Mostrar texto completo19 páginas
Página 1
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)MEY BOSA, Au.
Y ASS - LAR
DE SPREUKEN VAN SEXTUS.
Schrijvende tegen Celsus brengt Origenes ergons in herinnering een gapieoráry yvauy, waarvan hij beweert, dat of oaaci
tay gpotiavov haar weten te vinden év raïs Léxorov yvomas |),
Bedoolde sprouk houdt in, dut het nuttigen van vleeschspijzen
wel niet volstrekt verkeerd, maar toch weinig aanbovelenswaardig
is. Elders hault hij eon woord mot ascotische strekking, dat aan
Matth. 18:8, Y herinnert, aun met de verzokering: Quoi de
Sékros ¿y tals yvouais Brio Depoéves mapà rodri: ws oki,
en straks een soortgelijk als te lezen ¿y tg aûr@ fBiBaiwi). Het
bock, waaruit hij citeert, genoot dus bij zijn christelijke lezers
zekere vermaardheid en was mede door hem zelven niet zonder
vrucht gebruikt. Aangaande den persoon des schrijvers evenwel
laat hij zich niet nader uit.
Evenmin doen dit christelijke schrijvers vóór hem.
Daarentegen zijn lateren overvloediger in hun mededeelingen,
maar, gelijk zoo menigmaul in dergelijko gevallen, hunne onthullingen zijn meer geschikt om ons io do duisternis te brengen,
dan in het licht.
Aangezocht om
voor cen heilbegeerige lezeres een gemakkelijk te verteren en tegelijk stichtelijk geschrift op te stellen
— ubi neque laboraret in intellegendo et tamen proficeret in
legendo
—
meende
Rufinus
Sextus in
het latijn
hij
mededecling
op de
te
niet
beter
vertalen. ‘Tot
van
dat
te
kunnen doen dan
nadere toelichting laat
plan volgen: „quem Sextum
ipsum osse tradunt, qui apud vos, id est in urbe Roma, Xystus
vocatur, episcopi ot murtyris gloria decoratus.” Het boek zelf
omschrijft hij als zoo beknopt, dut ieder vers zinrijk is op zich
1) e, Cela.
VIII 30.
Theol, ‘Tijdschr. XXXIL
2) In Matth,
Página 2
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)zelf, zoo pittig, dat een enkele spreuk tot heiliging van een
geheel leven kan volstaan, zoo helder, dat het aan elk voorwendsel tot misverstand ontbreekt. Hij zou willen, dat het van
zijn lezeres zoo onafscheidelijk werd als de ring aan hare hand,
die niet afgelegd wordt dan om een plaats te erlangen onder
de hoogst te waardeeren schatten. Na bijvoeging van eenige
nuttige lessen van een vromen vader aan zijn zoon, meent hij
aan het geheel den naam van Anulus of Enchiridion te mogen
457
nulla patriarcharum, prophetarum et apostolorum fit mentio.”
Niets christelijks
vond
Hiéronymus in de gansche epreukverzameling. Mocht de auteur al een „homo gentilissimus” heeten
en zijn werk „multa de perfectione” bevatten, wat hij schreef
was
niettemin
„juxta
dogma Pythagoricorum, qui
hominem
exaequant
Deo.”
Aan
zulk een
onder
naam
van
een christelijken martelaar stond gelijk
den
werk ingang te verschaffen
met christenen te laten drinken „de aureo calice Babylonis” ').
Maakt deze polemiek reeds den indruk yan meer door antigeven ').
