De Praehelleense Ascese, de bede

Author
Stricker, B.H.
Published in
Oudheidkundige mededelingen R.M.O.Leiden
Year
1987
Subject
PRAYING
Language
Nederlands
Category
C12 Religion
Archive number
7002

Open PDF(opens in a new window)

Show full text62 pages

Page 1

View in PDF(opens in a new window)
DK ACC E RR \ Ba ea 7 Stricker B. H.- De praehelleense ascese. OMRL 1967 XLVIII: 44-55.* Dans les prescriptions nd alimentaires et hygiéniques de Pythagore nous retrouvons des éléments de rites d'abstinenceet d'ascèse orientaux. Cependant, le pythagorisme connaissait aussi des règles qui sortent du cadre oriental (à suivre). …° ) Stricker B. H.- De praehelleense ascese (Vervolg). OMRL 1968 XLIX: 18-39.* Prescriptions LN d'hygiène, de sobriété et d'abstinences diverses chez les Egyptiens, les Juifs et les Phéniciens (à 5a De suivre). ET & en en . Stricker B. H.- De praehelleense ascese: 86: KAGNEIIA. OMRL 1969 L : 8-16.« Suite de la revue des prescriptions d'hygiène dans le monde antique (cf. APh OXX 239 & XLI 692). Oe neve AT Seren [43-10890 { 94 L Stricker B. H. - De praehelleense ascese. OMRL 1971 LIl : 54-70. * Dans les religions égyptienne et judaïque ainsi que dans les rites de l'antiquité classique, l'abstinence alimentaire et sexuelle remplace, Lb en tant qu'arrêt temporaire des fonctions vitales, le sacrifice ; elle est toujours en rapport avec l'idée de q 91 la mort. La suppositio (U(PALLAGH/) et la permutatio sacrificii sont d'autres formes de la même pensée (à suivre). en Mr nne Jao i ( 7 [44-09663 Stricker B. H. - De praehelleense ascese (Vervolg). OMRL 1974 LV: 129-197.« Le sacrifice et ses bas R différentes formes, circoncision et sacerdoce (pour la partie précédente de’ 'atticle, cf. APh XLIV p. 712). Phan Al dk [49-11523 Stricker B. H. - De praehelleense ascese (Vervolg). OMRL 1976 LVII : 299-333. * Le symbolisme du soleil et les rites de purification dans les mondes égyptien, juif, hellénique et chrétien. PN A C q9 q [49-11524 Û memmen Stricker B. H. - De praehelleense ascese. Vervolg. OMRL 1980 LXI : 209-251. * Votum, nuncupatio et serment dans le monde gréco-romain et chez les peuples d'Orient (cf. APh XLIX N° 11523) & (cf. APh XLIX N° 11524). CAL = [51-11160 od heerlanhge ma ve beng tan fe A ck Ass U q GW ÔSO5 3 je ° N _— leed mmm SAnccAar Ru. be pre bellers Sy ype - Ae LXIV Kr | en Ar Ra A De Suryk ty AEN tte p l3 83 t- so Sat ‘ag jer veh bede by doe) jeer P v-to

Page 2

View in PDF(opens in a new window)
OUDHEIDKUNDIGE MEDEDELINGEN deel LXVII, Supplement, 1987

Page 3

View in PDF(opens in a new window)
De Bede $45 De bede geldt het behoud der ziel of het behoud des kchaams. Zij heet in het eerste geval gebed en is tot God gericht, zij heet in het tweede geval smeekbede en is gericht hetzij tot God, hetzij tot de medemens. De beide gevallen worden afzonderlijk behandeld, het gebed alhier im 845. de smeekbede in 846. De term voor het gebed luidt in het Egyptisch ém?'*29: in het Coptisch WAHA, woord onzekere afkomst, in het Hebreeuws noen, in het Perzisch namäë of njäjiën, in het Grieks van eùyú, m het Latijn precatio of preces. Het gebed werd luide met de mond?2*? of eventueel zwijgend in het hart 29 uitgesproken, waarbij de beide armen, UJ, ten hemel werden opgeheven ?2°*. Om het en onthouding verschillen in kennen. dat men zichzelf des doods schuldig gevoelde. Offer de aard ke intensiveren adstrueerde men het met offer>?** of omthouding®***; en gaf daarmede te SE sruosütieetde. Soor de onthouding benam degembstinmeerde zichzeifhet heen symbolische wijze. op Deze onthouding wordt als „vasten” betiteld. Voor het vasten worden in de Coptische teksten twee termen gebezigd: moyp 225”, zelfstandig naamwoord, en cou °***, werkwoord. Zij mmm sat eren, „jDana”, en SIR", „SACHUCKKEN reeds m de Egvpasche teksten woor, maar hebben daarin naar opgave van het Woordenboek de leter= besekennog es miet aangemomen. ome De Joden noemen het vasten ovt, de Perzen röcak, de Grieken za, de moie. 1 n de Romeme Het vasten was offer 5301, maar ontbeerde de metaphysische staat wan het wempeioffer Het van vrije wil en private godsvrucht Men vastte in en was daad vond buiten de officiële liturgie azen A. Erman en H. Grapow, Wörterbuch der Ägyptischen Sprache, Lepmg en Bern, 1926-1953, deel IV biz. 125, noot 17, 19, 2292 Zie noot 851. 3293 ] Sam,1 13. 3294 Joden: Exod., IX 29, 33; I Kon, VIII 22, 38, 54; Jezaj.1 IS; Jemen PW 35 Ps MEEW 20. CML 6; Job, XI 13; Ezr., IX 5; II Chron., VI 12, 13, 29; II Machab., III 20; III Machab., V 25. Sracad, KEVIN 20 Zie moot 851, 3357, 3601. Phoeniciërs: Diod. Sic., Bibl. Hist, XXXII 6, 4. 3295 Zie noot 852-853. 3296 Jie noot 1749-1751. Intensivering: Talm. Jer. Beräk., p. 8a, 2-3; ibid, Ta'an., p. 65c, 3291 5. W.E. Crum, A Coptic Dictionary, Oxford, 1939, blz. 181b. 2298 Crum, op. laud., biz. 326a. noot 9-14. 3299 Erman-Grapow, Wörterbuch, deel II, blz. 105, 6-18, en 1-5. noot 25-26, blz. IV, deel ibid., 3300 Erman-Grapow, s301 Joden: Phil. Jud., De Migr. Abrah., 98. Indiërs: Satapathabrähmana, X1 1, 8, 4. Zie noot 1749, 1751, 2573.

Page 4

View in PDF(opens in a new window)
schuldbesef tot verzoening van de toorn Gods. Het vasten beantwoordt aan het offer in zijn diverse aspecten. Het vervangt, al naar gelang van het beoogde doel, het brand-, het dank, of het zondoffer 302, Uit het offer voortgekomen, bleef het vasten met het offer verbonden. De Egyptenaren vastten voor het offer*2°3, de Grieken onthielden zich voor het offer van geslachtelijk verkeer 3304, de Indiërs beschouwden het vasten als het hoofd van het offer**°5, Door de Joden is dienaangaande in het Oude Testament niets op schrift gesteld3*°5. In de Misjna staat echter vermeld, dat de priesterlijke phyle, opgeroepen om de dienst in de tempel te Jeruzalem waar te nemen, aldaar bijgestaan werd door een delegatie van leken, de standmannen, die niet aan de liturgische handelingen deelnamen, maar zich opstelden voor de ingang van de altaarhof, baden en vastten 597. Het vasten staat het uitvoerigst en het scherpst getekend in de Joodse letterkunde. De Joden vastten veel **°® en verkeerden in de mening, dat de overige volken de vastenpraktijk aan henzelf ontleend hadden 3%, Passages over het vasten — zonder dat deze term in haar gebezigd wordt — komen in de Egyptische teksten voor vanaf de twaalfde eeuw v. Chr. Mij bekend zijn de volgende: — De Zonnegod, Pre-Harachti, is beledigd: „Pre-Harachti was gegriefd door de woorden, die hem toegevoegd waren. Hij legde zich op zijn rug en zijn hart was van leed vervuld. … De grote God bracht een gehele dag door, op zijn rug gelegen in zijn prieel, terwijl zijn hart van leed was vervuld”"*3!0, — Neneferkaptah is uitgegaan om een heilig geschrift aan een dode in het graf te ontnemen, keert terug en vindt zijn vrouw Ahoere vol bezorgdheid op hem wachten. Zij vertelt: „(Hij vond mij zittend) boven het meer te Coptos zonder te hebben gedronken, gegeten of enig werk te hebben verricht, als een (overledene), die in de rouwkapel is aangekomen”33!!, — Pharao is tijdens de audiëntie door een vreemdeling getart. Zijn zoon, prins Setme, is daarbij aanwezig: „Pharao verhief zich (en verliet) de audiëntiezaal, zijn hart ten diepste gewond, en legde zich neder, zonder te drinken of te eten. Setme trok zich terug in zijn appartementen, zonder te weten waarheen hij ging. Hij wikkelde zich in zijn klederen, van zijn hoofd tot zijn voeten, en legde zich neder, zonder te weten waar hij was" 53!?, — Omtrent het midden van de achtste eeuw v. Chr. maakten zich de Koesjieten van de Thebaïs meester. De vorsten in de Delta wisten zich gedurende enige tijd aan de greep der indringers te onttrekken, maar moesten tenslotte als de Thebanen de wapenen strekken. De vorst van de stad Saïs, Tefnachte, betuigt in een brief aan Pi(anchi)®3'3, koning der Koesjieten, berouw over zijn ongehoorzaamheid en biedt 3302 ‘Brandoffer: zie noot 3326; waartoe noot 1343. Dankoffer: zie noot 3552-3554, 4127; waartoe noot 854-858, 1409-1421. Zondoffer: zie noot 3465; waartoe noot 834-850, 1271-1276. 3303 Jie naot IRA6, 241 3304 Zie noot 1854, 3487. 3305 Zie noot 1855. 3306 Zie echter noot 2081. 3307 Zie noot 1848-1853, 3402. 3308 Ev, Matth., IX 14; Ev. Luc, V 33; II Cor, VI 5, XI 27; Tacit., Hist, V 4. 3309 Flav. Jos., Contr. Apion., II 282. 3310 Pap. 1 Chester Beatty, recto, III 10-IV 1. Zie noot 3368 (dag), 3529 (liggen). 3311 1 Chaëmwese, III 39. Zie noot 3409 (werk), 3481 (spijs), 3486 (drank), 3530 (zitten). 3312 II Chaëmwese, III 6-8; zie noot 3527. Zie ook noot 3481 (spijs), 3486 (drank), 3529 (liggen), 3910 (tehuis). 3313 Ik houd de traditionele naam aan. Vgl. echter J. Leclant, Lexikon der Ägyptologie, Wiesbaden, vanaf 1975, deel IV, kol. 1045-1052.

Page 5

View in PDF(opens in a new window)
rne gezeten en de harp is mij niet ter hand hem zijn onderwerping aan: „Ik heb niet in de tavee waarop gij in dorst3315 sedert die dag, i 314 it ais dean ava gn water drink en lt honger van brood eet ik gesteld. Want er drage mij e hoordet?'°. Krankheid is in mijn beenderen, mij g : verzoend zal zijn ” met mij de godin Neith**!‘nig ü 5 in Uw“ dienaar in zijn “zonde”**t°. Het gerafeld, tot tijd en wijle, dat de g zijn rsie dus niet tot de Koesjietische Neitn, r godinave negeneÏ n eel irr ednesins dd van rouwmoedige gezindheid medegedeeld. De Griekse en de Romeinse letterkunde bieden het een en ander over het vasten in de sacrale liturgie, maar in het geheel niets over het vasten in de profane. Enige passages in Plutarchu vasten s’ geschrift Over het Bijgeloof vullen deze lacune min of meer op, maar vermelden het niet textneel De bijgelovige, zegt Plutarchus, leeft in nimmer aflatende angst de goden door zijn gedragingen te hebben beledigd. Om hen te verzoenen „roept hij de hulp in van de in reinigingen ervaren oude vrouw, duikt onder in de zee en blijft verder de gehele dag op de grond zitten”*s>20, „Hij besmeert zich met slijk, wentelt zich in het vuil, houdt rustdagen en werpt zich ige op zijn gelaat” 322! „Hij zit buitenshuis, gekleed in een zak en omgord met vuile v sin ne wentelt hij zich naakt in het slijk en belijdt enige zijner zonden of misslagen: namelijk, dat hij dit of dat eet of drinkt, of dat hij een weg bewandelt, die zijn gewete n hem verbood” 2522, „In het gunstigste geval, wanneer hij slechts zwakje s in de ban van het bijgeloof staat, zit hij tehuis en laat zich grondig bewieroken en insmeren. De oude vrouwen dragen al wat zij in haar bereik hebben aan, bevestigen het aan hem en hangen het aan hem op, als ware het aan een haak”"**?5, Aldus „zijn de lachverwekkende daden en emoties van het bijgelo of: woorden en gebaren, gochelarijen en betoveringen, ommegangen en tromgeroffel, onreine reinigingen en onzuivere heiligingen, barbaarse en met de zeden strijdige bestraffingen en *°. (zelf)vernederingen bij de heiligdommen ” Plutarchus’ voorstelling van zaken is ietwat eenzijdig. Het bijgeloof moge terecht door hem gehekeld worden, vele der door hem beschreven reinigingen waren die der officiële liturgie. Het vasten — om tot de Joden terug te keren — was door God ingesteld®225. Het was aangeboden offer en zoende de in onwetendheid begane zonde**?$. Door te vasten oefende de 2314 Vgl, T Kon, XXII 27; II Chron., XVIII 26: brood der bedruktheid; Jezaj., XXX 20: brood der benauwdheid: Ps, CXXVII 2: brood der smarten; Phil. Jud., De Congress, 161: äprog kakboewg, als term voor ongezuurd brood. As als brood: zie noot 3918. Vgl. Me'arr. Gazz., XL 6 (Riessier); noot 3484, 3755. 3315 Vgl, I Kon, XXII 27; II Chron., XVIII 26: water der bedruktheid; Jezaj., XXX 20: wateren der verdrukking. Zie noot 3486, 3755, 3884, 3316 Als naam van opstandeling. 3317 Godin der stad Sais. 3318 Pianchi-stèle, 134-136. Zie noot 3491 (kleed), 3508 (berouw), 3766 (harp), 3896 (hoofd). 3319 Pjanchi-stèle, 137. 3320 Plut., De Superst., 3. Zie noot 3530 (zitten), 3368 (dag). 3321 Plut., De Superst., 3. Zie noot 3529 (liggen), 3725 (slijk), 3900 (wentelen). 3322 Plut., De Superst., 7. Zie noot 3339 (zak), 3359 (belijdenis), 3492 (ongewassen kleed), 3530 (zitten), 3549 (buitenshuis), 3725 (slijk), 3900 (wentelen). 3323 Plut, De Superst., 7. Het citaat ontnomen aan het werk van een philosoof, Bion van Borysthenes, fr. 30 (Kindstrand). Zie noot 3530 (zitten), 3910 (tehuis). 3324 Plut., De Superst., 12. 3325 Apoc. Eliae, XXII 2-3, 16-17. 3326 Ps, Salom., III 8. Zie noot 3302, 3623.

Page 6

View in PDF(opens in a new window)
ï 1 ®. zondaar op God dwang uit®*?” en noopte hem zijn raadsbesluit te zijnen gunste te keren*®? Daartoe was het nodig, dat zijn streven oprecht, op God gericht en voor God ontvankelijk was 3329. Bleef de wil in gebreke, was het streven nederwaarts gericht in begeerte naar materieel gewin, het vasten zelf was zonde**5°. Niet zak en vasten, maar berouw en goede werken waren belangrijk *3**. Al naar gelang der uitvoering was het vasten publiek of privaat. In beide gevallen bestond het uit een formeel en een materieel gedeelte. De publieke vasten in formeel aspect werd uitgevaardigd door de overheid: de koning in de soevereine Joodse staat3*2, het gerechtshof, het Sanhedrin, in de Joodse staat onder vreemde heerschappij?*33, en te allen tijde door de locale magistraten in de provincie®***. De uitvaardiging wordt als heiliging betiteld**** en geschiedde krachtens besluit **3°, De tempel, gedurende de rouw gesloten ***”7, was dat zekerlijk ook gedurende de vasten. Het altaar was met een zak overdekt ***®. De priesters droegen een zak als rouwkleed 333° en hadden het hoofddeksel met as bestrooid®®*0, Zij verrichtten hun liturgische taak, het opdragen der offers, al vastend***!, De verplichting tot zwijgzaamheid***? was opgeheven; zij wierpen zich terneder voor het altaar***> en schreeuwden tot God om genade****. Opvallend is in deze details de vermelding van zak en as, symbolen des doods. In het heiligdom had het symbool kracht van realiteit ***5 en de dood als elders verontreinigende werking?3*5. De veronderstelling schijnt onvermijdelijk, dat het heiligdom na afloop van de vasten gereinigd werd bij middel van offer. De bevolking werd tezamen geroepen en een voorzitter der plechtigheid, zo niet de 3327 Midr. Hoogl. Rabb., VI 5. Zie noot 451, 1722, 2428. 3328 Midr. Predik. Rabb, V 6, X 10; Midr. Pesiqt. de Rab Kahan., XXVIII 3; Midr. Pesiqt. Rabb, LII 3. 3329 Zie noot 3622, 2330 Jezaj., LVIII 3-4; Jerem., XIV 12; Zachar., VII 5-6; Isai., 1 13-14 (LXX); Test. XII Patr., X 2, 8; Apoc. Eliae XXIII 3-8. 2341 Talm. Babl., Ta'an., 16a. Vgl. II Hen., XLV 3. 233? Behalve noot 2063: 1 Kon., XXI 9; Flav. Jos., Antiq., VIII 358. Vgl. Jon, III 7-9; Esth., IV 16; Flav. Jos., Antiq., X1 228, 229, — Andere staatshoofden: de ambassadeur: Ezr., VIII 21; Flav. Jos., Antiq., XI 134; de generaal: 11 Machab., XIII 10-12; de profeet: 1 Sam, VII 5; de rabbijn: Talm. Babl., Ta'an., Ketüb., 104a; ibid., Nedär. 49b; ibid., Bäb. Mes. 85b. 24a-26a; ibid., Megill., 27a; ibid. 3333 Miën., Ta'an., 1 5, 6. 2334 Oudsten en edelen: 1 Kon., 7 XXI 8-9, } 11-12:; Flav „Jos, Jos., Anti q., VIII 358;; Miön., Mis Ta‘an., ï III 6. Vel. } (LXX); Flav. Jos, Vit, 290. Rn 2345 Joël, 1 14, 11 15. Vgl. Apoc. Eliae, XXII 16-17, XXIII 8-10; noot 3555, 3612. 3336 Miën., Ta'an., 1 5, 6, II 9, 10, II 6, 9. 333) Zie noot 3705, 4147. 3338 Jud., IV 12. Zie noot 3828. 3339 Jud, IV 14. Zie noot 3322, 3524, 3587, 3871. 2340 Jud, IV 15. Voor het verschil tussen de termen ijBN, „as”’, ef Ô ; ibi Hull, 88b. Zie noot 3355, 3363, 3515, 3595, 3915. dee 2341 Misn., Ta'an., II 6; Talm. Jer, Ta'an., p. 68b, 10-18. Het Sanhedrin: ibid, p. 68b, 18-20. Zie noot 3303 3342 Zie noot 376. 3343 II Machab., III 15. Zie noot 3529. 2344 Jud, TV 15; II Machab., III 15. 3345 Zie noot 2846. 3346 Zie noot 2754-2767.

Page 7

View in PDF(opens in a new window)
koning®, werd benoemd***5, Een ieder behoorde aanwezig te zijn; wie geen deel had aan de rouw zijner stad, had ook geen deel aan haar vertroosting®*. Men kwam bijeen op de tempelberg5°, voor het aangezicht Gods?**, en toen de tempel eenmaal verwoest was, op het marktplein®35?; in de provincie ook in de synagoge?*53. Men smeekte de genade Gods af onder de blote hemel *3**. De menigte verkeerde in de rouw en was onrein; allen hadden het hoofd met as bedekt***5, De voorzitter hield een toespraak, waarin hij de aanwezigen maande tot inkeer**59. Men verrichtte het gebed?5?, met luider stem, onder geween®35® en belijdenis van zonden***®, De voorzitter of de door hem daartoe aangestelde gebedsvoorganger sprak daarop de zegeningen uit?*°0, ieder derwelke gevolgd door een stoot op de trompet?36! en door de menigte met de roep „amen”, dat is „ja, waarlijk”, beantwoord*3%2. De ark, de schrijn der wetsrollen, met as bedekt, stond opgesteld in het midden, vanuit zijn vaste standplaats aangevoerd**95. Men breidde de Wetsrol voor God uit om hem te herinneren aan zijn toezeggingen aan de vaderen **°*, men plengde**°® en offerde**°5. Na afloop van de plechtigheid verspreidde men zich en bezocht de overledenen op de begraafplaats**°”. 3347 II Chron., XX 5. De stadhouder: Miën., Ta'an., II 1. De hogepriester: Jud, IV 14; Flav. Jos, Antig., V 159. De profeet: 1 Sam., VII 5. De president van het gerechtshof: Misn., Ta'an., II 1. 3348 1 Kon. XXI 9, 12; Flav. Jos., Antiq., VIII 358, XI 229. 3349 Egyptenaren: Wijsheid van Anchsjoesjang, XVIII 10. Joden: Jezaj., LXVI 10; Talm. Babl., Ta'an., lla, 30b; ibid., Bäb. Bätr., 60b. Zie noot 3450-3451. 3350 Joël,1 14, 3351 In de woestijn: Exod., XXXVIII 26 (LXX). Te Bethel: Richt, XX 26. Te Mizpa: 1 Sam, VII 6; 1 Machab., III 46-47; Flav. Jos., Antiq., VI 22. Te Jeruzalem: Ezr., X 1, 6; 11 Chron., XX 5; IT Machab., TV 38; I Esdr., VIII 88 XX); Jud., IV 13; Flav. Jos., Antiq., IX 8. hd Miën., Ta'an., Il 1; vel. IT Machab., III 18. Het marktplein, heilig of profaan? Vgl. Talm. Babl., Megill., 26a. 3353 Flav. Jos., Vit, 290 (vgl. 280); Tös., Ta'an., 11 4; Talm. Babl., Ta'an., 15b, 16a, 27b, 28a. 3354 Talm. Babl., Ta'an., 16a. Restant van zonnecultus? 3355 _] Machab., IV 39; Miën., Ta'an., IT 1. Zie noot 3340. 3356 1 Sam., VIT 3; Flav. Jos, Antig., VI 20-21; Min, Ta'an., IL L. 3357 1 Sam., VII 5, 8-9; Joël, 1 14; Jon, II1 8; Esth., IX 31; Ezr., VIII 21, 23; Nehem., IX 4; II Chron., XX 6-13; Esth., IV 17, a-h, k-z (LXX); Jud, IV 9, 12, 15; 1 Machab., III 50-54, IV 40; II Machab., X 26-27, XIII 12; Ï Bar. 15; Pap. Elephantine, XXX 15 (Cowley); Phil, Jud, De Spec. Legib., 11 203; Flav. Jos, Vit, 290, 295; Idem, Antiq., V 159, VI 22, VII 154, IX 8-9, X1 134, 229-234, 326, XIX 349; Miën., Ta'an…, IÌ 2; Lysim. Aegypt., fr. Ì Jacoby; ad 308). Syriërs: Theophr., De Piet, fr. 13 (Pötscher). Onder opheffing der armen, zie noot 3294. 3358 Zie noot 3497. 3359 Zie noot 3507. 3360 Misn., Ta'an., Il 2-4, 3361 1 Machab., 111 54, IV 40; Miën., Ta'an., II 5. Vgl. ibid, Röë has-Sän., III 4; ibid., Ta'an., 1 6, III 1-S, 7-8. Verzoendag: Levit., XXV 9. 3362 Miën., Ta'an., II 5. 3363 Miën., Ta'an., II |. Zie noot 3340. 5 3364 1 Machab., III 48. Vgl. II Machab., III 15; Flav. Jos, Vit 290; Misn., Ta'an., II 3-4. Schriftlezing: Nehem., IX 3. Profetische toespraak tot de aanwezigen: Jerem., XXXVI 6, 10; Flav. Jos., Antiq., X 93. 3365 ] Sam. VII 6. 3366 Richt, XX 26; 1 Sam., VII 9; Jerem., XIV 12; Jud, IV 14; Flav. Jos, Antiq., V 256, X 64, XI 326. Zie noot 3367 Talm. Babl., Ta'an., 16a.

Page 8

View in PDF(opens in a new window)
De duur van de vasten had zijn eigen symboliek. De kortste en tevens normale33%® was een dag, gemeten van zonsopgang**°® tot zonsondergang?**”® of, onder voortzetting gedurende de nacht33?t, tot de volgende zonsopgang. Een is het getal van de Zonnegod®*”?. Met niet minder dan een lichtdag kon worden volstaan om aan te geven, dat men zichzelf het leven op aarde benam®3’3. Langere perioden waren drie®®”*, zeven 2375, (twee en) veertig®®”®, vele**7? dagen. Drie is het getal van de tijd, zijnde verleden, heden en toekomst**’®. Het is het getal van zowel vreugde®*?° als rouw; de laatste bestaande in achtereenvolgens droefenis, crisis en vertroosting*350. Het getal zeven symbolizeert de vorming en de ontbinding der ziel. Het door God uitgezonden zieledeeltje passeert bij zijn nederdaling tot incarnatie de zeven planeten en ontleent zijn accidenten aan een ieder harer***!. Het passeert de planeten ten tweeden male bij zijn hemelvaart, na de dood, wanneer het de accidenten aan een ieder harer teruggeeft **®?. Het getal (twee en) veertig symbolizeert de vorming en ontbinding des lichaams. Het lichaam bestaat uit evenzovele delen, die zich voor de geboorte in de baarmoeder verenigen**®* en na de dood, in het graf, van elkander scheiden *2%*. Beantwoorden de getallen zeven en (twee en) veertig aan de volledige periode van vorming en ontbinding des mensen, twee andere getallen, tien*** en dertig®285, zijn ontleend aan het kalenderjaar. Tien dagen vormen het zes en dertigste gedeelte van de driehonderd en zestig dagen, die het jaar geacht werd te tellen **®”. Uit zes en dertig delen bestaat naar een van de voorgaande afwijkende leer ook het lichaam **®®. Dertig dagen vormen het twaalfde gedeelte van het jaar, alsook de periode van een ieder der tekenen van de 3368 Richt, XX 26; I Sam, VII 6; Joël, 1 14 (nosy), II 15 (idem); Nehem., IX 1; 1 Machab., III 17, 47; II Bar., V 7; Flav. Jos, Vit, 290; Idem, Antiq., V 159; Misn., Ta'an., II 8. Kalendervasten: noot 3426-3443. Zie ook noot 530, 2179, 3310, 3320, 3407, 3411, 3425, 3426, 3429, 3430, 3441, 3455, 3851, 3930. 3369 Talm. Babl., Ta'an., 12a; vgl. ibid, Pesäh., 2b. 3370 Richt, XX 26; II Sam., 1 12; II Bar., V 7; Test. Isaac, IV 4 (Riessler); Miën., Ta'an., 1 4, 5, 6. 3371 Esth., IV 16; Dan, VI 19; Flav. Jos., Contr. Apion., 1 308; Misn., Ta'an., 1 6, II 7; Talm. Babl., Jöm., 69b. 3372 BH. Stricker, De Geboorte van Horus, Leiden, 1963-1982, blz. 281-282, noot 2993-2995. 3373 Vasten per uur: Talm. Babl., ‘Erüb., 4la; ibid, Ta'an., 11b-12a; ibid. ‘Ab. Zär., 34a. 3374 Esth., IV 16; Ezr., VIII 15 (vgl. 21); II Machab., XIII 12; Flav. Jos., Antig., XI 134, 228, 232, 234; Mièn., A 6, 11 6, 9; Talm. Babl., Jöm., 69b. Zie noot 531, 1781, 2123, 3412-3414, 3455, 3472, 3709, 3839, 3921, 3939, ame 1 Sam., XXXI 13; I Chron., X 12. Zie noot 532, 2124, 3415, 3455, 3710, 3923, 3924, 4070. Betekenis: zie noot 7 2376 Jon, III 4, Zie noot 536-538, 1813-1814, 3421, 3455, 4139. 27 Jud IV-13; 278 B. H. Stricker, Legis Actio Sacramento, Amsterdam, Oxford. New York, 1981, blz. 4, noot 5. 3379 Zie noot 3396. *…80 De Geboorte van Horus, blz. 232, noot 2265-2273. Zie noot 3715, hieronder. 3381 Ibid, blz. 249, noot 2511. 3382 Ibid, blz. 249, noot 2520. 3383 Ibid., blz. 257, noot 2626. 3384 Ibid, blz. 244, noot 2431: Sueton., De Vit. Caes., II 99, 2. Zie noot 4139. 385 Egyptenaren: noot 533, dl 1822, 1834, / 1837. À Joden:5 Midr. À Levit 5 Rabb … XXX 7; Midr. i Predik. i Rabb., IX 7; Midr. Pesiqt. Rabb, LI 8. Zie noot 533, 3455, 4066, 4155. Ei ad 5 2285 Zie noot 3455, 3852, 3927, 4039, 4065, 4066, 4139, 4156. 3387 De vijf epagomenale dagen als lacune in de tijd beschouwd: vgl. Oudh. z. 58. 2388 De Geboorte van Horus, blz. 257, noot 2616, 2617. Med, N. R., deel XXIX, Leiden, 1948

Page 9

View in PDF(opens in a new window)
staan de Zonnegod Wierenriem 389 Twaalf hemelse raadsheren * - . . v terzijde in diens beslissing ove T leven en dood””*”. De dagen der vastenperiode volgden elkander oorspronkelijk in een ononderbroken reeks. Dat is zo gebleven bij de Egyptenaren?3°! en na hen bij de Christenen**°? en de Moslims®595. Pe Ioden zingen hun cigen weg Zij verleenden de Sabbat in hun kalender transcendente staat?104. De Sabbat gold bij hen als heilige dag****, als feestdag, en vormde als zodanig drieeenheid*®®®, De vrijdag aan hem voorafgaand en de zondag op hem volgend waren hem dienstig en deelden enigermate in zijn heiligheid2*°”. De driedaagse Sabbatsperiode vormde de kern van de week. Zij werd voorafgegaan en gevolgd door een vastendag, de donderdag en de maandag**®®; hetgeen voor de week slechts de dinsdag en de woensdag als neutrale dagen overliet. Als feestdag werd de Sabbat zelf**°® en werden bij voorkeur de hem beide dienstige dagen **°° van vasten vrij gehouden; dit laatste niet textueel voorgeschreven ?*°1, De standmannen vastten ook op de dinsdag en de woensdag, dus op het maximaal geoorloofde aantal van vier weekdagen **??, De symbolische getallen der vastenperiode werden in dit stelsel gehandhaafd, maar in gewijzigde toepassing. De periode van drie vastendagen strekte zich voortaan uit over acht kalenderdagen, of een week plus een dag; de periode van zeven vastendagen over twee en twintig kalenderdagen, of drie weken plus een dag; de periode van veertig, een en veertig of twee en veertig vastendagen over respectievelijk honderd zeven en dertig kalenderdagen of negentien weken plus vier dagen, honderd een en veertig kalenderdagen of twintig weken plus een dag, en honderd vier en veertig kalenderdagen of twintig weken plus vier dagen. Perioden van een week of van drie weken waren voor publieke vasten geschikt, perioden van omtrent honderd veertig dagen, een klein half jaar, waren dat minder. Om de overlevering gestand te doen vastte men publiekelijk dus gedurende drie en veertig kalenderdagen, anders geteld twee en veertig dagen plus een dag, waarvan slechts dertien dagen dagen van onthouding waren. Op gelijke wijze omgerekend, leverden perioden van tien en van dertig vastendagen perioden op van twee en 3389 Maand, representatief voor jaar: Procl., Comment. in Platon. H. Stricker, Rempubl., p. II 58 (Kroll). Vgl. B. Camephis, Amsterdam, Oxford, 1975, biz. 69, noot 595. 3390 De Geboorte van Horus, blz. 375, noot 3773, 3774. 3391 Zie noot 536-538. 3392 De vasten voor Pasen en Kerstmis. 2393 De vasten in de maand Ramadaan. 3304 Vgl. Ezech., XLVI 4; Phil. Jud, De Abrah., 28-30; Midr. noot 181-185 Pesiqt. Rabb., XXIII 6. Voor het hier volgende, zie XXIII 3; Deut, V 12; Jerem., XVII 22, 24, 27; 3395 Genes., I1 3; Exod., XV1 23, XX 8, Il, XXXI 14, Levit. 24, 25, 26, 30; Flav. Jos, Bell. Jud. 11 517; Ezech., XX 20, XLIV 24; Nehem., IX 14, X 32 (31), XIII 17, 22; Jubil., IT 19, 194. Ì Phil. Jud, De Spec. Legib., na, Ev. Matth, XII 5; Midr. Pesiqt. Rabb, XXIII 6, L 2. De Sabbat, feestdag: a; Midr. Mekilt., in Exod., XVI 25. Zie 117b-118 Sabb., Babl., Talm. 3396 Drie verplichte maaltijden op de Sabbat: noot 3379. 3397 Min, Ta'an., IV 2, 3. Rabb., LXXVI 3. Eer aan de Sabbat 3398 Epiphan., Panar., XVI 1, 5; Miën., Ta'an. 1 6, II 9, IV 7; Midr. Genes. ed verschuldigd: Miën., Ta'an., 1 6, HAVEN ibid., Megill., p, 70d, 13-14; 3399 Jud., VIII 6; Tös., Ta'an., II 6; Talm. Jer, Ta'an., p. 66a, 51-52; Beräk., 31b. Zie noot 3940. 3400 Jud, VIII 6. Vastenrol: Miön., Ta'an., II 8. 8 : Talm. Babl., Hef Röö haö-Sän., 19a; ibid., Ta'an., 17b. Zie 3401 Tös., Ta'an., II 6; Talm. Jer, Megill., p. 70e, 73-74; Talm. Babl., , id noot 3467. Ta'an., Il 9. Miën., zie telling, volgende hier de Voor 3307. noot Zie 2. 3402 Miën., Ta'an.,

Page 10

View in PDF(opens in a new window)
dertig kalenderdagen of vier weken plus vier dagen, en van honderd twee kalenderdagen of veertien weken plus vier dagen. In de planetenweek, door de Joden geadopteerd, was de zaterdag heilig aan de planeet 3*°*, Inachtneming van de zaterdag kan Egyptische Saturnus®*03; zo reeds bij de Egyptenaren zede geweest zijn door Mozes bestendigd. Deze scherpte haar reeds in de eerste dagen van de uittocht aan zijn volgelingen in**5 en legde haar aan hen bij de sluiting van het Sinaïetische verbond als gebod op®*°5. Saturnus, de traagste der planeten, belichaamt naar de mening der antieken ouderdom en dood. De kinderoffers der Phoeniciërs werden in zijn naam opgedragen. De hem heilige dag, waarop dat geschiedde, kan oorspronkelijk geen vrolijke dag geweest zijn3407, Mozes beroept zich erop, dat de schepping der wereld op de zevende dag voltooid was en Jahwe op die dag rustte**°5. De zaterdag is Sabbat. Alle werkzaamheid is op hem verboden +09, Hij is een dag van vrome gezindheid en van inkeer. De nuance van vrolijkheid is het eerst geattesteerd bij de Profeten **19. Van dat ogenblik af was de Sabbat manifestatie van positieve levensaanvaarding. Zijn positie in de week, het blijkt uit het in de voorgaande alinea behandelde, is overheersend. De Joden waren van ascese afkerig. De wijze, waarop zij de vastenperioden verbrokkelden, doet vermoeden, dat de Sabbat voor hen middel was om onthouding van langere duur onmogelijk te maken. In geval van nood werd de vasten geïntensiveerd. Men verlengde de vastenperiode van een enkele dag tot achtereenvolgens de genoemde drie, zeven en (twee en) veertig dagen. Hoe deze intensivering bewerkstelligd werd, staat in verband met de bede om regen uitvoerig beschreven. De regentijd in Palestina strekt zich uit van november tot april of, in Hebreeuwse termen, van Marchesjwaan tot Nisan. Op de derde of zevende Marchesjwaan bad men om regen 311. Was deze op de zeventiende nog niet gevallen, particulieren zetten een vasten in van drie dagen 3*!?2, Na twee weken van vergeefs wachten greep het gerechtshof in en vaardigde een publieke vasten uit. Deze was gedurende drie dagen licht; men vastte des daags vanaf zonsopgang en nam na zonsondergang spijs en drank tot zich®*!*. Drie dagen van zware vasten volgden, waarop men zich vanaf de vooravond na zonsondergang moest onthouden en zich slechts op de tussenliggende dagen voeden en drenken mocht. Het werk werd stilgelegd, de lichamelijke hygiëne verwaarloosd, het geslachtsverkeer gestaakt, de badhuizen werden gesloten3*!*. Men had nu zes 3403 Vgl. Dio Cass, Hist. Rom., XXXVII 16, 17, XLIX 22, LXVI 7; Tacit., Hist, V 4. 3404 Lyd., De Mensib., II 12. Vgl. Apion, fr. 4b (Jacoby; ad II 21). 3405 Exod., XVI 22-30: 3406 Exod., XX 8-11, XXXI 12-17. 3407 De Sabbat, vastendag in de opvatting der klassieken: Strab., Geogr., XVI 2, 40; Sueton., Vit. Caes., II 76: Justin, Epit. Hist. Philipp. Pomp. Trog., KXXVI 2, 14; Pers, Sat, V 184; Petron., fr. 37 (Buecheler); Martial., Epigr., IV 4,7, Zo nog: Jubil., L 8, Talm. Babl., Jabm., 90b. Sabbatsviering, barrevoets: Juven., Sat, VI 159. Onjuist, vgl. Talm. Babl., Jóm., 78a. 3408 Genes., II 2-3. 2409 Zie noot 3311, 3414, 3425, 3494, 3708, 3765, 3856, 3907, 4150. 3410 Jezaj., LVIII 13; Hoz., II 13 (10). Vgl. Juven., Sat VI 159. De Sabbat, symbool van wederopstandin g: Vit. Ad. et Ev, LI 2. 3411 Miën., Ta'an., 1 3. Zie noot 3368. 3412 Misn., Ta'an, 1 4. Dwz. acht kalenderdagen, en zo ook in noot 3413, 3414, Zie 3413 Misn., Ta'an, 1 S, 11 6. Zie noot 3412 (drie), 3481 (spijs), 3486 (drank). noot 3374. 2414 Misn., Ta'an., 1 6, II 6; Talm. Babl., Pesäh., 54b. Zie noot 3409 (werk), 3481 (spijs), 3486 (drank), 3487 (geslachtsgemeenschap), 3488 (hygiëne), 4154 (badhuis).

