Show full text8 pages
Page 1
View in PDF(opens in a new window)Pouls
Pouls
KLASSIEK
AFGESTEMD
De opkomst en teloorgang van de
Pythagoreische stemming in de middeleeuwen
NICK POULS
Over de perfecte stemming wordt al eeuwenlang gediscussieerd. De stemming van een instrument bepaalt de afstand tussen de verschillende noten,
en zo de klank van het instrument. Nick Pouls legt uit waarom in de middeleeuwen de voorkeur werd gegeven aan de Pythagoreische stemming. Dat
deze weer verdween, blijkt te maken te hebben met kritiek op de methode
van de bedenker en de invloed van Italiaanse hoven.
De Griekse wiskundige Pythagoras (c.572c.500 v.C.) zocht naar een rationele
verklaring voor muzikale consonanten en
dissonanten. Welke tonen klinken ‘goed’
bij elkaar, en welke niet?! Een antieke
legende vertelt over Pythagoras, die een
smidse passeerde. Daar hoorde hij klanken
die harmonieus en rein waren gestemd,
welke door de werkende smid al slaande
met de hamer op het aambeeld werden
voortgebracht. Pythagoras benaderde de
smid en bestudeerde zijn gereedschap.
Al snel realiseerde hij zich dat de hamers
qua gewicht evenredig van elkaar verschilden. De wiskundige verhoudingen voor
de muzikale intervallen konden hieraan
1 M.i. kan er hier niet concreet gesproken worden
van de termen ‘zuiver’ en ‘onzuiver’. Ze geven al
snel een implicatie van subjectiviteit.
20
ontleed worden? Zo wist Pythagoras een
verklaring te geven voor de consonanten
en dissonanten en ontstond de zogeheten
Pythagoreïsche stemming.’
Muziek bestaat op zichzelf uit trillingen. In de Westerse muziek worden deze
trillingen onderverdeeld in twaalf verschillende tonen, waarvoor een stemming
gebruikt moet worden. Een stemming is
de wijze waarop de frequentieverhou2 Nicomachus van Gerasa, The manual of
harmonics of Nicomachus the Pythagorean, vert.
F. Levin (Grand Rapids 1993) 83-93; Levin, The
harmonics of Nicomachus and the Pythagorean
tradition (Philadelphia 1975) 20-30; Levin,
‘a
and __ in the Harmonika of Klaudios
Ptolemaios’, Hermes 108 (1980) 2, 208-211.
3 M. Rimple, The enduring legacy of Boethian
harmony’, in: N.H. Kaylor en PE, Phillips (red.),
A companion to Boethius in the Middle Ages
(Leiden 2012) 455-456.
Page 2
View in PDF(opens in a new window)In het kader van receptiegeschiedenis
wordt in dit artikel bekeken hoe de antieke muziektheorie van Pythagoras werd
toegepast in de middeleeuwse muziektheorie en uitvoeringspraktijk.‘ De nadruk ligt
vooral op de vraag hoe de Pythagoreïsche
stemming werd toegepast door musici en
muziektheoretici in het vijftiende-eeuwse
Italië.
PYTHAGORAS TOEGEPAST: MIDDELEEUWSE MUZIEKTHEORIE
Houtsnede van de antieke legende waarin
Pythagoras de smidse paseerde. Uit Franchinus
Gaffurius, Theorica musice’ (1492).
ding tussen toonafstanden in de muziek
wordt verdeeld.* Tegenwoordig is de gelijkzwevende stemming bepalend voor
de frequentieverhoudingen tussen tonen,
maar in de middeleeuwen was dit anders.
De Amerikaanse historisch musicoloog en
dirigent Ross Duffin schreef in How Equal
Temperament ruined Harmony (2007) dat
hedendaagse muziekliefhebbers en musici
door de gelijkzwevende stemming zijn geindoctrineerd en deze klakkeloos op ieder
muziekstuk toepassen. In de middeleeuwen gebruikten musici de Pythagoreïsche
stemming, waardoor de stukken anders
klonken dan vaak wordt aangenomen.”
