Show full text117 pages
Page 1
View in PDF(opens in a new window)R
A A
VO
HOEDANIG WAS HET GEVOELEN DER OUDE WYSGEEREN, VAN THALES EN PYTHAGORAS AF, TOT
OP SENECA TOE, WEGENS HET LEVEN EN
DEN STAAT DER ZIELEN NA DEN DOOD
DES LICHAAMS?
DOOR EENEN
ONGENOEMDEN
R.
R
Y VE
Wien daarop door de Heeren Direéteuren van TEYLERS NALAATENSCHAP de tweede ZILVEREN EERPRYS Was
toegeweezen.
Page 2
View in PDF(opens in a new window)No text on this page.
Page 3
View in PDF(opens in a new window)Bladz. 395
TWOORD
OP
DE
VRAAG
OVER DE GEVOELENS DER OUDE WYSGEREN
WEGENS DEN STAAT DER ZIELEN
NA
DIT
LEVEN.
G.
INLEIDIN
Bebelzende een plan der denkwyze van
onbefchaafde menfchen over den fiaat
na dit leven.
Gor volkeren, ook dezulke, welker befchaaftheid en kundigheden het voorwerp van verwondering
en achting der nakomelingen zyn, hebben, even gelyk cebele voi.
elk menschin ’t byzonder, cene zedelyke kindsheid fee #4
moeten doorworftelen, voor en aleer zy by het klim- ste
kindsbeid
men der jaren het meer zekere levenspad konden be- seceft.
reiken, waar de heerfchappy der zinnen voor de rede
begon plaats te maken, en waar tomeloze driften niet
alleen den gang beftuurden. Hoewel nu de zedelyke
opvoeding. en wasdom by alle geenfints dezelfde geweest zy, eneene verfchillende richting door zeer vele
Page 4
View in PDF(opens in a new window)bykomende oorzaken gekregen hebbe, is er echter in
den denkensaart der menfchen, op denzelfden trap
van befchaaftheid of onbefchaaftheid geplaatst, eene
overeenkomst, welke elk oplettend befchouwer verbazen moet, ten zy hy geleert hebbe de gefchiedenis der
neigingen en vooral der godsdienftige begrippen zyner
natuurgenoten met een wysgerig oog gade te flaan.
Wanneer afgetrokkene ftelfels en wysgerige befpiegelingen by een volk begonden ingang te vinden, kon
Welkede
het niet anders zyn, of de redelykheid der uitzichten
ke in een leven hier namaals moest op denzelven voet
held 29 ¿de VOOTtgaan, met de trappen der vorderingen in den nauitzicbten tuurlyken Godsdienst; of, het geen hier op het zelfsoctomen- de uitkoomt, de oude Wysgeren moeten des te meer
denflaat. verlicht geacht worden, naar mate zy nader kwamen
by de geopenbaarde waarheid, door welke wy worden
beftraalt.
Ik fpreek hier echter alleen van de Wysgeren en
de verlichte onder de oude volkeren. Want voor het
overige moet men geenfints denken, dat de redelykDeGods- Heid
van
godsdienftige begrippen op gelyken voet
denen
ftaan moest met de vorderingen in kunften en wetenredeyk
fchappen, welke het befchaafde leven kenmerken. De
derbe beroemdfte maatfchappyen der oudheid, welke onder
faving. cen geregeld ftaatsbeftuur en zeer wyze wetten leefden, welke uitftaken in alles, ’t welk dienftig zyn
kan om het menfchelyk verftand op te klaren en te
verlichten, hadden eenen openbaren erendienst, welke weinig zedelyker was dan die der ruuwfte natien.
De oplosfing dezer in den eerften opflag fchynbare
Page 5
View in PDF(opens in a new window)tegenftrydigheid is gemakkelyk te vinden. De volksgodsdienst immers was reeds ingevoert in de CCUWEN o pine
van onkunde en kindsheid der maatfchappy, en wier- ver.
de hierom in latere dagen alleen eerwaardig geacht
door haren hogen ouderdom. Daarby hadden de wetgevers overal zorg gedragen, dat het godsdienftig en
burgerlyk ftaatsgebouw met gemene banden wierde
aaneengeklonken, en hierom was het dan ook eene
zeer ftrafbare overtreding der burgerlyke plichten, ja
zelfs eene misdaad van ftaat, zo jemand beftonde den
godsdienst zyns vaderlands, hoe uitzinnig dezelve
over ’t geheel zyn mochte, te verachten en te befpotten, en dus dien gemeenfchappelyken band van heilige en burgerlyke plichten van een te rukken. Dog
hiervan zal ik naderhand breder moeten handelen.
Groote hinderpalen waarlyk tegens den gelukkigen
voortgang van de zedelyke opvoeding der volken.
Daar het licht der wysbegeerte, en meer redelyke
begrippen van godsdienst, of zedenkunde, het welk
het menfchelyk verftand buiten hulp eener goddelyke
openbaring konde bereiken, alleen bepaalt bleef by
een klein getal van geleerden, en zo weinig invloed
hadde op het gemeen, dat men zelfs in de befchaaftfte dagen van Griekenland en Rome gene volksvergaderingen gehad heeft, waar lesfen van deugd en eerlykheid, op godsdienftige beginfelen gebouwt, en den
burger ingeprent wierden (2).
Men-
(a) BavLe Continuat. des Penfées diverfes $ 53.
biffor, p. ts Cap. 12. $ 2.
PUFENDORE Introd, in
Page 6
View in PDF(opens in a new window)Menfchen, welker godsdienftige leiding zo flecht
was, dat hen enkel uiterlyke plechtigheden en nimmer
plichten wierden bygebracht, konden zig zekerlyk gene gedachten van den ftaat hier namaals vormen, welDegods
ke wy Kristenen enigfints redelyk zouden durven noedenstgaf men, daar de grote hoop enkel zinnelyke denkbeel
geene goedevitzieb- den naliep, en omtrent dit ftuk in den voortgang der
ten in de
ecumig~
beid,
befchaving des verftands geenfints deelde
Want wy
zullen zo ftraks zien, dat deze zinnelyke begrippen
van den ftaat na dit leven door de volkeren in de
kindsheid van hun beftaan reeds worden aangenomen.
Ze zyn daarna altoos dezelfde gebleven, en noch verfynt noch veredelt geworden, ten zy men hier toe
brengen wil de vercieringen van dichters en fabelleeraars, welker vernuft en verbeeldingskracht de aanftaande plaatfen van geluk en finerte omftandiger hebben uitgefchildert, en den hemel en hel hunner voor.
Vervalder ouderen met nieuwe namen en woonplaatfen verrykt.
Romeinfebexeden, Wy zullen echter in ’t vervolg zien, dat de Romeinen, in de dagen hunner grootfte verbastering, het zo
verre gebracht hadden, dat zelfs het gros des volks
de vaderlyke denkbeelden omtrent den toekomenden
ftaat vaarwel gezegt hadde.
Maar gelyk het altoos
veel gemakkelyker is af te breken dan op te bouwen,
had men ook te gelyk alle uitzichten op een leven
hier namaals verloren, daar men het omvergeworpen
leerftelfel met geen ander, het welk beter of redelyker was, wist te vullen. Men moet dus de palen van
wysgerige befpiegelingen der ouden en hunne volksdenkbeelden wel uit een zetten. Dan, daar de Wys-
Page 7
View in PDF(opens in a new window)geren dic genoemde ftelfels vonden, en daar het, gelyk ik zo even aanmerkte, zeer gevaarlyk was, wan- Wasgeren
der Ouden
neer men dezelve wilde trachten omverre te werpen,
hebben velen zig ook gehouden aan de fpreekwyzen ponen de
en namen, ten hunnen tyde in gebruik zynde, of. spe
fchoon zy in de zaak zelfs meer verfynde en minder
zinnelyke inzichten mochten hebben. En om deze
reden achte ik het vermakelyk te gelyk en leerzaam,
voor en aleer ik ter nafpeuring der gedachten van de
oude Wysgeren nopens den ftaat der menfchen na dit
leven overga, eene gefchiedkundige fchets op te geven
van de denkbeclden by minder befchaafde menfchen
omtrent het genoemde onderwerp te vinden. En hier
toe befluite ik des te gereder, wyl het Edele Genoot{chap in het programma den Schryveren de vryheid
gelaten heeft, om de palen hunner verhandelingen
verder uit te zetten, dan de juiste beantwoording der
opgegevene vraag eigentlyk vereischt.
-
De gefchiedenisfen der ouder’ en latere volkeren,
welker godsdienftige ftelfels tot ons zyn gekomen , van cen le
2” bier
bewyzen ten vollen, dat de leer eener voortduuring of namaals
van een leven hier namaals, die grote en enige troost isoveral
tegens de drukkende moeielykheden, welke het men- roi
fchelyke leven verzellen, inalle tyden, waarvan wy be{cheid hebben, is aangenomen en gelooft geweest. Deze opbeurende hoop van een’ toekomftigen gelukftaat
kan het menfchelyke geflacht watuurlyk eigen worden
genoemt, daar wy dezelve overal vinden gevestigt,
waar flechts menfchen wonen, zonder onderfcheid van
den zedelyken toeftand, waarin zy zig bevinden, het zy
Page 8
View in PDF(opens in a new window)dezelve gekenmerkt wordt door dierlyke onkunde en
ongevoeligheid, eigentlyke wildheid, welke wy
den
ftaat der barbaarsheid noemen, of meer gevorderde
befchaaftheid, welke met eene gelukkige aankweking
der redelyke vermogens gepaart gaat. Nooit heeft de
{chelmery van fpitsvinnige bovennatuurkundigen en
befpiegelende ongodisten het zo verre kunnen brengen, dat deze leer in enig land heeft opgehouden het
volksbegrip te zyn; hoewel de grillige bepalingen van
den ftaat der menfchen na dit leven dikwerf oorzaak
geweest zyn, dat dezelve veel van haren anderfints zo
heilzamen invloed op het geluk der volkeren verloor,
gelyk by verderen voortgang dezer nafpeuringen met
voorbeelden zal worden bevestigt.
De denkbeelden
over den
toekomenden flant
worden
uit de begraafhisplechrigbeden opgeheldert
Om nu de denkbeelden van elk volk in ’t byzonder
over den tocftand der menfchen aan de andere zyde
des grafs nader te leeren kennen, is er geen korter
weg, dan hunne begraafhisplechtigheden naauwkeurig
te onderzoeken, welke veelal hierop betrekkelyk zyn
(4). Men vind, by voorbeeld, dat zeer veele gewoon
waren of nog zyn fpyzen, wapenen, huisraad, geld,
en andere dingen, welke den afgeftorvenen in dit le"ven van gebruik waren, met de lyken zelfs te begraven. Dit toont ten duidelykften, dat de menfchen
ook na den dood dezelfde aandoeningen en neigingen
geoordeelt wierden te behouden, welke hen in dit
leven eigen waren. En deze is ook zekerlyk de algeme-
Ca) Cicero heeft zeer wel aangemerkt, dat deze begraafnis-plechtigheden
de algemene overreding des menfchelyken geflachts aanduiden, dat hun beftaan
met dit .even geenfints eindigen zal. Zufc. Quaeft, I, 12,
Page 9
View in PDF(opens in a new window)mene gedachte, welke men by alle onbefchaafde men{chen vind ingevoert, gelyk ik naderhand door voorbeelden zal aantonen.
- Over het geheel is deze regel natuurlyk, en gaat /#stere-
‘daarom in alle gevallen door: men/chen, welke zig wei- LA
nig boven het dierlyke hebben ver heven welke enkel door en
den invloed der zinnen worden beftuurt, hebben zig ook enbegene andere. dan zinnelyke begrippen kunnen vormen yan nie
;
hunnen ftaat na dit leven.
Hoewel deze ftelling van niemand zal worden tegen- .
‘
gefproken, zal ik ze echter ter nadere opheldering
met enige gefchiedkundige voorbeelden ftaven. Echter wil ik by voorraad hebben aangemerkt, dat, daar
de denkbeelden van zinnelyk vermaak en ongeneugte
door verfcheidene bykomende oorzaaken, als daar zyn
de luchtftreek, waaronder de menfchen wonen, en
andere worden beftiert (4), men hier ook geenfints
de betrachting van dit onderfcheid uit het oog moet
verliezen.
De ongevoelige, domme, en vadzige Zuid-Ameri- Denkdeetcaan zoekt zyn grootfte geluk in cene volftrekte ledig- rn.
heid, en rust, beide van.lichaam en ziel. Die ftam- "e.
men vooral, welke een jagers en visfchers leven leiden, zyn dikwerf onderhevig aan de moeilykheden en
ongemakken, dien ftand natuurlyk eigen; gebrek namentlyk aan het nodige voedzel. Daar nu deze men{chen van zedelyke geneugtens geen den minften indruk
(a) FALCONER on the influence of Climate, fituation, nature of country
—
Page 10
View in PDF(opens in a new window)druk hebben, kunnen zy zig ook geen ander denkbeeld van beftaan vormen, dan van dat, het welk zy
hier ondervinden, en hunne tockomende zaligheid is
dus niet anders dan eene voortduring van dat beftaan,
met dit onderfcheid echter, dat hetzelve volgens hun:
ne denkbeelden zal ontheven zyn van die moeielykheden, welke hier op aarde het genot der zinnen wederftreefden, en wel voornamelyk van allen arbeid en
lastige bezigheden.
Derzetor:
bem.
Der Americanen hemel is een aangenaam land, waarin het altoos lente is, waar de bosfchen vol wild zyn,
en de rivieren van visch krielen, waar nooit honger
gevoelt,
maar
eene onafgebroke overvloed
zonder
werk of arbeid zal worden genoten (2).
De Heer Forster, reisgenoot van den doorluchgen Cook, (wiens ongelukkig uiteinde elk menfchenvriend en beminnaar der wetenfchappen lang betreu-
Derlam ren zal, en wiens ontdekkingen zo veel lichts over
foot beden aartkloot,
en den natuurlyken en
zedelyken
mensch hebben verfpreit,) verhaalt van de‘eilanders
der zuidzee, de wellustigfte en minst tot den arbeid
geneigde volkeren der waereld, dat zy overtuigt zyn
van een gelukkig leven, hier namaals in de zon te
leiden, waar zy zullen worden verzadigt met vruchten en vleesch, welke gene de minfte toebereiding of
arbeid zullen nodig hebben (2).
|
Soort-
(a) ROBERTSON America II, 257,
(4) Forster Obfervations faites pendant le fecond voyage de Mr. Cook
dans hemisphere Auttral fur la Geographie, l’hiftoire naturelle, & la philofophie morale p. 441, 449.
Page 11
View in PDF(opens in a new window)Soortgelyke denkbeelden fchryft men ook den Sinefchen Foe toe, volgens wicns leer de toekomende fe van,
zaligheid der menfchen in enkele rust moet beftaan. /ndianen.
En het zoude geenfints moeielyk zyn hier meerdere
voorbeelden van denzelven aart by te brengen, vooral
zo men de Indiaanfche godsdienften wilde doorzoeken, daar deze volkeren van allen tyde voor wekelyk, vadfig en even flap van lichaams als zielsvermo|
“ay gd) on
gens zyn gehouden.
De denkbeelden en bepalingen van den toekomen-
Der oude
den ftaat, welke men by de Europifche, en vooral
.
Europiby de Noordfche volkeren aantreft, zyn wel even Zin- jove en
nelyk en onredelyk als de zo evengenoemden, dog Wore che
den hemelingen zelfs word eene meerdere werkzaam- volkeren.
heid toegefchreven, en dus is rust en ledigheid by hen
geenfints de kenmerkende fchets van zaligheid. Zamolxis de Schytier, daar hy volgens het getuigenis
der ouden by de onfterflykheid der ziel leerde, dat
den zulken de hoogfte gelukftaat was befchoren, welke met de wapenen in de hand ftierven (a), heeft
buiten twyfel de aanftaande vreugde ook gezocht in
krygsmans verlustigingen, wyn, fcesten, en het behandelen der wapenen. En men heeft grond om te
g Q-*
Nog by de Americanen, nog by de aangehaalde eilanders der zuidzee vind
men fporen van denkbeelden der vleefchelyke wellust, in her onbepaalde genot
van vrouwen hier namaals te genieten, waarin het voorname geluk van den
Turkfchen en ouden Noordfchen hemel beftaat. Dog en Americanen, en de
genoemde eilanders kunnen dezen trek tot verzadiging op deze waereld voldoen.
Ook worden de eerstgenoemden gewoonlyk befchuldigt van ongevoeligheid omtrent de fchone kunne.
(4) Suipas in Zamolx, II, p. 2. Heron. IV. 95.
Page 12
View in PDF(opens in a new window)geloven dat deze denkbeelden by alle die woefte natien zyn doorgedrongen, welke geene andere Godeneerden dan die des krygs en der verwoefting, gelyk
de Celten, Geten, Thraciers, en andere, waarom zy
dan ook dezelve gewoonlyk
voorftelden
onder
de
zinnebeelden van lansfen, zwaarden, fpiesfen, en andere wapenen (4).
Ja,
by die echte kinderen van
Mars, de oude Romeinen, was zelfs dit denkbeeld
doorgedrongen (2), en ’t was hierom, gelyk ik in ’t
vervolg zal doen zien, dat zy den eerften rang onder de gelukkige onfterfelyken toekenden aan dappere oorlogshelden, welke hun leven voor ’t vaderland
hadden gelaten.
Nergens echter vind men dezen oorlogszuchtigen
DeGods- trek klaarder tot den gelukftaat van een ander leven
oun! uitgeftrekt, dan in den cerendienst van den verfchrikkelyken Odin. De gefneuvelde helden kwamen na hunnen dood in de Valhalla, of zaal der flachtinge, een paleis door Odin zelfs bewoont, alwaar zy zig vermaakten met den wapenhandel, vrolyke feesten, bier drinken uit de hersfenpannen hunner verflagene vyanden,
en ook vrouwen (c). Bekent is het hiertoe betrekkelvke doodslied of de zielmis van Regner Lodbrog, welk
ftuk ten Kate vertaalt cn met aanmerkingen opgeheldert heeft.
Over
(4) HERODOT. IV, 62. AmMmian. Marc. XXXI, 2. P. MELA IT, 1.
ARNOB, contr. gent VI, p. 246.
\4) Justinus XLIII, 3. ab origine rerum pro Diis immortalibus veteres ba»
Bam coluere, ob cujus religtonis memo iam adbue Deorum fimulaci is Laftae adduntur.
(c) Keister Antig. feleét. fepientr. et Celtic. 127.
BRUCKER Lift. Cris
Phil. lib. II, cap. 9, $ 14.
Page 13
View in PDF(opens in a new window)Over dit lach ik immers
Dat ik Baldurs vaders (Odins) rusibanken
Voor my bereid weet; in dat hof
Drinken wy int korte bier
Uit de holle bekers van bekkenelen.
En wat lager:
Blyde zal ik ael met de fehikgodinnen
Op de hoogfte zitplaats drinken.
Des levens flonden zyn verlopen
Lachende zal'ik flerven.
Deugd of reinheid van zeden komen by die onbefchaafde volkeren zeer weinig in aanmerking, in de be- gy 5e.
palingen van den toekomftigen gelukftaat. Een wysgerig Fe
befchouwer der talen weet dat de woorden, welke by ¿sdeugd
meerderen voortgang der kundigheden en aankweking geenjints
de weg ter
der zielsvermogens de betekenis eener zedelyke recht- xaligheid,
heid of volmaaktheid gekregen hebben, in oudere en dep.
ruwere tyden enkel en alleen betrekking hadden op?
tichaamsfterkte en dapperheid, welke waarlyk eniglyk
voor deugden gehouden wierden, en daarom ook derzelver beloningen alleen moesten genieten (4). Deze
aanmerking ftrookt volkomen met het geen wy zo
aanftonds nopens de denkbeelden van de bedeling des
gelukftaats na dit leven verhaalden. Ook konden menfchen, welke van de ziel gene andere begrippen hadden dan die van een wind, een adem, of welke gedachten niet anders weten uit te drukken dan door woorden van den buik (b), zig geen denkbeelden vormen
van
(4) dgevy, virtus, Ue.
(à) FORSTER als boven p. 338.
Page 14
View in PDF(opens in a new window)van hun eigen redelyk gedeelte, deszelfs eigenfchappen, of waar zedelyk goed.
De Scandinavifche godsdienst liet ingevolge deze
Ce e by begrippen alle, welke in een gevecht gefheuvelt wade Scandi- Yen,
27%
toe in het paleis van Odin, of de Valhalla
, terwyl de zulke, welken aan ziektens of gebreken ftierven, veroordeelt wierden tot een jammervol beftaan,
als
blyvende voor altoos opgefloten in' eene plaats
van kommer en ellende, alwaar Hela of dood een
willckeurig gezag oefende. Haar paleis was droefheid,
hare tafel honger, hare dienaren verlangen en te leur
ftellingen, de drempel harer deur overyling, en
haar
Maar, wat den krygsheld betrof ,
het {cheelde niets of hy om eene rechtvaardige zaak
bed magerheid (2).
het leven liet, zo hy maar dapper vechtende viel (b).
De meest oorlogzuchtige ftammen van America ge-
Pré ven in hun land der geeften den voorrang aan den afgewm.
rechten jager, den ftouten en gelukkigen oorlogsheld,
eindelyk aan de zulke welke het grootfte getal van vyanden verrascht en verflagen, welke vele hunner gevangenen gepynigt, en
"des ben (c).
hun vleesch
verflonden heb-
En dus denken ook de Yslanders, dat het
zekerst pad ter zalige onfterflykheid door oorlog,
moord, en plondering moet worden gezocht (7).
Dog laat ons met deze voorbeelden vergenoegt zyn.
Zy betogen immers ten vollen, dat by woeste krygshaf-
Page 15
View in PDF(opens in a new window)haftige natien de toekomftige gelukftaat nicts anders is
dan eene voortduring van de grootfte zaligheid, welke )
zig een ruuw krygsheld konde voorftellen, en dat
deugd by hen enkel in dapperheid is gelegen.
Wiet zo lang zoude ik by deze verhandeling hebben blyven ftil ftaan, ware my niet gebleken dat die
verwisfeling der denkbeelden van dapperheid en deugd,
ook by den meerderen voortgang van befchaving, en
gelukkiger aankweking der zielsbekwaamheden, invloed
hadde gehad op de bepalingen van toekomend geluk,
gelyk ik in ’t vervolg met voorbeelden nader zal bevestigen.
Nu moet ik nog een weinig ftilftaan by het betoog
7 tocko, te voren gemaakt; dat nament- mende
reets
eener aanmerking
lelyk volkeren, welke door eene meer redelyke wys- ven word
geerte geenfints verlicht en beftuurt worden, zig het fees
toekomende leven gewoon zyn voor te ftellen als eene Flea
menfchelyke maatfchappy, in dewelke de afgeftorve- maarnen dezelfde betrekkingen zullen blyven behouden,/?#?"
welke zy hier op aarde hadden, en dat hunnen toeftand aan de andere zyde des grafs moet worden afgemeten na den rang, in welken ieder byzonder mensch
zig hier geplaatst zag.
De oude Romeinen hadden van de Etruriers, hunne meesters, in veele plechtigheden en godsdienftige oorfprong
begrippen, ook de gruwelyke gewoonte overgenomen, der nZe
om by de begrafenisfen of houtftapels flaven te offe- /chermers,
ren, welke men begreep de doorluchtige en edele
mannen in de andere waereld te zullen navolgen, om
hen aldaar ten dienfte te ftaan. Dog, toen men in de
Page 16
View in PDF(opens in a new window)dagen van meerder licht en befchaving de ysfelykheid‘
dezer offerhanden begon te bezeffen, zyn de fpelen :
der zwaardfchermers in gebruike gekomen, welke niet
als voorheen door offerpriesteren, maar door elkanders handen wierden.vermoort, en dat wel, wat den
oorfprong betrof, met hetzelfde godsdienftige oogmerk, hoewel naderhand meer ter verlustiging van een
bloeddorftig en wreedaartig volk (a).
Der moordenen
flachtingen by de
Iykplechtigheden.
Dezelfde gewoonte, uit eene gelyke ftelling, nopens.
de voortduring der menfchelyke betrekkingen en rangen na dit leven oorfprongelyk, kost nog in onze dagen in het Oosten, en wel inzonderheid in Sina, en
aan de oevers der Ganges, jaarlyks vele duizenden
,
het leven (2).
Wanneer by de Natchez in Louifiana een Vorst of
Cacique koomt te fterven, word er te gelyk ook een
zeker getal vrouwen, gunftelingen, en flaven omgebracht, om hem in de andere waereld te dienen en
gezelfchap te houden. Ook gaat de verblindheid dezer menfchen zo ver, dat er vele gevonden worden,
welke zeer gretig zyn na die zogenaamde eer (c).
|
Ein-
(a) TERTULLIAN, de Spe&, c. 12. Kircum. de funer. IV, 8. GuTHER
de jure man. 11.8. Niet alleen de zwaardfchermers, en alle die in het beestenperk
traden, maar ook vele andere ter doodítraf veroordeelde, waren by de Romeinen cigentlyke menfchenoffers, welke uit godsdienftige beginzelen den Goden
wierden geheiligt. Dit zoude ik, des gevordert, gaarne aannemen te bewyzen.
(2) Pauw Recherches fur les Egypt. & les Chinois Tom. II. Seét. 7. Wie
kent niet het ysfelyke bygeloof, waarvan de Indiaanfche vrouwen de flachtoffers
zyn? Zie ook P. MeLA Il, 2. alwaar hy dezelve gedrochtelyke gewoonte van
de weduwen der oude Thraciers verhaalt.
Zo ongelukkig groot is de overeenkomst der menfchelyke dwaasheden, zelfs in de allernaarfte begrippen.
(c) Pauw Recherches fur les Americ. II, 217. Roberts. Il, 259.
Men
moet zekerlyk met de Pauw erkennen, dat zelfs die denkbeelden, welke over
*t geheel voor het geluk des menschdoms allerheilzaamst zyn, dikwerf een zeer
groot
Page 17
View in PDF(opens in a new window)Eindelyk behoren tot dezen rang van woeste begrippen alle die godsdienftige inftellingen, volgens
dewelke gevangenen in den kryg op de graven der
krygshelden wierden geflacht, gelyk dit de zeden der
oude Gallen, Germanen, en andere volkeren medebrachten.
De zachtaartige bewoners der zuidzee-eilanden be- Het onder.
.
.
fcheid der
gaan wel geen godsdienftige moorden, om den overle- zangen na
nen groten dienaren in de andere waereld te
verfchaf- volgens
vende
R
fen, dog hebben evenwel den gelukftaat hier namaals dentócel.
len der
.
ook afgemeten na den rang der menfchen in dit le- alanders
der zuidven (a).