Page 11

View in PDF(opens in a new window)
dagen, dwz. twee weken plus vier dagen gevast. Het gerechtshof voegde daaraan zeven andere toe, wanneer het resultaat was uitgebleven. De winkels werden des maandags gesloten gehouden tot het vallen van de avond**!5, Eerst in deze zeven laatste dagen werd de vasten geformalizeerd op de hierboven beschreven wijze**15. Met de zevende dag, zijnde de dertiende vastendag en de drie en veertigste kalenderdag, was de actie van het gerechtshof ten einde. De nood was inmiddels wel zo hoog gestegen, dat men weinig meer behoefde te suggereren. Zolang als er geen regen kwam, bleef men in staat van verminderde bedrijvigheid. De handel was stilgelegd, gebouwd werd noch geplant, verloving of huwelijk werden niet gesloten, op straat werd niet langer gegroet. Particulieren zetten het vasten voort tot de maand Nisan, waarop het seizoen als verloren, de straf Gods als voltrokken werd beschouwd **!”. Men vastte om cultische of profane reden. De cultische vastendagen waren in de kalender vastgelegd. De voornaamste vastenperioden golden de vier cardinale punten van de zonnebaan. Resten daarvan in de latere culten waren de vasten voorafgaand aan de herfstevening®*!®, de winterzonnewende3*!°, de lenteëvening®*?°. De Egyptenaren kenden een vastenperiode, úyveia genaamd ?*2!, die twee en veertig of meer dagen duurde. Het getal ware passend bij de cultus van Osiris3*22. In de Joodse kalender komt een vastenperiode dezer lengte niet voor; heeft zij het eenmaal gedaan, de Joden moeten haar uit hem hebben verwijderd. Zij verschijnt weder bij de Christenen, ter lengte van vijftig dagen voorafgaand aan het Paasfeest in de westelijke kerk **25, datzelfde in de oostelijke met daarenboven een vasten ter lengte van veertig dagen voorafgaand aan het Kerstfeest. De Moslims vasten gedurende de maand Ramadaan. Kleinere vastenperioden plachten over het gehele jaar verspreid te zijn. Onder de profane vasten vormden de vasten in nood, als in de voorgaande alinea beschreven, de voornaamste groep. Het tijdeigen was in de oudheid strict geregeld. In de bewaarde Egyptische kalenderhandschriften3*2* staan bij iedere dag des jaars de mythische voorvallen vermeld, die in de oertijd daarop hadden plaats gevonden, en is aan ieder hunner een advies toegevoegd inzake de wijze, waarop hij moest worden doorgebracht. Waren de mythische voorvallen heilvol geweest, men kon op hem naar believen handelen, waren zij onheilvol geweest, men moest zich op hem van handeling onthouden**2°. Bij onheilsdagen luidt het advies gewoonlijk het werk te staken of in het geheel niets te doen, een enkele maal gespecifieerd: zich niet te wassen of te zalven, zich van geslachtelijk verkeer te onthouden, zijn huis niet te verlaten, geen gesprekken te voeren. De onthoudingen zijn van even grote verscheidenheid als de mythische voorvallen, waarop zij 3415 Miën., Ta'an., 1 6, II 6. Zie noot 3375 (zeven), 3908 (winkel). 3416 Zie noot 3347-3367. 3417 Misn., Ta'an., 1 7. Zie noot 3908 (handel), 3909 (groet), 3913 (verloving. huwelijk). 3418 Zie noot 1872, 1914, 1915. 3419 Zie noot 2028. 3420 Zie noot 1483, 2042, 3423. 3421 Zie noot 3376. 3422 De Geboorte van Horus, blz. 257, noot 2640. 3423 Zie noot 3420. 3424 De twee uitvoerigste exemplaren: Pap. Brits Museum, no. 10184, Sallier IV, recto, vgl. E.A. Wallis Budge, Facsimiles of Egyptian Hieratic Papyri in the British Museum, Londen, 1910-1923, deel II, blz. 34-38, met pl. LXXXVIIICXI; Pap. Caïro, no. 86637, vgl. Abd el-Mohsen Bakir, The Cairo Calendar, no. 86637, Caïro, 1966. 3425 Zie noot 3368 (dag), 3409 (werk), 3487 (geslachtsgemeenschap), 3488 (wassen), 3489 (zalven), 3689 (spreken), 3910 (tehuis).

Page 12

View in PDF(opens in a new window)
betrokken zijn. Zij blijven echter van elkander gescheiden en zijn niet als in de vasten tot een stelsel verenigd. Slechts een enkele dag was als vastendag in de Joodse kalender wettelijk vastgelegd. Dat was de grote Verzoendag**?°. Een niet-wettelijk geregelde vastenpraktijk kan daarnaast hebben bestaan**2?, maar moet in dat geval tijdens de Babylonische ballingschap opgegeven zijn. Na afloop dezer laatste vermeldt de profeet Zacharia „het vasten der vierde, en het vasten der vijfde, en het vasten der zevende en het vasten der tiende (maand) **2®. Rabbi ‘Agqieba, begin van de tweede eeuw onzer jaartelling, levert hierop commentaar en betrekt de vermelding van de vierde maand op de 9de Thammuz, van de vijfde op de 9de Ab, van de zevende op de 3de Tisjri, van de tiende op de 10de Tebeth**2°. Twee dezer data komen in de Misjna voor, die in Thammuz, niet de 9de, maar de 17de**39, en die in Ab**31, Op de 9de Thammuz werd de stad Jeruzalem door de Babylonische koning Nebukadnezar ingenomen ***?. Op de 17de Thammuz verbrak Mozes de stenen tafelen **** en werd tijdens het beleg door de Romeinen onder Titus het gedurig offer te Jeruzalem gestaakt**3*. Op de 9de Ab werd de kinderen Israëls, in de Sinaïetische woestijn rondzwervend, door Jahwe de toegang tot het beloofde land Palestina ontzegd**3, werden zowel door de Babyloniërs**3° als, eeuwen na hen, door de Romeinen ***? de tempel en de stad Jeruzalem verwoest, en werd onder de regering van keizer Hadrianus ook de laatste voorvechter der Joodse onafhankelijkheid, Bar-Cochba, door hen verslagen en gedood +38, Op de 3de Tisjri werd Gedalia, creatuur van Nebukadnezar, vermoord **3°® en eindigde het Joodse koningschap. Op de 10de Tebeth ving het beleg van Jeruzalem door de Babyloniërs aan?**°. Zacharia was reeds teruggetreden of overleden, toen nog een andere datum aan de vastenkalender werd toegevoegd. Op de 13de Adar vastten de Joden in het Perzische rijk, door een intrige van de 3426 Levit., XXIII 32; Phil. Jud, De Vit. Mos., Il 23; Idem, De Decal., 159; Idem, De Spec. Legib., 1 186, II 193, 194, 197, 200; Idem, Leg. ad Gai, 306; Flav. Jos., Bell. Jud, V 236; Idem, Antiq., XIV 66, 487, XVII 165, 166, XVIII 94; Handel, XXVII 9; Misn., Jóm., VIII 1; ibid., Nedar., VIII 6; ibid., Menäh., X1 9; Talm. Babl., Pesäh., 54b; Midr. Levit. Rabb., XXX 7: Midr. Predik. Rabb., IX 7; Midr. Pesiqt. Rabb., LI 8. 3427 Vgl, Jerem., XXXVI 6, 9; Flav. Jos., Antig., X 93. 3428 Zachar., VII 19, vgl. VII 5. 3429 Talm. Babl., Ró$ has-Sän., 18b. Vgl. Tös., Söt., VI 10; Talm. Jer., Ta'an., p. 68c, 59-73; Midr. Sift. in Deut., VI 4, 831; Hieron., Comment. Il in Zachar., VIII 18-19, 3430 Miön., Ta'an., IV 6. Zie noot 3368. 3431 Miën., Ta'an., IV 6. Vel. ibid, Pesäh., IV 5; ibid., Rös has-Sän., 1 3; ibid, Ta'an., II 10, IV 7. 3432 Historisch: IT Kon., XXV 3; Jerem., XXXIX 2, LII 6, 7. 3433 Miën., Ta'an., IV 6. Zonder datum: Exod., XXXII 19; Deut, IX 17. 3434 Flav. Jos., Bell. Jud, VI 94 (Mávegog); Misn., Ta'an., IV 6. 5435 Miën., Ta'an., IV 6. Zonder datum: Numer., XIV 22-23, 28-30; Deut, 1 35; Hebr, 111 17. 3436 II Kon, XXV 8 (7 Ab); Jerem., LII 12-13 (10 Ab); Flav. Jos, Bell. Jud, VI 250 (10 Aöoc); Misn., Ta'an., IV 6. 3437 Flav. Jos., Bell. Jud, VI 250 (10 Aôos); Miën., Ta'an., IV 6; vgl. Tôs., Ta'an., 111 10. 3438 Miën., Ta'an., IV 6; Talm. Jer, Ta'an., p. 68d,43-69a,13; Midr. Klaagl. Rabb., II 2, 4; Arist. Pell, fr. 1 (Jacoby); Justin. Mart, Apol., XXXI 6; Dio Cass, Hist. Rom, LXIX 12-14; Euseb., Chronic, ad ann. 133-136 A.D.; Hieron., Apol. adv. Rufin., III 31; Idem, Comment. II in Zachar., VIII 18-19; Oros., Hist. adv. Pagan, VII 13, 4-5; Syncell., Chronogr., p. 1 660-661 (Dindorf). 3439 TJ Kon., XXV 25; Jerem., XLI 1-2. 3440 IJ Kon., XXV 1-2; Jerem., LIL 4-5; Ezech., XXIV 1-2, vgl. XXXIII 21.

Page 13

View in PDF(opens in a new window)
vizier Haman met uitroeiing bedreigd3*+!. Van vasten op mythologische grondslag kan bij de Joden niet langer sprake zijn. Zij pogen de vastendata af te leiden uit de tekst van de Pentateuch***?, In werkelijkheid dateren de vasten uit veel later tijd, uit de dagen, waarin het Joodse koninkrijk door de Babyloniërs en de Joodse staat door de Romeinen werd vernietigd. De cumulatie van gebeurtenissen op de 9de Ab kan verklaard worden uit de begeerte het aantal der vastendagen drastisch te beperken **+. Omtrent het midden van de tweede eeuw onzer jaartelling, geheel aan het begin der Rabbinale periode en kort na de verwoesting van Jeruzalem door Hadrianus, werd een tractaat betreffende de vasten uitgegeven, de Vastenrol****. In deze tekst, die overgeleverd is, staan de Joodse feestdagen geïnventarizeerd, waarop niet mocht worden gevast. De private vasten in formeel aspect werd aangenomen door de enkeling in vrije wil. God deed hem daartoe somtijds de suggestie****. Hij kon de vasten ook bij gelofte of eed op zich nemen?*+6, maar nodig was dat niet. Men nam de vasten aan door te verklaren: „Ik zal vasten’ 3447; moest dat echter niet op de vastendag zelf, maar op de daaraan voorafgaande dag doen?*48. In de mond van de minderjarige waren de woorden niet verbindend?**®. In geval van nood vastte de gehele familie, vrouwen, kinderen, slaven 3*5° en zelfs het vee*$51 met de heer des huizes tezamen. De vastendag werd doorgebracht in gebed***?. Men bezocht de tempel 2*53 en bracht eventueel een offer**s*. De enkeling vastte zo lang als de gemeente, maar veelal 3368. 441 Esth., IV 16. Datum: ibid, III 13, VIII 12, IX 1, 15, 17, 18; T Machab., VII 43; IT Machab., XV 36. Zie noot 3442 Zie noot 3433 en 3435. 3443 Vgl. Talm. Babl., Pesäh., S4b; ibid, Ta'an., 1lb, 12b. 3444 Misn., Ta'an., II 8. Uitgave: A. Neubauer, Mediaeval Jewish Chronicles, Oxford, 1887-1895, deel II, blz. 3-25. 45 Joël, 11 12; Il Bar, XX 5, XXI 1, XLIII 3, XLVII 2; IV Ezr., V 13, 20, VI 31, 35, IX 23-25, XII 51; Apoc. Esdr., 1 3 (Riessler). 3446 Bij gelofte: 1 Esdr., VIII 49 (LXX); vgl. Talm. Babl., Ta'an., 12a. Onder ede: Numer., XXX 14 (13); Tös., Ta'an., I1 6. 3447 Talm. Babl., Ta'an., 12, a-b; ibid., Nedär., 9a; ibid, Naz., 2b; ibid, Qidd., Sb; ibid., Makk., 24a. 3448 Talm. Babl., Ta'an., 12, a-b. 3449 Miën., Jóm., VIII 4; Tös., Jóm., IV 2; Talm. Babl., Ketüb., 50a. 3450 Publieke vasten: Esth., IV 16; Jud., TV 10; II Bar, V 6-7; Flav. Jos, Antiq., IX 9, XI 228, XIX 349, XX 89. 3451 Publieke vasten: Jon., III 7-8; Jud, IV 10. Zie noot 4020, 4073. 3452 II Sam, XII 16; Jezaj., LVIII 4; Ps, XXXV 13, LXIX 14; Dan, IX 3-19; Nehem., 1 4-11; 1 Esdr,, VIII 70-87 (LXX); Tob., XII 8; Siracid., XXXIV 26; Dan., IÌ 18 (LXX); Test. XII Patr., XI 4,8, 10,1, XII 1, 4; II Bar., XXI 3-26, XLVIII 1-25; IV Ezr., V 13, 22-30, VI 31, 36-59, IX 25; Phil. Jud, De Congress, 107; Idem, De Vit. Mos., II 24; Idem, De Spec. Legib., II 196; Flav. Jos., Antiq., XI 232; Ev. Matth, XVII 21; Ev. Marc, IX 29; Ev. Luc., II 37, V 33; Handel, X 30, XIII 2-3, XIV 23; 1 Cor, VII 5; Test. Isaac, TV 8 (Riessler); Talm. Babl., Pesäh., 54b; ibid, Ta'an., 11b, 13b; ibid, Ketüb., 104a, 106a; Apoc. Eliae, XXIII 16; Apoc. Sophon., XI 5 (Riessler). 3453 Jerem., XXXVI 6; Exod., XXXVIII 26 (LXX); Flav. Jos, Antiq., X 93; Ev. Luc., II 37. Na afloop der vasten: Flav. Jos., Antig., VII 156. 3454 Jud, IV 14; Test. Isaac., IV 5 (Riessler); vgl. Jerem., XIV 12. Scythen: Lucian, Toxar., 48. Zie noot 3366.

Page 14

View in PDF(opens in a new window)
langer 3*5S: honderd?*5®, driehonderd***”, negenhonderd®**® dagen of, onder vervanging van de dagbaan der zon door haar jaarbaan, een**°9, twee*460, zeven 401, veertig?*6? jaar, ja zelfs op levensduur ?*°3. De langste vastenperiode, waarvan de overlevering gewag maakt, was die van Adam na zijn verdrijving uit het Paradijs. Zij beliep op honderd dertig jâarsse, Het doel van de vasten was de verzoening Gods. De goddelijke genade erlangend, herwon de mens de transcendente staat, de transcendente gaven, die hij door zijn zonde had ver**66, werd door vasten speeld 3465. De transcendente staat, waarin de feestdag werd doorgebracht verworven. Het was zede te vasten op de dag onmiddellijk aan hem voorafgaand®46?. Het verloop van de vasten was hetzelfde als dat van de doop’*®*. Het was drieledig, bestond uit achtereenvolgens sterven, crisis*°® en (wedergeboorte en ontleende zijn symboliek aan de maan. Deze laatste sterft als oude, €, onttrekt zich aan de blik als donkere, ®, en wordt wedergeboren als nieuwe maan, )°*°. Door het vasten gaat de oude mens over in de 3455 Individuele vastenperioden: — Enige dagen: Nehem., 1 4. — Een dag: Jezaj., LVIII 5; zie noot 3368. — Drie dagen: Test. XII Patr., X1 3, 5; Miën., Ta'an., 14; Talm. Babl., Jóm., 69b; ibid, Hull, 87a; zie noot 3374. — Vijf dagen: zie noot 193, waartoe: Midr. Klaag). Rabb., IV 19, 22. — Zeven dagen: IJ Sam., XII 16-18; II Bar, IX 2, XII 5, XX 5, XLIII 3, XLVII 2; Jos. et Asen, X 20, XIII 8; IV Ezr., V 13, 20, VI 31, 35, IX 23, 27, XII 51; Flav. Jos., Antiq., VIT 154; zie noot 3375. — Acht dagen: zie noot 2028, 2181. — Tien dagen: zie noot 3385. — Twaalf dagen: Test. XII Patr., XII 1, 4. — Drie weken: Dan, X 2, 3; IV Ezr., VI 35, zie noot 3473. — Vier en twintig dagen: Talm. Babl., Pesäh., 5Ob. — Dertig dagen, een maand: Il Hen, LVI 2 (vgl. XXXVI 1-2, LXVIII 2); Midr. Genes. Rabb., XCIV 9; Midr. Predik. Rabb., IX 10, [; zie noot 3386. — Veertig dagen: Exod., XXXIV 28; Deut, IX 9, 18; Vit. Ad. et Ev, VI 1-2, XVII 3; IV Ezr., XIV 43; Phil. Jud., De Somn., 1 36; Idem, De Vit. Mos., II 69-70; Flav. Jos, Contr. Apion., II 25; Ev. Matth, IV 2; Ev. Luc, IV 2; Test. Isaac, IV 7 (Riessler); Talm. Babl., Mo“. Qät., 25a; ibid., Bab. Mes., 33a, 85a; zie noot 3376. — Zeventig weken: Apoc. Esdr., 1 3 (Riessler). — Twee maal zestig weken: ibid, 1 5. 3456 Talm. Babl., Bab. Mes., 85a. 3457 Talm. Jer, Kil'aj., p. 32b, 65; ibid, Ta'an., p. 66a, 49; ibid, Megill., p. 70d, 10-11; ibid, Ketüb., p. 35a, 68-69; Midr. Predik. Rabb, IX 10, 1. Zie noot 3386. 3458 Talm. Jer., Ta'an., p. 66a, 50; ibid, Megill., p. 70d, 11. 3459 Talm. Babl., Pesäh., 68b. Zie noot 3712, 3928, 4066, 4140, 4156, 4183. 3460 Test. XII Patr., 11 3, 4. 3461 Test. XII Pats, 1 1,9, X13, 4, 3462 Talm. Babl., Gitt., 56a. Zie noot 3376. 3463 Jud., VIII 6; Test. XII Patr., IV 15, 4; IV Ezr., X 4; Ev. Luc., I1 37; Apoc. Eliae, XXII 18-XXIII |; Test. Isaac, TV 7-8 (Riessler), Me'arr. Gazz., XL 6 (Idem); Talm. Babl., Häg., 22b; ibid, Qidd., 81b. Zie noot 3932. 3464 Talm. Babl., ‘Brüb., 18b. 3465 Siracid., XXXIV 26: Ps. Salom., III 8; Vit. Ad. et Ev, VI 1-2; Test. XII Patr.. I 19-10, IE 3-4, TM 1554 Me'arr. Gazz., XL 6 (Riessler), Tös., Ta'an., II 5; ibid, Söt., XV 11; Talm. Jer., Sabb., p. 7e, 30-31; ibid., Bês., p. 61d, 8-9; Talm. Babl., Beräk., 31b; ibid., ‘Erüb., 18b; ibid, Ta'an., 12b; ibid, Mö'. Qät., 25a; ibid, Häg., 22b; ibid, Näz., 52b; ibid, Qidd., 81b; ibid., Bäb. Mes., 33a; ibid, Sanhedr., 100a; Midr. Pesïqt. Rabb., L 4. De dood des lichaams neemt de zonde weg, zie noot 649. De indicatie is die van het zondoffer; waartoe noot 3302. Zie overigens, voor de Egyptenaren: noot 2113-2124, voor de Joden: noot 2125-2183, 3560. 3466 Zie noot 3006. 3467 Nieuwjaar: Talm. Jer, Ta“an., p. 66a, 48; ibid, Megill., p. 70d, 10; Talm. Babl., Pesäh., 108a. Sabbat: Talm. Jer, Ta'an., p. 66a, 48-49, 66b, 7-8; ibid, Megill., p. 70d, 9; Talm. Babl., Sabb., 118a; ibid, ‘Erüb., 40b-4la. Zie noot 3401. 3468 Zie noot 1797-1801, 1810-1814. 3469 Legis Actio Sacramento, blz. 6, noot 25. 3470 De cyclus van wording en vergaan, Egyptenaren: Plut., fr. 112 (Sandbach); De Geboorte van Horus, blz. 232, noot 2264. Grieken: Plut., De Gen. Socr., 22 (p. 591b). — De nieuwe maan, de herboren ziel van Osiris: H. Brugsch, Thesaurus Ínscriptionum Aegyptiacarum, Leipzig, 1883-1891, blz. 37, regel 31; E. Chassinat en Anderen, Le Temple de Dendara, Caïro, vanaf 1934, deel II, blz. 138, regel 7-8; vgl. F.-R. Herbin, Bulletin de l'Institut Francais d'Archéologie

Page 15

View in PDF(opens in a new window)
nieuwe3*7!. De oude mens is zondig en sterft in wanhoop en berouw, de nieuwe mens is van zonde vrij en wordt geboren in hoop en oprechtheid. De crisis valt tussen beide fazen in, in het midden der vastenperiode, daar, waar de dood in leven overgaat. De drieledigheid van de vasten is terzelfder tijd eenheid. De symboliek dezer eenheid is die van de weegschaal; waarvan de ene schaal daalt, terwijl de andere stijgt. Het afsterven van de oude mens voltrekt zich in een onafgebroken lijn vanaf de eerste dag van de vasten tot de laatste; de geboorte, de wording van de nieuwe mens doet datzelfde. De drie-eenheid van de vastenperiode wordt somtijds tot uitdrukking gebracht in haar lengte, die op drie dagen**’?, drie weken?*3 of drie maal een gegeven tijdspanne**”* wordt gesteld, of ook door haar met onderbrekingen drie maal in acht te nemen +75. De vasten, zowel publiek als privaat, vormde materieel een stelsel van handelingen en onthoudingen®*’®. De drieledigheid was aan ieder dezer eigen. Ieder harer symbolizeerde sterven, crisis en wedergeboorte. Zij werden gezamenlijk vanaf het begin tot aan het einde der vastenperiode voortgezet. Dat werden ook zij, die de crisis symbolizeerden, hoewel deze laatste, in de engere zin des woords genomen, eenmalig was en geen afmeting in de tijd bezat**””. In de ruimere zin des woords was de vasten zelf crisis. De handelingen en onthoudingen zijn in de hier volgende alinea's gesorteerd op haar dominerende betekenis. Men bedenke, dat onder de dominerende betekenis de beide andere steeds aanwezig zijn. De onthoudingen, die het sterven betroffen, beoogden, geheel zo als dat met het offer het geval was*+78, de afbraak van het lichaam. Men vastte ?*”® en sloeg zich op de borst 3*8°. Men at niet**81, althans geen vlees?+82, vis®*83, brood?484 of zelfs vruchten 3**5, men dronk niet3*86 en Orientale, deel LXXXII, Caïro, 1982, blz. 237-282, met pl. XLVII. De dag van nieuwe maan, feestdag der Egyptenaren: Marin, Vit. Procl., 19. Vgl. Porphyr., Vit. Plotin., 10; Idem, de Antr. Nymph., 24. Zie noot 4120. 271 Rom., VI 2-11; Ephes., II 15, IV 22-24; Coloss., III 9-10. Vgl. II Cor, V 17; Gal, VI 14-15; I Petr. II 1-2. 3412 Zie noot 3374. 413 Zie noot 2144, 2157, 3455. 3414 Zie noot 3456-3458. 3475 Test. Isaac, IV 7 (Riessler); Talm. Babl., Bäb. Mes., 85a. 2418 In de hier volgende uiteenzetting is slechts datgene opgenomen, wat textueel als onderdeel van vasten of smeekbede wordt betiteld. 341) Legis Actio Sacramento, blz. 3, noot 3. 3418 Zie noot 994, 1343, 1346. 279 Richt, XX 26; I Kon, XXI 27; Jerem., XIV 12; Joël, 1 14, Il 12; Zachar., VII 5; Esth., IV 3, IX 31; Nehem., 14, IX 1; 1 Bar, 15; Il Bar, V 7, IX 2; IV Ezr., V 20; Pap. Elephantine, XXX 15, 20, XXXI 14 (Cowley); Flav. Jos., Antiq., XX 89; Miën., Ta'an., 1 4-7, III 1, 3-4, 6, 9; Midr. Pesigt. Rabb, L 4; Me'arr. Gazz., XL 6 (Riessler). 3480 Zachar., VI 5 (LXX); I Machab., IV 39; Vit. Ad. et Ev, XXXVI 1, XL 1; Ev. Luc., XVIII 13: Jos. et Asen, X 17. Zie noot 3579, 3731, 3735, 3861, 3866, 4079. 2481 Egyptenaren: vgl. noot 3314. Joden: Jon, III 7; Ps., CIX 24; Esth., IV 16; Jos. et Asen, X 20; Phil. Jud, De Vit. Mos, II 24; Idem, De Decal., 159; Idem, De Spec. Legib., II 193, 195; Flav. Jos. Antiq., VII 154, 157, VIII 362, X1 228, 232, XII 290; Ev. Matth, IV 2; Ev. Luc., TV 2; Misn., Jóm., VIII 1-3; ibid, Ta'an., 1 4-6, III 9. Zie noot 3311, 3312, 3413, 3414, 3751, 3886, 4164. 3482 Jos. et Asen., X 14, XIII 7. Zie noot 3546, 3752, 3888, 4050. 3483 Jos. et Asen, X 14. Zie noot 4054. ME Joden: II Sam, XII 17, 20, 21; Jos. et Asen, X 2, XIII 8; Ev. Matth, IV 3: Ev. Luc., IV 3. Phrygiërs: vgl. Sallust., De Diis et Mund., IV 10. Anders, Egyptenaren: zie noot 3314; Joden: zie noot 3755. Zie verder noot 3754, 3155, 3887, 4117. 3485 Phil. Jud., De Spec. Legib., II 197-198; Test. Isaac., IV 8 (Riessler). Vgl. Talm. Babl., Bäb. Bätr., 60b, en zie noot 4057. 3486 Egyptenaren: vgl. noot 3318. Joden: Jon, III 7 (geen water); Esth., IV 16; Jos. et Asen, X 2 (geen water), 14

Page 16

View in PDF(opens in a new window)
onderhield geen geslachtelijk verkeer**®”. Men waste**8® noch zalfde>*8° zich; de vrouw ontknoopte de haren **°®. Men scheurde zijn kleed in**°®* en waste ook dit niet**°?, men legde zijn sieraden af**°3 en staakte het werk**°®*. Deze onthoudingen gingen begeleid van de bij de psychische gesteldheid van de dodelijk getroffene passende gebaren. De vastende verkeerde in rouw®*°5 en droefenis?*°®, Hij weende**°? en klaagde zijn leed®*°®, hij sprak met omfloerste stem 3499. Zijn houding verried zijn ontreddering®*°°. Hij ging barrevoets*5®!, langzaam 55°? en met gebogen hoofd*°*. Hij bracht de nacht wakend door $+, Het sterven wordt gevolgd door de crisis, het oordeel Gods. De vastende wachtte dit af in deemoed en in gebed. Het betoon van deemoed wordt als zelfvernedering, nayn, taneivootg, betiteld, met een term, die in de latere teksten de oudere, a1s, in de betekenis „vasten”’ verdringt. Het gebed gaf uitdrukking aan het streven van de mens naar God?5°5. In het vastengebed 3506 (geen offerwijn), XIII 8 (geen water); Phil, Jud, De Vit. Mos., II 24; Idem, De Decal., 159; Idem, De Spec. Legib., I1 193, 195; Flav. Jos, Antig., XI 232; Miën., Jom, VIII 1-3; ibid, Ta'an., 1 4-6, III 9. Anders, Egyptenaren: noot 3315. Joden: Talm. Babl., Ta'an., 30b. Zie noot 3311, 3312, 3413, 3414, 3749, 3883, 4164. 2487 Phil. Jud., De Spec. Legib., II 195; Misn., Jóm., VIII 1; ibid, Ta'an., 1 6. Phrygiërs: vgl. Sallust., De Diis et Mund., IV 10. Afbraak der afgeleide lichamen. Zie noot 3304, 3414, 3425, 3756, 3890, 4165. 3488 II Sam, XII 20; Misn., Jóm., VIII 1; ibid, Ta'an., 1 6. Het gelaat: Jos. et Asen, XIV 12, 17; Ev. Matth, VI 17; vgl. Talm. Babl., Ta'an., 13, a-b. Zie noot 3414, 3425, 3757, 3904, 4166. 2489 I] Sam, XII 20; Esth., IV 17k (LXX: Îöbopata); Ev. Matth, VI 17; Miën., Jóm., VIII 1; ibid, Ta'an., 1 6. Vgl. Flav. Jos, Antiq., XI 232 (hôéa). Zie noot 3425, 3758, 3898, 3906. 3490 Esth., IV 17k (LXX); Jos. et Asen, X 16; Paral. Jerem., II, 1-5. Vgl. Oudh. Med., deel XLI, Leiden, 1960, blz. 22-23, noot 10-18; noot 3762, 3897, hieronder. Afleggen van de sluier: Jos. et Asen., XIV 17; zie noot 4158. 91 1 Kon, XXI 27; II Kon, XXII 11; Joël, II 13; Esth., IV 1; Ezr., IX 5; II Chron., XXXIV 19; 1 Machab., II 47, IV 39, XI 71; Flav. Jos, Antig., X 59, XI 221; Talm. Babl., Ta'an., 14b. Zie noot 3318, 3586, 3693, 3865, 4074, 3492 Miíön., Ta'an., II 7, IV 7. Zie noot 3322, 3584, 3905, 4166. 5493 Jos. et Asen, X 11, XII[ 4. Zie noot 3581, 3764, 3895, 4146. 3494 Levit., XVI 29, XXIII 28, 30, 31; Numer., XXIX 7; Isaï., 1 13 (LXX); Misn., Pesäh., TV 5; ibid, Jóm., VIII 3; ibid, Ta'an., 1 6. Zie noot 3409. 3495 Esth., IV 3; Nehem., 14; Esth., IV 17k (LXX); 1 Esdr., VIII 69 (LXX); Test. XII Patr., I 1, 10; IV Ezr., V 20, X 4, Weeklacht: Jerem., IV 8; Joël, 1 13, II 12; Amos, V 16; Zachar., VII 5; Esth., IV 3; Flav. Jos., Antiq., XIX 349; Euseb., Hist. Eccles., II 10, 8. Zie noot 3891, 4049. 3496 Ev, Matth, VI 16, TX 15. Vgl. Isid. Hispal., Etym., VI 19, 79. 3497 Richt., XX 26; II Sam, XII 21, 22; Joël, II 12; Zachar., VII 3; Ps, LXIX 11; Esth., IV 3; Ezr., X 1; Nehem., 14; 1 Esdr., VIII 88 (LXX); IL Machab., XIII 12; III Machab., V 25; 1 Bar, 1 5; Apoc. Mos., VI 2, IX 3, XIII 1; Jos. et Asen, X 2, 5, 7, XIII 5, 6, 8; II Bar, V 6, IX 2; IV Ezr., V 13, 20, VI 35; Flav. Jos, Antiq., IX 9, XII 407, XIX 349, XX 91; Euseb., Hist. Eccles, II 10, 8; Me'arr. Gazz., XL 6 (Riessler). Zie noot 3358. 3498 Tekst: — brom: Jerem., IV 8, XXV 34; Ezech., XXI 17 (12); Joël, 1 13. — pyt: Jerem., XXV 34; Ezech., XXI 17 (12); Joël, 1 14; Esth., IV 1, IX 31; Miën., Ta'an., III 7. Boâv: Jud, IV 15; I Machab., IV 40; Flav. Jos., Antiq., XI 221. — Andere termen: Jerem., XIV 12; Amos, V 16; II Bar, V 6; Jos. et Asen, X 5, 6, 7; Flav. Jos, Antiq., XIX 349, XX 91. 3499 Talm. Babl., Ta'an., 14b. 3500 Flav. Jos., Antiq., X 11. Vgl. Isid. Hispal., Etym., VI 19, 79, 3501 Flav. Jos., Antiq., VIII 362; Misn., Jom., VIII 1; ibid, Ta'an., 1 4-6. Zie noot 151, 348 (waartoe: Talm. Babl., Jöm., 78b). Schoeisel, symbool der materie: Phil. Jud., De Sacrif., 63; Idem, Quaest. in Exod., I 19. Zie noot 348-349, 352, 3550, 3574, 3769, 3903. 3502 TJ Kon, XXI 27. 3503 Jezaj., LVIII 5; Talm. Babl., Ta'an., 14b. 3504 Jos. et Asen, X 2, 17, XIII 8. Zie noot 3698, 3821. 3505 Zie noot 1237-1241; De Geboorte van Horus, blz. 221, noot 2030, blz. 223, noot 2087-2089. De lijn der doeloorzaak: zie noot 1725. 3506 Zie noot 3357, 3452.

Page 17

View in PDF(opens in a new window)
werd de begane zonde beleden*°” en berouw betoond*s°®. De bekering had reeds plaats gehad *5°® en daartoe werd de goddelijke genade afgesmeekt**'°. De afstand tussen God in diens volmaaktheid en almacht en de mens in diens nietigheid en onmacht was op het ogenblik der crisis maximaal. De symboliek der crisis was ingegeven door de overtuiging, dat de zonde de mens van God scheidt en hem buiten diens rijk plaatst®*!!. — 1° Men betrad onder normale omstandigheden de tempel met gedekten hoofde, ter ere Gods en ten teken der menselijke waardigheid**!?. Aan Gods uitverkorene werd buiten de tempel het hoofd gezalfd, doordat men er bij wijze van gematerializeerd licht olie op goot®*'>. De vastende daarentegen bedekte het hoofd met aarde3514, met as3515 of zelfs met mest35!$. De aarde was de grond, waarin het lijk bijgezet, de zondaar eventueel levend begraven werd. De as vertegenwoordigde het vuur, waarin hij ter bestraffing werd verbrand?®*!”; het vuur van het zondoffer, waarin in geval van kwijtschelding van straf zijn substituut het werd. De mest was de schande, waarmede de ter dood gebrachte door de omstanders werd overstelpt3518. Door de bedekking met deze drie stoffen werd de verticale lijn doorbroken, die de mens met God verbindt**!®. — 2° Men betrad onder normale omstandigheden de tempel in een wit linnen gewaad **?°. Buiten de tempel legde men zijn kleed van alle dag aan en in de plechtige uren des levens het ornaat of pronkgewaad?**?!. De vastende zijnerzijds legde zich een rouwkleed®5?? van zwarte kleur®?® aan of bedekte zich met een door 3507 Levit., XVI 21; 1 Sam, VII 6; Dan, IX 4, 20; Ezr., X 1; Nehem., 1 6, IX 2-3; 1 Esdr., VIII 88 (LXX); Esth., IV 17n (LXX); Jos. et Asen, XII 5-7; Flav. Jos, Antig., VIII 362; Miën., Jom, 111 8, IV 2, VI 2. Grieken: zie noot 3322. Perzen: zie noot 4024, 4058. Vgl. Isid. Hispal., Etym., VI 19, 79. 3508 Egyptenaren: zie noot 3318. Joden: Test. XII Patr., 1 1,9, IV 15, 4; Flav. Jos, Antiq., V 166, VIII 362. Vgl. Job, XLII 6; Test. Isaac, VIII 16 (Riessler). 3509 Joël II 12-13; Jon, III 8. 3510 Tekst: — mnn: Jerem., XLI 9; Dan, IX 20. — : Dan., ‚18. — ikesia, í ia: X 25; III Machab., III 14, V 25; Malach., III 14 (LXX); ea bt rine vri pe 203; Idem, Quod Omn. Prob., 148; Flav. Jos. Antiq., II 310, V 159, 256, VII 154, 327, IX 9, X 11. 64 XI 229 231 234, a ke 300, a pe 349, XX 89; Euseb., Hist. Eccles, II 10, 8. — Aasnós: II Machab. X 2; Ps he m 8. ysim. Aegypt., fr. 1 (Jacoby; ad 308); Phil. Jud., ê ì II 196; Flav. Jos., Antiq., he Ev. en sen ze dense okt den EEE B En een. 3511 Zie noot 1737-1740. 2512 De Geboorte van Horus, blz. 351, noot 3361. 5 : : B. H. Stricker, Jezus’ Koningschap, Amsterdam, Oxford, New York, 1979, blz. 3-7, noot 5-52 Nehem., IX 1; 1 Machab., XI 71; H Machab., X 25; Vit. Ad. et Ev, XXXI 1, XXXVI 1, XL 1: Paral J II 1-3; Talm. Jer, Ta'an., p. 65a, 47-49. Zie noot 3571, 3594, 3724, 3868 ien chi d,3515 XVEsth., 12, ’0 IV en 1;; Dan., he ’ IX 3;d ; Esth es IV Ik (LXX);) ‚Jud. J IV LL, 1 , 15;15; IT Machab., II 47, IV 39;= Jos. et Asen, X 16 epe Sn, Ta'an, IF 1. Vel. Taim. Babl., Ta'an., l6a; Midr. Genes. XX 89; Min, Ta'an, Mi 2516 Esth., IV 17k (LXX). Zie noot 3533. 3517 Zie noot 3774 (zondoffer), 3914-3915 (vuur). hi Legis Actio Sacramento, blz. 51, noot 459. Vgl. Flav. Jos., Antiq., XX 89 (karaioyúverv) Het hoofdhaar, middelaar tussen God en mens: zie noot 2768-27 69. Vgl. noot 3534. 3520 Zie noot 148, 347. 3$21 II Sam, ; XII 20;; 1 Esdr., is VIII 68 (LXX);5 Esth., ee IV 17k (LXX); Ps. Salom., II 20; Jos. et Asen. 2, XIV 13, 15; Flav. Jos, Antig., VII 156, X 11, XI 234. Zie noot 3763, 3894, 4146. 5 ete 2522 Egyptenaren: zie noot 3318. E Joden:ì Esth. se IV Ik (LXX); ; Jos Jos. et Asen, X 10; Flav. Jos., Ì Zie noot 3583, 3726, 3873, 4075, 4129. ne 3523 Maleach., mm 14 (vgl. ibid, naar LXX); Ps., XXXV 14; Jos. et Asen, X 9-11, XIII 2, XIV 12, 15; Flav. Jos. Antiq., VII 154, Vgl. Isid. Hispal., Etym., VI 19, 79. Zie noot 3585, 3727,

Page 18

View in PDF(opens in a new window)
een koord bijeengehouden zak **2*, in dewelke hij ook overnachtte35?5. De zwarte kleur was die van aarde en duisternis, de kleur van het graf. De zak was lijkwade ®*?® en benam de ledematen en met hen het lichaam de bewegingsvrijheid. Met de omhulling duidde de vastende aan, dat hij ook de horizontale betrekkingen tussen hemzelf en zijn medemens afsneed?*?”. — 3° Zich tot God richtend, binnen of buiten de tempel, nam men de staande houding aan**?®. De vastende echter wierp zich als smekeling voorover met het gelaat op aarde terneder***® of zat op de grond®53°. Hij behoorde niet meer tot de menselijke maatschappij, maar tot de natuur, tot de aarde, de moeder, die hem had voortgebracht. — 4° De vastende spreidde een zak***!, as**3? of mest 3533 onder zich uit en scheidde zich op deze wijze ook van de natuur af****. De aarde was cosmisch altaar ***5, hijzelf het offer, dat daarop werd opgedragen. Om een orakel te verkrijgen of ander transcendent gevolg teweeg te brengen placht de antieke mens te offeren en zich ter identificatie op de huid van het gedode dier te leggen of te zetten®**5. De Scandinaviër stelde zich op zijn eigen kleed om tijdens het gerechtelijke tweegevecht zijn tegenpartij te wederstaan 3537, De onthoudingen betreffende de wedergeboorte hadden indirecte werking. Door zich te onthouden-doodde men de oude mens actueel, wekte men de nieuwe mens potentieel tot leven. Het gezaaide wordt niet levend, tenzij, dat het gestorven zij?538; de vader en de moeder sterven in het kind®*®®. Zich het kleed scheurend35*°, scheurde men zich tevens het lichaam. De delen van dit lichaam vormden de zaden, waaruit een ander lichaam voortkomen zou?5*t. Men 3824 Joden: 1 Kon, XXI 27; Jon, III 5, 6, 8; Ps, XXXV 13, LXIX 12; Esth., IV 1-4; Dan, IX 3; Nehem., IX 1; 1 Chron., XXI 16; Jud, IV 10, 11, 14; T Machab., III 47; II Machab., III 19, X 25; 1 Bar, IV 20; Jos. et Asen., X 11, 16, XIII 3, XIV 12, 16; Pap. Elephantine, XXX 15, 20, XXXI 14, 19 (Cowley); Flav. Jos., Antiq., VII 327, VIII 362, X 11, XI 221, 223, 256, XII 300; Talm. Babl., Ta'an., 14b, 16a, 23b; Midr. Pesiqt. Rabb, L 4. Syriërs: Menandr. Com., fr. 544 (Edmonds). Zie noot 3339. 3525 1 Kon., XXI 27; Joël, 1 13; Esth., TV 3. Zie noot 3551. 2526 Volgens Talm. Babl., Ta‘an., 16a, substituut voor de dierenhuid. 3527 Vgl. II Bar., XX 5; IV Ezr., IX 23, XIV 23, 36; De Geboorte van Horus, blz. 457, noot 5372. noot 3312, 3534, 3543, 3871. Zie alhier: 2528 B. H. Stricker, Architectonische Monoliethen, Amsterdam, Oxford, New York, 1978, blz. 9, noot 43 (Voeg toe: IT Sam, 1 26; Ev. Marc, XI 25; Ev. Luc., XVIII 11, 13). 3529 Joz, VII 6; Ezr., X 1; 1 Esdr., VIII 70, 88 (LXX); Jud., IV 11; 1 Machab., IV 40; II Machab., III 21, X 26, XIII 12; Vit. Ad, et Ev, XXXI 1, XXXVI 1, XL 1; Jos. et Asen, X 19, XI 1, XIV 4; IV Ezr., IX 28 (op grond liggen); Flav. Jos, Antiq., 111 310, V 42, VIT 154, 327, X 11, X1 231, XII 407; XX 89; Talm. Babl., Ta'an., 14b. Vgl. Isid. Hispal., Etym., VI 19, 79; en zie noot 3310, 3312, 3321, 3343, 3571, 3603, 3768, 3899, 4080, 4167. 2530 Jon, III 6, Job, II 8; Nehem., 1 4; 1 Esdr., VIII 68-69 (LXX); II Bar, V 7; Phil. Jud, Quod Omn. Prob., 148 (zie noot 3634); Flav. Jos, Antig., XIX 349 (op zak); Talm. Babl., Jóm., 78a (op leem); ibid, Ta'an., 14b. Zie noot 3311, 3320, 3322, 3323, 3634, 3635, 3687, 3700, 3767, 3901, 3916. 3531 Jezaj., LVIII 5; Dan, IX 3; Jud, IV 11; Flav. Jos, Antiq., VII 154, XIX 340; Euseb., Hist. Eccles, II 10, 8. Vgl. Isid. Hispal., Etym., VI 19, 79, 3532 Jezaj., LVIII 5; Jon, III 6; Job, II 8; Esth., IV 3; Dan, IX 3; Jos. et Asen., X 4, 15, 17, 18, 19, XIII 5, 6, XIV 4; Targ. 1 in Esth., TV 17. Vgl. Isid. Hispal., Etym., VI 19, 79. Zie noot 3772, 3917. 3533 Job, II 8 (LXX). Syriërs: Menandr. Com., fr. 544 (Edmonds). Zie noot 3516. 3534 Vgl. De Geboorte van Horus, blz. 457, noot 5372. Alhier, noot 2473, 3519, 3527, 3723, 3869, 3870. 3535 Vgl. 813. 3536 Zie noot 741, 743, 744, 3596. 3537 Oudh. Med., deel LIX-LX, Leiden, 1978-1979, blz. 300, noot 30. 3538 T Cor. XV 36, 3539 De vader: De Geboorte van Horus, blz. 94-99, $30. De moeder: ibid, blz. 416, noot 4635. 3540 Zie noot 3491. 3541 De Geboorte van Horus, blz. 502, noot 6279-6280.

