Hoedanig was het gevoelen der oude wysgeeren ….[DEEL 2; VOOR DEEL 1 ZIE 06244

Author
Wyttenbach, D.
Published in
Verhandelingen raakende den natuurlijken en geopenbaarden godsdienst
Year
1784
Subject
HISTORY
Language
Nederlands
Category
C12 Religion
Archive number
934

Open PDF(opens in a new window)

Show full text118 pages

Page 1

View in PDF(opens in a new window)
VERHANDELINGEN, RAAKENDE NATUURLYKEN ex GEOPENBAARDEN GODSDIENST, UITGEGEEVEN TF E AL GODGELEERD DOOR ER S GENOOTSCHAP. ge TE HAARLEM by JOH. ENSCHEDE a” en J. VAN en Zoouen Ld WAL RE, MDCCLXX EX XIV. N u KONINKL.\ TIBLIOTUEER| SHAG i]

Page 2

View in PDF(opens in a new window)
No text on this page.

Page 3

View in PDF(opens in a new window)
DANIELIS WYTTENBACHII iN ILLUSTRI AMSTELAEDAMENSIUM ATHENAEO PHILOSOPHIAE PROFESSORIS D I1SPUTATIO QUAE PRAEMIUM REPORTAVIT ANNO MDCCLXXKXIIL DE QUAESTIONE PUBLICE PROPOSITA. "QUAE FUERIT VETERUM PHILOSOPHORUM, » INDE A THALETE ET PYTHAGORA, USQUE „AD SENECAM, SENTENTIA DE VITA ET ST4» TU ANIMORUM POST MORTEM CORPORIS” AD VIROS NOBILISSIMOS ET ERUDITISSIMOS LEGATI TEYLERIANI CURATORES.

Page 4

View in PDF(opens in a new window)
ANTWOORD OP DE A A G: HOEDANIG WAS HET GEVOELEN DER OUDE WYSGEEREN, VAN THALES EN PYTHAGORAS AF, TOT OP SENECA TOE, WEGENS HET LEVEN EN DEN STAAT DER ZIELEN NA DEN DOOD DES LICHAAMS? DOOR EENEN ONGENOEMDEN S R. R Y VE Wien daarop door de Heeren Direéteuren van TEYLERS NALAATENSCHAP de tweede ZILVEREN EERPRYS Was toegeweezen.

Page 5

View in PDF(opens in a new window)
No text on this page.

Page 6

View in PDF(opens in a new window)
Bladz. 395 ANTWOORD OP DE VRAAG OVER DE GEVOELENS DER OUDE WYSGEREN WEGENS DEN STAAT DER ZIELEN NA DIT LEVEN. NN INLEIDING. Bebelzende een plan der denkwyze van onbefchaafde menfchen over den flaat na dit leven. Gas volkeren, ook dezulke, welker befchaaftheid en kundigheden het voorwerp van verwondering en achting der nakomelingen zyn, hebben, even gelyk cebele vol. elk mensch in ’t byzonder, eene zedelyke kindsheid heren bebe moeten doorworftelen, voor en aleer zy by het klim- z<deiyte kindsbeid 1 het meer zekere levenspad konden be- gereeft. men der jaren reiken, waar de heerfchappy der zinnen voor de rede begon plaats te maken, en waar tomeloze driften niet alleen den gang beftuurden. Hoewel nu de zedelyke opvoeding. en wasdom by alle geenfints dezelfde geweest zy, en eene verfchillende richting door zeer vele

Page 7

View in PDF(opens in a new window)
bykomende oorzaken gekregen hebbe, is er echter in den denkensaart der menfchen, op denzelfden trap van befchaaftheid of onbefchaaftheid geplaatst, eene overeenkomst, welke elk oplettend befchouwer verbazen moet, ten zy hy geleert hebbe de gefchiedenis der neigingen en vooral der godsdienftige begrippen zyner natuurgenoten met een wysgerig oog gade te flaan. Wanneer afgetrokkene ftelfels en wysgerige befpiegelingen by een volk begonden ingang te vinden, kon Welkede het niet anders zyn, of de redelykheid der uitzichten mane in een leven hier namaals moest op denzelven voet heen, ge voortgaan, met de trappen der vorderingen in den nauitzichten tuurlyken Godsdienst; of, het geen hier op het zelfvoekomen. de uitkoomt, de oude Wysgeren moeten des te meer denflaat. verlicht geacht worden, naar mate zy nader kwaïnen by de geopenbaarde waarheid, door welke wy worden beftraalt. Ik fpreek hier echter alleen van de Wysgeren en de verlichte onder de oude volkeren. Want voor het overige moet men geenfints ‘denken, dat de redelykDeGods- heid van godsdienftige begrippen op gelyken voet dienflen aan moest met de vorderingen in kunften en wetenor fchappen, welke het befchaafde leven kenmerken. De ‘abe. beroemdfte maatfchappyen der oudheid, welke onder fbavirg. een geregeld ftaatsbeftuur en zeer wyze wetten leefden, welke uitftaken in alles, ’t welk dienftig zyn kan om het menfchelyk verftand op te klaren en te verlichten, hadden eenen openbaren erendienst, wel. ke weinig zedelyker was dan die der ruuwfte natien. De oplosfing dezer in den eerften opflag fchynbare

Page 8

View in PDF(opens in a new window)
tegenftrydigheid is gemakkelyk te vinden. De volkssive godsdienst immers was reeds ingevoert in de eeuwen „4 van onkunde en kindsbeid der maatfchappy, en wier- van. de hierom in latere dagen alleen eerwaardig geacht door haren hogen ouderdom. Daarby hadden de wetgevers overal zorg gedragen, dat het godsdienftig en burgerlyk ftaatsgebouw met gemene banden wierde aaneengeklonken, en hierom was het dan ook eene zeer ftrafbare overtreding der burgerlyke plichten, ja zelfs ‘eene misdaad van ftaat, zo iemand beftonde den godsdienst zyns vaderlands, hoe uitzinnig dezelve over ’t geheel zyn mochte, te verachten en te befpotten, en dus dien gemeenfchappelyken band van heilige en burgerlyke plichten van een te rukken. Dog hiervan zal ik naderhand breder moeten handelen. Groote hinderpalen waarlyk tegens den gelukkigen voortgang van de zedelyke opvoeding der volken. Daar het licht der wysbegeerte, en meer redelyke begrippen van godsdienst, of zedenkunde, het welk het menfchelyk verftand buiten hulp eener goddelyke openbaring konde bereiken, alleen bepaalt bleef by een klein getal van geleerden, en zo weinig invloed hadde op het gemeen, dat men zelfs in de befchaaftfte dagen van Griekenland en Rome gene volksvergaderingen gehad heeft, waar lesfen van deugd en eerlykheid, op godsdienftige beginfelen gebouwt, en den burger ingeprent wierden (4). Menin (a) BAYLE Continuat, des Penfées diverfes $ 53. PUFENDORF Znirod, hiffor, p. 1. Cap. 12. § 2.

Page 9

View in PDF(opens in a new window)
Menfchen, welker godsdienftige leiding zo flecht was, dat hen enkel uiterlyke plechtigheden en nimmer plichten wierden bygebracht, konden zig zekerlyk gene gedachten van den ftaat hier namaals vormen, welDegos. ke wy Kristenen enigfints redelyk zouden durven noeoan sat men, daar de grote hoop enkel zinnelyke denkbeelde uitzich. den naliep, en omtrent dit ftuk in den voortgang der ee befchaving des verftands geenfints deelde. Want wy beid. Zullen zo ftraks zien, dat deze zinnelyke begrippen van den ftaat na dit leven door de volkeren in de kindsheid van hun beftaan reeds worden aangenomen. Ze zyn daarna altoos dezelfde gebleven, en noch verfynt noch veredelt geworden, ten zy men hier toe brengen wil de vercieringen van dichters en fabelleeraars, welker vernuft en verbeeldingskracht de aan{taande plaatfen van geluk en fmerte omftandiger hebben uitgefchildert, en den hemel en hel hunner voor. Vervalder ouderen met nieuwe namen en woonplaatfen verrykt. Romeinfebexeden. Wy zullen echter in ’t vervolg zien, dat de Romeinen, in de dagen hunner grootite verbastering, het zo verre gebracht hadden, dat zelfs het gros des volks de vaderlyke denkbeelden omtrent den toekomenden ftaat vaarwel gezegt hadde. Maar gelyk het altoos veel gemakkelyker is af te breken dan op te bouwen, had men ook te gelyk alle uitzichten op een leven hier namaals verloren, daar men het omvergeworpen leerftelfel met geen ander, het welk beter of redelyker was, wist te vullen. Men moet dus de palen van wysgerige befpiegelingen der ouden en hunne volksdenkbeelden wel uit een zetten. Dan, daar de Wys-

Page 10

View in PDF(opens in a new window)
geren die genoemde ftelfels vonden, en daar het, gelyk ik zo even aanmerkte, zeer gevaarlyk was, wan- Wasgeren neer men dezelve wilde trachten omverre te werpen, der Ouden hebben velen zig ook gehouden aan de fpreckwyzen volgen de en namen, ten hunnen tyde in gebruik zynde, of. 8”? fchoon zy in de zaak zelfs meer verfynde en minder zinnelyke inzichten mochten hebben. En om deze reden achte ik het vermakelyk te gelyk en leerzaam, voor en aleer ik ter nafpeuring der gedachten van de oude Wysgeren nopens den ftaat der menfchen na dit leven overga, eene gefchiedkundige fchets op te geven van de denkbeelden by minder befchaafde menfchen omtrent het genoemde onderwerp te vinden. En hier toe befluite ik des te gereder, wyl het Edele Genoot{chap in hèt programma den Schryveren de vryheid gelaten heeft, om de palen hunner verhandelingen verder uit te zetten, dan de juiste beantwoording der opgegevene vraag eigentlyk vereischt. De gefchiedenisfen der ouder’ en latere volkeren, De leer welker godsdienftige ftelfels tot ons zyn gekomen , van zen lee 5% hier bewyzen ten vollen, dat de leer eener voortduuring of namaals overal # van een leven hier namaals, die grote en enige troost tegens de drukkende moeielykheden, welke het men- na {chelyke leven verzellen, inalle tyden, waarvan wy be{cheid hebben, is aangenomen en gelooft geweest. Deze opbeurende hoop van een’ toekomftigen gelukftaat kan het menfchelyke geflacht natuurlyk eigen worden genoemt, daar wy dezelve overal vinden gevestigt, waar flechts menfchen wonen, zonder onderfcheid van den zedelyken toeftand, waarin zy zig bevinden, het zy

Page 11

View in PDF(opens in a new window)
dezelve gekenmerkt wordt door dierlyke onkunde en ongevoeligheid, eigentlyke wildheid, welke wy den ftaat der barbaarsheid noemen, of meer gevorderde befchaaftheid, welke met eene gelukkige aankweking der redelyke vermogens gepaart gaat. Nooit heeft de fchelmery van fpitsvinnige bovennatuurkundigen en befpiegelende ongodisten het zo verre kunnen brengen, dat deze leer in enig land heeft opgehouden het volksbegrip te zyn; hoewel de grillige bepalingen van den ftaat der menfchen na dit leven dikwerf oorzaak geweest zyn, dat dezelve veel van haren anderfints zo heilzamen invloed op het geluk der volkeren verloor, gelyk by verderen voortgang dezer nafpeuringen met voorbeelden zal worden bevestigt. Om nu de denkbeelden van elk volk in ’t byzonder over den toeftand der menfchen aan de andere zyde des grafs nader te leeren kennen, is er geen korter weg, dan hunne begraafhisplechtigheden naauwkeurig den flaat te onderzoeken, welke veelal hierop betrekkelyk zyn worden uit de be- (a). Men vind, by voorbeeld, dat zeer veele gewoon graafhisplechtig. waren of nog zyn fpyzen, wapenen, huisraad, geld, De denkbeelden over den toekomenbeden opgeheldert. en andere dingen, welke den afgeftorvenen in dit leven van gebruik waren, met de lyken zelfs te begraven. Dit toont ten duidelykften, dat de menfchen ook na den dood dezelfde aandoeningen en neigingen geoordeelt wierden te behouden, welke hen in dit leven eigen waren, En deze is ook zekerlyk de alge(a) Cicero heeft zeer wel aangemerkt, dat deze begraafnis-plechtigheden de algemene overreding des menfchelyken geflachts aanduiden, dat hun beftaan met dit even geenfints eindigen zal. Zufe. Quaeft, L 12,

Page 12

View in PDF(opens in a new window)
mene gedachte, welke men by alle onbefchaafde menfchen vind ingevoert, gelyk ik naderhand door voorbeelden zal aantonen. Over het geheel is deze regel natuurlyk, en gaat Zasere‘daarom in alle gevallen door: menfchen, welke zig wei- Less nig boven het dierlyke hebben verheven, welke enkel door en den invloed der zinnen worden beftuurt, hebben zig ook onbe gene andere dan zinnelyke begrippen kunnen vormen van sale hunnen flaat na dit leven. Hoewel deze {telling van niemand zal worden tegen- . . gefproken, zal ik ze echter ter nadere opheldering met enige gefchiedkundige voorbeelden ftaven. Echter wil ik by voorraad hebben aangemerkt, dat, daar de denkbeelden van zinnelyk vermaak en ongeneugte door verfcheidene bykomende oorzaaken, als daar zyn de luchtftreek, waaronder de menfchen wonen, en andere worden beftiert (a), men hier ook geenfints de betrachting van dit onderfcheid uit het oog moet verliezen. De ongevoelige, domme, en vadzige Zuid-Ameri- Denkbectcaan zoekt zyn grootfte geluk in eene volftrekte ledig- donder heid, en rust, beide van lichaam en ziel. Die ftam-## men vooral, welke een jagers en visfchers leven leiden, zyn dikwerf onderhevig aan de moeilykheden en ongemakken, dien ftand natuurlyk eigen; gebrek namentlyk aan het nodige voedzel. Daar nu deze men{chen van zedelyke geneugtens geen den minften indruk (a) FALCONER on the influence of Climate, fituation, nature of county

Page 13

View in PDF(opens in a new window)
druk hebben, kunnen zy zig ook geen ander denkbeeld van beftaan vormen, dan van dat, het welk zy hier ondervinden, en hunne toekomende zaligheid is dus niet anders dan eene voortduring van dat beftaan, met dit onderfcheid echter, dat hetzelve volgens huns ne denkbeelden zal ontheven zyn van die moeielykheden, welke hier op aarde het genot der zinnen wederftreefden, en wel voornamelyk van allen arbeid en lastige bezigheden. Derzetoer Der Americanen hemel is een aangenaam land, waarhemd. in het altoos lente is, waar de bosfchen vol wild Zyn, en de rivieren van visch krielen, waar nooit honger gevoelt, maar eene onafgebroke overvloed zonder werk of arbeid zal worden genoten (4). De Heer Forster, reisgenoot van den doorluchgen Cook, (wiens ongelukkig uiteinde elk menfchenvriend en beminnaar der wetenfchappen lang betreu- Pr ven zal, en wiens ontdekkingen zo veel lichts over Cook beden aartkloot, en den natuurlyken en zedelyken mensch hebben verfpreit,) verhaalt van de eilanders der zuidzee, de wellustigfte en minst tot den arbeid geneigde volkeren der waereld, dat zy overtuigt zyn van een gelukkig leven, hier namaals in de zon te leiden, waar zy zullen worden verzadigt met vruchten en vleesch, welke gene de minfte toebereiding of arbeid zullen nodig hebben (2). | | Soort- (a) RoBerTson America II, 257, (4) Forster Obfervations faites pendant le fecond voyage de Mr. Cook dans Vhemisphere Auttral fur la Geographie, lhiftoire naturelle, & la philofophie morale p. 441, 449.

Page 14

View in PDF(opens in a new window)
Soortgelyke denkbeelden fchryft men ook den Sinefchen Foe tue, volgens wiens leer de toekomende Her, zaligheid der menfchen in enkele rust moet beftaan, Indianen. En het zoude geenfints moeielyk zyn hier meerdere voorbeelden van denzelven aart by te brengen, vooral zo men de Indiaanfche godsdienften wilde doorzoeken, daar deze volkeren van allen tyde voor wekelyk, vadfig en even flap van lichaams als zielsvermogens zyn gehouden. “go AN) TE De denkbeelden en bepalingen van den toekomenden ftaat, welke men by de Europifche, en vooral Deroude , Europiby de Noordfche volkeren aantreft, zyn wel even Zin- fbe en B , nelyk en onredelyk als de zo evengenoemden, dog vooral Wioranre den hemelingen zelfs word eene meerdere werkzaam- volkeren. heid toegefchreven, en dus is rust en ledigheid by hen geenfints de kenmerkende fchets van zaligheid. Zamolxis de Schytier, daar hy volgens het getuigenis der ouden by de onfterflykheid der ziel leerde, dat den zulken de hoogfte gelukftaat was befchoren, wel. ke met de wapenen in de hand ftierven (4), heeft buiten twyfel de aanftaande vreugde ook gezocht in krygsmans verlustigingen, wyn, feesten, en het behandelen der wapenen. En men heeft grond om te ge Nog by de Americanen, nog by de aangehaalde eilanders der zuidzee vind men fporen van denkbeelden der vleefchelyke wellust, in het onbepaalde genot van vrouwen hier namaals te genieten, waarin het voorname geluk van den Turkfchen en ouden Noordfchen hemel beftaat. Dog en Americanen, en de genoemde eilanders kunnen dezen trek tot verzadiging op deze waereld voldoen. Ook worden de eerstgenoemden gewoonlyk befchuldigt van ongevoeligheid omtrent de fchone kunne, (4) Suipas in Zamolx. II, p. 2. Heron. IV. 95.

Page 15

View in PDF(opens in a new window)
404 DE GEVOELENS DER OUDE WYSGEREN geloven dat deze denkbeelden by alle die woefte natien zyn doorgedrongen, welke geene andere Goden: eerden dan die des krygs en der verwoefting, gelyk de Celten, Geten, Thraciers, en andere, waarom zy dan ook dezelve gewoonlyk voorftelden onder de Zinnebeelden van lansfen, zwaarden, fpiesfen, en andere wapenen (a). Ja, by die echte kinderen van Mars, de oude Romeinen, was zelfs dit denkbeeld doorgedrongen (2), en ’t was hierom, gelyk ik in ’t vervolg zal doen zien, dat zy den eerften rang onder de gelukkige onfterfelyken toekenden aan dappere oorlogshelden, welke hun leven voor ’t vaderland hadden gelaten. : Nergens echter vind men dezen oorlogszuchtigen DeGo. trek klaarder tot den gelukftaat van een ander leven oun" uitgeftrekt, dan in den cerendienst van den verfchrikkelyken Odin. De gefneuvelde helden kwamen na hunnen dood in de Valhalla, of zaal der flachtinge, een paleis door Odin zelfs bewoont, alwaar zy zig vermaakten met den wapenhandel, vrolyke feesten , bier drinken uit de hersfenpannen hunner verflagene vyanden „ en ook vrouwen (c). Bekent is het hiertoe betrekkelyke doodslied of de zielmis van Regner Lodbrog, welk ftuk ten Kate vertaalt en met aanmerkingen opgeheldert heeft. Over Ce) HERODOT. IV, 62. Ammıan. Marc. XXXI, 2. P. Metall, 1 ARNoB. contr. gent VI, p. 246. \4) Justinus XLII, 3. 42 origine rerum pro Dis tmmortalibus veteres baBam coluere, ob cujus relistonis memo iam adbuc Deorum fimnlac: is Laflae adduntur.. Ce) Keister Antiq. feleét. fepientr, et Celtic. 127. Phil lib. II, cap. 9, § 14. BRUCKER Lift, Cris

Page 16

View in PDF(opens in a new window)
Over dit lach ik immers Dat ik Baldurs vaders (Odins) rustbanken Voor my bereid weet; in dat hof Drinken wy in't korte bier Uit de holle bekers van bekkenelen. En wat lager: Blyde zal ik ael met de fehikgodinnen Op de hoogfte zitplaats drinken. Des levens ftonden zyn verlopen Lachende zal ‘ik fleryen. Deugd of reinheid van zeden komen by die onbe- {chaafde volkeren zeer weinig in aanmerking, in de be- py 5e. palingen van den toekomftigen gelukftaat. Een wysgerig fehaafde menfchen befchouwer der talen weet dat de woorden, welke by #deugd de wegter meerderen voortgang der kundigheden en aankweking Seenfinis der zielsvermogens de betekenis eener zedelyke recht- z@'gbeid, heid of volmaaktheid gekregen hebben, in oudere en Pr ruwere tyden enkel en alleen betrekking hadden op heid, tichaamsfterkte en dapperheid, welke waarlyk eniglyk voor deugden gehóuden wierden, en daarom ook derzelver beloningen alleen moesten genieten (4). Deze aanmerking ftrookt volkomen met het geen wy zo aanftonds nopens de denkbeelden van de bedeling des gelukftaats na dit leven verhaalden. Ook konden menfchen, welke van de ziel gene andere begrippen hadden dan die van een wind, een adem, of welke gedachten niet anders weten uit te drukken dan door woorden van den buik (D), zig geen denkbeelden vormen van (4) drerh, Virtus, ke. (à) Forster als boven p. 338.

Page 17

View in PDF(opens in a new window)
van hun eigen redelyk gedeelte, deszelfs eigenfchappen, of waar zedelyk goed, De Scandinavifche godsdienst lict ingevolge deze | | Geh ' » begrippen alle, welke in een gevecht gefheuvelt wade Scandi. Yen, toe in het paleis van Odin, of de Valhalla, ter- | me wyl de zulke, welken aan ziektens of gebreken ftierven, veroordeelt wierden tot een jammervol beftaan, als blyvende voor altoos opgefloten in! eene plaats van kommer en ellende, alwaar Hela of dood een willekeurig gezag oefende. Haar paleis was droef heid, hare tafel honger, hare dienaren verlangen en te leur | i | ftellingen, de drempel harer deur overyling, en haar bed magerheid (4). Maar, wat den krygsheld betrof, het fcheelde niets of hy om eene rechtvaardige zaak i | het leven liet, zo hy maar dapper vechtende viel (2). De meest oorlogzuchtige ftammen van America ge- Pré ven in hun land der geeften den voorrang aan den afgewn rechten jager, den ftouten en gelukkigen oorlogsheld, eindelyk aan de zulke welke het grootfte getal van vyanden verrascht en verflagen, welke vele hunner gevangenen gepynigt, en hun vleesch verflonden heb- Harders. ben Cc). En dus denken ook de Yslanders; dat het . } | À | “ : - zekerst pad ter zalige onfterflykheid door oorlog, moord, en plondering moet worden gezocht (7). Dog laat ons met deze voorbeelden vergenoegt zyn. Zy betogen immers ten vollen, dat by woeste krygshaf(a) Marrer North Antig. Tom. I, p. rer. 4) Farconen ter aangehaalder plaats p. 506. VAL. Max, II, 6. no. 11, extern. 3 ROBERTSON Americ, II, 257. (4) Lettres on Iceland 84.

