Show full text10 pages
Page 1
View in PDF(opens in a new window)DK ACC
E RR \ Ba
ea
7
Stricker B. H.- De praehelleense ascese. OMRL 1967 XLVIII: 44-55.* Dans les prescriptions
nd
alimentaires et hygiéniques de Pythagore nous retrouvons des éléments de rites d'abstinenceet
d'ascèse orientaux. Cependant, le pythagorisme connaissait aussi des règles qui sortent du cadre
oriental (à suivre).
…°
)
Stricker B. H.- De praehelleense ascese (Vervolg). OMRL 1968 XLIX: 18-39.* Prescriptions
LN
d'hygiène, de sobriété et d'abstinences diverses chez les Egyptiens, les Juifs et les Phéniciens (à
5a
De
suivre).
ET &
en en
.
Stricker B. H.- De praehelleense ascese: 86: KAGNEIIA. OMRL 1969 L : 8-16.« Suite de la revue
des prescriptions d'hygiène dans le monde antique (cf. APh OXX 239 & XLI 692).
Oe
neve AT
Seren
[43-10890
{
94 L
Stricker B. H. - De praehelleense ascese. OMRL 1971 LIl : 54-70. * Dans les religions égyptienne et
judaïque ainsi que dans les rites de l'antiquité classique, l'abstinence alimentaire et sexuelle remplace,
Lb
en tant qu'arrêt temporaire des fonctions vitales, le sacrifice ; elle est toujours en rapport avec l'idée de
q 91
la mort. La suppositio (U(PALLAGH/) et la permutatio sacrificii sont d'autres formes de la même
pensée (à suivre).
en Mr nne
Jao
i
(
7
[44-09663
Stricker B. H. - De praehelleense ascese (Vervolg). OMRL 1974 LV: 129-197.« Le sacrifice et ses
bas R
différentes formes, circoncision et sacerdoce (pour la partie précédente de’ 'atticle, cf. APh XLIV p.
712).
Phan
Al dk
[49-11523
Stricker B. H. - De praehelleense ascese (Vervolg). OMRL 1976 LVII : 299-333. * Le symbolisme du
soleil et les rites de purification dans les mondes égyptien, juif, hellénique et chrétien.
PN
A
C
q9 q
[49-11524
Û
memmen
Stricker B. H. - De praehelleense ascese. Vervolg. OMRL 1980 LXI : 209-251. * Votum, nuncupatio et
serment dans le monde gréco-romain et chez les peuples d'Orient (cf. APh XLIX N° 11523) & (cf. APh
XLIX N° 11524).
CAL
=
[51-11160
od heerlanhge
ma
ve
beng
tan fe A
ck
Ass U
q
GW ÔSO5 3
je °
N
_—
leed
mmm
SAnccAar Ru.
be pre bellers
Sy ype
-
Ae
LXIV
Kr |
en
Ar Ra
A
De
Suryk
ty
AEN
tte
p
l3 83
t- so
Sat ‘ag
jer
veh
bede
by
doe)
jeer
P v-to
Page 2
View in PDF(opens in a new window)“Ayvéua
$ 6 Het stelsel der onthoudingen maakte deel uit van de dyvéia of reinheidsleer.
Naar deze leer is in het voorgaande herhaaldelijk verwezen 484). Zij staat in deze paragraaf
ter bespreking. Het gaat daarbij om het gebruik van de Griekse term, niet om de systematiek. Het begrip „rein” kan in het Grieks door vele andere termen dan alleen áyvóc
worden uitgedrukt. In een onderzoek naar de samenstelling van de reinheidsleer hadden
deze alle gelijkelijk behandeld moeten worden. Dat is hier niet geschied. Het behoeft
voor het beperkte doel, dat vervolgd wordt, ook niet te geschieden, daar alleen de hier
gekozene ter typering van de ascetische vorm van reinheid wordt gebezigd.
Aan de term áyvéia beantwoordt in het Egyptisch, in de demotische versie van het
priesterdecreet van Canopus: gj-n-{hb, „besprenkeling”, in de hiëroglyphische versie:
n.t-“ nb n bsj r irj wb m hw.t-ntr, „alle riten tot priesterwijding in de tempel” 485). Dit
zijn beide duidelijk omschrijvingen. De woorden de casto ore, hierboven besproken, stellen
hetzelfde voor als het Egyptische twr-r3, „met reine mond” #86). Andere corresponderende
termen in de heidense litteratuur zijn mij niet bekend. In de Koptische vertaling van
Septuaginta en Nieuwe Testament wordt áyvós met al zijn afleidingen onveranderlijk
weergegeven door de termen ovon en TôBo: TorBo, beide teruggaande op het Egyptische
wb, „rein”’. In de Septuaginta zelf komt de term áyveia slechts drie keer voor “7), in de
Vulgaat de term castimonium in het geheel niet. Van de woorden &yvós, castus, en afleidingen zijn echter meer voorbeelden te vinden en deze dienen, incidentele vertalingen
daargelaten 488), tot vertaling van hetzij de stam wip en afleidingen, hetzij de stam sv
en afleidingen %°). Vertaalt men terug, dan blijkt in de grote meerderheid der gevallen
vip in het Grieks éysos en afleidingen, in het Latijn sanctus en afleidingen op te leveren,
en
en evenzo mb in het Grieks xa9apóg en afleidingen, in het Latijn mundus, purus
afleidingen. De vertalers zijn dus weinig consequent te werk gegaan. Het is echter duidelijk,
dat de term dyvéia een tweeledige inhoud heeft, in materiële zin „reinheid” betekent en
484) Voor Pythagoras, zie noot 163.
485) Decr. Canop., dem. versie, A g, B 31; hiërogl. versie, 16.
486) Zie noot 297.
Ee
487) Num., VI z, 21; II Paral., XXX 19.
9.
88) Zie noot 553, 573, 596, 599. Verder: Prou.,
br E. HarcH en H. A. RepParH, A Concordance to the Septuagint, Oxford, 1897-1906,
sub voce.