Page 19

View in PDF(opens in a new window)
bedekte zich met aarde en begroef dus doende de oude mens. Maar de aarde was de baarmoeder, waarin het zaad zich tot gewas, tot nieuwe mens zou ontwikkelen35*?. De zak, die men zich omlegde als lijkwade, was terzelfder tijd het vlies, dat in de baarmoeder het embryo omsluit 3543. De zwarte kleur van het rouwgewaad was de kleur der duisternis in de baarmoederlijke holte en symbolizeerde de potentie****, De nieuwe mens was op het ogenblik zijner geboorte van zonde vrij?***, maar bezat door overerving de zondige aanleg van de oude. De onthoudingen betreffende de wedergeboorte waren tegen de door deze aanleg te veroorzaken zonden der toekomst gericht, niet tegen de reeds begane van het verleden. De vastende onthield zich van doodslag, at dus geen vlees Ban nt 4. Hij het hoofdhaar niet af?5*”. Hij verstoorde de eigen rede niet door het drinken van wijn? hernam door deze onthoudingen de onschuld, de staat, waarin, geheel als het kind, de mens ak dat ae en = oertijd onmiddellijk volgend op de schepping verkeerde. In de overtuiging, ' natuur de neiging heeft zich van het heilsplan Gods te verwijderen, vermeed hij ook ande en oor daar en soberheid der deugd de aan deden afbreuk die weliswaar niet zondig waren, maar de wederstand tegen de zonde verminderden. Hij begaf zich in de vrije natuur*“*® en ontliep de stad met haar zedenbederf. Hij legde zijn schoeisel af en ging blootvoets**5°. Hij sliep op de grond en niet op een bed355!. Al vastend beoefende hij weldadigheid®**?. Doodde hij zichzelf door onthouding, hij verdeelde zichzelf door het doen van geldelijke en andere schenkingen. Het vasten had de functie van het offer***3, Het fungeerde als dankoffer in de daarbij beoefende weldadigheid ****, De vastende was heilige*5*5. Zij vasten was Gode welgevallig?s56. Het verleende hem schoonheid van gelaat5*5?, scherpte van geest*55® en gezondheid des lichaams ?55?. Aldus de oudere Joodse letterkunde. Onder de Diaspora, na de val van Jeruzalem, verkeerde de leer in 2542 Ibid, blz. 140, noot 1221-1223. 2543 Ibid, blz. 501, noot 6271-6273. Alhier, noot 3527. 3844 Zie noot 1724, 3728. 3545 BH. Stricker, De Maat der Dingen, Amsterdam, Oxford, New York, 1976, blz. 8-9, noot 53-60. 3546 IV Ezr., IX 25; Test. Isaac., IV 8 (Riessler); Min, Ta'an., IV 7. Wel vruchten: IV Ezr., IX 24-26; zie noot 3482. 3547 Miën., Ta'an., II 7, IV 7--Zie noot 3577, 3759, 3760, 3892, 3548 Ps, LXIX 13;3 IV Ezr., ee IX 25:3 Phil. ‚Jud Jud,. De Spec. i b., II 193, 197; Test. Ta'an, II 7, IV 7. Vgl. 1 Petr, II 2, î ; Mis en zie noot 3750, 3885, en gee dee En 240 IV Eze, IX 23-24 DM Zie noot 2977, 3322, 3911. 3550 Zie noot 3501. 3531 1 Sam,sd XII 16, , 17El 20, Ee , 21;. Test. . ISaac., Iv 8 ì zn Ta'an., IV 7. Zie noot 124, 321Ni 324, 3525, 3770, 390 156; Misn., ereen: ad 52552 Talm. Babl., ie Beräk., „9D, e gn 6b: ibid, 1DId., Sa,Sanhedr., 35a. Nagest bedra een-vijfde gedeelte van het ì 1 vermogen. Zie noot 2738-2743 SE nne kn 3553 Zie noot 3301. cie epe 3554 Vel. Ibn Mäga, Sunan, ie VII 44:: zakätul-gasadi zak i as-sawmi;u, „het vasten is het offer des lichaams”. Zie noot 1749. 3555 II Bar XX 5, XXI L; Talm. Babl 1530 Jeza).3 . ,LVL term ne ., Ta'an., lia. Vgl. Apoc. poc. Eli Eliae, XXIII 2-3. Zie i noot 3335. (Riessler); Talm. Babl., Beräk., 31b. Ee 10,1 -2; Apoc. Sophon., XI 16. GU 5 Tel Pe, a ee, 19 3557 Test. XII Patr., XI 3 ‚4. Zie noot 198, 3558 Phil, Jud., De Mi 3559 Zie noot 199. Migr. Abrah., 204. Vgl. Idem, De Ebriet., 148.

Page 20

View in PDF(opens in a new window)
haar tegendeel. De vastende was in de ogen der Rabbijnen zondaar ?56°. Zijn vasten onttrok hem p Het °°? en en maakte hem tot last voor de gemeenscha aan zijn godsdienstige verplichting**°! Gelofte, zwart**°®. tanden zijn maakte en hem®*®* verzwakte , het deed hem vermageren?563 Nazireaat en vasten, de Rabbijnen verwerpen hen alle gelijkelijk, en alle om dezelfde reden. Zij kennen het onderscheid tussen goddelijkheid en heiligheid niet. Heilig op aarde is voor hen slechts het goddelijke gebod. Door dit nauwgezet na te leven verwerft de mens zich een schijn van heiligheid. Maar zijn binding aan de natuur verhindert hem zich boven zichzelf te verheffen. $46 Het gebed, het vastengebed, had het offer des levens als uitgangspunt, de smeekbede had het behoud des levens ten doel. De smeekbede was niet als het vastengebed noodzakelijkerwijze tot God gericht, zij kon het ook zijn tot de medemens, individueel of collectief; wat eenheid is in God, is veelheid in de mens. De smeekbede was bede om genade, wanneer door de smekeling gericht tot degene, die in staat was hem het leven te ontnemen. Zij was bede om bescherming, wanneer door de smekeling gericht tot degene, die in staat was zijn leven te behoeden voor de aanslagen van derden. De smeekbede heet in het Egyptisch dbh**°®, Coptisch Twa8g of corncm, in het Hebreeuws mnn of yann**°?, in het Perzisch läbak, in het Grieks ikeoia of iketeia, in het Latijn supplicatio. Over haar zijn vele gegevens vervat in de letterkunde van Grieken en Romeinen?558, en niet minder vele in die der Arabieren**°®. Uit dat alles is hier slechts datgene opgenomen, wat betrekking heeft op de leer van Pythagoras en de zijnen. De smeekbede werd door begeleidende handelingen geadstrueerd, maar niet door gebed of offer. Terwijl het vasten was ingegeven door het innerlijke conflict, de wroeging, was de smeekbede dat door het uiterlijke, de spijt; beide waren het in angst voor de straf. De bede om genade tot de medemens gericht was daad van onderwerping. Deze laatste was door de smekeling in zijn recht gekrenkt en had hem in zijn macht weten te verkrijgen. Hij streefde naar rechtsherstel en wilde dat, daar hij zowel beledigde partij als rechter was, bewerkstelligen door het nemen van wraak. De verhouding der partijen was ook ditmaal die van macht tegenover onmacht. De plaats van handeling was dikwijls het slagveld. Het ceremonieel der smeekbede was aan de omstandigheden aangepast. De publieke smeekbede verliep anders dan de private, de collectieve smeekbede anders dan de individuele. 3560 Talm. Babl., Ta'an., 11, a-b; ibid, Nedär., 10a; ibid, Näz., 19a, 22a; ibid, Bäb. Qamm., 91b. Zie noot 2369, 3290, 3465. 3561 Talm. Babl., Ta'an., 11b. 3562 Tá«, Ta'an, II 12: Talm Rahl, Ta'an , 22h 3563 Ps, CIX 24; Talm. Babl., Gitt., 56a. Zie noot 1749. 3564 Ps, CIX 24; Tós., Ta'an., Il 12; Talm. Jer., Rö3 has-Sän., p. 57b, 63; Talm. Babl., Megill., 16a; Midr. Klaag]. Rabb., 1 14, 43; Midr. Ps, XXXI 9. 3565 Talm. Jer., Sabb., p. 7c, 30-31; ibid, Bês., p. 6ld, 8-9; Talm. Babl., Häg., 22b; ibid, Naz., 52b; ibid, Söt., 12a. Zie noot 204. 2569 Erman-Grapow, Wörterbuch, deel V, blz. 439,6-440,2 (om het leven: ibid, blz. 439, noot 11 en 12). 3567 Vgl. 1 Kon, VIII 28, 30, 38, 45, 49, 52, 54, IX 3; Jerem., XXXVII 20, XXXVIII 26, XLII 2; Zachar., XII 10; Ps, VI 10, LV 2, LXXXVI 6, CXLIII 1; Dan., IX 3, 17, 20; II Chron., VI 19, 21, 29, 35, 39, XXXIII 13; Phil. Jud., De Somn., II 299; Idem, De Spec. Legib., II 196. 3568 Ik zocht tevergeefs naar een voorstudie. 3569 Vgl. vooralsnog: J. Wellhausen, Reste Arabischen Heidentums, Berlijn en Leipzig, 1927, blz. 193-195.

Page 21

View in PDF(opens in a new window)
Publiek en collectief was de smeekbede van de bewoners der stad Syene aan de zuidgrens van Egypte, toen deze door de Aethiopiërs of Koesjieten werd belegerd: „Nadat zij alle leeftijd(sklass)en bijeengebracht hadden, naderden zij met twijgen tot smeking, ikermpia, in de handen, met aangestoken kaarsen en fakkels, voorafgegaan door de priesterlijke families en de godenbeelden bij wijze van gezanten, als smekelingen over de brug tot de Aethiopiërs, wierpen zich van verre op de knieën neder en smeekten dezen eendrachtig en met klagelijke stem, onder medelijdenwekkend gekrijt. Jammerlijker nog, zij legden hun zuigelingen op de grond voor zich neder en lieten hen gaan waarheen zij wilden, ten einde de toorn der Aethiopiërs door middel van dit onverdachte en schuldloze gedeelte der (bevolking) te vermurwen. De kleintjes vluchtten van schrik en in onwetendheid van hetgeen geschiedde voor hun ouders en verzorgers, wellicht ook om aan het helse lawaai te ontkomen, en kropen deels over de weg naar de vijanden toe, gingen hun deels met wankele schreden en onder geween tegemoet, als belichaamde het noodlot de smeekbede in hen’’*5”°. Publiek en collectief was ook de smeekbede door de Joden gericht tot Petronius, de Romeinse gouverneur van Palestina, die van keizer Gaius, Caligula, de opdracht had gekregen een beeld van hem in de tempel te Jeruzalem te doen oprichten. De Joden wachten hem op: „Toen Petronius van verre zichtbaar werd, vielen alle rangen als bij bevel op de grond voor (hem) neder, onder het uiten van smartelijke jammerklachten en smeekbeden. Toen hij hen maande op te staan en naderbij te komen, verhieven zij zich schoorvoetend, bestrooiden zich met stof en benaderden hem, de ogen van tranen stromend en de beide handen op de rug geslagen, als waren zij gekneveld”. De smeekbede, door de ouderlingen uitgesproken, volgt25’!. Het onderscheid tussen publieke, private, collectieve en individuele smeekbede is dikwijls moeilijk te treffen. Dezelfde handelingen waren bij alle gebruikelijk. De smekeling benaderde de gekrenkte in nederigheid*“"?, met gebogen hoofd**”3, barrevoets**’*. Hij was met stof3575 of met vuil3*’® bedekt en had zijn haren laten uitgroeien 3577. Hij sloeg zich op het gelaat?” en op de borst**”°, en trok zich het haar uit**®®; zijn sieraden***! en uiteraard zijn wapens**®? waren afgelegd. Hij droeg een rouwkleed?5®3, een 3510 Heliod., Aethiop., IX 11, 3571 Phil. Jud., Leg. ad Gai, 228. Zie noot 3514 (stof), 3529 (liggen); 3589 (boeiing). 3512 Flav. Jos., Bell. Jud., II 604; Idem, Antig., XI 225, XIV 172, XVI 267. 3573 Flav. Jos., Antiq., XX 58. Zie noot 3687, 3815. 3574 Flav. Jos., Bell, Jud, II 314. Zie noot 3501. 3875 Zie noot 3725: 3516 Alexandrijnen: Liv., Ab Urb. Cond, XLIV 19, 7; Valer. Maxim., Fact. et Dict. Memor., V 1, If. Zie E noot 3725. Jos, Antiq., XIV 172; 3517 Alexandrijnen: Liv, Ab Urb. Cond, XLIV 19, 7 (haren en baard). Joden. Flav. Talm. Jer., RS haë-Sän., p. 57b, 9; vgl. Miën., Söt., 1 5. Zie noot 3547. 3578 Flav. Jos., Antiq., XIX 141. Zie noot 3732, 3860, 4076. 3519 Flav. Jos., Antiq., XVI 216, XVII 142. Zie noot 3480. 3580 Flav. Jos., Antiq., XVI 216. Zie noot 3863, 3864, 4072. 3581 Ps, Salom., II 20; Min, Söt., 1 6. Zie noot 3493. 3582 Flav. Jos., Vit, 328; Idem, Bell. Jud, II 637. 3583 Joden: Flav. Jos., Antiq., 11 136. Trojanen: Sisyph. Co., fr. | (Jacoby; ad 5). Zie noot 3522.

Page 22

View in PDF(opens in a new window)
vuil558*, zwart***S kleed, dat hij had ingescheurd®*®®, of een zak***”, Hij gebaarde als gevangene, had een koord om de hals**®® en de armen op de rug geslagen, Jy 3550, hij had de borst ontbloot, als vroeg hij om nedergestoken te worden**°®. Hij droeg de instrumenten te zijner terechtstelling aan: het zwaard®*®! om de hals, de gevorkte paal, { 3592, prototype van het latere kruis, in de hand, een bekken met gloeiende kolen**®®, los gestrooide aarde**®* of as?59 op het hoofd. Ja zelfs, hij was reeds geëxecuteerd en zat op de huid van het hem substituerende offerdier35°®. Om zich als smekeling te doen kennen hield hij een olijftak voor zich uit?5°?. De olijfboom keert op midzomer zijn bladeren om *5°® en symbolizeert daarmede de vergankelijkheid van de macht 35°®. Zijn vrouw en kinderen begeleidden hem *°0, deelgenoten in 3584 Zachar., III 3-4; Ovid., Metam., X 74. Zie noot 3492. 3585 Joden: Flav. Jos., Vit, 138; Idem, Bell. Jud., 1 506; Idem, Antiq., XIV 172, XVI 267; Misn., Söt., 1 6; Talm. Jer, Röö ha3-Sän., p. 57b, 8 (kleed, sluier). Arabieren: Flav. Jos., Antiq., XVI 287. Kleur der smeekbede, wit: Pythag., apud Diog. Laert., Vit. Philos., VIII 34. Zie noot 3523. 3586 Numer., XIV 6; I Machab., XIII 45; Flav. Jos., Bell. Jud, II 316, 322, 601; Handel, XIV 14; Misn., Sot., 1 5; ibid., Makk., III 12. Zie noot 3491. 3587 J Kon. XX 31, 32; Ps. Salom., Il 20; Flav. Jos., Bell. Jud., II 237; Idem, Antiq., VIII 385, XX 123. Zie noot 3339. 3588 Joden: 1 Kon., XX 31, 32; Ps. Salom., II 20; vgl. Miön., Söt., 1 6. Syriërs: Flav. Jos., Antiq., VIII 385. Grieken: vgl. Demosth., Or, XXIV 139; Polyb., Hist., XII 16, 10-11; Diod. Sic., Bibl. Hist, XII 17, 2, 5; Stob., Eclog., IV 2, 19 (p. II 127, Hense). 3589 Egyptenaren: Heliod., Aethiop., IX 5. Joden: Phil. Jud, Leg, ad Gai, 228; Flav. Jos., Bell. Jud., II 601. Syriërs: Ammian. Marcell, Res Gest, XVIII 8, 5. Perzen: Lucian., Navig. seu Vot., 30. Armeniërs: vgl. Faust. Byzant., Bibl. Hist, III 3 (p. 1 211b, Langlois). Scythen: Lucian, Toxar., 48. Grieken, &Eaykovileuv: Phil. Jud., In Flacc., 74; Idem, Leg. ad Gai, 129, 228. Op de wijze van de vogel, door het samenbinden der vleugels, dnh: Erman-Grapow, Wörterbuch, deel V, blz. 578, noot 8-10. Zie noot 671, 846, hierboven. 2590 Flav. Jos., Bell. Jud, II 322. Ter ontering: Misn., Söt., 1 5; ibid., Makk., III 12. 3591 Flav. Jos, Vit, 138; Idem, Bell. Jud, II 601. $592 Egyptenaren: 1 Chaëmw., IV 35, 37, V 37-38; vgl. E. A. Wallis Budge, Osiris and the Egyptian Resurrection, Londen en New York, 1911, deel I, blz. 204-208. 3593 Egyptenaren: 1 Chaëmw., IV 35-36, 37, V 38-39. Joden: Spreuk, XXV 22; Rom, XII 20. Zie noot 3915. 3594 Libyers: vgl. Gabin, apud Strab., Geogr., XVII 3, 8. Joden: Phil. Jud. Leg. ad Gai, 228; Flav. Jos., Bell. Jud, H 322, 601. Trojanen: Sisyph. Co., fr. 1 (Jacoby; ad 5). Zie noot 3514. 3595 Flav. Jos, Bell. Jud, II 237; Idem, Antiq., XX 123. Zie noot 3340. 3596 Lucian, Toxar., 48. Zie noot 3536. 3597 Alexandrijnen: Liv., Ab Urb. Cond, XLIV 19, 7. Olie des levens, Joden: Vit. Ad. et Ev, XXXVI 2, XL 1. Palmtak, Egyptenaren, behalve noot 3570: Achill. Tat, Leucipp. et Clitoph., IV 13, 1. Joden: vgl. 1 Machab., XIII 37; 11 Machab., XIV 4. Als íkermpia, Egyptenaren: Achill. Tat, Leucipp. et Clitoph., IV 13, 1-4. Libyers: Diod. Sic, Bibl. Hist, XXIV 10, 2; vgl. Gabin., apud Strab., Geogr., XVII 3, 8. Joden: Phil. Jud., Leg. ad Gai, 228, 276; Flav. Jos., Bell. Jud., 11 637, IV 553. Phoeniciërs: Diod. Sic., Bibl. Hist, XVI 45, 2-3; Dio Cass., Hist. Rom, XXI, fr. 9, 30, 6 (Zonaras). 3598 Theophr., Hist. Plant., 1 10, 1; Idem, De Caus. Plant, II 19, 1: Porphyr., De Antr. Nymph., 33; Cassian. Bass, Geopon., IX 2, 3; Plin., Nat. Hist, II 108, XVI 87; Gell. Noct. Attic. EX 7, 1 599 Porphyr., De Antr. Nymph., 33. 3600 Joden: 1 Machab., XIII 45; Susann., 30; Phil. Jud. Leg. ad Gai, 227; Flav. Jos., Vit, 210, 328. Trojanen: Sisyph. Co., fr. 1 (Jacoby: ad 5).

Page 23

View in PDF(opens in a new window)
het hem wachtende lot. Voor de gekrenkte staand, hief hij zijn armen op in de gebedshou ding?6e1, weende3°°? en wierp zich ter aarde neder °°°. Hij sprak nederige taal*°°* en bezwoer de gekrenkte 3°°5, onder omvatting van diens knieën *°°® of voeten 35°”. In de praktijk des levens was het dikwijls onraadzaam deze onvoorbereid te benaderen. De smekeling liet dan door een derde bemiddelen en verscheen niet, dan nadat hem garanties voor zijn veiligheid waren gegeven?5°8. Of ook, hij wendde zich tot de vrouw of het kind van de gekrenkte?6°°®. Had hij dezen voor zich gewonnen, hij wachtte de komst van de heer des huizes af. Het recht van smeekbede, het recht op genade, was goddelijk recht *°!°, ingesteld volgens de Egyptenaren door de godin Isis®®!*. De smekeling was úyvós, rein, en iepós, heilig*®!?. Zo niet de mens, God verhoorde zijn bede3®>. De gekrenkte was tot genadeverlening verplicht 3®!$, hoezeer dit hem ook tegenstond36*5. Hij verleende genade door de smekeling de rechterhand toe te steken 616, In zeldzame gevallen deed hij hem een substituut stellen, waaraan de executie werd 3601 Egyptenaren: Heliod., Aethiop., IX 5; H.D. Schneider en M.J. Raven, De Egyptische Oudheid, 's Gravenhage, 1987, blz. 93, afb. 82a. Joden: Flav. Jos, Bell. Jud, V 318, 403, VII 144; Idem, Antiq., XIII 232. Zie noot 3294. 3602 Joden: Phil. Jud, Leg. ad Gai, 228; Flav. Jos., Vit, 138, 210; Idem, Bell. Jud., 1 506, VI 119; Idem, Antig., XIX 141. Arabieren: Flav. Jos, Antiq., XVI 288. 3603 Egyptenaren: Schneider-Raven, De Egyptische Oudheid, blz. 93, afb. 82a. Alexandrijnen: Liv. Ab Urb. Cond, XLIV 19, 7. Joden: Numer., XIV 5; II Sam., XIX 19 (18), vgl. XIV 33; Phil. Jud., Leg. ad Gai, 228; Flav. Jos., Vit., 138, 210; Idem, Bell. Jud., 1 506, 621, II 171, 316, 321, III 454; Idem, Antiq., VIT 193, 264, XVII 94. Phoeniciërs: Diad. Sic., Bibl. Hist, XXXII 6, 3; Liv, Ab Urb. Cond, XXX 16, 4. Trojanen: Sisyph. Co, fr. 1 Jacoby; ad 5). De smeekbede zelf valt ter aarde: Jerem., XXXVII 20, XXXVII 26, XLI, 2, 9; Dan, IX 18, 20. Zie noot 3529. 3604 Egyptenaren: zie noot 3318, 3319, 3507 (schuldbelijdenis). Alexandrijnen: Liv, Ab Urb. Cond, XLIV 19, 7. Joden: Job, XL 27 (22); Flav. Jos., Bell. Jud, T 506, V 318; Idem, Antiq., VII 264 (schuldbelijdenis), XIV 172. Phoeniciërs: Liv., Ab Urb. Cond, XXX 16, 5. Trojanen: Sisyph. Co., fr. | (Jacoby; ad 5). Klaagzang, Joden: Phil. Jud., Leg. ad Gai, 228. 3805 Flav. Jos., Bell. Jud, V 438. 2606 Theodot., De Jud., fr. 1 (Jacoby; ad 11); Flav. Jos, Antiq., XVII 94. Vgl. De Geboorte van Horus, blz. 70-72, $25; noot 3738, hieronder. 2607 Flav. Jos., Bell. Jud, 1 621, III 201; Idem, Antig., VIT 264. Vgl. Erman-Grapow, Wörterbuch, deel II, blz. 462, noot 5-7; Legis Actio Sacramento, blz. 73, noot 602. 3608 Joden: 1 Kon, 1 51-53; Phil. Jud., De Vit. Mos. 1 34; Flav. Jos. Antig.. VII 361, VIII 385-386, XIV 15. Perzen: Flav. Jos., Antiq., XVIII 328, 329, 334. 3609 Grieken: Thucyd., Hist, 1 136; Plut., Themist., 24. 3610 Joden: Phil. Jud, De Vit. Mos., 1 36; Idem, De Virtut.. 124. Pythagoras: Diog. Laert., Vit. Philos., VIII 34 2611 Hymn. Memph. in Isin, 36. Zie noot 3335. cen ni 3612 Pausan., Graec. Descr., VII 25, 1. 3613 Deut., IV 4;' II Machab.. 3 X 26:e Phil. . Jud Jud., Quod Deter., 70; Idem, Quis ==; Qui Heres, 124, 273; Idem, De Fug.. 56: Idem, De Vit. Mos., 1 36; Idem, Hyp., (VIID) 7, 9. Vgl. Flav. Jos, Bell. Jud., II 128. ran 2814 Koesjieten: Heliod., Aethiop., IX 6. Joden: zie noot 3664. Vel. Deut, XV 7-11; Spreuk, XVII 23; Phil. Jud. Hyp, (VIII) H) 7, 7,9; Flav. Jos, 5À Contr 3 Apion., 3 Il 213;3 Idem, Bell. „ J Jud, HI 535. Indiërs: ië Jägfiavalkjasmrti, jasm, III 299: Visnusmrt i, LIV 32; Mahäbhärata, II 5, 45, VII 166, 48-49, XII 142 24-2 vens Append. 1, no. 8, 37-38. Pythagor he as: zie 3615 Zo Mahäbhärata, XII 142, 24 (var): „De boom onttrekt zijn schaduw zelfs niet aan hem, die hem komt omhakken”. 3616 Joden: - I Machab., ‚ XIII 45, 05 50; Flav. „Jos, Jos, Bell. 5 Jud. ze II 334, 5 455, V 517 ‚ VI 318-320, 345, 351, 352, 356, 37 433, Idem, Antiq., VIII 387, XI 336, XIV 430. Perzen: Flav. Jos. Antiiq, XVIII 328, 329, 334. God, Egyptenaren: Apul. es Metam., XI 25; vgl. Corp. Herm., XVIII 10; Stob. Herm., XXIII 67. Joden: Flav. Jos., Anug., VI 25 en H.C. Puech, Le Manichéisme, Parijs, 1949, blz. 170, noot 317.

Page 24

View in PDF(opens in a new window)
voltrokken?617. Genade verlenend aan zijn medemens, verwierf de gekrenkte voor zichzelf de genade Gods?®°'S. Verzaakte hij zijn plicht, de wereldorde was door hem verstoord *919; hij de en kon verwachten te eniger tijd op zijn beurt in staat van smeking te verviel in doodzon3°2° vervallen?6?!. De smeekbede moest echter oprecht zijn?®2?, de zonde door de smekeling in dwaling of onder dwang zijn begaan®°?®, Wanneer dat niet het geval was, kon de gekrenkte zijn recht nemen door hem ter plaatse te doden 3°2*, Schonk hij hem het leven*°?5, hij nam tevens op zich hem niet indirect uit de weg te laten ruimen3626, noch ook hem aan derden uit te leveren?°2?. Hij was dus verplicht de smekeling bij zich te houden en in zijn onderhoud te voorzien 3628, tot tijd en wijle, dat deze buiten gevaar was en zijns weegs kon gaan. Zolang als het gevaar aanhield, stond hij met zijn leven voor hem borg®°2®, Wie veiligheid zocht, hij, wiens bede op bescherming was gericht, zocht deze binnen de muren van het tempelcomplex of van het huiselijke erf. God zelf beschermt zijn heiligdom tegen zijn vijanden®®3°, De muren van het heiligdom waren somtijds van kantelen voorzien, als ware het een vesting363!. De tempel verleende asiel363?. Vertrouwde de smekeling daarop niet, hij 3617 Zie noot 687. 3618 Joden: zie noot 3664; vgl. Deut., XV 10. Indiërs: Mahäbhärata, III, Append. I, no. 21, 93-95, XII 141, 2-3, XIII, Append. 1, no. 8, 67-76. 3619 Indiërs: Mahäbhärata, XIII 98, 8-11. 3620 Joden: Phil. Jud, De Virtut., 124; Flav. Jos, Contr. Apion., II 207. Vgl. Deut, XV 9; Siracid., IV 5-6. Syriërs: Lucian., De Dea Syr, 12. Perzen: vgl. Diod. Sic., Bibl. Hist, XVI 45, 3. Indiërs: Mahäbhärata, XII 145, 18. Als de zonde begaan door het doden van de brahmaan: Visnusmrti, XXXVI 1; Mahäbhárata, III 131, 5 (var.), XII 35, 10-13, 142,16, XIII 98, 11, XVII 3, 11, 15. Grieken: zie noot 3673. 3621 Joden: vgl. Deut, XV 15. Indiërs: Mahäbhârata, III, Append. I, no. 21, 76-78, VIT 166, 48-49. 3622 Flav, Jos., Bell. Jud., V 403-404. Zie noot 3329. 3023 Zie noot 2305-2306, 2308-2309, 3326. 3624 Joden: Exod., XXI 14; I Kon., 1 52, II 28-34; Phil. Jud., De Confus. Ling, 160; Idem, De Fug., 53, 80; Flav. Jos, Antiq., VIII 13-16. Grieken: vgl. Idem, ibid., XV 89. 2625 Joden: 1 Kon., 1 52; Flav. Jos., Bell. Jud., II 454, 497, IV 220, V 319: Perzen: Idem, Antig., XVIII 328. 3626 Joden: Flav. Jos., Bell. Jud., III 535. Perzen: ibid, XVIII 335-337. Indiërs: val. Mahäbhärata, XIII 142, 5-6, 3627 Joden: Deut., XXIII 16 (15); Phil. Jud., De Virtut., 124; Flav. Jos., Antig., XIV 15. Perzen: ibid, XVIII 334. Indiërs: Mahäbhärata, III, Append. 1, no. 21, 76-78, XIII, Append. I, no. 8, 15-18, XVII 3, 11, 16. Pythagoras: Jambl., Vit. Pythag., 177; zie noot 3670. 3628 Deut, XXIII 17 (16); Phil. Jud, De Virtut., 124. 3629 Indiërs: Mahäbhärata, XIII 11S, LS, Append. 1, no. 8, 17-18, 58. 2630 Egyptenaren: H. Kees, Zeitschrift für Ägyptische Sprache und Altertumskunde, deel LVII, Leipzig, 1922, biz. 97, regel 4-5 der hymne. Joden: Flav. Jos., Antiq., VIII 114; Midr. Genes. Rabb, LXXVIII 5. 3631 Egyptenaren: U. Hölscher, Medinet Habu, Leipzig, 1933, pl. X, afb. 16, pl. XVIII, afb. 27, pl. XXIII, afb. 32. Waartoe: — I° De Hasmonaeën herbouwden in het jaar 164 v. Chr. de tempel te Jeruzalem en brachten op diens voorgevel (tò katà npóswrov) „gouden kransen en kleine schilden” aan: 1 Machab., IV 57. De Atheners bevestigden, een eeuw na datum, de tijdens de slag bij Plataeae, in 479 v. Chr, op de Perzen buitgemaakte gouden schilden aan de architraven (@ruotúAtov) van de tempel van Apollo te Delphi, en de Aetoliërs voegden daaraan in 278 v. Chr. de schilden toe door hen op de Galliërs veroverd: Aeschin., Or, III 116; Pausan., Graec. Descr., X 19, 4. — 2° Onder de regering van de Romeinse koning Numa Pompilius, 715-673 v. Chr., viel een schild vanuit de hemel te Rome neder: Dionys. Halic., Antiq. Rom, II71, 1; Plut, Num., 13; Ovid, Fast, III 373-374; Fest, De Verb. Signif., sub voce Mamuri Veturi (p117, Lindsay); Serv, Comment. in Vergil., Aen., VIT 188, VIII 664. Numa verhoogde dit getal tot twaalf door er elf identieke schilden bij te laten maken: Plut, Num, 13. De schilden waren heilig: Plut., ibidem. Hun aanwezigheid was garantie (pignus) van de veiligheid der stad: Plut, Num, 13; Lyd., De Mensib., IV 55; Liv, Ab Urb. Cond., V 54, 7, LXVIII (perioch.); Ovid, Fast., III 346, 354, 379; Flor, Epit., I 1, 2, 3; Fest, De Verb. Signif., sub voce Mamuri Veturi (p. 117, Lindsay); Serv, Comment. In Vergil., Aen., VIT 188, VIII 664. De nederval uit de hemel geschiedde op de Iste van de

Page 25

View in PDF(opens in a new window)
:3, Maar zo ver kwam De gemeijk ie nam in uiterste nood de hoorns van het altaar vast2® De smekeling zette zich, wanneer zich wendend ‚ wanneer zic tot God, bij het altaar neder 5 ef van diens huis*®**. wendend tot een menselijke beschermer, bij de haard God stuurt dit uit om zijn De smeekbede had haar prototype in het goddelijke Woord. schepselen streven naar De den. schepselen het aanzijn te verlenen en hen daarin te behou God?6?5. Het Woord keert tot deze na verrichte taak terug, ditmaal als smeekbede*$57. Op re betekenis aarde zijnde, is het Woord belichaamd in de Levieten. Dat wil zeggen, in de wijde maar van de term: in de priesterschap. Ook deze is smekeling363®. De mens is het ten allen tijde, De 1° zijn: ken Dezul ld. betite ig zekere mensen worden in de teksten met name als zodan des daags: maand maart, de Nieuwjaarsdag: Lyd., De Mensib., II 22, IV 42; Ovid, Fast, [II 361-392; op het midden Ovid. ibid., III 371. De schilden werden toevertrouwd aan priesters, de Salii, residerend op de Palatijn en twaalf in getal: Plut., Num., 13. De Salii waren jonge mannen: Dionys. Halic., Antiq. Rom., II 70, t, 4; Diomed., Ars Gramm., III, p. 476 (Keil); Oudh. Med., deel LII, Leiden, 1971, blz. 44, noot 3. Zij droegen de schilden gedurende de maand maart aan de linkerarm en spreidden hen ten toon bij hun cultische dansen: Dionys. Halic., Antiq. Rom., IT 70, 2-5, 71,2; Plut., Num., 13; Lyd., De Mensib., IV 60; Liv, Ab Urb. Cond. 1 20, 4; Calend. Philocal., d. d. Mart, 9 (p. 1 338, Corpus Inscriptiónum Latinarum). Elagabalus, Romeins keizer van Syrische herkomst, 218-222 A. D., deed hen naar de door hem te Rome gebouwde Zonnetempel overbrengen: Ael. Lamprid., Anton. Heliog., III 4. Nieuwjaarsdag, twaalftal van schilden en priesters, de jeugd dezer laatsten, de nederval op de middag, Elagabalus’ interpretatie, dat alles getuigt van zonnecultus. — 3° Koning Salomo maakte „tweehonderd rondassen van geslagen goud; zeshonderd (sikkelen) gouds liet hij opwegen tot elke rondas. Insgelijks driehonderd schilden van geslagen goud; drie pond gouds liet hij opwegen tot elk schild; en de koning leide ze in het huis des wouds van Libanon”: I Kon. X 16-17; II Chron., IX 15-16; Flav. Jos, Antiq., VIII 179-180. Schilden als wijgeschenken bij de Grieken: Demosth., Or, LVII 64, en de Romeinen: Phil. Jud., Leg. ad Gai, 299-306 (keizercultus). Gouden en zilveren schilden in een feestelijk opgetuigd paviljoen te Alexandrië: Callixin. Rhod, fr. 2 (Jacoby; ad 26). — 4° Het altaarblad, dat de oppervlakte der aarde voorstelde, zie noot 1099-1 106, was in principe door een haag van schilden omgeven, van dewelke die aan de zijkanten om redenen van practische aard plachten te worden weggelaten en slechts die op de vier hoeken werden gehandhaafd. Het zijn, naar ik meen, deze om hun verticale middellijn omgevouwen hoekschilden, zie Hölscher, op. laud., pl. X, afb. 16, die later als „hoorns” worden betiteld en het altaarblad verdedigen tegen de vanuit de vier windrichtingen dreigende vijanden, vgl. Phil. Jud, Quaest. in voor zich houdend, ten einde buitenstaanders ingang 0 ne narsieen eee ee en en te ontzeggen: Heliod., Aethiop.,beXprijpnene 6, 28. — $° De hoofden der verslagen Vijanden werden opgehangen aan de muur van stad of burcht. Joden: Jud., XIV 1, 11; IT Machab., XV 35. Grieken, Oenomaüs: Apollod., Bibl, Epit., II 5; Hygin., Fab., LXXXIV 3. Of zij werden aan de poort tentoongesteld, Joden: IL Kon., X 8;; Flav. Jos, es Antiq., n IX 128. 6 — 6° De rechterh a nd voert het zwaard, de | inkerarm het schild i rechterhand grijpt, de linkerhand houdt, Koesjieten: Di od. Sic, Bibl. Hist, II 4, 3. Wie zijn schild ze wegwerpt een i ti over: Procop., De Bell., 1 14, 52, En ese +632 Phil. m Jud., , De Virtut., „124; e 124: Idem 5 Quod Omn. 5 Prob., … 148;148; FlFlav. Jos, os, Antiq. Antig., VIII 14. De vrijstad: 1 Phi Jud. Phil. 3633 Joden: 1 Kon., 1 50-S1, II 28;4 Flav. ‚ Jos Jos., Anti q., VII 361. Vel. Exod., Idem, De Somn., I1| 299; Idem, De Pracm. ct Poen, ; Phi : 154; Fl av. Jos, Antig. zin , VIT 362, gk VIII 13. jen Gri eta 2 geÎ ven 177; Tzetz., Schol. in Lycophr., Alex., 307. Voor de symboliek der een zie noot pen peen png orde Le mi de Ramsès IX, Caïro, 1907, pl. XCI (middenregister, links). get gat Joden: Phil. Jud., Quod Omn. Prob., 148; zie noot 3530. Scythen: zie noot 3596. Zie ook noot 3530 Joden: Phil. Jud., De Virtut., 124; Idem, De Praem. et Poen., noot 3642. Grieken: Jambl., Vit. Pyth, 48, 84. Zie noot 3530. 3636 Zie noot 3505. 2637 Phil. Jud., Leg. Alleg., III 214: Idem, De Sacrif., 119; Idem, 154: vgl. Idem, Quod Omn. En Prob 64; en De Migr. Abrah., 122; Idem, Quis Heres, 205 %e38 Phil. Jud, ’ De Sacrif.,5 119;d Idem,8 Quod Deter..… 62.6 62-63; Idem, De Planta Heres, 124; Idem, De Fug., 88; Idem, De Somn.. 11 273. t., 63:

Page 26

View in PDF(opens in a new window)
B.H. STRICKER vreemdeling*°*®. Deze begeert onder de ingezetenen opgenomen te worden op voet van gelijkheid. 2° De vrouw®®*®, De vrouw werd bij het huwelijk onder het plengen van drankoffers door de man van de haard opgenomen. 3° De slaaf?64!. De slaaf begeert mededogen. Wat het hol is voor het dier, is voor de slaaf het altaar der goden36*?. Smekeling ís onder aftrek van de mens al het overige: dier, plant en voorwerp. Het wilde dier, de mens vijandig, doet geen beroep op diens genade®°*3, mocht dus worden gedood. Jacht en visvangst werden door de weldenkenden echter afgewezen 3°*4, Uit het nest van de in vrijheid levende vogel mocht men de eieren of de jongen wegnemen, niet het broedende of verzorgende ouderpaar *°*5. Wat van het nest van het dier gold, moet dat ook van zijn hol, ®, hebben gedaan?6*$. Mens en dier waren veilig in het heiligdom. Zwermen vogels, gewoonlijk duiven, als smekelingen betiteld3%*?, plachten daarin te worden gevoed. Ieder dier, wild of tam, was veilig, wanneer het, zoals het dier somtijds doet, op zijn vlucht zijn heil zocht bij de mens36*8. Het huisdier had eens en voor al het gezag des mensen erkend. Het was smekeling en mocht niet worden gedood *°*®. Het slachtvee stond onder apart statuut*6*°. Het had met de mens een overeenkomst aangegaan en zich aan deze ter beschikking gesteld ter zake der cultische substitutie en der consumptie. In de tempel voor het altaar staand, gaf het dier zijn toestemming tot de slachting door met de kop te knikken3°5!. Het ploegend rund, door zijn arbeid geheiligd, was van het offer vrijgesteld365?. Over de aangegane overeenkomst onderrichten ons de Perzen. Aan het einde der dagen, zeggen dezen, zal de mens terugkeren tot de sobere en oprechte levenswijze zijner voorouders in de oertijd en zullen de wilde dieren, tam geworden, met vertrouwen op hem 3639 Phil. Jud, De Somn., Il 273; Idem, De Vit. Mos., 1 34-36, 142; Idem, De Spec. Legib., II 118. 3640 Jambl., Vit. Pyth., 48, 84. 3641 Phil. Jud., De Virtut., 124; Idem, Quod Omn. Prob., 148. 3642 Eurip., Supplic., 267-268. 3643 Zie noot 23-24, 720. 3644 Zie noot 26. Anders: noot 2202-2205. 3645 Joden: Deut, XXII 6-7; Phil. Jud, Hyp., (VIID 7, 9; Porphyr., De Abstin., IV 14. Zie noot 35. 3646 Zie noot 3630; De Geboorte van Horus, blz. 355, noot 3443-3451. 2647 Philistijnen: Phil. Jud, De Provid., II 107 (Hadas-Lebel); Diod. Sic., Bibl. Hist, I1 4, 4-6. Syriërs: Lucian, De Dea Syr, 14, 54; Tibull., Eleg., 17, 18; Hygin., Fab., CXCVII. Grieken: Herod., Hist. 1 159; Dio Chrysost., Or, XXXI 89; Serv, Comment. in Vergil., Aen, III 80. Vgl. Oudh. Med. N.R., deel XXXI, Leiden, 1950, blz. 90, noot 437 (Voeg toe: Porphyr., De Abstin., III 16, Aristodicus). 3648 Libyers: Gabin., apud Strab., Georg, XVII 3, 8. Joden: Phil. Jud., Hyp, (VIII) 7, 9; Flav. Jos, Contr Apion., II 213. Pythagoras: Porphyr., De Abstin., IV 14. Í 2649 Joden: Flav. Jos, Contr. Apion., II 213. Pytha 8 i i i : Porphyr., De Abstin., IV 14; vgl. Jab Vit. Pythag., dt Zie noot ens eet Ee 3050 Zie ne noot 27. Waartegenover: Trebat., De Relig.. 8. fr. 3 ( Huschke). e). V Vgl. Serv, Comment. in Vergil., Ï Aen, IV 56; 3651 Zie noot 872, 874. si 3652 Egyptenaren: Chaerem., fr. 6 Jacoby; ad 7). Joden: Numer., XIX 2; Deut, XXI 3; 1 Sam, VI 7. Cyprioten: degen Or., LXIV 3. Phrygiërs: Aelian., De Nat. Anim, XII 34; Stob., Anthol., IV 2, 25 (p. II 156-157, Hense). rieken: om, IL, VI 94; Idem, Odyss., III 383; Arat., Phaen., 132, met scholion; Adae. Maced, Anthol. Palat., VI 228: Diog. Laert., Vit. Philos., VIII 20 (Pythagoras); Aelian., Var. Hist, V 14; Nonn., Dionys., II $1; Schol. in Hom Odyss XII 353. Dezelfden, het offer te Lindus: Conon, fr. 1 (Jacoby; ad 11); Apollod., Bibl, II 5, 11; Philostr. Maj., henk u 24; Lactant., Inst. -36; Tzetz., Chil., ì 1 385-387. Romeinen: ans Ovid., Metam., obiit nst. Divin. Divin, 1 21, 31-36; 120-142. Arabieren: vgl.

