik,
iets is dit of niet-dit. Tertium non datur, een derde is er
niet. Maar hier had ik wel dat derde, want die tweede
was die eerste, en niet. Dus daar had ik de paradox, de
pure, hoorbare paradox, in de gestalte van de volmaakte harmonie. Namelijk het octaaf. Toen kreeg ik een
soort Eureka.’
In De ontdekking van de hemel wordt enkele keren
naar de octaviteit verwezen, onder meer op pagina 645,
waar Delius piekert over een naam voor het kind dat
Tsjallingtsje van hem wil hebben. ‘Hoe zou het moeten
heten? Octave? Octavia? Naar Onno’s een-staat-tottwee van het eenvoudigste, volkomen consonante interval?’ Op pagina 650 worden het oerfenomeen en de
oerknal aan elkaar gekoppeld: ‘was het wezen van de
wereld muziek?’ en ‘de Big Bang als oneindige muparadox van de leugenaar: ‘De Kretenzer Epimenides
zegt dat alle Kretenzers altijd liegen.’ Als Epimenides
de waarheid spreekt, liegt hij dus, en als hij liegt zegt
hij in feite dat alle Kretenzers altijd de waarheid spreken, waaruit volgt dat hij nu de waarheid spreekt, dus
liegt, enzovoort. In het oeuvre van Mulisch spelen deze
en andere paradoxen een belangrijke rol, niet alleen in
De compositie van de wereld maar ook in zijn fictionele
werk (bij voorbeeld de paradoxen van Zeno in Het
stenen bruidsbed).
Je zou van de ontdekking van Max Delius kunnen
zeggen dat hij in een flits (Eureka!) zowel de Planckgrens overschrijdt als tegelijk een reeks paradoxen
overwint. Maar het kenmerkende van zuivere paradoxen is dat zij niet overwonnen kúnnen worden door
de mens. Dit is in het geval van Cantor ook bewezen: in
1931 toonde de jonge wiskundige Kurt Gödel aan dat
élk wiskundig systeem dat rijk genoeg is om het oneindige aantal natuurlijke getallen te bevatten, altijd zal
leiden tot twee elkaar uitsluitende beweringen waarvan niet kan worden aangetoond welke juist is en welke onjuist. Daarmee bleek ook de zuiverste aller wetenschappen uiteindelijk slechts onzekerheid te bieden,
dat wil zeggen slechts mensenwerk te zijn. Maar Max
Delius vindt aan gene zijde van de Planck-grens de absolute zekerheid, zuiverheid en waarheid. Daarmee behoort hij tot het rijk van het goddelijke en de ‘Absoluut
Oneindige ’ van Cantor (p. 651), en daar hoort een mens
niet thuis, tenzij na de dood.
Cantor gebruikte het symbool om de verzameling
van alle alephs aan te duiden, die zelf weer oneindig
groot is. Omega is daarmee de grootste hoeveelheid die
kan bestaan. Het begrip omega komt ook voor in de
kosmologie. In de filosofische kosmologie van Teilhard
de Chardin is ‘het punt omega’ het uiteindelijke resultaat van de evolutie van mens en wereld: God. In de
wetenschappelijk kosmologie wordt het gebruikt om
de verhouding aan te geven tussen de werkelijke massa van het heelal en de zogenoemde kritische massa.
Als omega groter is dan 1, dat wil dus zeggen dat de
werkelijke massa groter is dan de kritische, zal het
heelal over miljarden jaren door zijn eigen zwaartekracht weer gaan inkrimpen; is omega kleiner dan 1
dan zal het eeuwig blijven uitdijen. Niemand weet hoe
groot omega is, maar er zijn zwaarwegende redenen
om aan te nemen dat omega heel dicht bij 1 ligt, misschien zelfs precies gelijk is aan 1. In het laatste geval
zal de uitdijingssnelheid van het heelal steeds dichter
tot nul naderen maar nul nooit bereiken, zoals de reeks
1,1/2,1/4,1/8, enzovoort ook pas na oneindig veel halveringen bij nul aangeland is. Bovengenoemde paradoxen van Zeno, zoals die van Achilles en de Schildpad,
zijn gebaseerd op dergelijke reeksen, en de wiskundige
ziek!’ En had ook Canter niet oorspronkelijk ‘musicus
formule die in Het stenen bruidsbed op pagina 166 staat
willen worden’ (p. 651)?