Sees
Nu zoude ik, om tot het hooftonderwerp dezer
verhandeling te komen, kunnen overgaan ter nafpeuring van minder ruwe gedachten, nopens den ftaat der
mengroot zedelyk kwaad naar zig kunnen flepen, en dat dus ook de hoop van een
toekomend leven, welke ons geflacht hadde moeten troosten tegens de wisfelvalligheden van dit beftaan, de bron geweest is van oneindig vele misdaden en
plechtige geheiligde moorden. Maar wanneer hy gelooft, dat niet het leerftuk
der onfterfelykheid, maar dat eener opftanding deze gruwelen gewrocht heeft,
en wanneer hy verder hieruit befluit, dat die laarstgenoemde leer veel algemener is aangenomen geweest onder de volkeren van Europa, dan men gemeenlyk gelooft, koomt het my voor, dat er gevolgen worden afgeleid uit oorzaken, welke niet kunnen worden bewezen, of fchoon de grote MONTESQUIEU
hieromtrent in *t zelfde begrip ftaat. V. P'Efprit des Loix XXIV, 19. De Grieken by voorbeeld, Romeinen, en andere volkeren begroeven lampen, huisraad
enz. by hunne doden, of fchoon men nergens vind, dat deze volkeren eene
eigentlyke opftanding der doden hebben erkend. Zie Cicero Tufc.I, 16. In
de bygelovigheden van onkundige menfchen worden duizend tegenftrydigheden
gevonden, welke zo groot zyn, dat men ligt zoude overhellen om vele din.
gen van dien aart in twyfel te trekken, welker gezag enkel op verhalen rust,
indien niet de dagelykfche ondervinding ons genoegzaam overtuigde, dat de
menfchen ook in de vreemdfte dwaasheden zig zelven gelyk blyven. Ja, de genoemde Schryver heeft dit elders zelfs erkent in het aangehaalde werk Tom. IE,
pag. 113.
.
|
(4) Voyages autour du monde, redigeés apres les papiers de Mr. Banks par
Hawkesworth Tom, II, 519. Forster ter aangehaalde plaats bl. 449.
Page 18
View in PDF(opens in a new window)menfchen na dit leven. Maar alvorens dit te’doen,
wil ik nog kortelyk hebben aangemerkt, dat het denk-
Peele
vo” beeld van rampzaligheid en plaats van finerte, in de
bencenbe- gedachten
mel zonder
bel,
van
geheel
onbefchaafde
menfchen,
.
of
.
gansch niet opgekomen .fchynt te zyn, of ten minften op verre na zo duidelyk ons niet afgefchetst is
als dat van een zinnelyken gelukftaat. Onder alle de
woeste Americaanfche ftammen, welker natuurlyke en
Gelyk de zedelyke eigenfchappen door zo vele wysgerige penAmericaanen,
.
.
.
.
nen in een helder daglicht zyn geplaatst, heb ik nooit
de fporen eener eigentlyke
4e/ kunnen ontdekken. Ja,
zelfs zal men deze by de Mexicanen te vergeéfs zoeken, welk volk echter by de eerfte ‚aankomst
Rede
der
Spanjaarden reets in een foort van burgerlyke maatfchappy en onderwerping leefde. De:rede:.van dit onde bel By derfcheid, waarom men namelyk zo veel vroeger een
ben nici, hemel als een hel vind, valt my niet moeielyk te gisal de
fen. Menfchen, welke of geheel geene, of ten minften
den van alleronvolmaaktfte denkbeelden van zedelykheid hebeen bemeh Len, en welke, daar zy in hunne natuurlyke onafhanglykheid omzwerven,
althans van burgerlyke deugden of plichten jegens eene maatfchappy onkundig
\
zyn moeten, hebben ook zekerlyk geene hel gefticht
voor fchelmen, of vyanden van een vaderland, het
welk zy niet kenden. Dog wanneer men by de volkeren de beginzelen van een burgerftaat befpeurt, en
vooral. wanneer de dichtkunde en derzelver cieraden
het hoofd beginnen op te fteken, vind men ook eene
plaats van ftraffe of rampzaligheid ingevoert, welke
‘ by voortgang des tyds meer en meer met nieuwe naCR:
Page 19
View in PDF(opens in a new window)men en plaatfen verrykt is geworden, naar mate de
kundigheden van zedelyke en burgerlyke deugden
meer uitgebreid en volkomen wierden (4).
Deze is, myns bedunkens, de natuurlyke voortgang der menfchelyke denkenswyze omtrent dit onderwerp, en ik ben er dus zeer verre van af, om
hoop van bedat delen,
te ftel
met WARBURTON
loningen en vrees voor ftraffen een overblyffel is der
zorge, welke den ouden Wetgeveren eigen was, om
hunnen burgeren het geloof van een toekomenden ftaat
in te prenten.
Want men vind, gelyk ik zo even
aanmerkte, vele volkeren, welke geene plaatfen varı
tockomftige ftraffen fchynen te kennen of te geloven (b).
Wat nu de gedachten dier volkeren, in welker ftel{el reets eene hel of plaats van fmerte was ingevoert,
|
.
.
oa
Hoe de bet
betreft, dezelve waren niet minder zinnelyk, dan die, „erde be.
welke, gelyk wy te voren zagen, den hemel by hensreem
bepaalden. Het fchynt, dat de invloed der luchtftreek
hier
(a) Cicero Tufe. I, 5. Die, quacfo, num te illa terrent, triceps apud inferos Cerberus, Cocyti fremitus, transveüio Acherontis, mento fummam aquam attingens fiti enectus Tantalus! — Quid negotii ef? haec poetarum et piltorum fgmenta
convisicere.
(6) WARBURTON Godd. zend. van Mozes, eerfte deel aan het einde.
Die zelfde Schryver merkt elders te recht aan, dat de denkbeelden van een
toekomenden ftaat overal, zelfs by menfchen, zonder cigentlyken godsdienst levende, van alle tyden zyn aangenomen. En men heeft zekerlyk niet den minften
grond om te geloven, dat de voorouders van alle ruuwe volkeren door zulke
wetgevers als hy bedoelt, zyn befchaaft geweest. Dog deze waarlyk zcer geleerde man heeft dikwerf om zyne hooftzaak, namelyk de onkunde der oude Joden
in de leer van een toekomend leven, (eene ftelling, op zig zelve, buiten opzicht op de plaatfen der H. Schrift onwaarfchynlyk, ja zelfs volgens zyn cige
gedachten onnatuurlyk,) te betogen, begrippen moeten voorftaan, welke hem
hier en daar verre van den rechten weg afvoerden.
Page 20
View in PDF(opens in a new window)De lucbr- hier veel afgedaan heeft (4).
De hel van warme gefireek
beeft ver Westen beftond in eene toeneming van
hitte, welke
‘hee bebe hier reets het grootfte ongemak ‘des levens uitmaakte.
fing.
Dus fpreekt Homerus van de Titans,
als gekluistert
zynde aan brandende rotzen, en zo zullen, volgens
de leer van Muhammed, de verdoemden door een
lichamelyk vuur worden gebraden en gepynigt (2).
Maar in koude landen
beeld plaats.
had het tegengeftelde denk-
Hier was de Tartarus of hel eene duistere fombere plaats, ontbloot van alle voedzel, en
vooral zeer koud, welke laatfte eigenfchap het verfchrikkelykfte denkbeeld van allen uitleverde
Dit
onderfcheid van denkwyze is zelfs blykbaar uit de
woorden, waarmede noordelyker volkeren hunne het
uitdrukken, gelyk
FALCONER heeft aangemerkt (c).
(4) FALCONER in ’t aangehaalde werk I, 225.
(5) Brucker Hit, Crit, Phil, III, 170. bewyst, dat de Turkfche werge-
Yeerden hunne hel eigenilyk, en nier figuurlyk, verftaan,
. Cc) Ter aaugeh, plaats. Dug is ook ryprapifew by PLUTARCHUS van honde
beven, of rrillen.
Page 21
View in PDF(opens in a new window)TWEDE AFDELING.
Van den overgang van geheel zinnelyke, tot meer
wysgerig
ige denkbeelden, omtrent den ftaat
der menfchen na dit leven.
N. in de eerfte afdeling de gedachten van geheel
onbefchaafde menfchen nopens den ftaat na dit leven pzz de.
te hebben afgefchetst, kan ik nu overgaan ter nafpeu;;ie .
ring van meer wysgerige begrippen, welke wy by de”
meest verlichte volkeren der oudheid, en wel by de
Grieken en Romeinen aantreffen. Men kan hier immers de oude Oofterfche en vooral de Indiaanfche en
Egyptifche Godgeleerdheid met ftilzwygen voorby
gaan, daar het Edele Genootfchap in het voorgeftelde programma van Thales begint. Ook wil ik niet
ontveinzen dat de ontwikkeling der ftelllingen van die
overoude volkeren, van welker godgeleerde en zielkundige begrippen wy zo weinig zeker befcheid hebben, voor my eene moeielyke taak zoude zyn. Het DE
RAVEN C1
Oosterlinmeefte dat ons van hen bekent is, moeten wy uit gen wor.
Griekfche Schryveren halen, op welke in verhalen, denenkel
aange.
andere landen betreffende, en vooral wanneer Zy ons suerz,
vreemde godsdienften befchryven, ongemeen weinig
ftaat te maken is. Want zy waren veeltyds gewoon
Page 22
View in PDF(opens in a new window)het gebrek aan echte bronnen uit hun eige vruchtbaar vernuft aan te vullen; verhalen, tot andere landen betrekkelyk, met hunne volksdenkbeelden te
doorweven, en eindelyk alles met fabelen en ongehoorde byzonderheden te doorvlechten, waartoe ze
zekerlyk tonen eene onwederftaanbare neiging te hebben gehad.
e
=
Wanneer men den voortgang van enkel zinnelyke
Welkedin- tot Meer wysgerige uitzichten in deh ftaat der mengen
men Cohen na dit leven met vrucht wil nafpeuren, dient
acht moet
nemenom er VOOral te worden zorg gedragen, dat men zig zo
over de
.
.
denkbcel- Veel mogelyk plaatfe in die aloude tyden zelfs, van
y dewelke gehandelt word, en dat men de wysgerige
tevordee- taal en denkbeelden onzer dagen niet onvoorzichtig
°
overbrenge tot eeuwen, in welke enkel eene cerfte en
flauwe dageraad van meerdere kennis en befchaaftheid
begon aan te lichten (a).
Cicero begreep zeer wel, dat er uitmuntende poOvergang gingen wierden vereischt om de ziel eerst te verheftot minder fen boven volksdenkbeelden, welke op oude overlezinnelyke
.
.
begrippen. Veringen gegrond, en enkel zinnelyk waren. Hy merkt
aan, dat men niet langs den weg der openbare leer
der Ouden, maar enkel door redelyke betogen moet
onderzoeken, welke de aart der ziele zy, of welke
plaatfen dezelve na dit leven ftaat te betrekken.
En
dat de Ouden, tot deze betogen geenfints in ftaat zynde, zig buitenfporige
hersfenfchimmen
hebben ge-
{meed ,
Page 23
View in PDF(opens in a new window)fmeed, welke' met alle recht en rede door de meer
verlichte nakomelingfchap wierden veracht, daar ze
overal tegenftrydigheden opleverden, welke niet misfen konden den verftandigen befchouwer:aanftonds in
* oog te lopen (2).
. Dusdanige zinnelyke en weinige wysgerige begrippen ontmoet men by de oude Grieken, ten tyde toen nite.
zy zig begonden te befchaven, en een ftelfel van god- Cr’etergeleerdheid in hunne:maatfchappyen hadden ingevoert.
Want, hoe zeer de. nafpeuring der oude godsdienften
altoos met :vele moeilykheden gepaart gaat, wegens de
grillige denkbeelden, en onoplosbare tegenftrydigheden, welke men overal ontmoet, kunnen wy echter
de .begrippen van dit volk, nopens den ftaat der menfchen: aan ‘de andere zyde van het graf, genoegfaam
vinden
by -hunne oudfte Dichteren, welke in oude
tyden fchier overal de oudfte Godgeleerden geweest
zyn. En deze dienen hier kortelyk te worden gefchetst,
wyl vele onder de latere. Wysgeren hunne meer afgetrokkene gedachten met de oude namen en fpreekmanieren; voorftelden; of ook zinnebeeldige en minder
zinnelyké betekenisfen gaven aan woorden en zaken,
welke eertyds op eene zeer eenvoudige en ruwe wyze
waren voorgeftelt en gelooft. Wat de reden betreft,
waarom:zy dezen leertrant verkozen, of liever genoodzaakt :waren te. volgen, deze zal ftraks nader worden aangetoont.
Nadat men de dode lichamen met godsdienftige
plech(#) Cicero Tufcul. Difput. I, 16.
Page 24
View in PDF(opens in a new window)dit afbeeldfel behield de gelykenis van den mensch,
welke op aarde geleeft hadde, en alle deszelfs neigin-
.
gen en eigenfchappen, gelyk ik zo even aanmerkte (4).
if
|
Maar het andere gedeelte, de Don, (welke in de wys-
|
geerte van Plato ook duY# en vous genaamt word), was
|
|
.
|
|
Homerus zig omtrent Hercules uitdrukt, wanneer hy
|
zegt, dat zyne beeltenis [?dolum] wel tot het onder-
|
18
eigentlyk de denkende mensch, wiens oorfprong uit
de lucht was (4), ook de Zurog, de mensch zelfs, gelyk
aardfche ryk was nedergedaalt, maar dat HY ZELF
-
|
zig by de Goden verheugde met feestelyke maaltyden (ec).
il
|
Beide deze zielen (mag ik ze dus noemen) gaan by
|
den dood, volgens de denkbeelden der oude Grieken,
Zyeingen na het onderaardfche ryk. Dus vind men in de aangeseidena
haalde elfde Odysfé, dat de afgeftorvene zig met bloedhe offerhanden verlustigen, het welk zekerlyk eene zinsyk.
nelyke aandoening is, en dus geacht wierde tot het
onredelyke deel te behoren. Maar die zelfde fchimmen redekavelen onder elkanderen, verhalen hunne
rampen, enz. ten klaren bewyze, dat hun redelyk of
Be denkende gedeelte ook in Plutoos ryk was aangeland.
|
i
dl
‘
le Men moet echter van dezen regel uitzonderen eenige
tà
grote mannen, of helden, welker redelyk gedeelte aanftonds na den dood gehouden wierde ten hemel op
|1
.
il
|
te
(a) Brora sworn xepovrwv. HOMER. Odyff. à 474. Na de tyden van
Homerus heeft men echter het woord si3wzo ook gebruikt om het redely-
||
ke gedeelte uit te drukken. Mosu. ad Cudworthi Syft. Intell. Tom il.
1
Pp.
'
(4) Mosuem. 1. L 1037, 1040.
(ce) Odyff. A 600.
Page 25
View in PDF(opens in a new window)te varen, zo dat enkel de fchim of de beeltenis in de
onderaardfche gewesten nederdaalde. Dit had by voorbeeld in Hercules plaats, gelyk de zo even aangehaalde plaats van Homerus bewyst. En op deze overoude
begrippen is naderhand de Socratifche wysbegeerte
gebouwt, welke den hemel of de hoogfte gelukftaat,
volgens de algemene begrippen der ruwe volkeren,enkel den dapperen befchoren, voor goeden en deugdzamen opende, gelyk ter zyner plaats nader zal worden betoogt.
- Daar nu voorts de Ouden zig geen leven konden
voorftellen zonder lichamelyke aandoeningen, moest ze
mensch, gelyk ik reets gezegt deripper
niet alleen de orredelyke
de
omtrent
|
.
welke hem voor elk ken- zx,
gedaante,
heb, zyne vorige
baar maakte, behouden, maar ook zelfs de redelyke
“ziel wierde onder’ eene menfchelyke gedaante verbeelt (a). Waaruit dan te gelyk blykt, waarom de
Goden en Helden ons in menfchelyke gedaantens door
de Ouden worden afgefchetst.
Deze oudfte Griekfche wysgeerte, omtrent de twe
zielen der menfchen, heb ik niet onaangeroert kunnen laten voorbygaan, wyl dezelve naderhand, na dat
ze door Plato en zyne fchool was verfynt geworden,
eindelyk zelfs tot in de kristelyke kerk is doorgedrongen.
‘ Men mag voorts uit de aangehaalde begrippen van ste/felder
Homerus met recht befluiten, dat het ftelfel der ziels- une
verhuizing te dier tyde onder de Griekfche volkeren ‘4%
(a) Tuespesius apud Plut de his qui fero anumine puniuntur p. 564. _
Page 26
View in PDF(opens in a new window)van Home-nog niet fchynt te zyn doorgedrongen; althans nernictinze. gens vind men by hem gewag gemaakt van dat wanverte
fchepfel, het welk, uit Egypte en het Oosten afkomftig, naderhand bykans de gehele waereld overftroomt'
heeft, tot een altoos blyvend gedenkteken der menfchelyke dwaasheid,
en grilligheid der volksbegrippen (a).
Uit het geen wy van de twederlei ziel, door de
oudfte Grieken reeds geftelt, gezegt hebben, en uit
(acre de menfchelyke gedaante, welke zy zelfs het redelyke
en onfofe- deel toekenden, blykt genoegzaam, dat men geen ei-
DE gentlyke onftoffelykheid aan het zelve heeft toegefchrewas.
ven. En hier dienen wy vooral zorg te dragen, dat de
wysgerige denkbeelden onzer dagen niet overgebracht
werden tot die aloude tyden, van welke wy nu handelen. Hoewel de ziel zelfs by de oudfte Schryveren
eene onlichamelyke xelffiandigheid word genoemt (4),
moet men echter hieruit geenfints tot de on/foffelykheid
befluiten, wyl ozlichamelyk in de taal der Ouden -verfcheidene betekenisfen hadde, en voornamelyk gebezigt wierde van alles ’t welk van een grover ‘lichaam
was ontbloot (c).
Woarvit
deredely-
. Homerus ftond reeds in ’t begrip, dat de redelyke
.
.
.
kecio/wol. ziel Zynen oorfprong uit de aether, dat is de lucht,
gm of wel het verhevenfte gedeelte des hemels hadde, en
nomen.
j
j
:
de-
WAS.
(4) Ook word aan Pherecydes, Thales of Pythagoras het invoeren dezer leer
onder de Grieken toegefchreven, gelyk naderhand zal worden getoont. Ik zeg
onder de Grieken, want in Egypte en het Oosteñ was het ftelfel der zielsverhuizing zeer veel ouder.
(c) Moss. ad Cudw. Syft. intell, Tom, I, 36, 37. Tom. II, 1019, 1020.
Page 27
View in PDF(opens in a new window)deze gether was volgens de denkbeelden der Ouden niet
geheel onftoffelyk, hoewel echter onverderfelyk (a).
Voorts wil ik tot beter verftand der oude Wysgeren en derzelver manier van denken hebben aange oan
merkt, dat men door orfferfelykheid niet altoos eene ei- 12a/der
gentlyke en eeuwige voortduring, volgens onze denk- rare
beclden, verftaan moet, maar fomtyds er niet meer 47%
onder begrypen moet; dan een beftaan, welks tyd
niet bepaalt. is.. Dus noemen by voorbeeld de Stoicynen de Goden onfferfelyk, hoewel ze dachten, dat
dezelve eindelyk in de: algemene verwoesting van ’t
gcheelal zouden delen. Eene eeuwigheid zonder opvolging, waar de denkbeelden van voorleden en toefchynt niemand voor
komend blyven :buitengefloten,
geftelt, vol.ens
hebben
te
Plato onder de Grieken
(2).
Mosheim
groten
den
van
her oordeel
Dan, alhoewel het begrip van eeuwige voortduring
by de oude Grieken zekerlyk niet door afgetrokke reen verfynt was, (daar.het zelfs
deneringen gevestigt.
in het grootfte en helderfte licht der wysbegeerte voor
ons kortziende menfchen altoos onvolmaakt blyven
moet,) vind men echter reeds in de vroegfte tyden de .
denk(a) Aether eff ultimus et a domiciliis noflris altisfimus omnia cingens et coercens
cocli conplexus, extrema ora et determinatio mundi, in qua cum admirabilitate
maxima igneae formae curfus ordinarios definiunt. Cicero de Nat. Deor. II, 40,
Aldap is van xi0w branden, blinken. By vele Griekfche Wysgeren is deze aether
voor God zelfs gehouden, waaruit dan die godloze ftelling. van zelfs voortdat de ziel een afgefcheurt deel der Godheid was, Dus hielde b.v.
vloeide,.
Chryfippus , een der voornaamfte Stoicynen, den aether voor den opperften God,
Dıoc. LAERT. 137, 138. En de ziel der menfchen was volgens hem afkomftig
uit over, dat is uit de aether of de bovenlucht zelve. Cicero Tule. 1, y.
(4) Ter aangehaalde plaals Il, 780.
Page 28
View in PDF(opens in a new window)denkbeelden van een altoosdurenden flaat in tegenover- {telling van een #ydelyken ingevoert.
|
De grove ziel, of die, welke de zitplaats der zinnen
pero, en begeerlykheden was, moest volgens de begrippen
derzelver der
mingna
oude
Gricken
eindelyk worden vernietigt (2);
Maar ze bracht in het onderaardfche ryk lidtekenen
ditlever. ¿y wonden mede, getuigen en kenmerken van finet-
|
ten, waarmede ze in dit leven. was bezoedelt, welke
van .dien aart waren, dat ze ‘door de fcherpziende
oogen der helfche Richteren. zeer ligt wierden ont
dekt. Deze vlakken moesten. worden gezuivert,
en,
Strafvan ZO dit onmogelyk was, wierd de ziel tot den Tartaden Tarta rus veroordeelt, gelyk ons PLATO (4) in zyn Gorgias leert, in welk werk hy vooral de volksbegrippen
zyner tyden gewoon is te volgen, gelyk door Warburton en anderen reeds is aangemerkt. En deze ftraf
fen van den Tartarus waren zonder einde, gelyk de
Ouden eenftemmig getuigen. Dog, of de zielen, welOrd PI ke de woningen der Elifefche velden betrokken, ook
denvoor
gehouden worden altoos daar te blyven, kan met geen
ges,
volle.zekerheid worden gezegt. Ik wil echter dit liefst
beirokken. met MosHEIM (c) bevestigender wyze beantwoorden, en geloven, dat, volgens de oudfte Grickfche
begrippen, het de
reeds gezuiverde zielen waren,
welke die velden betrokken, om ze nooit te verlaten.
Want, volgens deze vinden wy niet dat menfchelyke
zielen den hemel konden bereiken, uitgezondert alleen
“(a) MosHEtm als boven II, 1046.
(5) In Gorgia p. 313. edit. ann. 1590,
(c) Ter aangehaalde plaats II, 1044.
Page 29
View in PDF(opens in a new window)leen zeer uitftekende en dappere mannen, welken,
volgens de denkbeelden, by alle onbefchaafde volkeren aangenomen, en door ons te voren reeds breder
verhandelt, de hoogfte gelukftaat was befchoren, zo
dat zy, verre boven den kring der menfchelykheid verheven, Daemons wierden (a). VIRGILIUS ftaat hieromtrent echter in een ander begrip, daar hy de zie- Crdschren
len, in de Elifefche velden wonende, affchetst, als gilizs.
zynde in eene plaats van zuivering, welke zy, na een
bepaalden omloop van jaren, wederom ftaan te verlaten, om weder tot deze waereld op te klimmen, en
andere lichamen te betrekken. Dog, die overfchone
zesde Eneide, in welke van deze zaken gchandelt
word, fchetst ons geenfints de oude volksbegrippen
nopens den ftaat der menfchen na dit leven af, maar
behelst eene zinnebeeldige nederdaling ter heile, gelyk
dezelve in de Eleufinifche verborgenheden gebruiklyk
was (2), en dus fpreekt ook de Dichter volgens de
leer dier verborgenheden, welke de zielsverhuizing
ftelde, en dus de eeuwigheid van dit onderaardfche
verblyf ontkende, gelyk in ’t vervolg nader zal worden aangewezen.
Dit zy ons genoeg om de oude Griekfche volks- De Dichbegrippen te leren kennen. Dezelve zyn door dich- bende>
terlyke cieraden allengskens opgefmukt, en hoewel in naa
zommige opzichten veredelt, over het geheel echter /rvar
meer
(a) De Daemons waren eigentlyk menfchen, welke om hunne uitftekende
deugden ten hemel voeren. PLATO in Cratyl. 263.
(5) WARBURTON G. 2, van Mozes I, 333. COURT DE GEBELIN Hit,
du Calendrier 310.
Page 30
View in PDF(opens in a new window)geluken
Meer en meer verwart,
en duifter gemaakt.
Deze
fmerte Dichters zyn het, welke het onderaardfche ryk met
ncfabelen vele nieuwe woonplaatfen hebben verrykt, en aan wel-
FE
ken wy die volledige aardrykskunde van het ryk van
Pluto te danken hebben.
Zy hebben ons behalven
dezen Pluto ook een Cerberus gelevert, eene onderaardfche rechtbank, door Minos, Aeacus en Rhadamantus gefpannen, en eindelyk der dwalende ziclen
Mercurius ten leidsman toegevoegt.
Oorfprong
dexe
Wat nu den eerften oorfprong en herkomst van
alle deze Griekfche volksdenkbeelden betreft, dezelve
Grieif’e moet, immers voor ’t grootfte gedeelte, niet op hungrippen.
nen bodem.zelfs, nog ook in één land of plaats worden gezocht.
Want, daar het blykt, dat Griekenland
door vele volkplantingen uit Thracie, Fenicie, en
Egypten is bewoont geworden, is het meer dan waarfchynelyk, dat alle deze volkeren eenige deelen van
hunnen vaderlyken godsdienst in die nieuwe woonplaats hebben voortgeplant (4). Wyl echter de Egyptifche
godsdienst den toekomenden ftaat der men{chen vooral naaukeurig bepaalde, is het te denken,
dat de ftellingen van dit volk wel den meesten op-
Deze moet gang zullen hebben gemaakt. Ja, vele geleerden den-
Fama ken de gehele Griekfche hel in den Egyptifchen doolpra
hof (Labyrinthus) te kunnen vinden. Ook is het onbetwistbaar, dat de Elifefche velden eigentlyk by het
oude Memphis moeten worden gezocht, alwaar eene
vruchtbare weide was, na welke de dode lichamen
wier-
Page 31
View in PDF(opens in a new window)wierden vervoert over een drabbig en kwalykriekend
meer. Zie daar den Styx. Charon vind zig van zelfs,
want de naam is Egyptisch. Dog dit alles is door de
plaatfen van HErRopotus, DIODORUS, SERVIUS
over de zesde Eneide en anderen te klaar, dan dat ik
er langer by zoude behoeven ftil te ftaan.
Deze gehele onderaard{che toeftel, uit Egypte overgebracht, en door het vruchtbare Griekfche vernuft ee
opgefiert, heeft zelfs de beroemdfte Wysgeren onder pre |
het laatstgenoemde volk tot een grondflag geftrekt, grippen.
om er hunne eigene ftellingen voorts op te bouwen.