Page 18

View in PDF(opens in a new window)
haftige natien de toekomftige gelukftaat niets anders is dan eene voortduring van de grootfte zaligheid, welke | zig een ruuw krygsheld konde voorftellen, en dat deugd by hen enkel in dapperheid is gelegen. Niet zo lang zoude ik by deze verhandeling hebben blyven ftil ftaan, ware my niet gebleken dat die verwisfeling der denkbeelden van dapperheid en deugd, ook by den meerderen voortgang van befchaving, en gelukkiger aankweking der zielsbekwaamheden, invloed hadde gehad op de bepalingen van toekomend geluk, gelyk ik in ’t vervolg met voorbeelden nader zal bevestigen. Nu moet ik nog een weinig ftilftaan by het betoog fockoaanmerking, reets te voren gemaakt; dat nament- #2 eener mende le. lyk volkeren, welke door eene meer redelyke wys- ven word geerte geenfints verlicht en beftuurt worden, zig hetpas toekomende leven gewoon zyn voor te ftellen als eene ebene menfchelyke maatfchappy, in dewelke de afgeftorve- maarnen dezelfde betrekkingen zullen blyven behouden Jhapt). welke zy hier op aarde hadden, en dat hunnen toeftand aan de andere zyde des grafs moet worden afgemeten na den rang, in welken ieder byzonder mensch zig hier geplaatst zag. De oude Romeinen hadden van de Etruriers, hunne meesters, in veele plechtigheden en godsdienftige oorgrong begrippen, ook de gruwelyke gewoonte overgenomen, #7.L om by de begrafenisfen of houtftapels flaven te offe- fübermers, ren, welke men begreep de doorluchtige en edele mannen in de andere waereld te zullen navolgen, om hen aldaar ten dienfte te ftaan. Dog, toen men in de

Page 19

View in PDF(opens in a new window)
dagen van meerder licht en befchaving de ysfelykheid‘ dezer offerhanden begon te bezeffen, zyn de fpelen : der zwaardfchermers in gebruike gekomen, welke niet als voorheen door offerpriesteren, maar door elkanders handen wierden.vermoort, en dat wel, wat den oorfprong betrof, met hetzelfde godsdienftige oogmerk, hoewel naderhand meer ter verlustiging van een Der moor-- bloeddorftig en wreedaartig volk (2). Dezelfde gewoonte, uit eene gelyke ftelling, nopens. genen flachtinde voortduring der menfchelyke betrekkingen en rangen by de gen na dit leven oorfprongelyk, kost nog in onze da. EPLECI . . . . . tigheden. gen in het Oosten, en wel inzonderheid in Sina, en aan de oevers der Ganges, jaarlyks vele duizenden ‚het leven (5). + Wanneer by de Natchez in Louifiana een Vorst of Cacique koomt te fterven, word er te gelyk ook een zeker getal vrouwen, gunftelingen, en flaven omgebracht, om hem in de andere waereld te dienen en gezelfchap te houden. Ook gaat de verblindheid dezer menfchen zo ver, dat er vele gevonden worden, welke zeer gretig zyn na die zogenaamde eer (c). Ein(a) TeRTULLIAN, de Spe&. c. 12. Kircum. de funer. IV, 8. Guriter de iure man. 11.8. Niet alleen de zwaardfchermers, en alle die in het beestenperk traden, maar ook vele andere ter doodftraf veroordeelde, waren by de Romeinen cigentlyke menfchenofers, welke uit godsdienftige beginzelen den Goden wierden geheiligt. Dit zoude ik, des gevordert, gaarne aannemen te bewyzen. (4) Pauw Recherches fur les Egypt. & les Chinois Tom. IL. Se&. 7. Wie kent niet het ysfelyke bygeloof , waarvan de Indiaanfche vrouwen de flachtoffers zyn? Zie ook P. Mera IT, 2. alwaar hy dezelve gedrochtelyke gewoonte van’ de weduwen der oude Thraciers verhaalt. Zo ongelukkig groot is de overeenkomst der menfchelyke dwaasheden, zelfs in de allernaarfte begrippen. Ce) Pauw Recherches fur les Americ. II, 217. Roperrs. Il, 259. Men moet zekerlyk met de Pauw erkennen, dat zelfs die denkbeelden, welke over ’ geheel voor het geluk des menschdoms allerheilzaamst zyn, dikwerf een zeer groot

Page 20

View in PDF(opens in a new window)
Eindelyk behoren tot dezen rang van woeste begrippen alle die godsdienftige inftellingen, volgens dewelke gevangenen in den kryg op de graven der krygshelden wierden geflacht, gelyk dit de zeden der oude Gallen, Germanen, en andere volkeren medebrachten. De zachtaartige bewoners der zuidzee-eilanden be- Heronder: : heid de gaan wel geen godsdienftige moorden, om den overle- foe na nen groten dienaren in de andere waereld te verfchaf- Den de fen, dog hebben evenwel den gelukftaat hier namaals dentöeetlen der ook afgemeten na den rang der menfchen in dit le- eilanders ven (4). derzuid: Nu zoude ik, om tot het hooftonderwerp dezer verhandeling te komen, kunnen overgaan ter nafpeuring van minder ruwe gedachten, nopens den ftaat der mengroot zedelyk kwaad naar zig kunnen flepen, en dat dus ook de hoop van een toekomend leven, welke ons geflacht hadde moeten troosten tegens de wisfelvalligheden van dit beftaan, de bron geweest is van oneindig vele misdaden en plechtige geheiligde moorden. Maar wanneer hy gelooft, dat niet het leerftuk der onfterfelykheid, maar dat eener opftanding deze gruwelen gewrocht heeft, en wanneer hy verder hieruit befluit, dat die laatstgenoemde leer veel algemener is aangenomen geweest onder de volkeren van Europa, dan men gemeenIyk gelooft, koomt het my voor, dat er gevolgen worden afgeleid uit oorzaken, welke niet kunnen worden bewezen, of fchoon de grote MONTESQUIEU hieromtrent in ’t zelfde begrip ftaat. V. PEfprit des Loix XXIV, 19. De Grieken by voorbeeld, Romeinen, en andere volkeren begroeven lampen, huisraad enz. by hunne doden, of fchoon men nergens vind, dat deze volkeren eene eigentlyke opftanding der doden hebben erkend. Zie Cicero Tufc.l, 16. In de bygelovigheden van onkundige menfchen worden duizend tegenftrydigheden gevonden, welke zo groot zyn, dat men ligt zoude overhellen om vele din. gen van dien aart in twyfel te trekken, welker gezag enkel op verhalen rust, indien niet de dagelykfche ondervinding ons genoegzaam overtuigde, dat de menfchen ook in de vreemdfte dwaasheden zig zelven gelyk blyven. Ja, de genoemde Schryver heeft dit elders zelfs erkent in het aangehaalde werk Tom. I, ag. 113. . . ? (#) Voyages autour du monde, redigeés apres les papiers de Mr. Banks par Hawkesworth Tom, Il, 519. ForsTer ter aangehaalde plaats bl. 449.

Page 21

View in PDF(opens in a new window)
menfchen na dit teven. Maar alvoreris dit te’doen, wil ik nog kortelyk hebben aangemerkt, dat het denk- Veele oo beeld van rampzaligheid en plaats van finerte, in de beneenbe- gedachten van geheel onbefchaafde menfchen, of à mel zonder bel. : . gansch niet opgekomen fchynt te zyn, of ten minften op verre na zo duidelyk ons niet afgefchetst is als dat van een zinnelyken gelukftaat. Onder alle de woeste Americaanfche ftammen , welker natuurlyke en Gelyk de zedelyke eigenfchappen door zo vele wysgerige penAmeri. . B . caanen, nen in een helder daglicht zyn geplaatst, heb ik nooit de fporen eener eigentlyke Ze/ kunnen ontdekken. Ja, zelfs zal men deze by de Mexicanen te vergeéfs zoes ken, welk volk echter by de eerfte «aankomst der Spanjaarden reets in een foort van burgerlyke maatRede , fchappy en onderwerping leefde. Derede:.van dit onde bel by derfcheid, waarom men namelyk zo veel vroeger een ben ai hemel als een hel vind, valt my niet moeielyk te gisah der fen. Menfchen, welke of geheel geene, of ten minften den van alleronvolmaaktfte denkbeelden van zedelykheid hebsen hemel. ben, en welke, daar zy in hunne natuurlyke onafhanglykheid omzwerven, althans van burgerlyke deugden of plichten jegens eene maatfchappy onkundig NM zyn moeten, hebben ook zekerlyk geene hel gefticht voor fchelmen, of vyanden van een vaderland, hét welk zy niet kenden. Dog wanneer men by de volke: ren de beginzelen van een burgerftaat befpeurt, en vooral. wanneer de dichtkunde en derzelver cieraden het hoofd beginnen op te fteken, vind men ook eene plaats van ftraffe of rampzaligheid ingevoert, welke “by voortgang des tyds meer en meer met nieuwe nai.

Page 22

View in PDF(opens in a new window)
men en plaatfen verrykt is geworden, naar mate de kundigheden van zedelyke en burgerlyke deugden meer uitgebreid en volkomen wierden (4). Deze is, myns bedunkens, de natuurlyke voortgang der menfchelyke denkenswyze omtrent dit onderwerp, en ik ben er dus zeer verre van af, om met WARBURTON te ftellen, dat de hoop van beloningen en vrees voor ftraffen een overblyffel is der zorge, welke den ouden Wetgeveren eigen was, om hunnen burgeren het geloof van een toekomenden ftaat in te prenten. Want men vind, gelyk ik zo even ganmerkte, vele volkeren, welke geene plaatfen van toekomftige ftraffen fchynen te kennen of te geloven (2). Wat nu de gedachten dier volkeren, in welker ftelfel reets eene hel of plaats van fmerte was ingevoert, . . . an +. Hoe de bet betreft, dezelve waren niet minder zinnelyk, dan die, wierde pe. welke, gelyk wy te voren zagen, den hemel by hens bepaalden. Het fchynt, dat de invloed der luchtftreek hier (a) Cicero Tufe. 1,5. Dic, quaefo, num te illa terrent, triceps apud inferos Cerberus, Cocyti fremitus, transvedio Acherontis, mento fummam aquam at- — Quid negotii eft haec poetarum et pittorum fgmenta tingens fiti eneßus Tantalus! conviicere, (6) Warburton Godd. zend, van Mozes, eerfte deel aan het einde, Die zelfde Schryver merkt elders te recht aan, dat de denkbeelden van een toekomenden ftaat overal, zelfs by menfchen, zonder eigent!yken godsdienst levende, van alle tyden zyn aangenomen. En men heeft zekerlyk niet den minften grond om te geloven, dat de voorouders van alle ruuwe volkeren door zulke wetgevers,als hy bedoelt, zyn befchaaft geweest. Dog deze waarlyk zeer geleerde man heeft dikwerf om zyne hooftzaak, namelyk de onkunde der oude Joden in de leer van een toekomend leven, (eene ftelling, op zig zelve, buiten opzicht op de plaatfen der H. Schrift onwaarfchynlyk, ja zelfs volgens zyn eige gedachten onnatuurlyk,) te betogen, begrippen moeten voorftaan, welke hem hier en daar verre van den rechten weg afvoerden.

Page 23

View in PDF(opens in a new window)
De lucht- hier flreek veel afgedaan heeft (a). De hel van warme gebeeft veel westen invloed op deze bepaling. beftond in eene toeneming van hitte, welke hier reets het grootfte ongemak ‘des levens uitmaakte. Dus fpreekt Homerus van de Titans, als gekluistert zynde aan brandende rotzen, en zo zullen, volgens de leer van Muhammed, de verdoemden door een lichamelyk vuur worden gebraden en gepynigt (U). Maar in koude landen had het tegengeftelde denkbeeld plaats. Hier was de Tartarus of hel eene duistere fombere plaats, ontbloot van alle voedzel, en vooral zeer kond, welke laatfte eigenfchap het verfchrikkelykfte denkbeeld van allen uitleverde. Dit onderfcheid van denkwyze is zelfs blykbaar uit de woorden, waarmede noordelyker volkeren hunne het uitdrukken, gelyk FALCONER heeft aangemerkt (c). (a) (4) FALCONER int aangehaalde werk I, 225. Brucker Hift, Crit. Phil. III, 170. bewyst, dat de Turkfche wetgeleerden hunne hel eigenilyk, en niet figuurlyk , verftaan. ..€c) Ter aangeh, plaats. Dus is ook reprapiSev by PLUTARCUUS van koude deuen, of rillen.

Page 24

View in PDF(opens in a new window)
TWEDE AFDELING, Van den overgang van gebeel zinnelyke, tot meer | _wysgerigge denkbeelden, omtrent den flaat der menfchen na dit leven. N. in:de eerfte afdeling de gedachten van geheel onbefchaafde menfchen nopens den ftaat na dit leven Plan dezer„fd te hebben afgefchetst, kan ik nu overgaan ter nafpeu- 7 ring van meer wysgerige begrippen, welke wy by de” meest verlichte volkeren der oudheid, en wel by de Grieken en Romeinen aantreffen. Men kan hier immers de oude Oofterfche en vooral de Indiaanfche en Egyptifche Godgeleerdheid met ftilzwygen voorby gaan, daar het Edele Genootfchap in het voorgeftelde programma van Thales begint. Ook wil ik niet ontveinzen dat de ontwikkeling der ftelllingen van die overoude volkeren, van welker godgeleerde en zielkundige begrippen wy zo weinig zeker befcheid heb- De Egypben, voor my eene moeielyke taak zoude zyn. Het tenaren en Ousterlinmeefte dat ons van hen bekent is, moeten wy tit gen worGriekfche Schryveren halen, op welkein verhalen, Gen enke} Ganges andere landen betreffende, en vooral wanneer zy ons vont. vreemde godsdienften befchryven, ongemeen weinig ftaat te maken is. Want zy waren veeltyds gewoon

Page 25

View in PDF(opens in a new window)
het gebrek aan echte bronnen uit hun eige vruchtbaar vernuft aan te vullen; verhalen, tot andere landen betrekkelyk, met hunne volksdenkbeelden te doorweven, en eindelyk alles met fabelen en ongehoorde byzonderheden te doorvlechten, waartoe ze zekerlyk tonen eene onwederftaanbare neiging te hebben gehad. Wanneer men den voortgang van enkel zinnélyke Wrikedin-tOt meer wysgerige uitzichten in deh ftaat der menmy {chen na dit leven met vrucht wil nafpeuren, dient nemenoe er vooral te worden zorg gedragen, dat men zig zo over de denkbeel. veel mogelyk plaatfe in die aloude tyden zelfs, van ener, dewelke gehandelt word, en dat men de wysgerige geerde taal en denkbeelden onzer dagen niet onvoorzichtig . overbrenge tot eeuwen, in welke enkel eene cerfte en flauwe dageraad van meerdere kennis en befchaaftheid begon aan te lichten (a). Cicero begreep zeer wel, dat er uitmuntende poOvergang Singen wierden vereischt om de ziel eerst te verhefzot minder fen boven volksdenkbeelden, welke op oude overlezinnelyke begrippen. veringen gegrond, en enkel zinnelyk waren. Hy merkt aan, dat men niet langs den weg der openbare leer der Ouden, maar enkel door redelyke betogen moet onderzoeken, welke de aart der ziele zy, of welke plaatfen dezelve na dit leven ftaat te betrekken. En dat de Ouden, tot deze betogen geenfints in ftaat zynde, zig buitenfporige hersfenfchimmen hebben gefmeed, Ca) Tranfporter dans les fiécles reculés toutes les idées du fiécle ou Pon yit, c'eft des Sources de l'erreur celle qui eft la plus feconde, Montesquieu de Pefprit des loix XXX, 14.

Page 26

View in PDF(opens in a new window)
{meed, welke‘ met alle recht en rede door de meer verlichte nakomelingfchap wierden veracht,, daar ze overal tegenftrydigheden opleverden, welke niet misfen konden den verftandigen befchouwer:aanftonds in ’t oog te lopen (4). . Dusdanige zinnelyke en weinige wysgerige begrip: Gedachten pen ontmoet men by de oude Grieken, ten tyde toen ger oudfe zy zig begonden te befchaven, en een ftelfel van god- Grieken. geleerdheid in hunne: maatfchappyen hadden ingevoert. Want, hoe zeer de. nafpeuring der oude godsdienften altoos met vele moeilykheden gepaart gaat, wegens de grillige denkbeelden, en onoplosbare tegenftrydigheden, welke men overal ontmoet, kunnen wy echter de begrippen van dit volk, nopens den ftaat der men{chen aande andere zyde van het ‘graf, genoegfaam vinden by hunne oudfte Dichteren, welke in oude tyden fchier overal de oudfte Godgeleerden geweest zyn. En deze dienen hier kortelyk te worden gefchetst, wyl vele onder de latere. Wysgeren hunne meer afgetrokkene gedachten met de oude namen en fpreekmanieren, voorftelden; of ook zinnebeeldige en minder zinnelyké betekenisfen gaven aan woorden en zaken, welke eertyds op eene zeer eenvoudige en ruwe wyze waren voorgeftelt en gelooft. Wat de reden betreft, waarom:zy dezen leertrant verkozen, of liever genoodzaakt :waren te.volgen, deze zal ftraks nader worder aangetoont. Nadat men de dode lichamen met godsdienftige plech(a) Cacero Tufcul. Difput. I, 16.

Page 27

View in PDF(opens in a new window)
dit afbeeldfel behield de gelykenis van den mensch, welke op aarde geleeft hadde, en alle deszelfs neigingen en eigenfchappen, gelyk ik zo even aanmerkte (4). Maar het andere gedeelte, de Dow, (welke in de wysgeerte van Plato ook du en vous genaamt word), was eigentlyk de denkende mensch, wiens oorfprong uit de lucht was (2), ook de duros, de mensch zelfs, gelyk Homerus zig omtrent Hercules uitdrukt, wanneer hy zegt, dat zyne beeltenis [#do/um] wel tot het onderaardfche ryk was nedergedaalt, maar dat HY ZELF zig by de Goden verheugde met feestelyke maaltyden (c). | Beide deze zielen (mag ik ze dus noemen) gaan by den dood, volgens de denkbeelden der oude Grieken, Zee MR het onderaardfche ryk. Dus vind men in de aangebeidena haalde elfde Odysfé, dat de afgeftorvene zig met bloedooh offerhanden verlustigen, het welk zekerlyk eene zinzjk. nelyke aandoening is, en dus geacht wierde tot het onredelyke deel te behoren. Maar die zelfde fchimmen redekavelen onder elkanderen, verhalen hunne rampen, enz. ten klaren bewyze, dat-hun redelyk of range denkende gedeelte ook in Plutoos ryk was aangeland. deze fh Men moet echter van dezen regel uitzonderen eenige ing. grote mannen, of helden, welker redelyk gedeelte aanftonds na den dood gehouden wierde ten hemel op te (a) Bowrav sora zauovrw. Homer. Odyff. a 474. Na de tyden van Homerus heeft men echter het woord eidwaov ook gebruikt om het redelyke gedeelte uit te drukken. Mosm. ad Cudworthi Syft. Intell. Tom iL (2) Mosuem. Ll 1037, 1040. (c) Odyff. À 600.

Page 28

View in PDF(opens in a new window)
te varen, zo dat enkel de {chim of de beeltenis in de onderaardfche gewesten nederdaalde. Dit had by voorbeeld in Hercules plaats, gelyk de zo even aangehaalde plaats van Homerus bewyst. En op deze overoude begrippen is naderhand de Socratifche wysbegeerte gebouwt, welke den hemel of de hoogfte gelukftaat, „ volgens de algemene begrippen der ruwe volkeren enkel den dapperen befchoren, voor goeden en deugdzamen opende, gelyk ter zyner plaats nader zal wor. den betoogt. - Daar nu voorts de Ouden zig geen leven konden voorftellen zonder lichamelyke aandoeningen, moest Zinneyte niet alleen de onredelyke mensch, gelyk ik reets gezegt beerirpen heb, zyne vorige gedaante, welke hem voor elk ken- zie, baar maakte, behouden, maar ook zelfs de redelyke ‘ziel wierde onder: eene menfchelyke gedaante verbeelt (a). Waaruit dan te gelyk blykt, waarom de Goden en Helden ons in menfchelyke gedaantens door de Ouden worden afgefchetst. Deze oudfte Griekfche wysgeerte, omtrent de twe zielen der menfchen, heb ik niet onaangeroert kunnen laten voorbygaan, wyl dezelve naderhand, na dat ze door Plato en zyne fchool was verfynt geworden, eindelyk zelfs tot in de kristelyke kerk is doorgedrongen. - Men mag voorts uit de aangehaalde begrippen van Sreffe/der Homerus met recht befluiten, dat het ftelfel der ziels- ener verhuizing te dier tyde onder de Griekfche volkeren #7 (4) Tuespesıus apud Plut, de. his qui fero a numine puniuntur p. 564.

Page 29

View in PDF(opens in a new window)
van Home-nOg niet fchynt te zyn doorgedrongen; althans nerwieringe. gens vind men by hem gewag gemaakt van dat wanwert fchepfel, het welk, uit Egypte en het Oosten af komftig, naderhand bykans de gehele waereld overftroomt heeft, tot een altoos blyvend gedenkteken der menfchelyke dwaasheid, en grilligheid der volksbegrippen (4). Uit het geen wy van de twederlei ziel, door de oudfte Grieken reeds geftelt, gezegt hebben, en uit Arden de menfchelyke gedaante, welke zy zelfs het redelyke en onfiofe- deel toekenden, blykt genoegzaam, dat men geen ei- De gentlyke onfloffelykheid aan het zelve heeft toegefchrewas ven, En hier dienen wy vooral zorg te dragen, dat de wysgerige denkbeelden onzer dagen niet overgebracht werden tot die aloude tyden, van welke wy nu handelen. Hoewel de ziel zelfs by de oudfte Schryveren eene onlichamelyke zelfflandigheid word genoemt (b), moet men echter hieruit geenfints tot de onfoffelykheid befluiten, wyl onlichamelyk in de taal der Ouden verfcheidene betekenisfen hadde, en voornamelyk gebezigt wierde van alles ’t welk van een grover lichaam was ontbloot (c). prie . Homerus ftond reeds in ’t begrip, dat de redelyke kezielvol. Ziel zynen oorfprong uit de aether, dat is de Zucht, gens merusge- of wel het verhevenfte gedeelte des hemels hadde, en namen was. de(a) Ook word aan Pherecydes, Thales of Pythagoras het invoeren dezer leer onder de Grieken toegefchreven, gelyk naderhand zal worden getoont. Ik zeg onder de Grieken, want in Egypte en het Oosten was het ftelfel der zielsverhuizing zeer veel ouder. by roux. (c) Mosu. ad Cudw, Sy. intell Tom, I, 36, 37. Tom. II, 1019, 1020.

Page 30

View in PDF(opens in a new window)
deze aether was volgens de denkbeelden der Ouden niet geheel onftoffelyk, hoewel echter onverderfelyk (a). Voorts wil ik tot beter verftand der oude Wysge- Wat vol ren en derzelver manier van denken hebben aange gensde merkt, dat men door ozfterfelykheid niet altoos eene ei- taalder Ouden on= gentlyke en eeuwige voortduring, volgens onze denk- Rerfehkbetebeelden ,: verftaan moet, maar fomtyds er niet meer heid kende. onder begrypen moet; dan een beftaan, welks tyd niet bepaalt. is.. Dus noemen by voorbeeld de Stoicynen de Goden onfferfelyk, hoewel ze dachten, dat dezelve eindelyk in de: algemene verwoesting van ’t geheelal zouden delen, Eene eeuwigheid zonder opvolging, waar de denkbeelden van voorleden en toekomend blyven ‘buitengefloten, fchynt niemand voor Plato onder de Grieken te hebben geftelt, volsens het oordeel van den groten Mosheim (2). Dan, alhoewel het begrip van eeuwige voortduring by de oude Grieken zekerlyk niet door afgetrokke redeneringeú gevestigt. en verfynt was, (daar. het zelfs in het grootfte en helderfte licht der wysbegeerte voor ons kortzieùde”menfchen altoos onvolmaakt blyven moet ,) vind men echter feeds in de vroegfte tyden de . denk(a) Aether eff ultimus et a domiciliis noftris altisfimus omnia cingens et coercens eoeli conplexus, extrema ora et determinatio mundi, in qua cum admirabilitate maxima igneae formae curfus ordinarios definiunt. Cicero de Nat. Deor. II, 40 Aidap is van xibw branden, blinken, By vele Grickfche Wysgeren is deze acther voor God zelfs gehouden, waaruit dan die godloze ftelling. var zelfs voortvloeide,. dat de ziel een afgefcheurt deel der Godheid was. Dus hielde b.v. Chryfippus , een der voornaamfte Stoicynen , den aether voor den opperften God, Dioc. LAERT. 137, 138. En de ziel der menfchen was volgens hem afkomftig uit vuur, dat is uit de aether of de bovenlucht zelve. Cicero Tufc, I, 9. (4) Ter aangehaalde plaals Il, 780.

Page 31

View in PDF(opens in a new window)
denkbeelden van een altoosdurenden flaat in tegenover- - ftelling van een Zydelyken ingevoert. De grove ziel, of die, welke de zitplaats der zinnen Deorede was, moest volgens de . begrippen dyke zielen en begeerlykheden à . derzelver der oude Grieken eindelyk worden vernietigt (2); den maar ze bracht in het onderaardfche ryk lidtekenen ditleven. en wonden mede, getuigen en kenmerken van finetten, waarmede ze in dit leven was bezoedelt, welke van dien aart waren, dat Ze ‘door de fcherpziende „ oogen der helfche Richteren. zeer ligt wierden ont dekt. Deze vlakken moesten. worden gezuivert, en, Strafvan ZO dit onmogelyk was, wierd de ziel tot den Tartaen Tartan rus veroordeelt, gelyk ons PLATO (2) in zyn Gorgias leert, in welk werk hy vooral de volksbegrippen zyner tyden gewoon is te volgen, gelyk door Warburton en anderen reeds is aangemerkt. En deze ftraffen van den Tartarus waren zonder einde, gelyk de Ouden eenftemmig getuigen. Dog, of de zielen, wel- Ofte BE ke de woningen der Elifefche velden betrokken, ook denvoor gehouden worden altoos daar te blyven, kan met geen en volle zekerheid worden gezegt. Ik wil echter dit liefst betrokken, met VIOSHEIM (c) bevestigender wyze beantwoor: den, en geloven, dat, volgens de oudfte Griekfche begrippen, het de reeds gezuiverde zielen waren, welke die velden betrokken, om ze nooit te verlaten. Want, volgens deze vinden wy niet dat menfchelyke zielen den hemel konden bereiken, uitgezondert alleen “(a) Mosneım als boven II, 1046. (4) In Gorgia p. 313. edit. ann. 1590, (ec) Ter aangehaalde plaats IL, 1044.

Page 32

View in PDF(opens in a new window)
leen zeer uitftekende en dappere mannen, welken, volgens de denkbeelden, by alle onbefchaafde volkeren aangenomen, en door ons te voren reeds breder verhandelt, de hoogfte gelukftaat was befchoren, zo dat zy, verre boven den kring der menfchelykheid verheven, Daemons wierden (a). VırGıLıus {taat hieromtrent echter in een ander begrip, daar hy de zielen, in de Elifefche velden wonende, affchetst, als gis. zynde in eene plaats van zuivering, welke zy, na een bepaalden omloop van jaren, wederom ftaan te verlaten, om weder tot deze waereld op te klimmen, en andere lichamen te betrekken. Dog, die overfchone zesde Eneide, in welke van deze zaken gchandelt word, fchetst ons geenfints de oude volksbegrippen nopens den ftaat der menfchen na dit leven af, maar behelst eene zinnebeeldige nederdaling ter helle, gelyk dezelve in de Eleufinifche verborgenheden gebruiklyk was (4), en dus fpreekt ook de Dichter volgens de leer dier verborgenheden, welke de zielsverhuizing ftelde, en dus de eeuwigheid van dit onderaardfche verblyf ontkende, gelyk in ’t vervolg nader zal worden aangewezen. Dit zy ons genoeg om de oude Griekfche volks- De Dichbegrippen te leren kennen. Dezelve zyn door dich- zen de terlyke cieraden allengskens opgefmukt, en hoewel in zommige opzichten veredelt, over het geheel echter {rvan meer (a) De Daemons waren eigentlyk menfchen, welke om hunne uitftekende deugden ten hemel voeren, PLAT Oo in Cratyl. 263. (4) WARBURTON G. 2. van Mozes I, 333. Court DE GEBELIN Hift, du Calendrier 310.

Page 33

View in PDF(opens in a new window)
| geluken Meer en meer verwart, en duifter gemaakt. Deze {perte„ Dichters zyn het, welke het onderaardfche ryk met nefabelen vele nieuwe woonplaatfen hebben verrykt, en aan welee Len wy die volledige aardrykskunde van het ryk van Pluto te danken hebben. Zy hebben ons behalven dezen Pluto ook een Cerberus gelevert, eene onderaardfche rechtbank, door Minos, Aeacus en Rhadamantus gefpannen, en eindelyk der dwalende ziclen Mercurius ten leidsman toegevoegt. Oorfprong dee Wat nu den eerften oorfprong en herkomst van Alle deze Griekfche volksdenkbeelden betreft, dezelve cree moet, immers voor ’t grootite gedeelte, niet op hungrippen. nen bodem.zelfs, nog ook in één land of plaats worden gezocht. Want, daar het.blykt, dat Griekenland door vele volkplantingen uit Thracie, Fenicie, en Egypten is bewoont geworden, is het meer dan waarfchynelyk, dat alle deze volkeren eenige deelen van hunnen vaderlyken godsdienst in die nieuwe woonplaats hebben voortgeplant (a). Wyl echter de Egyptifche godsdienst den toekomenden ftaat der menfchen vooral naaukeurig bepaalde, is het te denken, dat de ftellingen van dit volk wel den meesten opDeze moet gang zullen hebben gemaakt. Ja, vele geleerden den- Semen ken de gehele Griekfche helin den Egyptifchen doolworden hof (Labyrinthus) te kunnen vinden. Ook is het onees betwistbaar, dat de Elifefche velden eigentlyk by het oude Memphis moeten worden gezocht, alwaar eene vruchtbare weide was, na welke de dode lichamen wicr(@) Brucker Hift. Crit. Phil. Tom. I, 364.