Page 3
View in PDF(opens in a new window)in abstracte zin „heiligheid”. Met de term áyvóc geven Aquila en enige andere late
vertalers ook het woord "on, „vroom” weer, in de Septuaginta steeds vertaald als éotog *%).
De áyvela is zaak van de mens. Zij vormt het passieve gedeelte van diens liturgische
taak, waarvan het actieve gedeelte bestaat in het verrichten der heilige handelingen “®!)
en het uitspreken der heilige woorden 42). Het stelsel werd op aarde in stand gehouden
door de priesterschap. Daar de oudheid geen landelijke regeling der liturgie kende, was
de áyvela gebonden aan het heiligdom 4%). Dit schreef de reinheid voor bij „wet’’ *%) en
kon zijn wet ook opleggen aan de onder zijn gezag of invloed staande kleinere heiligdommen. De wettelijke reinheid bestond uit: 1° dogmatische reinheid 495); 2° hygiënische
reinheid 4%); 3° ethische reinheid 497); 4° ascetische reinheid 4%). Zij was gegradueerd; in
het heiligdom te Jeruzalem oplopend in zeven graden 499).
Cultische reinheid was voorwaarde tot alle beoefening der liturgie 5%), zowel der
publieke als der private. Men nam in de publieke cultus de reinheid aan alvorens deel te
nemen aan het offer ®%), het banket %2), het heilige huwelijk 50%), het feest 504), de processie 505), of ook alvorens het orakel te raadplegen 5%). Men handelde evenzo tot voorbereiding op seances van magie of mantiek 507), want ook deze vormden liturgie.
490) Ps., XI (XII) 2, XXXVI (XXXVII) 28, XLIX (L) 5, LI (LII) 11, LXXVIII (LXXIX) 2,
EXXXIV (LXXXV) 9, LXXXV (LXXXVI) 2, XCVI (XCVII) ro, CXV 6 (CXVI 15).
491) Egyptisch irw, Spdpeva, ERMAN-GRAPow, Wörterbuch, deel I, blz. zr 3, noot 8-11,
492) Egyptisch dd-smdw, XCHATAST, Mheyópeva, ERMAN-GRAPOW, Wörterbuch, deel V, blz.
625,3-626,5.
493) Vgl. HI Paral., XXX 19; I Machab., XIV 36; Flav. Jos., Bell. Jud, V 194; Idem, Antiq.,
XVIII ro.
494) Egyptenaren: Isocr., Busir., z1. Joden: Epist. Arist., 142, vgl. ro6; Phil. Jud., Quaest. in
Exod., fr. zo (Marcus); Flav. Jos, Bell. Jud, V r94, VII 264; Idem, Antiq., III 152, XII 145,
XVIII rg.
495) Zie noot 450-483, 554, 582, 583.
496) Zie noot 543-547, 551, 552, 573-581, 586.
497) Zie noot 548-550, 584, 585, 587-591.
498) Zie noot 553-572.
499) Flav. Jos., Bell. Jud., I 26. Vgl. Idem, Contr. Apion., II roz-1ro4; Miën., Kél., I 6-9.
500) Zie noot 603.
sor) Joden: II Paral., XXIX 34; Flav. Jos., Contr. Apion., II 198; Idem, Antiq., I 341, 342,
II 224, 273, XVIII 19. Het inwijdingsoffer der priesters en lagere geestelijken, Egyptenaren: vgl.
Apul., Metam., XI 30, waarbij ibid., 6en 19. Joden: Num., VIII 6, 7, 21; Phil. Jud., De Vit. Mos., II
149, 152; Flav. Jos., Antiq., HI 197, 205, 258. Het broodoffer: I Regn., XXI 6. Het Paasoffer: II Paral.,
XXX 3, 15, 17, 18, 19; IT Esdr., VII ro, rr; Phil. Jud., De Spec. Legib., II 145, 148; Flav. Jos., Antiq.,
II 312, XI rog; Ev. Joh., XI 55. Vgl. Phil. Jud., Quaest. in Exod., I 2.
502) Egyptenaren: Porphyr., apud Euseb., Praep. Evang., IV 23, 3. Joden: Num., XI 18;
Flav. Jos., Bell. Jud., II r29; Idem, Antiq., VI 235.
503) Isai., LXVI 17. Waartoe Artemid., De Somn. Interpr., IV rr.
504) Egyptenaren: zie noot 540. Joden: Phil. Jud., De Decal., 158; Idem, De Spec. Legib.
I 193; Flav. Jos., Bell. Jud., I 229; Idem, Antiqg., III 78, XIV 285. De Sabbat: IT Machab., XII 38
Phil. Jud. De Spec. Legib., II 56. Het Paasfeest: zie noot 5o1.
505) Ios., III 5; I Paral., XV 12, 14.
e
506) Egyptenaren: Aelian., Var. Hist., II 3r. Joden: Exod., XIX ro; Phil. Jud, De Vit. Mos.,
II 68; Idem, De Decal., 45; Flav. Jos., Antiq., HI 78. Syriërs: Macrob., Sat, 1 23, 13.
507) Egyptenaren: PREISENDANZ, Papyri Graecae Magicae, I 54-55, III 304, IV 26, 52, 73,
734-735, 783-784, 897-898, 1009-1100, 3209, VII 334, 749, 981-082, XII 38, XIII 4-5, 114, 347, 671;
Catalogus Codicum Astrologorum Graecorum, deel VIII, 3: P. BoUuDpREAUX, Codices Parisini,
Brussel,
5 (McCown).
1912, blz. 136, 19-20. Joden: Flav. Jos., Bell. Jud, IH 159; Testam. Salom., C, XII
Vgl. Porphyr., De Abstin., II 45.
Page 4
View in PDF(opens in a new window)De priester nam de reinheid aan telkenmale, wanneer hij in functie trad 5%). De dag
in dienstverband doorgebracht, de huépa dyveuruxh, wordt in de papyri dikwijls vermeld 5%); de priester ontving daarop een aparte gratificatie. De reinheid betrof ook de
delen des lichaams; de mond des priesters was rein 51°), en evenzo zijn hand ®) en zijn
kleed 512). De leek nam de reinheid aan om toegang te verkrijgen tot het heiligheidsgebied
van de tempel %5) en tot voorbereiding op de plechtigheden hier tevoren vermeld. Na
voltooiing harer legde hij de reinheid af en hernam de profane staat. Niet aldus de
priester 54) en andere gewijde personen, als de door een vrome gelofte gebondene 515),
de asceet 516), de soldaat te velde 5%?) of de zoon van het door God uitverkoren volk 518).