Zulk eene manier van voorftellen, waarby alles zyne
oude namen behield, was zekerlyk de veiligfte. Want
ik merkte reeds te voren aan, dat het eene zeer misdadige en gevaarlyke onderneming gehouden wierde,
wanneer iemand beftond de algemeen aangenomene
begrippen van den godsdienst aan te tasten. Dit had
vooral plaats wat betrof het leerftuk van den toekomenden ftaat der menfchen, wyl dit altoos voor den
vasten grondflag der burgerlyke maatfchappy, en der
volksdeugden wierde gehouden. Want, daar de godgeleerde ftelfels der oude volkeren meestal ftaatkundig waren, of Chet geen op het zelfde uitkoomt) met
de burgerlyke wetten zeer naauw verbonden, was het
hoog verraad in eenen eigenlyken en volftrekten zin,
wanneer iemand derzelver grondflagen beftonde te ondermynen, of icts te leren het geen er tegen ftreed (a).
Dan,
(4) By de Athenienfers was eene wet tegens de zulke, welke op natuurkundige of bovennatuurkundige gronden over de Goden zintwisteden, PLUT. Pericl. 169. in Nicia 533
Page 32
View in PDF(opens in a new window)Dog de
Dan, bchalven dezen godsdienst van flaat, vinden
ms wy by alle meer befchaafde volkeren ook cene geheime
badden
leer, welke men zorgvuldig voor ’t gemeen verborg,
judi’ wy] dezelve van dien aart was, dat er de gevestigde
eee begrippen van den godsdienst door wierden tegengefproken.
Dus hadden de meeste Griekfche Wysgeren twederleie manier van onderwys, waarvan de eene voor
’t volk, maar de andere voor meer gevorderde of getrouwe aanhangeren hunner meesters gefchikt was (a).
Inzonderheid breng ik tot die dubbele leer de zoTor deer. gepaamde verborgenheden of myfterien, by de gehele
fekunbefchaafde waereld eertyds ingevoert, van welke hier
non de
iets gezegt dient te worden, om dat ze te befchousenbeden wen zyn als wysgerige inftellingen, van de volksbebetrokgrippen zeer vecl verfchillende; om dat vele onder
fem
de Griekfche Wysgeren ingewyden waren, en dus de
denkbeelden, door dezelve hen
hebben
bygebracht, verder
kunnen voortplanten; en eindelyk, en wel
voornamelyk, om dat ze zeer beroemt waren wegens
de meer uitgeftrekte en redelyke uitzichten, welke
die ingewyden kregen in den ftaat der menfchen na
dit leven.
Oorforong
derzelver,
|
Warburton heeft zeer breedvoerig zoeken te beto.
gen, dat de verborgenheden, uit Egypten oorfprongelyk, en daarna van de wetgevers zelfs in de landen
welke zy befchaafden ingevoert zyn, ten einde het
ge(e) Dit onderfcheid is door niemand breedvoeriger en geleerder betoogt dar
door Bisíchop
WARBURTON, hoewel hy hier en daar gekerlyk te verre gaat.
Page 33
View in PDF(opens in a new window)geluk der Maatfchappy op deugd en hoop eener toekomftige gelukzaligheid te veftigen. Hoewel de be-.
wyzen, voor het laatfte gedeelte dezer ftelling ingebracht, my niet allezints voldoende voorkomen, fchynen zy echter genoegzaam te tonen dat de verborgenheden onder het opzicht der overheid waren. Ook wil
ik niet tegenfpreken, dat de oudfte, van welke wy
befcheid hebben, in Egypten moeten worden gezocht.
Voorts is het bewezen, dat dezelve eene onmiddelyke
betrekking op den landbouw hadden (a), waarom dan
ook in Egypte die van Ifis, «en Ofiris, den uitvinder
der ploeg, en in Griekenland die van Bacchus en Ce- z, nus
res de oudfte en de voornaamfte waren. En hieruit derrekking
fchynt men te mogen befluiten, dat geene verborgen- dou.
heden by de oude volkeren voor den landbouw, die
ware bron van befchaaftheid, kunften en wetten (2),
waren ingevoert. Daar dan de wetten en landbouw
zulk eene naauwe betrekking op elkander hebben,
maakt deze omftandigheid zekerlyk het gevoelen van
Warburton allerwaarfchynelykst, wanneer hy de eerfte
wetgevers en ftichters der burgerlyke maatfchappyen
ook voor de inftellers dezer verborgenheden houde.
Wat nu het oogmerk dezer inftellingen betreft; het oggmerk
zelve was, gelyk ons de Ouden uit eenen mond ver- fer er
klaren, om de ingewyden tot een heilig leven te ver- den,
plichten, waaraan dan ook de hoop eener tockomende
(a Court DE GEBELIN Hift. religieufe du Calandrier 310.
b) Cicero in Ver. Lib. Ult. cap. ult. Hierom word Ceres by de Grieken
en Romeinen met den bynaam van Wetgecfíjer vereert, wyler geene wetten warea voor den landbouw.
Page 34
View in PDF(opens in a new window)de zaligheid wierde gehecht. Maar wat verftond men
door dezen aanftaanden gelukftaat? Ik antwoorde, dezelve beftond hierin, dat deingewyden, of door uitmuntende oefeningen en deugden het zo verre brachten,
dat ze na dit leven van alle finetten gezuivert, aanftonds
na de woonplaats der Godheid (want de verborgenheden leerden de eenheid van het Opperwezen) opvoeren, gelyk de grote helden, volgens de volksdenkbeelden hier boven aangehaalt; of ten minften, dat ze
die reinigingen en zuiveringen van lichaams en zielsfmetten, welke in ’t onderaardfche ryk na den dood
moesten worden ondergaan, ontgingen, of draaglyker
maakten. Men hoopte de ziel te herftellen tot die eerfte en oorfpronglyke zuiverheid, welke ze gehad had
voor en aleer lichaamlyke befmettingen (want de verborgenheden leerden eenen voorgaanden ftaat voor
dit leven, en dus ook de zielsverhuizing) er wonden
hadden ingedrukt, welke getuigen en kenmerken waren van onreine daden, in het leven begaan (4). En
hierom was het, dat de ingewyden wedergeborene genoemt, en in den gewonen ftyl gezegt wierden een
nieuw leyen te beginnen, zo ras ze de godsdienftige geheimen dezer inftellingen kenden, en begonnen te beocfenen.
|
Maar waarin beftond nu deze zuivering der ziel,
welke den ingewyden hoop gaf op een aanftaanden gegcukflass \ukftaat, en wel zulk eenen, dat andere menfchen diergelykennaditleven nimmer konden bereiken? Er wierden
(a) Is Casauz, Exerc, Antibaron, XVI, 43.
Page 35
View in PDF(opens in a new window)WEGENS DEN STAAT
den zekerlyk deugd en betrachting der wetten toe vereischt (4). Maar deze zede/yke reiniging Konde echter
niet alleen of ten vollen doenhopen op de voorgeftelde
beloning. Want de Ouden fpreken ook eenparig van
lichamelyke reinigingen, welke, volgens alle heidenfche
godsdienften, en wel vooral in het Ooften, gehouden
wierden invloed te hebben op de zedelyke zuiverheid.
Men ftelde namentiyk, dat de ziel indrukfelen of
vlakken behielde, kenmerken van ongeregelde driften
en begeerlykheden, van welke.vlakken of fmetten de
Platonifche wysbegeerte zeer veel fpreekt, gelyk wy
ter zyner plaatfe zien zullen En om deze vlakken pu.
de
volkomen kwyt te raken, was het dat vele wysgeren se”!
zig in alle by hen bekende verborgenheden deden in: genbeden
wyen. Ja, uit deze zelfde bron zyn ook die licha- gere
melyke onthoudingen voortgekomen, welke men dagt
invloed op de ziel, en het herftel van derzelver oorfpronglyke zuiverheid te hebben. Alle welke dingen
verklaart moeten worden uit de ftoffelyke denkbeelden, door de ouden aan de menfchelyke ziel gehecht,
gelyk wy. te voren aanmerkten. Hier van daan was
het ook dat de onheilige, of de zulke die niet waren
ingewyt, in het onderaardfche:ryk in flyk en drek zouden moeten omwroeten, dat is eene veel moeielyker
zuivering ondergaan, dan die gene welke door hunne
inwying in dit leven zig reeds hadden gereinigt (2).
- Welke menfchen nu volgens de leer der verborgenhe(a) Warburton II, 208 envolg. *
(5) Mosuzm. ad Cudworth. Tom. II, 1048.
Page 36
View in PDF(opens in a new window)De zesde
Eneide
fcbetst de
leer der
verborgenbeden.
DE GEVOELENS DER OUDE WYSGEREN
heden op een toekomend geluk hopen
konden, of
ftraffen moesten verwachten, en eindelyk welke bepalingen in de toekomftige uitdeling plaats hadden, vind
men nergens zo breedvoerig en naaukeurig verhandelt
als
in de zesde Aeneide van VirciLius, welk
dichtftuk eene eigenlyke nederdaling tot het ryk der
doden, zo als dezelve in de verborgenheden gebruiklyk was, affchetst (4).
De toekomende plaatfen van
beloningen en ftraffen zyn driederlei, een vagevuur
of plaats der reiniging, eene eigenlyke hel, of plaats
van fmerte, en eindelyk de gelukkige velden, voor
de zalige zielen gefchikt.
Het vagevuur was voor
zelfs-moordenaren, buitenfporige minnaars, eerzuchtige krygslieden, en eenige anderen, van dewelke de
rede, waarom zy juist hier moeften belanden, niet zeer
gemakkelyk valt te bepalen.
Tot den Tartarus wierden veroordeelt geheime fchelmen, welke de ftraffen
der wetten op de waereld hadden weten te ontduiken,
ongodisten, verachters van, en {potters met heilige
zaken , verraders van hun vaderland, echtbrekers,
bloedfchendige, en eindelyk overtreders van zulke
plichten, welke, hoewel in de menfchelyke natuur gevestigt, niet behoorden tot de zorg en bepalingen van
burgerlyke wetten; by voorbeeldalle, welke de natuurlyke liefde jegens ouders en bloedverwanten niet gekent of geoefent hadden, gierigaarts, welke met de
{chatten die zy bezaten de behoeftens hunner medemenCa) Dit wordin het eerfte deel van WAR BU RTON Godd. zend. van Mozes
uitvoerig geleerd, en naaukeurig bewezen.
Page 37
View in PDF(opens in a new window)menfchen hadden geweigert te hulp te komen. Eindelyk onder de bewoners der gelukkige gewesten was
de eerfte plaats gefchikt voor wetgevers, en ftichters
der maatfchappyen, de twede voor beminnaars van
hun vaderland, en die. voor het zelve den dood hadden ondergaan, en de derde of laatfte voor uitvinders
van nuttige kunften en wetenfchappen.
Hoewel deze bepalingen van geluk en ongeluk over
% geheel genomen vry redelyk kunnen genaamt wor-
-
den, vinde ik echter hier geene beloningen voor de eer
ftille, en op de waereld onberoemde deugd, daar #8.
echter by de inwyingen wel vooral op een heilig le- Shape
vensgedrag wierde aangedrongen, gelyk wy zo even a
zagen. Misfchien heeft Virgilius alleen treffende carakters voor zyn heldendicht gefchikt geoordeelt. Of,
(en dit koomt my wel het waarfchynlykst voor), men
moet hem verklaren uit het by alle minder befchaafde
maatfchappyen eertyds aangenomen denkbeeld, dat het
in deze
verfchil namentlyk van rang en beroemtheid,
waereld plaats hebbende, zynen invloed ook uitftrekt
op de toekomftige bedeling (4). Het was alleen Socrates, welke de innerlyke waarde der deugd zo wel
i
kende, dat hy dezelve in het tockomende leven even
grote beloningen toekende, zonder onderfcheid waar
ze gevonden wierde, en welke de zedelyke plichtsbetrachting die vergelding dede hopen, welke men
eertyds alleen voor helden en beroemde mannen dacht
bewaart te zyn. Maar van deze leer zal ik ter zyner
plaats nader handelen.
~
(a) Zie de eerfte afdeling,
|
|
Nu
Page 38
View in PDF(opens in a new window)Overgang
Nu ga ik
over tot de eigenlyk genoemde
Grickpanni fche Wysgeren, welke een min of meer uitgebreid
POS zamenftel van de natuur, God, en de ziel der men{chen hebben gevormt en voortgeplant.
© Maar hier neem ik eene zeer mocielyke taak op
my. Denkbeelden en ftelfels te ontwarren, welke dikwerf zo weinig zamenhangen, dat ze door de uitvinders zelfs op zeer losfe fchroeven geftelt, en zelfs
niet altyd op dezelve wyze
worden voorgedragen!
Want, dat dit het geval was der oude Wysgeren,
Mocilykwanneer zy Over den ftaat der menfchen hier namaals
au redeneerden, zal ftraks genoegzaam biyken (a). En
raging y Waarlyk, die doolhof van verfchillende gevoelens en
grippn
onzekere leerftelfels is zo groot, dat men nooit de
xl Kracht der verklaring van den Apostel PauLUS fterker zal gevoelen, dat het namentlyk Jefus Christus
is, die het leven en de onverderflykheid heeft aan
den dag gelegt (4), dan, na die oude fcholen, en derzelver vlottende begrippen te hebben doorwandelt.
En dit wil ik tot myne eigene verontfchuldiging hebben aangemerkt, indien er gapingen en duisterheden
na deze myne verhandeling mogen overfchieten.
Dese worNog groter word deze zwarigheid, daar vele onder
groer, de oude Wysgeren twe leerftelfels hadden, waarvan
mong het eene voor het volk en den ftaat, maar het andere
heen voor byzondere leerlingen en
sverweging
neemt.
aanhangeren
gefchikt
was. Het was immers by de Grieken gevaarlyk, denku
beel-
| (a) Rem gratam promittentium magis quam probantium, Seneca Épift. 102.
(3) 2 Timoth. I, vs. 10,
Page 39
View in PDF(opens in a new window)beelden, welke den openbaren godsdienst omverre
wierpen of ondermynden, openlyk voor te ftellen,
gelyk ik te voren heb bewezen. In het betoog dezer
twederleie leer der oude Wysgeren is niemand breedvoeriger dan WARBURTON, dog hy befchouwt ook
volgens zyne gewoonte alles uit het oogpunt dezer Men moet
eens aangenomene ftelling, in zo verre, dat hy dezel- hl
ve by alle oude Wysgeren, Socrates alleen uitgezon- il
dert, denkt aan te treffen. Gaarne wil ik met den uit- gegevoemuntenden man geloven, dat vele onder hen anders ‘ie kn
dachten, dan zy in ’t openbaar fpraken, en ditis ons remem
onder anderen door Brucker breedvoerig getoont.
Dog alle tegen elkander aanlopende gevoelens, welke
men fomtyds by denzelfden Wysgeer aantreft, tot deze twevoudige leer te betrekken, fchynt my niet nodig te zyn, daar de dobbering van twyfelingen, welke
een leerftuk op onzekere, ja valfche gronden rustende, natuurlyk medebracht, zig buiten dien gemakkelyk en zeer ongedwongen laat verklaren.
Eer ik verder ga, wil ik hier nog eenige aanmer- ”r¢fkingen ter neder ftellen, welke dienen zullen ter op- mer
ter
kingenvere
heldering en beter verftand der leerftelfels van elk beter
Wysgeer in ’t byzonder.
:
i
der
fand
wysgerige
.
I. De meeste, zo niet alle Griekfche Wysgeren, Rellingen.
ook dezulke, welke op de ftelligfte wyze over een
toekomend leven hebben gefproken (4), waren. ge- She
woon een ftoffelyk denkbeeld aan de menfchelyke ziel den door
te
y
(a) Ik moet hier Socrates uitzonderen, want deze liet zig over diergelyke
zaken nooit uit, gelyk wy ter zyner plaatfe zien zullen,
Page 40
View in PDF(opens in a new window)DE GEVOELENS DER
OUDE
WYSGEREN
de Wisge. te hechten. Van deze begrippen heb ik te voren reeds
OS gezegt, en men moet dezelve wel in ’t oog houbecht.
den, wyl er de denkbeelden van een toekomenden ftaat
zeer door kunnen worden opgeheldert. Het is ten
overvloede bekent, dat dit leerftuk van de ftoffelykheid der ziel zelfs in de oude Christelyke kerk is
doorgedrongen, en van vele onder de
zogenaamde
Oudvaders is voorgeftaan en gelooft geworden. Ja,
het is zeer duister, of wel een enkel oud Wysgeer,
Plato zelfs, de fynfte en {cherpzinnigfte van allen niet
uitgezondert, van onlichamelyke wezens in een eigentlyken zin heeft gefproken. (4).
Ofde
II. De Griekfche Wysgeren (byzonderlyk Plato en
Fr
zyne fchool) welke of van eene enkele voortduring
metden
der ziel na dit leven, of van cen ftaat van beloningen
en en ftraffen fpraken, hebben veelal te gelyk het ftelfel
$n Vic
der zielsverhuizing voorgeftaan. Dog men zal zeggen,
baarkon- deze
#2"
zielsverhuizing
konde immers
onmogelyk befaan met den ftaat van beloningen en ftraffen, en
vooral niet met een toekomend leven, het welke van
de huishouding van deze waereld. of van dit leven
geheel was afgezondert. En dus zal het befluit zyn,
dat hier eene openbare tegenftrydigheid moet plaats
hebben. Ook is by velen de onbeftaanbaarheid dezer
twe ftellingen zeer in ’t oog lopende, waarom dan by
voorbeeld de Indiaanfche Braminnen van de uiterfte
ongerymdheid worden befchuldigt, daar zy, de zielsverhuizing lerende, echter de ongelukkige weduwen
aan(a) Mosn. ad Cudworth, Tom. L p, 24.
Page 41
View in PDF(opens in a new window)aanzetten om zig op de houtftapels harer overledene
mannen te doen verbranden, en dat wel met 00gmerk om hen in de andere waereld te volgen en te
dienen (4). Maar wat zal men van de Griekfche
Wysgeren denken? Zyn zy zig zelven zo ongelyk
geweest, dat ze twe {tellingen hebben byeen gevoegt,
van welke de eene de andere omverre ftoot, en wel
zo, dat deze onbeftaanbaarheid zonder diepe redeneringen of fchrandere betogen bemerkt word. Mos-
HEIM denkt de zwarigheid weg te nemen, wanneer
men de verhuizingen, van welke de Wysgeren {preken, enkel van het edele deel, of de denkende ziel
verftaat, terwyl het andere, het Idolum, of de zitplaats der zinnen na dit leven wierde beloont of geftraft (9). Maar, hoewel dit antwoord in den eer:
ften opflag vry aannemelyk moge voorkomen, gaat
het echter niet door. Want zo de Griekfche Wysgeren, welke de zielsverhuizing ftelden, cenen toekomenden ftaat van beloningen en ftraffen gelooft
hebben, moest die zekerlyk gelegen zyn in de ver{chillende, of meer dan min gelukkige bedeling, welke
de ziel in eene nieuwe woonplaats, dat is in een ander
lichaam, te beurte viel. En dus moeten de aanftaande
beloningen en ftraffen (geftelt zynde, dat de Griek-
{che Wysgeren dezelve hebben geleert) zekerlyk betrokken worden tot het redelyke deel, wyl dit de verhuizingen onderging, en niet op het zinnelyke, of
het
a) Pauw Recherches fur les Americ. II, 213.
3) Mosuen. l. 1, Tom, Il, 1042.
Page 42
View in PDF(opens in a new window)het fyne bekleedzel der eigentlyke ziel, gelyk Mosheim gegist heeft. Maar deze gehele zaak is zeer duister, wyl het betwist word, of wel een enkel Grieksch
Wysgeer de zedelyke
zielsverhuizing geleert heeft,
dat is zulk eenen toekomenden ftaat, waarin de voorzienigheid de ongelyke bedelingen van een vorig leven zoude te recht brengen; en of ze niet in tegendeel alle cene noodlottige of noodzakelyke verhuizing
in hun hart hebben gelooft, hoewel ze de eerfte by
het volk uit ftaatkundige beginzelen voorftonden. Dit
laatfte gevoelen, het welk dat van Bisfchop
WarBURTON is (7), doorgaande, is de gehele vraag Overtollig, wyl eigentlyke beloningen en ftraffen, of dezulke, welke opzicht hebben op een wetgever en op
redelyke wetten, door zulk eene noodlottige of noodzakelyke verhuizing worden omverre geftoten.
Dog dit zelfde moeielyke verfchilpunt zal naderhand in de behandeling der gevoelens van Pherecydes,
Thales, en andere Wysgeren wederom voorkomen,
en alsdan breder worden verklaart.
Detocko.
mene
fast kan
Uit het gezegde word reeds gedeeltelyk opgeheldert
de III. Aanmerking, welke ik in ’t verklaren der geopizeder- dachten der oude Wysgeren wil hebben in ’t 00g geee houden; namentlyk, dat men den toekomenden ftaat,
verfaan. volgens hunne denkwyze, op twederleie wyze kan begrypen, of als eene enkele voortduring, welke uit den
aart en natuur der ziel van zelfs volgen moest, zon:
der opzicht op beloningen of ftraffen hier namaals te
ho(4) Godd. zend. van Mofes II, 207,
Page 43
View in PDF(opens in a new window)hopen of te vrezen, of als een zedelyk gevolg van
het gedrag der menfchen na dit leven. Tot de dryvers der eerfte ftelling kan men brengen alle dezulke,
welke onze ziel voor een afgefcheurt deeltje der Godheid hielden, en by dewelke wel de zelfitandigheid
der ziel, maar niet de men/chelyke ziel onfterflyk was,
daar ze leerden, dat dezelve natuurlyk moeste wederkeren tot het wezen, waarvan ze was genomen.
IV. Moet ik hier nogmaals aanmerken dat de Griek- Yolksbefche Wysgeren, en vooral de fchool van Pythagoras gerieben
en Plato, van den toekomenden ftaat fprekende, zig wnseren
veclal bedienden van de begrippen en namen, welke en
ze by het volk vonden aangenomen. Waarom ik dan
in ’t vervolg niet zal behoeven te herhalen, het geen
ik hier boven reeds van deze volksdenkbeelden hebbe
gezegd.
V. Eindelyk zal het niet nodig zyn alle fcholen der Hezal
Griekfche wysbegeerte te onderzoeken. Velen, ja zeer dene
voelens
velen kunnen wy voorbygaan, die, of de floping van
ftelden , Piseren
den gehelen mensch by den dood leerden,de ofzelfftan
dig- ne
dat de ziel aanftonds wederkeerde tot
heid, waaruit Ze volgens hunne begrippen genomen
was, zonder eenig verder uitzicht op beloningen of
ftraffen.
Twe waren de Griekfche hooftfecten, de Ionifche Perdeling
tusfchen
namentlyk, en de Italifche. De eerfte begint, volgens desee
Grick{che
het algemeen gevoelen, met Thales. De onderdelen 7 aftjecze».
zyn de Socratifchen, Cyrenaifchen, Academifchen,
eindelyk
en
n,
Peripatetifchen, Megarifchen, Cynifche
de Stoicynen. Van de Cyrenaifchen, van dewelke de
Page 44
View in PDF(opens in a new window)hoffelyke
Ariftippus het hooft, en Theodorus en
Euhemerus de voornaamften waren, valt niets te zeg_ gen. Deze fchool beftonde uit godlochenaren, en van
hunne gedachten van ’s menfchen ziel weten wy zeer
weinig, althans wy vinden in 't geheel niet dat ze
over den toekomenden ftaat hebben geredeneert. Ariftoteles, het hooft der Peripatetifchen, leert de fterfelykheid der ziel klaar genoeg; daar echter de gevoelens van dien Wysgeer op verfchillende wyzen
worden uitgelegt,
worden
gezegt.
zal beneden iets
Van
de
ftellingen
nader van hem
der
Megarifche
{chool, waar van Euclides, die yverige leerling van
Socrates, het hooft was, is ons bykans niets bekent,
en de weinige ftellingen, door de Ouden tot ons over~
gebracht,
kunnen,
volgens
het
gevoelen
met geen mogelykheid worden ontwart.
van Bayle,
Waaruit dan
volgt, dat er ook niets te melden valt van de gevoelens dezer fchool omtrent den toekomenden ftaat der
menfchen, indien zy al denzelven mochte gelooft en
geleert hebben. Even hetzelve kan men, wat dit ons
onderwerp betreft, van
de Cynifchen zeggen. Ook
maakten dezen eigentlyk geen byzondere fchool uit,
welke kenmerkende ftellingen dreef, maar onderfcheidde zig voornamentlyk in het uiterlyke levensgedrag ,
het welke zy na zekere by hen aangenome regels inrichteden; en ze hebben ons verder niets nagelaten dan
eenige zedelyke fpreuken, welke geene de minfte betrekking op de hoofdzaak dezer verhandeling hebben.
Welke
Dus fchiet hier, behalven het hooft der fchool of
wygeren Thales, zelfs niemand over behalven Socrates en Plato,
Page 45
View in PDF(opens in a new window)to, met zyne Academisten.
Van Ariftoteles en de worna-
Stoifchen moet echter ook iets worden gezegd, wyl mensiyk
9 onze AANgelyk ik ftraks reeds omtrent den eerstgenoemden mr
aanmerkte, men over hunne gevoelens zeer getwist
j
heeft.
De twede hooft- of moederfchool, te weten de Ita- 7wede
liaanfche, is door Pythagoras gefticht. Voorts heeft hf
zy tot takken de Eleétifche, Epicurifche, en Pyrro- /eboo.
nifche feéten. Het ftelfel der Eleatifchen liep, zo wy
de getuigenisfen van anderen mogen geloven, (want
van hen zelfs hebben wy geene Schryvers) op ongodistery uit. Verder vinden wy niet dat deze men{chen zig veel met zielkundige befchouwingen hebben opgehouden, dan alleen, dat Democritus, een der
voornaamfte meesters dezer fecte, oordeelde, dat de
ziel uit ondelen was t’zamengevoegt, en deszelfs floping na den dood ronduit ftelde (4). De Heracliti- Herach-
{che leertrant is zo duister, dat ze door de Ouden **
zelfs niet wierde verftaan, daar derzelver hooft verkoos alle zyne voorftellingen met leenfpreukige, raadzelachtige, en weinig bekende woorden te omzwachtelen. Het fchynt echter genoegzaam te blyken, dat
Heraclitus zelfs de menfchelyke ziel voor een afgezondert deel der Godheid hielde, en ftelde, dat dezelve ftraks na den dood van het lichaam tot haren
oorfprong wederkeerde. Want wy lezen niet, dat hy
van verhuizingen en omdolingen fprak (2).
Wat
(a) Cicero Tuscul, Difp. I, 11.
(5) Brucker Tom. 1, p. 1222.