Page 34

View in PDF(opens in a new window)
wierden vervoert over een drabbig en kwalykriekend meer. Zie daar den Styx. Charon vind zig van zelfs, want de naam is Egyptisch. Dog dit alles is door de plaatfen van HERODOTUS, Dioporus, SERVIUS over de zesde Eneide en anderen te klaar, dan dat ik er langer by zoude behoeven ftil te ftaan. Deze gehele onderaardfche toeftel, uit Egypte overgebracht, en door het vruchtbare Griekfche vernuft PDE opgefiert, heeft zelfs de beroemdfte Wysgeren onder hid Ao het laatstgenoemde volk tot een grondflag geftrekt, gripper. om er hunne eigene ftellingen voorts op te bouwen. Zulk eene manier van voorftellen, waarby alles zyne oude namen behield, was zekerlyk de veiligfte. Want ik merkte reeds te voren aan, dat het eene zeer misdadige en gevaarlyke onderneming gehouden wierde, wanneer iemand beftond de algemeen aangenomene begrippen van den godsdienst aan te tasten. Dit had vooral plaats wat betrof het leerftuk van den toekomenden ftaat der menfchen, wyl dit altoos voor den vasten grondflag der burgerlyke maatfchappy, en der volksdeugden wierde gehouden. Want, daar de godgeleerde ftelfels der oude volkeren meestal ftaatkundig waren, of (het geen op het zelfde uitkoomt) met de burgerlyke wetten zeer naauw verbonden, was het hoog verraad in eenen eigenlyken en volftrekten zin; wanneer iemand derzelver grondflagen beftonde te ondermynen, of iets te leren het geen er tegen ftreed (7). (2) By de Athenienfers was eene wer tegens de zulke, welke op natuurkundige of bovennatuurkundige gronden over de Goden zintwisteden. Puur, Perich, 169. in Nicia 533.

Page 35

View in PDF(opens in a new window)
Dog de Dan, behalven dezen godsdienst van fiaat, vinden menten, Wy by alle meer befchaafde volkeren ook eene geheime hadden leer, welke men zorgvuldig voor ’t gemeen verborg, paid wyl dezelve van dien aart was, dat er de gevestigde lie begrippen van den godsdienst door wierden tegengefproken. Dus hadden de meeste Griekfche Wysgeren twederleie manier van onderwys, waarvan de eene voor volk, maar de andere voor meer gevorderde of getrouwe aanhangeren hunner meesters gefchikt was (a). Inzonderheid breng ik tot die dubbele leer de zoTor decor. genaamde verborgenheden of myfterien, by de gehele fiekun- befchaafde waereld eertyds ingevoert, van welke bier zende jets gezegt dient te worden, om dat ze te befchousteden wen zyn als wysgerige inftellingen, van de volksbebetrok. ken. grippen zeer vecl verfchillende; om dat vele onder de Griekfche Wysgeren ingewyden waren, en dus de denkbeelden, door dezelve hen bygebracht, verder hebben kunnen voortplanten; en eindelyk, en wel voórnamelyk, om dat ze zeer beroemt waren wegens de meer uitgeftrekte en redelyke uitzichten, welke die ingewyden kregen in den ftaat der menfchen na Oorfbrong dit leven. | \Warburton heeft zeer breedvoerig zoeken te beto- “he gen, dat de verborgenheden, uit Egypten oorfprongelyk, en daarna van de wetgevers zelfs in de landen welke zy befchaafden ingevoert zyn, ten einde het Ce) Dit onderfcheid is door niemand breedvoeriger en geleerder betoogt dam door Bisfchop WARBURTON, hoewel hy hier en daar gekerlyk te verre gaar.

Page 36

View in PDF(opens in a new window)
geluk der Maatfchappy op deugd en hoop eener toekomftige gelukzaligheid te veftigen. Hoewel de be-. wyzen, voor het laatfte gedeelte dezer ftelling ingebracht, my niet allezints voldoende voorkomen , fchynen zy echter genoegzaam te tonen dat de verborgenheden onder het opzicht der overheid waren. Ook wil ik niet tegenfpreken, dat de oudfte, van welke wy befcheid hebben, in Egypten moeten worden gezocht, Voorts is het bewezen, dat dezelve eene onmiddelyke betrekking op den landbouw hadden (4), waarom dan ook in Egypte die van Ifis,«en Ofiris, den uitvinder der ploeg, en in Griekenland die van Bacchus en Ce- Zy adden res de oudfte en de voornaamfte waren. En hieruit Zerekking fchynt men te mogen befluiten, dat geene verborgen- Vanden heden by de oude volkeren voor den landbouw, die ware bron van befchaaftheid, kunften en wetten (4), waren ingevoert. Daar dan de wetten en landbouw zulk eene naauwe betrekking op elkander hebben, maakt deze omftandigheid zekerlyk het gevoelen van Warburton allerwaarfchynelykst, wanneer hy de eerfte wetgevers en ftichters der burgerlyke maatfchappyen ook voor de inftellers dezer verborgenheden houde. Wat nu het oogmerk dezer inftellingen betreft; het oggmerk zelve was, gelyk ons de Ouden uit eenen mond ver- pre. klaren, om de ingewyden tot een heilig leven te ver- den, plichten, waaraan dan ook de hoop eener toekomende a) COURT DE GEBELIN Hitt. religieufe du Calandrier 310. 5) Cicero in Ver. Lib. Uit. cap. ult. Hierom word Ceres by de Grieken en Romeinen met den bynaam van Wergeefifer vereert, wyler geene wetten waten voor den landbouw.

Page 37

View in PDF(opens in a new window)
de zaligheid wierde gehecht. Maar wat verftond men door dezen aanftaanden gelukftaat? Ik antwoorde, dezelve beftond hierin, dat de ingewyden, of door uitmuntende oefeningen en deugden het zo verre brachten, dat zena dit leven van alle fmetten gezuivert, aanftonds na de woonplaats der Godheid (want de verborgenheden leerden de eenheid van het Opperwezen} opvoeren, gelyk de grote helden, volgens de volksdenkbeelden hier boven aangehaalt; of ten minften, dat ze die reinigingen en zuiveringen van lichaams en zielsfinetten, welke in ’t onderaardfche ryk na den dood moesten worden ondergaan, ontgingen, of draaglyker maakten. Men hoopte de ziel te herftellen tot die eerfte en oorfpronglyke zuiverheid, welke ze gehad had voor en aleer lichaamlyke befmettingen (want de verborgenheden leerden eenen voorgaanden ftaat voor dit leven, en dus ook de zielsverhuizing) er wonden hadden ingedrukt, welke getuigen en kenmerken waren van onreine daden, in het leven begaan (4). En hierom was het, dat de ingewyden wedergeborene genoemt, en in den gewonen ftyl gezegt wierden een nieuw leven te beginnen, zo ras ze de godsdienftige ge. heimen dezer inftellingen kenden, en begonnen te beoefenen. Aanwelte Maar waarin beftond nu deze zuivering der ziel, pe welke den ingewyden hoop gaf op een aanftaanden geseukfaat Yukftaat, en wel zulk eenen, dat andere menfchen dier. pen gelyken naditleven nimmer konden bereiken? Er wierden (a) Is Casaur. Exerc, Antibaron, XVI, 43.

Page 38

View in PDF(opens in a new window)
WEGENS DEN STAAT ‘den zekerlyk deugd en betrachting der wetten: toe vereischt (a). Maar deze zedelyke reiniging konde echter niet alleen of ten vollen doen hopen op de voorgeftelde beloning. Want de Ouden fpreken ook eenparig van lichamelyke reinigingen, welke, volgens alle heidenfche godsdienften, en wel vooral in het Ooften, gehouden wierden invloed te hebben op de zedelyke zuiverheid. Men ftelde namentlyk, dat de ziel indrukfelen of vlakken behielde, kenmerken van ongeregelde driften en begeerlykheden, van welke vlakken of fmetten de Platonifche wysbegeerte Zeer veel fpreekt, gelyk wy ter zyner plaatfe zien zullen. En om deze vlakken Reiniginse # de volkomen kwyt te raken, was het dat vele wysgeren zig in alle by hen bekende verborgenheden deden in- Sales wyen. Ja, uit deze zelfde bron zyn ook die licha- ete melyke onthoudingen voortgekomen, welke men dagt invloed op de ziel, en het herftel van derzelver oorfpronglyke zuiverheid te hebben. Alle welke dingen verklaart moeten worden uit de ftoffelyke denkbeelden, door de ouden aan de menfchelyke ziel gehecht, gelyk wy te voren aanmerkten. Hier van daan was het ook dat de onheilige, of de zulke die niet waren ingewyt, in het onderaardfche.ryk in flyk en drek zouden moeten omwroeten, dat is eene veel moeielyker zuivering ondergaan, dan die gene welke door hunne inwying in dit leven zig reeds hadden gereinigt (à). - Welke menfchen nu volgens de leer der verborgenhe(4) WARBURTON II, 208 en volg. ° (b) Mosnem. ad Cudworth. Tom. II, 1048, Hhh 3 | : N | I

Page 39

View in PDF(opens in a new window)
De zesde Eneide febetst de leer der verborgenbeden. heden op een toekomend geluk hopen konden, of ftraffen moesten verwachten, en eindelyk welke bepalingen in de toekomftige uitdeling plaats hadden, vind men nergens zo breedvoerig en naaukeurig verhandelt als in de zesde Aeneide van VırcıLıus, welk dichtftuk eene eigenlyke nederdaling tot het ryk der doden, zo als dezelve in de verborgenheden gebruiklyk was, affchetst (4). De toekomende plaatfen van beloningen en ftraffen zyn driederlei, een vagevuur of plaats der reiniging, eene eigenlyke hel, of plaats van fmerte, en eindelyk de gelukkige velden, voor de zalige zielen gefchikt. Het vagevuur was voor zelfs-moordenaren, buitenfporige minnaars, eerzuchtige krygslieden, en eenige anderen, van dewelke de rede, waarom zy juist hier moeften belanden, niet zeer gemakkelyk valt te bepalen. Tot den Tartarus wierden veroordeelt geheime fchelmen, welke de ftraffen der wetten op de waereld hadden weten te ontduiken, ongodisten, verachters van, en fpotters met heilige zaken, verraders van hun vaderland, echtbrekers, bloedfchendige, en eindelyk overtreders van zulke plichten, welke, hoewel in de menfchelyke natuur gevestigt, niet behoorden tot de zorg en bepalingen van burgerlyke wetten; by voorbeeld alle, welke de natuurlyke liefde jegens ouders en bloedverwanten niet gee kent of geoefent hadden, gierigaarts, welke met de fchatten die zy bezaten de behoeftens hunner medemenCa) Dit word in het eerfte deel van WARBURTON Godd, zend. van Mozes uitvoerig geleerd, en naaukeurig bewezen,

Page 40

View in PDF(opens in a new window)
menfchen hadden geweigert te hulp te komen. delyk onder de bewoners der gelukkige gewesten was de eerfte plaats gefchikt voor wetgevers, en ftichters der maatfchappyen, de twede voor beminnaars van hun vaderland, en die. voor het zelve den dood hadden ondergaan, en de derde of laatfte voor uitvinders van nuttige kunften en wetenfchappen. Hoewel deze bepalingen van geluk en ongeluk over % geheel genomen vry redelyk kunnen genaamt worden, vinde ik echter hier geene beloningen voor de lee ftille, en op de waereld onberoemde deugd, daar tr? echter by de inwyingen wel vooral op een heilig le- ute vensgedrag wierde aangedrongen, gelyk wy zo even Fu zagen. Misfchien heeft Virgilius alleen treffende carakters voor zyn heldendicht gefchikt geoordeelt. Of, (en dit koomt my wel het waarfchynlykst voor), men moet hem verklaren uit het by alle minder befchaafde maatfchappyen eertyds aangenomen denkbeeld , dat het in deze verfchil namentlyk van rang en beroemtheid, waereld plaats hebbende, zynen invloed ook uitftrekt op de toekomftige bedeling (4). Het was alleen Socrates, welke de innerlyke waarde der deugd zo wel kende, dat hy dezelve in het toekomende leven even grote beloningen toekende, zonder onderfcheid waar ze gevonden wierde, en welke de zedelyke plichtsbetrachting die vergelding dede hopen, welke men eertyds alleen voor helden en beroemde mannen dacht bewaart te zyn. Maar van deze leer zal ik ter zyner plaats nader handelen. ~ (4) Zie de eerfte afdeling,

Page 41

View in PDF(opens in a new window)
Overgang Nu ga ik over tot de eigenlyk genoemde Griek. tot de ei- : B . gemmes. [che Wysgeren, welke een min of meer uitgebreid zee zamenftel van de natuur, God, en de ziel der men{chen hebben gevormt en voortgeplant. ~ Maar hier neem ik eene zeer moeielyke taak op my. Denkbeelden en ftelfels te ontwarren, welke dikwerf zo weinig zamenhangen, dat ze door de uitvinders zelfs op zeer losfe fchroeven geftelt, en zelfs niet altyd op dezelve wyze worden voorgedragen! Want, dat dit het geval was der oude Wysgeren, Moeiljk- wanneer zy Over den ftaat der menfchen hief namaals ne redeneerden, zal ftraks genoegzaam blyken (4). En hesing 3. waarlyk, die doolhof van verfchillende gevoelens en grippen onzekere leerftelfels is zo groot, dat men nooit de vereen. Kracht der verklaring van den Apostel Paurus fterker zal gevoelen, dat het namentlyk Jefus Christus is, die het leven en de onverderflykheid heeft aan den dag gelegt (2), dan, na die oude fcholen, en derzelver vlottende begrippen te hebben doorwandelt. En dit wil ik tot myne eigene verontfchuldiging hebben aangemerkt, indien er gapingen en duisterheden na deze myne verhandeling mogen overfchieten. Deze wor- Nog groter word deze zwarigheid, daar vele onder groer, de oude Wysgeren twe leerftelfels hadden, waarvan mend het eene voor het volk en den ftaat, maar het andere jwederlee voor byzondere leerlingen en aanhangeren gefchikt everwewas. Het was immers by de Grieken gevaarlyk, denk- . (a) Rem gratam promittentium magis qnam probantium, Seneca Epift, 102. * (6) 2 Timoth. I, vs. 10.

Page 42

View in PDF(opens in a new window)
beelden, welke den openbaren godsdienst omverre wierpen of ondermynden, openlyk voor te ftellen, gelyk ik te voren heb bewezen. In het betoog dezer twederleie leer der oude Wysgeren is niemand breedvoeriger dan WARBURTON, dog hy befchouwt ook volgens zyne gewoonte alles uit het oogpunt dezer Men moet eens aangenomene ftelling, in zo verre, dat hy dezel- uses ve by alle oude Wysgeren, Socrates alleen uitgezon- WAE dert, denkt aan te treffen. Gaarne wil ik met den uit- ge gevoe. muntenden man geloven, dat vele onder hen anders He rasen dachten, dan zy in ’t openbaar fpraken, en ditis ons heid onder anderen door Brucker breedvoerig getoont, Dog alle tegen elkander aanlopende gevoelens, welke men fomtyds by denzelfden Wysgeer aantreft, tot deze twevoudige leer te betrekken, fchynt my niet nodig te zyn, daar de dobbering van twyfelingen, welke een leerftuk op onzekere, ja valfche gronden rustende, natuurlyk medebracht, zig buiten dien gemakkeIyk en zeer ongedwongen laat verklaren. Eer ik verder ga, wil ik hier nog eenige aanmer- ”orafkingen ter neder ftellen, welke dienen zullen ter op- omer m heldering en beter verftand der leerftelfels van elk 5457 der fland Wysgeer in ’t byzonder. wysgerige . : J, De meeste, zo niet alle Griekfche Wysgeren, Rellingen. ook dezulke, welke op de ftelligfte wyze over een toekomend leven hebben gefproken (4), waren ge- 5e woon een ftoffelyk denkbeeld aan de menfchelyke ziel den door : te (a) Ik moet hier Socrates uitzonderen, want deze liet zig over diergelyke zaken nooit uit, gelyk wy ter zyner plaatfe zien zullen,

Page 43

View in PDF(opens in a new window)
WYSGEREN de Wssge. te hechten. Van deze begrippen heb ik te voren reeds Zijnde jets gezegt, en men moet dezelve wel in ’t oog houhecht. den, wyl er de denkbeelden van een toekomenden ftaat zeer door kunnen worden opgeheldert. Het is ten overvloede bekent, dat dit leerftuk van de ftoffelykheid der ziel zelfs in de oude Christelyke kerk is doorgedrongen, en van vele onder de zogenaamde Oudvaders is voorgeftaan en gelooft geworden. Ja, het is zeer duister, of wel een enkel oud Wysgeer, Plato zelfs, de fynfte en fcherpzinnigfte van allen niet uitgezondert, van onlichamelyke wezens in een ei« gentlyken zin heeft gefproken. (4). Ofde IL De Griekfche Wysgeren (byzonderlyk Plato en For zyne fchool) welke of van eene enkele voortduring metden der ziel na dit leven, of van een ftaat van beloningen Dee beloningen en ftraffen fpraken, hebben veelal te gelyk het ftelfel onae der zielsverhuizing voorgeftaan. Dog men zal zeggen, baarkon- deze zielsverhuizing konde immers onmogelyk bede zyn. ftaan met den ftaat van beloningen en ftraffen, en vooral niet met een toekomend leven, het welke van de huishouding van deze waereld. of van dit leven geheel was afgezondert. En dus zal het befluit zyn, dat hier eene openbare tegenftrydigheid moet plaats hebben. Ook is by velen de onbeftaanbaarheid dezer twe ftellingen zeer in ’t oog lopende, waarom dan by voorbeeld de Indiaanfche Braminnen van de uiterfte ongerymdheid worden befchuldigt, daar zy, de zielsverhuizing lerende, echter de ongelukkige weduwen aan(a) Mosu. ad Cudworth, Tom. I. p, 24.

Page 44

View in PDF(opens in a new window)
aanzetten om zig op de houtftapels harer overledene mannen te doen verbranden, en dat wel met oogmerk om hen in de andere waereld te volgen en te dienen (a). Maar wat zal men van de Griekfche Wysgeren denken? Zyn zy zig zelven zo ongelyk geweest, dat ze twe ftellingen hebben byeen gevoegt, van welke de eene de andere omverre ftoot, en wel zo, dat deze onbeftaanbaarheid zonder diepe redeneringen of fchrandere betogen bemerkt word. Mos- HEIM denkt de zwarigheid weg te nemen, wanneer men de verhuizingen, van welke de Wysgeren fpreken, enkel van het edele deel, of de denkende ziel verftaat, terwyl het andere, het Idolum, of de zitplaats der zinnen na dit leven wierde beloont of geftraft (5). Maar, hoewel dit antwoord in den eerften opflag vry aannemelyk moge voorkomen, gaat het echter niet door. Want zo de Griekfche Wysgeren, welke de zielsverhuizing ftelden, eenen toe: komenden ftaat van beloningen en ftraffen gelooft hebben, moest die zekerlyk gelegen zyn in de ver{chillende, of meer dan min gelukkige bedeling, welke de ziel in eene nieuwe woonplaats, dat is in een ander lichaam, te beurte viel. En dus moeten de aanftaande beloningen en ftraffen (geftelt zynde, dat de Griek{che Wysgeren dezelve hebben geleert) zekerlyk betrokken worden tot het redelyke deel, wyl dit de verhuizingen onderging, en niet op het zinnelyke, of het a) Pauw Recherches fur les Americ. II, 213. bj Mosuem. LL Tom, Il, 1042.

Page 45

View in PDF(opens in a new window)
het fyne bekleedzel der eigentlyke ziel, gelyk Mosheim gegist heeft. Maar deze gehele zaak is zeer duister, wyl het betwist word, of wel een enkel Grieksch Wysgeer de zedelyke zielsverhuizing geleert heeft, dat is zulk eenen toekomenden ftaat, waarin de voorzienigheid de ongelyke bedelingen van een vorig leven zoude te recht brengen; en of ze niet in tegendeel alle eene noodlottige of noodzakelyke verhuizing in hun hart hebben gelooft, hoewel ze de eerfte by het volk uit ftaatkundige beginzelen voorftonden. Dit laatfte gevoelen, het welk dat van Bisfchop WarBURTON is (4), doorgaande, is de gehele vraag overtollig, wyl eigentlyke beloningen en ftraffen, of dezulke, welke opzicht hebben op een wetgever en op redelyke wetten, door zulk eene noodlottige of noodzakelyke verhuizing worden omverre geftoten. Dog dit zelfde moeielyke verfchilpunt zal naderhand in de behandeling der gevoelens van Pherecydes, ‘Thales, en andere Wysgeren wederom voorkomen, en alsdan breder worden verklaart. Detoeko. Uit het gezegde word reeds gedeeltelyk opgeheldert mend flaat kan de IL Aanmerking, welke ik in| ’ verklaren der geoptzeder- dachten der oude Wysgeren wil hebben in ’t oog ge- Liese houden; namentlyk, dat men den toekomenden ftaat, verfaan. volgens hunne denkwyze, op twederleie wyze kan be. grypen, of als eene enkele voortduring, welke uit den aart en natuur der ziel van zelfs volgen moest„ zon: der opzicht op beloningen of ftraffen hier namaals te hoCa) Godd. zend, van Mofes II, 207,

Page 46

View in PDF(opens in a new window)
hopen of te vrezen, of als een zedelyk gevolg van het gedrag der menfchen na dit leven. Tot de dryvers der eerfte ftelling kan men brengen alle dezulke, welke onze ziel voor een afgefcheurt deeltje der Godheid hielden, en by dewelke wel de zelfftandigheid der ziel, maar niet de men/chelyke ziel onfterflyk was, daar ze leerden, dat dezelve natuurlyk moeste wederkeren tot het wezen, waarvan ze was genomen. IV. Moet ik hier nogmaals aanmerken dat de Griek- ponsse. {che Wysgeren, en vooral de {chool van Pythagoras RE en Plato, van den toekomenden ftaat fprekende, zig wysseren veelal bedienden van de begrippen en namen, welke mee ze by het volk vonden aangenomen. Waarom ik dan in ’t vervolg niet zal behoeven te herhalen, het geen ik hier boven reeds van deze volksdenkbeelden hebbe gezegd. V. Eindelyk zal het niet nodig zyn alle fcholen der Herzet. Griekfche wysbegeerte te onderzoeken. Velen, ja zeer Mi iid vanalle velen kunnen wy voorbygaan, die, of de floping van voelens “ssgeres den gehelen mensch by den dood leerden, of ftelden, teondere . . zoeken. dat de ziel aanftonds wederkeerde tat de zelfftandigheid, waaruit ze volgens hunne begrippen genomen was, zonder eenig verder uitzicht op beloningen of ftraffen. Ionifche Verdeling hooftfecten, de Twe waren de Griekfche tusfoben : . namentlyk, en de Italifche. De eerfte begint, volgens pren Grickfche het algemeen gevoelen, met Thales. De onderdelen hoofden zyn de Socratifchen, Cyrenaifchen, Academifchen , zen Peripatetifehen, Megarifchen, Cynifchen, en eindelyk de Stoicynen. Van de Cyrenaifchen, van dewelke de hoflii 3

Page 47

View in PDF(opens in a new window)
hoffelyke Ariftippus het hooft, en Theodorus en Euhemerus de voornaamften waren, valt niets te zeg_ gen. Deze fchool beftonde uit godlochenaren, en van hunne gedachten van ’s menfchen ziel weten wy zeer weinig, althans wy vinden in ’t geheel niet dat ze over den toekomenden ftaat hebben geredeneert. Ariftoteles, het hooft der Peripatetifchen, leert de fterfelykheid der ziel klaar genoeg; daar echter de gevoelens van dien Wysgeer op verfchillende wyzen worden uitgelegt, zal beneden iets nader van hem worden gezegt. Van de ftellingen der Megarifche fchool, waar van Euclides, die yverige leerling van Socrates, het hooft was, is ons bykans niets bekent, ~ en de weinige ftellingen, door de Ouden tot ons overgebracht, kunnen, volgens het gevoelen van Bayle, met geen mogelykheid worden ontwart. Waaruit dan volgt, dat er ook niets te melden valt van de gevoelens dezer {chool omtrent den toekomenden ftaat der menfchen, indien zy al denzelven mochte gelooft en geleert hebben. Even hetzelve kan men, wat dit ons onderwerp betreft, van de Cynifchen zeggen. Ook maakten dezen eigentlyk geen byzondere fchool uit, welke kenmerkende ftellingen dreef, maar onderfcheidde zig voornamentlyk in het uiterlyke levensgedrag, het welke zy na zekere by hen aangenome regels inrichteden; en ze hebben ons verder niets nagelaten dan eenige zedelyke fpreuken, welke geene de minfte betrekking op de hoofdzaak dezer verhandeling hebben. Welke Dus fchiet hier, behalven het hooft der fchool of wygeren Thales, zelfs niemand over behalven Socrates en Pla;

Page 48

View in PDF(opens in a new window)
wrnato, . met zyne Academisten.: Van . Ariftoteles en de mentlyk , wyl Stoifchen moet echter ook iets worden gezegd, merking, oemden gelyk ik ftraks reeds omtrent den eerstgen , aanmerkte, men over hunne gevoelens zeer getwist heeft. De twede hooft- of moederfchool, te weten de Ita- rwede liaanfche, is door Pythagoras gefticht. Voorts heeft Fa zy tot takken de Eleétifche, Epicurifche, en Pyrro- /boo. nifche feeten. Het ftelfel der Eleatifchen liep, zo wy de getuigenisfen van anderen mogen geloven, (want van hen zelfs hebben wy geene Schryvers) op ongodistery uit. Verder vinden wy niet dat deze menfchen zig veel met zielkundige befchouwingen heb- “ ben opgehouden, dan alleen, dat Democritus, een der voornaamfte meesters dezer feéte, oordeelde, dat de ziel uit ondelen was t’zamengevoegt, en deszelfs floping na den dood ronduit ftelde (a). De Heracliti- Herach- {che leertrant is zo duister, dat ze door de Ouden™ zelfs niet wierde verftaan, daar derzelver hooft verkoos alle zyne voorftellingen met leenfpreukige, raadzelachtige, en weinig bekende woorden te omzwachtelen. Het fchynt echter genoegzaam te blyken, dat Heraclitus zelfs de menfchelyke ziel voor een afgezondert deel der Godheid hielde, en ftelde, dat dezelve ftraks na den dood van het lichaam tot haren oorfprong wederkeerde. Want wy lezen niet, dat hy van verhuizingen en omdolingen fprak (2). Wat (a) Cicero Tuscul, Difp. 1,11. PLurarcn, plac. pbilos. : IV, 7. . (5) Brucxer Tom. 1, p. 1229.