Voordat ik inga op muziektheorie uit de
vijftiende eeuw, moeten we ons eerst een
beeld vormen van klassieke muziektheorie.
Die kent een nauwe relatie met de wiskunde, astronomie en astrologie. Antieke
muziektheoretici gebruikten harmonieën
als wiskundig raamwerk om ordening in
de kosmos aan te brengen.’ In de eerste en
tweede eeuw domineerden twee tradities
de antieke muziektheorie: de Pythagoreische school en de School van Aristoxenos.
Hoewel beide harmonieën als wiskundige
eenheden gebruikten om ordening in de
kosmos te berekenen, waren er wel degelijk verschillen. De Pythagoreïsche traditie
richtte zich namelijk enkel op de rede, terwijl de School van Aristoxenos de emotie in
de muziek centraal stelde. Vanaf de derde
eeuw werden deze contrasterende tradities
verenigd in de Ptolemeische traditie.
De Romeinse schrijver Ancius Boëthius
(c.480-525) schreef in de zesde eeuw de
148-159; R. Duffin, ‘Tuning’, in: R. Duffin
4 J. Daniskas, Algemene muziekleer (Groningen
1972) 314-315; T. Willemze, Algemene
muziekleer (Zwolle 1993) 95-96; E. Neuwirth,
Musical temperaments (Wenen 1997) 1-22; R.
Duffin, How equal temperament ruined harmony
(and why you should care) (New York 2007) 21;
32; 38-39.
5 Duffin, How equal temperament, 15-18; 145;
{red.), A performer's guide to Medieval music
(Bloomingion 2000) 545-562; R. Duffin,
“Tuning and Temperament’, in: J. Kite-Powell
(red.), A performers guide to Renaissance music
(Bloomington 2007) 283-288.
6 Duffin, How equal temperament, 15-18; 145;
148-159.
7 J. Solomon, Ptolemy's Harmonics: translation
and commentary (Leiden 2000) ix.
Page 3
View in PDF(opens in a new window)Œluoino
u
Iıfparı var part
Deel van eenfolio uit een twaalfde-eeuwse kopie van
Baëthius De institutione musica’, waarbij Boëthius
experimenteerde met het monochord (canon) voor de
Pythagoreïsche stemming. Cambridge Library, MS
1.3.12, fol. 6le.
traktaten De institutione musica en De institutione arithmetica, waarmee hij zich
plaatste in de klassieke traditie van wiskundige filosofen die een relatie tussen
wiskunde en muziek benadrukten.® Hoewel
Boéthius elk van de drie muziektheoretién
uit de klassieke oudheid besprak, beriep
hij zich voornamelijk op de rationele
Pythagoreïsche traditie.” Boéthius’ interpretaties van Pythagoras behoorden tot de
weinige muziektheoretische bronnen uit
de klassieke oudheid die in de middeleeuwen waren overgeleverd. Door zijn
indirecte relatie tot de klassieken en zijn
8 Rimple, The enduring legacy of Boethian
harmony’, 455-456.
C. Nolan, ‘Music theory and mathematics’, in:
T. Christensen (red.), The Cambridge history of
Western music theory (Cambridge 2002) 272.
22
christelijke achtergrond kreeg Boéthius
in de middeleeuwen grote bekendheid als
muziektheoreticus.'°
Vanaf de elfde eeuw werd aan de
middeleeuwse universiteiten eenzelfde relatie benadrukt tussen de wiskunde en
de muziek als in de klassieke oudheid.
Boëthius’ De institutione musica was een
standaardwerk voor het muziekvak aan de
Italiaanse universiteiten.!! Als gevolg van
de invloed van Boëthius’ oeuvre ontwikkelde de Pythagoreïsche stemming zich
tot de basisstemming voor musici in de
vijftiende eeuw.'? De middeleeuwse muziek was voornamelijk vocaal, zoals de
Gregoriaanse zang, waarbij de koorleden
hun intonatie onderling simpelweg konden aanpassen door te luisteren naar de
rest van het koor. Daarom vormde de Pythagoreïsche stemming aanvankelijk geen
probleem bij de uitvoering van middeleeuwse muziek.