Page 27

View in PDF(opens in a new window)
toetreden. Alsdan „zal de engel Asjavahisjta vanuit de hemel de Mazdajasniërs*653 toeroepen: „Gij, Mazdajasniërs! Niemand Uwer moge (voortaan) het vee doden zo, als Gijlieden dat voorheen deedt. Vergewist U van de leeftijd van het vee, vergewist U ervan of het tot paring geschikt is, Mazdajasniërs, en doodt het (eerst daarna). Doodt echter slechts dat dier, dat Uw hulp inroept en tot U spreekt: „Gij, Mazdajasniërs! Eet mij zolang als ik tot paring geschikt ben, voordat de op haar buik kruipende slang*®** mij verslindt”. Na zich van zijn leeftijd en zijn geschiktheid tot paring vergewist te hebben doden de Mazdajasniërs onder (de dieren) datgene, dat met de wedergegeven woorden®65* hun hulp inroept. De Mazdajasniërs doden het dier gaarne en snijden het gaarne uit, het dier laat zich gaarne door hen uitsnijden. De Mazdajasniërs zij eenmaal ten eten het dier gaarne op, het dier laat zich gaarne door hen opeten. Maar zijn zijn hemel opgenomen, doder en gedode, uitsnijder en uitgesnedene, eter en gegetene, (zij beiden) vereend” 3“. Het dier mocht geslacht worden vanaf het vierde jaar, voordat zijn krachten beginnen af te nemen 365”. De wending, die in het citaat aan het leerstuk der smeekbede wordt gegeven, is behalve huichelachtig ook typisch Zoroastrisch. Het dier smeekt niet om zijn leven; het wil, geheel zoals de mens®°58, in de kracht zijns levens ten onder gaan. Wat het vreest is de begrafenis?°59. De hulp het door de mens geboden bestaat hierin, dat deze het opeet; in afwachting van de dag, waarop de honden en gieren dat hemzelf zullen doen*$$®. Wat hebben wij te verstaan onder de smeekbede van het dier? De uiteenzetting zij besloten met een viertal antieke passages, die, hoewel aan geheel verschillende litteraturen ontleend, op deze vraag een opvallend eensluidend antwoord geven. Uit de Joodse letterkunde, een passage in de Talmoed: — Rabbi, dwz. Jehoeda han-Nasie, de redacteur van de Misjna, was gezeten voor de synagoge te Sepphoris in Galilaea, verdiept in de studie van de Pentateuch. „Een kalf werd ter slachting gevoerd. Het stak zijn kop in de slippen van Rabbi en weende. (Rabbi) sprak: „Ga heen, daartoe *66! zijt gij geschapen”. Men?96? zeide: „Daar hij geen genade betoont, zullen beproevin gen over hem komen”. Wegens een (ander) voorval geschiedde dat niet. Op een dag veeg de de dienstm Ì ï aan. Daar lagen de jongen van een wezel en zij veegde oan) hen weg. ngen: geen Ee Er staat geschreven: „Zijn barmhartighe den zijn over al zijn werken””3663 Men â : e hij genade betoont, laat (ook) ons hem genade betonen”*3664 e n Uit de Indische letterkunde, een voll edig hoofdstuk in het hoofdstuk komt in dit grote werk in drie redacties voor, dieE e n e verschil n e lend n in bewo ordi ngen , maa r 3653 Vereerders van Ahoeramazda, de Zoroas triërs. 3654 Dwz. de wurm. 3655 Die in de tekst voluit worden herhaald. 3656 Dênkart, VII 9, 8-12; vgl. Riväjat bij Dätastän-í-Denik, XLVIII 19- 21. De laatste zin van het citaat definieert de substitutie, vgl. Hebr., II 11. 3657 Dênkart, III 287, 10. 3658 Camephis, blz. 51, noot 417. 3659 Camephis, blz. 55-56, noot 466-479. Vel. Talm. Babl., Sanhedr., 46b. 2600 Camephis, blz, 50-52, noot 412-429. 3661 Tot het offer. Zo ook Mahäbhärata, XIII 117, 15. 3662 Dwz. God. 20 PE CMEV 9, 396% Talm. Babl., Bäb. Mes., 85a. Variant: Midr. Genes. Rabb. XXXIII 3. Zie noot 3618.

Page 28

View in PDF(opens in a new window)
identiek van inhoud zijn. — De goden Indra en Agni besluiten koning Sjibi®®®S te beproeven. Indra neemt de gestalte aan van een valk, Agni die van een duif. De valk maakt jacht op de duif en deze valt in de schoot des konings neder. De aanwezige priester verklaart dit een slecht voorteken, dat gezoend moet worden door een geldelijke schenking. De duif smeekt de koning om lijfsbehoud; zij is slechts schijnbaar duif, in werkelijkheid gereïncarneerde brahmaan. De koning aanvaardt de smeekbede, maar de valk wijst hem terecht. Hij is verhongerd, de duif is zijn natuurlijke voedsel; de koning regeert op aarde, niet over de dieren des hemels. Sjibi, de koning, zegt hem rundvlees met rijst toe of welk ander vlees ook, zo veel als hij maar wil hebben. De valk weigert, zijn voedsel is van God gegeven. De koning verklaart zich bereid zijn koningschap af te staan, doch is niet van zins de duif uit te leveren. Dan stelt de valk hem voor zoveel uit zijn eigen vlees te snijden als de duif zwaar is. De koning aarzelt niet en legt het mes aan zichzelf. Maar hoe meer hij van zijn vlees afsnijdt, hoe zwaarder de duif wordt. Tenslotte is van hem slechts het skelet overgebleven, en ook dit werpt hij op de weegschaal. De proef is ten einde, zij is zegevierend doorstaan. De goden openbaren zich, Indra, de Zonnegod, en Agni, het offervuur. De koning vaart op een gouden wagen ten hemel. Of ook, hij beëindigt, na door de goden geheeld te zijn, zijn aardse koningschap in luister en wordt eerst na afloop daarvan in de hemel opgenomen*°°5. De onbevangen lezer krijgt van bovenstaande regels de indruk, dat zij aan de fantazie van de auteur ontsproten zijn. Die indruk is slechts ten dele juist, de tekst is weloverwogen. Geen woord in hem staat te veel, en wat er staat heeft kracht van definitie. Het hoofdstuk biedt in feite de enige systematische uiteenzetting van de leer der smeekbede, die vanuit de oudheid is overgeleverd. De compositie is die van de vorstenspiegel, leidraad des vorsten in diens politieke beslissingen. Het betoog wordt, gelijk in het ethische onderricht gebruikelijk*°®”, gedragen door symbolen ontleend aan de sacrale zoölogie. Het onderwerp is het smekelingenbeleid. De smeekbede is in de mond gelegd van het naar antiek inzicht Gode het meest nastaande*°®®, door de mens het minst te duchten en voor hem tevens minst kostbare aller schepselen, de vogel. De priesterschap is onbewogen. Het voorteken is duidelijk; zal er genade verleend worden, deze moet voortkomen uit het hart des mensen. De koning verleent genade en wordt geconfronteerd met de gevolgen daarvan. De duif verandert in brahmaan. Het doden van de brahmaan is in Indië zwaarste aller door de wetgever gewraakte misdrijven 3°°®, De vijandschap van de valk is metaphysisch van aard en onttrekt zich aan de wil van dit dier. Het doorbreken van de natuurlijke orde is schending van de majesteit Gods: zonde, waaraan alle overige zonden ondergeschikt zijn. De genadeverlening wordt tot tragedie en eindigt met de dood des konings. Het is slechts om zijn lezer vertroosting te schenken, dat de auteur de goden in een der drie redacties de koning nog op aarde tot het leven doet terugroepen. Uit de Griekse letterkunde twee korte passages. De eerste: — „Toen eens een mus, door een valk achtervolgd, in de schoot van (de wijsgeer Xenocrates van Chalcedon) sprong, streelde deze 5 ne N Si de: Vrsa arb a. V gens Mahäbhärata, XI IN A ppen d., I ‚ni e . l : s koning ì an 2696 Mahäbhärata, III 130,18-131,30, Append. I, no. 21, 67-95; XII, Append. 1, no. 8, 7-76. 3667 Oudh. Med., deel XLVI, Leiden, 1965, blz. 65-66. 2608 Valk en duif zijn varianten der twee valken, boden Gods. Vgl. Oudh. Med., deel XLIX, Leiden, 1968, blz. 40-52 $1; deel LI, Leiden, 1971, biz. 71-75, 83; deel LXIV, Supplement, Leiden, 1983, blz. 42-73 84 3669 Zie noot 3620.

Page 29

View in PDF(opens in a new window)
hem en liet hem vrij, zeggende, dat men de smekeling niet mag uitleveren” *°7®, De tweede: — „Een mus. op de Areopagus®°” E, vluchtend voor een valk, viel een der rechters in de schoot. Deze doodde de vluchteling, die hij behoorde te redden. Het college verkondigde, dat hij een goddeloze daad had begaan. Het deed deze uitspraak niet terwille van de mus°°”:, maar (tot blaam) van het onbesuisde optreden’ 39”5. De Rouw staan. $47 De onthoudingen in de rouw zijn de laatste, die in hoofdstuk II ter bespreking rd, In de reeds behandelde zeden en plechtigheden was de dood, de dood des mensen, gesimulee voorsprong in de rouw is de dood feitelijk. Daarmede is tevens gezegd, dat de rouw op haar Een blik afgeleid. zijn alle zij waarvan heeft, in de ontwikkelingsgang het prototype is geweest, op de details in $50 zal voldoende zijn om deze uitspraak te verduidelijken. Ziehier allereerst de termen, waarmede de rouw in de inheemse talen terzdg werd aangeduid. Zij 2HBE, zijn: in het Egyptisch ùkb, in het Coptisch, van verschillende stammen, means, hens luctus. Latijn het in zévBos, Grieks het in ”* *éajisn*® Perzisch in het Hebreeuws var, in het Hij werd echter ook De rouw werd aangenomen, wanneer de dood was ingetreden. verwacht werd dit te maar n, ingetrede aangenomen bij anticipatie, wanneer de dood nog niet was zullen doen: of wanneer hij verondersteld werd te zijn ingetreden, maar daaromtrent nog geen zekerheid bestond. Men deed zulks in geval van een ramp, en men deed het met de hoop in het hart, dat het alles medevallen zou en men alsnog voor de dood zijns naasten gespaard zou blijven. Deze anticiperende rouw ontwikkelde zich tot vasten, wanneer men de hoop bij wijze van gebed onder woorden bracht, gelijk in $45 besproken. De beide vormen van rouw stemmen overeen in de symboliek, maar verschillen hierin van elkander, dat de rouw in stricte zin op het verleden, de anticiperende rouw op de toekomst is gericht; de eerste meer juridisch is gekleurd, zie 850, de tweede meer religieus. Het bleek bij de bewerking dezer bladzijden in vele gevallen moeilijk tussen beide te scheiden. Daarom wordt in de noten van $45-52 bij de bewijsplaatsen van de ene groep steeds naar die van de andere verwezen. De rouwgebruiken stammen volgens een antieke auteur uit Egypte*®”*. Dat kan natuurlijk niet zo zijn. De praktijken, waarop zij teruggaan, waren eenmaal over de gehele wereld in zwang. Maar het is waar, dat zij in Egypte vanaf het begin van het dynastieke tijdperk nageleefd werden. Wij vernemen over de Egyptische praktijken betrekkelijk veel, al is het ook ditmaal niet zozeer in de inheemse geschriften als in de door vreemde reizigers geredigeerde reisverslagen. Het stemt tot voldoening, dat het bij wijze van uitzondering mogelijk is gebleken een zelfstandige en afgeronde uiteenzetting te bieden, niet slechts van de Joodse, maar ook van de Egyptische gegevens. Om misverstand te voorkomen zij er hier nog op gewezen, dat onder de term rouw niet alles begrepen is, wat met de lijkbezorging te maken heeft. De aflegging, de mummificatie, de uitvaart, 3910 Xenocrat., fr. 101 (Heinze). Zie noot 3627. 2671 Heuvel te Athene, waarop in de open lucht het hoge gerechtshof zitting hield. 3612 Dieren werden berecht in het Prytaneüm, vgl. Legis Actio Sacramento, blz. 65, noot 517. 3673 Hellad., apud Phot., Bibl., 279 (p. 534a,37-534b,3, Bekker). Zie noot 3620. 3014 Tekst, éijsn jj djn: W. B. Henning, Sogdica, Londen, 1940, blz. 37 (D.N. MacKenzie , Göttingen). 3678 Serv, Comment. in Vergil., Aen., XI 287.

Page 30

View in PDF(opens in a new window)
de begrafenis, de crematie, zij verdienen het ieder voor zich behandeld te worden. Alleen, zij worden het hier niet. $48 De rouw is volgens de oude Egyptenaren van transcendente oorsprong. Toen de goden vernamen, dat Typhon zich van de regering had meester gemaakt, legden zij zich de kransen van het hoofd af3°75. Bekranste goden staan op de Egyptische reliëfs niet afgebeeld. Maar het hoofd van de overleden mens werd na diens mummificatie met een krans bedekt 3°7?, ten teken van diens transcendente staat?6’®; de krans der rechtvaardigheid, waaraan in het Dodenboek het hoofdstuk XIX is gewijd. De krans gold als tehevórnrtos Öeïypa*°7®, symbool van volmaaktheid. De priester liep in de processie mede bekranst met een heilige krans*°?®°. Bij het offer en de offermaaltijd, waaraan de mens deelnam na zich door heiliging in transcendente staat te hebben gebracht, was hij bekranst*°®!. Het Egyptische prototype van de krans was vermoedelijk de stralenkrans van de zon, in sommige vignetten als krans, zij het niet als bloemenkrans, afgebeeld3682. Een meer abstracte afleiding van deze stralenkrans is de nimbus, het aureool 2653. Het afleggen van de krans in de rouw ware het prototype van het hieronder te vermelden kaalscheren van het hoofd 3984. De eerste uiting van de rouw, spontane reactie op het overlijden van de medemens, bestond in Egypte als elders in het betonen van leed. Men weende 5685, sloeg de blik terneder 3986 en liet, wanneer zittend, het hoofd op de knieën hangen *$®”. Men legde de hand op de mond of sloeg haar aan de kin*°®®. Men zweeg?°®®, van gedachten vervuld. Met het intreden van de dood begonnen de symbolische handelingen. Het haardvuur, de ziel des huizes, werd gedoofd 3°90, Men brak een papyrusstengel?*®! of vaatwerk*°°?, symbolen der lichamelijke aanwezigheid. 3616 Hellan., fr. 54 (Jacoby); vgl. Demetr. Aegypt., fr. 1 (Jacoby). 3617 Oudh. Med., N.R., deel XXIII, Leiden, 1942, blz. 45, noot 1-3. 3618 Zie noot 1739. 3679 Lyd., De Mensib., IV 67. 3680 Synes., Aegypt., 1 7. 2681 Koesjieten! Heliod., Aethiop., X 3 (met lotusbloesems). Perzen: Herod., Hist, 1 132. Grieken, Xenophon: Plut., Consol. ad Apollon, 33; Aelian., Var. Hist, III 3; Diog. Laert., Vit. Philos., II 54; Valer. Maxim., Fact. et Dict. Memor., V 10, Ext. 2. Zie noot 4128. 3682 Dodenboek, vignetten der hoofdstukken LXIV, XCII en CXXXVI B (Naville). 3683 Zie noot 2789. 3684 Zie noot 3742. 2685 Herod., Hist, III 14; Diod. Sic. Bibl. Hist, 1 83, 5; Phil. Jud, De Vit. Mos., 1 138; Erman-Grapow, Wörterbuch, deel II, blz. 417, noot 1, 8-10. 3686 Pap. Berlijn, no. 3008 (naar R.O, Faulkner, Mélanges Maspero, Caïro, 1934-1961, deel I, blz. 337-348, met pl. 1-IV), V 15. 2687 Erman-Grapow, Wörterbuch, deel II, blz, 32, noot 10, deel V, blz. 265, noot 1, bìz. 285, noot 6-8; E. Feucht, Studien zur Sprache und Religion Ägyptens, zu Ehren von Wolfhart Westendorf, Göttingen, 1984, deel 11, blz. 1103-1111. Indiërs: Mahâbhärata, V 73, 10. Zie noot 3530 (zitten), 3573 (hoofd). 3688 A, Radwan, Mitteilungen des Deutschen Archäologischen Instituts, Abteilung Kairo, deel XXX, Mainz, 1974, biz. 115-129. 1689 S, Schott, Urkunden Mythologischen Inhaìts, Leipzig, 1929-1939, blz. 24-25, regel 18. Zie noot 3816, 3945, 3690 Dodenb., CXXV, epiloog, 24, 27 (Naville). Zie noot 3829, 4028, 4039, 4068, 4095. 2691 Dodenb., ibidem. Rouw der voorwerpen: zie noot 3692, 3810, 4169. 3692 E‚ Lüddeckens, Mitteilungen des Deutschen Instituts für Ágyptische Altertumskunde in Kairo, deel XI, Berlijn, 1943, blz, 12-14,

Page 31

View in PDF(opens in a new window)
Men scheurde zich het kleed in?6°3, daarmede te kennen gevend, dat men het eigen leven beëindigd achtte. De huisgenoten, zowel de verwanten als het dienende een rouwden gezamenlijk. Rouw werd ook bedreven bij het overlijden van het geliefde dier*©**. Het overlijden werd publiekelijk aangezegd, doordat de nabestaanden onder Ee é van het lijk, mannen en vrouwen groepsgewijze, met rouwmisbaar de straten rondgingen d driehonder tot tweevan Groepen Zulks geschiedde met grote nadruk bij de dood des konings. man werden dan geformeerd, die twee maal des daags gedurende de gehele rouwperiode uittogen*°*°. Op deze rondgangen zong of reciteerde men de lijkklacht, poëtische compositie in traditioneel genre*°°”7. Bleef het lijk de nacht over in het sterfhuis, men hield erbij nachtwake en verrichtte de voorgeschreven gebeden**®®. De vrouwen, al of niet door professionele klaagvrouwen bijgestaan5®®, jammerden. Twee harer, zo mogelijk tweelingen, zetten zich aan wederszijden van het dode lichaam. Zij verbeeldden de godinnen Isis en Nephthys, die haar overleden gemaal Osiris beweenden 37°. Het lijk gold als onrein. Een lijk te beroeren of alleen maar aan te zien was zwaarste aller verontreinigingen*”®1. Het lijk verontreinigt zelfs de aarde3”°2. Het sterfhuis met al wat het bevatte was onrein*”®3. Aan de rouwende was zonder voorafgaande reiniging de toegang tot de tempel ontzegd *"°*, De rouw was publiek of privaat. In geval van publieke rouw werd de tempel gesloten *"°5, het offer gestaakt*706, het feest afgelast*”0?, het werk nedergelegd 3’. Daarenboven nam men 3693 Wijsheid van Anchsjoesjang, X 13; Diod. Sic., Bibl. Hist, 1 72, 2; Phil. Jud, De Vit. Mos, 1 138; Plut., Anton, 77. Vgl. Flav. Jos., Antig., XVIII 78; Plut., De Is. et Osir., 21. Zie noot 3491. 3994 Heilig dier: Diod. Sic., Bibl. Hist, 1 83,5, 84,7; Lucian, De Sacrif., 15; Idem, De Dea Syr, 6; Polyaen., Strateg., VII 11,7; Tibull., Eleg, 1 7, 28; Plin., Nat. Hist, VIII 184. Offerdier: Herod., Hist, I1 40: Lucian, De Sacrif., 15. Huisdier: Herod., Hist, II 66; Diod. Sic., Bibl. Hist, 1 84, 2. Vgl. Macrob., Sat, III 15, 4. 2095 Herod., Hist. II 85; Diod. Sic, Bibl. Hist, 1 91, 1. Burengerucht: zie noot 3696, 3818, 4194. 2696 Diod. Sic., Bibl. Hist, 1 72, 2. Vgl. Herod., Hist, VI 58. Zie voorgaande noot. 2697 Herod., Hist, 11 85; Diod. Sic., Bibl. Hist, 1 72,2, 91,1; Plut. Anton. 77: Orac. Sibyll., V 191; Lucian., De Dea Syr. 6 (vgl. 7); Genes, L 10; Erman-Grapow, Wörterbuch, deel VI, blz. 87, sub vocib. Klage, Klageruf, Klagegeschrei, Klagen; E. Lüddeckens, Mitteilungen des Deutschen Instituts für Ägyptische Altertumskunde in Kairo, deel XI, Berlijn, 1943. Zie noot 3819, 4070. 3698 H. Junker, Die Stundenwachen in den Osirismysterien, Wenen, 1910; G. Soukiassian, Bulletin de [Institut Frangais d'Archéologie Orientale, deel LXXXII, Caïro, 1982, blz. 333-348. Zie noot 3504. 2699 M. Werbrouck, Les Pleureuses dans l'Egypte Ancienne, Brussel, 1938; Erman-Grapow, Wörterbuch, deel VI, blz. 87, sub vocib. Klagefrau, Klagefrauen des Osiris, Klageweib, Klageweiber des Osiris. Zie noot 3820. 2700 Vignetten van Dodenboek, 1, XVII, CLI, CLXXXII; U. Wilcken, Urkunden der Ptolemäerzeit (Ältere Funde), Berlijn en Leipzig, 1927-1935, deel I, blz. 46-47, 828; R. O. Faulkner, The Journal of Egyptian Archaeology, deel XXII, Londen, 1936, blz. 121-140; Oudh. Med., deel LXIV, Supplement, Leiden, 1983, biz. 48, noot 83, 84. Vel. Pyr.. 1255, a-d; noot 3530, 3699, hierboven. 201 Cyrill. Alex, De Adorat. et Cult. in Spirit. et Veritat., I, p. 189d (Migne). Priester: Heliod., Aethiop., VI 14, 15. Goden: Synes., Calv. Encom., 7. Zie noot 3035, 3823, 3826. 4091. 4172 (beroering); 2754, 3034, 3824, 3948, 3952, 4027, 4092, 4173 (aanschouwing). 3102 Asclep. Herm., 24; Stob. Herm., XXIII 60. 3103 Diod. Sic., Bibl. Hist, 1 84, 2. Zie noot 2966, 2967, 3825, 4026, 4094, 4174. 3104 Sauneron, Esna, inscr. 197, 18. Zie noot 3830, 4099. 2105 Diod. Sic, Bibl. Hist, 1 72, 2; Heliod., Aethiop., VII 11: Hongersnoodstèle, 3 (Vandier). Zie noot 4147. 2706 Diod. Sic., Bibl. Hist., 1 72, 2; Heliod., Aethiop., VII 11; Pap. Berlijn, no. 13640 (ed. Spiegelberg, Studies Presented to F. LI. Griffith, Londen, 1932, blz. 171-180), 18. 2707 Diod. Sic., Bibl. Hist, 1 72, 2. Zie noot 3912, 4069, 4149. +108 Pap. Berlijn, no. 13640, 19. Zie noot 3409.

Page 32

View in PDF(opens in a new window)
individueel de voorschriften van de private rouw in acht, voor zover zij in de openbaarheid, in het maatschappelijke verkeer, relevant waren. De voorschriften betreffende de private rouw tonen groter verscheidenheid. Gesorteerd op het in hen overheersende motief, de dood dan wel de wedergeboorte, vallen zij in twee groepen uiteen. Uit liefde voor de overledene verklaarde de rouwende zich bereid hem in de dood te volgen, uit liefde voor hem ook getuigde hij van zijn geloof in zijn wedergeboorte. Dood en wedergeboorte waren in het denken van de rouwende gelijktijdig aanwezig, zij vormden voor hem aspecten van eenzelfde zaak. De duur der rouwperiode, die drie*"°9, zeven*7!0, (twee en) zeventig?”!! dagen of een jaar*’!? bedroeg, was aan de opvatting aangepast, want met deze getallen werden dood en wedergeboorte gemeten. Na de dood van Osiris zwoer zijn gemalin Isis niet te zullen hertrouwen. Zij hield haar eed*”!3. De ziel van de overledene bleef, naar men meende, gedurende drie dagen na het overlijden op aarde rondzwerven®’!* en steeg op de derde dag ten hemel®”!*. Men bracht dan een offer *”!°. Daarmede was, gelijk wij zullen zien®”!”, niet voor de nabestaanden, wel voor derden de rouw ten einde. Het dode lichaam werd bijgezet in de aarde, waarin het in zijn delen uiteenviel, ook dan, wanneer het was gemummifieerd. De delen werden tot zaden, die de aarde bevruchtten en in nieuwe lichamen uit haar wedergeboren werden®”!8. De aarde is de cosmische baarmoeder; wat zij opneemt, geeft zij weder 37!®. Dit proces heeft zijn theoretische structuur. De mens is actueel bij het leven, potentieel in de dood, en eenmaal uit de dood herrezen weder actueel 3729. Leven en dood, dood en leven, zijn van elkander gescheiden door het vlak, dat act en potentie van elkander scheidt*’?!, het grondvlak der natuurlijke pyramide, de oppervlakte der aarde, waarboven deze laatste is opgetrokken®’??. De rouwende symbolizeerde dit vlak door middel van zijn hand of zijn beide handen, dewelke hij zich plat op het hoofd legde®’?*. Hij gaf 2709 Vgl. Diod. Sic., Bibl. Hist, 1 77, 3; K. Preisendanz, Papyri Graecae Magicae, Leipzig en Berlijn, 1928-1931, V 273; De Geboorte van Horus, blz. 232, noot 2268, 2273. Vier dagen: Serapeum, stêle E‚ 4, en G, 5 (Vercoutter). Zie noot 3374. 3110 Genes, L 10-11; Heliod., Aethiop., VII 11. Zie noot 3375. 3711 Genes, L 3; Diod. Sic., Bibl. Hist, 1 72, 2-3; Phil. Jud, De Migr. Abrah., 202; Serapeum, stêle no. 5 (Malinine, Posener, Vercoutter; ad 7), stèle E‚ 6, F, 4, G, 7 (Vercoutter); Erman-Grapow, Wörterbuch, deel II, blz. 305, noot 16; De Geboorte van Horus, blz. 257, noot 2622. 3712 Vgl. Serv, Comment. in Vergil., Aen., XI 287. Zie noot 3459. 3713 Diod. Sic., Bibl. Hist, 1 22,1, 27,1. Zie noot 3933, 4067. 2714 Pistis Sophia, 144; vgl. Herm. Trism., apud Lyd., De Mensib., IV 32, 149. Zie noot 3848, 4045. »715 De Geboorte van Horus, blz. 232, noot 2265-2273. Zie noot 3939, 4061, 4122. 3716 Vgl. Pausan., Graec. Descr., X 32, 16. 3717 Zie noot 4064. 3718 Zie noot 3541. 3119 De Geboorte van Horus, blz. 55-57, $20, 3720 Zie noot 1766-1782 en noot 1783-1815. 3721 De Geboorte van Horus, blz. 218, noot 1941. 3122 De Geboorte van Horus, blz. 211, afb. 27, blz. 219, afb. 28. In beide: de lijn BCD. 3723 Pyr, 1281b; Pap. d'Orbiney, VIII 7; Calend. Brits Museum, no. 10184 (zie noot 3424), d. d. 18 Paophi; Calend. Caïro, no. 86637 (ibid.), d. d. 18 Paophi; Schott, Urkunden Mythologischen Inhalts, blz. 24-25, regel 17. Afbeeldingen in de in de noten 3688, 3692, 3724 en 3760 genoemde studies van Edwards, Desroches-Nobleco Lüddeckens, Radwan en Werbrouck. Zo nog de Grieken: Eurip., Hecub., 652-654. Zie noot 3534.

Page 33

View in PDF(opens in a new window)
daarmede te kennen, dat hijzelf vanuit de act in de potentie was overgegaan en het bijgezette lichaam in het graf was gevolgd. Datzelfde, meer aanschouwelijk, drukte hij uit door zich niet de hand, maar slijk op het gelaat of het hoofd te leggen*’?* of het gehele lichaam met slijk te besmeuren *725. Hij bedekte zich met een rouwkleed®”2$ van zwarte kleur?”2”; zwart, kleur der aarde en kleur der potentie®”?®. Of nog duidelijker, hij groef een groeve en legde zich daarin®72°. Aan het open graf volgde de laatste confrontatie met de overledene. De aanwezigen stelden een lichamelijke daad door zich te snijden of te slaan®”3® en daarbij bloed te laten vloeien. De lichaamsdelen, die daarvoor in aanmerking kwamen, waren de borst®”*!, het gelaat*”32, de armen $”33 en de dijen*”**. Zij vertegenwoordigden de inwendige en de uitwendige organen. De borst deed dat het hart*”**, het gelaat de ogen*”*$, beide zetel der ziel. De armen en de dijen vertegenwoordigden de lichamelijke activiteit*”*”; de dijen waarschijnlijk ook de geslachtsdelen*’3® en daarmede de voortplanting. Men scheurde zich de lidtekens open om zijn wonden het eigen leven, weder tot bloeden te brengen 273. In al deze gevallen was het bloed symbool van en, dat men het in het graf liet dat men aan de overledene schonk®”*®; wij mogen aannem 17 3724 Herod., Hist, II 85; Diod. Sic., Bibl. Hist, 172,2, 91.1; Lucian, De Mort. Peregr., tg de 123, 131-132; LE.S. Edwaads, Revue d Egypto ee Papyri Graecae Magicae, XXXVI 139; Werbrouck, op. laud., blz. Superst, 3 (zújäma1s); Nonn., deel XXVII, Parijs, 1975, blz. 117-124 (blz. 121, noot 11-17). Vgl. Plut, De 110 (Indiërs). Zie noot 3514. Dionys.. 3125 Mela, Chorogr., 1 57; Pap. d’Orbiney, VIII 7; Pap. Lansing, IV 4-5. Zie noot 3321, 3322, 3575, 3576. +12e Plut., De Is. et Osir., 14; M. de Rochemonteix en E. Chassinat, Le Temple d'Edfou, Parijs en Caïro, 1897- 1934, deel I, blz. 212, regel 17: &s n #3kb. Zie noot 3522. 2727 Plut., De Is. et Osir., 39, 52; Orac. Sibyll., V 190 (patóc, grijs); Serv, Comment. in Vergil., Aen, XI 287. Mekavnoópot in de cultus der godin Isis: P. Roussel, Les Cultes Egyptiens à Dêlos. Parijs en Nancy, 1916, blz. 298: S. Daris, Spoglio Lessicale Papirologico, Milaan, 1968, blz. 963, sub voce. Zie noot 3523. 5728 Zie noot 1724, 3544. 3729 Plut, Consol. ad Apollon, 22. Zie noot 3878. 3730 Pyr., 1005b (hwj), 1974b (hwj); Herod., Hist, II 40, 61, 85; Plut., De Is. et Osir., 14; Lucian, De Sacrif. 15: Idem, De Dea Syr, 6 (vgl. 7); Mela, Chorogr., 1 57; Lucan., De Bell. Civil, VIII 833; Minuc. Fel, Octav., 23, 1; Apul., De Deo Socrat., 14; Firm. Matern., De Err. Prof. Relig., II 3; Paulin. Nolan, Carm., XIX 114-115; Anthol. Latin, Carm. Cod. Paris. 8084, 98 (p. 1 1, 24, Buechcler-Riese). Zie noot 3859 (slaan), 3858, 4013 (snijden). 2131 Diod. Sic, Bibl. Hist, 1 83, 5; Plut., Anton, 77 (vgl. 82, 83); Athenag., Supplic., 14, 2; Preisendanz, Papyri Graecae Magicae, XXXVI 139; Minuc. Fel, Octav., 23, 1; Lactant., Inst. Divin., 1 21, 20; Firm. Matern., De Err. Prof. Relig., II 3; Ael. Lamprid., Commod., IX 6; Paulin. Nolan. Carm., XIX 112. Zie noot 3480. 3732 K.A. Kitchen, Ramesside Inscriptions, Oxford, vanaf 1968, deel L. biz. 112, regel 14; Herod.. Hist. III 14: Werbrouck, op. laud., blz. 51, 152 (openkrabben). Zie noot 3578. 3133 Pyr., 100Sb (sh), 1974b ($kr); Heliod., Aethiop., VI 14; Firm. Matern., De Err. Prof. Relig., Il 3. Vgl. Zonnelitanie, p. 223 (Hornung); Metternichstèle. 247; De Rochemonteix-Chassinat, Le Temple d'Edfou, deel 1, blz. 217, regel 6. Zie noot 3776-3779, 4078. 2734 Pyr., 1366b ($kr), 1974d (sh). Zie noot 3862, 4077, 4159. 3135 Zie noot 3480, 3866. 3736 Zie noot 694, 3743. 3737 Zie noot 755-159, 2396. 3738 De Geboorte van Horus, blz. 71-72, cit. 295-297, met noot 555; noot 3606, hierboven. 3139 Firm. Matern., De Err. Prof. Relig., II 3. 3740 Zie noot 749.