Page 49

View in PDF(opens in a new window)
Epicurus, DE GEVOELENS DER OUDE WYSGEREN Wat Epicurus betreft, niets is bekender, dan dat hy leerde, dat de ziel, als uit ondeeltjes (aromi) beftaande, hoewel niet vernietigt, echter met het lichaam ontbonden en verftrooit wierde, zo dat de gehele Pyrrboen fie mensch by den dood ophielde te beftaan. De Pyrrhonifchen of Sceptifchen eindelyk waren afftammelingen van de Eleatifchen, hielden zig alleen bezig met te ondermynen en omverre te werpen het geen anderen zochten op te bouwen, en hadden zelfs eigentlyk geen wysgerig ftelfel. Uit deze korte befchouwing der Italifche fchool blykt, dat dezelve zeer ras zal kunnen worden afgehandelt, wyl, behalven Pythagoras en eenige weinige anderen, welke tot zyne navolgeren gemeenlyk gebracht worden, niemand over de beftemming der men{chen na dit leven iets zekers of verftaanbaars, voor zo verre wy weten, geleert heeft. AanmrElk, wie deze wysgerige ftelfels, onder de Grieken vj JA ingevoert, over ’t geheel befchouwt, zal zekerlyk re, in verzoeking komen om te geloven, dat ze meer gemeen. kwaad dan goed in de waereld hebben gewrocht. Die fpitsvinnigheid in ’tredekavelen, welke den Griekfchen volkeren zo byzonderlyk eigen was, heeft de meeste Wysgeren onder hen in hunne eige fyn uitgefponne redeneringen verwart, tot dat zy eindelyk alle grondflagen van natuurlyken godsdienst en zedekunde omver wierpen, zonder eenige andere genoegzame fteunfels van deugd en hoop in derzelver plaats te kunnen ftellen. Ook is het myns bedunkens onbetwistbaar , dat ze door deze verfynde dwaasheden eerst de zeden

Page 50

View in PDF(opens in a new window)
den van hun eigen vaderland, en naderhand ook die der Romeinen hebben bedorven. Dog de natuurlyke voortgang der menfchelyke vermogens en denkwyze, wanneer ze aan zig zelven word overgelaten, leert, dat twyfelary en ongodsdienftigheid onmiddelyk en overal op grove onkunde volgen. En de ondervinding getuigt ook, dat dit zal, niet alleen by elk byzonder mensch, maar zelfs by gehele volkeren plaats hebben; ten zy het Gode behage (gelyk het hem dan ook goedgunftig behaagt heeft) onze zedelyke opvoeding, wanneer wy tot dien trap gekomen zyn, op eene onmiddelyke wyze, of door eene byzondere openbaring te befturen en te bevorderen. De eerften onder de Grieken (of ten minften on- Gedachder die volkeren, welke Grieks fpraken) die, zo veel Thales en wy weten, over de natuur der ziel geredeneert, en kere ftellingen, van de boven afgefchetfte volksbegrippen onderfcheiden, gedreven en voortgeplant hebben, zyn THALES, de ftichter der Ionifche fchool, en ook volgens het algemeen gevoelen de vader van de eigentlyke Griekfche wysbegeerte, en PHERECYDES, afkomftig van Syrus, een eiland tot de zogenaamde Cycladen behorende. Deze mannen worden gemeenlyk gelooft tydgenoten te zyn geweest, en moeten omtrent de Babylonifche gevangenis hebben geleeft. Ik heb dezelve hier byeengevoegt, niet zo zeer wegens die gelyktydigheid van hun leven, als om de overeenkomst hunner wysgerige ftellingen, in zo verre ze ’s menschen ziel betroffen. Niemant moet hier echter een volkomenen en zekeren uitleg van dezelKkk

Page 51

View in PDF(opens in a new window)
ve verwachten. Want, wat Thales betreft, BRUCKER en anderen klagen met recht over de allerdik: fte duisternisfen, waarmede de begrippen der oude Ionifche feéte, van welke hy de infteller- word gehouden, zyn bedekt. En van zynen tydgenoot Pherecydes weten wy nog minder. Suidas verhaalt uit een oud Schryver, (4) dat hy de geheime fchriften der. Feniciers bezeten heeft, zonder voor ’t overige een meester te hebben gehad. Men zoude hier tit kunhen opmaken, dat deze gefchriften de voorname bronnen zyner ftellingen geweeft zyn. Maar welke leer die geheime boeken mogen hebben bevat, hicromtrent kan men gene gisfingen maken, die eenigfints gegrond zyn. Voor ’t overige getuigen de Ouden, dat hy ook :zyne leer heeft voorgedragen met die zelfde duisterheid van woorden, en raadzelachtige fpreuken, in welke de godsdienftige ftelfels door het Ooftersch en Egyptisch Priefterdom van alle tyden zyn omzwachtelt geworden (2). De plaat- DioGENEs LAERTIUS (ec) verhaalt, dat er zomfender mige waren, welke Thales hielden voor ‘den eerften oude febryveren invoerder van het leerftuk der onfterfelykheid onzer ziel, de omtrent leervan €N PLUTARCHUS (4) zegt dat Thales de eerfte was, Des welke leerde dat de ziel een1 eeuwig bewegend of van worden by. zelf? bewegend wezen is, EEN VELA mel. Maar Cicero (e) getuigt, ‘dat 5 zo verre de oude EN Ta décesbSys. §e: . {2 CLEMENT ALEXANDR. Strom. V., 676. Arıstor. Metaph. XII 4 Le) Lib. I, Segib. 24. ° -! (4) Placit. Philof IV, 2. . Ce) Difput, Tufcul. Lib. L, cap. 16,

Page 52

View in PDF(opens in a new window)
gedenkfchriften konden reiken, Pherecydes voor alle anderen geftelt had, dat de menfchelyke ziel a/toosdurende was, hoewel het, volgens de aanmerking, welke hy er op volgen laat, te denken zy, dat anderen voor dien Wysgeer het zelfde reeds geftelt hebben. Voorts verklaart HesvcHius Mizesius (a), dat Pherecydes de eerfte was, welke de zielsverhuizing dreef. En eindelyk verfchil Maximus Tyrius (2) weer van alle deze Schrÿveren, zeggende dat Pythagoras de eerfte leeraar der onfterfelykheid was. ' Dan, deze getuigenisfen, hoe zeer zy onder elkanderen verfchillen omtrent den eerften invoerder van de leer der onfterfelykheid, en der zielsverhuizing, komen echter hier in overeen; dat dezelve onder de Grieken moetworden gezocht. Maar HERODOTUS (c) is het weer met hun allen oneens, daar hy denkt dat de oudfte fporen van die wysgeerte niet in Griekenland,. maar in Egypte te vinden zyn. En eindelyk zynhet, volgens PAUSANIAS (4), noch de Grieken, noch de Egyptenaren, maar de Chaldeen en Indianen, welke voor alle andere volkeren de ziel voor onfterfetyk hebben gehouden. Wanneer men nu alle deze plaatfen by een voegt, mar uit dence blykt er uit: I. Dat men het gansch niet eens was, waar de eer den bee fte oorfprong van de leer der onflerfelykheid en zielsverhuizing moefte worden gezocht. : IL (a) Apud Suipaml.cit. (B) Differt XXVIII. (c) Lib. Il, cap. 123. Ça) In Mesfeniac, p. 277.

Page 53

View in PDF(opens in a new window)
IL Dat men het ftelfel van onfferfelykheid en zielsverhuizing, zo als het by de Grieken, Egyptenaren, Chaldeen, en Indianen was ingevoert, voor een en ‘het zelfde heeft gehouden. HL En vooral dat die Schryveren van a/toos voort. duren der ziel, onflerfelykheid en zielsverhuizing fpreken, als van denkbeelden welke of geheel niet verfchillen, ‘of ten minften zeer naau aan elkanderen verknocht zyn. Wy zullen ons nu niet inlaten in de oplosfing der eerfte zwarigheid, of in die allermoeielykfte nafpeuring, waar de eerfte oorfprong van het leerftelfel der zielsverhuizing moet worden gezocht. Bekent is het, dat het zelve door het gehele Oosten en Egypte was “aangenomen, en dat wel zedert onheuchelyke tyden. Waarom dan ook de eerfte uitvinders voor altoos door de dikfte duisternisfen der Oudheid blyven bedekt. Maar de rede, waarom de Grieken de eerfte bronnen dezer leer in hun eigen land dachten aan te treiTen , moet gezocht worden in die uitnemende volksverwaantheid, welke zelfs de beste Schryvers befmet heeft, en welke hen dede lochenen van anderen iets te hebben geleert. Dit ging zelfs.zo verre, dat zy niet wilden geloven, dat de Wysgeerte der Barbaren ouder was dan de hunne (a). Dog wat zal men nu eindelyk uit de bygebrachte Hoe men de gevoe- getuigenisfen, omtrent de gevoelens van Thales en dens van Thalesen Pberecydes om- Pherecydes opmaken? Zeker is het, dat men dezelve niet dus kan verftaan, (hoe zeer deze ook de aangeno(a) Diocen. LAERT, Prooem, § 3.

Page 54

View in PDF(opens in a new window)
nomene verklaring is) dat deze Wysgeren de eerfte sen de waren, welke een leven na dit leven, of eenen toe- “5 komenden ftaat ftelden; want dit was reeds van de oudfte tyden in Griekenland zo wel als in alle andere gewesten der waereld, volgens het geen wy te voren betoogden, de algemene, of de doorgaande volksleer, De ware verklaring is dan deze: Thales en Pherecydes waren de eerften, welke de eigentlyke eeuwigheid der , onder ziel, en de daar mede verbondene zielsverhuizing gen redenkavelin wysgerige door en de Grieken leerden, zochten te bewyzen. . Maar welke was nu die eeuwigheid der ziel volgens ZoFielden hunne denkbeelden? Ik antwoorde; zy hielden het Seorcen daar voor, dat de ziel een afgefcheurt of afgezondert are deel der Godheid zelve was, en zyn de eerfte onder dee/van de Grieken geweest, welke de leer van het eene we- 0%" zen, waartoe de menfchelyke ziel ook behoorde, hebben voorgeftaan (4). Deze godloze ftelling heeft zo veel opgang gemaakt, dat onfterfelykheid, in een wysgerigen zin genomen, dezelve in volgende tyden zeer dikwyls infloot. En niets anders wil CICERO zeggen, wanneer hy getuigt, dat Pherecydes de eerfte was, welke leerde, dat de ziel eeuwigdurend is; en dien zelfden zin moet men ook aan de woorden van Plutarchus geven, wanneer (a) God of Jupiter was volgens Pherecydes de Aether purus. BRuCKER I, 985. waaruit dan volgt, dat de ziel een gedeelte van dezen aether was, gelyk Pythagoras, welke voor zyn leerling gehouden word, ook ftelde, zo als wy ter zyner plaatfe zien zullen. En dit denkbeeld kwam met de oude volksbegrippen, van welke wy te voren fpraken , volftrekt overeen.

Page 55

View in PDF(opens in a new window)
neer Thales voorkoomt als de eerfte die de ziel een altoos of van zelfs bewegend wezen noemde (4). Ik wil deze verklaring voor de myne niet opgeven, wyl ze reeds door BUDDEUS (2) en anderen voorgeftelt, en door WARBURTON met zeer groten toeftel van geleerdheid is aangedrongen (c), dog echter zal ik „dezelve ftaven met eenig nieuw bewys, getrokken uit de eigentlyke betekenisfen der woorden, door de Ouden hier gebruikt (4). Ofdie flelling door Of nu dit ftelfel, waarvan wy fpreken, door de zelfs is, uitgedacht, of wel van anderen, en in ’t byzonder van de Egyptenaren overgenomen zy, valt gansch niet gemakkelyk te bepalen. WARBURTON denkt het eerfte gevoelen te kunnen bewyzen, ben zelven Grieken és uitgedacht, en geeft zig zeer vele moeite om de Egyptenaren van deze flechte begrippen vry te pleiten (e). Maar IA M- BLICHUS (f) getuigt met ronde woorden, dat ook dat " (a) Zie de boven aangehaalde plaatfen, - (4) Thef. de Atheismo & fuperftit. p. 150. Ed, Lulofs. . (¢) Godd. zend. van Mofes IL, 314 en volg. * (4) Cicero zegt ter aangehaalde plaats, dat Pherecydes de eerfte was die ftelde, dat ’s menfchen ziel altoosdurend (Sempiternus) was. Warburton haalt eene plaats van Donatus aan, uit welke blykt, dat het woord Sempiternus eigentlyk van de Goden word gebruikt, waaruit dan volgt, dat Pherecydes de ziel volgens Cicero voor Goddelyk verklaarde. Lactanrius drukt dit byna op dezelve wyze uit, daar hy zegt, dat Pherecydes redekavelde de aeternitate animotum, Lact. D, Inftit. zezernus en fempiternus komen wan aevum, een woord, dat volgens CENsoRINUs, een Zeer goed kenner van godgeleerde fpreekwyzen, betekende, het geen zonder oorfprong en zonder einde was, het geen altoos beftaan zoude, gelyk het altoos beftaan hadde. CENSORIN. de die natal, c. 16. SERVIUS, mede een zeer goed letterkundige, ad den. VL. Aevum (zegt hy) praprie aeternitatis eff, quod non nifi in Deos venit, Het adtoxivydcy (van zelfs bewegende) van Thales moet verklaart worden uit de plaats van Cicero Tufe. Difp. 1, 23. Quod femper movetur aeternum eft, (e) Ter aangehaalde plaats. (f) De Myfteriis Seét. VIII, c. 8.

Page 56

View in PDF(opens in a new window)
dat volk de ziel voor een afgefcheurt deeltje der Godheid hielde, en het zelve geven Porphyrius en andere mede niet onduidelyk te verftaan (4). Men re moet echter bekennen, dat de begrippen der oude neren on- Egyptenaren omtrent dit ftuk zo duister, ja zelfs te- fente genftrydig zyn, dat ik liefst met MosHEım zoude geloven, dat niet alle Wysgeren en Godgeleerden onder dat volk een en-het zelfde ftelfel gevolgt hebben (2). Daar het nu genoegzaam bewezen is, dat Pherecy- De sedes en Thales de zielsverhuizing ftelden, en de ziel de zelfs hielden voor een afgefcheurt deel der Godheid, > 727% cydes over zoude men hieruit eenigfints by gevolgtrekking kun- den zoekonen opmaken, welke hunne denkbeelden waren, om- Fees trent derzelver ftaat na dit leven. Want ftellige plaat- "er fen, welke hunne gedachten onmiddelyk verklaren, entbreken ons. Maar een gedeelte der Godheid zelfs fcheen zekerlyk niet vatbaar voor beloningen of ftraffen te moeten worden gehouden, althans, wanneer men die woorden in eenen volftrekten zin neemt. Misfchien hebben zy- geftelt, dat der ziel fmetten en vlakken door mededeling van een onrein lichaam bybleven, en dat deze, naar mate zy groter of minder waren, de verhuizing en omwentelingen moeilyker of gemakkelyker, langer of korter konden maken, voor en aleer dezelve tot het wezen, waarvan ze genomen waren, wederkeerden. Het is ook mogelyk, dat zy den Ca) JanronNski Panth. Aegypt. I, cap. 2.4 12. , (5) Mo su. ad Cudworth 1, 366. Zie ook BRUCKER Hitt, Crit, Phil. Tom i, 293 » 287, 297+

Page 57

View in PDF(opens in a new window)
den mensch twe zielen toefchreven, van welke de eene zinnelyk, en de andere redelyk was, volgens de denkbeelden, by Homerus reeds te vinden, en hier boven aangehaalt (a). Maar van dit alles, zeg ik nog eens, kunnen wy, by gebrek van genoegzame berichten, niets ftelligs verzekeren, ZyrbagoNu zoude ik, wilde ik volgens de gewone order ° der Griekfche fcholen, hier boven gemeld, voortgaan, tot de Socratifche wysbegeerte moeten koomen. Maar wyl de zo evengenoemde Pherecydes, volgens het algemeen gevoelen, de onderwyzer van Pythagoras geweest is, en deze ook, zo als ftraks blyken zal, gelykfoortige begrippen heeft voortgeplant, heb ik het meer gefchikt geoordeelt hem hier aanftonds te laten Groote volgen. Maar het geen ik te voren aanmerkte, omtrent de avarishe- dikke duisternisfen, waarmede de leerftelfels der oude den, welkedeont- Wysgeren over ’t algemeen omringt zyn, is op nieDane mand meer toepasfelyk dan op Pythagoras. Alles wat kever dien ongemenen man betreft, is aan twyfelingen onderhevig, en men heeft niet alleen over zyne ftellingen getwist, maar ook over zyn vaderland, levensloop, reizen, den tyd in welken hy bloeide; eindelyk, niets word van hem algemeen gelooft, dan dat hy eens geleeft heeft. Men kan zonder te veel te zeggen verzekeren, dat zyn echte ftelfel met hem zelfs is verloren. Ja Lyfis, een zyner leerlingen, vers klaart, (a) Van deze vlakken der ziel zal naderhand by de Wysgeerte van Plato worden gehandelt.

Page 58

View in PDF(opens in a new window)
klaart, dat er toen reeds waren, welke, zig valfchelyk pede bier voor Pythagoristen uitgevende, hem ftellingen op-v” drongen, die hy niet gehad hadde, en betuigt er by, dat wat hem zelfs betreft, hy geenfints gezint is om aan iemand de ware beginfelen zyns meesters te openbaren (4). Het zelfde bericht ons ook PoRPHYRIUS, in het leven van Pythagoras, er by voegende, dat niet alleen deze Lyfis, maar ook alle andere zyner leerlingen allerzorgvuldigst acht gaven, dat er niets van onder ’t gemeen wierde verfpreid. En hierom was het, dat de oude Pythagorifche fchool niets in gefchrifte uitgaf, maar alles by mondelinge overleveringen wierde voortgeplant; welke overleveringen zekerIyk volgens den algemenen regel minder geloof verdienden, naar mate zy verder van de eerfte bron afwaren. Hier van daan dan ook dat wonderbare en raadzelachtige, het welke de Pythagorifche wysgeerte zo zeer kenmerkt, en dat bykans altoos zaken, op overleveringen rustende, verzelt. Vooral moet men deze aanmerking toepasfen op ’s mans geheime onderwyzingen, welke flechts by zeer weinigen berusteden, en dus te gemakkelyker konden worden vervalscht. Want wy zullen zo aanftonds zien, dat Pythagoras, zo wel als de meeste andere Priesteren en Wysgeren der oudheid, zyne ware gevoelens enkel aan zeer gevorderde en beproefde leerlingen ontdekte. Niemand zal dan na dit betoog vorderen, dat wy Degedach hier het echte ftelfel van Pythagoras zelfs voordra- pybagogen. (a) Epift. Lyfid. In Opufc. Myth. Galaei 736.

Page 59

View in PDF(opens in a new window)
raszelfs gen. Men zal zig moeten vergenoegen met eene korte io” verhandeling over de leer van die Wysgeren, welke baar. zig Pythagoristen noemden, en deze zelfs zal hier en daar, by mangel van genoegzame getuigenisfen, gebrekkig moeten blyven. Maar voor en aleer wy tot de denkbeelden dezer {chool, over den ftaat der menfchen na dit leven, overgaan, zullen de begrippen, welke dezelve van God en de ziel voedde, vooraf dienen te worden Het opperontvouwt. Het opperfte Wezen was de aether, dat is eene zeer nn verfynde lucht, of zuiver licht, van eene vurige zelfgerißen. ftandigheid, hoewel van het aardfche vuur geheel onderfcheiden (a). Van dezen aether hebben wy te voren recds iets gezegt, en aangemerkt, dat Homerus denzelven gekent, en in zyne gedichten heeft ingevoert. Men hielde dit wezen eigentlyk voor ftoffelyk, hoewel de ftoffe zelfs, volgens de begrippen, te voren aangehaalt, in de wysgerige taal der Ouden on/ichamefyk genoemt word, en het was, volgens het uitdrukkelyke getuigenis van Cicero (4), door de gehele natuur verfpreid, en bezielde dus het geheelal (c). « Wie ziet niet hoe na dit aan de zogenaamde Spinofistery grenst, en hoe gemakkelyk dus de overgang is van dit ftelfel tot eene volflage godlochening. En alhoewel er geen latere Schryveren ontbreken, welke Py(2) Brucker Hift. Crit. Phil. Tom. I, 1076, (4) De Natura Deorum I, 9. (ce) Dus in dit opzicht onderfcheiden van den gether der oudfte Dichteren, welke denzeiven alleen in het hoogfte gedeelte des hemels plaatften.

Page 60

View in PDF(opens in a new window)
Pythagoras veel gezonder denkbeelden willen hebben toegefchreven, fpillen deze echter hierin hunne moeite te vergeefs (4). Voorts was de ziel, volgens de Pythagorifche be- urn“ grippen, overeenkomftig met de aloude leer, van dermenwelke wy te voren fpraken, redelyk of onredelyk. io" Het redelyke deel wierde, in navolging van de reeds voor lang ingevoerde taal, Pony genaamt, en het andere, dat is de zitplaats der zinnelyke gewaarwordingen duos. Ja LAERTIUS en PLUTARCHUS (b) verhalen ons, dat Pythagoras er nog eene derde zeifftandigheid by voegde, welke in zyne taal vous genaamt wierde, en welke men ook voor minder edel hielde. De redelyke ziel kwam uit den hemel, of uit de zn waar hoogfte plaatfen der waereld, om lichamen te bewo- gered nen, gelyk PLOTINUS in een boek, over deze tof: kwam, fe gefchreven, heeft zoeken te betogen (c). Maar of ze nu verder voor het zelfde wezen met God, of Chet geen op het zelfde uitkoomt) voor een afgefcheurt gedeelte der Goddelyke zelfftandigheid, volgens de Pythagoreers, gehouden moet worden, dan niet, valt, volgens veler gevoelens, niet zeer gemakkelyk te beantwoorden. Daar evenwel dit enderfcheid in de bepaling van den toekomenden ftaat der men{chen van het uiterfte aanbelang is, dient er hier iets van te worden gezegt. Py- (a) Mosu. ad Cudw. p. 28. Brucker Tom. I, 1089. (2) De Placit Phil, IV, 2 (c) Kusterus ad Iambl. vit, Pythag. n. 178.

Page 61

View in PDF(opens in a new window)
OfPytba- Pythagoras zelfs betuigde, volgens PLUTARCHUS ane (a), dat hy het zelfde onderfcheid maakte tusfchen maakte God en de ziel, als tusfchen het werk of het getusfchen . Godende Wrocht, en den werkmeester. En hierom hebben vele zieh, onder de latere Schryveren, CUDwoRTH, Buppeus, en andere zyne gedachten in een gunftiger licht zoeken te ftellen. Dog de plaatfen, welke hier toe gebracht worden, behelzen enkel fchoonfchynende fpreekwyzen, en fpitsvinnige onderfcheidingen; by voorbeeld, dat God niet de ziel is, gelyk men de lichtftralen geen zon kan noemen, en diergelyke; en dus heeft Cicero zeer wel aangemerkt, dat Pythagoras met zyne leer van het eene wezen God van een rukte en verftheurde (b). Eindelyk betuigt ons ook IAMBL1ICHUS zelfs met ronde woorden, dat de gezuiverde ziel ten laatften God zelfs moeste worden, dat is, zy moeste wederkeren tot dat wezen, waarvan ze genomen of afgezondert was (c). Deze was dan de redelyke ziel volgens de denkbeelden der Pythagoreers. Wy willen nu niet herhalen, dat het er verre van daan fchynt, dat dezelve het cerst door Pherecydes of Pythagoras zoude zyn voorgeftelt, gelyk Warburton heeft zoeken te betogen. Deonrede. Maar om nu den ftaat der menschen na dit leven ae wel te bepalen, moet men ook weten, welke de ontbagoras, redelyke of zinnelyke ziel dezer Wysgeren was. DeZe (a) De Placit Phil. IV, 7. (4) Discerpebat et dilacerabat Deum. Cicer Laear. VIL, 28, o de nat, Deor, I, 9. Zie ook (¢) In Aur. Carm, in £,

Page 62

View in PDF(opens in a new window)
ze dan beftonde uit de hooftftoffen der waereld (2), ende Przo.dat men dus de gehele mensch voor een kort za- thagoris menftelfel hielde van alles, wat in de natuur wierde gevonden. De redelyke ziel moeste onfterfelyk zyn, en wel om deze rede, wyl het Goddelyke wezen, waaruit zy haren oorfprong hadde, onfterfelyk was (5). Maar de overige delen, den mensch uitmakende , waren floping en verderf onderhevig (c). Dit kortelyk vooraf gezegt zynde, zal men nu de vraag, welke denkbeelden de Pythagorifche leer aan den ftaat der menschen na dit leven hechtte, gemakkelyker kunnen behandelen. Het blykt, gelyk ik zo aanftonds zeide, dat de redelyke ziel geacht wierde ten laasten weder te keren tot het wezen, waaruit zy genomen was, dat is tot God zelf. Dit was zekerlyk een zeer natuurlyk befluit uit de voorafgaande ftelling. Dog van de redenen, waarmede deze leer bekleed wierde, zouden wy misfchien meer kunnen zeggen, indien het boek van Porphyrius, over de hereniging der zielen gefchreven, tot ons was gekomen (d). Voor en aleer echter de redelyke ziel tot dat geluk png. konde geraken, moeste zy vele lastige dolingen en rite ommevoeringen ondergaan. Wie weet niet dat Pytha- innings goras de zielsverhuizing ftelde? Dog aan den anderen kant is er ook veel over de rechte bepaling van dat leerftuk getwist, in welken twist ik my nu niet zal in(a) PLUTARCH. Plac. Phil. IV. 4. . (BD) Diocen. Laerr. VIII, 28. (4) KusTER ad lamblich. 1. cit. “ Ce) BrucwerÏ, 1091.