PLUTARCA, plac. philos. : IV, 7.
Page 46
View in PDF(opens in a new window)Epicurus,
DE
GEVOELENS
DER
OUDE
WYSGEREN
| Wat Epicurus betreft, niets is bekender, dan dat
hy leerde, dat de ziel, als uit ondeeltjes (atomi) beftaande, hoewel niet vernietigt, echter met het lichaam
|
ontbonden en
|
verftrooit
wierde,
zo dat
de gehele
mensch by den dood ophielde te beftaan.
,
Pyrrboen
Ga
De
Pyrrhonifchen
of Sceptifchen
eindelyk
waren
afftammelingen van de Eleatifchen, hielden zig alleen
bezig met te ondermynen en omverre te werpen het
geen anderen zochten op te bouwen, en hadden zelfs
eigentlyk geen wysgerig ftelfel.
Uit deze korte befchouwing der Italifche fchool
blykt, dat dezelve zeer ras zal kunnen worden afgebandelt, wyl, behalven Pythagoras en cenige weinige
anderen,
welke tot zyne navolgeren gemeenlyk gebracht worden, niemand over de beftemming der men-
{chen na dit leven iets zekers of verftaanbaars,
voor
ZO verre wy weten, geleert heeft.
Aanmer-
Elk, wie deze wysgerige ftelfels, onder de Grieken
Lee ingevoert, over ’t geheel befchouwt, zal zekerlyk
ds, in
gemeen,
verzocking komen om te geloven, dat ze meer
Kwaad dan goed in de waereld hebben gewrocht. Die
fpitsvinnigheid in ’tredekavelen, welke den Griekfchen
volkeren zo byzonderlyk eigen was, heeft de meeste
Wysgeren onder hen in hunne eige fyn uitgefp onne
redeneringen verwart, tot dat zy eindelyk alle grondflagen van natuurlyken godsdienst en zedekunde
om- .
ver wierpen, zonder eenige andere genoegzame fteunfels van deugd en hoop in derzelver plaats te kunnen
ftellen.
Ook is het myns bedunkens onbetwistbaar,
dat ze door deze verfynde dwaasheden eerst de ze-
Page 47
View in PDF(opens in a new window)den van hun eigen vaderland, en naderhand ook die
der Romeinen hebben bedorven. Dog de natuurlyke
voortgang der menfchelyke vermogens en denkwyze,
wanneer ze aan zig zelven word overgelaten, leert,
dat twyfelary en ongodsdienftigheid onmiddelyk en
overal op grove onkunde volgen. En de ondervinding getuigt ook, dat dit zal, niet alleen by elk byzonder mensch, maar zelfs by gehele volkeren plaats
hebben; ten zy het Gode behage (gelyk het hem dan
ook goedgunftig behaagt heeft) onze zedelyke opvoeding, wanneer wy tot dien trap gekomen zyn, op
eene onmiddelyke wyze, of door eene byzondere
openbaring te befturen en te bevorderen.
De eerften onder de Grieken (of ten minften on- Gedacbder die volkeren, welke Grieks fpraken) die, zo veel Thales en
wy weten, over de natuur der ziel geredeneert, en PRereeÿftellingen, van de boven afgefchetfte volksbegrippen
onderfcheiden , gedreven en voortgeplant hebben,
zyn THALES, de ftichter der Ionifche fchool, en
ook volgens het algemeen gevoelen de vader van de
eigentlyke Griekfche wysbegeerte, en PHERECYDES,
afkomftig van Syrus, een eiland tot de zogenaamde Cycladen behorende. Deze mannen worden gemeenlyk gelooft tydgenoten te zyn geweest, en moeten omtrent de Babylonifche gevangenis hebben geleeft. Ik heb dezelve hier byeengevoegt, niet zo zeer
wegens die gelyktydigheid van hun leven, als om de
overeenkomst hunner wysgerige ftellingen, in zo verre ze ’s menschen ziel betroffen. Niemant moet hier
echter een volkomenen en zekeren uitleg van dezelKkk
Page 48
View in PDF(opens in a new window)ve verwachten.
Want, wat Thales betreft, Bruc-
KER en anderen klagen met recht over de allerdik:
fte duisternisfen, waarmede de begrippen der oudé
fonifche fecte, van welke hy de infteller- word gehouden, zyn bedekt.
En van zynen tydgenoot Pherecydes weten wy nog minder.
Suidas verhaalt uit een
oud Schryver, (4) dat hy de geheime fchriften der.
Feniciers bezeten heeft, zonder voor ’t overige een
meester te hebben gehad. Men zoude hier uit kunhen opmaken , dat deze gefchriften de voorname bronnen zyner ftellingen geweeft zyn. Maar welke leer
die geheime bocken mogen hebben bevat, hicromtrent kan men gene gisfingen maken, die eenigfints
gegrond zyn. Voor ’t overige getuigen de Ouden, dat
hy ook :zyne leer heeft voorgedragen met die zelfde
duisterheid van woorden, en raadzelachtige fpreuken,
in welke de godsdienftige ftelfels door het Ooftersch
en Egyptisch Priefterdom van alle tyden zyn omzwachtelt geworden (2).
De plaatDIOGENES LAERTIUS Cc) verhaalt, dat er zomSender
mige waren, welke Thales hielden voor ‘den eerften
oude
febryveren invoerder van het leerftuk der onfterfelykheid onzer ziel,
omtrent de
:
teervan
;
en PLUTARCHUS (4) zegt dat Thales de eerfte was,
Thales en
Pherecydes welke leerde dat de ziel een eeuwig bewegend Of van
wordenby- zelf$ bewegend wezen is.
melt.
| Maar Cicero (e) getuigt, die, 0 verre de oude
een verzata
i In Oécesebdys.
+
|
ge-
(5) CLEMENT ALEXANDR. Strom. Y., 676. ÂARISTOT. Metaph. XII,
4»
(e) Lib. I, Segn. 24. -
- (4) Placit. Philof. IV, 2.
Ce) Difput, Tufcul. Lib, L, cap. 16,
Page 49
View in PDF(opens in a new window)gedenkfchriften konden reiken, Pherecydes voor alle
anderen geftelt had, dat de menfchelyke ziel alioosdurende was, hoewel het, volgens de aanmerking, welke
hy er op volgen laat, te denken zy, dat anderen voor
dien Wysgeer het zelfde reeds geftelt hebben. Voorts
verklaart Hesycuius MILeEsius (4), dat Pherecydes de eerfte was, welke de zielsverhuizing drecf.
En eindelyk verfchilt Maximus TYr1Us (à) weer
van alle deze Schrÿveren, zeggende dat Pythagoras de
eerfte leeraar der onfterfelykheid was.
~
. Dan, deze getuigenisfen, hoe zeer zy onder elkanderen verfchillen omtrent den eerften invoerder van
de leer der onfterfelykheid, en der zielsverhuizing,
komen echter hier in overeen; dat dezelve onder de
Grieken moet worden gezocht. Maar HERODOTUS (¢)
is het weer met hun allen oneens, daar hy denkt dat
de oudfte fporen van die wysgeerte niet in Griekenland,. maar in Egypte te vinden zyn.
En eindelyk
zynhet, volgens PAUSANIAS (4), noch de Grieken,
noch de Egyptenaren, maar de Chaldeen en Indianen,
welke voor:alle andere volkeren de ziel voor onfterfelyk hebben gehouden.
Wanneer men nu alle deze plaatfen by een voegt, War uit
gene
blykt er uit:
J. Dat men het gansch niet eens was, waar de eer- den bee
fte oorfprong van de leer der onflerfelykheid en zielsyerhuizing moefte worden gezocht.
IL
(a) Apud Surmaml. cit.
Ce) Lib. Il, cap. 123.
(4) Differt XXVIII.
(4) In Mesfeniac, p. 277.
Page 50
View in PDF(opens in a new window)II. Dat men het ftelfel van onfferfelykheid en zielsverhuizing, zo als het by de Grieken, Egyptenaren,
Chaldeen, en Indianen was ingevoert, voor een en
het zelfde heeft gehouden.
|
III. En vooral dat die Schryveren van altoos voortduren der ziel, onfferfelykheid en zielsverhuizing fpreken,
als van denkbeelden welke of geheel niet verfchillen,
often minften zeer naau aan elkanderen verknocht zyn.
Wy zullen ons nu niet inlaten in de oplosfing der
eerfte zwarigheid, of in die allermoeielykfte nafpeuring, waar de eerfte oorfprong van het leerftelfel der
\
zielsverhuizing moet worden gezocht. Bekent is het,
|
¿dat het zelve door het gehele Oosten en Egypte was
aangenomen, en dat wel zedert onheuchelyke tyden.
Waarom dan ook de
eerfte uitvinders voor altoos
door de dikfte duisternisfen der Oudheid blyven bedekt.
Maar de rede, waarom de Grieken de -eerfte
bronnen dezer leer in hun eigen land dachten aan te
treffen, moet gezocht worden in die uitnemende volksverwaantheid, welke zelfs de beste Schryvers befmet
heeft, en welke hen dede lochenen van -anderen iets
te hebben geleert. Dit ging zelfs.zo verre, dat zy niet
wilden geloven, dat de Wysgeerte der Barbaren ouder
Hoemen
was dan de hunne (a).
Dog Wat zal men nu cindelyk uit de bygebrachte
de gove. getuigenisfen, omtrent de gevoelens van Thales en
Tbalesen
Pherecydes opmaken? Zeker is het, dat men dezelve
we} niet dus kan verftaan, (hoe zeer deze ook de aange
Page 51
View in PDF(opens in a new window)nomene verklaring is) dat deze Wysgeren de eerfte trent de
waren, welke een leven na dit leven, of eenen toe- m.
komenden ftaat ftelden; want dit was reeds van de
oudfte tyden in Griekenland zo wel als in alle andere
gewesten der waereld, volgens het geen wy te voren
betoogden, de algemene, of de doorgaande volksleer.
De ware verklaring is dan deze: Thales en Pherecydes waren de eerften, welke de eigentlyke eeuwigheid der
ziel, en de daar mede verbondene xielsverhuizing , onder
de Grieken leerden, en door wysgerige redenkavelingen
zochten te bewyzen.
.
Maar welke was nu die eeuwigheid der ziel volgens 2, bieder
hunne denkbeelden? Ik antwoorde; zy hiclden het Soorcen
daar voor, dat de ziel een afgefcheurt of afgezondert ara
deel der Godheid zelve was, en zyn de eerfte onder deelvan
de Grieken geweest, welke de leer van het eene we- God
zen, waartoe de menfchelyke ziel ook behoorde, hebben voorgeftaan (4).
Deze godloze ftelling heeft zo veel opgang gemaakt, dat onflerfelykheid, in een wysgerigen zin genomen, dezelve in volgende tyden zeer dikwyls infloot.
En niets anders wil CICERO zeggen, wanneer hy
getuigt, dat Pherecydes de eerfte was, welke leerde,
dat de ziel eeuwigdurend is; en dien zelfden zin moet
men ook aan de woorden van Plutarchus geven, wanneer
(4) God of Jupiter was volgens Pherecydes de Aether purus. BRUCKER I,
985. waaruit dan volgt, dat de ziel een gedeelte van dezen aether was, gelyk
Pythagoras, welke voor zyn leerling gehouden word, ook ftelde, zo als wy ter
zyner plaatfe zien zullen. En dit denkbeeld kwam met de oude volksbegrippen,
van welke wy te voren fpraken , volftrekt overeen.
Page 52
View in PDF(opens in a new window)neer Thales voorkoomt als de eerfte die de ziel een
altoos of van zelfs bewegend wezen noemde (a). Ik wil
deze verklaring voor de myne niet opgeven, wyl ze
reeds door BuppEUs (2) en anderen voorgeftelt,
en door WARBURTON met Zeer groten toeftel van
geleerdheid is aangedrongen (c), dog echter zal ik
.dezelve ftaven met eenig nieuw bewys, getrokken uit
de eigentlyke betekenisfen der woorden, door de Ouden hier gebruikt (4).
Of nu dit ftelfel, waarvan wy fpreken, door de
Grieken
zelfs is uitgedacht, of wel van anderen, en
hen zelven
ts uitgein ’t byzonder van de Egyptenaren overgenomen zy,
Ofdie flelling door
dacht.
valt gansch niet gemakkelyk te bepalen. WARBURTON denkt het eerfte gevoelen te kunnen bewyzen,
en geeft zig zeer vele moeite om de Egyptenaren van
deze flechte begrippen vry te pleiten (e). Maar Iam-
BLICHUS (f) getuigt met ronde woorden, dat ook
dat
*
-
(a) Zie de boven aangehaalde plaatfen.
(5) Thef, de Atheismo & fuperftit. p. 150. Ed. Lulofs.
. (ce) Godd. zend. van Mofes II, 314 en volg.
* (4) Cicero zegt ter aangehaalde plaats, dat Pherecydes de eerfte was die
ftelde, dat ’s menfchen ziel altoosdurend (Sempiteraus) was. Warburton haalt
eene plaats van Donatus aan, uit welke blykt, dat het woord Sempiternus eigentlyk van de Goden word gebruikt, waaruit dan volgt, dat Pherecydes de ziel
volgens Cicero voor Goddelyk verklaarde. Lacranrius drukt dit byna op
dezelve wyze uit, daar hy zegt, dat Pherecydes redekavelde de aerernitate
animorum. Lact. D. Inftit. aecernus en fempiternus komen van aevum, een
woord, dat volgens CENSORINUS, een zeer goed kenner van godgelecrde
fpreckwyzen, betekende, het geen zonder oorfprong en zonder einde was, het
geen altoos beftaan zoude, gelyk het altoos beftaan hadde.
die natal, c. 16.
CENSORIN. de
SERVIUS, mede een zeer goed letterkundige, ad den. VI.
Aevum (zegt hy) proprie aeternitatis eff, quod non nif in
Deos venir.
Het
adroxivydoy (van zelfs bewegende) van Thales moet verklaart worden uit de
plaats van Cicero Tufe. Difb. I, 23. Quod femper movetur aeternum eft,
(e) Ter aangehaalde plaats.
(/) De Myfteriis Sekt. VIII. c. 8.
Page 53
View in PDF(opens in a new window)dat volk de ziel voor een afgefcheurt deeltje der
Godheid hielde, en het zelve geven Porphyrius en
andere mede niet onduidelyk te verftaan (2). Men dre.
moet echter bekennen, dat de begrippen der oude ren ont
Egyptenaren omtrent dit ftuk zo duister, ja zelfs te- fee
genftrydig zyn, dat ik liefst met MosHEim zoude
geloven, dat niet alle Wysgeren en Godgeleerden onder dat volk een en-het zelfde ftelfel gevolgt hebben (0).
Daar het nu genoegzaam bewezen is, dat Pherecy- De ge
des en Thales de zielsverhuizing ftelden, en de Ziel vs Tbates
zelfs hielden voor een afgefcheurt deel der Godheid I, 724%
cydes over
zoude men hieruit eenigfints by gevolgtrekking kun- der roekonen opmaken, welke hunne denkbeelden waren, om- haut syn
trent derzelver ftaat na dit leven. Want ftellige plaat- “4%:
fen, welke hunne gedachten onmiddelyk verklaren,
entbreken ons. Maar een gedeelte der Godheid zelfs
{cheen zekerlyk niet vatbaar voor bcloningen of ftraf
fen te moeten worden gehouden, althans, wanneer
men die woorden in eenen volftrekten zin neemt.
Misfchien hebben zy geftelt, dat der ziel fmetten en
vlakken door mededeling van een onrein lichaam bybleven, en dat deze, naar mate zy groter of minder
waren, de verhuizing en omwentelingen moeilyker of
gemakkelyker, langer of korter konden maken, voor
en aleer dezelve tot het wezen, waarvan ze genomen
waren, wederkeerden. Het is ook mogelyk, dat zy
den
(a) Jasnonsuı Panth. Aegypt. I, cap. 2.4 12. ,
(5) Mosu. ad Cudworth I, 366. Zie ook BRUCKER Hit. Crit. Phil. Tome
1,293, 287, 297.
Page 54
View in PDF(opens in a new window)den mensch twe zielen toefchreven, van welke de
eene zinnelyk, en de andere redelyk was, volgens de
denkbeelden, by Homerus reeds te vinden, en hier
boven aangehaalt (2). Maar van dit alles, zeg ik nog
eens, kunnen wy, by gebrek van genoegzame berichten, niets ftelligs verzekeren.
Pybagoe
Nu zoude ik, wilde ik volgens de gewone order
der Griekfche fcholen, hier boven gemeld, voortgaan,
tot de Socratifche wysbegeerte moeten koomen. Maar
wyl de zo evengenoemde Pherecydes, volgens het algemeen gevoelen, de onderwyzer van Pythagoras geweest is, en deze ook, zo als ftraks blyken zal, gelykfoortige begrippen heeft voortgeplant, heb ik het
meer gefchikt geoordeelt hem hier aanftonds te laten
volgen.
Groote
Maar het geen ik te voren aanmerkte, omtrent de
zwarigbeden, wel- dikke duisternisfen, waarmede de leerftclfels der oude
kedeont- Wysgeren over ’t algemeen omringt zyn, is op nie-
Dane mand meer toepasfelyk dan op Pythagoras. Alles wat
our dien ongemenen man betreft, is aan twyfelingen onderhevig, en men heeft niet alleen over zyne ftellingen getwist, maar ook over zyn vaderland, levensloop, reizen, den tyd in welken hy bloeide; eindelyk, niets word van hem algemeen gelooft, dan dat
hy eens geleeft heeft. Men kan zonder te veel te
zeggen verzekeren, dat zyn echte ftelfel met hem
zelfs is verloren. Ja Lyfis, een zyner leerlingen, verklaart,
Ca) Van deze vlakken der ziel zai naderhand by de Wysgeerte van Plato worden
gehandelt,
Page 55
View in PDF(opens in a new window)klaart, dat er toen reeds waren, welke, zig valfchelyk rege pier
voor Pythagoristen uitgevende, hem ftellingen op- 7:
drongen, die hy niet gehad hadde, en betuigt er by,
dat wat hem zelfs betreft, hy geenfints gezint is om
aan iemand de ware beginfelen zyns meesters te openbaren (4). Het zelfde bericht ons ook PorPHYRIUS,
in het Jeven van Pythagoras, er by voegende, dat
niet alleen deze Lyfis, maar ook alle andere zyner
leerlingen allerzorgvuldigst acht gaven, dat er niets
van onder ’t gemeen wierde verfpreid. En hierom was
het, dat de oude Pythagorifche {chool niets in ge{chrifte uitgaf, maar alles by mondelinge overleveringen wierde voortgeplant; welke overleveringen zekerlyk volgens den algemenen regel minder geloof verdienden, naar mate zy verder van de ecrfte bron afwaren. Hier van daan dan ook dat wonderbare en
raadzelachtige, het welke de Pythagorifche wysgeerte
zo zeer kenmerkt, en dat bykans altoos zaken, op
overleveringen rustende, verzelt. Vooral moet men
deze aanmerking toepasfen op ’s mans geheime onderwyzingen, welke flechts by zeer weinigen berusteden,
en dus te gemakkelyker konden worden vervalscht.
Want wy zullen zo aanftonds zien, dat Pythagoras,
zo wel als de meeste andere Priesteren en Wysgeren
der oudheid, zyne ware gevoelens enkel aan zeer gevorderde en beproefde leerlingen ontdekte.
Niemand zal dan na dit betoog vorderen, dat wy Degedach
hier het echte ftelfel van Pythagoras zelfs voordra- Putbagegen.
(a) Epift. Lyfid. In Opufc. Myth. Galaei 736.
Page 56
View in PDF(opens in a new window)raszeifi
gen. Men zal zig moeten vergenoegen met eene korte
ior. Verhandeling over de leer van die Wysgeren, welke
Baar.
zig Pythagoristen noemden, en deze zelfs zal hier en
daar, by mangel van genoegzame getuigenisfen, gebrekkig moeten blyven.
Maar voor en aleer wy tot de denkbeelden dezer
fchool,
over den ftaat der menfchen na dit leven,
overgaan, zullen de begrippen,
welke
God en de ziel voedde, vooraf dienen
dezelve van
te
worden
ontvouwt.
Heroppe:-
fie wesen
Het opperfte Wezen was de aelher, dat is cene zeer
Ñ
.
.
der Pytha. Verfynde lucht, of zuiver licht, van eene vurige zelfseries. ftandigheid, hoewel van het aardfche vuur geheel onderfcheiden (4). Van dezen aether hebben wy te voren
recds iets gezegt, en aangemerkt, dat Homerus denzelven gekent, en in zyne gedichten heeft ingevoert.
Men hielde dit wezen eigentlyk voor ftoffelyk, hoewel de ftoffe zelfs, volgens de begrippen, te voren
aangehaalt, in de wysgerige taal der Ouden orlichamelyk genoemt word, en het was, volgens het uitdrukkelyke getuigenis van CICERO (2), door de gehele
natuur verfpreid, en bezielde dus het geheelal (c).
. Wie ziet niet hoe na dit aan de zogenaamde Spinofistery grenst, en hoe gemakkelyk dus de overgang
is van dit ftelfel tot eene volflage godlochening.
En
alhoewel er geen latere Schryveren ontbreken, welke
Py(2) Brucker Hift. Crit. Phil. Tom, I, 1076,
(5) De Natura Deorum I, 9.
|
(ce) Dus in dit opzicht onderfcheiden van den gether der oudfte Dichteren,
welke denzeiven alleen in het hoogite gedeelte des hemels plaatften.
Page 57
View in PDF(opens in a new window)Pythagoras veel gezonder denkbeelden willen hebben
toegefchreven, fpillen deze echter hierin hunne moeite
te vergecfs (4).
Voorts was de ziel, volgens de Pythagorifche be- un"
grippen, overeenkomftig met de aloude leer, van der menwelke wy te voren fpraken, redelyk of onredelyk.i
Het redelyke deel wierde, in navolging van de reeds
voor lang ingevoerde taal, Qprv genaamt, en het andere, dat is de zitplaats der zinnelyke gewaarwordingen 0upos. Ja LAERTIUS en PLUTARCHUS (2)
verhalen ons, dat Pythagoras er nog eene derde zelfftandigheid by voegde, welke in zyne taal voug genaamt wierde, en welke men ook voor minder edel
hielde.
De redelyke ziel kwam uit den hemel, of uit de er
hoogfte plaatfen der waereld, om lichamen te bewo- dre
nen, gelyk PLOTINUS in een bock, over deze {tof- kwam.
fe gefchreven, heeft zoeken te betogen (c). Maar of
ze nu verder voor het zelfde wezen met God, of
(het geen op het zelfde uitkoomt) voor een afge{cheurt gedeelte der Goddelyke zelfftandigheid, volgens de Pythagoreers, gehouden moet worden, dan
niet, valt, volgens veler gevoelens, niet zeer gemakkelyk te beantwoorden. Daar evenwel dit enderfcheid
in de bepaling van den toekomenden ftaat der men{chen van het uiterfte aanbelang is, dient er hier iets
van te worden gezegt.
Py(a) Most. ad Cudw. p. 28. Brucker Tom. I, 1089.
(5) De Piacit Phil. IV, 2. (c) Kusterus ad lambl. vit, Pythag. n. 178.
Page 58
View in PDF(opens in a new window)OfPytba-
GEVOELENS DER OUDE WYSGEREN
Pythagoras zelfs betuigde, volgens PLUTARCHUS
ol (a), dat hy het zelfde onderfcheid maakte tusfchen
maoke
God en de ziel, als tusfchen het werk of het ge.
Godende Wrocht, en den werkmeester. En hierom hebben
vele
rusfehen
weh
onder de latere Schryveren, CUDWORTH, BUDDEUS,
en andere zyne gedachten in een gunftiger licht zoeken
te ftellen.
Dog de plaatfen, welke hier toe gebracht
worden, behelzen
enkel fchoonfchynende fpreekwyzen, en fpitsvinnige onderfcheidingen; by voorbeeld,
dat God niet de ziel is, gelyk men de lichtftralen
geen zon kan noemen, en diergelyke; en dus
heeft
CICERO zeer wel aangemerkt, dat Pythago
ras met
zyne leer van het eene wezen
God van een rukte en
verfcheurde (b). Eindelyk betuigt ons ook IAMBLICHUS
zelfs met ronde woorden, dat de gezuiverde
ziel ten laatften God zelfs moeste worden, dat is,
ZY
moeste wederkeren tot dat wezen, waarva
n ze genomen of afgezondert was (c).
Deze was dan de redelyke ziel volgens
de denkbeelden der Pythagoreers.
Wy willen nu niet herhalen, dat het er verre van daan fchynt, dat
dezelve
het cerst door Pherecydes of Pythagoras zoude
zyn
voorgeftelt, gelyk Warburton heeft zoeken
te betogen.
Deonrede-
De
Maar om nu den ftaat der menschen na dit leven
wel te bepalen, moet men ook weten, welke de ontbagoras, redelyke of zinnelyke ziel dezer
Wysgeren was. Deze
(2) De Placit Phil, IV, 7.
(4) Discerpebat et dilacerabat Deum.
Cicer o de nat, Deor, I, 9. Zie ook
Lark. VIII, 28.
(c) In Aur. Carm. in £
Page 59
View in PDF(opens in a new window)ze dan beftonde uit de hooftftoffen der wacreld (4), ender Py.
zo.dat men dus de gehele mensch voor een kort za- sbagaris
menftelfel hiclde van alles, wat in de natuur wierde
gevonden.
De redelyke ziel moeste onfterfelyk zyn, en wel
om deze rede, wyl het Goddelyke wezen, waaruit
zy haren oorfprong hadde, onfterfelyk was (5). Maar
de overige delen, den mensch uitmakende , waren
floping en verderf onderhevig (c).
Dit kortelyk vooraf gezegt zynde, zal men nu de
vraag, welke denkbeelden de Pythagorifche leer aan
den ftaat der menschen na dit leven hechtte, gemakkelyker kunnen behandelen. Het blykt, gelyk ik zo
aanftonds zeide, dat de redelyke ziel geacht wierde
ten laasten weder te keren tot het wezen, waaruit zy
genomen was, dat is tot God zelf. Dit was zekerlyk
een zeer natuurlyk befluit uit de voorafgaande ftelling. Dog van de redenen, waarmede deze leer bekleed wierde, zouden wy misfchien meer kunnen zeggen, indien het boek van Porphyrius, over de hereniging der zielen gefchreven, tot ons was gekomen (4).
- Voor en aleer echter de redelyke ziel tot dat geluk pyy2,7g0.
konde geraken, moeste zy vele lastige dolingen en fe
ommevoeringen ondergaan. Wie weet niet dat Pytha- init.
goras de zielsverhuizing ftelde? Dog aan den anderen
kant is er ook veel over de rechte bepaling van dat
leerftuk getwist, in welken twist ik my nu niet zal
in|
(0 PLUTARCH. Plac. Phil. IV. 4. - (4) Diocen. Laerr. VIII, 28
"
(e) Brucker, 1091,
(4) KusTeR ad lamblich. L cit.