DE NEERGANG VAN DE PYTHAGOREISCHE STEMMING
Dit veranderde gaandeweg de vijftiende
eeuw. Een eerste ontwikkeling die bijdroeg
aan de teloorgang van de Pythagoreïsche
stemming was de humanitische tekstkritiek.
Italiaanse
muziektheoretici,
zoals Pietro d’Abano (1250-1315), Niccolò Niccoli (1363-1437) en Giorgio Valla
(1447-1499), raakten gaandeweg de veertiende en vijftiende eeuw steeds meer
beïnvloed door het humanisme. Zij ver10 A.E. Moyer, Musicascientia: musical scholarship
in the Italian Renaissance (Ithaca 1992) 31-35.
11 A.E. Moyer, ‘The quadrivium and the decline of
Boethian influence’, in: Kaylor en Philips (red.),
Boethius in the Middle Ages, 479-481.
12 C. Nolan, ‘Music theory and mathematics’, in:
Christensen (red.), The Cambridge history
Western music theory, 275-276.
Page 4
View in PDF(opens in a new window)zamelden en vertaalden diverse antieke
Griekse en Latijnse muziekhistorische
bronnen, en voorzagen ze van commenlaar.* Boëthius’ De institutione musica
kwam, als vertegenwoordiger van de Pythagoreïsche traditie, nu onder druk te
staan. Door het gebruik van de filologische
methodiek ontdekte de Frans-Vlaamse
muziektheoreticus Johannes Gallicus de
Namur (c.1415-1473) dat Boëthius enkel
de antieke bronnen had vertaald. Hij had
ze niet geïnterpreteerd, zoals muziektheoretici voorheen hadden aangenomen.
Gallicus kon aan de hand van codices over
Griekse traktaten, die in het bezit waren
van zijn leermeester Vittorino da Feltre
De reputatie van Boëthius kwam
door humanistische tekstkritiek
en wiskundige inzichten onder
druk te staan
(1378-1446), Boëthius’ De institutione musica filologisch ontrafelen.
Aan de Italiaanse kathedraalscholen
van de veertiende en vijftiende eeuw begonnen muziektheoretici en wiskundigen
hun wiskundige voorgangers te becommentariëren. Onder meer de Franse humanist
Jacques Lefèvre d'Étaples (c.1455-1536)
ontwikkelde samen met zijn leerlingen
aan de Italiaanse kathedraalscholen vernieuwende mathematische principes. De
autoriteit van Boëthius’ De institutione
musica brokkelde hierdoor af. Hij was nu
slechts een van de vele theoretici uit het
verleden die een relatie tussen wiskunde
13 Moyer, Musicascientia: musical scholarship, 38-
39.
en muziek beoogde.’* De reputatie van
Boéthius, en daarmee indirect de Pythagoreische traditie, kwam door humanistische
tekstkritiek en de vernieuwende inzichten
in de wiskunde onder druk te staan.
Italië kende boevendien grote concurrentie tussen muziektheoretici en
componisten in de vijftiende eeuw. In
tegenstelling tot andere delen in het vijftiende-eeuwse Europa, waar er één hof met
één regerend vorst was, bestond ltalië ui
onafhankelijke stadstaten en hoven. Deze
grote verzameling van losse stadstaten en
hoven werd een platform voor heersers
en particulieren die muziek gebruikten
als een machtsmiddel om met hun rijkdom te pronken. Elk van deze hoven
probeerde vooraanstaande muzikanten in
dienst te nemen om de culturele concurrentie aan le scherpen. Muziektheoretici
en componisten ontwikkelden steeds meer
vernieuwende theorieën en composities om
aan de grillige vraag van de hoven te kunnen voldoen.
Een theoretisch aspect waardoor de
Pythagoreïsche stemming in de vijftiende
eeuw in ongebruik leek te geraken, was de
opkomst van vernieuwende chromatische
compositiestijlen en tekstexpressie in a
capella-muziek. Chromatiek is het gebruik
van halve, en niet enkel hele, toonafstanden. Deze nieuwe compositiestijlen
ontstonden niet alleen als een nieuwe modegril, maar ook om aan de hoge eisen van
de hoven te kunnen voldoen. Bepaalde
toonafstanden werden in de middeleeuwse
muziek als consonanten beschouwd en andere toonafstanden weer als dissonanten.