Page 63

View in PDF(opens in a new window)
inlaten. Volgens het gevoelen van BRUCKER (a) koomt dit ftelfel hier op neer: Er is maar een zeker gedeelte zielen (dat is redelyke zielen) van den geest der Waereld afgezondert. Deze zyn beftemt, om op zekere tyden lichamen te gaan bewonen, en na de floping dezer lichamen (welke men voor gevangenisfen of kluisters van het Goddelyke deel hielde) keren zy door hare natuurlyke eigenfchap weder naar boven, dat is na de hoogfte lucht; of indien {metten en wonden, medegedeelt door de onzuiverheid des lichaams, het welke zy hadde moeten bewonen, dien hogen vlucht beletteden, daalt ze tot donkere en akelige plaatfen neder, om aldaar de zuivering te ondergaan. Dog in beide gevallen moet ze, den noodlottigen tydkring omgelopen zynde, al wederom nieuwe lichamen betrekken. Deze latere woonplaatfen zyn meer of min edel, naar mate de ziel van te voren gekregene fmetten gereinigt is. En deze ommewentelingen, of op een volgende lichaamsverwisfelingen, duren zo lang, tot dat eindelyk het edele deel, of die afgezonderde Goddelyke zelfftandigheid, tot het wezen, waaruit zy genomen is, wederkeert, om er voor ° altoos te blyven. Volgens dit plan hebben de meeste Schryveren de Pythagorifche zielsverhuizing te gelyk als natuurlyk en als zedelyk befchouwt; natuurlyk namentlyk, in zo verre de zuivering, van welke hy fprak, een noodzakelyk gevolg was der fimetten en vlakken; maar zede(4) Tom. I, p. 1094.

Page 64

View in PDF(opens in a new window)
delyk, wyl ondeugden, dat is zedelyke onreinheden die fimetten veroorzaakten. Maar deze verklaring der zielsverhuizing heeft ook zyne zwarigheden, wyl ze in alle delen geenfints op Gare oude en echte bronnen kan worden gevestigt. En Burton hierom denkt WARBURTON (4), dat die leer, vol- geerde gens welke de zielsverhuizing tot zwivering geacht wierde te verftrekken, niet van Pythagoras, maar van Plato is. Hoewel nu ook dit gevoelen, wegens het gebrek aan oude echte Pythagoristen, niet kan worden bewezen, moet men nogthans toeftaan, dat de latere Wysgeren, welke zig Pythagoristen noemden, de denkbeelden van anderen, en vooral die van Plato, met de oude ftellingen hebben vereenigt, waaruit dan een mengzel geboren is, het welk door geene menfchelyke wetenfchap hedendaags uit elkanderen kan worden ue ! gezet. Waarom dan alle arbeid te vergeefs zyn zal, welke befteed word in het zoeken van de ware begrippen van Pythagoras zelfs. En om deze rede durf ik ook geenfints, met den zo evengenoemden geleerden Bisfchop , het onderfcheid tusfchen de geheime en openbare leer van Pythagoras ftellig verklaren, (of. fchoon de zaak zelfs, dat hy namentlyk dusdanige twederleie leer gehad heeft, klaar genoeg is,) en met de voetftappen hem verzekeren, dat de Wysgeer, zyns meesters Pherecydes drukkende, de zedelyke zielsverhuizing, of de zulke, welke betrekking hadde op beloningen en ftraffen, opentlyk leerde, daar (a) WARBURTON I, 220

Page 65

View in PDF(opens in a new window)
hy echter de natuurlyke of noodzakelyke voor zig zelven geloofde (a). De plaatfen, bygebracht om dit Zyngevoeonderfcheid den is niet klaar be- Wezen. te vestigen, zyn onvoldoende, en ook die van Trmarus (2), welke, volgens Warburton, de zaak geheel moet afdoen, daar hy, volgens zyne gedachten, alle zedelyke fchikking buiten het ftelfel der zielsverhuizing fluit, kan ook dus worden uitge- ‚lest, dat dezelve meer ziet op de vercierfels, met welke de Dichters de Wysgerige ftellingen bekleedden, (want Timaeus fpreekt van een oud Dichter, welke de bozen met vreemde pynigingen en verfchrikkingen na dit leven dreigde) dan wel op de leer van toekomende beloningen of ftraffen zelfs. En dus is het my nog niet gebleken, dat Pythagoras zelfs geen het minfte onderfcheid ftelde tusfchen den ftaat der menfchen na den dood, van welk onderfcheid zyne latere volgeren zo. veel fpreken. Intusfchen wil ik met dit alles gaarne toeftemmen, dat uit de ftelling, welke de redelyke ziel der menfchen voor een afgezondert deel der Godheid hielde, noodzakelyk eene onvatbaarheid volgen moeste voor eigenlyk gezegde beloningen of ftraffen, ja zelfs, dat deze gevolgtrekking zo klaar is, dat ze niet verder behoeft te worden betoogt. Maar konde nu een mensch, welke den hoogften trap van wysgerige deugd bercikt hadde, het zo verre brengen, dat hy die verhuizingen, van welke wy ge{pro- (a) Dezelfde II, 206. (4) Timaeus Locr, de rerum natura, fub fin. Men vind dit ftukje achter den Timaeus van Plato, en ook in de Opuscula Galaci,

Page 66

View in PDF(opens in a new window)
fproken hebben, ontgaande, aanftonds na den dood tot zyn beginfel, God namentiyk, wederkeerde? CupWORTH denkt ja, maar MosHeim houd het daar voor, dat Pythagoras zelfs deze ommedolingen noodzakelyk en onvermydelyk achtte. Dog het is zeker, dat zyne navolgeren hieromtrent anders dachten, gelyk blykt uit eene plaats van de zogenaamde Gulde Spreuken (4), alwaar gezegt word, dat de geoefende Wysgeer, na aflegging des lichaams, ten hemel zal varen, en een God worden. : Dit zy genoeg van de beftemming, welke, volgens de Pythagorifche leer het redelyke gedeelte der men- ops {chen was befchoren. Ef blyven zekerlyk nog zwarig- “s¢ toe . gang bad heden over, dog dezelve zyn, ten minften voor my , tor ber onoplosbaar. Ik wil dit liever erkennen, dan uit kwa- wae lyk zaamgevoegde plaatfen een ftelfel opmaken, het welk de proef van onderzoek niet kan doorftaan. Laat ik er echter dit nog byvoegen, dat de vlakken of fmetten der ziele, van welke de Pythagoristen zeer veel fpreken (2), geenfints, alleen door deugd of zuiverhéid van zeden, konden worden uitgewischt. Ten minften, dit fchynt befloten te moeten worden uit alle die onthoudingen en reinigingen, welke men den beoefenaren voorfchreef, om tot het toppunt van wys- . gerige volmaaktheid te geraken (c) Niets is bekender : | dan ° (a) Aur. Carm, Pyth. in fine. (6) Ik zal nu niet onderzoeken of die leer van de finetten der ziel van Plato en niet van Pythagoras zy, gelyk Warburton denkt. Genoeg is het dat latere Pythagoristen er van fpreken. (©) V. HierocL. Comm. in Aur. Carm. 216. Me qui folam mentem purgare sätitur, nulla corporis ratione babita , toti homini non prospicit.

Page 67

View in PDF(opens in a new window)
dan die Pythagorifche onthoudingen, dog derzelver oorzaken in ’t byzonder na te gaan, zoude verre buiten de palen dezer verhandeling moeten lopen. Nu nog een woord van de onredelyke ziel der menfchen, of die, welke voor de zitplaatfen der zinnen en driften wierden gehouden, en welke de Pythagoreers vous en bumoe noemden. Deze dan waren volgens het bericht van Dioc. LAERT. (4) fterfelyk, dog of dezelve nog eenigen tyd na den dood overbleeven, word ons niet verhaalt. De leer van Pythagoras dus afgehandelt zynde, in un %- zo verre de onoplosbare zwarigheden, waarmede devan Py. zelve omringt is, het toelieten, zoude ik verder moean. ten overgaan tot zyne opvolgers, of de Wysgeren ae tan der Italiaanfche fchool. Dog ik heb te voren reeds zeerwei. aangemerkt, dat men by dezen zeer weinig vind, het Fe welk tot de beftemming der menfchen na dit leven zegt. betrekkelyk is. Er zal dan enkel iets gezegd worden van twe of drie mannen, welke gewoonlyk onder de naaste opvolgers van Pythagoras worden getelt. Het bykans algemeen gevoelen van ouder en latere Zele Schryveren brengt hier toe Charondas, den wetgever rondas. Ger Thuriers, en Zaleucus, dien der Locrenfen. Ik weet wel, dat deze overlevermg heden ten dage zeer betwist word; dan, daar het ons hier meer op de leer en zaken zelfs, dan op derzelver uitvinders en dryvers aankoomt, zal dit gefchil onaangervert kunhen worden voorby gegaan. Nog minder wil ik onderÇa) Dioc. Laer +. VIH, Segm. 30.

Page 68

View in PDF(opens in a new window)
derzoeken of die inleidingen en wetten, welke DioDORUS SICULUS en STOBAEUS ons bewaart hebben, en voor echt worden opgegeven, tot latere tyden moeten worden gebracht, en van anderen verciert zyn, gelyk BENTLEI ons zeer breedvoerig heeft zoeken te betogen (7). Want nog eens, de zaak uit ons oogpunt befchouwt zynde, is het genoeg, dat deze ftukken ten minften ouder zyn dan de Christelyke openbaring, en wysgerige gedachten, rakende den ftaat der menfchen na dit leven, bevatten, Vooral verdient de inleiding der wetten van Zaleucus (of die, welke door Droporus SICULUS () prorrede aan Zaleucus word toegefchreven,) onder de fchoon- derwerfen van . {te ftukken, door de oudheid ons nagelaten, te wor- Zaleucus. den geplaatst. Hy eischt in dezelve van zyne burgeren, dat zy voor alles van het aanwezen der Godheid, en de zedelyke befturing der wacreld zig overtuigt houden, en daarom deugd en rechtvaardigheid betrachten, daar de Godheid niet met offerhanden en plechtigheden, maar enkel door een zuiver hart en reine zeden kan worden gedient. Deze leer is zekerlyk van zulk eene eenvoudige grootsheid, dat de verlichtfte Kristen niet verftandiger zoude kunnen fpreken. Daarby hecht Zaleucus beloningen en ftraffen, aan deugden en ondeugden, in dit leven gepleegt, ge... lyk ons door WARBURTON (c) word betoogt. Die vor Warzelfde Schryver echter brengt dit ftuk tot de gewone ara voor- zelve. (a) Disfert. de Phalaride 185 Ed. Lennep. Maar de bewyzen van BENTLEI heeft WARBURTON zoeken te wederleggen. Godd, z. van M. I, 167. (5) Lib. XH, cap. 20. (c\ Eerfte D. bl. 192.

Page 69

View in PDF(opens in a new window)
voorredenen, welke de oude Wysgeren voor hunne wetten voegden, om, door de leer van voorzienigheid en toekomende beloningen of ftraffen, welke er in wierde voorgedragen, de burgeren tot een braaf gedrag, ten besten der maatfchappy, op te leiden, of fchoon zy voor ’t overige niets geloofden van die lesfen, welke aan anderen wierden gegeven. Maar of de opfteller van dit overfchone overblyffel der oud ‘heid, hy zy dan wie hy zy, zulk een dubbelhartig mensch was dan niet, dit zal noch Warburton noch iemand anders ons kunnen betogen. Ook behoeven diergelyke nafpeuringen hier niet te worden in ’t werk geftelt, en het is genoeg voor ons onderwerp, dat wy hier een oud Wysgeer kunnen bybrengen, welke den toekomenden ftaat der menfchen enkel afmat na hun gedrag in dit leven, en daarby de beftiering der waereld toefchreef aan eene wakende voorzienigheid, welke de daden der menfchen zag en vergold. Men zal zekerlyk erkennen, dat dit ftuk verre boven de dromen en losfe of ook ondeugende ftellingen der „oude Griekfche fcholen verheven is; ja ik zoude zelfs in verzoeking kunnen komen om te geloven, dat de opfteller zyne verhevene beginzelen uit de Christely- ‚ke openbaring geput hadde, waren zy niet onbetwistbaar zeker van een hoger ouderdom. Timaeus de Locrier word ook algemeen voor een de Lerier. oud Pythagoreer gehouden, fchoon men over den ‚juisten tyd, waarin hy bloeide, het niet eens is. Wy hebben van hem een klein ftukje over de ziel der waereld

Page 70

View in PDF(opens in a new window)
reld, het welk achter den Timaeus van Plato, en ook afzonderlyk is uitgegeven (a). Zommige vellen een zeer gunftig ‘oordeel over de denkwyze van dien Wysgeer, en houden het daar voor, dat hy de zedelyke befturing der waereld, en den ftaat van beloningen en ftraffen na dit leven geloofde, en zig hieromtrent op het einde van zyn ge{chrift zeer klaar”uitlaat (2). Dan, wy hebben reeds dat WARBURTON die zelfde plaats te voren gezien, gebruikt om te betogen, dat, deze Timaeus alle zedelyke uitzichten: buiten zyn ftelfel der zielsverhuizing floot, en geloofde, dat de leer van beloningen en ftraffen enkel dienftig was om ’t gemeen in teugel | | ' te houden, en het welzyn. der maatfchappy te bevor- Of ayn el. deren. Nogmaals heb ik de betwiste woorden by her- fuer haalde reizen gelezen, zonder iets zekers nopens het puis ware gevoelen van dien Wysgeer te durven befluiten he | of hy namentlyk alle beloningen en ftraffen zonder valsch voor zulke de onderfcheid verwerpt, dan alleen houd, welke de door:hem aangehaalde Dichter den gemenen man ‘bad: voorgedragen. Dus ben ik genoodzaakt de zaak onbeflist te laten, wyl voor ’t overige in dit boekje, veelal voor ons onverftaanbare taal behelzende, niets word gevonden, waaruit men, omtrent ons onderwerp, iets met meerdere zekerheid zoude kunnen befluiten. _ Voorts heb ik verder niets merkwaardigs voor te dragen omtrent de gedachten der oude Pythagoreers. ‘Nog (a) Opufcula Mythol,Galaei:566. (B) Cupworrn I, 475 Mmm 3 ’ i

Page 71

View in PDF(opens in a new window)
Nog iets zoude men kunnen zeggen van Empedocles den Agrigentiner. Maar zyne begrippen, nopens de ziel en derzelver verhuizingen en omdwalingen, komen na genoeg overeen met dat ftelfel van ’t welk te voren in ’t brede gehandelt is, en behelzen dus geene byzondere gevoelens, betreffende den ftaat der menfchen na dit leven. Ook kunnen wy alle -de volgende hooftfecten der {taliaanfche fcholen, om die redenen, hier boven gemelt, gerust daar laten. e Vin dep. Wy keren dan weder tot de eerite, of tot de Ioniea {che fchool, welke wy na de verhandeling der gevoe- . Jens van Thales, die er de ftichter van was, hadden verlaten. Van zyne éerfte opvolgers in die fchool weten wy wederom niets, het welke tot ons hooft-onderwerp zoude kunnen worden betrokken; althans het weinige, dat wy hieromtrent vinden, is niet van dien aart of byzonderheid, dat het verdienen zoude hier te worden bygebracht. Ik kan dan overgaan tot dien man, welke niet alleen door de godfpraak. van Apollo, maar ook door Sucrates. de bykans vereenigde ftemmen van vroegere en latere Wysgeren, voor de verlichtfte en deugdzaamfte aller Grieken verklaart is. Hy was de eigentlyke ftichter der zedelyke Wysgeerte, en hielde alle wetenfchap, welke | |; | niet tot deugd en waar geluk leidde, voor loutere ydelheid. En hoewel hy zig door deze leer den allerbitter‘ ften haat der Sofisten zyner tyden op den hals haalde, daar hy hunne buitenfporige begrippen overalaantastte, waar hy dezelve ftrydig vond met ware deugdsbetrachting

Page 72

View in PDF(opens in a new window)
ting en het heil des menschdoms, ftonde hy echter in zyne beginfelen pat, verachtende het gefchreeuw des bygeloofs en der waanwysheid , tot dat hy eindelyk door een geweldigen dood deze grootmoedigheid moeste bezuren. De voorname oorzaak van dezen haat was zyn Zyne ge- — minder gunftig oordeel over boven-natuurkundige, en dachten de vooral natuurkundige wetenfchappen, op welke hy over ware Wyse toeleggen, geerte. wilde dat de menfchen zig alleen zouden gemenen levens des.uik in:zo verre zy tot het gebr AUS van dienst konden zyn (2). En deze ftelling verdient, ten opzichte der tyden, in welke die Wysgeer leefde, onze hoogfte goedkeuring, daar wy reeds te voren zagen, hoe halfgeleerde Natuurkenners, en Bovennatuurkundigen,.hoedanige voor. hem, en ook na zyne tyden leefden, hunne wetenfchap gebruikten om de Sofsten. gronden van zedelykheid en deugd te ondermynen, en zig zelven in doolhoven te verwarren, welker uit einde zy niet konden vinden. En. om die rede dan heeft Socrates, volgens het getuigenis van CICERO (y, de wysgeerte van den hemel afgetrokken, de» zelve in de fteden en huizen geplaatst, en ter onder- : | zoek .. (a) XENoPHoN Memorab. IV, p. 814. Ed. Leunclavii. “(45 Tufeul. Difp. V, 4 Pr word zeer getwist welke de ware zin dezer woorden van Cicero zy. Dog hy verklaart zig zelf zeer duidelyk op eene andere plaats:, Socrates primus a rebus occultis, et ab ipfa natura involutis, in quibus omnes ame eum pbilofopbi-occupati fueraut, avocovit philofophiam , et ad vite commune additxit , ut de virtute et vitiis omninoque de bonis rebus et malis quaereret, caeleftia autem vel procul a noftra cogitatione abesfe cenferet „vel, fl maxi. me cognita esjent, nibil tamen ad bene vivendym, — De oudfte Wysgeren hadden alleen op ziz zelfs ftaande fpreuken, tot de zedekunde betrekkelyk, nagelaten, hoedanige men aan de zogenoemde zeven Wyzen van Griekenland toefchryft, dog Socrates was de eerfte onder de Grieken, die de zedekunde op vaste begin" felen bouwde.

Page 73

View in PDF(opens in a new window)
zoek van goed en kwaad, ter reiniging der zeden, en tot het algemene heil des menschdoms bepaalt. „Socrates Door dusdanig eene beoefening van zedekunde, gepand grond op de onderlinge betrekking tusfchen God en wirzichten het gefchapene, en met achterlating van.alle verftand 8 . . . . 5 Raat bier verbysterende fpitsvinnigheden, konde ‘hy zekerlyk namaak verkrygen tot een beter en redelyker inzien in de ware beftemdan ande- ming des menfchelyken geflachts geraken, dan iemand geen, VOOr. ‘hem gehad: hadde, ja dan eenig Griek of Romein voor de'tyden onzer Goddelykeopenbaring heeft mogen genieten. zuiver. — De zuiverheid zyner oogmerken, en de innerlyke aser overreding van die lesfen, welke hy anderen gaf, is zo ken. ongetwyfelt, dat zelfs. Bisfchop WARBURTON, die «2, de leer: van alle andere Wysgeren, wanneer zy van een toekomenden ftaat. van beloningen en ftraffen fpreken, voor geveinst verklaart, het daar voor houd, dat Socrates waarlyk de taal van zyn hart {prak (a). Maar voor en aleer ik zyne denkbeelden, nopens de beftemming der menfchen na dit leven, ga ontvouSena wen, moet ik kortelyk een gevoelen te -keer gaan, sole het welk, hoewel zeer ongegrond, nogthans van vede tyden in len omhelst is; dat Socrates namentlyk nooit iets ftelee” ligs, omtrent het beftaan na dit leven, zoude hebben maden geleert, maar altoos tot zyn einde toe dit ftuk met “een twyfelachtig geloof voor en tegen befchouwde en beredeneerde. Deze gedachte konde licht opkomen by dezulke, welke enkel eene oppervlakkige kennis had€) IL. Deel, 336

Page 74

View in PDF(opens in a new window)
hadden van het leven van den Wysgeer, en de tyden, in welke hy zyne leer voordroeg. De waanwyze Sofisten en bovennatuurkundige, met welke hy zyn geheele leven lang te ftryden hadde, droegen hunne begrippen voor met dien beflisfenden toon, welke van alle tyden het kenmerk van onkunde of valfche wetenfchap geweest is. Tegens deze Sofisten dan moeste zig Socrates verzetten, en daarom voerde hy de manier in, van door redentwisten, en vragen en antwoorden achter de waarheid te komen, welke manier: van onderwys naderhand de Socratifche genoemt is. Hoewel hy dan dezelve tot den laatften levensfnik volgde, moet men er echter geenfints uit befluiten, als of toen nog twyfelingen en onzekerheden zyne ziel hadden beftormt, of dat hy niet redelyk overtuigt was van de onfterfelykheid der ziele, in zo verre dit leerftuk buiten hoger gezag door ’t menfchelyk verftand kan worden verklaart (4). Men moet echter bekennen dat de leerlingen van Zwe ker- Socrates al vroeg die onzekere voorftellingen van fingen bebhunnen meester in een eigentlyken zin hebben begin- gedachten verklaart nen op te vatten en uit te leggen, en dat hier door het twyfelend ftelfel der zogenaamde Academisten is past. in de waereld gekomen. Laat ons nu zyne gedachten, betreffende den ftaat der menfchen na dit leven, nader onderzoeken. Wie kent niet dien welfprekenden Phaedon, door Plato ons nagelaten? waarin hy Socrates in de gevangenis over. de Ça) Zie Cicero Tufcul, Difp. 1,42. WARBURTON Il Deel

Page 75

View in PDF(opens in a new window)
de onfterfelykheid der ziel doet redekavelen, en wel met die kracht van welzeggen, dat zommige dwepers, door de voortreffelykheid der toekomende beloningen, welke er in worden voorgeftelt, bekoort,-de handen aan zig zelfs hebben geflagen (4), en met die kunst, om zyne lezeren in het harde lot des Wysgeers te doen delen, dat het ftuk alle gevoelige menfchen de Plato is geengetranen uit de ogen perst (2). | . Voorts komen er ook buiten den Phaedon, ja in veä ie . . le werken van Plato, plaatfen voor, in welke die Wys- Ginn” geer over den toekomenden ftaat der menfchen fpreekt an als uit den mond en volgens de beginfelen zyns meesvan de ge. ters. Maar wy moeten ons wel wachten van Plato hieré vols zes. in altoos op zyn woord te geloven. Het is bekent; dat deze vernuftige man alles, wat hy onder handen nam, met zyne eige gedachten en begrippen vermengde, en dat hy vooral de leer van Pythagoras met die van Socrates en de zyne in elkanderen fmolt, waaruit dan dikwerf ftelfels voortkomen, welke een kwalyk aaneenhangend geheel van ftrydige gedeeltens uitmaken (ce). Socrates klaagde reeds, dat hem by zyn leven gevoelens, welke de zyne niet waren, door Plato wierden aangewreven (d). Ook deed hy zynen meester niet enkel als leeraar der zedekunde, maar van alle toen beoefent wordende takken der wysgeerte voorkomen, om dus zyne byzondere gevoelens met een groter gezag te dekken en te ftaven. Vooral moet de(a) Dacrer Argum. Phaedon. (2) Cicero Tufcul I, 40. (c) Brucker Tom. 1, 464, 666, 1041. (7) Brucker I, 631. Zie ook Dioc. LAERT. Ill, 35

Page 76

View in PDF(opens in a new window)
deze aanmerking in acht genomen worden omtrent den zo evengenoemden Phaedon, daar de Ouden zelfs getuigen, dat er vele dingen in gevonden worden, welke enkel uit het brein van den Schryver waren voortgekomen (4). … Gelukkig zyn wy dan, daar wy, behalven de wer- Lofvan ken van Plato, ook die van Xenophon zynen tydge- Xenophon. goot en medeleerling mogen bezitten. In deze word ons de leer van Socrates voorgedragen met die groot» {che eenvoudigheid, welke hem zo zeer kenmerkte, en om welke met die zelfde overredende klaarheid uit te drukken, zekerlyk geen beter pen konde worden gevonden, dan die van den adelyken ftaatkundir het gen Wysgeer, van welken wy fpreken. Jammeis betreffen vinden, hem by weinig zo wy dat echter, de de leer van Socrates omtrent de beftemming der menfchen hier namaals. Ik denk echter, dat hier toe moet worden gebracht dat beroemde affcheid van Cyrus aan zyne zonen, het welk door Cicero waardig is om in een Latynsch kleed door zyne hangeacht den te worden geftoken (2). Dit ftuk draagt immers alle kenmerken van den Socratifchen leertrant, en befchouwt het leerftuk der onfterfelykheid aan beide zyden, volgens het Zo aanftonds verklaarde gevoclen van Socrates. Ook haal ik het daarom aan, wyl er geene ftellingen, de zielsverhuizing betreffende, in “_voor(a) Menac. ad Diogen. II, 35. BRUCKER I, 658. (5) Xenopm. Cyroped. VII, 236. Het is genoegzaam bewezen dat deze de Cyropedie een wysgerige Roman is, waar van de grond meest waar, dog . byvoegfelen cieraaden des Schryvers zyn.