Dezen waren rein bij definitie. Rein zal ook de beloofde verlosser, de Messias, zijn 519).
Het heiligdom met toebehoren 5%), het altaar 521), de tempelgereedschappen 5%) en
liturgische verbruiksgoederen 5%) waren rein. In de synagoge waren de wetsrollen rein 52%),
De reinheid was ook in deze gevallen reinheid bij definitie, hetgeen niet wegneemt, dat
zij in stand gehouden moest worden. Het heilige land °°), de heilige stad 5) en het
legerkamp met toebehoren 5%’) waren bij definitie rein. Het woonhuis was op zichzelf
niet onrein, moest echter op gezette tijd in staat van reinheid worden gebracht 52).
508) Egyptenaren: Herod., Hist, 1 140; Isocr., Busir., 21; Chaerem., fr. 6 (JacoBy; ad 6, 7);
Plut., De Is. et Osir., 2, 6, 8; Idem, Quaest. Conviv. V ro, 1-2; Idem, De Sollert. Anim., zo; Clem.
Alex., Strom, VII 6, 33, 8; Horapoll., Hierogl., I 57 (priesters ?). Joden, behalve noot sor: I Paral.,
XV 12, 14; II Paral., XXIX 5, 15, 34, XXXI 18; Phil. Jud., De Spec. Legib., I 274, II 163; Flav.
Jos., Contr. Apion., I 199; Idem, Antiq., III 152. Phoeniciërs: Sil. Ital., Pun., III 28. Vgl. Porphyr.,
De Abstin. IV 18.
509) F. PREISIGKE, Wörterbuch der Griechischen Papyrusurkunden, Berlijn, 1925-1931, deel
III, blz. 369. Vgl. Decr. Canop., Gr. versie, 32.
510) Egyptenaren: Apul., Metam., XI 16.
511) Joden: Phil. Jud., De Spec. Legib., II 145. Vgl. Orac. Sibyll., III sgr, VIII 251, en Eurip.,
Orest., 1604.
512) Joden: Flav. Jos., Antiq., III 205, XVIII 94.
513) Egyptenaren: Hero Alex., Pneum., 1 32, II 32; Chaerem., fr. 6 (JAcoBy; ad. 6); Flav. Jos.,
Contr. Apion., I 306. Joden: Phil. Jud., Quod Deus, 8; Idem, De Spec. Legib., III 205; Flav. Jos.,
Bell. Jud., IV 205, 218, V 194, 227; Idem, Antiq., VIII 96, XII 145, XV 418.
514) Egyptenaren, behalve noot 485: Isocr., Busir., 21. Joden: IT Machab., IV 13; Flav. Jos.,
Antiq., III 197, 276.
515) Egyptenaren, Catochi: Rufin., Hist. Eccles, XI 23. Joden, Naziraeërs: Num., VI z, 3,
5, 21; Phil. Jud., De Somn., II 25; Handel., XXI 24, 26, XXIV 18.
516) Joden: Phil. Jud, Quod Omn. Prob., 84; Flav. Jos., Vita, rr.
517) Joden: Flav. Jos., Antiq., V 45.
518) Joden: Phil. Jud., De Spec. Legib., II 163. Vgl. Orac. Sibyll., XIV 360.
519) Joden: Orac. Sibyll., II 49, VIII 169, XIV 205.
520) Behalve noot 513: Egyptenaren: Hellan., fr. 54 (JacoBYy); Plut., De Is. et Osir., 20; Orac.
Sibyll., V sor. Joden: II Paral., XXIX 5, 16-19, XXX 19; I Machab., XIV 36; Phil. Jud., De Vit.
Mos., II 152, 231; Flav. Jos., Antiq., III 197, X 42, XII 318. Samaritanen: Flav. Jos., Antiq., XVIII
85 (Berg Gerizim).
521) II Paral., XXIX 18; II Machab., XIII 8.
522) II Paral., XXIX 18, 19.
523) Lampolie: Flav. Jos, Antiq., III 199.
524) Epist. Arist., 317.
525) Flav. Jos, Antiq., IX 272; Orac. Sibyll., III 267, V 262.
526) Flav. Jos., Contr. Apion., I 282. Vgl. Epist. Arist., 106.
527) Num., XXXI 19, 20, 23.
528) Leuit., XIV 49, 52; Flav. Jos., Antiq., I 341, 342, Il 312.
Page 5
View in PDF(opens in a new window)Het rijk, waarin de zielen der afgestorvenen na de dood verblijven, was rein 52),
De reinheid werd aangenomen gedurende een bepaalde tijdspanne. De termijnen
waren in het algemeen kort: een dag 5%), drie 831), zeven 532) of tien dagen 53). De getallen
drie en zeven typeren de reinheidsperiode als periode van wederopstanding. In drie dagen
wordt de maan van oud nieuw en vormt zich na de geslachtsgemeenschap de kiem in
de baarmoeder ®). In zeven dagen doorloopt de ziel, die geïncarneerd wordt of het
lichaam verlaat, de reeks der planeten 55). Het getal tien, de decade, is ontleend aan de
Egyptische kalender, waarin de maanden, nauwkeurig dertig dagen lang, in drie kleinere
perioden waren verdeeld. Langere termijnen van reinheid waren veertig 5%), een en
veertig 597) en twee en veertig dagen 58). Ook deze zijn typisch voor de wederopstanding;
de menselijke kiem komt in de baarmoeder na verloop van evenzovele dagen tot geleding
en vorming °°). De verplichting tot reinheid was in deze laatste gevallen een zo zware,
dat men wel aan een kalendarisch vastgelegde periode denken moet. Welke deze geweest
kan zijn, wordt uit de schaarse bewijsplaatsen helaas niet duidelijk 5%). Rein bij definitie
was de Sabbat 51). Gewijd aan de dienst van Jahwe, kan deze dag oorspronkelijk vastendag
zijn geweest. Zwakke sporen daarvan zijn in de litteratuur te vinden %?), maar de dag is
blijkbaar vroegtijdig in een feestdag omgezet.