Dit veranderde gaandeweg de veertiende
en vijftiende eeuw door de vernieuwende
14 C.V. Palisca, Music and ideas in the sixteenth
and seventeenth centuries (Urbana 2006) 5-7;
30-31; 280-283.
15 Moyer, The quadrivium and the decline of
Boethian influence’, 489; 495-497; 511-512.
Page 5
View in PDF(opens in a new window)chromatische compositiestijlen, waarbij
Italiaanse componisten steeds meer de
voorkeur gaven aan andere toonafstanden
dan in de middeleeuwse muziek gebruikelijk was. Dit werd onder meer gedaan om
de emotionele beladenheid van de tekst in
de muziekstukken te vergroten."
VEERTIENDE- EN VIJFTIENDEEEUWSE ORGANOLOGIE: EEN
PRAKTISCH PROBLEEM
Muziektheorie en de uitvoeringspraktijk
verhouden zich nauw tot elkaar. Lange
tijd ondervonden middeleeuwse instrumentalisten van strijkinstrumenten en
getokkelde snaarinstrumenten, zoals de
luit, geen probleem met de Pythagoreïsche
stemming. Deze musici konden bij de
nieuwe opkomende compositiestijlen de
snaren van de strijk- en getokkelde snaarinstrumenten eenvoudig bijstemmen en de
composities uitvoeren. Dit werkte anders
voor klavierinstrumenten.!? Een toon wordt
bij een klavierinstrument geproduceerd
door de verplaatsing van lucht, zoals bij
een (kerk)orgel, of door een mechanisme
dat een gespannen snaar tot trilling brengt,
zoals bij een clavichord of klavecimbel. In
deze periode werd een orgel, waarbij een
blaasbalg de orgelpijpen van lucht voorzag, echter alleen ter begeleiding van een
koor of voor solomuziek gebruikt (zie figuur 3). Vocalisten kunnen zich eenvoudig
aanpassen door goed te luisteren en in so16 L. Plantinga, ‘Poetry and music: two episodes
in a durable relationship”, in: N. Baker en B.
Hanning (red.), Musical humanism and its
legacy: essays in honor of Claude V. Palisca
(Stuyvesant 1992) 327-328;
17 H.M. Brown en K. Polk, ‘Instrumental music’,
in: R. Strohm en BJ. Blackburn (red.), Music
as concept and practice in the late Middle Ages
(Oxford 2001) 124-131; 144-147; Duffin, “Tuning and Temperament’, 280-281; 284.
24.
lomuziek hoeft een organist geen rekening
te houden met andere instrumentalisten.
Hierdoor was de Pythagoreïsche stemming
géén probleem voor het samenspel van verschillende musici in één ensemble." De
opkomst van nieuwe instrumenten in het
veertiende- en vijftiende-eeuwse [talië zou
hier verandering in brengen. Met name de
organologische ontwikkeling van klavierinstrumenten, die een hamermechanisme
hebben om de snaar tot trilling te brengen,
droegen in de vijftiende eeuw bij aan de
ontwikkeling van stemmingen.
De verhandeling van de Nederlandse
organist Henri Arnaut de Zwolle (c.14001466) uit de periode 1430-1440 geeft een
mooi beeld van twee nieuwe klavierinstru-
De culturele concurrentiestrijd
tussen Italiaanse hoven
stimuleerde vernieuwing:
muziektheoretici raakten
verwikkeld in verschillende
polemieken
menten met gespannen snaren, namelijk
het clavisimbalum en het clavicordium
(clavichord). Hoewel er geen overgeleverde
clavisimbalum of clavicordium bekend zijn
uit de vijftiende eeuw, is het traktaat van De
Zwolle een van de vroegste bronnen waarin
bouwtekeningen van klavierinstrumenten
zijn opgetekend. Op de bouwtekeningen
is onder andere de werking van het hamermechanisme te zien.” Verschillende
18 Brown, “Instrumental music’, 160-161.
19 Henri Arnaut de Zwolle, Les traités d’Henri-
Arnaut de Zwolle et de divers anonymes, vert. G.