Page 60
View in PDF(opens in a new window)inlaten. Volgens het gevoelen van BRUCKER (a)
koomt dit ftelfel hier op neer: Er is maar een zeker
gedeelte zielen (dat is redelyke zielen) van den geest
der Waereld afgezondert. Deze zyn beftemt, om op
zekere tyden lichamen te gaan bewonen, en na de
floping dezer lichamen (welke men voor gevangenisfen of kluisters van het Goddelyke deel hielde) keren
zy door hare natuurlyke eigenfchap weder naar boven, dat is na de hoogfte lucht; of indien fmetten en
wonden, medegedeelt door de onzuiverheid des lichaams, het welke zy hadde moeten bewonen, dien
hogen vlucht beletteden, daalt ze tot donkere en
akelige plaatfen neder, om aldaar de zuivering te ondergaan. Dog in beide gevallen moet ze, den noodlottigen tydkring omgelopen zynde, al wederom nieuwe
lichamen betrekken. Deze latere woonplaatfen zyn
meer of min edel, naar mate de ziel van te voren gekregene fmetten gereinigt is. En deze ommewentelingen, of op een volgende lichaamsverwisfelingen, duren zo lang, tot dat eindelyk het edele deel, of die
afgezonderde Goddelyke zelfftandigheid, tot het wezen, waaruit zy genomen is, wederkeert, om er voor
altoos te blyven.
ì
Volgens dit plan hebben de meeste Schryveren
de
Pythagorifche zielsverhuizing te gelyk als natuurlyk
en als zedelyk befchouwt; »aruurlyk namentlyk, in
zo verre de zuivering, van welke hy fprak, een noodzakelyk gevolg was der fmetten en vlakken; maar zede(a) Tom. I, p. 1094.
Page 61
View in PDF(opens in a new window)delyk, wyl ondeugden, dat is zedelyke onreinheden
die fmetten veroorzaakten.
Maar deze verklaring der zielsverhuizing heeft ook
zyne zwarigheden, wyl ze in alle delen geenfints op
oude en echte bronnen kan worden gevestigt. En suor
hierom denkt WARBURTON (4), dat die leer, vol- zx,
gens welke de zielsverhuizing tot zuivering geacht
wierde te verftrekken, niet van Pythagoras, maar van
Plato is. Hoewel nu ook dit gevoelen, wegens het
gebrek aan oude echte Pythagoristen, niet kan worden
bewezen, moet men nogthans toeftaan, dat de latere
Wysgeren, welke zig Pythagoristen noemden, de denkbeelden van anderen, en vooral die van Plato, met de
oude ftellingen hebben vereenigt, waaruit dan een
mengzel geboren is, het welk door geene menfchelyke wetenfchap hedendaags uit elkanderen kan worden
gezet. Waarom dan alle arbeid te vergecfs zyn zal,
welke befteed word in het zoeken van de ware begrippen van Pythagoras zelfs. En om deze rede durf
ik ook geenfints, met den zo evengenoemden geleerden Bisfchop , het onderfcheid tusfchen de geheime en
openbare leer van Pythagoras ftellig verklaren, (of:
fchoon de zaak zelfs, dat hy namentlyk dusdanige
twederleie leer gehad heeft, klaar genoeg is,) en met
de voetftappen
hem verzekeren, dat de Wysgeer,
zyns meesters Pherecydes drukkende, de zedelyke
zielsverhuizing, of de zulke, welke betrekking hadde op beloningen en ftraffen, opentlyk leerde, daar
(a) WARBURTON II, 220,
Page 62
View in PDF(opens in a new window)hy echter
de natuurlyke of noodzakelyke voor zig
zelven geloofde (4).
De plaatfen, bygebracht om dit
qn pene. onderícheid te vestigen, zyn onvoldoende, en ook
Klaarbedie van
ee
de zaak geheel moet afdoen, daar hy, volgens zyne
TIMAEUS (2), welke, volgens Warburton,
gedachten, alle zedelyke fchikking buiten het ftelfel
der ziclsverhuizing fluit, kan ook dus worden uitge‚legt, dat dezelve meer ziet op de vercierfels,
met
welke de Dichters de Wysgerige ftellingen bekleedden, (want Timaeus fpreekt van een oud Dichter,
welke de bozen met vreemde pynigingen en verfchrikkingen na dit leven dreigde,) dan wel op de leer van
tockomende beloningen of ftraffen zelfs. En dus
is
het my nog niet gebleken, dat Pythagoras zelfs
geen
het minfte onderfcheid ftelde tusfchen den ftaat
der
menfchen na den dood, van welk onderfcheid
zyne
latere volgeren zo. veel fpreken. Intusfchen
wil ik met
-
dit alles gaarne toeftemmen, dat uit de ttelling, welke de redelyke ziel der menfchen voor een afgezondert deel der Godheid hielde, noodzakelyk eene
onvatbaarheid volgen moeste voor eigenlyk gezegde beloningen of ftraffen, ja zelfs, dat deze gevolgtrekking zo klaar is, dat ze niet verder behoeft te
worden betoogt.
Maar konde nu een mensch, welke den hoogft
en
trap van wysgerige deugd bereikt hadde, het
zo verre
brengen, dat hy die verhuizingen, van welke wy
ge-
{pro(a) Dezelfde 11, 206.
(4) Timazus Loc, de rerum natura, fub fin. Men
vind dit ftukje achter
den ‘Timaeus van Plato, en ook in de Opuscula Galaci,
Page 63
View in PDF(opens in a new window)fproken hebben, ontgaande, aanftonds na den dood
tot zyn beginfel, God namentlyk, wederkeerde? CunWORTH denkt ja, maar MosHEIM houd het daar
voor, dat Pythagoras zelfs deze ommedolingen noodzakelyk en onvermydelyk achtte. Dog het is zeker,
dat zyne navolgeren hieromtrent anders dachten, gelyk blykt uit eene plaats van de zogenaamde Gulde
Spreuken (4), alwaar gezegt word, dat de geoefende
Wysgeer, na aflegging des lichaams, ten hemel zal
varen, en een God worden. :
- Dit zy genoeg van de beftemming, welke, volgens
de Pythagorifche leer het redelyke gedeelte der men- gry,
{chen was befchoren. Ef blyven zekerlyk nog zwarig- “gd toeheden over, dog dezelve zyn, ten minften voor my Er
onoplosbaar. Ik wil. dit liever erkennen, dan uit kwa- boa
lyk zaamgevoegde plaatfen een ftelfel opmaken, het
welk de proef van onderzock niet kan doorftaan.
Laat ik er echter dit nog byvoegen, dat de vlakken
of fmetten der ziele, van welke de Pythagoristen zeer
veel fpreken (4), geenfints, alleen door deugd of zuiverhéid van zeden, konden worden uitgewischt. Ten
minften, dit fchynt befloten te moeten worden uit
alle die onthoudingen en reinigingen, welke men den
beoefenaren voorfchreef, om tot het toppunt van wys- .
gerige volmaaktheid te geraken (c) Niets is bekender
dan
|
*
(a) Aur. Carm. Pyth. in fine.
(6) Ik zal nu niet onderzoeken of die leer van de finetten der ziel van Plato
en niet van Pythagoras zy, gelyk Warburton denkt. Genoeg is het dat latere
Pythagoristen er van fpreken.
Cc) V. HierocL. Comm. in Aur. Carm. 216. Ile qui folam mentem purgare
shtitur , nulla corporis ratione babita , toti homini non prospicit,
Mmm
eLee
Page 64
View in PDF(opens in a new window)dan die Pythagorifche onthoudingen, dog derzelver
oorzaken in ’t byzonder na te gaan, zoude verre buiten de palen dezer verhandeling moeten lopen.
nog een woord van
de onredelyke
ziel der
menfchen, of die, welke voor de zitplaatfen der zinnen en driften wierden gehouden, en welke de Pythagoreers vous en duuos noemden.
Deze dan waren
volgens het bericht van Dioc. LAERT. (4) fterfelyk, dog of dezelve nog eenigen tyd na den dood
overbleeven, word ons niet verhaalt.
De leer van Pythagoras dus afgehandelt zynde, in
Van de zo verre de onoplosbare zwarigheden, waarmede devan Py
zelve omringt is, het toelieten, zoude ik verder moenk eb ten Overgaan tot zyne opvolgers, of de Wysgeren
preti der Italiaanfche fchool.
Dog ik heb te voren reeds
zeerwei- aangemerkt, dat men by dezen zecr weinig vind, het
en welk tot de beftemming der menfchen na dit leven
segte
betrekkelyk is.
Er zal dan enkel iets gezegd worden
van twe of drie mannen, welke gewoonlyk onder de
naaste opvolgers van Pythagoras worden getelt.
Het bykans algemeen gevoelen van ouder en latere
Za Schryveren brengt hier toe Charondas, den wetgever
rondas.
der Thuriers, en Zaleucus, dien der Locrenfen.
Ik
weet wel, dat deze overlevermg heden ten dage zeer
betwist word; dan, daar het ons hier meer op de
leer en zaken zelfs, dan op derzelver uitvinders en
dryvers aankoomt, zal dit gefchil onaangeroert kunnen worden voorby gegaan. Nog minder wil ik onder(4) Dios. LAERT. VIN, Segm. 30,
Page 65
View in PDF(opens in a new window)derzoeken of die inleidingen en wetten, welke DıoDORUS SICULUS en STOBAEUS ons bewaart hebben, en voor echt worden opgegeven, tot latere tyden moeten worden gebracht, en van anderen verciert zyn, gelyk BENTLEI ons zeer breedvoerig
heeft zoeken te betogen (a). Want nog eens, de zaak
wit ons oogpunt befchouwt zynde, is het genoeg,
dat deze ftukken ten minften ouder zyn dan de Christelyke openbaring, en wysgerige gedachten, rakende
den ftaat der menfchen na dit leven, bevatten.
Vooral verdient de inleiding der wetten van Zaleucus (of die, welke door DIODORUS SICULUS (2) payprede
aan Zaleucus word toegefchreven,) onder de {choon- der wer
fte ftukken, door de oudheid ons nagelaten, te WOT- Zalewcus.
den geplaatst. Hy eischt in dezelve van zyne burgeren, dat zy voor alles van het aanwezen der Godheid, en de zedelyke befturing der waereld zig overtuigt houden, en daarom deugd en rechtvaardigheid
betrachten, daar de Godheid niet met offerhanden en
plechtigheden, maar enkel door een Zuiver hart en
reine zeden kan worden gedient. Deze leer is zekerlyk van zulk eene eenvoudige grootsheid, dat de verlichtfte Kristen niet verftandiger zoude kunnen fpreken. Daarby hecht Zaleucus beloningen en ftraffen,
aan deugden en ondeugden, in dit leven gepleegt, ge.
lyk ons door WARBURTON (c) word betoogt. Die van Warzelfde Schryver echter brengt dit ftuk tot de gewone merde:
voor: selve.
(a) Disfert. de Phalaride 185 Ed. Lennep. Maar de bewyzen van BENTLEI
heeft
WARBURTON zoeken te wederleggen. Godd. z. van M. I, 167.
(5) Lib. XII, cap. 20. (c% Eerfte D. DI. 192.
Page 66
View in PDF(opens in a new window)voorredenen, welke de oude Wysgeren voor hunne
“wetten voegden, om, door de leer van voorzienigheid en toekomende beloningen of ftraffen, welke er
in wierde voorgedragen, de burgeren tot een braaf
gedrag, ten besten der maatfchappy, op te leiden, of
{choon zy voor ’t overige niets geloofden van die
lesfen, welke aan anderen wierden gegeven.
Maar of
de opfteller van dit overfchone overblyffel der oudheid, hy zy dan wie hy zy, zulk een dubbelhartig
mensch was dan niet, dit zal noch Warburton noch
ons kunnen betogen. Ook behoeven
iemand anders
diergelyke nafpeuringen hier niet te worden in ’t werk
geftelt, en het is genoeg voor ons onderwerp, dat
wy hier een oud Wysgeer kunnen bybrengen, welke
den toekomenden ftaat der menfchen enkel afmat na
hun gedrag in dit leven, en daarby de beftiering der
waereld toefchreef aan eene wakende voorzienigheid,
welke de daden der menfchen zag en vergold. Men
zal zekerlyk erkennen, dat dit ftuk verre boven
de
dromen en losfe of ook ondeugende ftellingen der
oude Griekfche fcholen verheven is; ja ik zoude zelfs
in verzoeking kunnen komen om te geloven, dat de
opfteller zyne verhevene beginzelen uit de Christely#
ke openbaring geput hadde, waren zy niet onbetwi
stbaar zeker van een hoger ouderdom.
Timaeus
de Locrier.
TiMAEUS de Locrier word ook algemeen voor
oud
Pythagoreer gehouden, fchoon
een
men over den
juisten tyd, waarin hy bloeide, het niet eens is. Wy
hebben van hem een klein ftukje over de ziel der wae|
reld
Page 67
View in PDF(opens in a new window)reld, het welk achter den Timaeus van Plato, en ook
afzonderlyk is uitgegeven (2).
.
. Zommige vellen een zeer gunftig oordeel over de
denkwyze van dien Wysgeer, en houden het daar
voor, dat hy de zedelyke befturing der waereld, en
den ftaat van beloningen en ftraffen na dit leven geloofde, en zig hieromtrent op het einde van zyn ge-
{chrift zeer klaar'uitlaat (2). Dan, wy hebben reeds
te voren gezien, dat WARBURTON die zelfde plaats
gebruikt om te betogen, dat, deze Timaeus alle zedelyke uitzichten: buiten zyn ftelfel der zielsverhuizing floot, en geloofde, dat de leer van beloningen
|
en ftraffen enkel dienftig was om ’t gemeen in teugel
te houden, en het welzyn. der maatfchappy te bevor- Of ayn fel”
deren. Nogmaals heb ik de betwiste woorden by her- fvan
haalde reizen gelezen, zonder iets zekers nopens het ire
ware gevoelen van dien Wysgeer te durven befluiten, mr
of hy namentlyk alle beloningen en ftraffen zonder
onderfcheid verwerpt, dan alleen de zulke voor valsch
houd,, welke de door:hem aangehaalde Dichter den
gemenen ınan had: voorgedragen. Dus ben ik genoodzaakt de zaak onbeflist te laten, wyl voor *t overige
in dit boekje, veelal voor ons onverftaanbare taal behelzende, niets word gevonden, waaruit men, omtrent
ons onderwerp, iets met meerdere zekerheid zoude
kunnen befluiten.
_ Voorts heb ik verder niets merkwaardigs voor te
dragen omtrent de gedachten der oude Pythagoreers.
‘Nog
(a) Opufcula Mythol, Galaei566.
(4) CUDWORTH l, 475
Mmm 3
y
Page 68
View in PDF(opens in a new window)Nog iets zoude men kunnen zeggen van Empedocles
den Agrigentiner. Maar zyne begrippen, nopens de
ziel en derzelver verhuizingen en omdwalingen, komen na genoeg overeen met dat ftelfel van ’t welk te
voren in ’t brede gehandelt is, en behelzen dus geene
byzondere gevoelens, betreffende den ftaat der men-
{chen na dit leven.
Ook kunnen wy alle -de volgende hooftfecten der
Italiaanfche fcholen, om die redenen, “hier boven gemelt, gerust daar laten.
i
Wy keren dan weder tot de cerfte, of tot de Ionii
Van de Ionifche
fche
fchool.
fchool, welke wy na de verhandeling der gevoelens van Thales, die er de ftichter van was, hadden
verlaten. Van zyne éerfte opvolgers in die {chool weten wy wederom niets, het welke tot ons hooft-onderwerp zoude kunnen worden betrokken; althans
het weinige, dat wy hieromtrent vinden, is niet van
dien aart of byzonderheid, dat het verdienen zoude
hier te worden bygebracht.
Ik kan dan overgaan tot dien man, welke niet alleen door de godfpraak van Apollo, maar ook door
Socrates- de bykans vereenigde ftemmen van vroegere en latere
Wysgeren, voor de verlichtfte en deugdzaamfte aller
Grieken verklaart is. Hy was de eigentlyke ftichter der
zedelyke Wysgeerte, en hielde alle wetenfchap, welke
nict tot deugd en waar geluk leidde, voor loutere ydel‘
heid. En hoewel hy zig door deze leer den allerbitterften haat der Sofisten zyner tyden op den hals haalde,
daar hy hunne buitenfporige begrippen overal aantastte,
waar hy dezelve ftrydig vond met ware deugdsbetrachting
Page 69
View in PDF(opens in a new window)ting en het heil des menschdoms, ftonde hy echter in
zyne beginfelen pal, verachtende het gefchreeuw des
bygeloofs en der waanwysheid , tot dat hy eindelyk door
een geweldigen dood deze grootmoedigheid moeste bezuren. De voorname oorzaak van dezen haat was zyn
Zyne ge. >
minder gunftig oordeel over boven-natuurkundige, en ;achten
vooral natuurkundige wetenfchappen, op welke hy over de
wilde dat de menfchen zig alleen zouden toeleggen, geertes
ware Wysin:zo verre zy tot her gebruik des.gemenen levens
wah
zyn (2). En deze ftelling verdient,
van dienst konden
in welke die Wysgeer leefde,
tyden,
ten opzichte der
daar wy reeds te voren
ng,
goedkeuri
onze hoogfte
nners, en BovennaNatuurke
rde
zagen, hve halfgelee
en ook na zyne
hem,
voor
ige
en,.hoedan
tuurkundig
n om de Sofisten
gebruikte
p
wetenfcha
hunne
tyden leefden,
gronden van zedelykheid en deugd te ondermynen,
en zig zelven in doolhoven te verwarren, ‚welker uit»
einde zy niet konden vinden. En. om die rede dan
heeft Socrates, volgens het getuigenis van CICERO
de.
(by, de wysgeerte van den hemel afgetrokken,
zelve in de fteden en huizen geplaatst, en ter onderzoek
.
(a) Xenopuon Memorab. IV, p. 814. Ed. Leunclavii.
a
- (6) Tufcul. Difp. V, 4. Er word zeer getwist welke de ware zin dezerwoorden van Cicero zy. Dog hy verklaart zig zelf zeer duidelyk op eene andere
plaats:, Socrates primus a rébus occultis, et ab ipfa natura involutis, in quibus
omnes ame cun philofophi occupati fueraut, avocavit philofophian ,.et ad vitan
communem adduxit , us de virtute et vitiis omninoque de bonis rebus et malis quaerevet, cacleftia autem vel procul a noftra cogitattone abesfe cenferet vel, fi maxime cagnita esfent, nibil tamen ad bene vivendym. — De oudfte Wysgeren hadden
alleen op ziz zelfs ftaande fpreuken, tor de zedekunde betrekkelyk, nagelaten ,
houdanige men aan de zogenoemde zeven Wyzen van Grickenland toefehryft,
dos Socrates was de eerfte onder de Grieken, die de zedekunde op vaste beginfelen bouwde.
Page 70
View in PDF(opens in a new window)zoek van goed en kwaad, ter reiniging der zeden,
en tot het algemene heil des menschdoms bepaalt.
Socrates
Door dusdanig eene beoefening van zedekunde, genee grond op de onderlinge betrekking tusfchen God en
witzichten het gefchapene, en met achterlating van.alle verftand
Be hier verbysterende fpitsvinnigheden, konde hy zekerlyk
sori tot een beter en redelyker inzien in de ware beftemdan ande- ming des menfchelyken geflachts geraken, dan iemand
fon
voor. hem’ gehad: hadde, ja dan eenig Griek of Romein voor de'tyden onzer Goddelykeopenbaring heeft
mogen genieten.
Zuiver. © De zuiverheid zyner oogmerken, en de innerlyke
heid zyner overreding van die lesfen, welke hy anderen gaf, is zo
jen. ongetwyfelt, dat zelfs. Bisfchop WARBURTON, die
e de leer: van alle andere Wysgeren, wanneer zy van
een toekomenden
ftaat van beloningen
en
ftraffen
fpreken, voor geveinst verklaart, het daar voor houd,
dat Socrates waarlyk de taal van zyn hart fprak (a).
Maar voor en aleer ik zyne denkbeelden, nopens
de befteniming der menfchen na dit leven, ga ontvou-
Bend* wen, moet ik kortelyk ‘een. gevoelen te-keer gaan,
voor hellen het welk, hoewel zeer ongegrond, nogthans van vede tydenin LEN omhelst is; dat Socrates namentlyk nooit iets ftelhate ligs, omtrent het beftaan na dit leven, zoude hebben
worden
verklaart.
geleert, maar altoos tot zyn
i
einde toe dit ftuk met
.
een twyfelachtig geloof voor en tegen befchouwde en
beredeneerde. Deze gedachte konde licht opkomen
by dezulke, welke enkel eene oppervlakkige kennis
Page 71
View in PDF(opens in a new window)hadden van het leven van den Wysgeer, en de tyden,
in welke hy zyne leer voordroeg. De waanwyze Sofisten en bovennatuurkundige, met welke by zyn geheele leven lang te ftryden hadde, droegen hunne begrippen voor met dien beflisfenden toon, welke van
alle tyden het kenmerk van onkunde of valfche wetenfchap gewcest is. Tegens deze Sofisten dan moeste
zig Socrates verzetten, en daarom voerde hy de manier in, van door redentwisten, en vragen en antwoorden achter de waarheid te komen, welke manier
van onderwys naderhand de Socratifche genoemt is.
Hoewel hy dan dezelve tot den laatiten levensfhik
volgde, moet men er echter geenfints uit befluiten,
als of toen nog twyfelingen en onzckerheden zyne
ziel hadden beftormt, of dat hy niet redelyk overtuigt was van de onfterfelykheid der ziele, in zo verre dit leerftuk buiten hoger gezag door ’t menfchelyk
verftand kan worden verklaart (4).
Men moet echter bekennen dat de leerlingen van Zyre leer.
eh
Socrates al vroeg die onzekere voorftellingen van ungen
gedechren
beginhunnen meester in een eigentlyken zin hebben
door verkart
nen op te vatten en uit te leggen, en dat hier
het twyfelend ftelfel der zogenaamde Academisten is pate
in de waereld gekomen.
Laat ons nu zyne gedachten, betreffende den ftaat
der menfchen na dit leven, nader onderzoeken. Wie
kent niet dien welfprekenden Phaedon, door Plato ons
nagelaten? waarin hy Socrates in de gevangenis over de
(a) Zie Cicero Tufcul, Difp. 1,42. WARBURTON II Deel 171.
Page 72
View in PDF(opens in a new window)de onfterfelykheid der ziel doet redekavelen, en wel
met die kracht van welzeggen, dat zommige dwepers,
door de voortreffelykheid der toekomende beloningen,
welke er in worden voorgeftelt, bekoort,
de handen
aan zig zelfs hebben geflagen (4), en met die kunst,
om zyne lezeren in het harde lot des Wysgeers te
doen delen, dat het ftuk alle gevoelige menfchen de
tranen uit de ogen perst (2).
Platois
geenge-
|
.
.
Voorts komen er ook buiten den Phaedon, ja in ve:
|
o.
.
.
le werken van Plato, plaatfen voor, in welke die Wysae geer over den toekomenden ftaat der menfchen fpreekt
fee
als uit den mond en volgens de beginfelen zyns meesvan de ge ters. Maar wy moeten ons wel wachten van Plato hier?
ms. in altoos op zyn woord te geloven. Het is bekent;
tes.
dat deze vernuftige man alles, wat hy onder handen
nam, met zyne eige gedachten en begrippen vermengde, en dat hy vooral de leer van Pythagoras met die
van Socrates en de zyne in elkanderen fmolt, waaruit
dan dikwerf ftelfels voortkomen, welke een kwalyk
aaneenhangend geheel van ftrydige gedeeltens uitmaken (c). Socrates klaagde reeds, dat hem by zyn leven gevoelens, welke de zyne niet waren, door Plato
wierden aangewreven (4). Ook deed hy zynen meester niet enkel als leeraar der zedekunde, maar van
alle toen beoefent wordende takken der wysgeerte
voorkomen, om dus zyne byzondere gevoelens met
een groter gezag te dekken en te ftaven. Vooral moet
:
(2) Dacrer Argum. Phaedon,
de(4) Cicero Tufcul I, 40.
(c) Brucker Tom. I, 464, 666, 1041.
(4) Brucrer 1, 631. Zie ook Dioc. LAERT, Ill, 35,
Page 73
View in PDF(opens in a new window)deze aanmerking in acht genomen worden omtrent
den zo evengenoemden Phaedon, daar de Ouden zelfs
getuigen, dat er vele dingen in gevonden worden,
welke enkel uit het brein van den Schryver waren
voortgekomen (4).
- Gelukkig zyn wy dan, daar wy, behalven de wer- Lofvan
ken van Plato, ook die van Xenophon zynen tydge- Xenophon.
noot en medeleerling mogen bezitten. In deze word
ons de leer van Socrates voorgedragen met die groot{che eenvoudigheid, welke hem zo zeer kenmerkte,
en om welke met die zelfde overredende klaarheid
uit te drukken, zekerlyk geen beter pen konde worden gevonden, dan die van den adelyken ftaatkundigen Wysgeer, van welken wy fpreken. Jammer is het
echter, dat wy zo weinig by hem vinden, betreffende de leer van Socrates omtrent de beftemming der
menfchen hier namaals. Ik denk echter, dat hier toe
moet worden gebracht dat beroemde affcheid van
Cyrus aan zyne zonen, het welk door Cicero waardig
is om in een Latynsch kleed door zyne hangeacht
den te worden geftoken (4). Dit ftuk draagt immers
alle kenmerken van den Socratifchen leertrant, en befchouwt het leerftuk der onfterfelykheid aan beide
zyden, volgens het Zo aanftonds verklaarde gevoclen
van Socrates. Ook haal ik het daarom aan, wyl er
geene ftellingen, de zielsverhuizing betreffende, in
© voor-
(4) Menac. ad Diogen. HT, 35. Brucker I, 658.
(b) Xenorn. Cyroped. VIII, 236. Het is genoegzaam bewezen dat deze
Cyropedie een wysgerige Roman is, waar van de grond meest waar, dog de|
byvoegfelen cieraaden des Schryvers zyn.
Page 74
View in PDF(opens in a new window)Hyver.
Voorkomen (4), welke men anders in den Phaedon
iach van Plato zeer duidelyk vind, en wel hier en daar op
zenzyns e@ene zeer duistere wyze voorgeftelt, welke zekerlyk de
meesters
veel cen.
.
i
.
.
leertrant van Socrates niet was. Dog van dit, zeg ik,
veudiger. vind men niets by Xenophon; waarom dan BrucKER te recht oordeelt, dat alles, het geen Plato Socrates aanwryft, als of hy een voorgaanden ftaat en
zielsverhuizing voorgeftaan hadde, geen het minfte
e
geloof verdient (2).