Reinheid werd verkregen door reiniging. De reiniging van het lichaam geschiedde
met water 5%) en, in plechtige gevallen, met welriekende olie °%4). Het water stond aan de
ingang der Egyptische tempels ter beschikking in draaibare apparaten, die van brons
moesten zijn 5%). Het werd bij de Joden gesprengd met wijwaterkwasten en ook voor
529) Egyptenaren: Plut., De Is. et Osir., 78.
530) Ios., III 5.
783-784, 807-898,
531) Egyptenaren: PREISENDANZ, Papyri Graecae Magicae, III 304, IV
blz. 136, zo. Joden: Exod.,
507),
noot
(vgl.
Parisini
Codices
BoUDREAUX,
749;
334,
VII
1099-1100,
Antiq., III 78; Testam. Salom.,
XIX ro-11; I Regn., XXI 5-6; Phil. Jud., De Decal., 45; Flav. Jos,
C, XII 5 (McCown).
minimum); PREISENDANZ, Papyri
532) Egyptenaren: Chaerem., fr. 6 (JacoBy, ad 7; priesterlijk
Flav. Jos, Antig., III 205-206.
Joden:
671.
114-115,
XIII
3209,
734-735,
Graecae Magicae, IV 26, 52,
4
533) Egyptenaren: Apul., Metam., XI 30.
verschijnen).
534) Geboorte van Horus, deel III, hoofdstuk V (nog te
en
bidem.
Syriërs: Macrob., Sat. 1 23, 13.
tijd’’,
“Lange
68-69.
II
Mos.,
Vit.
De
Jud.,
ee ereen Phil.
537) PREISENDANZ, Papyri Graecae Magicae, XIII 4-5, 347538) Chaerem., fr. 6 (JACOBY; ad 7).
ie noot
5
}
2
Isidis: Tertull., De Jejun., II 4, XVI 7;
se Dee eg voor het castimonium ee
;
2.
10,
Epist.,
Vgl. Idem,
5, 17. Leid.
II Spe.
Tovin.,De
v.
E
heen
i
88 6.
Val Idem, De Decal., 102; Idem, De Vit. Contempl., “8
Zo alle
542) Talm. Jer., Ta'an., p. 672, 43-44; Talm. Babl., Beräk.,, 31b.
klassieken: te ze
Pomp. Trog, XXXVI 2,
Geogr.. XVI 2, 40; Sueton., Div. Aug, 76, 2; Justin, Epit. Histor. Philipp.
der vasten
14; Pers., Sat, V 184; Petron., fr. 37 (BÜCHELER); Martial, Epigr., IV 4, 7. Overbrenging
18r.
noot
vgl.
naar de derde dag voor en na de Sabbat,
543) Egyptenaren: Diod. Sic., Bibl. Hist, XVII 5o, 3; Plut., De Sollert. Anim., 20; Horapoll.,
Hierogl., 1 43; Decr. Canop., Gr. versie, 32. Joden: Exod., XIX ro; Leuit., XIV 52; Num., VIII 6,
7,21, XIX 19, 20, XXXI 23; Phil. Jud, Quod Deter., 170; Idem, Quod Deus., 8; Idem, De Decal., 45;
Idem, De Spec. Legib., II 148; Flav. Jos, Vit., rr; Idem, Contr. Apion., I 282; Idem, Bell. Jud.,
II 129, 138; Idem, Antiq., III 205, 258, XVIII 117; Orac. Sibyll., III 592-593; II Clem, VI 9.
544) Joden: Phil. Jud., De Vit. Mos., II 152; Flav. Jos., Antiq., III 197, 205.
545) Hero Alex., Pneum., I 32, II 32; waartoe Dionys. Thrax, apud Clem. Alex, Strom, V 8,
45, 4; Plut., Num., 14; Talm. Babl., Jóm., 37a; A. ERMAN, Zeitschrift für Ägyptische Sprache und
Page 6
View in PDF(opens in a new window)are tsgesmenfanaten ke waren vervaardigd
van cederhout, hysop en
„In
de,
5
zonder bezwaar geschieden kon, werd gereinigd
met vuur). Reiniging van de ziel geschiedde door het brengen van
een offer, hetzij
een bloedig, als het dieroffer 6%), hetzij een onbloedig, als het haaroffer &), en door
het
verrichten van een gebed 550). De werking van water, vuur en bloed was verenigd in het
reinigingsmiddel genaamd „water der afzondering”. Men slachtte een roodkleurige vaars,
verbrandde haar en stortte haar as in bronwater. Daarmede werd gesprengd #1). Toen
Nehemja na afloop van de Babylonische ballingschap de tempel te Jeruzalem voor de
Joodse gemeente in gebruik nam, reinigde hij het altaar met naphtha 52).
Reinheid werd eveneens verkregen door onthouding 53). Uiteraard door onthouding
van alle gruwel %*), maar niet minder door onthouding van overigens geoorloofd genot 555).
Men onthield zich van gegiste drank, in het bijzonder van wijn 5%), of ook van drank in
het algemeen 57). Men onthield zich van vlees5%) en vis5®), en van dierlijke spijzen als
Altertumskunde, deel XXXVIII, Leipzig, 19oo, blz. 53-54; F. W. von Bissinc en J. CAPART, ibid,
deel XXXIX, Leipzig, rgor, blz. 144-146. Voor de samenhang met het Boeddhistische gebedswiel,
vgl. W. Simeson, Journal of the Royal Asiatic Society, jaargang 1898, Londen, 1898, blz. 873-875:
voor het gebruik van het brons in de cultus, vgl. Apollod. Athen., fr. rio (JacoBy). Rein was alle water
van de Nijl ter plaatse, waar een ibis daaruit dronk. De ibis vormt, staande, met de poten een gelijkzijdige driehoek: Plut., De Is. et Osir., 75; Idem, Quaest. Conviv., IV 15, 2; Idem, De Sollert. Anim,
20; Aelian., De Nat. Anim., VII 45. Hij trekt boven het wateroppervlak dus een vereenvoudigd beeld
van de natuurlijke pyramide, waarvan hijzelf als Woord de top, het water als oerwater de basis vormt.
was bij definitie rein, vgl. Talm. Jer., Ta“an., p. 65a, 70-71. Bij de Indiërs was alle natuurlijk
Het oerwater
water rein, waaruit een rund dronk: Baudhäjanadharmaëästra, I 5,9, ro; Väsisthadharmaëästra,
III 35-36, 47; Jäënjavalkjasmrti, I 192; Manusmrti, V 128; Visnusmrti, XXIII 43.