Page 34

View in PDF(opens in a new window)
nederdruppelen. Zonder bloedvergieten te werk gaand, schoor men zich de haren af‚ van het gehele lichaam 3?*!, van het hoofd37#2, van de wenkbrauwen?®’*®, van de baard®”*4. Ook deze *"**. De symboliek van het afgeschoren haren werden in het graf aan de overledene medegegeven de haren plaats maakten werd, gespild bloed het dat hierin, bloed en die der haren verschilde voor nieuwe haargroei ®”+®. Alvorens het lijk achter te laten verrichtte men een rondedans om het graf*”*?. De dans *7*», stelde de dans der planeten om de aarde voor en was symbool der wedergeboorte dronk in Men ascese. van bedrijven Men doodde in de rouw het lichaam passief door het het geheel niet>’*, men dronk althans geen wijn*’5®. Men nam geen voedsel tot zich®”*!, at geen vlees?75?, noch uit tarwe bereid brood®’*® of enige lekkernij*’**. Om zich in leven te houden vergenoegde men zich met een minimaal dieet, bestaande uit water, brood, zout en groente 3?55. De geslachtsgemeenschap werd gestaakt *”56. Met het lichaam offerde men ook de persoonlijkheid. Men verzorgde zijn toilet niet langer, baadde zich niet?’*” en zalfde zich niet*’*®. Men liet zonder zich te scheren de haren van 3141 Herod., Hist., II 66; Diod. Sic., Bibl. Hist, 1 84, 2; Lactant., Inst. Divin., 1 21, 20. Onderste lichaamsdelen (hw hrj.w, de geslachtsdelen?): Pap. III Chester Beatty, recto, VIII 17. Voor de priester, zie noot 1647. 3742 Herod., Hist, II 66; Plut., De Is. et Osir., 3, 4; Lucian, De Sacrif., 15; Idem, De Dea Syr. 6 (vgl. 7); Athenag., Supplic., 14, 2; Plin., Nat. Hist, VIII 184; Juven., Sat, VI 533; Minuc. Fel, Octav., 23, 1; Firm. Matern., De Err. Prof. Relig., IH 3; Anthol. Latin, Carm. Cod. Paris. 8084, 98 (p. 1 1, 24, Buecheler-Riese). Vrouw: Plut., De Is. et Osir., 14 (haarlok); Etym. Magn., sub voce Kontós; Sarcoph., IV 338d; P. Kaplony, Kleine Beiträge zu den Inschriften der Ägyptischen Frühzeit, Wiesbaden, 1966, blz. 68-69 (voorhoofdslok, zie noot 4161). Priester: zie noot 1649. Zie verder noot 3684, 3874, 4071, 4159. 2743 Herod., Hist, I1 66. Priester: zie noot 1650. Zie verder noot 3736, 3876, 3877. 3744 Priester: Diog. Laert., Vit. Philos., VIII 87. Zie noot 3864, 3875. 3145 Zie noot 4163. 3746 Zie noot 3148, 3149, 3806. 2747 Erman-Grapow, Wörterbuch, deel II, blz. 53, noot 14; H. Altenmüller, Lexikon der Ägyptologie, deel IV, kol. 271-272, sub voce Muu; W.S, Blackman, The Fellähin of Upper Egypt, Londen enz., 1927, blz. 114. Armeniërs: Faust. Byzant., Bibl. Hist, V 31. Zie noot 4070. 3148 De Geboorte van Horus, blz. 424, afb. 61, blz. 436-438, $96. Vgl. Dio Chrysost., Or, XII 33 (Spovicpóc); Plut., Num., 14. 2749 Pap. Leiden, 1 371 (naar A.H. Gardiner en K. Sethe, Egyptian Letters to the Dead, Londen, 1928), 31; Pap. Berlijn, no. 13588 (naar W. Erichsen, Eine Neue Demotische Erzählung, Wiesbaden, 1956), III 6; Serapeum, stèle C, 4, D, 4, E‚ 4, F, 4, G, 5 (Vercoutter). Zie noot 3486. 2750 Pap. Dodgson (naar F. Ll. Griffith, Proceedings of the Society of Biblical Archaeology, deel XXXI, Londen, 1909, blz. 100-109), verso 12, 14, 20, 21, 25; Pap. Berlijn, no. 13588, III 4; Diod. Sic, Bibl. Hist, 1 72,2, 91,1. Zie noot 3548. 3751 Profetie van Neferti, IX c (Helck); Pap. Leiden, I 371, 31; Pap. Berlijn, no. 13588, III 5 (?); Serapcum, stèle C, 4, D, 4, E‚ 4, F, 4, G, 5 (Vercoutter); Diod. Sic., Bibl. Hist., 1 91, L. Zie noot 3481. *152 Pap. Berlijn. no. 13588, III 4; Diod. Sic., Bibl. Hist, 1 72, 2. Zie noot 3482. 2753 Diod. Sic., Bibl. Hist., 1 72, 2; zie noot 828, 1560-1571. Men at dus wel gerstebrood. Zie noot 3484. 3154 Diod. Sic., Bibl. Hist, 1 72, 2. Zie noot 3889. 3755 Egyptenaren: Serapeum, stèle E‚ 5-6, G, 7 (Vercoutter); zie noot 3315. Joden: Talm. Babl., Ta'an., 30a. Dit was ook het dieet der Christelijke monnikken in de woestijn. 2756 Pap. Dodgson, verso, 15-16; Diod. Sic., Bibl. Hist, 1 72, 3. Indiërs: Päraskaragrhjasütra, III 10, 25. Zie noot 3487, 3757 Pap. Berlijn, no. 13588, III 4; Diod. Sic., Bibl. Hist, 1 72,3, 91,1. Zie noot 3414, 3488 (wassen), 4154 (baden). 3758 Diod. Sic., Bibl. Hist., 1 72, 3. Zie noot 3489.

Page 35

View in PDF(opens in a new window)
en ae navelestet uitgroeien. De vrouw kamde de haren niet en liet hen et en rek AT loo uederhangen*”**, Pronkgewaad*”e* en sieraden*”S* werden afgelegd. Het werk werd Amana gestaakt 3765, vreugdebetoon als het zingen3?%% onderdrukt. Men zat” of legde zich languit?’s® op de grond. Al wat van de grond scheidde werd terzijde gelegd. Men ging ongeschoeid3?6?® en sliep niet in zijn bed?’’°®, maar op de blote aarde. Men onttrok zich aan zijn omgeving en verkeerde onder de ellendigen*"”*. Koningin Nitocris, die de moordenaars haars broeders met arglist had omgebracht, wierp zich na afloop vandien in een vertrek gevuld met as, ten einde aan de wraak te ontkomen?®”??. De as verving het vuur*’’*. De koningin verbrandde zichzelf symbolisch, niet als substituut harer vijanden, maar als zondoffer, tot reiniging der door haar opgedane bevlekking*""*. Een ieder, ook onschuldig, stelt bij het overlijden zijns naasten zichzelf in gebreke. Behoorde de wenteling in de as in dit geval niet tot de rouwgebruiken, een latere generatie nam haar daarin aps Niet alle Egyptische rouwgebruiken zijn voor ons verstaanbaar. Dat geldt met name van diegene, die in de Dodenteksten worden vermeld: 3bhh°””® der beide armen, rwj°""” en d3m®”"® van zowel armen als benen, en verder het neutrale rdj®’'®, „geven”, van de beide armen. 159 Pap. III Chester Beatty, recto, II 2-3, Sauneron, Esna, inscr. 197, 18-19; Herod., Hist, Il 36. De haren verwarren: Zonnelitanie, p. 223 (Hornung); Pap. Bremner Rhind, IX 21. Zie noot 3547. 2709 Herod., Hist, II 36; Chr. Desroches-Noblecourt, Bulletin de [Institut Frangais d'Archéologie Orien XLV, Caïro, 1947, blz. 185-232. Zie noot 3547. 2781 Sauneron, Esna, inscr., no. 197, 18-19. Zie noot 3893. Dn niee 3162 Dodenb., XVII 33 (p. 87, 3-4, 88,17-89,2, 90, 12-13, Grapow); Werbrouck, op. laud., passim; Callim., Hymn VI, in Demet, 124; Philostr., Epist. Amat., 16 Gwvoikopos); Serv, Comment. in Vergil., Aen. III 65. Zie noot 1233 3490. 2763 Diod. Sic, Bibl. Hist, 1 91, t. Zie noot 3521. 2704 Werbrouck, op. laud., blz. 128, 131, 152. Zie noot 3493. 3165 Zie noot 3409. 3166 e e Calend. Brits Museum, no. 10184, d. d. 14 Tybi; Calend. Caïro ‚no. 86637 86637, d. d. 14 Tybi; Ë Pap. Dodgson. verso +767 Pyr., 1281b;5 Pap. Berlijn, ‚no. no. 3008 (zie noot 3686), E V 14;s Hon,gersnoodstèle, Ê 3 laud., blz. 147-149, 160-161. Zie noot 3530. 3198 Serapeum, stèle C, 3-4, D, 3-4 (Vercoutter). Zie noot 3529. ES (Vandier); Ï W NE 3169 Aelian., De Nat. Anim, X 23: Werbrouck., op. laud., biz. 131. Indiërs; Nonn., Dionys., XL 109. Zie noot 3501, 5 3770 Diod. Sic., Bibl. Hist. 1 72, 3; Aelian., De Nat. Anim., X 23. Indiërs: Päraskarag rhjasütra, III 10, 25. Zie noot 3551. ei 2171 Serapeum, stèle E‚ 4-5, G, 5-6 (Vercoutter). 3712 Herod., Hist., II 100. Zie noot 3532. 2173 Terechtstelling in as, Syriërs: II Machab., XIII 5-8. Perzen: Ctes.. fr. 15 Jacoby: ad 50, 52, 53), 16 (ad 63); Callim., Ib, fr. 381 (Pfeiffer); Dio Chrysost., Or, LXXX 9; Ovid, Ib, 315-316, met scholia; Vater. Maxim, Fact. et Dict. Memor., IX 2, Ext. 6. Romeinen: vgl. Dionys. Halic., Antig. Rom., 1 88, 1 (waartoe: Fest, De Verb. Signif., sub voce Aqua et Ign., p. 3, Lindsay). Reiniging met vuur en water: Porphyr., De Abstin., IV 9; Horapoll., Hierogl., 143; zie noot 3914. 3714 Zie noot 3517. 3715 Zie noot 3917, 3716 Pyr., 743d. Voor noot 3776-3779, zie noot 3733. 3177 Pyr., 743d, 863a, 884a, 1974a, 2014a. 3778 Pyr., 743d, 1366b, 2014a. Bn 3179 Pyr., 863a, 884a. Hetpheff oph en der handen in Î de houdií ng U, vel. Werbr ouck, op. laud., blz. 144.145? Zie noot

Page 36

View in PDF(opens in a new window)
Onzeker is de betekenis van de band, die men zich om het hoofd legde *”®°. Hij wordt symbool van owppoobvn of ingetogenheid genoemd*7*!. Onzeker ook de reden, waarom men zich in de rouw de klederen opschortte”?, De rouwgebruiken, die de wedergeboorte betroffen, zijn minder talrijk dan de voorgaande, die het de dood deden. Tussen beide groepen bemiddelde het gebed*’**, het beroep op de goddelijke genade, dat gedurende de gehele rouwperiode aanhield. Men bad in de tempel *”®* en daarbuiten. Een aparte plaats wordt ingenomen door een gebruik, dat wij kunnen betitelen als cosmísch verweer. Met de dood voor ogen rest de mens als laatste verweer het beroep op de goddelijkheid zijner natuur. Hij legt zichzelf cosmische dimensie aan. De rouwende deed dat door zich als symbool des hemels*?®5 een blauwe kap op het hoofd te zetten*75®. Aldus getooid was hij god, staande met het hoofd in de hemel en de voeten op aarde?”®7; hij had de dood overwonnen. Blauw gold, en geldt bij de landelijke bevolking tot in het heden, als kleur van de rouw*7®®, Ook het gewaad van de rouwende werd blauw, lichtblauw, geverfd*?89. Door de koning gedragen, (}, hprs genaamd?7°0. Zij verkreeg een vulling, die ontwikkelde zich de blauwe kap tot kroon, haar tot omtrent een decimeter boven de kruin uithief, en een beugel aan de achterzijde van het hoofd om haar in vorm te houden. Zij werd versierd met kleine ringetjes, wedergaven der hemellichamen*’®!, Haar kleur wisselde tussen geel en blauw®”®?. Geel zijnde, stelde zij de daghemel voor, blauw zijnde de nachthemel*7°®. De koning zette zich deze kroon op bij *’°* tezamen met de andere kronen, het feit plechtige gelegenheden: 1° Bij zijn troonsbestijging indachtig, dat de regering hem naast vreugde ook leed brengen zou. Meer nog in overweging, dat de hemel de kroon van de Zonnegod was geweest, toen deze bij het ontstaan der wereld uit het oerwater oprees*’®5, 2° In de rouw, bij de dood zijns naasten®’®®. 3° Tijdens de veldslag, wanneer zijn eigen leven op het spel stond®”°”. In vol ornaat stak zich in de oudheid ook de 3780 Desroches-Noblecourt, loc. cit. blz. 214-216; Werbrouck, op. laud., blz. 129, 131. 3181 Philostr., Vit. Apollon, IV 28. Prototype van de in noot 2789 vermelde nimbus? 3782 Herod., Hist, II 85; Edwards, Revue d'Egyptologie, deel XXVII, Parijs, 1975, blz. 117-124. 3183 Zie noot 3505-3510. 2784 Aclian., De Nat. Anim, X 23. Na herneming der reinheid, vgl. noot 3704. 5785 BH. Stricker, De Ark des Verbonds, Amsterdam, Londen, 1971, blz. 7-8, noot 28-38. 3786 W. V. Davies, The Journal of Egyptian Archaeology, deel LXVIII, Londen. 1982, blz. 69-76. 3787 De Geboorte van Horus, blz. 350, afb. 40. 2788 Erman-Grapow, Wörterbuch, deel 1, blz. 116, noot 14; Camephis, blz. 6, noot 31 en 35. De inscripties in de graven plegen met blauwe verf te zijn ingelegd. Zie noot 4081. eene 3789 Werbrouck, n Ranie: op. laud.,ere blz. 53, 130-131: 1; Desroches-N - oblecourt, loc. cit, i blz. 214. Vgl. Camephis, Ï blz. 6, 2790 Erman-Grapow, Wörterbuch, deel III, blz. 268, noot 1-2. 3791 De Ark des Verbonds, blz. 7, afb. 3, blz. 8, noot 38: Camephis, blz. 6, noot 31. 3792 Davies (zie noot 3786), blz. 73, noot 31. 2793 De nacht, potentie: Camephis, blz. 9, noot 54. ie J. Leclant, Mélanges Mariette, Caïro, 1961, blz. 266-267, noot 11. En Edin a 86 (naar G. Steindorff, Zeitschrift für Ágyptische Sprache noot und Altertumskunde, deel LIII, 3796 Desroches-Noblecourt, loc. cit, passim. :3797 L. Borchardt, Zeitschrift für Ägyptische Sprache und Altertumskunde, deel 3. XLII, Leipzig, 1905, blz. 82

Page 37

View in PDF(opens in a new window)
mens, die op het altaar ten offer werd gebracht®’°®. Bij al deze plechtigheden was de blauwe kroon symbool der nagestreefde wedergeboorte; wedergeboorte der ziel bij de troonsbestijging *?°®, wedergeboorte des lichaams in de veldslag en in de rouw. De blauwe kroon was op het slagveld daarenboven afweermiddel. De hemel, die blauw is van kleur, is de cosmische baarmoeder 38°, in dit aspect gepersonifieerd door de godin Hathor, de „Blauwe”*50!. Het kind, dat met de helm werd geboren, werd geacht transcendente vermogens te bezitten *5°?. Zijn helm, als „blauwe doek” 38°3 deel van het baarmoederlijke vlies, vertegenwoordigde de hemel in de microcosmos van de moederschoot. Ook van andere rouwgebruiken was de wedergeboorte het beoogde doel. Men kleedde zich in de rouw, althans tijdens de bijzetting, in een wit linnen gewaad*®°*. In tegenstelling tot het zwarte, besmeurde en gescheurde kleed, dat de dood aanduidde, deed het witte dat het leven *°°5, Door zich de haren af te scheren *5°$ opende men zichzelf, en bij extensie de overledene, de weg naar een nieuw leven, naar nieuwe vreugde. De vrouwen ontblootten de borsten en liepen alzo mede in de lijkstoet 38°”. De moedermelk is het voedsel van de pasgeborene, maar is dat voordien van het embryo in de baarmoeder **°®. De koe Hesat wekte haar dode zoon Anti tot nieuw leven door melk uit haar uier in zijn afgestroopte huid te laten druppelen*5°®. De papyrusstengel, die in de rouw gebroken werd**!®, werd vervolgens in het water geworpen**!!; in het oerwater, waaruit eenmaal de aarde voortgekomen was. Ter ere van de overleden Osiris werden öpyia, orgieën, gevierd *®1?, Wat deze ook waren, zij waren middel om de overledene de wedergeboorte te verzekeren. 3798 Egyptenaren: Ibn ‘Abdal-Hakam, Futúh Misr, p. 150, 12-13 (Torrey). Koesjieten: Heliod., Aethiop., X 9, 16. Phoeniciërs: Phil. Bybl., fr. 3b (Jacoby; vgl. Euseb., Praep. Evang. 1 10, 44). Grieken: Dionys. Halic., Antiq. Rom., III 18, 2; Plut., Themistocl., 13. Zie noot 3982. 3199 De Maat der Dingen, blz. 17, noot 120, met afb. 3. 3800 De Ark des Verbonds, blz. 11-12, noot 51-55; De Geboorte van Horus, blz. 402, noot 4364-4373. Verbonds, blz. 11, noot 53. 3801 Erman-Grapow, Wörterbuch, deel III, blz. 334, noot 14; De Ark des 2174-2176. 3802 De Geboorte van Horus, blz. 227, noot fs : 3803 Ibid, noot 2174. Pap. Dodgson, verso 15; Setne, Iv 22, bis; rj 280% ann p3k.t: Pap. IX Rylands, IX 11, 13; j IV 12, V 4, Vil 27; vgl. Pap. Berlijn, no. 8351, Iv 13. Il a, 13; Pap. Tanwerow, New York, III 31; Pap. Krall, ogenen be nog kleed witte Het 86. IÌ Hist, Herod., 183, 5, en givúv: Diod. Sic., Bibl. Hist, 1 72, 2; vgl. ibid, sanne 5 IV 13, 3; Julian. Apost., Epist., LXXVII (Hertlein; Deser., Graec. Pausan., (Jacoby); 3 fr. Argiv., Socrat. pies. vrouwen: de blz 46-48, no. 16. regel 4-9. Bij de Romeinen Sokolowski, Lois Sacrées de l'Asic Mineure, Parijs, 1955, 5 noot Zie 14. 21, 1 Sentent., Paul., IV 2, 3. Niet de mannen: Quaest. Rom., 26; Herodian., Ab Excess. Div. Marc., 3805 Zie noot 1724. 3806 4 H Hist, II 85; Diod. Sic., Bibl. Hist, 1 72, 2; en gn Dodgson, verso 17; Herod., 135. laud., passim. Phoeniciërs: vgl. Theocrit., Idyll., XV 3808 De Geboorte van Horus, blz. 44-48, $16, blz. 131-138, 837. 2809 Egyptenaren: ibid., blz. 408, cit. 1224. Indiërs: 3810 Werbrouck, op. ibid., blz. 411-412, noot 4562. 1 De papyrusstengel, de god Horus: De Geboorte van SEE jer aes ae5 Het water betiteld als 113 tj, „waarachtig”. Diod. Sic., Bibl. Hist, 1 25, 6. Horus, blz. 497, noot 6182-6192. Horus, te water geworpen: 3812 Lucian, De Dea Syr., 7. Syriës: ibidem.

Page 38

View in PDF(opens in a new window)
$49 Dit alles zij thans herhaald in de Joodse versie. Het overlijden des naasten riep ook bij de Joodse nabestaanden gevoelsuitingen op. Men weende *8!5 en kermde*®!4. Men liet het hoofd hangen ®®!5 en zweeg stil 3815, De aankondiging van het overlijden geschiedde vanaf het dak des huizes*®!”, vervolgens bij rondgang in de straat*®!®, waarbij de lijkklacht werd aangeheven**!®. Het lijk, dat tehuis achterbleef, werd beweend door de klaagvrouwen**?°. Het wenen werd gedurende de nacht na het overlijden tot in de morgenstond voortgezet3®?!. Het dode lichaam is onrein, het is principe aller onreinheid*®??, De onreinheid werd geacht over te gaan op hem, die het aanraakte*®23, het aanschouwde?*®?* of zich ermede onder dezelfde overkapping bevond*®?5, het sterfhuis of de 3813 Genes, XXIII 2, XXXVII 35, L 3-4; Numer., XX 29; Deut, XXI 13, XXXIV 8; Richt, XX 26; Il Sam, I 12, XV 30; Jezaj., XV 2-3, 5, XXII 12; Ezech., XXIV 16, 23, XXVII 31; Mich, 1 10; Ps., CIT 10; Job, Il 12; Klaagl., 1 16; Esth., IV 3; Nehem., 1 4; Jud, XIV 16; Tob, 11 6; 1 Machab., IX 20; Siracid., XXXVIII 16-17; 1 Bar., 1 5; Jubil., XXIII 6-7; Vit. Ad. et Ev, XLVI 1; Test. XII Patr., VI 4, 8; Paral. Jerem., II 5, IV 6, 7, 11, VIT 22, IX 8-10; II Bar, IX 2; Test. Job, XXIX 4; IV Ezr., V 20; Phil. Jud., De Joseph, 217; Idem, De Vit. Mos., 1 138; Idem, De Virtut., 111; Idem, Leg. ad Gai, 223, 227, 275; Flav. Jos, Antiq., IV 259, 320, V 37, VI 358, 377, VII 4, 40-42, 180, 252, VIII 325, XIII 399, XVI 329; Min, Jabm., XV 1; Midr. Klaagl. Rabb., proöem., 24; ibid, 1 1, 1; Midr. Pesïqt. Rabb., XXVI 5; Mass. Êbel Rabb., XI 4, 5. Assyriërs: Achigar, IV 6, 13. Arabieren: Flav. Jos., Antiq., XVI 288. Syriërs: Lucian., De Dea Syr. 6; Me'arr. Gazz., XL 6 (Riessler). 5814 I] Sam, XIII 19; Jezaj., XV 2-5, 8; Jerem., IV 8, XIV 2, XLIX 3; Ezech., XXIV 17, XXVII 30; Joël, 18, 13; Amos, V 16; Mich, 1 8; Zachar., XII 10; Job, XXX 28; Esth., IX 31; Jud., XIV 16, 19; I Machab., IV 40; Siracid., XXXVII 17; Vit. Ad. et Ev, 1 1; Phil. Jud, De Joseph, 16, 217; Idem, Leg. ad Gai, 227; Flav. Jos., Bell. Jud., II 6, IV 260; Idem, Antiq., II 134, VI 358, VIT 4, 171-172, 180, 252, VIII 325, IX 67, 151, XI 221, XIII 399, XV 86, XVI 329. Babyloniërs: Epist. Jerem., 31. 3815 Ps, XXXV 14; Klaagl., IT 10. Op de knieën, Syriërs: M. Dietrich, O. Loretz en J. Sanmartin, Die Keilalphabetischen Texte aus Ugarit, deel I, Neukirchen-Vluyn, 1976 (in het vervolg geciteerd als KTU), 1 2 (1 23-29). Zie noot 3573. 3816 Levit, X 3; Job, II 13; Klaagl., 11 10; IV Ezr., X 2-3; Phil. Jud, Leg. ad Gai, 223; Talm. Babl., Beräk., 6b; ibid, Mó’. Qät., 23a; Midr. Genes. Rabb, LXIII 14; Midr. Klaagl. Rabb., 1 1, 1, III 28, 9; Mass. Êbel Rabb., I1 8, X 10-12. Zie noot 3689. 3817 Jezaj., XV 3; Jerem., XLVIII 38. 3818 Jezaj., XV 3; Jerem., XLVIII 38, XLIX 3; Amos, V 16; Predik., XII 5; Esth., IV 1; Flav. Jos, Bell. Jud., 11 6, II 437, IV 260; Idem, Antiq., VIT 171, 172, XI 221. Zie noot 3695. 3819 Genes, XXIII 2, L 10; 1 Sam., XXV 1, XXVIII 3; II Sam, 1 12, III 31, XI 26; 1 Kon., XIII 29, 30, XIV 13, 18; Jezaj., XXII 12, XXXII 12; Jerem., IV 8, VI 26, VIT 29, XV1 4-6, XXII 18, XXV 33, XXXIV 5, XLVIII 38, XLIX 3; Ezech., XXIV 16, 23, XXVII 31; Joël, 1 13, II 12; Amos, V 16, 17, VIII 10; (Tob, II 6); Mich., 18, 11; Zachar., VII 5, XII 10, 11; Ps, XXX 12, Predik., [IT 4, XII 5; Esth., IV 3; Siracid., XXXVII 16; Paral. Jerem. TV 7-10; Flav. Jos, Bell. Jud, II 6, III 435-437, IV 260; Idem, Antiq., 11 134, IV 257, 320, VI 377, VII 42, 204, VIII 273, XIX 349; Talm. Babl., Mo’. Qät., 25, a-b, 27b; Mass. Áb. de Rabb. Nät., XXV 3; Mass. Êbel Rabb., 1 5, 6, I1 1, 111 4-6, VIII 7, X 7, XI 5, XIV 7, Syriërs: Lucian, De Dea Syr, 6. Zie noot 3697. 3820 Jerem., IX 16 (17); Miön., Ketüb., IV 4; ibid, K&l., XV 6, XVI 7; Mass. Êbel Rabb, XIV 7. Zie noot 3699, 3700. 2821 Dan., VI 19; Jubil., XXXIV 13; Talm. Babl., Beräk., 16b; ibid, Pesäh., 92a; ibid, Zebäh., 99b. 100b. Zie noot 3504. 2822 Misn., Kél, 1 4; Camephis, blz. 49, noot 402. Nabataeën: Strab., Geogr., XVI 4, 26. Zie noot 3193. 3823 Levit., XXI 1, 11; Numer., XIX 7-8, 11, 13, 16; Phil, Jud, De Spec. Legib.. III 205; MiSn., Näz., VII 1; ibid, Ahil., 1 1-8; enz. Zie noot 3701. 3824 Syriërs: Lucian., De Dea Syr., 53. Zie noot 3701. 3825 Numer., XIX 14-15; Miën., Ahilüt. Zie noot 3703.

Page 39

View in PDF(opens in a new window)
sterfkamer; alsook op hem, die de aldus verontreinigde of het door hem aangeraakte voorwerp beroerde 3525, Zolang als het lijk boven aarde stond, bereidden de huisgenoten de maaltijd met ander vertrek, door de naburen ter beschikking gestelde spijzen, in een of ook buitenshuis***”. lampen chuwing der binnentredenden. De = dAn Amer gehangen 3228 test waars zich van DEZOEek aan tempel °*>? of synaBn REE Ceaeocastes Tee rouwende naa goge***! te onthouden; althans tot op het ogenblik, waarop hij de reinheid hernam ?*?2. De uitvaart, zo mogelijk op de dag zelf van het overlijden****, voltrok zich onder fluitmuziek **3*. Het traject was in zeven etappen verdeeld, tussen dewelke telkenmale ingehouden werd3835. De ziel des mensen gaat zowel bij de geboorte ***S als bij de dood***” aan de zeven planeten voorbij; dit werd als wezenlijk deel van de hemelvaart beschouwd. Men gebaarde uit liefde voor de overledene de graflegging te willen beletten ***®. De nabestaanden nuttigden op de derde dag na de bijzetting ***® de rouwmaaltijd, uit wijn 3549, vlees3®*!, brood?8*2, eieren 3543 en linzen**** bestaand. Zij waren in een kring gezeten*®*5, hetzij om het graf, hetzij in het . 3 84 _ . - …. 5 3826 Numer., XIX 22; vgl. ibid, XIX 7, 8-9, 10, 21. Zie noot 3701. ns 3821 Talm. Babl., Beräk., 17b: ibid. Mö“. Qät., Qät.. 23b. „ TTer beschikkin ikki g gestelde prijzen: ij e IC. , ? Ezech., XXIV 17. Zie 8 zi … ” es Ps - bid. XX a: Zie 3829 IV Ezr., X 2; Midr. Klaagl. Rabb, 1 1, 1, III 28, 9. Zie noot 3690. 3830 Numer., XIX 13, 20; Phil. Jud, De Spec. Legib., III 205. Onthouding van offer: Miën., Zebäh., XII 1; Talm Babl., Mò'. Qät., 1Sb-16a; Past. Herm, Mand., X 3, 2-3. Vgl. Pap. Elephantine, XXX 21-22, XXX 20-21: Lucian. De Dea Syr., 50, 52, 53; en zie noot 3704, 3925. î 8 3831 Talm. Babl., Mô'. Qät, 23a; Mass. Êbel Rabb, X 11. 3832 Zie noot 3926. 3833 Misn., Sanhedr., VI 5; Talm. Babl.. Mö“. Qät., 28a; ibid, Zebäh.. 9b; Mass. Ebel Rabb., XI 1. Christenen: Handel., V 6, 9. Zie noot 4031, 4100. 3534 Flav. Jos., Bell. Jud., III 437; Ev. Matth, IX 23; Min, Ketüb., IV 4; ibid, Bäb. Mes., VI 1; Mass. Ebel Rabb., XIV 7. Restant uit de periode in $50 beschreven, zie noot 1074-1075? Passanten waren verplicht zich bij de stoet aan te sluiten: Flav. Jos, Contr. Apion., IT 205. 3835 Miën., Megill., III (IV) 3, Talm. Babl., Bäb. Bätr., 100b; Tös., Megill, III 14, De standplaatsen: Misn., Ketüb., 1 10; ibid, Bab. Bätr., VI 7; vgl. ibid, Ahil., XVII 4. 3836 Zie noot 3381. 3837 Zie noot 3382. 3838 Test. Job., LIII 6-7. 3839 Geen bewijsplaats. Vgl. Act. Johann, 72. Zie noot 3374. 3840 Talm. Babl., Ketüb., 8b; Mass. Êbel Rabb., XIV 14. Assyriërs: Achigar, IV &. Zie noot 4064, 4131. 3841 Mass. Ebel Rabb., XIV 13. Zie noot 4064, 4131. 3842 Mass. Ebel Rabb., XIV 13; vgl. Act. Johann, 72. Assyriërs: Achigar, IV 7, 8. Zie noot 4131. 3843 Talm. Babl., Báb. Bätr., 16b. Zie noot 4055, 4114. 3844 Talm. Babl., Bâb. Bätr., 16b; Midr. Genes. Rabb, LXIII 14; Midr. Pesiqt. Rabb, XII 4; Midr. Tanhüm. (Buber), Genes, VI 3; Targ. Ps.-Jon., in Genes, XXV 29, 34; Pirg. Rabb. Eliez., 35. Vgl. Oudh. Med, N.R., deel XXXVII, Leiden, 1956, blz. 53, met afb. 12 (Ook aan de lens van het oog kan gedacht zijn als symbool der liefde). Zie noot 4113, 3845 Misn., Sanhedr., IT 1. Vgl. Epist. Jerem., 31. Zie noot 4125.

Page 40

View in PDF(opens in a new window)
de overledene bleef gedurende drie dagen na sterfhuis3°*S, na reiniging daarvan®®*”. De ziel van lichaam38*® en vloog middelerwijl vrijelijk diens dood op aarde, in de nabijheid van het de naaste familieleden, ten einde ?8*®. rond384°. Met de maaltijd was de rouw, behalve voor in beslag nam **5!, in zwaarder De publieke rouw, die in lichtere vorm een enkele (licht)dag in haar geheel getroffen was, vorm een maand?®5?, was collectief, wanneer de bevolking was individueel, wanneer een Hij e. bijvoorbeeld om haar in krijgsdienst gevallen zonen treurd n. Men verenigde zich in het familie. tot zelfs de koninklijke, een harer leden had moeten afstaa taanden aangeboden eerste geval voor het heiligdom®***, in het tweede aan een door de nabes de gegevens over de illeer Gedeta 5*. open rouwmaaltijd, ditmaal gehouden op het plein der stad*® danks onder publieke rouw worden door de teksten niet verstrekt3855. Wij krijgen dezulke deson ogen, want de publieke rouw collectief was formeel prototype der sacrale en publieke smeekbede. jd Zij zijn bewerkt in $45. De publieke rouw onderscheidde zich vooral door de openbare maalti van de private. Tijdens de publieke rouw werd het werk nedergelegd 2555, Tot simulatie van het overlijden takelde men zichzelf lichamelijk toe***?. Men liet bloed vloeien door zich in te snijden?*5® of te slaan*®*®. Men sloeg zich met de handen op het gelaat 3860, de borst386! of de heup*®$?. Men plukte de haren van hoofd*®63 en baard*®6* uit. een Om het graf: Jubil., XXII 17; vgl. Act. Johann, 72. In het sterfhuis: Jerem., XVI 5; Miën., Sanhedr., II 1, 3; Talm. Babl., Sabb., 136a; ibid, Mö. Qat., 20b; ibid., Ketüb., 8b, 69, a-b; Mass. Fbel Rabb., IT 9, XIV 13-14, Assyriërs: Achiqar, IV 7-8, 14-15, In de dagen van de zwaarste rouw werd de maaltijd door sympathizanten verzorgd: IJ Sam. Gestel, III 35; Ezech., XXIV 17, 22; Misn., Mó'. Qät., 0. Qät., Qä 27b;y Mass. Èbel Rabb., t III 7; Talm. Babl., : Beräk., … 17b; ibid ibid, Mö“. 3847 Flav. Jos, Contr. Apion., IÌ 205. Zie noot 4038, 4097. 3848 Talm. Jer, ; Mö'. Qät.,tp. p. 82b, 82b, 46-49;£ Midr. 5 Genes. „ R Rabb, C 7; Midr. i Levit. í Rabb., Ad. et Ev, XLIII 1. Zeven dagen: IV Ezr., VII 101; Talm. Bab), Sabb., 1 52a: Pirq. see Babl., Sabb., 152b. Zie noot 3714,‚4119, Na het vertrek der ziel i veranderen XVIII 1. Zes d vd Rabb. Eliez., 34. Een ara, i de gelaatstrekken van het lijk, zie noot zich 3849 _Apoc. Sophon., V 4 (Riessler). 3850 Zie noot 4064. 3851 Joz, VII 6; Richt, XX 26:k II Sam, Ì 12, III 35; Nehem., IX 1; Flav. Jos., Antiq., V 37, VIT 4, 42. Zie acsele 3852 Zie noot 3386. 2853 Joz, VII 6; Richt, XX 26: Nehem., 1 4, IX 1. av. S, » Be L ud,El . ‚ nug., dq. ’ . . $856 Phil. Jud., In Flacc., 56. Zie noot 3409. 3857 Tekst, H . p N aikibetv: Flav. Jos, Antig., VIT 252, VIII 325, Vgl. Menandr., . . Q . Sentent., 102 (Riessler) EE Waag peteSiracid., XXXVII 17; Jerem., XXXII 34 (LXX); Flav. Jos. Bell. Jud. 11 6: Idem 3859 ap p je deeg u ‚XIli 3 399; Talm. alm. Babl., Sanhedr., 68a (tot bloedens). idea D DeaDe Syriërs: Lucian, De 3860 Flav. Jos, Antiq., XVI 329, XVII 187; Midr. K Ü herpen dte ; . Klaagl. Rabb, proöem., 24. Syriërs: KTU, 1 5 (VI 19(1 3), bend Diod. Sic. Bibl. Hist, XXXII 6, 4; Vergil, Aen., IV 673. Assyriërs; Achigar, IV u. a en ee an sen Leg. ad Gai, 227; Flav. Jos, Antiq., IV 320, VII 252: Ev. Luc., XXIII 48; Talm. Babl. Mò' er (hart); Mass. Ebel Rabb, IX 2 (hart). Syriërs: KTU 1 5 (VI 20-21: /b, het hart), 1 6 (1 4-5, idem). Phoeniciër s: ergi on IV 673; Dioscorid. Nicop., Anth. Palat, V 53, 2, 193, 2; vgl. Theocrit., Idyll., XV 135. Zie noot 3480 Â Jerem., XXXI 18 (19); Ezech., XXI 17 (12). Zie noot 3734. 563 Ezr., IX 3;s Phil. Jud, De De Joseph, 416% 16; Idem, ‚ Le Leg. ad Gai, i 223;; Flav. Jos, Antig., VII 252, XI 141, i XV 86; Midr. Klaag. Rabb., proöem., 24. Zie noot 3580. ge 3864 Ezr, IX 3; Phil. Jud, Leg. ad Gai, 223; Flav. Jos, Antig., XI 141; Midr. Klaag]. Rabb., proöem., 24. Zie noot 3580 (uitplukken), 3744 (baard).

Page 41

View in PDF(opens in a new window)
er”*er, Men scheurde zijn kleed?*%®, onder ontbloting van het hart**°®, van de schoud de grond Tot simulatie van de graflegging bedekte men zich het hoofd met stof „n N ge hoofd**"° en ij lichaam, dit de platte hand of met de beide handen**®®. Men omhulde het ? of een rouwlaatste met een door een koord bijeengehouden zak®®”', een zwart kleed?8" kleed3573. Men schoor zich de hoofd-**"* en baardharen?®’S af,‚ alsook de haren tussen de ogen35'S; dwz. het aan wederszijden van de neuswortel gelegen centrale gedeelte der beide wenkbrauwen?5?”. Een enkeling ging zover zich in een graf neder te zetten *8"?. 3865 Genes. XXXVII 29, 34, XLIV 13; Levit., X 6, XIII 45, XXI 10; Numer., XIV 6; Joz, VIT 6; Richt, XI 35; 1 Sam, IV 12; IT Sam, 1 2, 11, HI 31, XII 19, 31, XV 32; II Kon, II 12, V 7,8, VI 30, XI 14, XVIII 37; Jezaj.,XXXVI 22; Jerem.. XLI 5; Job, 1 20, II 12; Ezr., IX 3; IT Chron., XXIII 13; 1 Esdr., VIII 68 (LXX); Jud, XIV 16, 19; T Machab., II 14; Test. XII Patr., VI 4, 5; Apoc. Eliae, XXIX 6-7; Paral. Jerem., IX 10; II Bar, IX 2; Test. Job., XIX 2; Phil. Jud. De Joseph. 16, 217; Idem, De Vit. Mos. 1 138; Idem, De Spec. Legib., 1 115; Flav. Jos, Antiq., I1 134, vl 357, vil 14, 40, 171, 177, 204, IX 67, 151, XI 141; Ev, Matth, XXVI 65; Ev. Marc, XIV 63; Miën., Sabb., XIII 3; ibid, Mó”. Qät., UI 7; ibid. Jabm. XV 1: ibid. Sanhedr. VII 5: ibid, Hor. III 4, 5; Talm. Babl., Sabb., 105b; ibid, Mó’. Qät, 14b, [5a, 20b, 21a (niet zittend), 22b, 24a, 25a, 26, a-b; ibid, Jabm., 116b; ibid, Ketüb., 104a; ibid, Bab. Qamm., 91b; ibid, Bäb. Mes., 59b; ibid, Sanhedr. 60a; ibid, Hor. 12b; Midr. Genes. Rabb, C 7; Midr. Klaagì. Rabb, proöem., 24; ibid. 1 1, 1; Midr. Pesiqt. Rabb., XXVI 5; Mass. Ebel Rabb., I 5, II 1, IV 20, VIII 8, 9, 13, IX 1, 3-8, 14-20, X 11, XII 1, 3, 9; Mass. Kall., 21. Babyloniërs: Epist. Jerem., 30. Zie noot 3491. 3860 Talm. Jer, Mö'. Qät.. p. 83d, 38-39; Talm. Babl., Mo“. Qät, 22b; Mass. Ebel Rabb., IX 2. Zie noot 3735. 3867 Miën., MO“. Qät., II 7; Talm. Babl., Sabb., 105b; ibid, Mo“. Qät., 22b, 25a; ibid, Bab. Qamm., 17a; Mass. Êbel Rabb. 1 5, I1 1, IX 2, 3. 3868 Joz, VII 6; 1 Sam, IV 12; II Sam, 1 2, XV 32; Ezech., XXVII 30; Amos, II 7; Job, II 12: Klaagl., II 10; Paral. Jerem., IV 7, VII 22, IX 10; Test. Job., XXIX 4; Openb., XVIII 19; Mass. Kall. Rabb, III 4. Syriërs: KTU,1 5 (VI 14-16). Zie noot 3514. 3869 1] Sam, XIII 19; Jerem., II 37; Vit. Ad. et Ev, XLVI 1; Midr. Klaagl. Rabb., proöem., 24. Zie noot 3534. 2870 II Sam, XV 30, XIX 5 (4); Jerem., XIV 3, 4; Ezech., XXXI 15 (?); Esth., VI 12, VII 8; Flav. Jos., Antiq., VII 254; Miën., Söt., IX 15; ibid., Midd., V 4; Talm. Babl., Ta'an., 14b; ibid, Mó'. Qat., 15a, 17a, 24a; ibid, Bäb. Mes., S9b; Midr. Klaagl. Rabb, III 28, 9; Mass. Êbel Rabb, VI 1, X 9, 11. Phoeniciërs: Sil. Ital, Punic., XI 257-258. Zie noot 3534, 3871 Genes., XXXVII 34; II Sam, III 31; IT Kon., VI 30; Jezaj.. III 24, XV 3, XXII 12, XXX 11), L 3; Jerem., IV 8, VI 26, XLVIII 37, XLIX 3; Ezech., VII 18, XXVII 31; Joël, 1 8 (13); Amos, VIII 10; Ps, XXX 12; Job, XVI 15; Klaag), II 10; Jud, VIII 5, X 3; 1 Machab., II 14; Ps. Salom., II 20; Flav. Jos, Antiq., II 38, V 37, VII 40; Pap. Elephantine, XXX 15, 20, XXXI 14, 19; Mass. Ebel. Rabb., VIII 8, 9. Assyriërs; Achigar, 103 (Cowley). Zie noot 3339, (zak), 3527 (betekenis). 2872 Jezaj., L 3; Jerem., VIII 21, XIV 2; Ezech., XXXI 15; Ps, XXXV 14, XLII 10, XLIII 2; Job, V 11, XXX 28; Jos. et Asen, X 9-11; Flav, Jos., Bell, Jud, IV 260; Miön., Midd, V 4; Talm. Babl., Jom., 39b; ibid, Mö'. Qät., 17a; ibid, Bäb. Mes., 59b; Midr. Klaagl. Rabb., III 28, 9; Mass. Ebel Rabb, VII 13. Arabieren: Flav. Jos, Antiq., XVI 287. Zwarte sluier, Joden: Miän., Midd., V 4; Talm. Babl., Jom, 39b; ibid, Mó'. Qät., 17a; ibid, Bäb. Mes., 59b. Phoeniciërs: Sil. Ital., Punic., XI 257-258. Zie noot 3523. 3873 II Sam., XIV 2; Esth., IV 17k (LXX); 1 Bar., V 1; Flav. Jos. Anug., II 136, IV 257, XI 223, 232; Me'arr. Gazz., XL 6 (Riessler). Assyriërs: Achiqar, IV 6. Zie noot 3522. 87% Levit., XXI 5; Jezaj., III 24, XV 2, XXII 12; Jerem., VIJ 29, XVI 6, XLVII 5, XLVIII 37; Ezech., VII 18, XXVII 31; Amos, VIII 10; Mich, I 16; Job, 1 20; Flav. Jos, Antig., IV 257; Talm. Babl., Mö'. Qät., 27b. Syriërs: KTU, 15 (VI 18), 16 (1 2-3). Phoeniciërs: Lucian, De Dea Syr., 6. Babyloniërs: Epist. Jerem.. 30. Het hoofd rond afscheren, verboden: Levit, XIX 27, XXI 5; Misn., Makk., III 5. Zie noot 3742. Niet te verwarren met het kaalscheren ter beëindiging van de rouw, Lucian, De Dea Syr., 6, 53. Waartoe noot 3138, 3139, 3148. 3875 Jezaj., XV 2; Jerem., XLI 5, XLVIII 37. Babyloniërs: Epist. Jerem., 30. De hoeken des baards verderven, verboden: Levit., XIX 27, XXI 5; Miën., Makk., III 5. Zie noot 3744 3816 Verboden praktijk: Deut, XIV 1; vgl. Misn., Makk., III 5. Zie noot 3743. 277 Men dacht zich aldaar de ziel des mensen gezeteld, zie noot 1650, onder 2°: De Geboorte van Horus, deel V, noot 7789; alhier, noot 3743. 3878 Paral. Jerem., IV 12. Zie noot 3729.