Page 77

View in PDF(opens in a new window)
Hyver. VOOrkomen (4), welke men anders in den Phaedon ded van Plato zeer duidelyk vind, en wel hier en daar op zenzyns eene zeer duistere wyze voorgeftelt, welke zekerlyk de veeteen. leertrant van Socrates niet was. Dog van dit, zeg ik, voudiger. vind men niets by Xenophon; waarom dan BRucKER te recht oordeelt, dat alles, het geen Plato Socrates aanwryft, als of hy een voorgaanden ftaat en zielsverhuizing voorgeftaan hadde, geen het minfte geloof verdient (à). | Dit nu vooraf aangemerkt zynde, moet de leer van Socrates omtrent den tockomenden ftaat, zo veel mogelyk, van de byvoegfelen van Plato afgezondert, en alleen de eenvoudige beginfelen, welke hy zynen meester toefchryft, voorgedragen worden. Pe denkbeelden van Socrates waren zekerlyk op spears geloofde God en de voorzienigheid gegrond; hieromtrent neen men ons de fchriften van Xenophon allen twyfel weg. Hy befchouwde dan het Opperwezen als de uitdeler van beloningen en ftraffen na dit leven, en beweerde dus die leer in een volftrekten zedelyken zin. In de befchryving der plaatfen van toekomend geluk of rampzaligheid, heeft hy de namen, van ouds door de Dichteren ingevoert, behouden, zo men Plato in dezen , (2) Aefchines, een ander waardig leerling van Socrates, fpreekt ookin % geheel niet van zielsverhuizing, in een brief aan Xenophon gefchreven , waarin hy hem over den dood van zyn zoon Gryllus met Socratifche troostgronden zoekt op te beuren. Ja hy zegt duidelyk, dat, gelyk het begin des menfchelyken wegs de geboorte was, alzo ook het einde de dood is, na welke by deugdzamen de gelukzaligheid volgen moet. Dezen brief vind men by Stobaeus, en achter de werken van Xenophon, . (4) Brucker Tom.}, 563. Socrates toont overal, dat hy diergelyke befpiegelingen met al zyn hart verachte, Zie Mosu. ad Cudw. 1, p.184

Page 78

View in PDF(opens in a new window)
zen mag geloven. Want in den Phaedon en elders ops, fpreckt hy van den Coeytus, Acheron, Tartarus A enz. gelyk de Ouden gewoon waren te doen: » Dog cen ses ander: Schryver verhaalt ons, dat Socrates, “wanneer hem gevraagd wierd, waar die toekomende woningen waren, en hoe ze er uit zagen? geantwoord heeft, dat hy er noch zelfs was geweest, noch ook iemand anders gefproken hadde, welke er van daan kwam (4). Wat nu den weg tot de-plaatfen van zaligheid be- Weiters treft: dezelve moeste gezocht worden door de be- peeve trachting van wysheid, aftrekking der ziel van zinne- E77, lyke begeerlykheden, ontvlieden van alles, het welke Los de verkryging van waarheid en licht zoude kunnen hinderlyk zyn, en eindelyk duor het beoefenen van matigheid en rechtvaardigheid (2). Het geluk des toekomenden levens beftaat niet uit goederen dezer waercld, uit welke men niets mede 770, draagt, behalven de verkregene kennis (c), maar in en de gemeenfchappelyke verkering met God (4), en Romenden met afgeftorvene deugdzame menfchen (¢), in eene faa? toeneming van wysheid en wetenfchap, in ontheven te zyn van dwalingen, onkunde, vrees, en andere aandoeningen der zinnen (f). En zal dan, (dus fprak Socrates) daar het gemene volk dikwerf na den dood reikhalst, uit hoop van vrouwen, kinderen, en vrienden weer te vinden, de Wysgeer niet nog veel meer den uitgang uit dit leven blyde te gemoet zien, daar aan (a) Brucker I, 564. (5) Phaedon p, 379, 400. Ed, Ficini. 4 | Cc) Phaedon 399 init. (7) Ibid. p. 386. Ce) PLaro Apolog. Socrat. 369 fin. Cf) Phaedon 386. cité

Page 79

View in PDF(opens in a new window)
aan de andere zyde des grafs- zulke uitmuntende goe. se, deren op hem wachten (4). Deze zyn nu zyne geopen voor dachten over den gelukftaat. Wy zullen er enkel nog CUEAZAmen, byvoegen, dat hy de deur des hemels openzette voor wyzen en deugdzamen, welke, volgens de oude volksbegrippen, enkel den dapperen of heldhaftigen befchoten was (4). “ir{ dier: elvan” Wat hy eindelyk van den {taat van ramp en {mers Socrates, ~ . . , - : ten ftelde, kan uit het reeds gezegde eenigfints wor- (2) Phaedon 380. . (4) Van deze ftelling, reeds in de eerfte beginzelen der burgerlyke maatfchappy ingevoert, heb ik boven breder gefproken, Socrates plaatfte, gelyk ik paumerkte, de deugdzamen in den hemel, doch maakt echter, volgens Plato, onderfcheid tusfchen erikél rave menfchen, en de zulke, welke door de wys&certe Benoegzaam geznivert zyn (ry OijoroDia inauws naebyooeeva) Phaed, 400 inf, Welke laatfie hy zegt dat geheel zonder lichaam tot den bovenften hemel zullen opklimmen. Dan, dit is ongetwyfelt weer cen Pythagoriséh denkbeeld, door Plate zelfs in een nieuw kleed gefloken, gelyk wy nadethand zien zullen, Socrates maakt immers by Xenophon nergens onderfcheid tusfchen deugd en wysgeerte, maar leêrt itegendeel overal zeer duidelyk, dat ware wysgeerte niets anders is dan beoefening der deugd. Ook (preekt hy nooit by Xenophon van die _ wysgerige ‘omthoudingen, welke het Pythagorisch leerftelfel eischte. Her eenige day hy hieromtrent zyne leerlingen inféherpte, was; dat zy, ter beter beoefening Äuhner verftandelyke vermogens, Zorge moesten dragen voor de gezondheid des lichaams, Xenophon. Memor. III, 784. Dit was‘ zekerlyk eene zeer rei clyke gedachte, en raakte alle menfchen. Ja, de wysgeerte van Socrates was wer % geltèkl voor het’ gehele menschdom-gefchikt, waarom hy ‘dan’ ook tveigerde, om „op het voetfpoor van anderen, eene afgezonderde fchool ap te rechten, gelyk ik aanftonds zal bewyzen. Uit dezelfde bron, namentlyk van Pythagoras, of wel van Plato zelfs zyn die plaatfen, waar men Socrates. doet zeggen, at onzuivere zielen, welke de zinnelykheden des „levens enkel hebben opgeöl; door hatte atvakrre worden neergedrultt; zo dat zy de hoège gewesten Niet. kunnen bereiken, Phaddon p, 386. Dit ziet ongetwyfelt op die vlakken:d ziel, van welke Plato zelfs zo veel gedroomt heeft, en op de oude denkbeel‘dua, volgens Welke fizerten der ziel dezelwe eéne lichamelyke zwaärte byzetten, . Waar door zy verhindert worden tot den hogen hemel op te klimmen, “Ik moet er-dit-nog byvoegem, dat men na: Socrates het denkbeeld, wegens gen: voorrang der beldbaftigen of der dapperen, geenfints heeft afgelegt, en dat dus het nageflacht niet verlicht genoeg fchynt geweest te zyn, om zyn veel edeler denkbeeld-omtrent de waarde der deugd aan te nemen. De ci virf » van welke Cicero fpreekt Tufe. ‚13, en welke door hem in den hemel worden geplaatst, zyn piet enkel.dengdzame, maar vooral dappere. Zie ook Josepuus Belli Judaic. VE, 1. S 5. |

Page 80

View in PDF(opens in a new window)
NA DIT LEVEN. 471 DER ZIELEN WEGENS DEN STAAT den opgemaakt. Ondeugende menfchen ; welke de aan: en enkel kweking der rede en kennis verwaarloost, onbeteugel+ hunner y heerfchapp de. het zinnelyke, of de driften hadden opgevolgt, namen die zaden van tockomitige ongeneugten in het graf mede: (a). Of nu eindelyk deze beloningen en dtraffen tydelyk Of by de à dan eeuwig waren, hieromtrent zal ‘hy zig, volgens en Prafen myne gedachten, nooit hebben uitgelâten. Deze afge: 107 i trokkene. bepalingen, van. voortduring en eeuwigheid ze. hy den Sofisten zy: tot die dingen, welke behoofden ner tyden overliet;: gelyk reeds. te: voren door óns is aangemerkt. rr nt De gevoelens van Socrates dus zynde afgehandelt, zogezouden wy moeten overgaan tot die Wysgeren, wel hen a ke gemeenlyk onder.zyne fchool worden betrokken; Soerares. hoewel hy eigentlyk dusdanige fchool niet hadde, daar hy overal verklaart, dat de leer, door hem verkondigt, voer alle zyne medeburgeren, ja voor het gehele mentchelyke geflacht even zeer gefchikt was. Waarom hy zig dan ook nooit met'eenige leerlingen afzonderde, daar integendeel tempels, markten, wandeldreven, en alle openbare plaatfen, waar hy men | nee fchen vonde, zyne fpreekftoelen waren (D); ja, daar Sjoa, hy zelfs fpelende, drinkende, te midden onder de vermaken of bezigheden des levens zyne lesfen uitdeel- (a) Phaedon 386. Ik herhaal nogmaals, dat het geen Plato bier van /ichameIke zwaarte der ziel zegt, van hem zelve is. Socrates redeneerde nooit over de eigentlyke ze/ffandigheid der ziel, (want diergelyke redekavelingen behoor den by hem wederom tot de. onflichtelyke, of ten minften onnurte Sofistifche befpiegelingen. Xenopu. Memor. I, p. 710) maar dezelve was by hem een. onzienlyk wezen, waarvan wy niets kennen dan alleen de werking. (4) XENOPHON Memor, I, 707.

Page 81

View in PDF(opens in a new window)
deeldé-(7); en daar hy eindelyk niet alleen wyze en groten poogde tot zig te trekken, maar zelfs geringe burgeren en handwerkslieden in hunne winkels bezochte (b).uib a sc fae Maer na den dood van Socrates hebben zyne voorMatar ay. naamfte en meest geoefende leerlingen (Xenophon;en genbeb- weinige andere uitgezondert) wederom het oude pad pre beginnen in te flaan, en van de wysgeerte een kunstzulke Jo ftelfel gemaakt, tegens welk gedrag de meester zo zeer len opgerecht, _ Zyn gehele leven lang geyvert hadde (c). En dus was de leer van Socrates een enkele. blixemftraal, te midden in den donkerften nacht voorby (hellende. Hy was te verheven boven zyne tydgenoten, dan dat zy ryp zouden geweest zyn voor die grootfche eenvoudigheid, welke enkel den hoogften trap van befchaving eu kundigheden kenmerkt (2). Ook beminden de Grieken over ’t geheel de afgetrokkene en fpitsvinnige redekavelingen te veel, dan dat zy de by hen onkunttige en weinig verfynde Socratifche wysgeerte op den duur zouden volgen. u CEBES was een der getrouwfte en meest geliefde | leerlingen van Socrates, welke hem ook in de gevangenis tot het einde zyns levens bleef aanhangen, gelyk uit den Phaedon blykt. Men gelooft in ’t algemeen, hoewel er zommige aan twyfelen, dat hy de Schryver was van cen klein en zeer bekend werkje, welks opfchrift is, zafereel des menfthelyken levens; na ze(a) Prurareuus num feni fit gerenda Refp. (4) Diesen Laert. II, Segm. 21. (ec) Cicero Acad. quacft. I, 4. Ca) Ise vin uber die gefchichte der menscheit B. III, H. 16.

Page 82

View in PDF(opens in a new window)
zeker oud fchilderftuk, in den tempel van Saturnus Zyn ta. te Athene geplaatst. In dit ftukje word het beftaan 7 der menfchen voor dit leven geftelt, en geleert, dat de weg tot toekomend geluk langs de paden van deugd en kennis moet worden gezocht, maar dat de zulke integendeel, welke dit pad voorbygaan, zig wederom in nieuwe dwaalwegen verwarren, en dus ook weer op nieuws moeten worden gezuivert. Over ’t geheel is het werkje volgens de denkbeelden van Pythagoras opgeftelt, wiens leer ook door het genoemde tafereel wierde uitgebeelt, en. bevat voor ’t overige geene bepalingen omtrent den toekomenden ftaat der menfchen, byzonder genoeg om hier breder te worden afgefchetst. . Wy gaan dan over tot PLATO en zyne fchool, van Plato. welke hier eenigfints omftandiger zal moeten worden gehandelt, wegens den ongemenen opgang, welke dezelve gemaakt heeft, in zo verre, dat ook zelfs de oude Christelyke Kerk er door befmet en verbastert geworden is, gelyk een ieder weet. Groot en onoverkomelyk zyn ondertusfchen de Moeielykmoeielykheden, met welke de ontwikkeling der Pla- beden, welke de tonifche leer verzelt gaat, daar deze Wysgeer, het ontwikke. ling zyner voetfpoor en de lesfen des groten meesters verlaten- gedachten de, zyne leer wederom ging omzwachtelen met raad- verzellen. zelachtige fpreuken, duistere voorftellingen, en ook nieuwe woorden, van welke enkel de beproefde en meest gevorderde leerlingen den fleutel hadden (2). Niet (2) Diocen. LAERT, III, Segm. 25.

Page 83

View in PDF(opens in a new window)
meng Niet te vreden met de wetenfchap, welke t'huis was zes “te vinden, dede hy geleerde reizen na Italie en Egypkerde ne te, om zig in de geheimen der wysgeerte van Pythaoes goras en het Egyptisch Priesterdom te doen onderbei. wyzen, van welke meesters hy dan ook leerde zyne, met zo vele moeite verkregene wetenfchap, te verdonkeren, en voor zig en zyne fchool te bewaren. Want t huis komende, ging hy wederom zulk eene af: gezonderde {chool aanleggen, waar van de deur alleen voor geoefenden openftond, en in welke hy niet al: Teen van zedelyke plichten, zo als Socrates gewilt had, handelde, maar ook de beginzelen der redencerkunst en de geheimenisfen der natuur voor zyne leerlingen poogde te ontvouwen (a). Het konde dus niet anders zyn, of dit fpitsvinnig en zeér fyn vernuft moeste zig wederom gaan verwarren in die dwaalwegen van onzekere ftellingen en geleerde brabbelary, welke zyne wysgeerte zo zeer kenmerkt. Waarom hem dan ook te recht wierde verweten, dat hy den weg, door Socrates zo gelukkig gevonden, verlatende, roem in ydelheden zochte, en, na de wonderfpreuken van Pythagoras en de Egyptenaren te hebben aangenomen, tot die verwaande Sofistifche geleerdheid verviel, welke geheel niet gefchikt was om ware kennis en wysheid te bevorderen (2). ‘ Men kan reeds uit het gezegde befluiten, (en de Ouden getuigen het I ook eenftemihig) dat de voorna(a) Cicero Acad. quaeft. T, 5. (2) Zie den hrlef aan Aefchines, welke men gewoonlyk Xenophon toekent, achter de werkeu van den laatstgenoemden,

Page 84

View in PDF(opens in a new window)
me grondflagen der Platonifche wysgeerte by de Egyp- Degrom tenaren en Pythagoras moeten worden gezocht, hoe- ner. wel derzelver leer, door ‘de bewerking van dit vrucht- en baar vernuft, zekerlyk een ander aanzien kreeg (a). Feyprisch, Voorts brachte hy ook de byzondere ftellingen van lg7 Heraclitus, Parmenides, en anderen in zyne wysgeerte over, welk mengfel van gevoclens, gevoegt by zommige Socratifche grondftellingen, en zyne eigene uitvindingen een zeer kwalyk zamenhangend, onverftaanbaar, ja in vele. opzichten tegenftrydig geheel moest uitmaken (2).' Daar nu de duisternis, in welke Plato zyne WYS- sommigen geerte bedolven heeft, zo ondoordringbaar dik is, mere hebben vele reeds onder de Ouden gelooft, dat #ygeeneihy zelfs eigentiyk geen ftelfel hadde, en zig alleenae‘ moeide met omverre te werpen, het geen andere hadden zoeken op te bouwen (ec); en hierom heeft hy dan ook (zegt men) de manier, om zyne gedachten by wyze van zamenfpraken mede te deelen, boven alle andere verkozen, wyl volgens dezen trant de ingevoerde perfonen de voorgeftelde zaken op alle kanten kunnen befchouwen, zonder dat ze cindelyk tot een zeker befluit behoeven te komen. WARBURTON Geoorfen meent het ware karakter van Plato te hebben getrof- 27777 fen, door hem te gelyk voor een fellig en een twy- bier over. felend Wysgeer te verklaren; ftellig namentlyk, in zo ver(a) Brucker Hitt. Crit. Phil. Tom. I, p. 1041. (4) BRUCKER ter aangehaalder plaats 664. (c) Diocen. LaERT. Ill, Segm. 51. en de noot,

Page 85

View in PDF(opens in a new window)
verre hy de ftichter was eener nieuwe fchool, dog twyfelend, wanneer men hem befchouwt als gefchiedfchryver van Socrates, en deszelfs gevoelens (a). : Hetweik Mlaar het bewys, genomen uit de plaatfen van Cr ue. CERO, door welke hy dit onderfcheid denkt te zyn zend. gevestigt, koomt my allefints onvoldoende en verre gezocht voor, en ik twyfel niet of de lezer zal, die nagaande, hieromtrent hetzelfde-oordeet vellen. Dan, de rede, waarom Warburton.zig de moeite gegeven heeft om dit met opzet te willen betogen, was zeker Iyk deze, om vervolgens te kunnen bewyzen, dat Plato (gelyk meest alle de Wysgeren der oudheid volgens zyne ftelling deden) leerde, het geen hy niet geloofde; het welk men van. hem in dien beflisfenden toon niet konde zeggen, indien hy: in alle opzichten een volflagen twyfelaar was. Men moet echter met dit alles den geleerden Bisfchop toeftaan, dat Plato het voorbeeld zyner meesteren, de Egyptenaren namentlyk en Pythagoras volgende, niet altoos op gelyken. voet redeneerde, en HR zig niet op dezelve wyze by geoefende leerlingen als Ienwaar- voor ’t gemeen uitdrukte (2). Maar waarin nu eigenttie Wk dit onderfcheid beftaan mag hebben, valt zeer ee moeielyk te bepalen, hoewel het vry zeker fchynt, ween dat de volksgevoetens omtrent de Goden en de fabeeran’ den der Dichteren, welke in zommige gefchriften, gejaa” lyk den Phaedon, Timaeus, Gorgias en andere wor, den (2) WareuRTON II deel, p. 173 in de noot. (4) Brucrer Tom. I, 660.

Page 86

View in PDF(opens in a new window)
den voorgeftaan, in de geheime onderwyzingen wierden verworpen. Want dit konde by de Athenienfers zekerlyk niet in ’t openbaar worden gewaagt, gelyk het ongelukkig lot van Socrates nog zo onlangs hadde geleert. Dog of Plato nu verder in zyne byzondere onderwyzingen geheel omverre wierp, het geen hy over ’t gemeen leerde, dan of het onderfcheid der geheime lesfen van de openbare hierin voornamentlyk beftonde, dat hy de bekleedfelen, waarmede de volksbegrippen God en den toekomenden ftaat der menfchen hadden omwonden, in dezelve zochte weg te nemen, is my, ook na de naaukeurigfte nafpeuringen omtrent dit ftuk te hebben in ’t werk geftelt, onmogelyk te bepalen. En wie begrypt niet hoe moeielyk het zy te bewyzen, dat deze plaats tot de openbare, en die wederom tot de geheime leer van Plato behoort? Ik weet wel dat WARBURTON (4) zyne ftaatkundige gefchriften volgens het gezag van ALBINus optelt, en in dezelve die openbare leer meent te vinden, in tegenoverttelling der geheime, door den Wysgeer in andere werken voorgeftelt. Dog toegeftaan zynde, dat deze onderfcheiding gegrond is, zal daarom die geheime leer uit de overige fchriften van Plato niet klaarder worden. De aangehaalde geleerde Man, welke nooit gist, maar altoos verzekert, verklaart rond uit, dat alles, wat hy van den toekomenden ftaat van beloningen en ftraffen heeft gefchreven, geenfints de taal van zyn hart was, maar dat hy veel . (a) H Deel bl. 216.

Page 87

View in PDF(opens in a new window)
“eer met Pythagoras de ziel voor een afgefcheurt deel | : | | | der Godheid hielde; waaruit dan volgen moest, dat dezelve voor dusdanige ftraffen, in een zedelyken zin, of met opzicht op een hoger wetgever genomen, geheel onvatbaar was; maar in tegendeel enkel natuurlyke verhuizingen en zuiveringen moeste ondergaan, voor en aleer eene wederkering konde plaats hebben ‚tot dat wezen, waarvan zy was afgezondert. Dan, wanneer men de bewyzen, voor dit zo ftellig HWarbwgren aangedrongen gevoelen, bygebracht, wil onderzoeken, blykt het er verre van af te zyn, dat dezelve voor voldoende zouden kunnen worden gehouden. Dat Plato alle de vertellingen der Dichteren en volksfprookjes, omtrent de zielsverhuizing, en den ftaat of woonplaatfen der menfchen na dit leven, onder de Grieken bekent, niet geloofde, wil ik gaarne toeftemmen. Maar de gevolgtrekking van het niet aannemen dezer fabelen tot het lochenen van toekomende beloningen en ftraffen gaat immers niet door, (hoewel het my in het opftellen dezer verhandeling meermalen is voorgekomen, dat deze twe by uitftek verfchillende zaken onvoorzichtig met elkanderen verwisfelt worden ;) en echter zyn de meeste plaatfen, door Warburton, ter ffaving van zyn gevoelen, bygebracht, van dien aart, dat ze alleen het ongeloof van Plato aan de fprookjes der Dichteren betogen, niet tegenftaande hy deze dikwerf in zyne werken voordraagt (2). Laat Ca) De plaats uit den Epinomis in f., in welke Warburton wel inzonderheid zyn gevoelen omtrent de geheime leer van Plato denkt gevestigt te vinden, moet hem ontvallen, wanneer men op de volgende aanmerkingen acht geeft:

Page 88

View in PDF(opens in a new window)
Laat ons nu verder, na de redenen, op welke Warburton het onderfcheid der geheime en openbare leer van Plato wilde vestigen, te hebben ontzenuwt, zien, of wy kunnen vinden dat hy in de zaak zelfs gelyk of ongelyk hadde, dat is, of Plato waarlyk op het voetfpoor van Thales en Pythagoras geleert heeft, dat de ziel een afgefcheurt deel der Godheid was. Want zo hieromtrent eenige zekerheid konde worden bekomen, zouden er zyne bepalingen , omtrent den toekomenden ftaat der menfchen, zeer door worden opgeheldert. ; Dan, onder alle de duisternisfen, met welke de 7,2. Platonifche fchriften bezet zyn, is geene dikker en dab ondoordringbaarder, dan die, waarin zyne gedachten over omtrent ’s menfchen ziel zyn bedolven. Het is wel vry jenaiel srduis zeker, dat hy dezelve, wat het redelyk deel betrof, erste . (want wy zullen zo ftraks zien dat de Platonifche . wysbegeerte de leer der Ouden, omtrent de meervoudigheid der menfchelyke zielen, voorftaat ,) oorfprongelyk hielde te zyn uit de algemene ziel der wacreld (4). Maar of nu deze ziel der waereld iets was, het welk is eigentlyk het flot van dat (1) behoort die Epinomis tot het boek der wetten, en werk, zo dat nier alleen de draad der verhandeling zelfs word opgenomen, waar hy by het vorige boek gelaten was, maar ook dezelfde perfonen blyven voortredeneren. Maar dat zelfde boek der wetten behoort, volgens de verklaring van Warburton zelfs (bl. 216), tot de uitwendige, en niet tot de geheime leer van Plato. (2) Ik zal nu niet aandringen dat her geenfints zeker is, of die gehele Epinomis wel aan Plato zelfs moet worden toegekent. Zie de verhandeling van den Abt SALLIER, Memoires de PAcademie des infeript. et des belles lettres Tom. III. (3) Maar de plaats, van wien hy dan ook zyn moge, zegt uitdrukkelyk, dat de beloningen van het leven hier namaals van God of de Goden te wachten zyn. (4) disdzore betekent by de Grieken cigentlyk de gewaarwording door middel der zintuigen, en dus zegt de Epinomis niets meer, dan dat de gezaligden de gewaarwording door middel van uiterlyke zintuigen zullen misfen. (2) Brucker Tom. I, 713.

Page 89

View in PDF(opens in a new window)
Zielder welk in een volftrekten zin van God onderfcheiden van Pl konde worden genoemt, hieromtrent ben ik niet in ftaat iets zekers te bepalen, hoewel BRUCKER (4), Buppeus (4) en vele anderen, op het voetfpoor van PLUTARCHUS (c), dit liefst willen bevestigen. Zyne taal is, gelyk ik zo even zeide, omtrent ditonderwerp, met zo vele zinnebeeldige uitdrukkingen en fpreekwyzen, van welke enkel de getrouwfte leerlinisookzeer gen den fleutel fchynen gehad te hebben, vervult, te bepolens dat het my onmogelyk voorkoomt zekere en onbetwistbare gronden te vinden, om het ftelfel der Pla- . tonifche zielkunde op te bouwen. Hoe zeer dit ftuk altoos is betwist geweest, kan men uit de dromen van vroegere en latere uitleggeren van Plato best opmaken, onder welke fommige die ziel der waereld voor de derde zelfftandigheid (ürosæoic) des Goddelyken wezens hielden, en voorts ronduit beweerden, dat hy de leer der drieëenheid zoude hebben gekent en gelooft. Laat ik er dit nog byvoegen, dat zwarigheden van dien aart een noodzakelyk gevolg zyn moesten van alle zulke wysgerige ftelfels, welke de Jthepping uit niets geenfints kenden. En dat Plato zo wel als andere Wysgeren van deze leer onkundig geweest is (hoewel zeer velen het tegendeel geftelt hebben) is ons door MosHEImM (4) duidelyk genoeg bewezen. Daar (a) Ter aangehaalder plaats. (2) Thef. de Atheism. et Superft, p. 152. volgens de uitgaaf van Lulofs. Ce) Placit. Phil. IV, 7. (a) Disfert. de Creatione ex nihilo § 15.