546) Leuit., XIV sr, 52; Barnab., VIII r.
547) Egyptenaren: Horapoll., Hierogl., 1 43. Joden: Num., XXXI 23.
548) Joden: Leuit., XIV 49, 52; Num., VIII 21; Phil. Jud., Quis Heres, 185; Idem, De Vit. Mos,
II 149, 152; Flav. Jos., Antiq., III 258, vgl. II 312, en Idem, Contr. Apion., I 282; Orac. Sibyll., III
695-696; Barnab., V r.
I
549) Egyptenaren: Plut., De Is. et Osir., 4. Joden: Num., VIII 7; Flav. Jos., Contr. Apion.
EE.
282; Handel., XXI 24.
550) Prou., XIX 13. Vgl. Test. Jos, X 2.
„17, XXXI 23; Barnab., VIII 1, 3. Zo ook de Grieken: Eurip., Heracl.,
4ogb; Hesych., Lexic., sub voce AaXtov. De Indiërs:
5
959; Athen., Dipn.,
., Pax, oe:
DN Aristopheet
28-929;
Seret. VL8, 2, 1-12; Manusmrti, V 111-114.
Vgl. Dodenb., CXXXVII A, naar S. SCHOTT,
LXXIII, Leipzig, 1937, blz. 1-25.
Zeitschrift für Ägyptische Sprache und Altertumskunde, deel
3
I Machab., I 3 Pythag., 12.
Vit.
.,
Porphyr
Perzen:
bij
ding
Onthou
21.
5,
3,
2,
Hebreeuws WM:inNum, VI
ed:
553)
3
Vgl. ook Idem, De Abstin., I 57.
5
:
Plat, Defin., 414a; Chrysipp. Stoic.,
554) ‘Ayvela: eùháfera Tv mods rods Beoùs dpaprnudruv,
Sn
:
‚III 432 (VON ARNIM).
Epist. ad Philipp.,
le, ils Jud, De Decal., 45; Idem, De Spec.
s
VEEN
Legib., I 193, II 30; Polyc.,
E
.
Quaest. Conviv., V ro, 2; PREISENDANZ, Papyri
we RenBijten: Plut., De Is. et Osir., 6; Idem,
Î Apion., 1 199.
Graecae Magicae, IV 57. Joden; Num., VI 3; Flav. Jos., Contr.
Ju d., De Vit. Mos., IT 68. Vgl. Porphyr.,
Phil.
Joden:
8.
Osir.,
et
Is.
De
Plut.,
ren:
557) Egyptena
De Abstin., IV 18.
558) Egyptenaren: Herod., Hist., I 140; Chaerem., fr. 6 (JACOBY; ad 7); Clem. Alex., Strom.,
33, 8; Apul., Metam., XI 30; PREISENDANZ, Papyri Graecae Magicae, I 55, IV 52-54, 734-735:
6,
VII
Gevogelte was toegestaan: Clem. Alex, Strom, VII 6, 33, 8; Hieron., Adv. Jovin, II 17;
duif: Horapoll., Hierogl., I 57; Hieron., Epist., CVII ro, 2; fazant: Hieron., Epist., CVII ro, z. Joden:
zie noot 58r. Vgl. Porphyr., De Abstin., III 18, IV 18.
559) Egyptenaren: Plut., Quast. Conviv., VIII 8, 3; Clem. Alex, Strom., VII 6, 33, 8. Syriërs:
Plut., Quaest. Conviv., VIII 8, 3.
Page 7
View in PDF(opens in a new window)eieren %%) en melk %1). Men onthield zich van brood), van groenten en peulvruchten 568)
van zout %%); van ongekookte 55) en eventueel van alle spijs 5%). Bovenal onthield mien
zich van geslachtelijk verkeer 57). Het bad werd gemeden 558), de slaap bekort 59), en een
enkeling, als de Naziraeër, die de haren niet afknipte, legde zich ook beperkingen op in
zijn toilet 7). Men bedwong zijn lach 57!) en vermeed het profane volk 572).
De reinheid ging te gronde door bezoedeling 5%). Alle onreinheid bezoedelde en
moest gemeden worden 5%). Het lijk verontreinigde wie en wat het aanraakte, onverschillig of men dat deed bij doodslag 57%) of niet 5%). De ziekte 57?) en alle sexualiteit, als
daar zijn het geslachtsverkeer 57%), de geboorte 57%) of de menstruatie 5%), verontreinigden.
Datzelfde deed de spijs onrein in de zin der spijswetten %1). De vreemdeling was onrein
en verontreinigde 582); de vreemde godsdienst verontreinigde ook, wanneer door de land-
560) Egyptenaren: Chaerem., fr. 6 (JAcOBY; ad 7).
561) Egyptenaren: Chaerem., fr. 6 (JAcoBy; naar Hieron., Adv. Jovin., II 13).
562) Egyptenaren: Chaerem., fr. 6 (JacoBYy; ad 6); Hieron., Adv. Jovin., II 17; Idem, Epist.,
CVII zo, 2.
563) Egyptenaren: Chaerem., fr. 6 (JacoBy; ad 7); Plut., De Is. et Osir., 8.
564) Egyptenaren: Plut., De Is. et Osir., 5; Idem, Quaest. Conviv., V ro, 1-2, VIII 8, 2.