Page 42

View in PDF(opens in a new window)
Minder verstaanbare gebruiken waren het in de handen klappen?*’® en met de voeten stampen *®®°, Het lijk, dat tot op dat ogenblik op de naakte grond lag*®®*, werd opgebaard en uit het sterfhuis afgevoerd, de periode van de rouw ving aan*®®?, waarin men zich met de overledene vereenzelvigde: — De dood zet de levensfuncties van het lichaam stil: Men nam geen drank tot zich3883, noch water 2884, noch wijn?885, Men at ook niet*®89, geen brood*®57, geen vlees*®8* en geen begeerlijke spijs*85®. De geslachtsgemeenschap werd gestaakt**®®. Men vastte38®!. — De dood heft de individualiteit des lichaams op: Men liet haren *®°? en nagels*®°* uitgroeien. — De dood ontneemt het lichaam de essentie, de ziel, en doet de accidenten te niet. Men legde zijn fraaie klederen *8°* en sieraden 35° terzijde. De man zette de hoed af**°$, de vrouw liet de haren ongekamd hangen?°? en blankette zich niet**°®. — Ontdaan van zijn accidenten, keert het 3819 Ezech., VI 11; Miën., Mö“. Qät., III 8-9. Vgl. Ezech., XXI 19 (14), 22 (17). Armeniërs: Faust. Byzant., Bibl. Hist, V 31. 3880 Ezech., VI 11; Talm. Babl., Mó“. Qät., 27b. 3881 Misn., Sabb., XXIII 5; Mass. Ebel Rabb., 1 3. Zie noot 4030, 4088. 3882 Talm. Babl., Ketüb., 4b. 3883 JV Ezr., X 4; Flav. Jos., Antiq., VI 377; Talm. Babl., Ta'an., 30a. Zie noot 3486. 3884 Ezr, X 6. Kritiek: Talm. Babl., Bäb. Bätr., 60b. Zie noot 3315. 3885 Dan, X 3; Test. XII Patr., XI 3,5; Pap. Elephantine, XXX 21, XXXI 20; Phil. Jud, Leg. ad Gai, 275; Talm, Babl., Beräk., 18a; ibid, Sabb., 139a; ibid, Ta'an., 30a; ibid, Mö“. Qät., 23b; ibid, Nedär., 12a; ibid, Bäb. Bätr., 60b; Mass. Ebel Rabb., X 3. Zie noot 3548. 3886 1] Sam, 111 35; Dan, VI 19; Test. XII Patr., VI 4, 2, 3, XI 3, 5; IV Ezr., X 4; Flav. Jos., Antiq., V 37, VI 377, VII 42, VIII 356, XI 147; Talm. Babl., Ta'an., 30a; Mass. Êbel Rabb, X 3 (onvoldoende spijs). Zie noot 3481. 3887 IJ Sam, III 35; IT Kon., XXI 4, 5; Ezech., XXIV 17 (zie noot 3846); Ezr., X 6; Test. XII Patr., VI 4, 7, Treurbrood: Hoz., IX 4, Vgl. Talm. Babl., Bäb. Bätr., 60b. Zie noot 3484. 3888 Dan., X 3; Talm. Babl., Beräk., 17b; ibid, Ta'an., 30a; ibid., Mö'. Qäat., 23b; ibid., Nedär., 12a; ibid, Bäb. Bätr., 60b; Mass. Ebel Rabb., X 3. Zie noot 3482. 3889 Dan. X 3. Geen nposóynpa: Phil. Jud., Leg. ad Gai, 275. Geen hôéa: Flav. Jos., Antiq., XI 232. Zie noot 3754. 3890 Pap. Elephantine, XXX 20; Talm. Babl., Ta'an., 30a; ibid, Mó“. Qät., 1Sb, 2la, 24a, vgl. 23, a-b; ibid, Ketüb., 4a; Midr. Genes. Rabb, C 7; Mass. Ebel Rabb., VI 1. Zie noot 3487. 3891 Richt, XX 26; 1 Sam., XXXI 13; II Sam,1 12; Joël, 1 14, II 12; Zachar., VII 5; Esth., IV 3; Nehem., 1 4: 1 Chron., X 12; Jud, VIII 6; 1 Bar, 1 5; Vit. Ad. et Ev, 1 1-11 2; IJ Bar., IX 2; IV Ezr., X 4; Pap. Elephantine, XXX 15, 20, XXXI 14 (Cowley); Flav. Jos, Antiq., V 166; Talm. Babl., Rós haë-Sän., 18b; ibid, Ta'an., 13a; ibid., Ketüb., 104a: Me'arr. Gazz., XL 6 (Riessler). Zie noot 3495. 3892 1] Sam, XIX 25 (24); Flav. Jos., Antiq., VIT 267; Miën., K&L.. 1 9 (onrein); Talm Babl., Ta'an., 13, a-b; ibid., Mo’. Qät., 14b, 15a, 17b, 22b, 24a; ibid, Sanhedr., 25a; Midr. Genes. Rabb., XCII 7 (niet kammen), XCVII 15; Mass. Ebel Rabb, V 9, VII 4, 8, 11, IX 11. Zie noot 3547. 3893 1] Regn., XIX 25 (LXX; zie noot 3904); Talm. Babl., Mö'. Qät., 17b, 18a; ibid, Sanhedr., 25a. Zie noot 3761. 3894 Statiekleed: Ezech., XXVI 16; Jud, X 3, XVI 8; Test. Job., XXXIX 7. Gestreken kleed: Mass. Êbel Rabb., VII 8, 10, IX 10. Vgl. Talm. Babl., Mó“. Qät., 27b. Zie noot 3521. 3895 Exod., XXXIII 4, 6; Jud, X 4; Ps. Salom., 11 21; Talm. Babl., Jom. 78b; ibid, Ketüb., 4a. Zie noot 3493. 3896 Levit, XIII 45 (onrein); Jezaj., LXI 3; Ezech., XXIV 17, 23; Midr. Genes. Rabb, C 7. Zie noot 3318, 4158. De hogepriester, hetzelfde, ze noot 3947, 3897 Jud, X 3, XVI 8; Talm. Babl., Jabm., 116b. Syriërs: vgl. Theocrit., Idyll., XV 134. Zie noot 3490. 3898 1] Sam, XIV 2; Jud., X 3, XVI 7; Talm. Babl., Ta'an., 13b; ibid., Mó’. Qät., 20b; ibid, Ketüb., 4b; Mass. Ebel Rabb, XI 8. Vgl. Lys, Or, 1 14, en zie noot 3489.

Page 43

View in PDF(opens in a new window)
in het stof 39° of zette elde zich \ ï p zich ter aarde 2299, went rug: Men wier 1 ï e grond, maar toch zo blot de op p niet 2; slie *°° men erd eke rs mn omg ein a Ea zich n daar 5 ne n contact. Men liik daarboven. Men ging barrevoets*°°®, met de aarde in ae i . — De dood eee Wifnna zso4 noch zijn klederen*®°*, noch ook zalfde men zich ontrukt de mens aan zijn omgeving: Het werk5°°” en de handel ?905 werden emoe re Men „ Men groette zijn naaste niet °°° en bleef tehuis®®!°; een enkeling nam zijn intrek in een tent ***>. meed alle feestelijkheid?°!? en sloot verloving noch huwelijk "+. Deze geschiedde met In het sterfhuis verontreinigd, streefde de rouwende naar reiniging®® vuur en water. De rouwende reinigde zichzelf de ziel. Hij legde as, dwz. gematerializeerd ane ae zijn hoofd*°!5, hij zat op de grond in as®®!®, hij wentelde zich daarin®®!”; ja zelfs, hij at as tre, Zijn materiële reiniging geschiedde echter niet door hemzelf, maar door een derde, priester of leek, die zijnerzijds in staat van reinheid moest verkeren*®'®. Deze besprengde hem met het 2899 II Sam, XIII 31, Job, 1 20; Ps. Salom., 1 21; Flav. Jos, Antiq., VIT 177, XI 141, 142; Menandr., Sentent., 102 (Riessler). Syriërs: KTU, I 5 (VI 15), Phoeniciërs: Diod. Sic., Bibl. Hist, XX 33, 2. Zie noot 3529. 3900 Mich., 1 10. Zie noot 3321, 3322, 3917. 2901 Jezaj., XLVII 1; Ezech., XXVI 16; Job, II 13, XVI 15 (hoorn in het stof doen); Klaagl., II 10; Ezr., IX 3, 4; Nehem., 14; Paral. Jerem., IV 7; Flav. Jos, Antiq., II 38 (in zak); Miën., Sanhedr., II 1, 3: Talm. Babl., Mö'. Qät.. 27a; ibid, Bäb. Mes. 59b; Midr. Klaagl. Rabb, 1 1, 1, III 28, 9; Mass. Êbel Rabb. VI 5, X 12. Assyriërs: Achigar, V 7. Syriërs: KTU, 1 5 (VI 12-14). Zie noot 3530. 3902 Miòn., Ta'an., IV 7; Talm. Babl., Mö'. Qät., IS, a-b, 20b, 21a, 26b, 27a; ibid, Ketüb., 4b; ibid, Sanhedr., 20a; Midr. Genes. Rabb., C 7; Midr. Klaagl. Rabb., 11, 1; Mass. bel Rabb, VI 1, VII 2, XI 10-19, XII 4. Reden: Talm. Jer, Beräk., p. 6a, 1-9. Zie noot 3551. 3903 II] Sam, XV 30; Ezech., XXIV 17, 23; Jud, X 4, XVI 9; Talm. Babl., Ta'an., 30a; ibid, Mö'. Qät., 1Sb, 20b, 2la, 24a; ibid, Bäb. Mes, 59b; Midr. Genes. Rabb., C 7; Midr. Klaagl. Rabb, 1 !, 1, III 28, 9; Mass. Ebel Rabb. V 10 VI 1, X 5. Zie noot 3501. EE S <04 IT Sam. ‚ 7XIX 25 (24, . voeten; maar zie . noot 3893);. Jud, … X 3;. Phil. . Jud. De Vit. . M os. HI 225; Fla . ‚ Antig., VIII 356; Min, Beräk., 11 6; Talm. Babl., Ta'an., 13. a- b; ibid, Mó'. Qät., XCII 7, C 7; Mass. Êbel Rabb, VI 1. Zie noot 3488. S t SN Saar NIC IS (24); Flav. 15b, 21a, 24a; Midr. Genes sns sd RE . Qät, Qà 15a. Mass. Ebel Rabb, VIT 4 (val. Jos, Antiq., VII 267: Talm. Babl., „MO Mö'. 3906 Jezaj., LXI 3; Dan, X 3; Pap. E lSb, 2la; Mass. Ebel Rabb. VI 1. Zie noot lephantine, XXX 20, XXXI 20; Talm . Babl., Ta'an., 30a; ibid, Mö'. Qät., 3907 Miën. M sn., , Mö“. M Qät.,t, II 1:I ; Talm 5 Babl., „0. Mó”. Qät.,at, IIb, Lb, 15b, [Sb, 21. 21, a a-b, b, 27b 27b; Mass. Êbel Rabb, V 1, 26, XI 9. Indiërs: Pâäraskaragrhjasütra , III 10, 25. Zie noot 3409. en 3908 Mass. Ebel Rabb, IX 12. Vgl. ibid, VI 12. Zie noot 3415, 3417, 4148, 4151. 3909 Talm. Babl., Mó“. Qât., 15a, 21b; Mass. Êbel Rabb., 1 7, VI 2. Zie noot 3417. 2910 Talm. Babl., Mö”. Qât., 21b, 23a; Mass. Êbel Rabb, VI $911 Jud, VIII 5, X 2; Vit. Ad. et Ev, 11. Zie noot 3549. 3912 Talm. Babl., Mó. Qät., 22b; 4. Zie noot 3312, 3323, 4152 Mass. Ebel Rabb, IX 13. Zie noot 3707. zen '21 Talm. Babl., Mò'. Qät., 23a; Mass. Ebel Rabb.… Vil 14 15. Vgl. Talm. Babi. VIE 14, 3914 Syriërs: Lucian, De Dea Syr, 53. Zie noot 3773. Jos., Antiq., VII 1, 171, 204; Midr . Klaag! Rabb proöem. Nonn., Dionys., XL 105. Zie noot Indiërs: 3340 (as), 3517, 3773, 3593 (vuur). 2916 Vgl. Klaagl., III 16. Zie noot 5 en 3530. 2917 Jerem., VI 26, XXV 34; Ezech ., XXVII 30. Zie noot 3532, 3775, 3900. 2918 Ps, CIT 3915 II Sam, XIII 19; Jezaj., LXI 3; Flav. 10. Vel. Klaagl., à III 16 (LXX). | Perzen : vgl. : val. Säjast-në-Zäjast, u 105. 2919 Numer., XIX 9, 18, 19.

Page 44

View in PDF(opens in a new window)
buiten de tempel als „water der afzondering’”’*°*® — bronwater, waarin de as gestort van een dag®°**. Hij waste substituut geslachte en verbrande rode vaars —, op de derde en de zevende weder rein5®?*, De vervolgens zijn klederen??? en was dan op de zevende na zonsondergang . Hij moest een volstaan verontreinigde priester kon met deze eenvoudige handelwijze niet g naliet en het zondoffer opdragen en kon na een week zijn functie hervatten 3924, Wie de reinigin heiligdom in staat van onreinheid betrad, was des doods schuldig®®?5. De rouw kon na herwinning van de reinheid beëindigd worden *®*°, maar placht door de nabestaanden tot het einde van de maand te worden voortgezet®°?”. Voor de verwanten in de eerste graad, de ouders en de kinderen, rouwde men tot het einde van het jaar *°?8. Individuele, afwijkende rouwperioden worden sporadisch vermeld®?, Lichte rouw werd aangenomen gedurende een dag*, vooral dan, wanneer het doodsbericht verlaat, een maand na het overlijden, werd ontvangen?°3'. Het aannemen van levenslange rouw®®*? werd niet gebillijkt. Het werd echter geëist, of althans verwacht, van de weduwe®?33, en deze legde haars levens de klederen van haar weduwschap niet af 3934, De rouw ging begeleid van het gebed, de bede tot God de overledene in genade te willen aanvaarden. De dag van het overlijden was de dag van de zwaarste rouw*°35. De nabestaande wijdde zich op hem geheel aan zijn smart. Hij nam niet deel aan de gebeden tijdens de ®®3® en legde zich gedurende de eerste drie dagen de gebedscapsules niet aan?°37. De graflegging studie der heilige geschriften was hem verboden; zijn lectuur bestond uit die der klagelijke boeken, Job, Klaagliederen en, ten dele, Jeremia®°8. Op de derde dag was het met de treurnis noo ee Numer., XIX 6, 9, 17-18, XXXI 23; Phil. Jud., De Spec. Legib., 1 262-272; Flav. Jos., Antiq., IV 78-81. Zie é i ee tnt. Phil. 1 Jud, De Spec. Legib., 1 261, III 205; 3921 Flav. Jos., Antiq., IV 81, Zie noot 3131. 3923 Numer., XIX 19. Zie noot 3375. 3924 Ezech., XLIV 26-27. Zie noot 3375. 3925 Numer., XIX 13, 20. Syriërs: Lucian, De Dea Syr, 52-53. Zie noot 3830. Ee Genes, L 10; I Sam, XXXI 13; Job, I1 13; 1 Chron., X 12; enz. Zie noot 3832. Numer., XX 29; Deut., XXI 13, XXXIV 8; Phil. Jud. De Vit. Mos., [1 291; Idem, De Virtut., [11: Flav. Jos Bell. Jud, III 437; Idem, Antiq., IV 78, 85, 259, 330; Miën., Mó“, Qât., II 5; Talm Babi. ‘Êrüb 46a: ibid ‘Ms: Qät. passim; ibid, Jabm., 43b; ibid, Ketüb., 4a; ibid, Bäb. Qamm.., 16b: ibid., Zebäh., ’ El i » . 33 e een rouw bi 100b; Midr. Gas Rabb. E bd de dood van de slaaf: Ta e En Talm. Babl., Mo“. Qät., 21b, 22; Mass. Ébel Rabb, IX 13, XIV 12. Zie noot 3459. en wind dagen: Nehem., Ì 4; Siracid., XXXVIII 17. Vele dagen: II Sam, XIV 2; 1 Machab., IX 20, XIII 26 nn 23 (Riessler); vgl. Genes, L 3, en Handel, 1 3. Vgl. ook: Phil. Jud, De Le 1 Kon., XXI 4 Test. XII Patr., VI 4, 7; Flav. Jos, Antiq., VIII 356. Zie noot 3368. Talm. Babl., ‘Érûb., 46a; ibid, Mö'. Qät., 20, a-b; Midr. Genes. Rabb. CJ 3932 IV Ezr., X 4. Syriërs: Me'arr. Gazz., XL 6 (Riessler). Zie noot 3463. he 3933 Jud, VIII 6, X 3, XVI 22; Ev. Luc., II 36-37; Paul, Epist. ad Tim., V 5. Zie noot 3713. 3034 Genes, XXXVII 14, 19; Jud., VIII 5, X 3, XVI 7. 3935 Talm. Babl., Mö'. Qät., 21a. 3936 Miön., Beräk., III 1; Mass. Ebel Rabb., X 1-7. 2927 Min, Beräk., 5 111 1: Talm. Babl., it Mó“. ‚Qät., Qät., 15a, lSa, 2la, 2la, 23b; 23b; ibid, ie Ketüb.. …6b; 6b: Mid r. Genes. Rabb. C 7; , Mas. Ëbel Rabb., VI 3, VIII 13. Gebedscapsules: zie noot 1650, onder 9°. 3938 Talm. Babl., Ta'an., 30a; ibid., Mö'. Qät., 1Sa, 21a, 23a; Mass. Êbel Rabb. VI 1, VEN 13, X-13.

Page 45

View in PDF(opens in a new window)
gedaan, want op deze dag voer de ziel ten hemel*°*°. De zevende dag bevrijdde de rouwende, na reiniging, van alle verplichting. De heilige tijd en de heilige plaats mochten door de dood niet ontheiligd worden. Onthoudingen uit hoofde van rouw werden op de Sabbat®®*° en op de feestdag*°®*! onderbroken; behalve door de zwaarst getroffenen, die op deze dagen hun leed geheel alleen droegen***?. entarizeerd °°“, De De feestdagen des jaars, waarop geen rouw werd aangenomen, stonden geïnv goge gedurende enige rouwende, mits gereinigd, betrachtte bij zijn Hii id. mn ernghondendhe HNEmiet bezoek aan tempel of syna rg door de linker- en niet, als voorgeschreven, eapense zijn vaste plaats en deed er het zwijgen toe 3°45. Zomin als tijd en plaats mocht de heilige persoon door de dood worden ontheiligd. De hogepriester verliet de tempel nimmer*°*$ en nam voor niemand de rouw aan?°*”. Hij mocht echter de lijkbaar van zijn nabestaande buiten gezichtsafstand®®*® begeleiden tot de stadspoort*°*°. Tijdens de rouwvisite hield hij een vertegenwoordiger der priesterschap aan zijn rechterzijde, de rouwende of condolerende aan zijn linkerzijde*®*®. Aan de lagere priester was rouwbetoon voor de nabestaande toegestaan *®* ; uiteraard buiten de muren van het heiligdom. De koning verliet tijdens de rouwperiode zijn paleis niet3®52. De rouw is zaak der levenden en niet der doden. In het rouwmisbaar betrachten®S®. De negatieve werking aan de rouw inhaerent is de antieke van nimmer aflatende zorg geweest. En dat was niet zonder reden. is maat te wetgever tot voorwerp 2939 Hoz, VI 2. Vel. Ev. Matth, XVI 21, XVII 23, XX 19; Ev. Marc, VIII 31, IX 31, X 34; Ev. Luc.. IX 22, XVIII 33, XXIV 7, Zie noot 3374 (derde dag); noot 3715 (hemelvaart). 3940 Jud, VIII 6, X 2-3; Vit. Ad. et Ev, LI 2; Miën., Ta'an., IV 7; Talm. Babl., Beräk., 18a; ibid, Ta'an., 29; Midr. Genes. Rabb., C 7; Mass. Êbel Rabb, X 3, 11, 12, 13. Anders: Talm. Babl., Mö’. Qät, 23b; ibid, Ketüb.. 4a. Zie noot 3399, 3941 Jud., VIII 6, X 2; Miën., Móö'. Qät., III 5-9; Talm. Babl., Mó’. Qät., 14b, 17b, 19b; Mass. Ebel Rabb., VII 1-7. 3942 Misn., Mö'. Qät., III 7. 3943 Miön., Ta'an., II 8; Megillat Ta'anit. 3944 Miën., Midd., II 2; Mass. Êbel Rabb., VI 11. Zie noot 3950. 3045 Talm. Babl., Mö'. Qät., 22b, 23a; Mass. Êbel Rabb., X 11. Zie noot 3689 (zwijgen), 4145 (zetel verwisselen). Voortzetting van de oudere gewoonte zich op de grond te zetten, zie noot 3530. 20e Levit, X 7, XXI 12; Phil, Jud., De Spec. Legib., 1 11S; Miën., Sanhedr., II 1. Vel. Mass. Ebel Rabb. IV 9) 3947 Levit, X 6, XXI 10, 11; Phil, Jud., De Fug., 109, 113, 114; Idem, De Spec. Legib., 1 113; Flav. Jos. pane III 277; Min, Hör., III 4. Zie noot 3830. Scheurt kleed niet in: Levit„ X 6, XXI 10; Phil. Jud., De Fug.. 111-112: Idem, De Spec. Legib., 1 115; Miën., Hör., III 4; vgl. Mass. Ebel Rabb., IV 20-22. Scheur kleed aan onderzijde in:Miën., Hör. III 5; Talm. Babl., Hör., 12b. Ontbloot het hoofd niet: Levit., X 6. XXI 10; Phil. Jud., De Spec. Legib., I 115; Miën., Hör., III 4; Talm. Babl., Hör., 12b; Mass. Ebel Rabb., IV 20. Babylonische priester, hetzelfde: Epist. Jerem., 30. Zie noot 3896. 3948 Miòn., Sanhedr., II |; Talm. Jer., Hör., p. 48a, 8-9. Zie noot 3701. 3949 Miën., Sanhedr., II 1; Talm. Jer, Hör., p. 48a, 8-9. Vgl. Dio Cass, Hist. Rom, LVI 31, 3. 3950 Miön., Sanhedr., I1 1; Talm. Babl., Sanhedr., 19a. Zie noot 3944. 3951 Levit, XXI 1-3; Ezech., XLIV 25; Phil. Jud., De Spec. Legib., 1 112-113; Flav. Jos., Antiq., III 277. Niet voor een overste onder zijn volken: Levit., XXI 4. 3952 Miën., Sanhedr., II 3. De rouwstoet week voor hem uit: Talm. Babl., Ketüb., 17a. Zie noot 4044, 4172-4175. 3953 Siracid., XXXVII 16-23; Vit. Ad. et Ev, LI 2; Past. Herm., Mand., X 3, 2-4; Tös., Söt., XV 12; Talm. Babl., Móö'. Qät., 27b. Vgl. Ps.-Phocylid., Sentent., 98; Menandr., Sentent., 101-103 (Riessler); noot 4082-4084, 4182-4194.

Page 46

View in PDF(opens in a new window)
$50 De rouwgebruiken van Egyptenaren en Joden stammen uit een periode, waarin de rouw een veel grimmiger karakter bezat dan later het geval was. Dat was de periode der prachistorie, voorafgaande aan de ontdekking en de verbreiding van het schrift, waarmede voor ons de geschiedenis aanvangt. Reconstructie van de prachistorische rouw is mogelijk vanuit de gegevens ontleend aan 1° de antieke en middeleeuwse letterkunde, 2° opgraving en archaeologie, 3° de volkenkunde. Uit de gegevens onder 2° blijkt, dat de praehistorische rouwgebruiken aan de gehele bewoonde wereld eigen en met afwijkingen in de details overal dezelfde waren. Uit de gegevens onder 3° blijkt, dat zij tot in het jongste verleden gehandhaafd zijn, ja zelfs tot in het heden voorkomen bij volken, die tot de cultuurvolken worden gerekend, maar verouderde praktijken hebben bestendigd; alsook bij volken, die nog geheel in de prachistorische staat verkeren. Naar de gegevens dezer beide groepen zij alhier globaal verwezen. Zij zijn te talrijk om in dit hoofdstruk, gezien het beperkte doel daarvan, te worden besproken. De documentatie van het hier volgende is daarom geheel aan de gegevens onder 1° ontleend, en daarvan aan de antieke geschriften. Inzake de middeleeuwse bronnen kan men zich in de noot oriënteren ***4. De praehistorische bijzetting was collectief. De overledene nam zijn huisgezin, zijn vrouwen, zijn personeel en zijn dieren, met zich mede in de dood; niet echter zijn kinderen, die een jongere generatie vormden en hem onder de levenden moesten vervangen. Het getal der betroffenen was in principe onbegrensd, maar werd door de nabestaanden toch zo klein mogelijk gehouden. Slechts die personen werden aan de overledene medegegeven, die voor hem onmisbaar geacht werden. Geschiedde de bijzetting bij begrafenis, hun lichamen werden in het graf rondom het zijne geplaatst. Geschiedde zij bij verbranding, hun lichamen werden met het zijne door de vlammen verteerd. Het graf des konings was microcosmos, nabootsing der wereld op verkleinde schaal 3955. Het graf van de particulier, mits ruim bemeten, had de grootte van een „versteende buitenplaats”*®*®, In deze grafpaleizen werd tezamen met het lijk van de overledene het volgende ondergebracht: 1° Zijn vrouw of zijn vrouwen ®°5”. Niet de vrouwen met kleine kinderen, maar de kinderloze*®*® en de oudere. Wanneer in Egypte de stier Apis zijn gezette tijd had volbracht, 3954 Indiërs: Al-Mas'üdî, Murüg ad-Dahab, XVIII p. Il 86-87 (Barbier de Meynard - Pavet de Courteille; sub voce balängar): Marco Polo, Il Milione, CLXXV 77-85 (p. 180), 117-120 (p. 181, Benedetto). — Mongolen: Wassäf, Ta'rih p. 52, 15-16 (ed. Teheran, 1338 A.H., 1959, A.D.); Mirbäwand, Rawdat as-Safa”, p. V 82, 7-8 (ed. Bombay, 1266 A.H. 1849-1850 A.D.); Johannes de Plano Carpini, Hist. Mongal., III 3 (p. 628-629), 4 (p. 630. d'Avezac); Ricoldus ln, X I-11. — Turken: Al-Magdisï, Al-Bad' wat-Ta'rih, XII (p. IV 22, 5-6, Huart). — Germanen: Saxo Gini Gest Dei, RH 28, VII 12, 2, IX 4, 29; Landnämabök, 72; Hrölfs Saga Kraka, 34; Vatnsdoela Saga, 23. Dezelfden pn dood sk Brunehilde: Edda, Sigurdarqvida in scamma, 70; Gudrünarqvida in fyrsta, epiloog; Volsunga Saga 33; Nornagests Tättr, 9. Vel. Paul. Diacon., Hist. Langob., V 40. — Balten: C- Clemen, Fontes Historiae Religionum Pannen Pracindogermanicarum, Indogermanicarum minus notarum, Bonn, 1936, p. 93, 31-32, 95, 19-23, 97, 25-27. — daten: Ibn Fadlân, apud Jäqüt, Mu'gam al-Buldän, p. [1 836,22-840, 2, 840,2-4 (Wüstenfeld); Ibn Rusta Al-A'läg an-Nafis 143,13-144,4, 146,22-147,3 (De Goeje): Anon., Hudüd al-‘Älam, 43 (Minorsky); Al-Mas'üdt, Murüj ad-Dahab xv (p. II 9, Barbier de Meynard = Pavet de Courteille), XXXIV (p. III 63, Idem). — Afrikanen: Wallis Budge, Osiris ad th Egyptian Resurrection, deel I, blz. 225-230; G. Parrinder, West African Religion, New York, 1961. biz 126 127; B 3 Trigger, Journal of Near Eastern Studies, deel XXVIII, Chicago, 1969, blz. 255-261. A En sn Ssu-ma Chien, Shih-chi, p. 265, ed. Chung-hua shu-chü, Peking, 1972. Alhier geciteerd naar E. Chavannes Les Mémoires Historiques de Se-ma Ts'ien, Parijs, 1895-1905, deel II, blz. 193-195 (blz. 194, regel 10-14) : 2956 Anaxag., fr. 59 A, 1 (Diels; ad 10); Ibn Rusta, Al-A'läq an-Nafisa, p. 146, 23 (de Goeje) 3957 Vier vrouwen, Indiërs: Mahäbhärata, XVI 8, 24-25. de 2958 Diod. Sic., Bibl. Hist, XIX 33,3, 34,2,3: Ssu-ma Ch'ien, Shih-chi, blz. 195, 2-6. Vgl. Hom., Odyss., XI 30

Page 47

View in PDF(opens in a new window)
werd hij gedood en bijgezet, en met hem een zijner koeien*®*®. 2° De slaven en slavinnen, het huispersoneel*°69, De mannen bestaande uit de lijfwacht®®®!, de schenker*®®?, de kok, de stalmeester, de lijfknecht, de bode*°$3, eventueel de eunuchen*°®$* en zelfs cliënten3°S5. De slavinnen als concubines®®%$. 3° De dieren: de paarden*°®*”, waaronder het rijpaard van de overledene *°®®, runderen, schapen en hoenders®®®® als slachtvee, honden en roofvogels3°?°, wel voor de jacht, en speeldieren, als papegaaien en zangvogels®®”!. 4° Voedsel en drank, afgezien van het slachtvee39?2, 5° Klederen3°"3. 6° Wapens, gebruiksvoorwerpen en kostbaarheden *°”+. zijner liefde de en **"* overledene de van liefde de liefde, de in geworteld De zede heet te zijn nabestaanden. De weduwen streden om de eer, wie harer haar heer bij het leven het dierbaarst XXII 14, 1. 2959 Plin., Nat. Hist. VIII 186; Solin., Coll. Rer. Memor., XXXII 20; Ammian. Marcell, Res Gest., in Comment. Serv, 12; Spectac., De 3960 Aristo Pell, fr. 2 (Jacoby; ad 7); Jul. Caes., Bell. Gall, VI 19; Tertull., Vergil., Aen, V 95. Zie noot 3966. Strab., Geogr., III 3961 Herod., Hist, TV 72; Diod. Sic., Bibl. Hist, III 7, 2-3; Nicol. Damasc., fr. 80, 119 (Jacoby); Comment. in 4, 18; Athen., Dipn., 249a; Plut., Sertor., 14 (karáozeious); Procop., De Bell, 1 3, 7 (levend); Eustath., her). (Maurenbrec 125 fr. 1, Histor. Sallust. Hom., IL, p. 1278, 31-35 (ed. Rom.); Jul. Caes., Bell. Gall, III 22, VII 40; Ammian. 14; Germ., Tacit., 24; 15, IV Maced., Alex. Hist. Ruf., Curt. 11; 6, II Valer. Maxim., Fact. et Dict. Memor., Marcell., Res Gest., XVI 12, 60. 3962 Geofferd: Lucian, De Luct., 14. Gedood en begraven: Herod., Hist, IV 71; Dio Chrysost., Or, XIII |. 3963 Herod., Hist. IV 71. De kok ook: Dio Chrysost., Or, XIII 1. De lijfknecht ook: Serv, Comment. in Vergil., Aen., IV 228. 3964 Vgl. Ctes. Cnid., fr. 1 (Jacoby; ad 27). — Voor de castratie, zie Oudh. Med. deel LII, Leiden, 1971, ble. 24, noot 3-5, blz. 25, noot 1-11. Castratie der krijgsgevangenen: Diod. Sic. Bibl. Hist, 1 48, 2; val. B. H. Stricker, De Brief van Aristeas, Amsterdam, 1956, blz. 39, noot 246, 247. Castratie der gevallenen, na de veldslag: Talm. Jer, Ta'an., p. 69a, 4-6; Midr, Numer. Rabb, XIII 3; Midr. Pesiqt. Rabb, VII 3. Bedoeling der castratie in dit laatste geval was het afgesneden orgaan tehuis als trofee en bewijsstuk te kunnen tonen. Koning Saul beloofde David de hand zijner dochter op voorwaarde, dat deze hem honderd voorhuiden van door hem gevelde Filistijnen bracht. David deed dit: [ Sam., XVIII 25, 27, II Sam., III 14. De Filistijnen waren onbesneden, maar besnijdenis van overledenen is ondoenlijk. Ook ditmaal moet castratie bedoeld zijn. In de letterkunde aller volken staat de jonge vrouw geschetst, die haar minnaar de eis stelt zijn vijanden te verslaan alvorens naar haar hand te dingen. Echter, niet aan ieder huwelijk ging de gewapende strijd vooraf. Bij ontbreken van de trofee bediende men zich dan van haar imitatie, de mnj.t, &_ De mnj.t was, indien deze conclusies correct zijn, het sieraad van de in optimale vorm gehuwde vrouw. Behandeling van de zaadzak, onder verwijdering van het tussenschot en de zaadballen: Erotian., Voc. Hippoer. Collect, sub voce TImpiva (letter x. no. 58); Fest, De Verb. Sìgnif., sub voce Suffiscus (p. 403, Lindsay); Isid. Hispal., Etym., XI 1, 104. 3965 Jul. Caes., Bell. Gall., VI 19. 3966 Herod., Hist, , IV 71;3 Ctes. Cnid., …Êr, fr. 1 (Jacoby; ad 27);5 Aristo Pell., „fr. fr. 22 Jacoby;: ad 7); Dio i Ue XIII |; Lucian, De Luct., 14. Zie noot 3960. í s smden 3967 Hom, ‚1, IL, XXIII 171-172;H Herod.. n Hist. 5 IV 71-72; -12; Lucian,is De L uct 14; Vergil., 1 Aen., XI 80: ï „Mi Epist., IV 2; Serv, Comment. in Vergil., Aen, V 95, VI 228. 5 5 en 3968 Vergil., Aen, XI 89-90; Talm. Babl., ‘Ab. Zär., 1la (verminkt); Tös., Sabb., VII 19. 3969 Hom, Il, XXIII 166; Plut., Sol., 21. *970 Hom, IL, XXIII 173-174; Plin. Min, Epist., IV 2; Serv, Comment. in Vergil., VI 228. 3971 Plin. Min, Epist., IV 2. 3972 Hom, IL, XXIII 170-171; Herod., Hist, IV 71. *973 Plut., Sol, 21; Lucian., De Luct., 14; Vergil., Aen, XI 72. 3974 Wapens: Vergil., Aen., XI 91. Gebruiksvoorwerpen: Talm. Babl., Sanhedr., 48a; ibid, ‘Ab. Zär., 1la. Kostbaarheden: Herod., Hist, IV 71. Vgl. Ctes. Cnid., fr. 1 (Jacoby; ad 27). Trofeeën: Vergil., Aen, XI 78-80. 2975 Aristo Pell, fr. 2 (Jacoby; ad 7); Porphyr., De Abstin., IV 21; Jul. Caes., Bell. Gall, VI 19; Plin. Min, Epist. IV 2; Serv, Comment. in Vergil., Aen., V 95, VI 228.