Page 90

View in PDF(opens in a new window)
Daar wy dan nu genoodzaakt zyn de hoop van het ware onderfcheid der geheime en openbare leer van Plato te vinden, op te geven, en daar het buiten dien zo moeielyk is om zyne ware begrippen omtrent den aart en oorfprong der menfchelyke ziel te ontwarren, zullen wy ons nu verder moeten vergenoegen met zyne gedachten omtrent den ftaat der menfchen na dit leven, voor zo verre dezelve in zyne werken voorkomen, te verzamelen, en voor te ftellen. Onbetwistbaar zeker is het, dat Plato het ftelfel gedachten vate der zielsverhuizing hadde aangenomen, hoewel het te "7 over den gelyk met recht voor hoogst waarfchynlyk word ge- ésckomenhouden, dat hy, by de leer van Pythagoras en de Si Egyptenaren niet berustende, dezelve met nieuwe be- rds palingen en byvoegfelen vermeerdert en verandert fel. heeft. WARBURTON (7) brengt hier toe, dat die verhuizingen volgens Plato dienen moesten tot zuivering der onreine zielen, welke, ter oorzaak harer fmetten, door de inwoning in het lichaam veroorzaakt, onbekwaam waren om weder op te klimmen tot die plaats, van waar zy waren gekomen, en om zig weder te verenigen met dat wezen, van ’t welke zy waren afgezondert; en dat by gevolg geheel zuivere en onbefmette zielen van deze verhuizing bevryd bleven. In hoe verre deze gisfing grond heeft wil ik nu zyiering niet onderzoeken. Dit is ten minften zeker (gelyk #rzi. uit den Timaeus, Phaedon, Gorgias en andere {chrif- (a) II Deel bl, 220.

Page 91

View in PDF(opens in a new window)
ten van Plato blykt) dat deze zuiveringen eindelyk eene gehele reiniging moesten bedoelen, ten einde de ziel, van alle ftoffelyke befmettingen ontflagen, we-. derkeren konde tot die hoge -plaatfen, van waar zy. gekomen was, het zy men dan deze ziel der waereld voor God zelfs houden wil dan niet. En hieruit volgt dan ook van zelfs, dat Plato, hoewel eene oneindige voortduring der ziel na dit leven ftellende, echter de menfchelyke ziel in een eigentlyken zin niet voor on: fterfelyk houden konde, daar zy tot de ziel der waereld, gelyk gezegt is, wederkerende, niet voor altoos een afgezondert beftaan bleef behouden. Plotofet- Om nu vervolgens van den ftaat na het leven, volan gens de Platonifche begrippen, welte oordelen, moet gnredelyke men vooral acht geven op het onderfcheid tusfchen . het redelyke en onredelyke beginfel, of tusfchen die twe of meer zielen, welke hy op het voetfpoor van anderen den mensch toekende, Crcero fpreekt van drie zielen, van welke elke haren byzonderen naam hadde (a). De laatfte of het onredelyke gedeelte word door de Platonisten, (welke by uitftek veel van dit onderfcheid fpreken) een bekleedfel of bekleedfels der ze genoemt, en men heeft dezelve ook niet onaar- Deonre. tig den wagen der (redelyke) zie/ geheten, van welken ey wagen het redelyke deel als ’t ware de voerman was; dergile. Of ook wel by een Paard vergeleken, het welk op zig dem zelven driftig, en geneigt tot- hollen, door bekwame Rui(a) Volgens Mosneim ad Cudworth IT, 1046, rogr, is dit twederleie on derfcheid eene uitvinding van latere Platonisten, daar de meester maar van een eakel fyn bekleedfel der ziele ‘prak.

Page 92

View in PDF(opens in a new window)
Ruiters moeste worden beftiert (a). Veelal word uit den Timaeus van Plato befloten, dat dit bekleedfel der ziel, volgens zyne begrippen, fterflyk was. Maar men fchynt echter te moeten geloven, dat het zelve ten minften eenigen tyd na den dood gehouden wierde voort te duren. Althans dan laten zig die finetten en Pf deaelve vlakken gemakkelyker verklaren, welke men dacht 44% dat de ziel ook na den dood bybleven, gelyk wy zo ren. aanftonds zien zullen; ten zy dezelve het denkende wezen zelfs moeten worden toegefchreven, het welk, gelyk wy te voren zagen, uit den geest der waercld genomen was. Want deze geest der waereld bevatte, volgens Plato, ook de fynfte en eerfte beginfelen der hooftftoffen, en was dus niet geheel onlichamelyk (4). Uit deze begrippen moet men nu van den ftaat der Reiriging menfchen na dit leven oordelen. Dat het grove li- Pab chaam na den dood, volgens Plato, voor altoos ont- verfaan bonden bleef, hieraan twyfelt niemand. Dog het ftel- worden. fel der zielsverhuizing eischte dat deze gereinigt of gezuivert wierden, het zy men dan deze reiniging natuurlyk of zedelyk wil noemen, volgens de te voren geftelde bepalingen. Plato heeft die reinigingen bekleed met alle de fabelen der oudheid, want hy fpreekt van den Cocytus, Phlegeton, en andere onderaard{che plaatfen, even gelyk de Dichteren. Deze taal koomt zo dikwerf by hem voor, dat ik de plaatfen, hiertoe behorende, uit den Phaedon, Timaeus, Gorgi(a2) Porpuyr. men roy. rav Eutuy. Lib.1, § 43. (2) Mosueim ad Cudw. Tom, I, p- 32.

Page 93

View in PDF(opens in a new window)
gias, en andere fchriften niet zal behoeven byeen te Vlakken der ziel, verzamelen. De befmette zielen brachten, gelyk ik zo even zeide, vlakken mede, welke als ingedrukte lidtekenen waren van fchelmftukken, in het leven bedreven, of wel van zinnelyke geneigdheden, blindelings op de waereld opgevolgt. Deze vlakken waren zo kenbaar, dat ze aanftonds in ’t oog liepen (4), ja dit ging zo verre, dat de lichaamsgebreken zelfs, ten minften enigen tyd na het overlyden, zichtbaar bleven (2). De meeste zielen wierden wel eindelyk gezuivert, bereikten de hogere gewesten des hemels, om naderhand met de hoop van een gelukkiger beftaan wederom neer te dalen, en nieuwe lichamen te bewo- Staat der ‘ zielnade zuivering. en nen (c); dog voor eenige weinige was, uit hoofde der Helvan Plato. Hoogfte gelukBaat, uitnemend diepe wonden, gevolgen van grote fchelmftukken, in ’t lichaam begaan, geen hulpmiddel, waar: om zy dan voor altoos in eene plaats van fmerte en rampen bleven opgefloten (4). Eindelyk zommige (dog dezer getal was, in tegenoverftelling der overigen, zeer gering) keerden, zonder diergelyke zuivering, welke zy namentlyk niet nodig hadden, te ondergaan, aanftonds na den dood terug na die ziel der waereld, van welke zy afgezondert waren geworden. Dit geluk was niet den helden (gelyk de oude volksbegrippen ftelden) maar den wyZen en deugdzamen befchoren. Wy hebben reeds hier bon (a) Plato Gorg. 313. (4) Puato ibid. Lucranus heeft dit denkbeeld der Platonisten zeer geestig beipot in zyne Dialogi mortuorum Dial. XXI, en elders. (©) BRUCKERI, 716. (2) Prato in Gorgia |. cit. in Phaedro 113.

Page 94

View in PDF(opens in a new window)
boven gemeld, dat Socrates in den Phaedon door Plato word ingevoert, als onderfcheid makende cusfchen het lot der wyzen, en dat der deugdzamen, dog er is te gelyk by aangemerkt, dat dit byvoegfel van hem zelfs, en niet van den meester is. Dit zelfde onderfcheid blykt ook uit het flot van den Epinomis, (geftelt zynde dat dit ftuk van Plato zelfs is) alwaar verzekert word, dat zeer weinigen het hoogfte geluk verkrygen, wyl, om het zelve te bereiken, niet alleen uitmuntende deugd, maar ook byzondere oefeningen worden vereischt. Maar dan zal ’t verder om ’t even zyn, waar, of in welke betrekking de mensch mag hebben geleeft (4). Eindelyk, wat het geluk der zaligen betreft, in den Get der Philebus word verklaart, dat het zelve beftaan zal in de genieting van wysheid en kennis (2), in ’t befchouwen der wonderen van het geheelal uit de hoogfte plaatfen (e). Na de afhandeling der gevoelens van Plato zelfs, overde zouden zyne zogenaamde Academisten nu moeten volgen. Dan, daar het kenmerk dezer fcholen vol: | ftrek- (a) Ter aangehaalder plaatfe. Deze leer is geftelt tegens de oude volksbegrippen, van dewelke wy te voren gefproken hebben, en volgens welke het onderfcheid van rangen ook invloed hebben zoude op het leven hier namaals.— Ver. der fchynt het onderfcheid tusfchen enkel deugdzame menfchen, en dezulke, welke te gelyk wys en geocfent waren, van Plato te zyn overgenomen uit de leer der Egyptenaren en der Pythagoreers. Zie het geene wy hier boven by Pythagoras aanmerkten. Hierom hebben de jongere Platonisten zeer veel gedroomt van die oefeningen, welke ‚ter bereiking van het hoogfte geluk , worden vereischt CUDWORTH 1033-1034, 1055. En deze hoogfte gelukflaat was dezelfde, welke volgens de oude volksleer der Goddelyke naturen wierde toegefchreven. (4) M. Ficinus in arg. Philebi. Cc) PLaro apud Origen. contr. Celfam IE, p. 159. Ed. Spencesi. Voeg bier by de plaatfen uit den Phaedon, te voren aangehaalt.

Page 95

View in PDF(opens in a new window)
ftrekte twyfeling was, en wy geene byzondere ftellingen omtrent den toekomenden ftaat der menfchen by dezelve aantreffen, behoeven zy in deze verhandeling ook maar enkel te worden genoemt. Laat ons dan in ’t gemeen aanmerken, dat de gedachten van Plato door deze Academisten op verfchillende wyzen uitgelegt, met byvoegfelen vermeerdert, en ook met andere wysgerige ftelfels vermengt zyn geworden, en dat eindelyk, toen het Christendom de waereld begonde te verlichten, ook deze oneindig meer verheven leer invloed op hunne begrippen en bepalingen gehad heeft, gelyk onder anderen genoegzaam blyken kan uit de werken van Celfus, den tegenparty van den ouden kerkvader Origenes. Echter moet men er by bekennen, dat ook integendeel vele onder de oude Christenen (daar niet weinige der kundigften in de Heidenfche fcholen waren onderwezen) al zeer vroeg de Goddelyke leer met de dromen van Plato en zyne navolgeren hebben zoeken te paren. Leer van , driflotedes. Dog dit ftuk breder te verhandelen zoude buiten myn beftek lopen. ARISTOTELES, de leerling van Plato, en naderhand zyn grootfte mededinger, die man, welke zo vele eeuwen lang de denkende waereld aan zyne begrippen gekluistert, en dus den voortgang van ware kunde en wetenfchap zo lang vertraagt heeft, zal ons hier maar zeer korten tyd kunnen ophouden. Hy ftelde namentlyk dat de ziel fterfelyk was, en na den dood niets hadde te wachten of te vrezen. Want, of. fchoon er onder ouder zo wel als latere uitleggers en leerlingen van Ariftoteles oneindig veel getwist is over

Page 96

View in PDF(opens in a new window)
zyne ware gevoelens omtrent de menfchelyke ziel, van welke hy over ’t geheel zeer duister fpreekt, is er echter in de Nicomachifche zedekunde eene zo be_flisfende uitdrukking te vinden, dat men dit ftuk voor Lochent de afgedaan houden mag. Niets is verfchrikkelyker (zegt onfterfeIykheids hy) dan de dood. Dit is het einde van alles, niets biyfi na dezelve over, noch goed noch kwaad (a). Deze was de Wysgeer, welke by zommige zogenaamde Scholaftiken niet alleen in den hemel geplaatst, EE maar ook voor een voorloper der Euangelieleer wierde gehouden, en, om welken van zulke flechte begin{elen vry te pleiten, men alles heeft in ’t werk geftelt, za gehele boeken gefchreven, zo dat er tyden geweest zyn, im welke het gevaarlyk was te verklaren, dat men Ariftoteles hielde voor een lochenaar der onfterfelykheid. Dit vooraf gezegt zynde, behoeven wy ons nu niet verder op te houden met de vraag, wat hy namentlyk van den oorfprong en natuur der menfchelyke ziel dachte? Ik heb nog niemand onder meer redelyke en kundige Schryveren kunnen vinden, die zeggen dorst, dat hy die vraag volkomen en voldoende wilde beantwoorden. Ariftoteles dus kort afgehandelt zynde, gelyk hy Van de Peripatetiverdiende, zullen ook zyne zogenaamde Peripateti- fchen valt nietste de onder {chen ons niet lang ophouden, daar men ouditen niemand vind, welke over de toekomende beftemming der menfchen iets van belang heeft voorge(4) Ethic, ad Nicomach, III, 9, Zeggehe

Page 97

View in PDF(opens in a new window)
gedragen. Ja, Dicaearchus, een der voornaamfte leerlingen van Ariftoteles, en volgens Cicero een zeer groot man, lochende, op het voetfpoor zyns meesters, de onfterfelykheid met klare woorden, en zochte zelfs dit zyn gevoelen in gefchrifte te betogen (4). Sroifihen. Wy gaan dan over tot de Stoifchen, welke ook gemeenlyk voor afftammelingen der Socratifche {chool Hunne worden gehouden. De begrippen dezer Wysgeren omtrent God, de ziel, en den toekomenden ftaat der menfchen, worden in vele opzichten voor zeer duister gehouden, inzonderheid hierom, wyl hunne taal, voor zo verre zy de genoemde onderwerpen betreft, gansch niet eenftemmig is. Daarby zyn de werken hunner eerfte Oudvaderen Zeno, Chryfippus en anderen verloren, en het is dus uit latere Schryveren, (welke, volgens den gewonen trant der Griekfche fcho- “rm. len, de kenmerkende ftellingen hunner meesteren met gilden die van anderen vermengden) dat wy de Stoifche leer verklaart. moeten opmaken. Met dit alles echter denk ik, dat men, ter bepaling van ons hooftonderwerp, of der begrippen omtrent den toekomenden ftaat, lichts genoeg by hen zal vinden. De opperfte God of de Jupiter Seiten van Zeno en zyne leerlingen was een zeer zuiver uit welten licht, of eene vurige zelfftandigheid, gelyk andere zig 2a uitdrukken. Deze God wierde wel van hen voornamentlyk in den fterrenhemel geplaatst. Dog zo, dat hy te gelyk de gehele waereld doordrong en bezielde, ja, dat de ftof en God zo naau en innerlyk met elkande Offic. II, 5. (4) Cicero Tufc. Quaeft, 1, 31.

Page 98

View in PDF(opens in a new window)
kanderen verbonden waren, dat er met geene mogelykheid fcheiding konde plaats hebben. De gehele denkende natuur, en dus ook de menfchelyke ziel, ja zelfs ook de mindere Goden, (van welke de navolgeren van Zeno veel meer fpraken dan geloofden) waren ten allernaauften verenigt met dat wezen, of dien Jupiter, gelyk het in hunne taal wierde genoemt. Men zal reeds uit het gezegde beginnen te gisfen, welk een lot der menfchelyke zielen na dit leven, volgens de Stoischgezinden, befchoren was. Zy moesten namentlyk na de floping geheel verenigt worden met dien Jupiter, van welken zy een deel waren, en dus Hoewel ay ophouden een afgezondert beftaan te genieten. Dan, Be offchoon dit een zeer natuurlyk gevolg der vooraf- 2/4" voegden, gaande ftelliug was, hebben echter hunne voornaam. moet men fte Schryveren zeer van elkanderen verfchillende denk- felon beelden, omtrent den ftaat na dit leven, voorgeftelt. ders von Want geene fchool heeft zig meer na de volksdenk- deden. | beelden zoeken te voegen, in zo verre, dat de meesten, de aangenomene taal volgende, fpreckwyzen en uitdrukkingen gebruikten, welke volftrekt met de eerfte beginfelen hunner wysgeerte {treden (2). Men zal hen dan volgens deze wysgeerte zelfs, en niet volgens zommige fchoonfchynende gezegden en fpreuken, moeten beoordelen, om niet te vervallen in de dwalin(a) Mosuem. ad Cudworth. I, 517. De Stoifchen waren by uitftek Staatsmannen, gelyk dan ook de voornaamite Romeinfche Rechtsgeleerden, en de beste Keizeren in de fchool van Zeno waren onderwezen. Hieruit verklaart zig de rede van zelfs, waarom zy de hand hielden aan de volksgevoeleus omtrent toekomende beloningen en ftraffen.

Page 99

View in PDF(opens in a new window)
lingen van dezulke, welke, door dit klatergoud bekoort, de leer van Zeno bykans ter zyde van het “armer. Christendom hebben durven ftellen (2). NlOSHEIM (à) heeft zeer wel aangemerkt, dat de “kingvan gronden, op welke de begrippen van God by de Stoi- Mobi {ben gebouwt wierden, van dien aart zyn, dat zy alle gezonde denkbeelden van deszelfs almacht, goedheid, en rechtvaardigheid den bodem moeten inflaan, en dat wel in ’t byzonder de leer van toekomende beloningen of ftraffen met dezelve niet beftaanbaar | Del zyn kan, hoewel SENECA en andere, de taal des volks volgende, hier van vry ftellig fpreken. Dan, hoewel nu, gelyk ik zo aanftonds zeide, het natuurlyk gevolg der Stoifche leer was, dat de ziel met God met Jupiter volmaakt en volkomen moeste worden berenigt , maar om. vereenigt, waren echter deze wysgeren het onderling Bd, wn niet eens omtrent den tyd, wanneer die hereniging #er& ftonde te gefchieden, althans zo men op hunne gemoeste ge- Sibicden, zegden in dezen ftaat mag maken. Zommige hielden Waren Sroifchen het daar voor, dat ftraks na den dood de ziel in dien ber mies ftaat gebracht wierde, waarin zy geweest was voor de geboorte des lichaams (c). Maar volgens anderen bleven of eenigen derzelven, (die der deugdzamen namentlyk, en der heldhaftigen,) of wel alle voortduren tot Ca) Stoici noftro dogmati in plerisque concordant, zegt Hieronymus. Zie de Daciers in de voorredens voor Antoninus. Lips. Manud. ad Phil. Stoicam, en vele andere. - . - (4) Ter aangehaalder plaats. Ik wil nu niet onderzoeken of de Stoifchen voor echte Godlochenaren moeten worden gehouden, waarover zo veel getwist is. De naaukeurige behandeling dezer vraag eischt verfcheidene voorafgaande bepalingen, welke zeer noodzakelyk zyn om niet te vervallen in een firyd van woorden. Maar deze zouden my te verre van myn beftek afbrengen. Ce) ARRIAN, UI, Dis 13. M Antonınus IV, 13 et ibi Gataker,

Page 100

View in PDF(opens in a new window)
tot die algemene verbranding der waereld, welke zy, gelyk wy zo ftraks zien zullen, dachten te zullen plaats hebben (a). De zulke, welke het laatfte gevoelen aankleefden, fpraken niet alleen van zuiveringen en reinigingen, welke in dien tusfchentyd zouden plaats hebben (2), maar fchilderen ons ook den ftaat der zulken, welke reeds die zuiveringen ondergaan hadden, met bekoorlyke verwen af, gelyk men voornamentlyk zien kan uit de zogenaamde vertroostingen van SENECA. Dus geniet by voorbeeld volgens hem de vader van Marcia een nieuw en zeer ongewoon licht, hy vermaakt zig met de flerren in haren loop na te fpeu- Zafira ren, en doorziet de binnenfte geheimenisfen der natuur Cc). toekomen: \ : den gelukDog op welke losfe gronden diergelyke hoogdravende fraar, ds uitdrukkingen by Seneca rusten, en welk eene nietige gp wankebron van troost er uit voortvloeide, betuigt hy ons Herd”. zeer klaar, en wel in dat zelfde boek, (4) waarin hy de zaligheid des toekomenden levens pryst. De mensch, zegt hy, is na den dood in denzelfden ftaat als toen hy geboren wierde. Dog van Seneca zal ik beneden nog nader fpreken. Eindelyk, dat alle zielen in de algemene verbran- ude ding der waereld volkomen met God wierden veree- 35% moesten | vernictige nigt, hierin ftemmen alle de Stoifche Wysgeren over- worgen 113 een, daar zelfs de mindere Goden door dien {chok dealgemeder never- (a) En dit fchynt wel het meer algemeen gevoelen geweest te zyn“, ten minften in de tyden van Cicero. Want deze zegt, dat de Stoifchen den mensch een Krajen leven toefchreven. Tufe. Ditp. I, 31. (2) Seneca Confol. ad Marc. 25. (c) Ter aangehaalder plaats, (4) Confol, ad Marciam c. 19.

Page 101

View in PDF(opens in a new window)
branding der natuur, welke de waereld tot een woesten romp “pe (chaos) maken zoude, moesten omkomen, of verdelgt worden (4). Het is hier de plaats niet, om van deze zo beroemde Stoifche verbranding der waereld breder te handelen. Laat ons alleen aanmerken, dat men dezelve voor noodlottig hielde, (want ook JuPiter zelfs was het noodlot onderworpen) en dat ze volgens noodzakelyke tydperken al oneindige reizen gefchied was, en nog oneindige malen gefchieden moeste, en wel zo, dat, na het ontwarren der chaos, telkens wederom dezelfde gedaante der dingen plaats zoude hebben, zo dat er by voorbeeld weer een SoOfsy na crates moeste geboren worden, wiens lotgevallen en Branding leven volmaakt gelyk zouden zyn met die van den ant beroemden Athenienfer. Zy noemden deze opvolging kwamenis VETEVGWMATWTIG. Maar of nu de volgende Socrates user. juist dezelfde zyn zoude met den vorigen, dan liever hem in alles volmaakt ge/yk, hieromtrent {preken alle Stoicynen niet op dezelfde wyze (2). Dit is zeker, dat men op deze drogredenen de leer-der onfterfelykheid “ dachte te vestigen (c). Reluit der Met de Stoifchen kunnen wy onze verhandeling, zerafde- ZO verre zy de ftellingen der oude Griekfche Wys#8 geren verklaren moeste, befluiten, volgens het geen wy hier boven omtrent de oude fcholen en derzelver ken(a) PLUTARcH. adverf, Stoic. 1075. (4) ORIGEN, Contr. Celfum IV, 209. Ed. Spenceri. Cc) Seneca Epilt, 36. Veniet iterum qui nos in lucem reponet dies,

Page 102

View in PDF(opens in a new window)
kenmerkende gevoelens hebben aangemerkt. En dus zullen wy overgaan tot de Romeinen, welke afdeling echter vry korter zal kunnen zyn dan deze geweest is. DERDE AFDELING, Bevattende eene fchets der Romeinfche begrippen en wysgeerte, omtrent den flaat der men[eben na dit leven. D. krygshaftige zonen van Mars hebben in de tyden huuner opkomst geene de minfte genegenheid A betoont tot enige wetenichappen, en wel vooral niet ar tot het beoefenen der fyne en afgetrokkene wysgerige fe wysftelfels der Grieken. Ook by meerderen voortgang der Sig” befchaving ontbrak hen dat fpitsvinnig vernuft, het welk de Grieken kenmerkt, en by hen tot redekavelingen en befpiegelingen zo natuurlyk overhelde. Daarby waren onder de Romeinen de voornaamfte ftaat, Laeliusfen, Scipioos, en Varroos, welke zig nooit voor leeraren of hoofden van eene fchool zochten op te werpen. Ja de oude Romeinen, welke ge- Qag 3 woon mn meme beoefenaren der wetenfchappen, en wel der wysgeerte in ’t byzonder, mannen van den hoogften rang in den

Page 103

View in PDF(opens in a new window)
| woon waren de Grieken te verachten als een volk van kwade trouwe, en zeer flechte beginfelen, hielden de Wysgeren voor de voorname oorzaken van zedenbederf, en van begrippen, tot verderf van den ftaat uitlopende. Ook moet men bekennen, dat Karneades, , \ | | de ftichter dier nieuwe Academie, (welke, in gezand- | ! {chap na Rome gezonden zynde, de lust tot de Griek{che wysgeerte aldaar onder de jeugd eerst begon op te wekken) juist die man niet was om die ongunftige denkbeelden weg te nemen, of om zyne leer by hoofden van het gemenebest aangenaam te maken. Want, daar hy openlyk voor de rechtvaardigheid geredekavelt, en die deugd met zeer veel kracht van welzeggen aangedrongen hadde, haalde hy den volgenden dag alle zyne grondflagen omverre, en toonde dat er geene rechtvaardigheid was (a). Waarom dan ~ de geftrenge Cato, na den Raad te hebben befchuldigt, dat men deze Griekfche gezanten, of liever beberen dervers der jeugd, zo lange in de Stad hadde laten deWyge- verblyven, een befluit doordrong, waarby zy met zachte woorden gelast wierden te vertrekken, en hunne wetenfchap elders ten toon te fpreiden, terwyl men i . q | | | | N oordeelde, dat de Romeinfche jeugd, gelyk te voren, zig enkel moeste bevlytigen om de wetten en de voor7 | fchriften der Overheden wel te verftaan (4). Omtrent die zelfde tyden is er ook een ander raadsbefluit gemaakt, volgens het welke de Griekfche Wysgeren ter Stad wierden uitgedreven (c). En deze voorzorg van | Ca- © Ca) Quinerer. Inft: Orat. XII, 1. . @) PLurarcuus in Catone Mai. 632. (¢) GELLIUs NA. XV, 11

Page 104

View in PDF(opens in a new window)
Cato en anderen heeft ten gevolge gehad, dat de Griekfche fcholen tot omtrent de tyden van Cicero geenen den minften opgang maakten, en dat zy zelfs de laatfte onder alle de toen bekende wetenfchappen het hoofd opbeurden (2): Daar nu de Romeinen zo vreemd waren van de De volks buitenlandfche geleerdheid, zyn zy ook zekerlyk zeer KK lang onkundig gebleven van de begrippen der Griek- 2" omtrent fche:Wysgeren omtrent ’s menfchen ziel en den ftaat den float na dit leven. Zig houdende aan de overleveringen en maas denkbeelden hunner vaderen, ftelden zy een leven hier namaals,.höewel met die ruuwe en zinnelyke bepalingen, welke men van een onkundig en onbefchaaft volk natuurlyk moeste verwachten. En offchoon er onder de geleerden getwist word over de bronneneen oorfprong van den openbaren godsdienst onder de . = öudfte Romeinen (2) is het echter klaar, dat die der Gricken met deszelfs fabelen en toeftel van hen is | overgenomen. Waarom ik dan omtrent de oude volks- | begrippen. der Romeinen, in zo verre dezelve den teckomenden ftaat der menfchen betreffen, hier niets te voegen heb by ’t geen ik te voren in ’t algemeen | breder heb behandelt. Laat ik dit eckter aanmerken, Pf ive! € dat de cerfte rang onder de gelukkige onfterfelyken , Agbeid by dit oorlogzuchtig volk, zekerlyk den-krygshelden , banden en denzulken, welke voor ’t vaderland fneuvelden, #338 wierde toegezegt, daar men ook in de oudfte tyden : de \ (a) Cicero Tufe. Difput. I, 3. (6) Beaurort Republ, Romaine, ou plan general de l’ancien gouvern. de Rome, Tom, 1, p. 4.