565) Egyptenaren: PREISENDANZ, Papyri Graecae Magicae, IV 53.
566) Egyptenaren: Plut., De Is. et Osir., 4 (spijsresten); Tertull., De Jejun., II 4, XVI 7;
PREISENDANZ, Papyri Graecae Magicae, IV 73. Joden: Phil. Jud., De Vit. Mos., II 68.
567) Egyptenaren: Chaerem., fr. 6 (JacoBYy; ad 7); Plut., Quaest. Conviv., V ro, 2; PREISENDANz, Papyri Graecae Magicae, IV 897-899. Joden: Exod., XIX 15 (vgl. zo); 1 Regn., XXI 6; Phil.
Jud., De Cherub., 5o; Idem, De Vit. Mos., II 68; Idem, De Decal., 45; Idem, Antiq., III 78. Phoeniciërs:
Sil. Ital., Pun., III 28. Indiërs: Alex. Polyhist., fr 18 (JAcoBY).
568) PREISENDANZ, Papyri Graecae Magicae, IV 735-736.
569) PREISENDANZ, Papyri Graecae Magicae, IV 74.
570) Num., VI 5.
571) Egyptenaren: Plut., Quaest. Conviv., V ro, 2.
572) Egyptenaren: Chaerem., fr. 6 (JAcoBY; ad 6).
573) Hebreeuws NRN: Levit XIV 49, 52; Numer., VIII 7, zr, XIX 9, 12, 13, 17, 19, 20, XXXI
I9, 20, 23.
574) Egyptenaren: Plut., De Is. et Osir., 4; PREISENDANZ, Papyri Graecae Magicae, 1 55-56.
Joden: Epist. Arist., 106, 142; Phil. Jud., De Vit. Mos., II 231; vgl. Porphyr., De Abstin., II rg.
Onreinheid door vermenging: Idem, Ibid., IV 20; waartoe Talm. Jer. en Babl., Kilajim.
575) Egyptenaren: vgl. Herod., Hist, I 140. Joden: Num., XXXI 19, 20, 23; Flav. Jos.,
Antiq., I 341-342.
576) Joden: Num., XIX 12, 13, 17, 19, 20; Phil. Jud., De Vit. Mos., II 231; Idem, De Spec.
Legib., III 205; Flav. Jos., Contr. Apion., II 198, 203.
577) Egyptenaren: Lysim., fr. 1 (JAcoBy; ad 306); Plut., De Is. et Osir., 79. Joden: Leuit., XIV
49, 52; Flav. Jos., Contr. Apion., I 282.
578) Joden: Flav. Jos., Contr. Apion., II 198; Idem, Antig., VI 235.
579) Joden: Flav. Jos., Contr. Apion., II 198. Vgl. Jambl., De Myst, V 15.
580) Joden: Phil. Jud., De Cherub., 5o.
581) Egyptenaren: Chaerem., fr. 6 (JacoBy, ad 7; peulvruchten); Plut., De Is. et Osir., 8 (ui);
Idem, Quaest. Conviv., VIII 8, 3 (vis); Clem. Alex, Strom, VII 6, 33, 8 (vis); Tertull., De Jejun.,
II 4, XVI 7; Hieron., Adv. Jovin., II 5, 17. Joden: Isai., LXVI 17 (varkensvlees, enz.); IV Machab.,
V 37 (varkensvlees); Epist. Arist., 142; Flav. Jos. Bell. Jud. VII 264; vgl. Porphyr., De Abstin.,
IV 12. Syriërs: Plut., Quaest. Conviv., VIII 8, 3 (vis); Julian. Apost., Or., V 177a (vis).
582) Egyptenaren: Lysim., fr. 1 (JAcoBY; ad 306). Joden: 1 Machab., XIV 36, II Machab.,
IV 13; Epist. Arist., 139; Orac. Sibyll., V 408, 439; Flav. Jos., Bell. Jud. I 229, V 194; Idem, Antig.,
XII 145, 318, XIV 285.
Page 8
View in PDF(opens in a new window)genoten beleden %3). 5 De zonde verontre
treinigde
ini
584
i
door = nnee ntb
knnsee: eenn zes
e reinheid
ee Ae
BENAMOI
|was tweeledig. Zij betrofhet
het lich aam 586)
es en zij
ij betrof
betrof deziel
jel 587 587).
inhei
ze ran2 ae enpeen 588), dikwijls beperkt opgevat in de zin ne ate
nnen
. Reinheid in immaterië
le zin
zi werd in
ì later tijd
ateriële
ij hoger gewaardeerd
Het doel van de áyvéia was
Ì het algemeen de gemeensch ap met God 5%
Ras: in
ane Br de en van hem, die deze entend ee
ze ee
a
s was de gemeenschap veelal middel en he t werkelij
ij k
ener van de gave der profetie of der wonderdadigheid 5%). Op maten
oog gegrepen, werden met de áyveta de soberheid 5%) en de zielevrede 5%) betracht.
583) II Paral., XXIX 5, 16-19,
Vgl. 11 Machab., IV 13.
9,
XXX
i
I 342, IX 272, X 42, XVIII 19.
19;19; Flav. Jos, Antiq.,
584)LILProu.,
XIX 13 (sexualiteit);
i
itei
V 45 (diefstal); Orac.
III 276 (sexualiteit),
V 479. ); FI Flav. Jos., Antiq.,
596 (sexualiteit),
Sibyl
585) Joden: Epist. Arist., 142; Phil.
Jud
i
5
De Soa tor iden. De Vit ke En ae tkSeek Ees Mutat. Nom., 44; Idem,
senen
Osi
et
Is, ne
De >
Plut.,
vn586) Egyptenaren:
tend:
as
ze ErEpi
Epist. Arist.,
139; Orac. Sibyll., III 592;
(Marcus); Flav.
eg
Jos, Bell
en
’
Ee
gib.,
Il
163, II 81; Idem, Quaest. in Exod., fr. 20
5 Ke HI 274: Idem, Antiq., XVIII 117; I Clem., XXXVIII 2; II Clem
k
ën:
&
3; Past.