Dit nu vooraf aangemerkt zynde, moet de leer van
Socrates omtrent
den tockomenden ftaat, zo veel
mogelyk, van de byvoegfelen van Plato afgezondert,
en allcen de eenvoudige beginfelen, welke hy zynen
meester toefchryft, voorgedragen worden.
Socrates
geloofde
loning
De denkbeelden van Socrates waren zekerlyk op
God en de voorzienigheid gegrond;
.
hieromtrent necotrafin men ons de febriften van Xenophon allen twyfel weg.
Hy befchouwde dan het Opperwezen als de uitdeler
van beloningen en ftraffen na dit leven, en bewcerde
dus die leer in een volftrekten zedelyken zin. In de
befchryving der plaatfen van toekomend geluk of
rampzaligheid, heeft hy de namen, van ouds door de
Dichteren ingevoert, behouden, zo men Plato in dezen
bo (@) Aefchines, een ander waardig leerling van Socrates, fpreekt ook.in “t
gehcel niet van zielsverhuizing, in een brief aan Xenophon gefchreven , waarin
hy hem over den dood van zyn zoon Gryllus met Socratifche troostgronden
zoekt op te beuren. Ja hy zegt duidelyk, dat, gelyk het begin des menfchelyken wegs de geboorte was, alzo ook het einde de dood is, na welke by deugdzamen de gelukzaligheid volgen moet. Dezen brief vind men by Stobaeus, en
achter de werken van Xenophon.
- (5) Brucker Tom. 1, 563. Socrates toont overal, dat hy diergelyke befpiegelingen met al Zyn hart verachtte. Zie MosH.
ad Cudw. 1, p. 184.
Page 75
View in PDF(opens in a new window)zen mag geloven. Want in den Phaedon en elders ogg,
fpreekt by van den Coeytus, Acheron, Tartarus ,fe’rer
geloofde. >
enz. gelyk' de Ouden gewoon waren te doen: > Dog een
ander: Schryver verhaalt ons, dat Socrätes, wanneer
hem gevraagd wierd, waar die tockomende woningen
waren, en hoe ze er uit zagen? geantwoord heeft,
dat hy er noch zelfs was geweest, noch ook iemand
anders gefproken hadde, welke’er van daan kwam (a).
Wat nu den weg tot de.plaatfen van zaligheid be- werte:
treft: dezelve moeste gezocht worden door de be- zed
trachting van wysheid, aftrekking der ziel van zinne-
7.,
lyke begeerlykheden, ontvlieden van alles, het welke us
de verkryging van waarheid en licht zoude kunnen
hinderlyk zyn, en eindelyk duor het beoefenen van
matigheid en rechtvaardigheid (2).
Het geluk des toekomenden levens beftaat niet uit
goederen dezer waercld, uit welke men niets mede #57
draagt, behalven de verkregene kennis (c), maar in AA
de gemeenfchappelyke verkering met God (4), en komenden
met afireftorvene deugdzame menfchen (e), in cene fam?
toeneming van wysheid en wetenfchap, in ontheven
te zyn van dwalingen, onkunde, vrees, en andere
aandoeningen der zinnen (f). En zal dan, (dus fprak
Socrates) daar het gemene volk dikwerf na den dood
reikhalst, uit hoop van vrouwen, kinderen, en vrienden weer te vinden, de Wysgeer niet nog vecl meer
den uitgang uit dit leven blyde te gemoet zien, daar
aan
- (a) Brucker, 564.
(c) Phaedon 399 init.
(5) Phaedon p. 379, 400. Ed. Ficini.
(47) Ibid. p. 386.
|
(e) PLaro Apolog. Socrat. 369 fm. Cf) Phaedon 386.
Page 76
View in PDF(opens in a new window)DE GEVOELENS DER
OUDE
WYSGEREN
aan de andere zyde des grafs zulke uitmuntende goe
Es
de
bevelteur
deren op hem wachten (e).
Deze
zyn
r
nu
zyne geopen voor dachten over den gelukftaat. Wy zullen er enkel nog
deugdza.
mer.
byvoegen, dat hy de deur des hemels openzette voor
wyzen en deugdzamen, welke, volgens de oude volksbegrippen, enkel den dapperen of heldhaftigen befchoaff
Helvan
Socrates.
+
4
Wat hy eindelyk van den ftaat van ramp en fmer.
.
.
ten ftelde, kan uit het reeds gezegde eenigfints worLe
‘
oi
den
‘ (4) Phaedon 380.
.
(4) Van deze ftelling, reeds in de eerfte beginzelen
der burgerlyke maatfchappy ingevoert, heb ik boven breder gefproken, Socrates plaatfte, gelyk ik
panmerkte, de deugdzamen in den hemel, doch maakt
.echter, volgens
Plato,
onderfcheid tusfchen enkel brave menfchen, en de zulke, welke door de wys-
Bcèrte Benoegzaam gezuivert zyn (ry DiroroDia ¡eos
xabmpapev) Phaed. 400
inf, Welke laatfie hy zegt dat gcheel zonder lichaam tot
den bovenften hemel
zulien opklimmen. Dan, dit is ongerwyfelt weer cen
Pythagoriséh denkbeeld,
door Plate zelfs in een nieuw kleed geftoken, gelyk wy
nadethahd zien zullen.
Socrates maakt immers by Xenophon nergens onderfcheid
tusfchen deugd en
wysgeerre, maar leert iütegendeel overal zeer duidelyk, dat
ware wysgeerte niets
anders is dan beoefening der deugd. Ook fpreekt hy nooit by Xenophon
van die
| wysgérige 'omthoudingen, welke het Pythagorisch leerftelfel eischte.
Het eenigé
dat hy hieromtrent zyne leerlingen infcherpte, was, dat zy, ter
beter beoefening hunner verftandelyke vermogens, zorge moesten dragen
voor de gezondheid des lichaams, Xenophon. Mentor. 111, 787, Dit
was'zekerlyk cene zeer rei
delyke gedachte, en raakte alle menfchen. Ja,
de wysgeerte van Socrates was
ver *t gelietl voor het' gehele menschdom gefchike, ‘waarorh hy dat‘
ook ivergerdé, om, -ep het voetfpoor van anderen, eene afgezonderd
e fchool ap te rechten, gelyk ik aanftonds zal bewyzen. Uit dezelfde bron, namentlyk
van Pythagoras, of wel van Plato zelfs zyu die plaatfen, waar men
Socrates.
doet zeggen,
fa ‚onzuivere zielen, welke de zinnelykheden des -levens enkel
hebben opge-
Ofgt, door hatite ztrabrte worden neergedrukt; zo dat zy de hobge
gewesten
niet. kunnen bereiken, Phaddon p, 386. Dit ziet ongetwyfelt
op die vlaxken!der
a
ziel, van welke Plato zelfs zo veel gedroomt heeft, en op de
oude denkbeel‘avai, volgens Welke fivetten der ziel dezelve eéne lichamelyke
zwaärte byzdtteny
È
. Waar door zy verhindert worden tot den hogen hemel op te klimmen,
‘Tk moet “ér*dit-nog byvoegem, dat men na Socrates het
denkbeeld, wegen$
fen. voorrang der beldbafiigen of der dapperen, gecnfints heeft
afgelegt, en dat
dus het nageflacht niet verlicht genoeg fchynt geweest te zyn, om zyn veel
edeler denkbeeld omtrent de waarde der deugd aan te nemen. De cha
i vii ,
van welke CICERO fpreekt Tufe. 1, 13 ,,en welke door hem in den hemel
worden geplaatst, zyn niet enkel.dengdzame, maar vooral
dappere. Zie ook JosePuUs Belli Judaic. VI, 1. $ 5.
Page 77
View in PDF(opens in a new window)NA DIT LEVEN. 471
DER ZIELEN
WEGENS DEN STAAT
den opgemaakt. Ondeugende menfchen; welke de nari»
kweking der rede en kennis verwaarloost,.en enkel
het zinnelyke, of de. heerfchappy hunner onbeteugels
de driften hadden opgevolgt, namen die. zaden van
in het graf mede; (4).
tockomftige ongeneugten
en ftraffen tydelyk Ofby de à
beloningen
deze
eindelyk.
nu
Of
dan eeuwig waren, hieromtrent zal 'hy zig, volgens e» raies
myne gedachten, nooit hebben uitgeläten. Deze afge ner.
trokkene. bepalingen, van. voortduring.en ceuwigheid 2.
hy den Sofisten zybehoorden.tot die dingen., welke
ner tyden overliet;: gelyk reeds. te: voren door ons is
ETRE
SETTA
aangemerkt.
De gevoelens van Socrates dus zynde afgehandelt, Zogezouden wy mocten overgaan tot die Wysgeren, wel- emt aw
ke gemeenlyk onder.zyne fchool worden betrokken; Sarares.
hoewel hy eigentlyk dusdanige fchool niet hadde,
daar hy overal verklaart, dat de leer, door hem verkondigt, voor alle zyne medeburgeren, ja voor het
gehele menichelyke geflacht even zeer gefchikt was.
Waarom hy zig dan ook nooit met'eenige leerlingen
afzonderde, daar integendeel tempels, markten, wandeldreven, en alle openbare plaatfen, waar hy men Lune
fchen vonde , zyne fpreekftoelen waren (0); ja, daar ou
hy zelfs fpelende, drinkende, te midden onder de
vermaken of bezigheden des levens zyne lesfen uitdeel-
- (a) Phaedon 386. Tk herhaal nogmaals, dat het geen Plato hier van Ziebamedyke zwaarte der ziel zegt, van hem zelve is. Socrates redeneerde novit over
de eigentlyke ze/ffBandigheid der ziel, (want diergelyke redekavelingen behoorden by hem wederom tot de. onftichtelyke, of ten minften onnurte Sofistifchebefpiegelingen. Xenopn. Memor. I, p. 710) maar dezelve was by hem cen.
onzienlyk wezeg, waarvan wy niets kennen dan alleen de werking.
(4) Xenopuon Memor, 1,707.
Page 78
View in PDF(opens in a new window)deeldé:(7); en daar hy eindelyk niet alleen wyze
en
groten poogde tot zig te trekken, maar zelfs geringe
burgeren en handwerkslieden in hunne
winkels
bezochte (b).uib so ci fe
Maer na den dood van Socrates hebben zyne voorMaar sy. naamfte en meest geoefende leerlingen (Xenophon:en
genbeb-
Weinige andere uitgezondert) wederom het oude pad
ben we:
beginnen in te flaan, en van de wysgeerte een kunstzulke febo ftelfel gemaakt, tegens welk gedrag de meester zo zeer
fen opgerecht,
Zÿn gehele leven lang geyvert hadde (c).
En dus
was de leer van Socrates een enkele blixemftraal, te
midden in den donkerften nacht voorby fhellende. Hy
was te verheven boven zyne tydgenoten, dan dat zy
ryp zouden geweest zyn voor die grootfche eenvoudigheid, welke enkel den hoogften trap van befchaving
eu kundigheden kenmerkt (4).
Ook beminden
de
Grieken over 't geheel de afgetrokkene en fpitsvinnige redekavelingen te veel, dan dat zy de by hen onkunftige en weinig verfynde Socratifche wysgeerte op
den duur zouden volgen.
cie
|
CEBES was een der getrouwfte en meest geliefde
leerlingen van Socrates, welke hem ook in de gevangenis tot het einde zyns levens bleef aanhangen, gelyk uit den Phaedon blykt. Men gelooft in ’t algemeen, hoewel er zommige aan twyfelen, dat hy de
Schryver was van cen klein en zeer bekend werkje,
welks opfchrift is, tafereel des menfchelyken levens; na
Page 79
View in PDF(opens in a new window)zeker oud fchilderftuk, in den tempel van Saturnus Zy re.
fereel,
te Athene geplaatst. In dit ftukje word het beftaan
der menfchen voor dit leven geftelt, en geleert, dat
de weg tot toekomend geluk langs de paden van deugd
en kennis moet worden gezocht, maar dat de zulke
integendeel, welke dit pad voorbygaan, zig wederom
in nieuwe dwaalwegen verwarren, en dus ook weer
op nieuws moeten worden gezuivert. Over ’t geheel
is het werkje volgens de denkbeelden van Pythagoras
opgeftelt, wiens leer ook door het genoemde tafereel
wierde uitgebeelt, en bevat voor ’t overige geene be. der menftaat
palingen omtrent den toekomenden
{chen, byzonder genoeg om hier breder te worden
afgefchetst.
. Wy gaan dan over tot PLATO en zyne fchool, van Plato.
welke hier eenigfints omftandiger zal moeten worden
gehandelt, wegens den ongemenen opgang, welke dezelve gemaakt heeft, in zo verre, dat ook zelfs de
oude Christelyke Kerk er door befmet en verbastert
geworden is, gelyk een ieder weet.
Groot en onoverkomelyk zyn ondertusfchen de Mocielykbeden
moeielykheden, met welke de ontwikkeling der Pla- welke
de
tonifche leer verzelt gaat, daar deze Wysgeer, het onsuitkeling zyner
voetfpoor en de lesfen des
groten meesters verlaten- gedachten
.
de, zyne leer wederom ging omzwachtelen met raad- verzelica.
zelachtige fpreuken, duistere voorftellingen, en ook
nieuwe woorden, van welke enkel de beproefde en
meest gevorderde leerlingen den fleutel hadden (a).
Niet
(2) Diocen. LAERT, III, Segm. 25.
Page 80
View in PDF(opens in a new window)Hy ging “Niet te vreden met de wetenfchap,
reizen,
verdon-
‘
welke thuis was
hte vinden, dede hy geleerde reizen na Italie en Egypkerde zynete, OM Zig in de geheimen der wysgeerte van Pythaverkregene wys-
Beid,
goras en het Egyptisch Priesterdom te doen onderwyzen, van welke meesters hy dan ook leerde zyne,
met zo vele moeite verkregene wetenfchap, te verdonkeren, en voor zig en zyne fchool te bewaren.
Want t huis komende, ging hy wederom zulk eene af:
gezonderde fchool aanleggen, waar van de deur alleen
voor geoefenden openftond, en in welke hy niet al:
leen van zedelyke plichten, zo als Socrates
gewilt
had, handelde, maar ook de beginzelen der redencerkunst en de geheimenisfen der natuur voor zyne leerlingen poogde te ontvouwen (4). Het konde dus niet
anders zyn, of dit fpitsvinnig en zeér fyn vernuft
moeste zig wederom gaan verwarren in die dwaalwegen van onzekere ftellingen en geleerde brabbelary,
welke zyne wysgeerte zo zeer kenmerkt. Waarom hem
dan ook te recht wierde verweten, dat hy den weg,
door Socrates zo gelukkig gevonden, verlatende, roem
in ydelheden zochte, en,na de wonderfpreuken van
Pythagoras en de Egyptenaren te hebben aangenomen,
tot die verwaande Sofistifche geleerdheid verviel , welke geheel niet gefchikt was om ware kennis en wysheid te bevorderen (2).
Men kan reeds uit het gezegde befluiten, (en de
Ouden getuigen het
ook senftemmig) dat de voorna-
Page 81
View in PDF(opens in a new window)me grondflagen der Platonifche wysgeerte by de Egyp- Degron.
tenaren en Pythagoras moeten worden gezocht, hoc- Pam
wel derzelver leer, door de bewerking van dit vrucht- pesati
baar. vernuft, zekerlyk een ander aanzien kreeg (2). Bayrisch
Voorts brachte hy ook de byzondere ftellingen van ae”
Heraclitus, Parmenides, en anderen in zyne wysgeerte over, welk mengfel van gevoelens, gevoegt by
zommige Socratifche grondftellingen, en zyne eigene
uitvindingen een zeer kwalyk zamenhangend, onverftaanbaar, ja in vele.‚opzichten tegenftrydig geheel
moest uitmaken (2).|
Daar nu de duisternis, in welke Plato zyne WYS- Sommigen
geerte bedolven heeft, zo ondoordringbaar dik is, jor dee
hebben vele reeds onder de
Ouden gelooft, dat yecereihy zelfs eigentlyk geen ftelfel hadde, en zig alleenae °
mocide met omverre te werpen, het geen andere hadden zoeken op te bouwen (c); en hierom heeft hy
dan ook (zegt men) de manier, om zyne gedachten
by wyze van zamenfpraken mede te deelen, boven
alle andere verkozen, wyl volgens dezen trant de ingevoerde perfonen de voorgeftelde zaken op alle kanten kunnen befchouwen, zonder dat ze eindelyk tot
een zeker befluit behoeven te komen. WARBURTON Gevoc/cn
meent het ware karakter van Plato te hebben getrof- 77777
fen, door hem te gelyk voor een fellig en een #wy- bier overs
felend Wysgeer te verklaren; ftellig namentlyk, in zo
ver-
Ça) Brucker Hift. Crit. Phil. Tom. I, p. 1041.
(5) BRUCKER ter aangehaalder plaats 664.
(c) Diocen. LAERT. HI, Segm. 51. en de noot,
Page 82
View in PDF(opens in a new window)verre hy de ftichter was eener nieuwe fchool, dog
twyfelend, wanneer men hem befchouwt als gefchied.
Herwelk
fchryver van Socrates, en deszelfs gevoelens (4)..
Maar het bewys, genomen uit de plaatfen van Cr
Eve. CERO, door welke hy dit onderfcheid denkt te zyn
zen
gevestigt, koomt my allefints onvoldoende en verre
gezocht voor, en ik twyfel niet of de lezer zal, die
nagaande, hieromtrent het zelfde oordeet vellen. Dan,
de rede, waarom Warburton
zig
. de moeite gegeven
heeft om dit met opzet te willen betogen, was zeker
lyk deze, om vervolgens te kunnen bewyzen, dat
Plato (gelyk meest alle de Wysgeren der oudheid volgens zyne {telling deden) leerde, het geen hy niet geloofde; het welk men van hem
in dien beflisfenden
toon niet konde zeggen, indien hy: in alle opzichten
een volflagen twyfelaar was.
Men moet echter met dit alles den geleerden Bisfchop toeftaan, dat Plato het voorbeeld zyner meesteren, de Egyptenaren namentlyk en Pythagoras volgende, niet altoos op gelyken. voet redeneerde, en
me bone zig niet op dezelve wyze by geoefende leerlingen als
Ten maar- voor ’t gemeen uitdrukte (2). Maar waarin nu eigentderfebeid YyK
t
zusfeben
A
de gehei-
_ weee
dit onderfcheid beftaan
mag’ hebben, valt zeer
moeielyk te bepalen, hoewel het vry zeker fehynt,
dat de volksgevoelens omtrent de Goden en de fübe-
Zero len der Dichteren, welke in zommige gefchriften, gejoan” lyk den Phaedon, Timaeus, Gorgias en andere wor°
Page 83
View in PDF(opens in a new window)den voorgeftaan, in de geheime onderwyzingen wierden verworpen. Want dit konde by de Athenienfers
zekerlyk niet in ’t openbaar worden gewaagt, gelyk
het ongelukkig lot van Socrates nog zo onlangs hadde geleert. Dog of Plato nu verder in zyne byzondere onderwyzingen geheel omverre wierp, het geen hy
over ’t gemeen leerde, dan of het onderfcheid der
geheime lesfen van de openbare hierin voornamentlyk
beftonde, dat hy de bekleedfelen, waarmede de volksbegrippen God en den tockomenden ftaat der menfchen hadden omwonden, in dezelve zochte weg te
nemen, is my, ook na de naaukeurigfte nafpeuringen
omtrent dit ftuk te hebben in ’t werk geftelt, onmogelyk te bepalen. En wie begrypt niet hoe moeielyk
het zy te bewyzen, dat deze plaats tot de openbare,
en die wederom tot de geheime leer van Plato behoort? Ik weet wel dat WARBURTON (@) zyne
ftaatkundige gefchriften volgens het gezag van ALBI
nus optelt, en in dezelve die openbare leer meent
te vinden, in tegenoverftelling der geheime, door den
Wysgeer in andere werken voorgeftelt. Dog toegeftaan zynde, dat deze onderfcheiding gegrond is, zal
daarom die geheime leer uit de overige fchriften van
Plato niet .klaarder worden. De aangehaalde geleerde
Man, welke nooit gist, maar altoos verzekert, verklaart rond uit, dat alles, wat hy van den toekomenden ftaat van beloningen en ftraffen heeft gefchreven,
geenfints de taal van zyn hart was, maar dat hy veel
eer
Ka) U Deel bl. 216.
Page 84
View in PDF(opens in a new window)eer met Pythagoras de ziel voor een afgefcheurt decl
der Godheid hielde; waaruit dan volgen moest, dat
dezelve voor dusdanige ftraffen, in een zedelyken zin,
of met opzicht op een hoger wetgever genomen, geheel onvatbaar was; maar in tegendeel enkel natuurlyke verhuizingen en zuiveringen moeste ondergaan,
voor en aleer eene wederkering konde plaats hebben
‘ tot dat wezen, waarvan zy was afgezondert.
Dan, wanneer men de bewyzen, voor dit zo ftellig
Warburton wederaangedrongen gevoelen, bygebracht, wil onderzocken,
legt.
blykt het er verre van af te zyn, dat dezelve voor
voldoende zouden kunnen worden gehouden. Dat Plato
alle de vertellingen der Dichteren en volksfprookjes,
omtrent de zielsverhuizing, en den ftaat of woonplaatfen der menfchen na dit leven, onder de Grieken
bekent, niet geloofde, wil ik gaarne toeftemmen.
Maar de gevolgtrekking van het niet aannemen dezer
fabelen tot het lochenen van toekomende beloningen
en ftraffen gaat immers niet door, (hoewel het my in
het opftellen dezer verhandeling meermalen is voorgekomen, dat deze twe by uitftek verfchillende zaken onvoorzichtig met elkanderen verwisfelt worden 5)
en echter zyn de meeste plaatfen, door Warburton,
ter ftaving van zyn gevoelen, bygebracht, van dien
aart, dat ze alleen het ongeloof van Plato aan de
fprookjes der Dichteren betogen, niet tegenftaande hy
deze dikwerf in zyne werken voordraagt (4).
Laat
Page 85
View in PDF(opens in a new window)Laat ons nu verder, na de redenen, op welke Warburton het onderfcheid der geheime en openbare lecr
van Plato wilde vestigen, te hebben ontzenuwt, zien,
of wy kunnen vinden dat hy in de zaak zelfs gelyk
of ongelyk hadde, dat is, of Plato waarlyk op het
voetfpoor van Thales en Pythagoras geleert heeft, dat
de ziel een afgefcheurt deel der Godheid was. Want
zo hieromtrent eenige zekerheid konde worden bekomen, zouden er zyne bepalingen , omtrent den toekomenden ftaat der menfchen, zeer door worden opgeheldert.
y
,
Dan, onder alle de duisternisfen, met welke de p, go.
Platonifche fchriften bezet zyn, is geene dikker en da
ondoordringbaarder, dan die, waarin zyne gedachten over
omtrent ’s menfchen ziel zyn bedolven. Het is wel vry jbenaiel
#r#uszeker, dat hy dezelve, wat het redelyk deel betrof,
terst.
.
.
Cwant wy zullen zo ftraks zien dat de Platonifche
wysbegeerte de leer der Ouden, omtrent de meervoudigheid der menfchelyke zielen, voorftaat,) oorfprongelyk hielde te zyn uit de algemene ziel der wacreld
(a). Maar of nu deze ziel der waereld iets was, het
welk
die Epinomis tot het boek der wetten, enis eigentlyk het flot van dar
(1) behoort
werk, zo dat niet alleen de draad der verhandeling zelfs word opgenomen, waar
hy by het vorige boek gelaten was, maar ook dezelfde perfonen biyven voortredeneren. Maar dat zelfde boek der wetten behoort, volgens de verklaring van
Warburton zelfs (bl. 216), tot de uitwendige, en niet tot de geheime leer van
Plato. (2) Ik zal nu niet aandringen dat het geenfints zeker is, of die gehele
Epinomis wel aan Plato zelfs moet worden toegekent. Zie de verhandeling
van den Abt SALLIER, Memoires de Academie des infcript. et des belles lettres Tom. II. (3) Maar de plaats, van wien hy dan ook zyn moge, zegt uitdrukkelyk, dat de beloningen van het leven hier namaals van Ged of de Godes
te wachten zyn. (4) disdyois betekent by de Grieken cigentlyk de gewaarwording door middel der zintuigen, en dus zegt de Epinomis niets meer, dan dat
de gezaligden de gewaarwording door middel van uiterlyke zintuigen zullen misfene
(4) Brucker Tom. I, 713.
-
Page 86
View in PDF(opens in a new window)Zielder
Welk in een volftrekten zin van God onderfcheiden
denbio Konde worden genoemt, hicromtrent ben ik niet in
ftaat iets zekers te bepalen, hoewel BRUCKER (a),
Buppeus (2) en vele anderen, op het voetfpoor
van PLUTAR
(c), dit liefst
CHU
willen bevestigen.
S
Zyne taal is, gelyk ik zo even zeide, omtrent ditonderwerp, met zo vele zinnebeeldige uitdrukkingen en
fpreekwyzen, van welke enkel de getrouwfte leerlinisookzcer gen den fleutel fchynen gehad te
hebben, vervult,
te bepalen, dat het my onmogelyk voorkoomt zekere en onbetwistbare gronden te vinden, om het ftelfel der Platonifche zielkunde op te bouwen. Hoe zeer dit ftuk
altoos is betwist geweest, kan men uit de dromen
van vroegere en latere uitleggeren van Plato best op+
maken, onder welke fommige die ziel der waereld
voor de derde zelfftandigheid (d705201) des Goddelyken wezens hielden, en voorts ronduit beweerden,
dat hy de leer der drieéenheid zoude hebben gekent
en gelooft. Laat ik er dit nog byvoegen, dat zwarigvan dien aart een noodzakelyk gevolg zyn
heden
moesten van alle zulke wysgerige ftelfels, welke de
Jchepping uit niets
geenfints kenden. En dat Plato zo
wel als andere Wysgeren van deze leer onkundig geweest is (hoewel zeer velen het tegendecl geftelt hebben) is ons door MosHEIM (4) duidelyk genoeg
bewezen.
Daar
Page 87
View in PDF(opens in a new window)Daar wy dan nu genoodzaakt zyn de hoop van het
ware onderfcheid der geheime en openbare leer van
Plato te vinden, op te geven, en daar het buiten dien
zo moeielyk is om zyne ware begrippen omtrent den
aart en oorfprong der menfchelyke ziel te ontwarren,
zullen wy ons nu verder moeten vergenoegen met
zyne gedachten omtrent den ftaat der menfchen na
dit leven, voor zo verre dezelve in zyne werken
voorkomen, te verzamelen, en voor te ftellen.