Le Cerf en E.R. Labande (Parijs 1932) v; 3-5;
7-9; D.Catalunya en P. Poletti, ‘Late Medieval
strung keyboard instruments: new reflections
and attempts at reconstruction’, Journal of the
Alamire Foundation 4 (2012) 141-142.
Page 6
View in PDF(opens in a new window)5
j
fa
STEEL"
iF
.
AE ET
i
«
sent
RENTNER
tl
He
EN
\
[4 \
\ |
f
Mii
Me
in
:
Bouwtekening van een orgel. De Zwolle, ‘Les traités d'Henri-Arnaut de Zwolle et de divers anonymes’ (Parijs
1932),
vijftiende-eeuwse iconografische bronnen,
1472 werkzaam was in Bologna en later in
zoals miniaturen en fresco’s, laten zien dat
Rome, en de Italiaanse muziektheoreticus
deze klavierinstrumenten in heel Europa
bekend waren. Er zijn verschillende miniaturen en fresco's in Italié gevonden die
laten zien dat ook Italiaanse musici deze
nieuwe klavierinstrumenten bespeelden.
Zowel de organologische ontwikkeling
van klavierinstrumenen met een hamermechanisme als de eerder beschreven
vernieuwende compositiestijlen droegen
eraan bij dat muziektheoretici met nieuwe
stemmingen experimenteerden. De culturele concurrentiestrijd tussen Italiaanse
hoven stimuleerde deze vernieuwingen:
muziektheoretici raakten verwikkeld in
verschillende polemieken.
Een van de bekendste is die tussen de
Spaanse muziektheoreticus Bartolomé Ramos de Pareja (c.1440-1522), die vanaf
en componist Franchinus Gaffurius (14511522).2° Geïnspireerd door de klassieke
oudheid stelde Ramos de Pareja in het
traktaat Musica practica (1482) dat er andere toonafstanden rein gestemd moesten
worden bij de Pythagoreïsche stemming.
Ramos de Pareja werd daarmee de eerste muziektheoreticus die een aanzet gaf
om een andere stemming te gebruiken
en ontwikkelde daarmee de zogeheten
middentoonstemming. In deze stemming
werden andere toonafstanden rein gestemd,
20 M. Lindley, ‘Fifteenth-century evidence for
meantone temperament’, Proceedings of the
Royal Musical Association 102 (1975-1976)
41; B.J. Blackburn, ‘Music theory and musical
thinking after 1450’, in: Strohm en Blackburn
(red.), Music as concept and practice (Oxford
2001) 318-325.
Page 7
View in PDF(opens in a new window)die voornamelijk geïnspireerd waren op de
mathematische uitwerkingen van de Ptolemeische traditie. Hoewel Gaffurius het
in eerste instantie eens lijkt te zijn met
Ramos de Pareja’s middentoonstemming,
verdedigde hij in De harmonia musicorum
instrumentorum opus (1518) de Pythagoreïsche stemming. Gaffurius stelde dat
de relatie tussen de wiskunde en de muziek essentieel is voor de vorming van een
stemming. Enkel de rationele benadering
van de Pythagoreische traditie bevatte, aldus Gaffurius, voldoende mathematische
onderbouwing voor een ‘correcte’ stemming.?' Desalniettemin lost deze polemiek
niet het probleem van samenspel in de Pythagoreïsche stemming op.
De eerste concrete en revolutionaire uitwerking van de middentoonstemming werd opgesteld door de Italiaanse
muziektheoreticus en componist Pietro
Aaron (c.1480-c.1545) in de verhandeling Toscanello in musica (1523). In het
laatste hoofdstuk van deze verhandeling
geeft Aaron een gedetailleerde uitwerking
van hoe instrumentalisten de instrumenten
moeten afstemmen op de middentoonstemming.” Daarmee kon het probleem van
samenspel door de nieuwe chromatische
composities en het gebruik van nieuwe instrumenten opgelost worden.