En rm.Herm., Sim,Sim., VV 6, 5. Chaldaeën: Orac. Chald., p. 11,
… Epist. adDe Ephes.
Abstin.X Es
8, Vel. Poepleye.
o taser:
587) Joden: IV Machab., XVIII 23; Prou., XX 9, XXII
ì
:
i
Arist., 139; Test. Jos, X 2; Phil. Jud., Quod Be: Dg egen: Nen En
Somn., II 25; Idem, De Spec. Legib., II 163; Idem, De Virtut., 375 Idem, De Praem et Po S
159; Idem, Quaest. in Exod., fr. zo (Marcus); Jac. IV 8; 1 Petr., I 22; Ignat Epist ad E ae:
X 3; Barnab., VIII 3, XIX 8; Past. Herm., Mand., IV 1, 1. Vgl. Porphyr. De Abstin I 5 U .
588) Joden: Prou., XV 26; Epist. Arist., 144, 292; Phil. Jud., De Cherub. 94; Ii ed vre
Epist. ad Philipp, Vv 3;
MEETE: Philipp., 117, IV 8; I Tim, IV 12, V 22; 1 Clem, XLVIII 5; Polyc.,
16,7, 25,2,
ned keg Vis, III 5, 1; Idem, Mand., IV 3,2, 4,3,4, VI 2,3; Idem, Sim, V 6,6, IX
589) Egyptenaren: Maneth., Apotelesm., IV 454; Lactant., Inst.
Divin., I 15, 8; PREISENDANZ,
XVIII 7, 8; Orac. Sibyll.,
Papyri Graecae Magicae, LVII 16 (Isis). Joden: IV Machab.,
270,
V 388, VIII
Jud., De Cherub., 50; Idem, De Abrah.,
291, 324, 358; Jos. et Asen., XV 1, 8, XIX 2; Phil.
Joseph, 43;
98;
De Spec. Legib., 1 107,
Idem, De Vit. Mos., II 137; Idem, De Decal., 128; Idem,
Idem, De
De Praem. et Poen., 159; Idem, De Vit. Contempl.,
II 30, 56, III 81; Idem, De Virtut., 37; Idem,
Epist.
III 2; I Clem., XXI 7, XXX 1; Polyc.,
Petr.,
I
5;
II
Tit.,
3: ETin, V-2;
65; II Cor, KE
15,2.
IX
Sim.
Idem,
Mand., IV 1,1, 4,3;
ad Philipp. IV 2, V 3; Past. Herm,
1 Clem, XXI 8, XLVIII 1; Barnab.,
XIX) ro; Jac., UI 17; I Joh, II 3;
XVIII
Ps,
go)
5
8,7II 3; Past. Herm, Vis., UI 7,3,
g; Phocylid., Sent.,
òs yóp ely: xeipas — EAN od vàc pptva
591) Vgl. Eurip., Orest., 1604: ‘Ayv
gw Èxet
theurgie Bóva
xadappot; Jambl., De Myst, X 5: De
228: ‘Ayvein duyïjs où obparóg elor
PREGER, Inscriptiones
T.
ag;
dyvet
TOG
GÓpA
TOÖ
Tig
v
ordpa
medenv dyvelav Tis doyïc Tokù zehet
otra. Waartoe Wijsheid
164, no. 207: ‘Ayveln êorì ppoveiv
Graecae Metricae, Leipzig, 1801, blz.
Porphyr., De Abstin.,
en
water alleen”;
nig U niet te dikwijls met
van ‘Anböusang, XVII 12: „Rei
1 57, II 45.
Test. Jos, X 2; Phil. Jud., De
m., XI 6; vgl. noot 451. Joden:
De Abstin., I 57, II 45; Julian.
,
hyr.
, HI 3. Zo ook: Porp
Jos., Antiq., III 205; I Joh.
592) Egyptenaren: Apul., Meta:
Fug., 81; Flav.
19; Porphyr., De Abstin., II
Apost., Or., V 175b.
Vgl. Flav. Jos., Antig., XVIII
ek Epist. Arist., 142.
3-
IV 23,
apud Euseb., Praep. Evang.
ä
507.
506,
594) Vgl. noot
Busir., 21.
Isocrat.,
Egyptenaren:
595)
Ierem., VI 16.
596) Isai., XXVIII 12 (Theodot.);
44, 45; Idem,
Page 9
View in PDF(opens in a new window)Tegenover alwat tot hiertoe is uiteengezet staat tenslotte het ee. a eee
voor het actieve gedeelte van de liturgie. Het is een afgeleid gebruik,
ip
d; deze
ijpelijke begripsuitbreiding. Van God zelf wordt de term niet gebezig
echter worden met veel nadruk genoemd
elli » niet deyvóc 59). Rein, dyvóc,
re in argen
see), zijn werken 5%), zijn wijsheid 60), zijn Woord „ij, een gtt
din lien
teuch 602). De door hem ten behoeve van de mens ingestelde liturgie is rein
), en
an
ook het offer 60%) en het offervuur 65). De werkwoorden öyvebw en ead)aryvil verkrijgen
in deze terminologie naast hun oude betekenis „reinigen’’ een nieuwe: de liturgie „opdragen” 6%), ofwel het offer „verbranden”’ 607). Te bedenken valt daarbij, dat de begripsuitbreiding vroegtijdig moet hebben plaats gehad, daar reeds in de oudste Egyptische
teksten de reinheid, hoezeer menselijk opgevat, een eigenschap der goden wordt genoemd.
De áyveta, hoog in ere, stond in aanzien ten achter bij de studie der geopenbaarde
geschriften 608). Gedurende de jaarlijkse reinheidsperiode hielden de Egyptenaren zich
juist met de laatstgenoemde bezig °°); hetgeen zeggen wil, dat de onthoudingen geacht
werden op deze studie de inleiding te vormen. De tegenstelling tussen beide is de tegenstelling tussen wetenschap en techniek, de eerste goddelijk, de tweede menselijk van aard.
De prioriteit der wetenschap vindt reeds erkenning in de Egyptische dodenlitteratuur.