Paradoxen in de zuivere betekenis van het woord
komen voor in de verzamelingenleer van Cantor. Ze
zijn een soort wiskundige versie van de oude Griekse
Als uit Delius’ nieuwe theorie 66k omega volgt (en
de meeste geleerden zijn van mening dat een Toa de
precieze waarde van omega zal impliceren), dan kent
afgedrukt, houdt er eveneens verband mee.
Page 4
View in PDF(opens in a new window)hij zowel het begin als het einde van de schepping en is
op hem het woord van toepassing: ‘Ik ben de Alfa en
de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Heer, Die is,
en Die was, en Die komen zal, de Almachtige.’ Dit is
boekbesprekingen
het achtste vers van het bijbelboek waarvan de twee titels als oorzaak en gevolg van toepassing zijn op het lot
van Max Delius (en op de roman als geheel): Openbaring en Apocalyps. Allicht moet hij sterven, - zegt de
God aan wie hij gelijk is geworden immers niet óók
van Zichzelf: ‘Want Ik, Jahweh, uw God, ben een naijverige God’ (Exodus 20: 5)?
literaire avond
Literatuuropgave
Goede inleidingen in de kosmologie voor een groter publiek zijn
Govert Schilling, De salon van God (Amsterdam, 1993), Alan
Lightman, Oerlicht (Amsterdam, 1992), John Gribbin, Het punt
Omega (Amsterdam, 1989) en - moeilijker - Heinz Pagels,
Volmaakte symmetrie (Amsterdam, 1988). Voor leken begrijpelijke
boeken over deeltjesfysica zijn John Gribbin, Op zoek naar
Schrödingers kat (Amsterdam, 1985) en Heinz Pagels, De kosmische
code (Amsterdam, 1984); recenter maar veel moeilijker is Gerard 't
Hooft, De bouwstenen van de schepping (Amsterdam, 1992). Veel
informatie staat ook in het zesde hoofdstuk van Mulisch’ De compositie van de wereld uit 1980 en in de essays ‘Het licht’ en ‘Het ene’ uit
De zuilen van Hercules (1990). Over Cantors wiskunde gaat Rudy
Rucker, Oneindigheid (Amsterdam, 1986); het is bedoeld voor leken
maar in feite zeer moeilijk. Het geciteerde interview — afgenomen
door Ben Kuiken - staat in Filosofie Magazine jrg. 3, nr. 5 (juni/juli
1994), p. 20-24. Over de betekenis van Pythagoras voor het werk van
Mulisch (en enkele andere auteurs) schrijft Piet Meeuse in
‘Pythagoras, of de metamorfosen van een hersenschim’, in: De slang
die in zijn staart bijt (Amsterdam, 1987), p. 77-140.
« Essay van Christiane Kuby over hedendaagse
Oostenrijkse literatuur
+ Het werk van Elizabeth Reichart
+ Nieuwe generatie Oostenrijkse experimentelen
+ Het raadsel van de taal bij Marie-Thérèse Kerschbaumer
+ Politieke thriller van Anna Mitgutsch
en verder
Egyptisch feminisme . de Gazette . Biografie Sylvia Plath.
Welkom in Jochiesland; spelregels voor Internet
ij — literatuur
Nummer 9.5 (september/oktober 1995) is vanaf 25 augustus verkrijgbaar
In de
He
boekhandel
7
avond
Der Autor als Fremdkörper - Tendenzen
der jüngsten Österreichischen Literatur
met Anna Mitgutsch, Robert Menasse,
Liesl Ujvary en Elfride Czurda.
Gespreksleider: Gerda Meyerink
1g
ca Hendrickje Spoor
WO Een huwelijk
00 Roman f29,50
em Het lijkt een sprookje,
© maar het voorgenomen huwelijk
fea) van Bernard en
© Louise blijkt sluipenA derwijs beladen met
angsten en geheimen.
278 Literatuur 95-5
Literaire
wre:
Woensdagavond 27 september 1995
Felix Meritis Amsterdam
Reserveren tel: 020-6231311
Neem of geef nu een abonnement op Surplus en
ontvang een boek als welkomsgeschenk!
Surplus Los nummer f 5,75 + abonnement (6 nrs) f 33,00
Surplus » Postbus 16572 + 1001 RB Amsterdam + 020-6207767