sen muziek en wiskunde. Dezelfde relatie
benadrukte Boéthius in de zesde-eeuwse
traktaten De institutione musica en De
institutione arithmetica, waarin hij het
gebruik van de Pythagoreische stemming
onderschreef. Boëthius’ traktaten bleken
te behoren tot de weinige in de middeleeuwen overgeleverde bronnen over antieke
muziektheorie. In combinatie met Boëthius’ christelijke achtergrond zorgde dit
ervoor dat de Pythagoreïsche stemming
de basisstemming voor middeleeuwse
musici werd. Vanaf de elfde eeuw gingen
bovendien de Italiaanse universiteiten
de muziekleer van Boëthius onderwijzen,
Dat muziektheoretici in het
vijftiende-eeuwse Italië zich
beriepen op theorie van de
klassieken moge duidelijk zijn
waardoor de Pythagoreïsche stemming
verder aan bekendheid won. Het was de
gebruikelijke stemming tot de veranderingen van de vijftiende eeuw.
Door de opkomst van de humanistische
tekstkritiek raakten Italiaanse muziektheoretici steeds meer beïnvloed door het
humanisme. Antieke Griekse- en Latijnse
muziekhistorische bronnen werden volop
verzameld, vertaald en becommentariëerd.
CONCLUSIE
Dat de middeleeuwse muziektheoretici in
het vijftiende-eeuwse Italië zich beriepen
op de muziektheorie van de klassieken
moge duidelijk zijn. De Pythagoreïsche
traditie beoogde een nauwe relatie tus21 C.V. Palisca, Humanism in Italian Renaissance
musical thought (New Haven 1985) 117-123;
222; 231-232.
22 Blackburn, ‘Music theory and musical thinking
after 1450’, 338-341.
26
De muziektheorie van Boëthius en de Pythagoreïsche traditie kwamen, mede door
de filologische methodiek van Gallicus en
het vernieuwend wiskundig onderzoek van
Lefèvre d’Etaples aan de Italiaanse kathedraalscholen, onder druk te staan. Niet
langer zou Boëthius’ De institutione musica
de enige gezaghebbende autoriteit zijn op
het gebied van wiskundige muziek. Tevens
droegen de nieuwe chromatische composi-
Page 8
View in PDF(opens in a new window)tiestijlen, waarin andere toonafstanden als
consonanten werden toegepast, bij aan de
teloorgang van de Pythagoreïsche stemming.
In de uitvoeringspraktijk maakte de
organologische ontwikkelingen van klavierinstrumenten het voortbestaan van de
Pythagoreïsche stemming lastig. Er werd
een hamermechanisme gebruikt om de
snaren tot trilling te brengen, waarmee
rekening gehouden moest worden. Het
clavisimbalum en het clavicordium, zoals
beschreven in de verhandeling van De
Zwolle, waren alom bekend in Italië, maar
ze veroorzaakten een probleem voor het
samenspel. De snaren konden simpelweg
niet bijgestemd worden, waardoor vijftiende-eeuwse muziektheoretici genoodzaakt
waren om te experimenteren met nieuwe
stemmingen.
Ramos de Pareja experimenteerde
als een van de eersten met een nieuwe
stemming als alternatief voor de Pythagoreïsche. Deze kwam later bekend te staan
als de middentoonstemming. Een tegenreactie werd gegeven door Gaffurius. Hij
probeerde de Pythagoreische traditie
in stand te houden maar bood geen concrete oplossing voor de vernieuwende
chromatische compositiestijlen en organologische ontwikkelingen. Uiteindelijk gaf
Aaron een concrete beschrijving van hoe
instrumentalisten moesten afstemmen op
de middentoonstemming, waarmee deze
vijftiende-eeuwse ontwikkelingen op het
gebied van de muziek opgelost konden
worden. Zo raakte Pythagoras’ muziektheorie langzaam overstemd.
Nick
Pouls
student
(1992)
Ancient,
is
master-
Medieval,
and
Renaissance Studies aan de UU.
Vooral de intellectuele geschiedenis
van de middeleeuwen en renaissance
boeit hem. Daarom verdiept hij zich
in de geschiedenis van religie, muziek
en schrift.