Wie de heilige spreuken kent, heet het daar talloze malen, bezit als gevolg dezer kennis
transcendente vermogens ®!°); dat hij daarbij in staat van reinheid verkeert, is voorwaarde. De overledene, die in de onderwereld voor zijn rechters verschijnt, betuigt hun
zijn reinheid en verklaart vervolgens, dat hij hun namen kent: „Mij overkomt geen
kwaad in deze rechtzaal, want ik ken de namen der goden daarin”. Hij wordt dan tot de
weging des harten toegelaten: „Kom, ga binnen door de poort van deze rechtzaal, daar
gij ons kent”. Hij moet nu nog de namen van de poort en de poortwachter kennen, treedt
binnen, legt voor de dodengod en diens klerk, de god Thot, dezelfde verklaringen af en
verkrijgt de zaligheid ®H). De kennis van de naam Gods resumeert de kennis, die uit de
geopenbaarde geschriften over hem kan worden verkregen; zij alleen is voldoende om
de gemeenschap met hem te bewerkstelligen 62). In het Corpus Hermeticum wordt de
597) Uitzondering: 1 Joh., III 3. Isis &yv, dwz. kuis: zie noot 589. De hemelpool áyvéós: Orac.
Chald., p. 9 (Krorr).
598) Jambl., De Myst., VI 7 (Osiris).
599) Prou., XXI 8.
600) Jac., III 17.
6or) Ps, XI (XII) 7.
602) Epist. Arist., 31, vgl. 317; Orac. Sibyll., III 276, 284, 600; Flav. Jos. Antiq., XII 38.
603) Vgl. Plat, Defin., 4rga: ‘Ayvela: tîc Seo vuuïic xarà pbow Sepanrela; Phorphyr., De
Abstin., I 57. De orakeldroom: Orac. Sibyll., III 293.
604) Egyptenaren: Corp. Herm, I 31. Libyers: Diod. Sic., Bibl. Hist, XVII 5o, 3. Joden:
II Machab., I 33; Ierem., XII 3. Het onbloedige offer: Plat., Leg., 782c; Porphyr., De Abstin., I 57,
II 31, 45.
605) II Machab., XIII 8.
606) II Paral., XXXI 18.
607) II Machab., 1 33; Phil. Jud., De Fug., 81; Flav. Jos, Antiq., III 227, 233, 262, IV 54.
608) Plut., De Is. et Osir., 2.
60g) Plut., De Is. et Osir., 6. Vgl. Isocrat., Busir., 22-23.
, 1956, blz. 110, noot 1082.
610) Vgl. De Brief van Aristeas, Amsterdam
611) Dodenb., CXXV.
612) Jambl., De Myst, VII 4,
Page 10
View in PDF(opens in a new window)kennis Gods
gelijkgesteld
i
i
.
tegenover onbekendheid
5 met God het fundamentele ht
:
et„. pre
ee En
De
een seeefeng Sn ze hanen contact met zijn Schepper a) zij Dean
|
:
abbijnen formulere
:
„‚de studie (der heilige schrift) heeft se ie meme rif std EE
geschreven werken)’' 60). Het studeren, zeggen zij, leidt vanzelf tot het ek Le):
weliswaar daaraan toevoegend, dat de werken in ieder geval, zij het door een S d 5
verricht moeten worden. Om dezelfde reden noemden de oudste Christenen zich Tv a ee
„Gnostieken” 622); zij kenden het wezen Gods. Vervangt men het archaïsche be ie de
„‚kennis’’ Gods door het jongere, daarvan afgeleide ®®) van het „geloof in sa ved
komt men tot de formule, die ook de moderne mens vertrouwd is: het geloof alken
rechtvaardigt, de goede werken doen dat niet.
(VON ARNIM).
613) Asclep. Herm., 12-14. Vgl. Stob. Herm., II B, 2; Stoic., fr. II 35
614) Corp. Herm., IV 2, V 3-8, XI 20, XII 21, enz.
41; Herm. fr., zo; Jambl., De Myst., X 5. Vgl.
615) Corp. Herm, IX 4, X 9; Asclep. Herm.,
De Nat. Deor., II 153; Senec, Epist., XCV 47.
Sext. Empir., Adv. Dogm., III 123; Cicer.,
XIV 8; Jambl., De Myst, X 5.
3,
XI zr, XII
616) Corp. Herm, X 8,
617) Jambl., De Myst, X 1.
618) Corp. Herm, 1 31, XxX g, 23; Asclep.
9, 18, 41.
Vils, X 21, XI 21; Asclep. Herm.,
Herm., 7, 29; Jambl., De Myst., X 5. Vgl. Corp. Herm.,
ep. Herm.,
., X 5. Vgl. Corp. Herm., VI 5, XIV 4; Ascl
619) Corp. Herm., X 15; Jambl., De Myst
fr O 99 (CUMONT).
str.,
, Qidd., 4ob. Vgl. Miön.,
0; Ibid., Häg., 76c, 44-54; Talm. Babl.
51-6
zob,
h.,
Pesä
620) Talm. Jer.
XVII 8.
Ps.,
.
Midr
Midr. Hoogl. Rabb., II 14, 5;
rs: Pirq. Äb., I 17,
Ande
14.
Pe>a, I 1; Midr. Sifr. in Deut. 41;
XCV
.,
Epist
c.,
., II 153; Sene
5
621) Zo ook Cicer., De Nat. Deor
in., 157.
Abst
De
;
ts
hyr.
Tvöo
Porp
1.
5;
27-3
22-2
1
noot
443,
waartoe Jac.
, Wörterbuch, deel II, blz.
22, 32; Herm. fr. 20. Perzen: Zoroa
ERMAN-GRAPOW
ANZ,
622) Egyptisch vh-iht, vgl.
De Is. et Osir., 1, 2; PREISEND
fr. 6 (ad 6), 7 (Jacory); Plut.,
,
rem.
621.
Chae
XIII
ext:
49,
cont
he
8-20,
tisc
in Egyp
IV 2478, XII 44, 93, vgl VIII
Papyri Graecae Magicae, II 128,
III 584, 597-608,
623) Vgl. Corp. Herm., IX ro.