Page 105

View in PDF(opens in a new window)
de Godheid zelfs onder het zinnebeeld van een piek eerde (4). Ja, deze aloude denkbeelden, volgens welke uitmuntende vaderlandsliefde, met hogen rang gepaart, tot een gelukftaat na dit leven opklom, welke voor de rest van ’t menschdom ontoeganglyk was, zyn ten allen tyde by de Romeinen gevestigt gebleven, zo dat wy zelfs by hunne Wysgeren, en wel byzonder by Cicero, er fporen van aantreffen, gelyk men ftraks zien zal. Ook was de zogenaamde vergoding der Keizeren op geenen anderen grond gebouwt; Vergodi want deze wierden geacht tot den rang der helden der Kei. Op te klimmen, en by hunne verbranding ten hemel rene Dewyopte varen (5). Maar wanneer nu eindelyk de Romeinen, niet aldekery lee hunnen ouden haat vergetende, de Griekfche reeht de Romer. Wysgeren langzamerhand meer en meer begonden te Fes achten, en in. hunne hooftftad wel te onthalen, maar klaps . der. Ook hunne kinderen na Griekenland zelfs zonden, om aldaar door beroemde meesters te worden onderwezen, brak de vrydenkery zo veel te fterker door, naar mate zy langer was wederhouden geweest, of onbekend (a) Justinus Lib. XLIII, cap. 3. (2). De ziel wierde by de verbranding van het lichaam afgefcheiden, volgens de begrippen der Remeinen. En om deze rede, of om de ziel zo veel te fchietyker los te maken, hadden zy die verbranding in plaats van het begraven der lyken ingevoert. „Servius ad Virg. III, Aen. 67. Aegyptii periti fapientiae condita diutius refervant corpora, feilicet ut anima mulio tempore perduret, et corpori fit obnoxia, nec cito ad alia tranfeat. Romani contra faciebant comburentes cadavera, ut flatim anima in generalitarem , id eff in fuam rediret naturam. En hierom wierde er by de verbranding van de Iyken der Keizeren een Arend op den houtftapel geplaatst, welke de losgemaakte ziel ten hemel op moeste voeren, gelyk ons Dion. Cassius verhaalt by de befchryving van de lykftatie van Auguftus en Pertinax, en HERODIANUS by die van Servius,

Page 106

View in PDF(opens in a new window)
kend gebleven. Ja, daar de Grieken, gelyk wy boven zagen, nog wetten hadden, by welke het verboden was op natuurkundige of bovennatuurkundige gron- Ar den over de Goden te redekavelen, vinden wy niet,/fanddar ‘ dat de Romeinen (hoewel zy het invoeren van vreem- Grieken. de plechtigheden, welke den ftaat konden beroeren, tegenftonden) de vryheid van denken, en wysgerige ftellingen voor te dragen hebben beteugelt, althans niet ten tyde wanneer. de ftaat in den grootften bloei was. In tegendeel lezen wy, dat elk te Romen fpreken mochte wat hem goeddacht, zo zyne daden maar met de wetten overeenftemden (a). Zelfs fchynt men te Rome de leer der verborgenheden vry te hebben mogen voordragen, het welke in Griekenland op zware ftraffen verboden was; althans wy vinden geene jj ‚wetten hier tegen (2). Waarom dan ook VIRGILIU s senbeden die verborgenheden klaar genoeg dorst te befchry ven „Rome niet (want wy hebben te voren gezien, dat de zesde Ac- geheim. neis hier toe behoort) het welke hy in Griekenland zekerlyk niet zoude ‘hebben gewaagt. Eindelyk hadde de uitheemfche geleerdheid, en vooral de ftellingen van Epicurus te Rome zo veel velds gewonnen, dat het gemene volk zelfs de oude leer van beloningen en ftraffen na dit leven begonde te verwerpen (c), Lossanja, dat Caefar in den vollen raad ftaande houden dorst, drin dat Ga) Tacitus Annal 1,72. Seneca Contr. I, non longe ab initio. (2) De Romeinen deden zig elders inwyen , want te Romen zelfs hadde men geene eigentlyke verborgenheden voor de tyden van Keizer Hadriaan. Mosneu. Comm de rebus geft. Chriftian. ante Conftant M, Cap. I, § 13. (©) Quae anus tam excors inveniri poteft , quae illa, quae quondam apud inferos timebantur, extimescat. CICERO de nat. Deorum Il,

Page 107

View in PDF(opens in a new window)
felenten dat er na den dood noch vreugde noch fmerten te sydevan wachten waren (2), en eindelyk dat dit gevoelen van Caefar en Cicero. Caefar door niemand zyner Mede-Raadsheren wierde tegengefproken (à). Dusdanig was de gefteltenisfe der tyden, en der Romeinfche zeden, toen een der grootite vernuften M.Tullins der wacreld M. T. Cicero onder-hen leefde en fchreef. Cicero en zynkarak-Men kan reeds uit het zo aanftonds gezegde befluizer. ten, dat geen vrees voor wetten zyne pen behoefde te wederhouden; en dat hy ook van deze vryheid gebruik gemaakt heeft, blykt uit zyne wysgerige fchriften in ’t algemeen, in welke hy den volksgodsdienst zonder de minfte achterhoudenheid durft aantetasten. a Men zoude dan volgens dit alles mogen hopen, dat niemand zyne gedachten omtrent den ftaat der menfchen na dit leven klaarder zoude hebben opengelegt dan Cicero. En hoe verre het evenwel hier van daan zy zal zo ftraks blyken. Het kenmerkend karakter van den wysgerigen Staatsmana an en Redenaar zyn een zeer fchitterend vernuft, an en verwonderlyke verbeeldingskracht, met een min vast oordeel gepaart, waarin de bron was van die onbeftendigheid, welke, zo in zyn leven en gedrag als in zyne beginfeten, overal even fterk doorftraalt. Hier kwam de opvoeding by. Wel verre van zig aan eenen meester, of eene fchool te houden, hoorde hy, behalven de Academifchen, ook zulke Stoifche, Peripa(2) Oratio Caefaris apud SAL LusTIUM de bello Catil. Cap. zo; fea. 20. : (2) Cicero in Catilin. IV, 5. Carosapud SALLUST, 1. L cap. 54.

Page 108

View in PDF(opens in a new window)
patetifche, en Epicurifche Wysgeren, welker namen zeer in dien tyd de beroemdfte waren (a). Maar, daar hy 5780 zig wel voornamentlyk op de wysbegeerte ‘toelcide , bulpmidter verkryging van volkbehagende welfprekenheid, erb welke den weg konde banen tot eerampten en aan- an zien, (gelyk uit zyne eigene bekentenis blyken kan) tenbeid.- (4) moeste de Academifche leertrant hem wel het meest voldoen, wyl de middelfte en nieuwe Academie enkel beftonde uit twyfelaars, welke zig voornamentlyk bezig hielden met beurtelings op te bouwen en af te breken, en hunne: fcherpzinnigheid en kracht van welzeggen toonden, door alle zaken voor en tegen te befchouwen, en met bewyzen, gegrond op zulke ftellingen, welke algemeen aangenomen waren, te bevestigen. Hoe zeer de redenaar die beginfelen hadde ingezogen, blykt uit zyn eigen zeggen, wanneer hy, zig verzettende tegen de zulke, welke zyne vlottende denkwyze berispten, antwoord, dat hy, offchoon niet van zekere en onzekere zakenfprekende, echter de waarfchynelyke van onwaarfthynelyke onderfcheidde (c). Nu zal men reeds klaar genoeg bemerken, dat wy Men vind by Cicero: te vergeefs ftellige beginfelen zouden zoe- Oo ten ken omtrent den ftaat der menfchen na dit leven. En “ge zekerlyk zyne begrippen zyn in dit ftuk zo vlottende PA en onzeker ‚dat men, dezelve over het geheel befchou- 4 wende, naaulyks zoude durven beflisfen, of de leer ven. van een leven hier namaals by hem waar/chynlyk geweest | | Ça) Cicero de Offic. II, 1. ad diverfos XIII. Epift.1, et 16. (4) In Paradoxis init. Vid. etiam de Offic. I, ı, et ibinot. „Cc Cicero de Olic. IL, 2. Zie ook Tufe, quaet, 1,25. Rrra

Page 109

View in PDF(opens in a new window)
weest is dan niet. Den Academifchen redeneertrant volgende, brengt hy gemeenlyk de gevoelens van anderen by, zonder het zyne te uiten; ja, verklaart den’ zulken, welke ook dit weten wilden, dat zy zig nieuwsgieriger toonden dan nodig was (4). Men zal dan uit Hy bede boeken, welke by wyze van zamenfpraken gefchredit fuk ak ven zyn, en vooral uit de eerfte Tusculaanfche niets Schouwt een Academisch Wysgeer aan beide zyden. kunnen bybrengen, het welk enigfints de ware gevoelens van den Schryver kan ophelderen. Hy befchouwt niet alleen in deze, maar ook in andere werken, de leer der onfterfelykheid op beide kanten, en befluit met eene bekentenis van onzekerheid (4). De fchone gedachten, welke men over den ftaat der gezaligden by hem vind, dat zy, in onderlinge gemeenfchap levende, een licht en kennis zullen genieten, welke: deze waereld niet kan geven (c), zyn uit de fchool van Socrates, en het is moeielyk ‘om te bepalen, of Cicero er zelfs zyn zegel aan hing. Dit fchynt echter klaar, dat hy het oude denkbeeld, waarby den dapperen en heldhaftigen beloningen worden toegezegt, tot welke de ftille en onberoemde deugd hooit konde geraken, heeft gevolgt, gelyk uit meer dan eene plaats, in-zyne werken voorkomende, kon worden bewezen (d). Maar zoude men misfchien ook meer licht uit de.’ E ge(2) De Natura Deorum I, 5. (4) Tufcul. quaeft, I, in £, de Sened. in fine. (c) De Seneét. Cap. ult. (d) De clari viri Tufc. I, 13, zyn befchermers of uitbreiders van hun vaderland. Op eene andere plaats noemt hy dezelve denefictis excellentes viri, dat is, mannen, welke nitftekende weldaden aan ’t vaderland hadden bewezen, De N. D. II, 24. De denkbeelden der Ouden omtrent de vaderlandsliefde waren zo vitgeftrekt, dat dezeive onder alle de deugden by hen den eerften rang befloeg.

Page 110

View in PDF(opens in a new window)
gemeenzame brieven van Cicero hebben te wachten, daar in deze, gelyk hy zelfs aanmerkt (4), dikwerf ernftige gedachten worden gevonden, welke men ech- cima ter nict begeert ruchtbaar te hebben gemaakt? War- HAA BURTON denkt ja (4), en gelooft klaar te kunnen az ty de bewyzen dat Cicero in dezelve de onfterfelykheid der pn ziel met duidelyke woorden ontkent, en voor een el of den volflagen Epicurist uitkoomt. Dog de plaatfen, doorheen hem bygebracht, bewyzen, wanneer men dezelve recht (end befchouwt, niets meer dan dat alle gevoel van angst en finerte, welke een braaf burger by de rampen van zyn vaderland aandoet, na den dood moet ophouden, en deze gedachte is beide Socratisch en Platonisch, gelyk wy te voren gezien hebben (c). Zie daar dan alles het geen wy omtrent de gevoelens van Cicero, betreffende den ftaat der menfchen na dit leven, kunnen zeggen. Men kan er uit befluiten, dat hy, veel voor de onfterfelykheid der ziele fprekende, zig nergens ftellig tegen dezelve verklaart heeft. Waaruit dan zoude mogen worden opgemaakt, dat deze leer by hem onder de waar/chynlykheden behoort heeft. Laat ons intusfchen den man zelfs beklagen, welke, daar hy met een plechtigen eed betuigt, van Ça) Phil. Orat. IT, 5. (5) II Deel bl. 246. (c) Vid. Epinomis in f, Alle de brieven, door Warburton aangehaald (V „er, V1; 3, en VI, 21.) zyn door Cicero gefchreven aan zulken, welke in den burhet leed, gerkryg de party van Pompejus hadden omhelst. Hy troost dezelve over het welke de ongelukkige tyden in hen verwekten, met aan te merken, dat dit gevoel (/enfus) met den dood zoude ophouden. Cicero noemt elders dat woord , om by uitftek die aandoeningen aan te duiden, welke de rampen van den flaat by deugdzame burgeren verwekten. Orat, pro domo c. 36. Rrr 3 -

Page 111

View in PDF(opens in a new window)
van zucht ter ontdekking der waarheid te branden (a), met dit alles het gewichtigfte onderwerp van alle nafpeuringen niet verder heeft kunnen brengen. Na den dood van Cicero, en toen Augustus het Tmaaæ Romeinfche ryk in eene volftrekte en vaste flaverny von A gebracht hadde, was de leer van Epicurus wel meest an getrokken by zyn bedorven en gansch zedenloos hof. N “3% In de naastvolgende tyden echter begonde de Stoifche. i wysgeerte het hooft meer en meer op te fteken, wel. Naderke {chool zekerlyk grote Staatsmannen en de beste nende Keizeren aan Rome gelevert heeft (2). band won- Svein . | In die dagen bloeide ook te Rome een groot mees- _ ! ter dezer wysgeerte, namentlyk SENECA, Want offchoon hy voor een zelfdenker EON wil doorgaan, welke zig aan geene begrippen van andeonwas. Te verflaafde (c), blykt het echter genoegzaam, dat de eerfte beginfelen zyner leer, omtrent God, de ftof, en het noodlot, volftrekt Stoisch zyn. De mensch is dan by (a) Academ. IV, 4. (5) De Schryver van het flechte boekje Abrege de Phiffoire Ecclefiaftique de Fleury zoekt ons in de voorrede te beduiden, dat de fchielyke voortgangen van het Christendom nergens anders aan moeten worden toegefchreven, dan aan die overeenkomst, welke er was tuffchen de leer van Zeno en Christus. Hoewel nu de Abt Raynal in het laatfte deel van zyne Hifloire Philofophique et Politique en andere Schryveren van dien aanleg deze gedachte goedkeuren, is zy echter zeer ongegrond, en duid grote onkunde aan, zo in de Romeinfche gefchiedeniffen, als in die van het Christendom. Want, om nu niet aan te dringen, dat die geroemde gelykenis enkel in woorden en fpreekwyzen beftaat, waren de grootfte dryvers der Stoifche wysgeerte juist de bitterfte vyanden van ’t Christendom, gelyk uit de werken van M. Antoninus blyken kan. En het geen alles afdoet, de grootfte begunftigers der Stoifche wysgeerte waren Staatsmannen en Rechtsgeleerden, maar de eerfte Christenen niet veele wyze, niet veele machtige, niet veele edele, PauLus ı Corinth. I, 26. Waarom dan ook de Romeinen zelfs het Christendom hielden voor den godsdienst van ’t gemene volk. Dog laat ik niet te ver buiten myn beftek treden, (e) Seneca de vita beat Cap. 3. Epift. 45.

Page 112

View in PDF(opens in a new window)
by hem, volgens die leer, een gedeelte van God (a). Dog of hy de ziel voor ceuwig moeste houden (want eigentlyke onfterfelykheid kan in het Stoisch ftelfel geen plaats vinden) hierover fchynt hy hier en daar vry twyfelachtig te fpreken (2). Maar op andere plaatfen vergelykt hy die gedachten van eeuwige voortduring by zoete dromen, welke fchier zo ras vervliegen als zy opkomen (c). Waarom dan ook de doden, volgens hem, niets hebben te vrezen (d), wyl de dag des doods hen in dien zelfden {taat brengt, waarin zy waren voor de geboorte (e); ja, daar zelfs de heldhaftige zielen zekerlyk niet tanger zullen beftaan dan tot de algemene verbranding der waereld (f). PriNius de oude, of de Schryver der natuurlyke Pénius to gefchiedenis, leefde in denzelven tyd, en wat later. rene Hy word van de meesten onder de Epicureers ge- dit leven, plaatst, dog andere hebben te recht aangemerkt, dat men de kenmerkende ftellingen van enige der Griekfche fcholen te vergeefs by hem zoude zoeken. Wat er van zy, dit is zeker, dat men by Plinius geene gedachten omtrent den tockomenden ftaat der menfchen vinden zal, daar hy ons met ronde woorden verklaart, dat ziel of lichaam na den dood zo min enige gewaarwording hebben zullen als zy voor de geboorte had> den (g)Pıv| (a) Epift. 40, 74 92. (5) Epift, 63, et 117. (c) Epift. 102. Cd) Epift. 82. ? (e) Epift. 102, Confol. ad Marciam, c. 19. Gf) Confol, ad Marc, in f (g) Hiftor, Natur. VIF, 55.

Page 113

View in PDF(opens in a new window)
PLUTARCHUsS de Chaeroneer bloeide onder de Romeinen omtrent die zelfde tyden, tot aan , de reGedachten . . . vanPlin gering van Hadriaan. Zyne begrippen omtrent ’s mentarchus. fchen ziel waren, gelyk wy uit zommige plaatfen kunnen opmaken, meest Pythagorisch en Platonisch. Althans hy fpreekt, van de vlakken der ziel en derzelver zuivering, volmaakt volgens de denkbeelden van Plato (4). Ook ftelt hy elders de oude leer voor, volgens welke enige weinige menfchen, boven den kring hunner natuur verheven, helden, ja eindelyk Goden moesten worden; en deze leer (voegt hy er by) behoort niet alleen tot de inftellingen van den burgerlyken of uiterlyken godsdienst, maar fchynt zelfs alle kenmerken van waarheid, ten minften van de hoogfte waarfchynlykheid te hebben (4). Dog op welken losfen voet alle deze beginfelen by hem ftonden, kan uit zyn werkje over het bygeloof blyken, alwaar de leer van toekomende ftraffen onder de uitvindingen van het domme bygeloof word geplaatst (c). (©) PLurarcu. de his qui fero a Numine puniuntur 564, 565 Opp. Tom. 2, €) In vita Romuli p. 36. Opp. Tom. I. Ce) De Superftitione 166. 167. Tom, II.

Page 114

View in PDF(opens in a new window)
B E SL U I T. N: houde ik de voorgeftelde taak, volgens het programma, voor afgedaan. Ook is de rede, waarom het edele Genoodfchap de nafpeuringen der Schryveren by of omtrent de tyden van Seneca bepaalt heeft, ‘zeer gegrond. Latere Wysgeren (zegt het programma) hebben veelligt eenig voordeel van de Christelyke openbaring kunnen ontvangen, en dus is het zeer mogelyk, dat zulke betere en meer redelyke begrippen, omtrent den ftaat der menfchen na dit leven, als wy by hen zouden mogen aantreffen, geene vruchten van ‘eige vinding waren, maar ftralen van een hoger licht, uit de Goddelyke bron zelfs gefchept. Niet alleen hebben de Stoicynen, welke na de ver- p, Wasges fpreiding der Euangelieleer leefden, van de Christe- ren hebben nen geleert hunne wysgeerte te veredelen (4), maar Christen vooral ook heeft het Platonifche ftelfel, met het wel- 1,” ke de meeste oude kerkvaderen zo buitenfporig veel. op hadden, door den invloed der Goddelyke leer eene aanmerkelyke verandering ondergaan (2). Dog daar de- Ca) BRUCKERT, 910, 927. WB) Wanzurton Il, 308.

Page 115

View in PDF(opens in a new window)
deze zaak door veele geleerde Schryveren, en wel byzonder door de verhandeling van den groten Mos- HEIM, opzettelyk over dit onderwerp gefchreven, in een zeer klaar daglicht geplaatst is, zal ik er hier niet verder by blyven ftilftaan. — De lezer heeft uit deze Hoewel zy verhandeling zelfs genoegzaam kunnen zien, hoe onbet tegen. . deelie. gegrond de grootfpraak der Heidenen was, wanneer weerden, zy beweerden dat het Goddelyk licht, waarop. de Christenen roemden, niet onlangs. van den hemel was gedaalt, daar het reeds voor veele eeuwen hunne wyzen beftraalt hadde (a). Laat ons echter aan den anderen kant zorg dragen, dat het licht, het welk God buiten de openbaring aan ons geflachte heeft willen fchenken, (hoe gering het dan ook zyn mag, inzonderheid wanneer men ziet op het door ons behandelde onderwerp) niet moetwillig werde verdonkert, gelyk veele dit hebben trachten te doen, daar zy de grootheid van Gods goedheid dachten te verheffen, naar mate de krachten der rede wierden verzwakt (2). . Dewinag Vie volheid des tyds, in welke Jefus Christus op des tyds, aarde verfcheen, was (zo verre wy een eerbiedig 008 Coriseu durven flaan op het aanbiddelyk plan, door het Opin’ perfte Wezen in de zedelyke opvoeding der menfchen kwam, gevolgt) juist deze, in welke de waereld befchaaft genoeg (2) KorTHoLr de Origine Chriftianismi ex fententia paganorum, (4) De meeste oude Kerkvaderen hebben reeds deze ftelling te ver getrok. ken, als of de menfchelyke rede niets goeds, en geene de minfte gronden van natuurlyken godsdienst zoude hebben kunnen vinden zonder behulp der openbaring. Waarom dan volgens hen Plato, Pythagoras en anderen noodzakelyk van Mozes en de Propheten moesten hebben geleert, Justin. Marr. Apol. I, § 57. Ed, Oxon. Aucustin. de Civ. Dei XXVIII, 2. Minucius FELIX P.M. 330, VaLesius ad Eufebium Orat, ad S. coetum cap. 9 &c,

Page 116

View in PDF(opens in a new window)
noeg en voorbereid was, om de leer des toekomenden levens en der onverderflykheid, door den Goddelyken meester aangekondigt,: met nut aan te hooren en te ontvangen. Het meest befchaafde gedeelte des menschdoms was in dien algemenen ftaat van twyfeling, en onftandvastigheid der beginfelen, welke altoos den overgang van domme onkunde tot eene op redelyke bewyzen fteunende overtuiging maken moet. — De ftaat:der kindsheid was voorbygegaan, en de jongelingfchap genaakte. — De wyste onder die volkeren hadden lichts genoeg om den onredelyken, en by de eerfte inftelling der maatfchappy vastgeftelden gods- 4,2, dienst te verachten. — Zy wierpen dan die oude ge- menfchedenktekens van bygeloof omverre, maar verwarden eden. zig te gelyk in de doolhoven van verwaande geleerdheid, welke, wel verre van het heil hunner natuurgenoten te bevorderen, hen alle gronden van troost ontrukte, en dat wel zulke, op welke de allernuttigfte waarheid rusten moeste, waarin zy ooit belang ftellen konden. Toen wierde er een Goddelyk bouwmeester vereischt, om die zo jammerlyk omverre gehaalde grondftutten van hoop.en troost op te rechten, om het licht der onftervelykheid op den kandelaar te plaatfen. Het waare Christendom zal enkel de godsdienst der befchaafde waereld zyn. — Hoe ellendig zyn de uitzichten in de ecuwigheid verdonkert geworden, naar mate de volkeren, na de komst van Christus in ’t vleesch, in onkunde, en tot deszelfs onaffcheidbaren

Page 117

View in PDF(opens in a new window)
medgezel, het bygeloof, vervielen (a)! — Toen begon Perbastering der Euangedieleer, men niet alleen de hoop eener gelukkige, of vrees eener rampzalige onftervelykheid te hechten aan willekeurige inftellingen, welke op deugd en godzaligheid of geen de minfte betrekking hadden, of ook wel tegens dezelve regelrecht aanliepen; maar ook de plaatfen van toekomend geluk of fmerte met die trekken af te malen, welke den zinnelyken en onbefchaafden mensch zo natuurlyk eigen zyn. — Toen wiers den de Elyfefche velden, de ‘Tartarus en Acheron weer van nieuws geopent en ingevoert, alleen met verandering der namen. — Ik wil deze, voor het menschdom zo vernederende aanmerkingen, niet verder uithalen en betogen, anders zouden my de zogenaamde legenden van zommige bedriegers of dwepers, welke men heiligen noemt, de grollen van een Caefàrius, en andere Schryveren van dit foort, hiertoe overvloedige gelegenheid verfchaffen. — En och dat ook in die eeuw, welke wy beleven, het verband tusfchen de deugd, op de voorfchriften van den alterheiligften godsdienst gegrond, en de hoop eener aanstaande zaligheid over ’t algemeen beter wierde begrepen! Dat onze natuurgenoten niet voortgingen met te denken gelyk de kinderen, maar als mannen de neigingen der jeugd lieten varen! Nog eens; het echte Christendom is niet de godsdienst Ca) Ik zonde gemakkelyk kunnen. bewyzen, dat men zelfs onder de oudfte Kerkvaderen zeer grillige denkbéelden, betreffende ’s menfchen ziel en derzelver beftemming na dit leven aantreft, Dog dit zoude my te ver van myn befiek afvoeren,

Page 118

View in PDF(opens in a new window)
dienst der volkeren, welke in eene zedelyke kindsheid leven. — Neemt dit ter harten gy alle, welke de verhevene beftemming hebt, om uwe medemenfchen te kunnen befchaven, en verlichten. Gy groten der aarde, welken het beftuur en de opvoeding uwer burgeren is toevertrouwt, flaat een medelydend oog neder op die afgelegene gewesten der waereld, in welke men nu reeds eeuwen gearbeit heeft om de leer des Euangeliums voortteplanten, zonder aanmerkelyke vrucht. Denk dat vooraf de mensch moet worden befchaaft, zal de Christen worden gevormt. Gave God, dat de wensch van alle beminnaren van den godsdienst, welke hunne medemenfchen voor broeders en kinders van denzelfden vader erkennen, — Dat de klachte van Profeet eindelyk werde vervult. JEREMIAS (a), de kinderkens eifchen brood, daar en is niemand die het hen mededeele, nergens op aarde toepasfing vinden mochte! (a) Klaagl, van Jeremia IV, 4»