Page 48

View in PDF(opens in a new window)
was geweest en hem in de dood volgen mocht*°”®. Zij, die deze eer deelachtig werd, betoonde zich daarover verblijd; de anderen bleven beschaamd achter en namen de rouw aan?®?. De mannen van de lijfwacht behoefden niet te kiezen, zij gingen allen met hun heer mede. Zij hadden zijn leven geleefd, zij stierven zijn dood*®’*. Vrouwen en mannen, hun aller daad was ten zij wierpen zich uit eigener beweging vrijwillig. Zij werden levend in het graf achtergela*°"®, op de brandstapel3°®°, zij pleegden op andere wijzen zelfmoord?°*!. In deze hunne laatste levensuren legden zij hun statieklederen aan®°*2. De moderne lezer lijkt het offer, dat ín deze gevallen uit hoofde der liefde werd gebracht, buitensporig. In de context der prachistorische zeden was het dat niet. De positie der kinderloze weduwen en afgedankte slaven was erbarmelijk. De samenleving was niet bij machte allen te voeden. Waren de omstandigheden nijpend, de overheid bepaalde, dat de ouden van dagen en de zieken gedood moesten worden*** Het was bij vele volken regel°®®*, dat zij, die de zeventigjarige of zelfs de zestigjarige leeftijd hadden bereikt5°*, werden geofferd *®?®, de ouders door hun eigen kinderen3°®?, en zich met gelatenheid in hun lot schikten?°8®. Velen hunner trokken de beslissing aan zich en verlieten hun huis om zich daarbuiten in de dood te storten 3989. De zelfmoord was nog niet tot zonde geworden. Hij werd, in deze situatie althans, aanvaard als daad van zedelijke grootheid 39°. 3976 Herod., Hist, V 5; Diod. Sic., Bibl. Hist, XIX 33, 4; Nicol. Damasc., fr. 124 (Jacoby); Plut., An Vitios. ad Infel. Suff., 3; Cicer., Tusc. Disp, V 78; Vater. Maxim., Fact. et Dict. Memor., II 6, 14; Mela, Chorogr., II 19; Solin., Coll. Rer. Memor., LII 32 (vgl. X 3); Serv., Comment. in Vergil., Aen, V 95; Mahäbhärata, 1 68,45, 90,75, 116,23-31. 2977 Symbolisch offer. Vgl. Diod. Sic, Bibl. Hist, XIX 34, 3: wenen, afleggen van de krans, uittrekken der haren. 2978 Nicol. Damasc., fr. 80 (Jacoby); Procop., De Bell, 1 3, 7. 2979 Athen., Dipn., 249a; Porphyr., De Abstin., IV 21; Procop., De Bell., 1 3, 7. 3980 Behalve noot 3976: Aristob. Cassandr., fr. 42 (Jacoby); Phil. Jud., De Abrah., 182; Aelian., Var. Hist., VII 18; Solin., Coll. Rer. Memor., X 3. 3981 Door ophanging: Procop., De Bell., VI 14, 6. *982 Diod. Sic., Bibl. Hist, XIX 34, 3-4; Eurip., Supplic., 1054-1059. Zie noot 3798. 2983 Djod. Sic., Bibl. Hist, II 57, 5; Strab., Geogr., X 5, 6; Aelian., Var. Hist, IV 1; Procop., De Bell, VI 14, 2; Reykdoela Saga, 7. Vgl. A. Otto, Die Sprichwörter und Sprichwörtlichen Redensart en der Römer, Leipzig, 1890, blz. 320321. 2984 P, Sartori, Globus, deel LXVIII, Brunswijk, 1895, blz. 107-111, 125-130. 3985 Onbepaald: Tim. Taurom., fr. 64 (Jacoby); Onesicr.. fr. 5 (ldem). Zeventigja rigen: Strab., Geogr., XI 11, 3, 8; Aelian., Var. Hist, IV 1. Zestigjarigen: Hellan., fr. 187b (Jacoby); Agatharch id., De Mar. Erythr., V 63 (naar Diodorus Siculus); Strab., Geogr., X 5, 6; Lucian. De Mort. Peregr., 10; Sext. Empir., Pyrrh. Hyp., III 210, 228; Steph. Byzant., Ethnic, sub voce "louXi; Otto, op. laud., blz. 320-321. 3986 Aristot., Topic., 115b; Aelian., Var. Hist, IV 1: Porphyr., De Abstin., IV 21; Mela, Chorogr., III 64. — Bekranst: Mela, Chorogr., III 37; Aelian., Var. Hist, III 37. — Gezalfd: Solin., Coll. Rer. Memor., XVI 5. — Na maaltijd: Plin., Nat. Hist, IV 89; Solin., Coll. Rer. Memor., XVI 5. 3987 Aristot., Topic., 115b; Tim. Taurom., fr. 64 (Jacoby); Strab., Geogr., XI 11, 3; Lucian, De Mort. Peregr., 10; Aelian., Var. Hist, IV 1; Sext. Empir., Pyrrh. Hyp., III 210; Mela, Chorogr., III 64; Valer. Flacc., Argon, VI 122-128, 282-286, 288-291; Fest, De Verb. Signif., sub voce Sexagenarios (p. 450-452, Lindsay); Prudent., Contr. Symm., MT 294-295; Claudian., In Rufin., 1 328. — Door derden: Herod., Hist. 1 216, III 99; Hellan., fr. 187b (Jacoby); Onesicr., fr. 5 Jacoby); Agatharchid., De Mar. Erythr., V 63; Procop., De Bell, VI 14, 3-4, — Zelfdoding: Jambul., apud Diod. Sic, Bibl. Hist., II 57, S. 3988 Tim. Taurom., fr. 64 (Jacoby); Procop., De Bell., VI 14, 2; Valer. Maxim, Fact. et Dict. Memor., 11 6, 8; Mela, Chorogr., III 37; Valer. Flacc., Argon, VI 122-128. 3989 Theophr., Hist. Plant., IX 16, 9; Aristot., fr. 611, 29 (Rose); Diod. Sic. Bibl. Hist, II 57, 5 (gedwonge n); Porphyr., De Abstin., IV 21; Stob., Eclog., III 7, 57; Mela, Chorogr., III 37; Plin., Nat. Hist. IV 89; Sil. Ital, Punic., 1 225-228, III 328-330; Solin., Coll. Rer. Memor., XVI 4-5. 3990 Porphyr., De Abstin., IV 21; Valer. Maxim., Fact. et Dict. Memor., Il 6, 8.

Page 49

View in PDF(opens in a new window)
De liefde was veelal schijn. De mannen van de lijfwacht volgden hun heer in de dood op het slagveld krachtens hun functie, maar zij waren verplicht hem ook dan te volgen, wanneer zijn dood veroorzaakt was door ziekte of ongeval*°®'. De heer wantrouwde hen en poogde zich op deze wijze tegen hen te beveiligen; zij waren in werkelijkheid zijn gijzelaars*®®?. Datzelfde was het geval met de vrouwen. De vrouw stond dikwijls onder verdenking een minnaar te hebben en met deze de dood van haar wettige echtgenoot te beramen °°. In het westen was de substitutie in de zede binnengedrongen. De nabestaanden van de overledene deden zich substitueren door krijgsgevangenen, die boven het geopende graf of op de brandstapel geslacht werden?°°*. Het motief der zede was alhier verschoven. Het bloed werd vergoten, opdat de overledene in het graf zich eraan verzadigde*°®, De liefde, die bij de nabestaanden ontbrak, ontbrak dikwijls ook bij hemzelf. De Joodse koning Herodes, zijn dood voorvoelend, deed de gezamenlijke notabelen zijns rijks in de hippodroom opsluiten en beval zijn zuster Salome hen na zijn overlijden allen om te brengen3°®®; hetgeen zij niet deed. Amestris, gemalin van de Perzische koning Xerxes, deed, vermoedelijk in dezelfde veronderstelling, twaalf mensen levend begraven als offer aan Hades®°°7, De wijsgeer Seneca poogde in koelen bloede zijn echtgenote Paulina zelfmoord te doen plegen ten einde hem in het graf te vergezellen. Zij ontkwam ternauwernood aan zijn greep 3995. Wie zijn eigen leven aan de overledene schonk, deed dat uit vrije verkiezing. Hij werd niet gedood, maar kon het, mits daaraan de voorkeur gevend, voorafgaande aan de bijzetting worden. Die plechtigheid wordt betiteld als offer *°°®. Het substituut nam daarbij de dood van de gesubstitueerde, de overledene, over, daarmede voor deze laatste de genade Gods verwervend. Wie de overledene naar het leven had gestaan, zoals de krijgsgevangene werd verondersteld gedaan te hebben, werd voorafgaand aan de bijzetting gedood ter bestraffing. Hij schonk de overledene de verwachting der goddelijke genade niet, de overledene ontnam hem deze*°°®. Het lot van de mannen van de lijfwacht was bij hun indiensttreding vastgesteld. Zij hadden het aanvaard bij gelofte*®°!, in dit geval zonder twijfel in aanwezigheid van getuigen publiekelijk uitgesproken en bindend*°°?2, 3991 Zie noot 2519. 3992 Zie noot 2514. 3993 Onesicr., fr. 21 (Jacoby); Diod. Sic, Bibl. Hist., XVII 91, 3, XIX 33, 2-3; Jul. Caes, De Bell Gall, VI 19. 3994 Hom, Il, XXIII 175-182 (vgl. XVIII 336-337, XXI 26-32); Plut., Philopoem., 21; Vergil., Aen. XI 81-82; Tertull., De Spectac., 12 (ook afgedankte slaven); Serv, Comment. in Vergil., Aen, II 67, X 519, XI 606. — Polyxena: lii Pers., p. 50 (Kinkel); Ibyc., fr. 26 (Page); Eurip., Hecub., 40-41, 107-109, 220-221, 521-582; Idem, Troad., 39-40, 264, 622-623; Dio Chrysost., Or, VI 18, XI 153; Apollod., Bibl, Epit., V 23; Clem. Alex, Strom II 23, 144, 2; Trypluod., IL Excid., 686-687; Quint. Smyrn., Posthom., XIV 313-319; Tzetz., Schol, in Lycophr., Alex, 323. Zie noot 4013. 3995 Eurip., Hecub., 391-393; Tertull., De Spectac., 12; Serv, Comment. in Vergil., Aen, HIE 67. Vgl. Plato, Minos, 315d; Schol. in Pind., Olymp, 1 90 (146a). 3996 Flav. Jos, Antiqg., XVII 173-179. 3997 Plut, De Superst., 13. 3998 Dio Cass, Hist. Rom., LXII 25, 1-2. 3999 Herod., Hist, V 5; Lucian., De Luct., 14; Varr., apud Serv., Comment. in Vergil., Aen, III 67; Tertull., De Spectac., 12; vgl. Plut., De Superst., 13. Het slachtoffer bekranst: Diod. Sic, Bibl. Hist, XIX 34, 3. Dremalige ommegang: ibid, XIX 34, 6; zie noot 1764. 4000 Legis Actio Sacramento, bìz. 50, noot 444-446. 4001 Zie noot 2514-2518 (voeg toe; Athen., Dipn., 249a). De weduwe, hetzelfde: Mela, Chorogr., IÌ 19. 4002 Zie noot 2251, 2318-2319, 2326-2330.

Page 50

View in PDF(opens in a new window)
De zede bestond bij het uitoefenen van macht; de macht van de vorst over zijn hovelingen, van de rijke over zijn dienaren en slaven, de macht van de man over zijn vrouwen. De heer eerde zijn mannen met een naar de maat des tijds bescheiden tegenprestatie. Overleed een hunner voor hem, vermeld wordt een enkele maal, dat hij zich het oor of een deel van het oor afsneed*°°3, Dat in het polygame huwelijk de man bereid was een zijner vrouwen, zelfs de meest geliefde, in de dood te volgen, mag betwijfeld worden. De heer zelf ging niet alleen de dood in*°°4, Het was de ijdelheid der groten, dat velen zich voor hen opofferden*°®5. Het was ook ijdelheid, die de ondergeschikten bewoog zulks onder een schijn van vrijwilligheid te doen. De strijd der weduwen om de eer de meest geliefde te zijn en het offer haars levens te brengen werd in alle openlijkheid gevoerd voor rechters, die vonnisten door een harer de overwinning toe te kennen*°°® of haar, zo zij besluiteloos waren, het lot deden werpen*??”. Mannen en vrouwen zagen de dood onder ogen zonder terug te deinzen*®®®. Maar dit uiterlijke vertoon bedekte de angst voor een zede, die kracht had van wet en in strafzaken ook als zodanig werd betiteld*°°® Wie zich niet conformeerde bleef in leven, maar verviel in eerloosheid*®'°® en zag zich zijn meest elementaire rechten ontzegd*!!, In de landen der oud-oosterse en antieke cultuur is de zede in de historische periode geleidelijk teruggedrongen. Aan de overledene worden niet langer mensen, maar, althans volgens een der berichten, beelden van mensen medegegeven*°!?, De krijgsgevangenen, die op het graf gedood werden, zijn bij de Romeinen vervangen door gladiatoren, die elkander wonden slaan en aldus hun bloed in de open groeve doen vloeien*°!3. De vrouwen doen datzelfde door zich daarboven het gelaat tot bloedens te krabben*°!*, Een enkele weduwe werpt zich nog op de brandstapel van haar overleden echtgenoot*®!5, en zelfs doet een echtgenoot dat ter ere van zijn overleden vrouw*®!6. Bij de bijzetting van de leden der keizerlijke familie verwekt het geen opzien, wanneer slaven voor de brandstapel de hand aan zichzelf slaan*°!”. Maar de auteurs, die dergelijke gevallen mededelen, stellen toch steeds de vraag, of hier in liefde dan wel in vrees is gehandeld*°18. Ontbrak de persoonlijke band, de onderdanen getuigden van hun liefde voor de overleden vorst door hem de in de rouwstoet gedragen en in zijn dienst verworven onderscheidingen en eregewaden mede te geven*°!®. Ook de dieren deden alzo. De hond volgt zijn meester 4003 Nicol. Damasc., fr. 119 (Jacoby). De symboliek onduidelijk. Zie noot 4076. +00 Zo Serv, Comment. in Vergil., Aen, VI 228: Nobiles numquam soli conburebantur. Vgl. Clemen, op laud., p. 97, 25-27. +005 Vgl. Dionys. Halic., Antiq. Rom, VIII 59, 4; noot 3996, 3997. 005 Herod., Hist, V S; Díod. Sic., Bibl. Hist, XIX 34, 2-3; Mela, Chorogr., I1 19; Solin., Coll. Rer. Memor., LII 32, 4007 Aelian., Var. Hist., VII 18. 4008 Aristob. Cassandr., fr. 42 (Jacoby); Nicol. Damasc., fr. 80 (Jacoby); Jul. Caes., De Bell. Gall, III 22, VII 40. 4009 Diod. Sic. Bibl. Hist, XIX 33, 3; Steph. Byzant., Ethnic, sub voce Tetía. 010 Aristobul. Cassandr., fr. 42 (Jacoby); Procop., De Bell., VI 14, 7. “011 Diod. Sic., Bibl. Hist, XIX 33, 3-4. 4012 Ammian. Marcell, Res Gest, XIX 1, 10 Vgl. Vergil., Aen., XI 83-84. +013 Tertull., De Spectac., 12; Serv, Comment. in Vergil., Aen, I11 67, X 519, XII 606. Zie noot 3730, 3994. +014 Leg. XII Tab., X 4; Varr., apud Serv., Comment. in Vergil., Aen, II1 67; Serv., ibid. XII 606. +015 Evadne: Eurip., Supplic., 980-1071; Apollod., Bibl., III 7, 1; Vergil., Aen. V1 447; enz. Vgl. Petron., Sat, 111. 4016 Valer. Maxim., Fact. et Dict. Memor., IV 6, 3. 4017 Plut., Otho, 17; Tacit., Ann, XIV 9; Idem, Hist, I1 49. Patronus: Plin., Nat. Hist, VII 122. 4018 Tacit., Ann., XIV 9; Idem, Hist., II 49. 4019 Sueton., Vit. Caes., 1 84, 4 (zie noot 689); Dio Cass, Hist. Rom, LVI 42, 2.

Page 51

View in PDF(opens in a new window)
somtijds vrijwillig in de dood*°?°. Andere dieren werden door de nabestaanden aan de dode medegegeven*°?!. midden-oosterse 851 Wij zijn zo fortuinlijk ditmaal naast de Egyptische ook over andere hervorming van de gegevens te beschikken dan alleen over de Joodse. De Perzen beleden voor Zarathoesjtra een als zonnecultus*°?? betitelde godsdienst, die, beoordeeld naar hetgeen wij over hem vernemen, met de Egyptische in grote trekken identiek was. Ook zij betoonden diepgaande betrokkenheid bij de rouw*°23. Men krijgt de indruk, dat in de bestaande rouwgebruiken door Zarathoesjtra weinig of niets veranderd werd. Deze gebruiken zijn dientengevolge bij de Mazdajasniërs, de volgelingen van Zarathoesjtra, tot in het heden in zwang gebleven. Het leek zinvol hen in de bespreking alhier op te nemen. De kleine Mazdajasnische letterkunde werd daartoe door mij naar vermogen uitgekamd. De stervende legt belijdenis van zonden af*°**. Is hij er niet meer toe in staat, de huisgenoten doen het voor hem*°25. Op het ogenblik van het overlijden wordt het sterfhuis met al hen, die zich erin bevinden, onrein*°25; alleen reeds de aanblik van de dode verontreinigt*°*”. Het haardvuur wordt verwijderd*°25, het lijk uitgedragen en in een vrijstaand lijkenhuisje ondergebracht*°2°, om daarin op de grond te worden nedergelegd*°*°. Kort daarna, op de dag 4020 Plut., De Sollert. Anim., 14; Aelian., De Nat. Anim., VII 40. Vogels: Ovid., Amor, IÌ 6, 3-6. Zie noot 3451. +021 Stat. Theb., VI 220-221. +022 Al-Birüni, Al-Ätär al-Bäqija, p. 318, 4-6 (Sachau). 423 Men raadplege voor het hier volgende: J. Darmesteter, Le Zend-Avesta, deel I-III, Parijs, 1892-1893, J.J. Modi, The Religious Ceremonies and Customs of the Parsees, Bombay, 1937. De Riväjats zijn uitgegeven door M.R. Unvälä, Dârâb Hormazyâr's Rivâyat, deel I-Il, Bombay, 1922, en vertaald door B.N. Dhäbhar, The Persian Rivayats of Hormazyar Framarz and Others, Bombay, 1932. De uitgave der afzonderlijke Riväjats is gewenst, en datzelfde geldt van de gehele door E. W. West in de Grundriss der Iranischen Philologie, Straatsburg, 1895-1904, deel II, op blz. 122-129 geïnventarizeerde Nieuw-Perzische litteratuur der Parsis. Zolang als dit werk niet is verricht, ontbreekt aan de studie van de Oud- en Middel-Perzische godsdienst de basis. 4024 Dâtastän-i-Denik, XLI 5; Säjast-në-säjast, IV 14; Säpür Bharüä, Riväjat, p. 36, 17-19 (Unvälä; bla. 32, Dhäbhar); Bahman Püngia, Riväjat, p. 1 166, 10-11 (Unvälä; blz. 176, Dhäbhar); Kä'üs Kämâän, p. 1 37, 12 (Unvälá; biz. 33, Dhäbhar); Käma Bohra, Riväjat, p. 1 37, 7 (Unvälä; blz. 33, Dhäbhar): Darmesteter. op. laud.. deel II. blz. 147: Modi, op. laud., blz. 50-51. Zie noot 3507. 4025 Kä'üs Kämdén, Riväjat, p. 1 37, 10-13 (Unvälä; blz. 33, Dhäbhar); Säpür Bharüä, Rivaäjat, p. 1 36, 17-19 (Unvälä; blz. 32, Dhäbhar); Kä'ús Mähjär, Maktüb, p. 1 139, 15 (Unvälä; blz. 155, Dhäbhar); Käma Bohra, Riväjat, p. 1 37, 6-8 (Unvälä; blz. 33, Dhäbhar). Hetzelfde, de echtgenoot van de kraamvrouw: Kä'üs Kämän, Riväjat, p. 1 229, 7-8 (Unvälä; blz. 229, Dhäbhar), Käma Bohra, Riväjat, p. 1 229, 17-18, 230, 5 (Unvälâ; blz. 230, Dhäbhar); Darmesteter, op. laud., deel II, blz. 147; Modi, op. laud., blz. 50-51. #028 Direct contact: Dênkart, VI 52, VIII 44, 22. Indirect contact: Avesta, Vidêvdät, V 27-34; Dénkart, VIII 44, 22. Zie noot 3703. — De onreinheid des doods gepersonifieerd in de vlieg: Avesta, Videvdät, VII 2, VIII 69-70, IX 26; Comment. in idem, VII 2, VIII 16, 17, 18, 22 (ad finem), 70, 71, IX 24. Vgl. Pausan., Graec. Descr., X 28, 7; Apul. Metam., Il 22. pe Süratja Adhärvän, Maktüb, p. 1 145, 12-13 (Unvälä; blz. j 165, Dhäbhar). Zie noot 3701. ER Sn Videvdat, V 39-40; Säjast-në-sajast, 11 38-40, 50. Vgl. Curt. Ruf., Hist. Alex. Maced, X 5, 16 (lamp). 1029 Avesta, Vidövdät, V 10-12, vgl. VIII 4-10; Zand-i-Vahuman Jasna, IV 30; Narimän Riväjat, p. 1 139 10-14 (Unvälä; blz. 155, Dhâbhar); Kä'üs Mähjär, Maktüb, p. 1 139,15-140,2 (Unvälä; Hösang, blz. 15-156, Dhäbhar): Darmesteter, op. laud., deel II, blz. 69-70, noot 21: Madi, op. laud., biz. 55-56. Zie noot +030 Avesta, Vidëvdät, VIII 8-9; Dätastän-i- Denik, LXIV 7; Kä'üs Kämdén, Rivâja3703 t, p. 1 138, 14-15, 139, 6-8

Page 52

View in PDF(opens in a new window)
zelf*031 of op de dag daarop volgend, wordt het naar de dahma vervoerd, de omheinde ruimte, waarin het aan de gieren ter verscheuring wordt voorgelegd*°5?; oudtijds werd deze taak aan de honden toevertrouwd*°33. De nabestaanden, in het wit gekleed*°**, volgen de baar tot aan de poort. Allen, de lijkdragers en de in de stoet medelopenden, treden gepaard op door elkander de hand te geven of zich op andere wijze twee aan twee met elkander te verbinden*°35. Over de oorsprong deze zede is niets overgeleverd. Zij is vermoedelijk op de wederopstanding te betrekken*°3°©. Bij terugkeer reinigen zich allen door wassing*°*”. Ook het sterfhuis is inmiddels gereinigd*°3®. Het haardvuur wordt herplaatst, des winters na verloop van negen dagen, des zomers na verloop van een maand*°39. In de kamer, waarin de overledene de laatste adem heeft uitgeblazen, wordt een brandende lamp gezet*°*® benevens een vaas met bloemen*°*t. Men betreedt haar*°*2, en plaatselijk zelfs het sterfhuis*°*, gedurende negen of dertig dagen niet. In de periode der inheemse koningen had de rouwende geen toegang tot het paleis*°**, De ziel van de overledene blijft gedurende drie dagen op aarde vertoeven*°*5, gezeten ter (Unvälä; blz. 154, 155, Dhäbhar); Kä'üs Kämän, Riväjat, p. 1 138, 10-12 (Unvalä; blz. 154, Dhabhar); Kämdên Säpür, Riväjat, p. 1 138, 17 (Unväla; biz. 154, Dhäbhar); Säpür Bharüä, Riväjat, p. 1 139, 4 (Unvälä; blz. 155, Dhäbhar); Faridün-Marzubän, Maktüb, p. [ 138,18-139,2 (Unvälä; blz. 154-155, Dhäbhar); Käma Bohra, Riväjat, p. 1 138, 2-8 (Unvälä: blz. 154, Dhäbhar); Modi, op, laud., blz. 54-56. — Rondom het lijk werden tot begrenzing der onreinheid drie cirkels in de grond getrokken: Saogand Näma, p. 1 45, 15 (Unvälä; blz. 40, Dhäbhar). Vgl. Avesta, Jaöt, IV 4, 6; Nrirangistän, 101; Modi, op. laud., blz. 55; en noot 2430, 2431, 2440, 2442, hierboven. Op de grond gelegd: zie noot 3881. 4031 Darmesteter, op. laud., deel II, blz. 149; Modi, op. laud., blz. 59-60. Zie noot 3833. 4032 Darmesteter, op. laud., deel II, blz. 155-158; Modi, op. laud., blz. 231-238. Het lijk mocht niet worden begraven; Avesta, Jasna, LXV 8; Dénkart, VIII 44, 11, IX 32, 14; Talm. Babl., Sanhedr., 46b; Camephis, blz. 55, noot 468. Het reeds begraven lijk werd opgegraven: Dénkart, VIII 44, 37; Sad Dar, XXXIII 1-3; Agath. Myrin., Hist., II 31, 5-9; Camephis, blz. 55, noot 469. Begraven werd slechts te Arachosia: Avesta, Vidëvdât, I 12. 4033 Camephis, blz. 50-52, noot 412-429, +034 Darmesteter, op. laud. deel II, blz. 150-151; Modi, op. laud., blz. 65. Zie noot 3804. +035 Avesta, Videvdat, III 14, VIII 10; Darmesteter, op. laud., deel II, blz. 148-151; Modi, op. laud., blz. 53-54, 61-66. Vgl. Dénkart, IX 32, 15-16. 4036 Vgl. De Geboorte van Horus, blz. 87-88, blz. 90, met afb. 16: hierboven, noot 3700. <03) Avesta, Vidëvdat, VIII 36; Süratja Adhärvän, Maktüb, p. 1 145, 11-13 (Unväla; blz. 165, Dhâäbhar); Darmesteter, op. laud., deel II, blz. 151; Modi, op. laud., blz. 65, 71. Zie noot 4098. “035 Avesta, Vidëvdat, VIII 1-2, XI 1-4, XII 2; Modi, op. laud., blz. 64, 158. Zie noot 3847. 4039 Avesta, Vidëvdät, V 42-44; Säjast-nê-säjast, II 41, 44, 50; Riväjat bij Dätastän-i-Dênik, 2; Kä'üs Kämän, Riväjat, p. 1 138, 10-12 (Unväla; blz. 154, Dhäbhar); Kämdên Säpür, Riväjat, p. 138, 17 (Unvala; blz. 154, Dhäbhar); Faridün-Marzubän, Maktüb, p. 1 138,18-139,2 (Unvälä; blz. 154-155, Dhäbhar); Käma Bohra, Riväjat, p. 1 138, 2-8 (Unvalä; blz. 154, Dhäbhar), Vgl. Philostr., Her., LIII 5; noot 3386 (maand), 3690 (vuur), 4138 (negen dagen). “040 Sad Darband Hus, XL 10; Kämdên Säpür, Riväjat, p. 1 141, 12 (Unvälä; blz. 159, Dhäbhar); Käma Bohra, Riväjat, p. 1 136, 11-13 (Unvala; blz. 152-153, Dhâabhar); Darmesteter, op. laud., deel II, blz. 151; Modi, op. laud., blz. 72. 4041 Darmesteter, op. laud., deel II, blz. 151; Modi, op. laud., blz. 72, 447. 4042 Modi, op. laud., blz. 71-72. +043 Avesta, Vidëvdât, 1 8, met commentaar; Bundahiën, XXXI 16 (Anklesaria); Darmesteter, op. laud., deel II, blz. 186. Zie noot 4138. 4044 Esth., IV 2, VI 10; Flav. Jos., Antiq., XI 221, 256. Zie noot 3952, 4172-4175. +045 Hätöht Nask, II 3-17, 111 3-16; Vistäsp Jast, 54, 65; Bundahiën, XXX 4-7 (Anklesaria); Viërtakihä-1-Zätspram, XXX 32; Dâätastän-i-Denik, XX 2, XXIV 2-4, XXV 2-4; Dätastän-1-Ménök-i-Hrat, II 114, 158-160; Artä Viräc Nämak, IV 5-6 (Gignoux); Sad Dar, LXXXVII 1; Sad Darband Hus, XL 4-6, XCIX 1; Säpür Bharücï, Riväjat, p. 1 147, 15-17 (Unvälä; blz. 166, Dhäbhar); zie noot 3714. Op de derde dag ontbindt zich het lichaam: Bundahiën, XXX 6 (Anklesaria); zie noot 3848, 4119.

Page 53

View in PDF(opens in a new window)
plaatse van diens hoofd*°*®. Een vuur wordt in de sterfkamer aangelegd en tot het einde dezer dagen onderhouden*°*”. De priester verleent zijn medewerking door het reciteren der heilige geschriften en het opdragen van het spijsofler*®**. De huisgenoten vasten*®*®. Zij eten geen vlees*°50 en drinken geen wijn“°S!. Daar het voedsel in het sterfhuis aanwezig verontreinigd is*052, vergenoegen zij zich met de spijzen hun door de naburen aangeboden*°5®: vis*°°4, eieren*055, zuivel*°55 en verse of geconfijte vruchten*°*”. Aan de vooravond van de vierde dag komen vrienden en kennissen bijeen en herhalen de zondebelijdenis van de overledene*°**. Daarna worden schenkingen gedaan*°5®, onder dewelke steeds die van het statiekleed van de overledene aan de priesterschap*°°°. In de morgenstond van de vierde dag verlaat de ziel de aarde*061 en betreedt de hemelbrug*°?, om op het midden daarvan, in het zenith, door de drie 4046 Hätöht Nask, I1 4, 9, 14, III 3, 6, 11; Vistasp Jast, 54, 65; Bundahisn, XXX 4, 5, 7 (Anklesaria); Dätastân-i- Ménóök-1-Hrat, II 114, 158. De ziel verlaat het lichaam door de schedelnaden, zie noot 1728. 4047 Bundahiën, XXX 4-5 (Anklesaria); Denkart, IX 31, 24; Dätastän-1-Denik, XXVIII 5, (LXXXI 12); Sad Dar, 58, Dhäbhar); Kä'üs LXXXVII 1: Sad Darband Hus, (XLIII I); KT'üs Kämden, Riväjat, p. 171, 15-16 (Unvälä; biz. (Unvâlä; blz. 177, 4-9 167, 1 p. Rivâjat, Püägia, Bahman Dhâbhar): 156, blz. Mähjär, Maktüb, p. 1 140, 1-2 (Unvälä; 59. biz. laud., op. Modi, 149; blz. II, deel laud., op. Darmesteter, Dhäbhar); 149. «048 Sad Dar, LXXXVII 1; Sad Darband Hus, XL 7, vgl. XLIII 1, 7, 10; Darmesteter, op. laud., deel IJ, biz. 152-153; Modi, op. laud., blz. 59. 4049 Comment. in Avesta, Vidëvdät, VIII 22; Darmesteter, op. laud., deel II, blz. 1S1. Zie noot 3495. 4050 Avesta, Vidëvdät, VIII 22, met commentaar; Vaeta Nask, 72; Dâätastän-#-Dénik, (LXXXI 17); Sajast-nëSäjast, XVII 2; Sad Dar, LXXVIII 1-2; Bahman Púngia, Rivajat, p. 1 168, | (Unvalá; blz 177, Dhäbhar); Käma Bohra, Riväjat, p. 1 146, 1-2, 153, 1 (Unväla; blz. 165, 168, Dhäbhar). Zie noot 3482. 4051 Avesta, Vidëvdät, VIII 22, met commentaar; Vaeta Nask, 71-12; Dâtastäni-Denik, (LXXXI 17). Zie noot 3548. 4052 Sújast-në-Säjast, II 41; Riväjat bij Dätastän-i-Denik, II. 4053 Kämdén Säpür, Riväjat, p. 1 137, 3-4 (Unvälä; blz. 153, Dhäbhar); Modi, op. laud., blz. 72. Indiërs: Páraskaragrhjasütra, III 10, 26; Väsisthadharmasästra, IV 15; Visnusmrii, XIX 14, +054 Käma Bohra, Ríväjat, p. 1 146, 2 (Unvala; blz. 165, Dhäbhar). Zie noot 3483. 4055 Säjast-nê-Säjast, XVII 2; Bahman Püngia, Riväjat, p. 1 168, 1 (Unvälä; blz. 177, Dhäbhar); Käma Bohra, Riväjat, p, 1 146, 2 (Unvalä; blz. 165, Dhâbhar). Zie noot 3843. 4056 Dâtastän-í-Denik, XXVIII 5; Säjast-nê-säjast, XVII 2; Bahman Púngia, Riväjat, p. 1 168, 1 (Unvälâ; blz. 177, Dhäbhar); Käma Bohra, Riväjat, p. 1 146, 2 (Unvälä; blz. 165, Dhäbhar). Vgl. Vaeta Nask, 71; noot 4115. 4057 Comment. in Avesta, Videvdät, VIII 22 (geen vers fruit); Säjast-në-Sajast, XVII 2; Käma Bohra, Riväjat, p. 1 146, 2 (Unvälä; blz. 165, Dhäbhar). Vgl. Vaeta Nask, 73, en zie noot 3485. 4058 Sad Darband Hus, LXXII 5; Kämdên Säpür, Riväjat, p. 1 157, 16-17 (Unvälä:; blz. 171, Dhäbhar); Bahman Püngia, Riväjat, p. 1 168, 2 (Unvälä; blz. 177, Dhabhar); Káma Bohra, Rivâjat, p. 1 152, 17-18 (Unvalä; blz. 168, Dhäbhar); Darmesteter, op. laud., deel II, blz. 153; Modi, op. laud., blz. 76, 413. Zie noot 3507. 4059 Darmesteter, op. laud., deel 11, blz. 153; Modi, op. laud., blz. 76, 415. 4060 Avesta, Jast, XIII 50; Comment. in idem, Videvdät, VIII 22; Datastän-i-Denik, XXXI 4; Säjast-në-säjast X 40, XVII 4; Sad Dar, LXXXVII 2-8; Sad Darband Hus, (XLIII 4), XLVI 1, XLIX 1, 4-10, postscr… 32-37; Kris Kämden, Riväjat, p. 1 156, 17-18 (Unvälä; biz. 171, Dhäbhar); Bahman Pünëia, Riväjat. p. 1 168, 2-15 (Unvälä; blz. 177 Dhäbhar); Süratja Adhärvän, Maktüb, p. 1 157, 1 (Unvalä; biz. 171, Dhäbhar); Käma Bohra. Riväjat, fi 152 19 (Unvâlä; blz. 168, Dhäbhar); Modi, op. laud., blz. 81, 410, 412, 415. Zinda-ravän: Sad Darband Hus anp 4; Dastúr Barzü, Riväjat, p. 11 41, 7 (Unvälä; blz. 422, Dhäbhar). Het lichtkleed van de overledene: een 17 “061 Avesta, Videvdät, XIX 28, met commentaar; Hätöht Nask, II 18-21, III 17-20; Viëtäsp Jaët 55; Bundahiën XXX 8-11 (Anklesaria); Vititakihä-1-Zätspram, XXX 33; Dätastän-i-Denik, VIII 1, XIV 7, XXIV 5, XXV 5 XXVIII 7: Artá Virät Nämak, IV 7 (Gignoux); Sad Darband Hus, XLIX 4. Vgl. Käma Bohra, Rivajat, p. 1 153, 1-2 (Unväli; blz. 168, Dhâbhar). Excluzieve telling, zie noot 3087, 4111. Derde dag, zie noot 3715. +062 Avesta, Vidêvdät, XIV 29, met commentaar; Bundahiën, XXX 22 (Anklesaria); Dätastän-i-Dénik, VIII 1, XX 3, XXIV 5-6, XXV 5-6, XXXII 4; Datastân-1-Ménök-1-Hrat, 11 115, 161-162; Sad Dar, LVIII 5, LXXXVII 10; Sad Darband Hu3, XL 11, XCIV 7, XCIX 2; Säpür Bharüëï, Riväjat, p. 1 147, 16-17 (Unvälä; blz. 166, Dhäbhar).

Page 54

View in PDF(opens in a new window)
dodenrechters te worden berecht*°®*. De eerste en zwaarste rouw is daarmede ten einde. In de morgen van deze dag zelf, na zonsopgang, wordt de aanwezigen een maaltijd aangeboden. Een dier wordt geslacht, vlees wordt gegeten en wijn wordt gedronken*°%, De lichte rouw volgt, aangehouden gedurende een periode, welker lengte evenredig is met de graad van verwantschap, zes maanden voor de heer des huizes, dertig dagen voor vader en moeder, enz.*°55. De overledene wordt herdacht na tien dagen, een maand, een jaar*°%. De weduwe blijft permanent in de rouw; althans zij hertrouwt niet*°°”. Men stelt haar in dit opzicht aan de man ten voorbeeld. Het heilige vuur des tempels werd door de Perzen gedoofd bij de dood des konings, totdat diens uitvaart had plaats gehad*°®®. In geval van openbare rouw staakte de Parthische koning de jacht en nodigde geen gasten aan de maaltijd*°%, De rouw om een Chionietische prins duurde zeven dagen*°?°; men danste en zong lijkzangen. Over de individuele rouw der Perzen in voorbijgegane dagen is weinig schriftelijk vastgelegd. De man schoor zich kaal*??t, de vrouw trok zich de haren uit het hoofd*072, Ook de manen der dieren werden afgesneden*°"3; restant vermoedelijk uit de periode, waarin zijzelf in het graf aan de overledene werden medegegeven. Men scheurde zich het kleed*°7* en legde een rouwgewaad aan*°”*, Men sloeg zich het gelaat tot het bloed vloeide*°76; men sloeg zich op de dijen*°7”. De militante Scythen sneden zich de armen in*°?®, de vrouw sloeg zich ook op de borsten*°7°. Men 4063 Vgl. Oudh. Med., deel LII, Leiden, 1971, blz. 72, cit. 64, deel LXIV, Supplement, Leiden, 1983, blz. 50, noot 100-101, blz. 71-72, noot 310-324. 4064 Avesta, Videvdät, VIII 22, met commentaar; Vaeta Nask, 71-72; Dênkart, VIII 30, 12; Dâätastän-1-Deník, XXVIII 7; Säjast-në-Säjast, XVII 5; Sad Dar, XLVII 1, LXXXVII 2; Käma Bohra, Riväjat, p. 1 153, 1-3 (Unvälá; blz. 168, Dhäbhar). Sedertdien in onbruik geraakt: Darmesteter, op. laud., deel II, blz. 154, Zinda-ravan: Dätastän-iDenik. LXXXI 17. Zie noot 3840 (wijn), 3841 (vlees). Beëindiging rouw: zie noot 3717, 3850, 4136. +065 Avesta, Videvdät, XII 1-20. Zie noot 3386. 4066 Comment. in Avesta, Videvdat, VIII 22; Säjast-nê-Säjast, XVII 5; Mänek Cangä, Maktüb, p. 1 155, 9-16 (Unvälâä; blz. 170, Dhäbhar); Kämdën Säpür, Riväjat, p. 1 159, 8-13, 160, 2-5 (Unvälä; blz. 172, 173, Dhäbhar); Bahman Püngia, Rivâäjat, p. 1 169, 2-13 (Unvälâ; blz. 177-178, Dhäbhar); Süratja Adhärvän, Maktüb, p. 1 156,18-157,3 (Unvälä; blz. 171, Dhäbhar); Käma Bohra, Riväjat, p. 1 152,15-155,9 (Unvälä; blz. 167-169, Dhäbhar). Zie noot 3385 (tien dagen), 3386 (maand), 3459 (jaar). 4067 Dénkart, V, p. IX 492 (Sanjana; vertaling, blz. 638). Indiërs: Manusmrti, IX 64-65. Zie noot 3713. 4068 Diod. Sic., Bibl. Hist, XVII 114, 4. Zie noot 3690. 4069 Syeton., Vit. Caes., IV 5. Zie noot 3707. 4070 Ammian. Marcell, Res Gest, XIX 1, 10. Zie noot 3375 (zeven dagen), 3697 (lijkzang), 3747 (dans). 4011 Herod., Hist. IX 24; Plut., Aristid., 14; Curt. Ruf, Hist. Alex. Maced, X 5, 17. Scythen: Herod., Hist, IV 71. Vgl. Denkart, III 80 (p. 58, Madan). Zie noot 3742, 4072 Curt. Ruf. Hist. Alex. Maced, X 5, 19. Verboden praktijk: Patét Pasimänik, Il 10. Zie noot 3580. 4073 Herod., Hist., IX 24; Plut., Aristid., 14. Vgl. Plut., Alex, 72; Idem, Pelop., 33, 34. Zie noot 3451. 4074 Herod., Hist, III 66; Curt. Ruf, Hist. Alex. Maced, X 5, 19. Indiërs: Nonn., Dionys., XL 107. Zie noot 3491. 4075 Tekst: vestìs luguber: Curt. Ruf, Hist. Alex. Maced, X 5, 17, 19. 4076 Plut,, Alex., 30. Indiërs: Nonn., Dionys., XL 103, 109. Het gelaat insnijden, Sogdiërs: Al-Birünt, Al-Ätâr al-Bägija, p. 235, 10-11 (Sachau). De Scythen sneden zich bij de dood des konings een stuk van het oor af: Herod., Hist, IV 71; vgl. Plut., Consol. ad Apollon, 22 (p. 113b; neus en oren). Zie noot 3578 (gelaat), 4003 (oor). Verboden praktijk, Perzen: Dénkart, IX 17, 4; Artä Viraë Namak, LVII 3 (Gignoux). 4077 Nicol. Damasc., fr. 66 (Jacoby; ad 30). Zie noot 3734. 4018 Herod., Hist., IV 71. Indiërs: Nonn., Dionys., XL 106. Zie noot 3733. 4019 Chionieten: Ammian. Marcell, Res Gest., XIX 1, 11. Indiërs, de borsten ontbloten: Nonn,, Dionys., XL 107. Zie noot 3480.