Onbetwistbaar zeker is het, dat Plato het ftelfel cezschren
Plata
vanden
der zielsverhuizing hadde aangenomen, hoewel het te over
gelyk met recht voor hoogst waarfchynlyk word ge- dtockomenhouden, dat hy, by de leer van Pythagoras en de Thea
Egyptenaren niet berustende, dezelve met nieuwe be- ng
fe.
palingen en byvoegfelen vermeerdert en verandert
heeft. WARBURTON (2) brengt hier toe, dat die
verhuizingen volgens Plato dienen moesten tot zuivering der onreine zielen, welke, ter oorzaak harer
fmetten, door de inwoning in het lichaam veroorzaakt, onbekwaam waren om weder op te klimmen
tot die plaats, van waar zy waren gekomen, en om
zig weder te verenigen met dat wezen, van ’t welke
zy waren afgezondert; en dat by gevolg gehcel zuivere en onbefmette zielen van deze verhuizing bevryd bleven.
In hoe verre deze gisfing grond heeft wil ik NU zyiering
niet onderzocken. Dit is ten minften zeker (gelyk “ze.
uit den Timacus, Phaedon, Gorgias en andere fchriften
(a) II Deel DI, 220.
Page 88
View in PDF(opens in a new window)ten van Plato blykt) dat deze zuiveringen eindelyk
eene gehele reiniging moesten bedoelen, ten einde de
ziel, van alle ftoffelyke befmettingen ontflagen, wederkeren konde tot die hoge -plaatfen, van waar zy.
gekomen was, het zy men dan deze ziel der waereld
voor God zelfs houden wil dan niet. En hieruit volgt
dan ook van zelfs, dat Plato, hoewel eene oneindige
voortduring der ziel na dit leven ftellende, echter de
menfchelyke ziel in een eigentlyken zin niet voor on
fterfelyk houden konde, daar zy tot de ziel der waereld, gelyk gezegt is, wederkerende, niet voor altoos
een afgezondert beftaan bleef behouden.
Om nu vervolgens van den ftaat na het leven, volde eene regens de Platonifche begrippen, wel te oordelen, moet
delyke en
onredelyke men vooral acht geven op het onderfeheid tusfehen
aiel,
het redelyke en onredelyke beginfel, of tusfchen die
twe of meer zielen, welke hy op het voetfpoor van
Plato ffelanderen den mensch toekende. CICERO fpreekt van
drie ziclen, van welke elke haren byzonderen naam
hadde (a). Dehatfte of het onredelyke gedeelte word
door de Platonisten, (welke by uitftek veel van dit
onderfcheid fpreken) een bebleedfel of bekleedfels der
zie genoemt, en men heeft dezelve ook niet onaarDe onredeiyke
evzarby
dergeletem
ig den wagen der (redelyke) zie/ geheten, van welken
wagen het redelyke deel als ’t ware de voerman was;
‘of ook wel by een Paard vergeleken, het welk op zig
zelven driftig; en geneigt tot-‘hollen , door bekwame
Page 89
View in PDF(opens in a new window)Ruiters moeste worden beftiert (4). Veelal word uit
den Timaeus van Plato befloten, dat dit bekleedfel
der ziel, volgens zyne begrippen, fterflyk was. Maar
men fchynt echter te moeten geloven, dat het zelve
wierde
ten minften eenigen tyd na den dood . gehouden
.
Of dezelve
en ses
finetten
dic
voort te duren. Althans dan laten zig
vlakken gemakkelyker verklaren, welke men dacht dond leve
dat de ziel ook na den dood bybleven, gelyk wy zo ren.
aanftonds zien zullen; ten zy dezelve het denkende
wezen zelfs moeten worden toegefchreven, het welk,
gelyk wy te voren zagen, uit den geest der waereld
genomen was. Want deze geest der waereld bevatte,
volgens Plato, ook de fynfte en eerfte beginfelen der
hooftitoffen, en was dus. niet geheel onlichamelyk (2).
Reiniging
Uit deze begrippen moet men nu van den ftaat der
. der zielen
.
menfchen na dit leven oordelen. Dat het grove li- afzederyk"
chaam na den dood, volgens Plato, voor altoos ont- "een
bonden bleef, hieraan twyfelt niemand. Dog het ftel- worden.
fel der zielsverhuizing eischte dat deze gereinigt of
gezuivert wierden, het zy men dan deze reiniging
natuurlyk of zedelyk wil noemen, volgens de te voren
geftelde bepalingen. Plato heeft die reinigingen bekleed met alle de fabelen der oudheid, want hy fpreekt
van den Cocytus, Phlegeton, en andere onderaard{che plaatfen, even gelyk de Dichteren. Deze taal
koomt zo dikwerf by hem voor, dat ik de plaatfen,
hiertoe behorende, uit den Phaedon, Timaeus, Gorgi(a) Porpuyr. crept droy. tev duduy. Lib.I, $43.
(5) Mosueim ad Cudw. Tom. I, p- 32.
Page 90
View in PDF(opens in a new window)|
|
gias, en andere fchriften niet zal behoeven byeen
te
ar verzamelen. De befinette zielen brachten, gelyk ik zo
even zeide, v/akken mede, welke als ingedrukte lidtekenen waren van fchelmftukken, in het leven bedreven, of wel van zinnelyke geneigdheden, blindelings
op de waereld opgevolgt. Deze vlakken waren zo kenbaar, dat ze aanftonds in ’t oog liepen (4), ja dit ging
i:
zo verre, dat de lichaamsgebreken zelfs, ten minften
(À
enigen tyd na het overlyden, zichtbaar bleven (4).
q
.
Staatdery »
De meeste zielen wierden wel eindelyk gezuivert,
zielnade en bereikten de hogere gewesten des hemels, om na-
|
“ee derhand met de hoop van een gelukkiger beftaan we-
|
i
derom
|
nen (c); dog voor eenige weinige was, uit hoofde der
neer te
dalen,
en nieuwe lichamen te bewo-
|
uitncmend diepe wonden, gevolgen van grote {chelm-
|
ftukken, in ’t lichaam begaan, geen hulpmiddel, waar:
|
om zy dan voor altoos in eene plaats van fmerte en
|
Fu rampen bleven opgefloten (4).
I
|
|
Hogfe
q
on
i
.
der diergelyke zuivering, welke zy namentlyk niet nodig hadden, te ondergaan, aanftonds na den dood tei
q
||
Eindelyk zommige (dog dezer getal was, in tegenoverftelling der overigen, zeer gering) keerden, zonrug na die ziel der waereld, van welke zy afgezon-
.
x
dert waren geworden. Dit geluk was niet den helden
(gelyk de oude volksbegrippen ftelden) maar den wyzen en deugdzamen befchoren. Wy hebben reeds hier
Page 91
View in PDF(opens in a new window)boven gemeld, dat Socrates in den Phaedon door
Plato word ingevoert, als onderfcheid makende tus{chen het lot der wyzen, en dat der deugdzamen,
dog er is te gelyk by aangemerkt, dat dit byvoegfel
van hem zelfs, en niet van den meester is. Dit zelfde
onderfcheid blykt ook uit het flot van den Zpinomis,
(geftelt zynde dat dit ftuk van Plato zeifs is) alwaar
verzekert word, dat zeer weinigen het hoogfte geluk
verkrygen, wyl, om het zelve te bereiken, niet alleen
uitmuntende deugd, maar ook byzondere oefeningen
worden vereischt. Maar dan zal ’t verder om ’t even
zyn, waar, of in welke betrekking de mensch mag
hebben geleeft (a).
Eindelyk, wat het geluk der zaligen betreft, in den Celuk der
Philebus word verklaart, dat het zelve beftaan zal in aaligen.
de genieting van wysheid en kennis (2), in *t befchouwen der wonderen van het geheelal uit de hoogfte
plaatfen (c).
Na de afhandeling der gevoelens van Plato Zelfs, Over de
#2 ,,
zouden zyne zogenaamde Academisten nu moeten
volgen. Dan, daar het kenmerk dezer fcholen vol- Academia
ftrek-
*
(a) Ter aangehaalder plaatfe. Deze leer is geftelttegens de onde volksbegrippen, van dewelke wy te voren gefproken hebben, en volgens welke het onder{cheid van rangen ook invloed hebben zoude op het leven hier namaals.— Verder fchynt het onderfcheid tusfchen enkel deugdzame menfchen, en dezulke,
welke te gelyk wys en geocfent waren, van Plato te zyn overgenomen uit de leer
der Egyptenaren en der Pythagoreers. Zic het geene wy hier boven by Pythagoras aanmerkten. Hierom hebben de jongere Platonisten zeer veel gedroomr
van die oefeningen, welke , ter bereiking van het hoogíte geluk , worden vereischt.
EUDWORTH 1033,.1034, 1055. En deze hoogíte gelukftaat was dezelfde,
welke volgens de oude volksleer der Goddelyke naturen wierde toegefchreven..
(6) M. Ficinus in arg. Philebi.
(c) PLATO apud Origen. contr. Celfum 11, p. 159. Ed. Spencesi. Voeg bier
by de plaatfen uit den Phacdon, te voren aangehaalt,
Ppp3
Page 92
View in PDF(opens in a new window)ftrekte twyfeling was, en wy geene byzondere ftellingen omtrent den tockomenden ftaat der menfchen
by dezelve aantreffen, behoeven zy in deze verhandeling ook maar enkel te worden genoemt. Laat ons
dan in ’t gemeen aanmerken, dat de gedachten van
Plato door deze Academisten op verfchillende wyzen
uitgelegt, met byvoegfelen vermeerdert, en ook met
andere wysgerige ftelfels vermengt zyn geworden, en
dat eindelyk, toen het Christendom de waereld begonde te verlichten, ook deze oneindig meer verheven leer invloed op hunne begrippen en bepalingen
gehad heeft, gelyk onder anderen genoegzaam blyken
kan uit de werken van Celfus, den tegenparty van den
ouden kerkvader Origenes. Echter moet men er by
bekennen, dat ook integendeel vele onder de oude
Christenen (daar niet weinige der kundigften in de
Hleidenfche {cholen waren onderwezen) al zeer vroeg
de Goddelyke leer met de dromen van Plato en zyne
navolgeren hebben zoeken te paren.
Dog dit ftuk
breder te verhandelen zoude buiten myn beftek lopen.
ARISTOTELES, de leerling van Plato, en naderhand zyn grootfte mededinger, die man, welke zo
vele ecuwen lang de denkende waereld aan zyne begrippen gekluistert, en dus den voortgang van ware
kunde en wetenfchap zo lang vertraagt heeft, zal ons
hier
maar zeer korten tyd kunnen ophouden. Hy
ftelde namentlyk dat de ziel fterfelyk was, en na den
dood niets hadde te wachten of te vrezen. Want, of.
fchoon er onder ouder zo wel als latere uitleggers en
leerlingen van Ariftoteles oneindig veel getwist is over
Page 93
View in PDF(opens in a new window)zyne ware gevoclens omtrent de menfchelyke ziel,
van welke hy over ’t geheel zeer duister fpreekt, is
er echter in de Nicomachifche zedekunde eene zo bedat men. dit ftuk voor Lochent
flisfende uitdrukking te vinden,
;
È
de
verfchrikkelyker (Zegt onßerfeis
Mets
mag.
afgedaan houden
hy) dan de dood. Dit is het einde van alles, niets biyfi fykbeid.
na dezelve over, noch goed noch kwaad (a).
Deze was de Wysgeer, welke by zommige zogenaamde Scholaftiken niet alleen in den hemel geplaatst,
maar ook voor een voorloper der Euangelieleer wierde gehouden, en, om welken van zulke flechte begin-
:
EAA
{elen vry te pleiten, men alles heeft in ’t werk geftelt,
ja gehele boeken gefchreven, zo dat er tyden geweest
zyn, ia welke het gevaarlyk was te verklaren, dat men
Ariftoteles hielde voor een lochenaar der onfterfelykheid.
Dit vooraf gezegt zynde, behoeven wy ons nu niet
verder op te houden met de vraag, wat hy namentlyk van den oorfprong en natuur der menfchelyke
ziel dachte? Ik heb nog niemand onder meer redelyke en kundige Schryveren kunnen vinden, die zeggen
dorst, dat hy die vraag volkomen en voldoende wilde
beantwoorden.
do Pe
Ariftoteles dus kort afgehandelt zynde, gelyk hy pn
verdiende, zullen ook zyne zogenaamde Peripateti- „Dee
{chen ons niet lang ophouden, daar men onder deine
ouditen niemand vind, welke over de toekomende “#°”
beftemming der menfchen iets van belang heeft voorgeCa) Ethic, ad Nicomach. III, 9.
Ieie
deci.
Page 94
View in PDF(opens in a new window)gedragen. Ja, Dicaearchus, een der voornaamfte leerlingen van Ariftoteles, en volgens Cicero een zeer
groot man, lochende, op het voetfpoor zyns
meesters, de onfterfelykheid met klare woorden, en zochStoifehen.
te zelfs dit zyn gevoelen in gefchrifte te betogen (4).
Wy gaan dan over tot de Stoifchen, welke ook gemeenlyk voor afftammelingen der Socratifche fchool
worden gehouden.
De begrippen dezer Wysgeren
omtrent God, de ziel, en den toekomenden ftaat der
menfchen, worden in vele opzichten voor zeer duister gehouden, inzonderheid hierom, wyl hunne taal,
voor zo verre zy de genoemde onderwerpen betreft,
gansch
niet eenftemmig is. Daarby zyn de werken
hunner eerfte Oudvaderen Zeno, Chryfippus en anderen verloren,
Hunne
en het is dus uit latere Schryveren,
(welke, volgens den gewonen trant der Griekfche fchoere len, de kenmerkende ftellingen hunner meesteren met
ginfelen
die van anderen vermengden) dat wy de Stoifche leer
verklaart.moeten opmaken.
Met dit alles echter denk ik, dat
men, ter bepaling van ons hooftonderwerp, of der begrippen omtrent den toekomenden ftaat, lichts genoeg
by hen zal vinden.
De opperfte God of de Jupiter
ata van Zeno en zyne leerlingen was cen zeer zuiver
uit welken licht, of cene vurige zelftandigheid, gelyk andere zig
a
uitérukken. Deze God wierde wel van hen voornamentlyk in den fterrenhemel geplaatst. Dog zo, dat
hy te gelyk de gehele waereld doordrong en bezielde,
ja, dat de ftof en God zo naau en innerlyk met el-
(4) Cicero Tufc. Quaeft. I, 31. de Offic. II, 5
Page 95
View in PDF(opens in a new window)kanderen verbonden waren, dat er met geene mogelykheid fcheiding konde plaats hebben. De gehele denkende natuur, en dus ook de menfchelyke ziel, ja
zelfs ook de mindere Goden, (van welke de navolgeren van Zeno veel meer fpraken dan gcloofden)
waren ten allernaauften verenigt met dat wezen, of
dien Jupiter, gelyk het in hunne taal wierde genoemt.
Men zal reeds uit het gezegde beginnen te gisfen,
welk een lot der menfchelyke zielen na dit leven, volgens de Stoischgezinden, befchoren was. Zy moesten
namentlyk na de floping geheel verenigt worden met
dien Jupiter, van welken zy een deel waren, en dus Æoewel ay
na de
zie
.
ophouden een afgezondert beftaan te genieten. Dan, zoiksdenkofíchoon dit een zeer natuurlyk gevolg der vooraf- 2°“
voegden,
gaande ftelliug was, hebben echter hunne voornaam- moermen
fte Schryveren zeer van elkanderen verfchillende denk- eas
beelden, omtrent den ftaat na dit leven, voorgeftelt. ders van
Want geene fchool heeft zig meer na de volksdenk- een.
beelden zoeken te voegen, in zo verre, dat de meesten, de aangenomene taal volgende, fpreckwyzen en
uitdrukkingen gebruikten, welke volftrekt met de eerfte beginfelen hunner wysgeerte ftreden (2). Men zal
hen dan volgens deze wysgeerte zelfs, en niet volgens zommige fchoonfchynende gezegden en fpreuken,
moeten beoordelen, om niet te vervallen in de dwalin-
(a) Mosuem. ad Cudworth. I, 517. De Stoifchen waren by uitftek Staats.
mannen, gelyk dan ook de voornaamite Romeinfche Rechtsgeleerden, en de
beste Keizeren in de fchool van Zeno waren onderwezen. Flieruit verklaart zig
de rede van zelfs, waarom zy de hand hielden aan de volksgevoelens omtrent
toekomende beloningen en ftraffen.
Page 96
View in PDF(opens in a new window)lingen van dezulke,
welke, door dit klatergoud bede leer van Zeno bykans ter zyde van het
Christendom hebben durven ftellen (4).
koort,
dorme:
"kingvan
NLOSHEIM (0) heeft zeer wel aangemerkt,
dat de
gronden, op welke de begrippen van God by de Stoi-
Mob Ft on gebouwt wierden, van dien aart zyn, dat zy
alle gezonde denkbeelden van deszelfs almacht, goedheid, en rechtvaardigheid den bodem moeten inflaan,
en dat wel in ’t byzonder de leer van toekomende
beloningen
zyn kan,
of ftraffen met dezelve
hoewel SENECA
niet beftaanbaar
en andere, de taal des
volks volgende, hier van vry ftellig fpreken.
Dan, hoewel nu, gelyk ik zo aanftonds zeide, het
Dest!
matuurlyk gevolg der Stoifche leer was, dat de ziel
me God met Jupiter volmaakt en volkomen moeste worden
berenigt,
maar ım- vereenigt, waren echter deze wysgeren het onderling
trent
.
.
o.
id, can. Niet eens omtrent den tyd, wanneer die
hereniging
verae
ftonde te gefchieden, althans zo men op hunne ge
A
5
-
Sibieden, zegden in dezen ftaat mag maken. Zommige hielden
waren
Shen het daar voor, dat ftraks na den dood de ziel in dien
berries {tant gebracht wierde, waarin zy geweest was voor de
geboorte des lichaams (c). Maar volgens anderen bleven of ecnigen derzelven, (die der deugdzamen namentlyk, en der heldhaftigen,) of wel alle voortduren
|
tot
(a) Stoici noffro dogmati in plerisque concordant, zegt Hieronymus. Zie
de DacıErs in de voorredens voor Antoninus. Lips. Manud. ad Phil. Stoicam, en vele andere.
-
|
|
|
-
(5) Ter aangehaalder plaats, Ik wil nu niet onderzoeken of de Stoifchen voor
echte Godlochenaren mocten worden gehouden, waarover zo veel getwist
is.
De naaukeurige behandeling dezer vraag eischt verfcheidene voorafgaande bepalingen, welke zeer noodzakelyk zyu om niet te vervallen in een firyd van
woorden. Maar deze zouden my te verre van myn beftek af brengen.
Ce) ARRIAN, UI, Dist, 13. M ANTONINUS IV, 13 et ibi Gataker,
Page 97
View in PDF(opens in a new window)tot die algemene verbranding der waereld, welke
zy, gelyk wy zo ftraks zien zullen, dachten te zullen plaats hebben (4). De zulke, welke het laatfte gevoelen aankleefden, fpraken niet alleen van zuiveringen en reinigingen, welke in dien tusfchentyd zouden
plaats hebben (2), maar fchilderen ons ook den ftaat
der zulken, welke reeds die zuiveringen ondergaan
hadden, met bekoorlyke verwen af, gelyk men voornamentlyk zien kan uit de zogenaamde vertroostingen
van SENECA. Dus geniet by voorbeeld volgens hem
de vader van Marcia een nieww en zeer ongewoon licht,
hy vermaakt zig met de fferren in haren loop na te fpeu- Zy [praren, en doorziet de binnenfle geheimenisfen der natuur (c). de gela
Dog op welke losfe gronden diergelyke hoogdravende fear, dog
opwankee.
.
.
uitdrukkingen by Seneca rusten, en welk eene nietige jode
bron van troost er uit voortvloeide, betuigt hy ons sed”.
zeer klaar, en wel in dat zelfde boek, (4) waarin hy de
zaligheid des toekomenden levens pryst. De mensch,
zegt by, is na den dood in denzelfden ftaat als toen
hy geboren wierde. Dog van Seneca zal ik beneden
nog nader fpreken.
Eindelyk, dat alle ziclen in de algemene verbran- Alede
ding der wacreld volkomen met God wierden veree- fe
moesten
|
vermietige
nigt, hierin ftemmen alle de Stoifche Wysgeren over- worden
198
deaigemefchok
een, daar zelfs de mindere Goden door dien
der ne vere
(a) En dit fchynt wel het meer algemeen gevoelen geweest te zyn, ten minften in de tyden van Cicero. Want deze zegt, dat de Stoifchen den mensch
een Krajen leven toefchreven. Tufe. Difp. I, 31.
(6) Seneca Confol. ad Marc. 25.
(c) Ter aangehaalder plaats,
(4) Contol. ad Marciam c. 19.
Page 98
View in PDF(opens in a new window)Branding der natuur, welke de waereld tot een woesten romp
deve
(chaos) maken zoude, moesten omkomen, of verdelgt worden (4). Het is hier de plaats niet, om van
deze zo beroemde Stoifche verbranding der waereld
breder te handelen. Laat ons alleen aanmerken, dat
men dezelve voor noodlottig hielde, (want ook Jupiter zelfs was het noodlot onderworpen) en dat ze
volgens noodzakelyke tydperken al oneindige reizen
gefchied was, en nog oneindige malen gefchieden
moeste, en wel zo, dat, na het ontwarren der chaos,
telkens wederom dezelfde gedaante der dingen plaats
zoude hebben, zo dat er by voorbeeld weer een Soana crates moeste geboren worden, wiens lotgevallen en
Branding even volmaakt gelyk zouden zyn met die van den
wederom
int
vleesc
beroemden Athenienfer. Zy noemden deze opvolging
kwamen
isLETEVTWMATWTIG.
Euister.
Maar of nu de volgende Socrates
juist dezelfde zyn zoude met den vorigen, dan liever
hem in alles volmaakt ge/yk, hieromtrent fpreken alle
Stoicyren niet op dezelfde wyze (4). Dit is zeker, dat
men op deze drogredenen de leer der onfterfelykheid
dachte te vestigen (c).
ze.
Wet de Stoifchen kunnen wy onze verhandeling,
zerafie- ZO verte zy de ftellingen der oude Griekfche Wys-
F8
geren verklaren moeste, befluiten, volgens het geen
wy hier boven omtrent de oude fcholen en derzelver
Page 99
View in PDF(opens in a new window)kenmerkende gevoelens hebben aangemerkt. En dus
zullen wy overgaan tot de Romeinen, welke afdeling
echter vry korter zal kunnen zyn dan deze geweest is.
DERDE
AFDELING.
Bevattende eene [chets der Romeinfche begrippen
en wysgeerte, omtrent den fiaat der men{chen na dit leven.
D. krygshaftige zonen van Mars hebben in de tyden huuner opkomst geene de minfte genegenheid Kr,
betoont tot enige wetenichappen, en wel vooral niet nalen
tot het beoefenen der fyne en afgetrokkene wysgerige /cbe aysgeerte niet
ftelfels der Grieken. Ook by meerderen voortgang der gunflig.
befchaving ontbrak hen dat fpitsvinnig vernuft, het
welk de Grieken kenmerkt, en by hen tot redekavelingen en befpiegelingen zo natuurlÿk overhelde.
Daarby waren onder de Romeinen de voornaamfte
beoefenaren der wetenfchappen, en wel der wysgeerte
in 't byzonder, mannen van den hoogften rang in den
ftaat, Laeliusfen, Scipioos, en Varroos, welke zig
nooit voor leeraren of hoofden van eene fchool zochten op te werpen. Ja de oude Romeinen, welke gewoon
Page 100
View in PDF(opens in a new window)woon waren de Grieken te verachten als een volk van
kwade trouwe, en zecr flechte beginfelen, hielden de
Wysgeren voor de voorname oorzaken van zedenbederf, en van begrippen, tot verderf van den ftaat uitlopende. Ook moet men bekennen, dat Karneades,
de ftichter dier nieuwe Academie, (welke, in gezand-
{chap na Rome gezonden zynde, de lust tot de Griek{che wysgeerte aldaar onder de jeugd eerst begon op
te wekken,) juist die man niet was om die ongunftige denkbeelden weg te nemen, of om zyne leer by
hoofden van het gemenebest aangenaam
te
maken.
Want, daar hy openlyk voor de rechtvaardigheid geredekavelt, en die deugd met zeer veel kracht van
welzeggen aangedrongen hadde, haalde hy den volgenden dag alle zyne grondflagen omverre, en toonde
dat er geene rechtvaardigheid was (2). Waarom dan
de geftrenge Cato, na den Raad te hebben befchuldigt, dat men deze Griekfche gezanten, of liever be-
Dress dervers der jeugd, zo lange in de Stad hadde laten
deWyge- verblyven,
een
befluit
doordrong,
waarby
zy met
zachte woorden gelast wierden te vertrekken, en hunne wetenfchap elders ten toon te fpreiden, terwyl men
-
oordeelde, dat de Romeinfche jeugd, gelyk te voren,
zig enkel moeste bevlytigen om de wetten en de voor-
{chriften der Overheden wel te verftaan (5). Omtrent
die zelfde tyden is er ook een ander raadsbefluit gemaakt, volgens het welke de Griekfche Wysgeren ter
Stad wierden uitgedreven (c). En deze voorzorg van
Page 101
View in PDF(opens in a new window)Cato en anderen heeft ten gevolge gehad, dat de Grick{che fcholen tot omtrent de tyden van Cicero geenen
den minften opgang maakten, en dat zy zelfs de laatfte onder alle de toen bekende wetenfchappen het
hoofd opbeurden (2):
Daar nu de Romeinen zo vreemd waren van de De wlksbuitenlandfche gelcerdheid, zyn zy ook zekerlyk zeer rate
lang onkundig gebleven van de begrippen der Griek- Romeinen
fche:Wysgeren omtrént ’s menfchen ziel en den ftaat den flaat
na dit leven. Zig houdende aan de overleveringen en aaah.
denkbeelden hunner vaderen, ftelden zy een leven
hier namaals,.hoewel met die ruuwe en zinnelyke be-
..
palingen, welke men van een onkundig en onbefchaaft
volk natuurlyk moeste verwachten. En offchoon er
onder de geleerden getwist word over de bronneneen
oorfprong van den openbaren godsdienst
onder de
oudfte Romeinen (2) is het echter klaar, dat die der
Gricken met deszelfs fabelen
en toeftel van hen is
overgenomen. Waarom ik dan omtrent de oude volksbegrippen. der Romeinen, in zo verre dezelve den
toekomenden ftaat der menfchen betreffen, hier niets
te voegen heb by ’t geen ik te voren in ’t algemeen
breder heb behandelt. Laat ik dit echter aanmerken , Dt jal
dat de cerfte rang onder de gelukkige onfterfelyken
, lsheid
by dit oorlogzuchtig volk, zekerlyk den“krygshelden, perdo
en denzulken, welke voor ’t vaderland fneuvelden, 85487:
wierde toegezegt, daar men ook in de oudfte tyden
de
y
(4) Cicero Tufe. Difput. I, 3.