Page 55

View in PDF(opens in a new window)
als bij de wierp zich op de grond in het stof*050. De kleur van de rouw was de blauwe, en beschouwen Egyptenaren*°5!. De Perzen hebben zich sedertdien van deze zeden afgewend *9?®. Iedere haar heden als ongeoorloofd*°*?. De overledene moet met mate beweend worden 5*. scheidt*° aligheid welgelukz der traan teveel doet de rivier zwellen, die hem van het verblijf el reeds smaatreg voorzorg van Het ceremonieel van de rouw wordt door de Perzen bij wijze bij het leven, zinda-ravän, opgevoerd*°**. Dat geschiedt zo mogelijk telkenjare, aan het einde des jaars gedurende drie dagen. Nadat men een reinigingsbad heeft ondergaan, wordt het vuur ontstoken. De heilige teksten worden gereciteerd en daarbij wordt het spijsoffer opgedragen. Na afloop worden geschenken gedistribueerd en wordt een feestelijke maaltijd gehouden. De plechtigheid is beroep op de goddelijke genade, als in het westen de sacrale bede, met dewelke zij haar betrokkenheid op de dood deelt*°56, $52 De rouw is de belangrijkste aller ascetische praktijken. In een studie die over de praeHelleense ascese handelt, is voor gegevens inzake de rouw der klassieke volken bij definitie geen plaats. Een beroep op hen moet nochtans worden gedaan in die gevallen, waarin zij tot het begrip der prae-Helleense en in het bijzonder der Egyptische zeden bijdragen. Het een en ander volgt hier, doch slechts bij wijze van keus uit het voorhandene. Bij de dood vaart de ziel ten hemel en keert het lichaam tot de aarde terug*°*”. De Egyptenaren balsemden het lijk, de Joden en Grieken begroeven het, de Perzen wierpen het de dieren voor, de Romeinen en de Indiërs verbrandden het. Alle verschillen in bijzetting ten spijt was de rouw al dezer volken dezelfde. Het lichaam des mensen werd na zijn dood op de grond gelegd*°**, in afwachting van zijn verdere bestemming. Het lijk is onrein*®®. Het wordt dat op het ogenblik, waarop de ziel het lichaam verlaat*°®°®. Men mag het niet beroeren*°®', men mag het, in staat van reinheid +080 Curt. Ruf., Hist. Alex. Maced., X 5, 19. Zie noot 3529. — De bij de koning in ongenade gevallen Pers dronk uit aarden vaatwerk: Ctes. Cnid., fr. 40 (Jacoby); zie noot 368. +081 Firdawsi, Säh Näma, XV 3925, XLIII 2797; Fahr ad-Din Gurgäni, Wis ü Rämin, XIII 14 (Minovi); Asadí, Garsäsb Näma, p. 468 (Habib Jagmáä", ad 142, 23); Al-Hugwiri, Kasf al-Mahguüb, p. 59,7-60,3 (Zukowskij; blz. 53, Nicholson). Vgl. Bundahiën, III 6 (Anklesaria). Zie noot 3788. j <08? Denkart, IX 17, 4; Artä Viräë Nämak, XVI 7 (Gignoux). Indiërs: Jagùavalkjasmrti, III il Zie noot 3593. +083 Denkart, IX 17, 4 (zie noot 4076); Dätastän-t-Ménök-i-Hrat, VI 13, XLIV 29; Artä Viräë Namak, XVI 4-7, LVII 3 (Gignoux; zie noot 4076); Patêt Pasimâänik, 1 10, II 10 (zie noot 4072); Sad Dar, XCVI 1-3; Bahman Püngia, Riväjat, p. 1 162, 4, 164,17-166,7 (Unvälä; blz. 175, 6, 176, 6, Dhäbhar). “084 Artä Viraë Nämak, XVI 2-6 (Gignoux); Sad Dar, XCVI 2. Zie noot 4193. 4085 Dätastän-i-Dênik, LXXXI; Sad Dar, LVIII: Sad Darband Hus, XLIII 1-10, XCIV 56; Säpür Bharüëi, Riväjat, p. 1 161, 12-15 (Unvälä; blz. 175, Dhäbhar); Dastür Barzü, Riväjat, p. II 39,5-41,17, 42, 9-17 (Unvälä; blz. 422-423, Dhäbhar); Süratja Adhärvän, Maktüb, p. II 42, 18 (Unvälâ; blz. 423, Dhäbhar); Käma Bohra, Riväjat, p. Il 37,17-39,3 (Unvälä); Modi, op. laud., blz. 417-419. Zie noot 4060, 4064. 4086 Vgl. hierboven, $45. +087 Zie noot 1026. +088 Grieken: Artemid., De Somn. Interpr., 1 13. Romeinen: Lucil., Sat III 133-134; Ovid, Trist III 3, 40; Non. Marcell., De Compend. Doctr., IV, sub voce Deponere (p. 11 430, Lindsay); Serv, Comment. in Vergil., Aen, XII 395. Joden: zie noot 3881. Perzen: zie noot 4030. Indiërs: De Geboorte van Horus, blz. 293, noot 3231. 4089 Grieken: Heraclit., fr. 22 B, 9% (Diels). 4090 Grieken: Jambl., De Myst, VI 1; Damasc., Comment. in Platon. Phaed., 1 126. <091 Jambl., De Myst., VI 1; Dio Cass, Hist. Rom., LVI 31, 3 Zie noot 3701.

Page 56

View in PDF(opens in a new window)
verkerend, niet aanzien*°°?, Het verontreinigt de zon, die het bestraalt*°°3, het verontreinigt ook het sterfhuis*®°®*. Het haardvuur daarin was gedoofd*°®*. De aanwezigen waren allen verontreinigd en bleven dat tot de bijzetting, na dewelke zij zich reinigden*°°®. Voor de bezoekers op rouwvisite in het gereinigde sterfhuis*°9? stond voor de deur een kruik met bronwater opgesteld, waarmede zij zich besprenkelden*°°®. Aan de rouwende was de toegang tot de tempel ontzegd*099. Het lijk werd door de prae-Helleense volken zo mogelijk op de dag zelf van het overlijden en in ieder geval op de hem volgende dag uit de weg geruimd*!°®. Door zo snel te werk te gaan schiep men zichzelf problemen. De intrede van de dood en de doodsoorzaak waren somtijds voorwerp van twijfel. De dood bleek achteraf schijndood te zijn geweest, het in het graf bijgezette lichaam kwam daarin weder tot leven*!9!. Of ook, de dood was niet de natuurlijke, de overledene werd verondersteld te zijn vermoord. Het risico der voortijdige bijzetting werd vooral door de nabestaanden gedragen. Zij poogden zich ertegen te dekken door de overledene, te beginnen met het ogenblik van overlijden*!°? en zo lang als diens lichaam boven de aarde stond, voortdurende met name toe te roepen*'°5. Bij de graflegging geschiedde dat drie maal 4092 Zie noot 3701. 4093 Zie noot 2754-2767. 4094 Eurip., Alcest, 22-23. Zie noot 3703, — De verontreinigde staat van het sterfhuis werd te Rome aan voorbijgangers kenbaar gemaakt door een daarvoor geplaatste tak van de cypres. De cypres was aan de dood heilig, daar hij, eenmaal geveld, niet meer tot leven komt: Fest, De Verb. Signif., sub voce Cupressi (p. 56, Lindsay); Serv., Comment. in Vergil., Aen., III 64, 680, IV 507. Hij gelijkt in dit opzicht op de mens, vgl. Job, XIV 7-10; Oudh. Med., deel L, Leiden, 1969, blz. 18. +095 Grieken: Socrat. Argiv. fr. 5 (Jacoby); Plut Quaest. Graec., 24; Idem, Pelop., 33; Idem, Aristid., 20. Romeinen: Quintil., Declam., XII 13; Apul., Metam., II 24; Schol. in Juven., Sat, III 214. Zie noot 3690. 4096 Grieken: Eurip., Alcest., 98-100, met scholia; Schol. in Aristoph., Nub., 837-838; F. Sokolowski, Lois Sacrées des Cités Grecques, Parijs, 1969, blz. 188-191, no. 97, regel 29-31. Romeinen: Cicer., Or. in Vatin., 31; Fest, De Verb. Signif., sub voce Aqua et Igni (p. 3, Lindsay; zie noot 3773). Water en vuur, Egyptenaren: vgl. Porphyr., De Abstin., IV 9; Horapoll., Hierog)., 1 43. 4097 Grieken: Hom., Odyss., XXII 481-494; Theocrit., Idyll., XXIV 96-100; Sokolowski, Lois Sacrées des Cités Grecques, blz, 188-191, no. 97, regel 14-17. Romeinen: Plin., Nat. Hist, XXXV 177; Fest, De Verb. Signif., sub voce Everriator (p. 68, Lindsay). Reiniging van deme, Òfjpog, op de sterfdag: Demosth., Or. XLIII 57. Zie noot 3847. +098 Grieken, behalve noot 4097: Ael. Dionys. Att, fr. a, 168 (Erbse); Pausan. Att, fr. a, 145 (Erbse); Poll., Onom., VIII 65-66. Zie noot 4037, +099 Grieken: Julian. Apost., Epist., LXXVII (Hertlein). Romeinen: Cicer. Or. in Vatin, 31; Liv, Ab Urb. Cond, 11 8, 7; vgl. Serv, Comment. in Vergil., Aen., XI 2. Zie noot 3704. $100 Grieken: Xenoph. Ephes., Ephes, III 7, 4; vgl. Solon, Leg., fr. 109 (Ruschenbusch). Romeinen: Cicer., Or. pro Cluent., 27. Zie noot 3833. +101 Grieken: Clearch., fr. 8 (Wehrli); Lucian, Philops., 26; Procl., Comment. in Platon. Rempubl., p. II 115-116 (Kroll). Romeinen: Valer. Maxim., Fact. et Dict. Memor., 1 8, 12; Plin., Nat. Hist, VII 173, 176-177; Quintìl., Declam., VIII 10; Apul., Flor., 19. +102 Propert., Eleg., IV 7, 23; Ovid, Trist., III 3, 43; Lucan., De Bell. Civil, II 22-23; Fronto, Epist. ad Marc. Caes., V 55. +103 Serv, Comment. in Vergil., Aen., VI 218 (citeert Plinius). Romeinen, verder: Vergil., Aen, III 68; Ovid, Trist, III 3, 43; Quintil., Declam., CCXLVI (p. 8, 2, Ritter); Lucan., De Bell. Civil, II 23; enz. Geten: Eustath., Comment. in Hom., Odyss., p. 1615, 6-7 (ed. Rom.).

Page 57

View in PDF(opens in a new window)
l*!°5. Tot meerdere zekerheid verliet achtereen*!04, te Rome in de vorm van een plechtig vaarwe men het graf nict, maar bleef gedurende enige dagen erbij waken*!°6. De twijfel aan de doodsoorzaak had strafrechtelijke consequenties, die het wenselijk maakten het lijk, alvorens het werd uitgedragen, aan het publiek te tonen. Het werd opgebaard, dat van de particulier te zijnen huize*107 of voor de deur zijns huizes*!°®, dat van de publieke persoon op het stadsplein, en stond tenminste een dag*!'°®, maar doorgaans gedurende drie dagen*''° voor een ieder ter bezichtiging. Drie rouwdagen volgden, incluzief geteld. De sterfdag gold als de eerste, de dag van opbaring en rouw als tweede, de dag der bijzetting als derde*!**. De nabestaanden vastten*!!? en voedden zich met linzen*!!3, eieren*!1*, melk*!** en bonen*!*°, doch niet met brood*'*”. Vasten gedurende de rouwdagen, met vrijwel dezelfde onthoudingen, was ook bij de Indiërs zede skit. Op de derde dag werd door Grieken en Romeinen het lichaam bijgezet, dwz. ter aarde besteld of gecremeerd. Op die dag neemt God de ziel van de overledene tot zich en veranderen +104 Perzen: vgl. Zand-i-Vahuman Jasna, IX 21. Bithyniërs: Arrian., Bithyn., fr. 27 (Roos). Grieken: Hom., Odyss., IX 64-65, met scholia; Antonin. Lib., Metam., XXVI 5; Jambl., Theol. Arithm.. 14; Eustath., Comment. in Hom, Odyss., p. 1614,57-1615,2 (ed. Rom.). Zie noot 1764. +105 Term: vale: Vergil., Aen, VI 505-506; Ovid, Fast, III 563; Serv. Comment. in Vergil., Aen. 1 219, II 68. Vgl. Varr., Logist., apud Serv, loc. cit, X1 97. I1 644, +106 Vgl. Demosth., Or., XLVII 69; Lucian, Nignn., 30. +107 Grieken: Solon, Leg., fr. 109 (Ruschenbusch); Plato, Leg, 959a. Romeinen: Pseudo-Acron., Comment. in Horat., Epod., XVII 48. +108 Poll, Onom., VII 65; Phot., Lexic., sub voce TpôBeens; Schol. in Aristoph., Lysistr., 611. Waartoe: B.H. Stricker, Het Zonne-offer, Amsterdam, Oxford, New York, 1988, noot 398. +109 Solon, Leg, fr. 109 (Ruschenbusch); Antiph., Or, VI 34. +110 Grieken: Thucyd., Hist, I1 34; Plat, Leg, 959a; Clearch, fr. 8 (Wehrii); Apollon. Rhod. Argon, II 835-837, Plut, De Ser. Num. Vind, 22; Poll, Onom., VIII 146. Thraciërs: Herod., Hist, V 8. Romeinen: Draw hitbiek: Comment. in Horat., Epod., XVII 48; vgl. Isid. Hispal.., Etym., XII 7, 30. Ë “111 Grieken: Antiph., Or, VI 34, Thucyd., Hist, IL 34; vgl. Polycrat. Lacon. fr. 1 Gacoby). Christenen: Isid. Pelus., Epist., 1 114 (Migne). Perzen: vgl. Dhäbhar, The Persian Rivayats of Hormazyar Framarz and Others. blz. 168, noot 3, Thraciërs: Herod., Hist, V 8. Excluzief geteld: Apollon. Rhod, Argon, II 837-838, zie noot 4061. Drie dagen, zie noot 3374, <11? Grieken: Lucian, De Luct, 24. Romeinen: Cicer, De Legib., II 57 (feriae). Celten: Plut, Amat., 25 (p. 770f). “113 Grieken: Hegesipp. Com., fr. Ì (Edmonds; ad 10); Artemid., De Somn. Interpr… 1 68. Romeinen: Plut., Marc. Crass, 19 (met zout). Wederopstanding: Pistis Sophia, 147. Zie noot 3844. “114 Romeinen: Juven…, Sat, V 84-85. Wederopstanding: De Geboorte van Horus, biz. 412-423, $90. Zie hierboven, noot 3843. “115 Wederopstanding, Phrygiërs: Sallust, De Dus et Mund., IV 10. Indiërs: Päraskaragrhjasütra, III 10, 28. Vgl. I en De Geboorte van Horus, blz. 138, noot 1196-1203; hierboven, noot 4056. zen Grieken, » Romeinen:: Plut., Fiut., Quaest. 3 Rom., 95; Lucian. Ver. Hist 95; ‚ Ver. ‚N24 man’ ”; Plin., Indiërs: zie noot 4118. Wederopstanding: Anton. Diog., apud Porphyr., Vit. Bars, he Lyd., mg Hist. XVIII ven snelle groei van dit gewas is bekend. ensib., IV 42. De es17 Polycrat. Lacon, fr. 1 (Jacoby: äpros, zéppara). Phrygiërs: Sallust, De Dis et Mund., FV 10. Zie noot 3484 +118 Asvaläjanagrhjasütra, IV 4, 16; Pâraskaragrhjasütra, III 10, 25, 26, 44; Gautamadharmasastr XIV a, 37 38, 39; Väsisthadharmasästra, IV 14; Jäëfiavalkjasmrti, III 16; Manusmrti, V 73; Visnusmru, XIX 15-17 (vgl. LXVIII 4, 5); Mahäbhärata, 1 118, 29.

Page 58

View in PDF(opens in a new window)
zich diens gelaatstrekken*!!°. De derde dag gold als de dag der wederopstanding*'?®, Uitvaart en bijzetting geschiedden in de vroegte, voor zonsopgang*'?!. De betekenis door de Perzen aan dit ceremonieel gehecht moet nagenoeg de oorspronkelijke zijn en kan voor Grieken en Romeinen en zelfs voor de Egyptenaren ongewijzigd worden overgenomen. In de morgenstond wordt de Zonnegod herboren en stijgt ten hemel. Hij neemt de zielen der drie dagen tevoren*!?? overledenen met zich mede in zijn bark of wagen en voert haar naar het zenith om haar aldaar te berechten. Nadat het lijk bijgezet was*!23, en op het slagveld terwijl het nog boven de aarde stond*!?4, nuttigden de nabestaanden de rouwmaaltijd, in een kring om de overledene of diens graf gezeten*!?5. De overledene werd geacht gastheer te zijn en persoonlijk aan de maaltijd deel te nemen*1?5; welke laatste hierdoor het karakter bezat van het dankoffer*!?”, De maaltijd was feestelijk in de mate van het mogelijke. Men at met bekransten hoofde*!?® en had het rouwgewaad afgelegd*!°®. Een dier werd geofferd*!3°, zijn vlees met brood en wijn geserveerd*!3!, Het voor de overledene bestemde deel werd op diens graf gelegd, de wijn daarboven uitgegoten*!*?, Alvorens uiteen te gaan verrichtte men de ommegang om het graf, imitatie van de levenwekkende omwenteling des hemels en van de baan van de zonnebark daarin. Enige dagen later werden, wanneer de financiële middelen het toelieten, rouwspelen gehouden, wedstrijden ter imitatie van het hemelse proces, dat de ziel van de overledene te wachten stond*!33. +119 Lyd., De Mensib., IV 26. Vgl. De Geboorte van Horus, blz. 455, noot 5342; en zie hierboven noot 3848. De ziel van de vermoorde of niet-begravene blijft permanent bij het lijk: Porphyr., De Abstin., II 47; zie noot 3848. 4120 Eurip., Alcest., 1144-1146. Zie noot 3470. *121 Grieken: Solon, Leg., fr. 109 (Ruschenbusch); Lys., fr. 1 (Thalheim); Aristoph., Lysistr., 612; Plato, Leg., 960a; Demetr. Phaler., fr. 135 (Wehrli; ad 66); Eratosth., Catast., 24; Heraclit., Quaest. Homer, 68; Menandr. Laod., Comment. 1 de Encom., p. 363, 18-19 (Spengel); Julian. Apost., Epist., LXXVII (Hertlein). Romeinen: Cicer., Or. pro Cluent., 27; Serv, Comment. in Vergil., Aen., XI 143; Donat, Comment. in Terent., Andr., I 1, 81, 88. Zie noot 2763. 4122 Egyptenaren: zie noot 3715. +123 Hom, Il, XXIV 802-803; Aristot., fr. 611 (Rose; ad 60); Lucian., De Merced. Cond, 28; Idem, De Luct., 24. Vgl. Apollon. Rhod., II 839-840. +124 Grieken: Hom., Il, XIX 154-237, XXIII 28-34, 43-53, XXIV 601. Scythen: Herod., Hist, IV 73. Thraciërs: Herod., Hist, V 8. +125 Grieken, zepiëeurvov: vgl. Demetr. Phaler., fr. 135 (Wehrli, ad 66: mensa); Aen. Tact., De Obsid. Toler., X 5. Romeinen: Apul., Flor., 19. Zie noot 3845. +126 Grieken: Aristoph., Lysistr., 612-613, met scholia; Plut., Aristid., 21; Lucian, Char, 22; Artemid., De Somn. Interpr., V 82; Epiphan., Ancor., 86, 5; Hesych., Lexic., sub voce Tápog. Bithyniërs: Arrian., Bithyn., fr. 27 (Roos). Seythen: Herod., Hist, IV 73. Geten: Eustath., Comment. in Hom., Odyss., p. 1615, 5-6 (ed. Rom.). Romeinen: vgl. Cicer., Or. in Vatin., 30 (epulae ipsae dignitatis). Vgl. Jezus’ Koningschap, blz. 25, noot 198. 1129 Zie noot 3302. Dankoffer in deze zin was vok Jezus’ laatste avondmaal, echter bij anticipatie, voor en niet na de dood opgedragen, vgl. Jezus’ Koningschap, biz. 21, noot 171. +128 Demetr. Phaler., fr. 135 (Wehrli; ad 63). Zie noot 3681. *129 Cicer., Or. in Vatin., 30-32. Zie noot 3522. *130 Hom, Il, XXIII 30-34. Zie noot 4064. “131 Hom., Il, ibidem. Vgl. Plut., Quaest. Graec., 24; noot 3840 (wijn), 3841 (vlees), 3842 (brood). Door Solon verboden: Solon, Leg., fr. 72e (Ruschenbusch). +132 Brood, onzeker: vgl. Petron., Sat, 66. Wijn: Lucian, Char, 22; Idem, De Luct., 19; Fest, De Verb. Signif., sub voce Resparsum Vinum (p. 318-319, Lindsay). +133 Oudh. Med., deel LIL, Leiden, 1971, blz. 72, cit. 64; ibid, deel LXIV, Supplement, Leiden, 1983, blz. 50-51, noot 102-116. Aards gericht over overledene: Diod. Sic., Bibl. Hist, 1 92; Oudh. Med., N.R., deel XXIII, Leiden, 1942, blz. 45-46. Op ommegang en rouwspelen zij hier niet nader ingegaan.

Page 59

View in PDF(opens in a new window)
r dit en se In later tijd werd de rouwmaaltijd verlegd naar het sterfhuis*" Se vemer naar het huis door een der nabestaanden daartoe ter beschikking gesteld*'**. De derde dag, de in maaltijd zelf, beëindigde de periode van zware rouw*120. De daarop volgende lichte teeng r elkande tot ene overled en e rouwend lengte aangepast aan de graad van verwantschap, waarin stonden*:37. Men rouwde gedurende negen dagen*'**, een maand*'*® of ten hoogste een jaar*1*0, Dit laatste voor ouders en kinderen, verwanten in de eerste graad. In geval van openbare rouw staakten bij Grieken en Romeinen de drie rn n4i+! : De de regering als uitvoerende macht*!*?, de geestelijkheid*'** en de rechterlijke macht ederen, waden, statiekl consuls namen in de raadszaal hun ambtelijke zetel niet in*'**S. Ambtsge sieraden, alles werd afgelegd*!*S. De tempel bleef gesloten*'*”. Het openbare leven werd stilgezet, allereerst het marktverkeer*!*S. Feestelijke plechtigheden werden afgelast*'*°, publieke “134 Grieken: Hegesipp. Com, fr. 1 (Edmonds); Artemid., De Somn. Interpr., V 82. Trojanen: Hom, IÌ., XXIV 801-803. +135 Demosth., Or., XVIII 288. Zie noot 3827. *136 Isae, Or, I1 37; Aristot., fr. 611, 10 (Rose); Poll, Onom., VIII 146; Synes., Epist 3 (Hercher); Justinian., Novell, CXXXIII 3, 1. Afgesloten met offer aan de Zonnegod, vgl. Plut., Quaest. Graec., 24. Beëindiging rouw: zie noot 4064. Drie dagen: zie noot 3374. *137 Romeinen: Plut., Coriol., 39; Idem, Numa, 12; Paul., Sentent 1 21, 13. +138 Grieken: Hom, IÌ., XXIV 665 (Trojanen); Idem, Hymn, II 47; Isae., Or, II 36, 37, VIII 39; Aeschin., Or., II 225; Poll, Onom., VIII 146; Justinian., Novell, CXXXIII 3, 1. Romeinen: Vergil., Aen, V 64, met commentaar van Servius; Horat., Epod., XVII 48, met commentaar van Porphyrio; Ovid, Metam., IV 262, X 434; Petron., Sat 65; Quintil., Declam., XII 23; Stat, Theb., VI 238; Tacit, Aan. VI 5; Apul., Metam., IX 31; Dio Cass, Hist. Rom, LXIX 10, 3; Donat, Comment. in Terent., Phorm.. 1 1, 6; Augustin, Quaest. in Heptat., Genes, 172 (ad vers. L 10). Zie noot 4039, +159 Grieken: Lys., Or, 1 14; Plut, Quaest. Graec., 24; Poll, Onom., 1 66, VIII 146: Harpocrat., Lexic., sub voce Tptakás; Lex Tulis, 20-21 (naar Sokolowski, zie noot 4096); Anon., in 1. Bekker, Anecdota Graeca, Berlijn, 1814-1821, vol I, p. 268, 19-23, 308, 5. Romeinen: Plut., Fab. Max., 18; Paul. Sentent., 1 21, 13. Zie noot 3386. Veertig dagen: Justinian., Novell., CXXXIII 3, 1; zie noot 3376. +140 Grieken: Phot., Lexic., sub voce Kaàkvvrhpra kai zivvehpra. Romeinen: Liv, Ab Urb. Cond, II 7, 4; Dionys. Halic., Antig. Rom., V 48, 4; Gran. Licin., Reliq., XXXVI 27; Paul, Sentent, 1 21, 13; Fragm. Vatic., 321: Justinian., Novell., CXXXIII 3, 1. Zie noot 3459. Dezelfden, tien maanden, zie noot 4137. “141 Alle drie: Lucian, Pseudolog., 12. +142 Grieken: vgl. Herod., Hist, VI 58. Romeinen: Cicer.. De Harusp. Respons., 55 (sluiting der tresorie). *143 Grieken: Polycrat. Lacon, fr. 1 Gacoby). Romeinen: Liv. Ab Urb. Cond, XXI 56, 4; Ovid, Fast, II 563-564; Consol. ad Liv, 187-190; Tacit., Ann, Il 82: Sueton., Vit. Caes., IV 5-6 (emotionele details); Corpus Inscriptionum Latinarum, Berlijn, vanaf 1863, vol. XI, no. 1421. “144 Romeinen: Cicer., De Harusp. Resp, 55; Idem, Or. pro Planc., 33; Idem, Brutus, 304; Liv, Ab Urb. Cond., III 27, 2, IV 26,12, 31,9, TX 7, 8; Lucan., De Bell. Civil, II 17-18, V 31-32; Consol. ad Liv, 185; Sueton., Vit. Caes., IV 24, 2; Juven., Sat, III 213; Tacit., Ann., 1 16, II 82, III 7; Legis Actio Sacramento, biz. 40, noot 334. +145 Tacit, Ann, IV 8; Dio Cass, Hist. Rom, LVI 31, 3; Herodian., Ab Excess. Div. Marc., IV 2, 3. Zie noot 3945, +148 Romeinen: Liv, Ab Urb. Cond., IX 7, 8; Consol. ad Liv., 186; Lucan., De Bell. Civil, It 18-19; Plut, Quacst. Rom., 86; Paul., Sentent, 1 21, 14; Dio Cass., Hist. Rom., XVIII, fr. Zonaras, IX 17: Herodian., Ad Excess. Div. Marc., IV 2, 3; Lyd., De Mensib., IV 29, Zie noot 3493 (sieraden). 3521 (gewaden). +147 Senec, Hercul. Oet, 1548-1549. Zie noot 3705. +145 Grieken: Herod., Hist., VI 58; Aristot., fr. 611, 10 (Rose). Romeinen: Cicer Or. pro Planc., 33; Liv, Ab Urb. Cond., IX 7, 8; Corpus Inscriptionum Latinarum, vol. XI, no. 1421. Zie noot 3908. +149 Grieken: Lucian, Pseudolog., 12. Romeinen: Sueton., Vit. Caes.. IV 24, 2: Corpus Inscriptionum Latinarum, vol. XI, no. 1421, Zie noot 3707.

Page 60

View in PDF(opens in a new window)
en private werken onderbroken*!°°. De burgers sloten hun winkels*!5! en zelfs hun woonhuizen*!*?, Huwelijken werden niet gesloten*'“*, de badhuizen bleven dicht*154, Termijnen van openbare rouw waren tien dagen*!5* en maximaal een maand*i5°. De particuliere rouwgebruiken van Grieken en Romeinen waren dezelfde als die der oosterse volken, maar men krijgt de indruk, dat zij bij hen in aantal geslonken zijn en,‚ daar hun betekenis veelal niet meer werd verstaan*!5”, minder expressief zijn geworden. Ik beperk mij tot datgene, wat aan het ín het oosten gebruikelijke toevoegt of daarvan afwijkt. Van het inscheuren van het kleed wordt niet gerept, de vrouw legt in de rouw echter haar sluier af*!58. Men toonde zijn leed door zich op het voorhoofd te slaan*!5°; de vrouw ook op de buik*!6°, met deze wel de baarmoeder bedoelend. Men schoor zich het voorhoofdshaar af*!6! bij wijze van eerstelingsoffer*!°? en wierp het als substituut van zichzelf in het graf*!°5. In de onthoudingen, die in deze studie in het middelpunt der belangstelling staan, de onthoudingen van spijs en drank *'64, van geslachtelijk verkeer*!65 en van lichamelijke reinheid*!6®, gaan de Griekse en Romeinse voorschriften met de oosterse parallel. De vrouw wierp zich in de rouw nog ter aarde*!6”, maar voor de man werd dit als verouderde zede beschouwd*!°®. De Romeinen vooral brachten de voorwerpen, die de overledene lief geweest waren, in staat van rouw door hen te breken*'°® of tijdens de bijzetting omgekeerd nederwaarts te houden *!7°. +150 Grieken: Lucian, Pseudolog., 13. Romeinen: Liv., Ab Urb. Cond, III 27, 2, IV 26, 12. Vgl. Plin., Nat. Hist., XI 63 (bijen); Plut., Sull., 8. Zie noot 3409. 4151 Liv, Ab Urb. Cond., III 27, 2, IV 31, 9, IX 7, 8, XXIII 25, 1-2. Zie noot 3908. 4152 Consol. ad Liv., 183; Tacit., Ann., II 82. Ledig achterlaten: Lucan., De Bell. Civil, V 31. Zie noot 3910. *153 Vgl. Ovid, Fast, II 559-560, VI 233-234. Zie noot 3913. 4154 Corpus Inscriptionum Latinarum, vol. XI, no. 1421. Zie noot 3414, 3757. 4155 Herod., Hist., VI 58. Zie noot 3385. &156 Liv, Ab Urb. Cond, XXII 56, 5, XXXIV 6, 15; Valer. Maxim., Fact. et Dict. Memor., 1 L, 15. Zie noot 3386. Een jaar: zie noot 3456. 4157 Serv, Comment. in Vergil., Aen, X1 93: Lugentum mos est prioris habitus immutatio, en Auct. Anon, ibidem: Antiqui nostri omnia contraria in funere faciebant. Men deed in de rouw alles omgekeerd. 4158 Hom., Il, XXII 406. Vgl. Plut., Quaest. Rom., 14. Zie noot 3490. 4159 Cariërs: Herod., Hist, II 61. Spartanen: ibid, VI 58. In het voorhoofd is de ziel des mensen gezeteld, zie noot 3742, 3877, 4161, 4162. Zich op de dijen slaan: Cicer., Tusc. Disp, II1 62. Zie noot 3734. +160 Quintil., Declam., X 3; Claudian., De Rapt. Proserp., III 427. +161 Plut., Thes., 5. Vgl. Hom., Odyss., III 446, XIV 422; Eurip., Electr, 811-812; Vergil., Aen., VI 245; Macrob., Sat, V 19, 5. Zie noot 3742, 4159. 4162 Voorzijde: Oudh. Med., deel LV, Leiden, 1974, blz. 133, noot 859. $163 Hom., Il, XXIII 152-153; Sophocl, Electr, 52; Herad., Hist, IV 34: Plut. Pelop.. 33: Pausan.. Graec. Descr., II 3, 7, VII 17, 8 (ârapyú); Philostr., Her., XIX 5; Nonn., Dionys., XXXVII 37-43; Petron., Sat, 111. Vgl. Aeschyl., Choeph., 5; Apollon. Rhod, Argon, IV 27-29. Zie noot 3745. +164 Hom., Hymn, II 49-50. Zie noot 3481 (spijs), 3486 (drank). +165 Ovid., Metam., X 434-435. Zie noot 3487. 4166 Lichaam niet wassen: Hom., Hymn., II 50; zie noot 3488. Kleed niet wassen: Phot., Lexic., sub voce Kaùkvvrrpra kaì nvvripra. Zie noot 3492. +167 Plut., Amat., 25 (p. 770f); Lucan., De Bell. Civil, IL 30-31, VIII 739-740. Zie noot 3529. “168 Diod. Sic, Bibl. Hist, XX 33, 2; Plut., De Superst., 3. “169 Tibull., Eleg., 11 6, 15; Propert., Eleg., III 11, 47; Ovid., Amor., III 9, 8; Consol. ad Liv, 177, Zie noot 3691. 4170 Fasces: Consol. ad Liv., 141-142; Tacit., Ann, III 2. — Wapens: Vergil., Aen, XI 93 (Arcadiërs); Ovid., Amor, 111 9, 7; Lucan., De Bell. Civil, VIII 735; Stat, Theb., VI 214; Serv., Comment. in Vergil., Aen, XI 89. — Lier: Stat, Silv, II 1, 27-28. — Fakkel: Vergil., Aen., VI 223-224.

Page 61

View in PDF(opens in a new window)
De hoogste staatsambtenaar, de koning of de keizer, welke laatste tevens hogepriester was bre de dood in het geheel niet verontreinigd worden. Hij behoorde rouw geen zwart kleed aan*!75. gaaf van lijf en sir et lijk onder eenzelfde dak verblijven*!7* en trok in de maatschappij wijken voor het leven. De rouw werd gee lon ge sezons goc ienstige beleving en op dagen van vertroosting. De publieke na Re: j gelegenheid van de tempelwijding, bij de inzetting van het lustrum, de reinigingsperiode, bij de inlossing der gelofte. De private rouw werd het bij gelegenheid van de geboorte van een kind, het publieke eerbewijs de familie aangedaan, de terugkeer van het krijgsgevangen familielid, de verloving der dochter, de geboorte van het kind in nadere graad van verwantschap dan de overledene en, religieus betrokken, gedurende de onthoudingsperiode ter ere der godin Ceres*176, De rouw stond onder de hoede van de overheid. Het naleven der rouwbepalingen was plicht. Wie haar verzaakte, had onder omstandigheden bestraffing te duchten*!””. De reden voor deze gestrenge bejegening was gewoonlijk van politieke aard. Bij de dood des konings waren de burgers gezamenlijk tot het maken van rouwmisbaar gehouden*'"*. De ondergeschikte rouwde om zijn meester in welbegrepen eigenbelang. De gestrengheid kon ook door juridische overwegingen ingegeven zijn. De weduwe was tot het inachtnemen van een wachtperiode verplicht alvorens een nieuw huwelijk te kunnen aangaan*!”°. Rouwperiode was in haar geval dikwijls term voor wachtperiode*18°. De autoriteiten verdedigden de geldende zeden. De onterfde zoon vader was door zijn tenachterstelling niet van zijn plicht ontheven en moest voor zijn overleden van het beleid rouw bedrijven, en zo ook voor zijn moeder*'**. De overheid gaf de grote lijnen aan, de maatschappij deed het overige. in zijn uiterlijk De rouw wordt in de antieke letterkunde als bewijs van liefde erkend, maar De vertoon afgewezen. Bestreden wordt vooral de met de rouw gepaard gaande emotionaliteit. vrouw is van nature meer emotioneel dan de man en had in de grijze oudheid reden om dat te gaan. In de ure tonen. Zij moest de man volgen in de dood of als weduwe de ellende tegemoet de slaaf. Over beiden der beslissing was het rouwmisbaar haar enige wapen. Hetzelfde gold voor rouwmisbaar gold als wordt in de antieke geschriften met hardheid geoordeeld. Het maken van VIII 10, 22). Voor 4171 Legis Actio Sacramento, blz. 41, noot 341 (Voeg toe: Plut., Agesil., 3; Procop.. De Bell., 4044. 3953, 3952, 3947, noot zie noot 4171-4175, +172 Zie noot 3701. 4173 Keizer: Senec, Dial, VI 1$, 3; Dio Cass, Hist. Rom., LIV 28, 3. Hogepriester: Senec, Dial, VI 15, 3; Dio Cass, Hist. Rom., LIV 28, 4. Zie noot 3701. +174 Plut., Sull., 35. Zie noot 3703. 4175 Dio Cass., Hist. Rom., LV 8, S. Vgl. Tacit., Ann., III 2. Zie noot 3523. “116 Fest, De Verb. Signif., sub voce Minuitur Populo Luctus, p. 144-145 (Lindsay). 4117 Politiek, doodstraf: Sueton., Vit. Caes., IV 24, 2; zware straf: Herod., Hist, VI 58. Juridisch, infamie: Salv. Julian., Dig., III 2, 1; Paul, Sentent., 1 21, 13; Ulpian., Dig, II 2, 11, 3-4. 4178 Herod., Hist, VI 58. +119 De Geboorte van Horus, blz. 278, noot 2916-2927. +180 Plut., Numa, 12; Ovid., Fast., 1 33-36, III 133-134; Salv. Julian, Dig, III 2, 1; Paul, Dig, III 2, 10, 1; Ulpian., Dig, III 2,8, 2,11,1,3. *181 Papinian., Dig., III 2, 25.

Page 62

View in PDF(opens in a new window)
de man onwaardig*!®?. Aan de vrouw was het toegestaan, te Rome binnen de ruim gestelde limiet van een jaar*!®*. De Lyciërs verplichtten de rouwmisbaar bedrijvende man vrouwenklederen aan te trekken*!**, Men nam afstand van de primitieve, onbeschaafde maatschappij met haar veelal gruwelijke zeden*!®5, Vrouwen zijn meer tot rouw geneigd dan mannen, zegt een antiek auteur, barbaren meer dan Grieken, laagstaanden meer dan hoogstaanden*!8°, Als voorbeeld der hoogstaanden noemt hij de Celten en Galaten, aan dewelke hij een mannelijke geest toeschrijft. Hij stelt hen tegenover de Egyptenaren, Syriërs en Lydiërs, die eenzulke missen en in hun rouwbetoon geen maat weten te houden. Een ander signaleert de detestabilia genera lugendi*187, Als correcte vorm van rouwbetoon wordt het naleven der voorgeschreven ceremonieën aanbevolen: het reciet der heilige geschriften*!88, het dodenoffer*!59, de rouwmaaltijd*1°9, de dodenherdenking*!?!. Emotionele uitingen zijn de overledene onnut*!®2, zij schaden hem veeleer*193. De wetgever of locale autoriteit vaardigde wetten of verordeningen uit tot beteugeling der excessen, als daar zijn: het nodeloos bloedvergieten, de verkwisting bij de aanleg van het graf en bij de bijzetting, het burengerucht bij de uitvaart*!°4. Bij de dood van de vijand des lands**®$ en van de terechtgestelde misdadiger*"°® werd geen rouw aangenomen. +182 Grieken: Plut., Sol., 21. Romeinen: Senec., Epist., LXII 13; Fragm. Vatic., 321. Anders de Thracische Geten: Jordan, De Orig. Actib. Get., 255. 4183 Senec, Epist., LXIII 13. Zie noot 3459. +184 Plut., Consol. ad Apoll., 22; Valer. Maxim., Fact. et Dict. Memor., II 6, 13. 4185 Schol. in Hom, Il, XXIV 664: piionrevdès Tò BápBapov. Schol. in idem, XXIV 720-721: Betvonevdeig Loi) BápBapot. *186 Plut., Consol. ad Apoll., 22. Vgl. Idem, Pelop., 34. +187 Cicer., Tusc. Disp, UI 62. +188 Perzen: zie noot 4048. +189 Indiërs: Jägiavalkjasmrti, III 11, Massiliërs: Valer. Maxim, Fact. et Dict. Memor., II 6, 7. 4190 Locriërs: Aristot., fr. 611 (Rose; ad 60). Massiliërs: Valer. Maxim, Fact. et Dict. Memor., II 6, 7. +191 Grieken: Stob. Eclog., IV 2, 24 (p. I1 153, 8-11, Hense). +192 Grieken: Lucian, De Luct., 19, vgl. 14. Romeinen: Cicer., Tusc. Disp., III 63, 64. Zie noot 3953. +193 Joden: zie noot 3593. Perzen, Indiërs: zie noot 4082-4084. Grieken: Stob. Eclog., IV 2, 24 (p. II 153, 8-11, Hense); Menandrus en Pseudo-Phocylides, zie noot 3593. Romeinen: Vater. Maxim., Fact. et Dict. Memor., 11 6, 7. +194 Grieken, Athene: Solon, fr. 72, a-c (Ruschenbusch); Plato, Leg, 958c-960a; Demetrius van Phaleron, fr. 135 (Wehrli). Sparta, Lycurgus: Plut, Lycurg, 27. Delphi: Sokolowski, Lois Sacrées des Cités Grecques, blz. 152-157, no, 77c. Tulis: ibid, blz, 188-191, no. 97. Gambrium: Sokolowski, Lois Sacrées de l'Asie Mineure, blz. 46-48, no. 16. — Romeinen, Rome: Leg. XII Tab, X l-11; Cicer., De Legib., II 22. Dezelfden, Sulla: Plut., Sull., 35. Burengerucht: zie noot 3695. <195 Liv, Ab Urb. Cond, 1 26, 4; Nerat., Dig, II1 2, 11, 3; Marcell, Dig., XI 7, 35. Zie noot 3927. +196 Keizer Tiberius: Sueton., Vit. Caes., III 61, 2; Dio Cass, Hist. Rom, LVIII 12,4, 16,6.