(5) BEAUFORT Republ. Romaine, ou plan general de l’ancien gouvern, de
Rome, Tom, I, p. 4.
Page 102
View in PDF(opens in a new window)de Godheid zelfs onder het zinnebeeld van een pick
eerde (2). Ja, deze aloude denkbeelden, volgens welke
uitmuntende
vaderlandsliefde,
met
hogen
paart, tot een gelukftaat na dit leven
voor de rest van ’t menschdom
rang geopklom, welke
ontoeganglyk was,
zyn ten allen tyde by de Romeinen gevestigt gebleven, zo dat wy zelfs by hunne Wysgeren, en wel
byzonder by Cicero, er {poren van aantreffen, gelyk
men ftraks zien zai.
Ook was de zogenaamde vergoding der Keizeren op geenen anderen grond gebouwt;
Vergoding
want deze wierden geacht tot den rang der
.
.
helden
der Keize. OP te klimmen, en by hunne verbranding ten hemel
vn.
De ory.
opte varen (2).
Maar wanneer nu eindelyk de Romeinen, niet alenter
leen hunnen
de Romei-
Wysgeren langzamerhand meer en meer begonden te
ouden haat vergetende,
de
Griekfche
»eneens
achten, en in hunne hooftftad wel te onthalen, maar
dor,
Ook hunne kinderen na Griekenland zelfs zonden, om
klaps
.
.
aldaar door beroemde meesters te worden onderwezen, brak de vrydenkery zo veel te fterker door, naar
mate zy langer was wederhouden geweest, of onbekend
(a) Justinus Lib. XLIII, cap. 3.
(5). De ziel wierde by de verbranding van het lichaam afgefcheiden, volgens
de begrippen der Remeinen. En om deze rede, of om de ziel zo veel te fchielyker los te maken, hadden zy die verbranding in plaats van het begraven der
lyken ingevoert, SERvVIUS ad Virg. 11, Aen. 67, Aesyptii periti fapicutiae
condita diutius refervant corpora, feilicet ut anima multo tempore perduret, et
corpori fit obnoxia, nec cito ad alia tranfeat. Romani contra faciebant comburentes cadavera , ut flatim anima in generalitarem, id eff in [uam rediret naturam.
En hierom wierde er by de verbranding van de Iyken der Keizeren een Arend
op den houtftapel geplaatst, welke de losgemaakte ziel ten hemel op moeste
voeren, gelyk ons Dion. Cassius verhaalt by
ftatie van Auguftus en Pertinax, en
de befchryving van de lyk-
HERODIANUS by die van Servius.
Page 103
View in PDF(opens in a new window)kend gebleven. Ja, daar de Grieken, gelyk wy boven
zagen, nog wetten hadden, by welke het verboden
was op natuurkundige of bovennatuurkundige gron- fone min
den over de Goden te redekavelen, vinden wy niet, fenddar
‘ dat de Romeinen Choewel zy het invoeren van VICEM- Grieken.
de plechtigheden, welke den ftaat konden beroeren,
tegenftonden) de vryheid van denken, en wysgerige
ftellingen voor te dragen hebben beteugelt, althans
niet ten tyde wanneer de ftaat in den grootften bloei
was. In tegendeel lezen wy, dat elk te Romen fpreken mochte wat hem goeddacht, zo zyne daden maar
met de wetten overeenftemden (4). Zelfs fchynt men
te Rome de leer der verborgenheden vry te hebben
mogen voordragen, het welke in Griekenland op zware ftraffen verboden was; althans wy vinden geene ¿y
Ss genbeden
‚wetten hier tegen (2). Waarom dan 00k VIRGILIU
die verborgenheden klaar genoeg dorst te befchryven | Rome niet
(want wy hebben te voren gezien, dat de zesde Ac- geheim.
neis hier toe behoort) het welke hy in Griekenland
zekerlyk niet zoude -hebben gewaagt. Eindelyk hadde
de uitheemfche geleerdheid, en vooral de ftellingen
van Epicurus te Rome zo veel velds gewonnen, dat
het gemene volk zelfs de oude leer van beloningen
en ftraffen na dit leven begonde te verwerpen (c), Losbanja, dat Caefar in den vollen raad ftaande houden dorst, D eine
dat
Ça) Tacitus Annal. 1,72. Seneca Contr. I, non longe ab initio.
(5) De Romeinen deden zig elders inwyen, want te Romen zelfs hadde men
geene eigentlyke verborgenheden voor de tyden van Keizer Hadriaan. Mosuem.
Comm de rebus geft. Chriftian. ante Conftant M. Cap. 1, $ 13.
(c) Quae anus tam excors inveniri pote? , quae illa, quae quondam apud inferos
timebantur, extimescat,
CICERO de nat. Deorum Il.
Page 104
View in PDF(opens in a new window)felenten dat er na den dood noch vreugde noch fmerten te
sydevan wachten waren (4), en eindelyk dat dit gevoelen van
Caefar
en Cicero. Caefar door niemand zyner Mede-Raadsheren wierde
tegengefproken (2).
Dusdanig was de gefteltenisfe der tyden,
en der
Romeinfche zeden, toen een der grootfte vernuften
mn Judios der wacreld M. T. Cicero onder hen leefde en fchreef.
ayn karak-Men
+
kan reeds uit het zo aanftonds gezegde befluiten, dat geen vrees voor wetten zyne pen behoefde
te wederhouden; en dat hy ook van deze vryheid
gebruik gemaakt heeft, blykt uit zyne wysgerige
fchriften in ’t algemeen, in welke hy den volksgodsdienst zonder de minfte achterhoudenheid durft aantetasten.
“
Men zoude dan volgens dit alles mogen hopen,
dat niemand zyne gedachten omtrent den ftaat der
menfchen na dit leven klaarder zoude hebben opengelegt dan Cicero. En hoe verre het evenwel hier van
daan zy zal zo ftraks blyken.
|
Het kenmerkend karakter van den wysgerigen Staatsmana an en Redenaar zyn een zeer fchitterend vernuft,
pe cel en verwonderlyke verbeeldingskracht
met een min
vast oordeel gepaart, waarin de bron was van die on_ beftendigheid, welke, zo in zyn leven en gedrag als
in zyne beginfelen, overal even fterk doorftraalt. Hier
kwam de opvoeding by. Wel verre van zig aan eenen
meester, of eene fchool te houden, hoorde hy, behalven de Academifchen, ook zulke Stoifche, Peripa(7) Oratio Caefaris apud SALLUSTIU
M de bello Catil. Cap. 560, felt. 20.
(2) Cicero in Catilin. IV, 5. Caro.apud SALLUST, 1. L cap. 54.
Page 105
View in PDF(opens in a new window)patetifche, en Epicurifche Wysgeren, welker namen Zeer
in dien tyd de beroemdfte waren (a). Maar, daar hy 7%"
zig wel voornamentlyk op de wysbegeerte ‘toeleide , hulpmidter verkryging van volkbehagende welfprckenheid, certe
welke den weg konde banen tot eerampten en aan- ae
zien, (gelyk uit zyne eigene bekentenis blyken kan) tenbeia,::
(5) moeste de Academifche leertrant hem wel het meest
voldoen, wyl de middelfte en nieuwe Academie enkel beftonde uit twyfelaars, welke zig voornamentlyk
bezig hielden met beurtelings op te bouwen en af te
breken, en hunne fcherpzinnigheid en kracht van welzeggen toonden, door alle zaken voor en tegen te
befchouwen, en met bewyzen, gegrond op zulke ftellingen, welke algemeen aangenomen waren, te bevestigen. Hoe zeer de redenaar die beginfelen hadde ingezogen, blykt uit zyn eigen zeggen, wanneer hy,
zig verzettende tegen de zulke, welke zyne vlottende denkwyze berispten, antwoord, dat hy, offchoon
niet van zekere en onzekere zakenfprekende, echter de
waarfchynelyke van onwaar/chynelyke onderfcheidde Ce).
Nu zal men reeds klaar genoeg bemerken, dat wy Men vind
by Cicero: te vergeefs ftellige beginfelen zouden zoe- er.
ken omtrent den ftaat der menfchen na dit leven. En “¢4ezyn in dit ftuk zo vlottende onen
zekerlyk zyne begrippen
dat men, dezelve over het geheel befchou- 7/7
en onzeker,
wende, naaulyks zoude durven beflisfen, of de leer ve».
van een leven hier namaals by hem waar/chyalyk ge~
(a) Cicero de Offic. IT, 1. ad diverfos XIII. Epift.1, et 16,
- (6) In Paradoxis init. Vid. etiam de Offic. U, 1, et ibi not.
weest
- (e) Cicero de Offic, II, 2. Zie ook Tufc. quaett. II, 25, lei
Page 106
View in PDF(opens in a new window)weest is dan niet.
Den Academifchen redeneertrant
volgende, brengt hy gemeenlyk de gevoelens van anderen by, zonder het zyne te uiten, ja, verklaart den’
zulken, welke ook dit weten wilden, dat zy zig nieuws-'
gieriger toonden dan nodig was (4). Men zal dan uit
Hybe,
de boeken, welke by wyze van zamenfpraken gefchredit fuk as VEN ZYN, en vooral uit de cerfte Tusculaanfche niets
er dee kunnen bybrengen, het welk enigfints de ware gevoedemisch
ER lens van den Schryver kan ophelderen. Hy befchouwe.
zyden.
niet alleen in deze, maar ook in andere werken, de
leer der onfterfelykheid op beide kanten,
en befluit
met eene bekentenis van onzekerheid (4). De fchone
gedachten, welke men over den ftaat der gezaligden
by hem vind, dat zy, in onderlinge gemeenfchap levende, een licht en kennis zullen genieten, welke deze waereld niet kan geven (c), zyn uit de fchool van
Socrates, en het is moeielyk ‘om te bepalen, of Cicero
er zelfs zyn zegel aan hing. Dit fchynt echter klaar,
dat hy het oude denkbeeld, waarby den dapperen en
heldhaftigen beloningen worden toegezegt, tot welke
de ftille en onberoemde deugd nooit konde geraken,
heeft gevolgt, gelyk uit meer dan eene plaats, in -zyne werken voorkomende, kon worden bewezen (4).
Maar zoude men misfchien ook meer licht uit de '
(4) De Natura Deorum I, 5.
‘(b) Tufcul. quaeft, I, in f. de Seneét. in fine.
(c) De Seneét, Cap. ult.
(4) De clari viri Tufe. I, 13, zyn befchermers of uitbreiders van hun vaderland. Op eene andere plaats noemt hy dezelve beneficiós excellentes viri, dat is,
S
mannen, welke nitftekende weldaden aan *t vaderland hadden bewezen. De N.
D. II, 24. De denkbeelden der Ouden omtrent de vaderlandsliefde waren zo
uitgeftrekt, dat dezeive onder alle de deugden by hen den ecriten rang befloeg.
Page 107
View in PDF(opens in a new window)gemeenzame brieven van Cicero hebben te wachten,
daar in deze, gelyk hy zelfs aanmerkt (4), dikwerf
ernftige gedachten worden gevonden, welke men ech- ee
te hebben gemaakt? War- vermag
niet begeert ruchtbaar
ter
.
.
befluiten
BURTON denkt ja (2), en gelooft klaar te kunnen dar £y de
bewyzen dat Cicero in dezelve de onfterfelykheid der she der
ziel met duidelyke woorden ontkent, en voor een # of den
volflagen Epicurist uitkoomt. Dog de plaatfen, door rene
hem bygebracht, bewyzen, wanneer men dezelve recht 992%
befchouwt, niets meer dan dat alle gevoel van angst en
finerte, welke een braaf burger by de rampen van zyn vaderland aandoet, na den dood moet ophouden, en deze
gedachte is beide Socratisch en Platonisch, gelyk wy
te voren gezien hebben (c).
Zie daar dan alles het geen wy omtrent de gevoelens van Cicero, betreffende den ftaat der menfchen
na dit leven, kunnen zeggen. Men kan er uit befluiten, dat hy, veel voor de onfterfelykheid der ziele
fprekende, zig nergens ftellig tegen dezelve verklaart
heeft. Waaruit dan zoude mogen worden opgemaakt,
dat deze leer by hem onder de waar/chynlykheden behoort heeft. Laat ons intusfchen den man zelfs beklagen, welke, daar hy met een plechtigen eed betuigt,
van
(4a) Phil. Orar. II, 5.
(4) II Deel bl. 246.
Cc) Vid. Epinomis in f. Alle de brieven, door Warburton aangehaald (V,21,
VI; 3, en VI, 21.) zyn door Cicero gefchreven aan zulken, welke in den burgerkryg de party van Pompejus hadden omhelst. Hy troost dezelve overhetleed,
het welke de ongelukkige tyden in hen verwekten, met aan te merken, dat dit
gevoel (fenfus) met den dood zoude ophouden. Cicero noemt elders dat woord ,
om by uitftek die aandoeningen aan te duiden, welke de rampen van den flaat
by deugdzame burgeren verwekten. Orat. pro domo C. 36.
Page 108
View in PDF(opens in a new window)van zucht ter ontdekking der waarheid
te branden
(a), met dit alles het gewichtigfte onderwerp van alle
nafpeuringen niet verder heeft kunnen brengen.
Na den dood van Cicero, en toen Augustus het
nn
ROMeinfche ryk in cene volftrekte en vaste flaverny
van Au- „gebracht hadde, was de leer van Epicurus wel meest
guflus wa
de Epicu- "getrokken by zyn bedorven en gansch zedenloos hof.
rifery0?
Tn de naastvolgende tyden echter begonde de Stoifche
den troon.
wysgeerte het hooft meer en meer op te fteken, welNaderband wonnen de
“Alter
ke {chool zekerlyk grote Staatsmannen en de beste
.
|
Keizeren aan Rome gelevert heeft (2).
In die dagen bloeide ook te Rome een groot meester dezer wysgeerte, namentlyk
SENECA. Want offchoon hy voor een zelfdenker
Seneca, _wil doorgaan, welke zig aan geene begrippen van ande-
Shoo re verflaafde (c), blykt het echter genoegzaam, dat de
eerfte beginfelen zyner leer, omtrent God, de ftof, en
het noodlot, volftrekt Stoisch zyn. De mensch is dan
by
(a) Academ. IV, 4.
(4) De Schryver van het flechte boekje Abregó de Phifoire Ecclefaftique de
Fleury zoekt ons in de voorrede te beduiden, dat de fchielyke voortgangen van
het Christendom nergens anders aan moeten worden toegefchreven, dan aan die
overeenkomst, welke er was tuffchen de leer van Zeno en Christus. Hoewel nu
de Abt Raynal in het laatíte deel van zyne Aiffoire Philofophique et Politique
en andere Schryveren van dien aanleg deze gedachte goedkeuren, is zy echter
zeer ongegrond, en duid grote onkunde aan, zo in de Romeinfche gefchiedeniffen, als in die van het Christendom. Want, om nu niet aan te dringen, dat
die geroemde gelykenis enkel in woorden en fpreekwyzen beftaat, waren de
grootfte dryvers der Stoifche wysgeerte juist de bitterfte vyanden van ’t Christendom, gelyk uit de werken van M. Antoninus blyken kan. En het geen alles
afdoet, de grootfte begunftigers der Stoifche wysgeerte waren Staatsmannen en
Rechtsgeleerden, maar de eerfte Christenen niet veele wyze, niet veele machtige, niet vecle edele, PAULUS 1 Corinth. I, 26. Waarom dan ook de Romeinen zelfs het Christendom hielden voor den godsdienst van ’t gemene volk,
Dog laat ik niet te ver buiten myn beftek treden,
(c) SENECA de vita beat Cap. 3. Epift. 45.
Page 109
View in PDF(opens in a new window)by hem, volgens die leer, een gedeelte van God (2).
Dog of hy de ziel voor ceuwig moeste houden (want
eigentlyke onfterfelykheid kan in het Stoisch ftelfel
geen plaats vinden) hierover fchynt hy hier en daar
vry twyfelachtig te fpreken (2). Maar op andere plaatfen vergelykt hy die gedachten van ceuwige voortduring by zoete dromen, welke {chier zo ras vervliegen
als zy opkomen (c). Waarom dan ook de doden,
volgens hem, niets hebben te vrezen (4), wyl de dag
des doods hen in dien .zelfden ftaat brengt, waarin
zy waren voor de geboorte (¢); ja, daar zelfs de heldhaftige zielen zekerlyk niet langer zullen beftaan dan
tot de algemene verbranding der waereld (7).
loPLIiNIUS de oude, of de Schryver der natuurlyke Pins
gefchiedenis, leefde in denzelven tyd, en wat later. ren
Hy word van de meesten onder de Epicureers ge- dit leven.
plaatst, dog andere hebben te recht aangemerkt, dat
men de kenmerkende ftellingen van enige der Griek{che fcholen te vergeefs by hem zoude zoeken. Wat
er van zy, dit is zeker, dat men by Plinius geene gedachten omtrent den toekomenden ftaat der menfchen
vinden zal, daar hy ons met ronde woorden verklaart,
dat ziel of lichaam na den dood zo min enige gewaarwording hebben zullen als zy voor de geboorte hadden (g)-
.
|
(5) Epift, 63, et 117.
(a) Epift. 40, 74, 92.
‘(4) Epift. 82.
(c) Epift. 102.
(e) Epift. 102. Confol. ad Marciam, c. 19.
Lf) Confol. ad Marc, in f.
(g) Hiftor, Natur. VII, 55.
Page 110
View in PDF(opens in a new window)PLUTARCHUS de Chaeroneer bloeide onder
de
Cotachten ROMeinen omtrent die zelfde tyden, tot aan de revan Pia.
gering van Hadriaan. Zyne begrippen omtrent ’s men-
‘arcu fchen ziel waren, gelyk wy uit zommige plaatfen kunnen opmaken, meest Pythagorisch en Platonisch. Althans hy fpreckt, van de vlakken der ziel en derzelver
zuivering, volmaakt volgens de denkbeelden van Plato (a). Ook ftelt hy elders de oude leer voor, volgens welke enige weinige menfchen, boven den kring
hunner natuur verheven, helden, ja eindelyk Goden
A
D
moesten worden; en deze leer (voegt hy er by) be-
°
hoort niet alleen tot de inftellingen van den burgerly-
|
ken of uiterlyken godsdienst, maar fchynt zelfs alle
kenmerken van waarheid, ten minften van de hoogfte
waarfchynlykheid te hebben (2). Dog op welken losfen voet alle deze beginfelen by hem ftonden, kan
uit zyn werkje over het bygeloof blyken, alwaar de leer
van toekomende ftraffen onder de uitvindingen van
het domme bygeloof word geplaatst (ce).
i
N
(c) Prurarcn. de his qui fero a Numine puniuntur 564, 565 Opp. Tom. 2,
(4) In vita Romuli p. 36. Opp. Tom. I.
*
Ce) De Superftitione 166. 167. Tom. II.
Page 111
View in PDF(opens in a new window)BESLUIT
Ni houde ik de voorgeftelde taak, volgens het
programma, voor afgedaan. Ook is de rede, waarom
het edele Genoodfchap de nafpeuringen der Schryveren by of omtrent de tyden van Seneca bepaalt heeft,
‘zeer gegrond. Latere Wysgeren (zegt het programma)
hebben veelligt eenig voordeel van de Christelyke
openbaring kunnen ontvangen, en dus is het zeer mogelyk, dat zulke betere en meer redelyke begrippen,
omtrent den ftaat der menfchen na dit leven, als wy
by hen zouden mogen aantreffen, geene vruchten van
‘eige vinding waren, maar ftralen van een hoger licht,
uit de Goddelyke bron zelfs gefchept.
Niet alleen hebben de Stoicynen, welke na de ver- De Wasgen
fpreiding der Euangelieleer leefden, van de Christe- erbebben
nen geleert hunne wysgeerte te veredelen (4), maar Christen
vooral ook heeft het Platonifche ftelfel, met het wel- 775"
ke de meeste oude kerkvaderen zo buitenfporig veel.
op hadden, door den invloed der Goddelyke leer eene
aanmerkelyke verandering ondergaan (2). Dog daar
deCa) BrUCKERT,
10) WarBURTON II, 308.
Page 112
View in PDF(opens in a new window)deze zaak door veele geleerde Schryveren, en wel
byzonder door de verhandeling van den groten MosHEIM, opzettelyk over dit onderwerp gefchreven, in
een zcer klaar daglicht geplaatst is, zal ik er hier niet
verder by blyven ftilftaan. — De lezer heeft uit deze
ve verhandeling zelfs genoegzaam kunnen zien, hoe ongegrond de grootfpraak der Heidenen was, wanneer
deelpe.
werden zy beweerden dat het Goddelyk licht, waarop de
Christenen roemden, niet onlangs. van den hemel was
gedaalt, daar het reeds voor vecle eeuwen hunne wÿzen beftraalt hadde (4). Laat ons echter aan den anderen kant zorg dragen, dat het licht, het welk God
buiten de openbaring aan ons geflachte heeft willen
fchenken, (hoe gering het dan ook zyn mag, inzonderheid wanneer men ziet op het door ons behandelde onderwerp) niet moetwillig werde verdonkert, gelyk veele dit hebben trachten te doen, daar zy de
grootheid van Gods goedheid dachten te verheffen,
naar mate de krachten der rede wierden verzwakt (2). .
De volboi1
desiyds,
Die volheid des tyds, in welke Jefus Christus op
aarde verfcheen, was (zo verre wy een eerbiedig oog
Ces durven flaan op het aanbiddelyk plan, door het Opin’
perfte Wezen in de zedelyke opvoeding der menfchen
Awa.
gevolgt) juist deze, in welke de waereld befchaaft genoeg
(2) KorTHoLT de Origine Chriftianismi ex fententia paganorum.
(4) De meeste oude Kerkvaderen hebben reeds deze ftelling te ver getrokken, als of de menfchelyke rede niets goeds, en geene de minfte gronden van
natuurlyken godsdienst zoude hebben kunnen vinden zonder behulp der
openbaring. Waarom dan volgens hen Plato, Pythagoras en anderen noodzakelyk
van Mozes en de Propheten moesten hebben geleert, Justin.
Mart. Apol. I,
$ 57. Ed. Oxon. Aucustin. de Civ. Dei XXVIII, 2. Minucius
FELIX
p.m. 330. VALESIUS ad Eufebium Orat ad S. coetum cap.
Page 113
View in PDF(opens in a new window)noeg en voorbereid was, om de leer des tockomenden
levens en der onverderflykheid, door den Goddelyken
meester aangekondigt, met nut aan te hooren en te
ontvangen. Het meest befchaafde gedeelte des menschdoms was in dien algemenen ftaat van twyfeling, en
onftandvastigheid der beginfelen, welke altoos den
overgang van domme onkunde tot eene op redelyke
bewyzen fteunende overtuiging maken moet. — De
der kindsheid was voorbygegaan, en de jongeftaat
lingfchap genaakte. — De wyste onder die volkeren
hadden lichts genoeg om den onredelyken, en by de
eerfte inftelling der maatfchappy vastgeftelden gods- „„„z,
dienst te verachten. — Zy wierpen dan die oude ge- men/ebedenktekens van bygeloof omverre, maar verwarden Bbeden.
zig te gelyk in de doolhoven van verwaande geleerdheid, welke, wel verre van het heil hunner natuurgenoten te bevorderen, hen alle gronden van troost ont- |
rukte, en dat wel zulke, op welke de allernuttigfte
waarheid rusten moeste, waarin zy ooit belang ftellen
konden.
Toen wierde er een Goddelyk bouwmeester vereischt, om die zo jammerlyk omverre gehaalde grondftutten van hoop.en troost op te rechten, om het
licht der onftervelykheid op den kandelaar te plaatfen.
Het waare Christendom zal enkel de godsdienst der
befchaafde waereld zyn. — Hoe ellendig zyn de uitzichten in de ecuwigheid verdonkert geworden, naar
mate de volkeren, na de komst van Christus in ’t
vleesch, in onkunde, en tot deszelfs onaffcheidbaren
medSss 2
Page 114
View in PDF(opens in a new window)AT—TR
medgezel, het bygeloof, vervielen (4)! — Toen begon
men niet alleen de hoop eener gelukkige, of vrees
Perbastering der
Euangedieleer.
eener rampzalige onftervelykheid te hechten aan willekeurige inftellingen, welke op deugd en godzaligheid of geen de minfte betrekking hadden, of ook
wel tegens dezelve regelrecht aanliepen; maar ook de
plaatfen van toekomend geluk of fmerte met die trekken af te malen, welke den zinnelyken en onbefchaafden mensch zo natuurlyk eigen zyn. — Toen wierden de Elyfefche velden,
de -Tartarus
en Acheron
weer van nicuws geopent en ingevoert, alleen met
verandering der namen. — Ik wil deze, voor het
menschdom zo vernederende aanmerkingen, niet verder uithalen en betogen,
anders zouden my de zogenaamde legenden van zommige bedriegers of dwepers, welke men heiligen noemt, de grollen van
een
Caefarius, en andere Schryveren van dit foort, hiertoe overvloedige gelegenheid verfchaffen. — En och
dat ook in die eeuw, welke wy beleven, het verband
tusfchen de deugd, op de voorfchriften van den alterheiligften godsdienst gegrond, en de hoop eener
aanftaande zalighcid over ’t algemeen beter wierde besrepen! Dat onze natuurgenoten niet voortgingen met
te denken gelyk de kinderen, maar als mannen de
neigingen der jeugd lieten varen!
Nog eens; het echte Christendom is niet de godsdienst
(a) Ik zoude gemakkelyk kunnen. bewyzen, dat men zelfs onder de oudfte
Kerkvaderen zeer grillige denkbéelden, betreffende ’s menfchen ziel en derzelver beftemming na dit leven aantreft, Dog dit zoude my te ver van myn befek
afvoeren.
Page 115
View in PDF(opens in a new window)dienst der volkeren, welke in eene zedelyke kindsheid
leven. — Neemt dit ter harten gy alle, welke de verhevene beftemming hebt, om uwe medemenfchen te
kunnen befchaven, en verlichten. Gy groten der aarde, welken het beftuur en de opvoeding uwer burgeren is toevertrouwt, flaat een medelydend oog neder
op die afgelegene gewesten der waereld, in welke men
nu reeds eeuwen gearbeit heeft om de leer des Euangeliums voortteplanten, zonder aanmerkelyke vrucht.
Denk dat vooraf de mensch moet worden befchaaft,
zal de Christen worden gevormt.
Gave God, dat de wensch van alle beminnaren van
den godsdienst, welke hunne medemenfchen voor
broeders en kinders van denzelfden vader erkennen,
eindelyk werde vervult.— Dat de klachte van Profeet
JEREMIAS (a), de kinderkens eifchen brood, daar en
is niemand die het hen mededeele, nergens op aarde toepasfing vinden mochte!
(4) Klaagl. van Jeremia IV, 4 |
Page 116
View in PDF(opens in a new window)No text on this page.
Page 117
View in PDF(opens in a new window)No text on this page.