Zoo had dan de overlevering do onder christenen in omloop
zijnde en met voorliefde gebruikte spreukverzameling, die op
naam van zekeren Sextus *) stond, in verband gebracht met
den romeinschen bisschop Xystus, omstrecks het jaar 125 *),
op zijn beurt misschien weer verward met Sixtus II, die in
pathio tegen
Rufinus dan door gogronde reden tot bestrijding
van de spreukverzameling in quaestie te zijn ingegeven, ook
Augustinus kwam tusschen zijn waardeering van het populair
geschrift en zijn afkeer van de ketterij in den knel. Pelagius
touch
placht
van
deze
spreuken
van
Sextus
een
dankbaar
256 als martelaar viel *).
gebruik
Rufinus kon tegen zulk een vereenzelviging of verwisseling
geen bezwaren hebben, maar zij was weinig naar den smaak
van mannen met fijnere dogmatische voelhorens dan de zijne,
levende in den tijd der Origenistische of Pelagiaansche twisten,
en dat te minder, naarmate misschien het veel gelezen en
gecopiéerd geschrift van de wisseling der kerkelijke leeringen
meer den invloed ondervonden had, Hiéronymus althans neemt
het hem zeer kwalijk en geeft tot driemalen toe aan zijn verontwaardiging lucht, in een toon, waaraan van de oude vriendschap tusschen de beide mannen niets meer te bespeuren is.
„Miserabilis grunnius” heet Rufinus bij hem ergens, als vertaler van „Sexti Pythagorici sententiolae,” omdat hij die
dwaselijk op nnam van den martelaar Xystus stelde, ,non
uit de hand te slaan zoolang hij zich gebonden voelde aan de
Zooveel inschikkelijkheid betoont hij, schoon wetende van lieden
in duas partes frustra
— misschien dacht hij uan het decretum Gelusii
5) — dio het
considerans in
toto volumine, quod
divisit, Christi nomen et apostolorum omnino reticeri.” Wat
breeder geformuleerd luidt de aanklacht tegen de Spreuken bij
herhaling: , Nulla Christi, nulla Spiritus sancti, nulla Dei patris,
overlevering, die van Xystus den bisschop en martelaar sprak.
Hoogstens
1) Rufini Prologus.
11 15. 676 £.
3) Lipsius, Chronologie der Kôm. Bischöfe S. 190.
4) v. Ryssel, Zeitschr. f. wiss. Theol. 1895 5. 619.
kon
hij met zijn tegenstander treden in exegetisch
debat *).
Het moet
hem dus aangenaam geweest zijn later te
kunnen
verklaren:
,Verba quaedam quae velut Sixti Romani
episcopi
et
martyris
Pelagius
posuit
ita
defendi,
tanquam
revera ejusdem Sixti essent, id enim putaveram, sed postea legi
philosophi esse, non Xysti christiani” ?), Weer later zal Isidorus
Hispalensis zich op het voorbeeld van Augustinus beroepen, als
hij de spreukverzameling bij rechtzinnige christenen ten gebruike
aanbeveelt,
onder
voorwaarde dat zij zich wachten voor wat
„haeretiei contra ecclesiasticam fidem opusculo inseruerunt” *),
werk ,ab haereticis, non a Xysto” geschreven achtten.
Een boek, dat gedurende zooveel eeuwen lectuur verschaft
heeft aan heilbegeerige christenen en zoo bij herhaling de aandacht
2) Over het hoofd der zoogenaumde Sextiérs, waarmede o. a. AL, Off (Charakter
und Ursprung der Sprüche des Philosophen Sextius, Programm des Gymnasiums in
Rottweil, 1861—63) dezen Sextus vercenzelvigd heeft, zie Zeller, Phil, der Griechen
te maken. Augustinus zag geen kans hem dit wapon
trok van
beroemde kerkvaders,
mag zeker aanspraak
maken op de belangstelling van theologen. Daar komt bij, dat
1) adv. Jovinianum l in fine; in Ezech. VI 18; in Jerem. IV 22; epist. ad Ctesiphontem.
2) de natura et gratin c. 64 (77).
3) Retract, I II c. 42,
4) do vir. ill. 1.
Página 3
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)wij
kingen gedaan zijn,
’t laatst genoemde mannen noemt Krumbacher nog Maximus,
zoover ik weet ons vaderland,
gekomen
tot
in
de
tiendo ceuw.
459
op het gebied van zijn geschicdenis in de luatste jaren ontdekwaarvan
reeds
VAN 8EXTUS.
Tusschen
althans de theologische wereld in ons vaderland, nog geen
kennis genomen heeft. Ook zonder rechtstreeks nieuw licht te
ontsteken, ’twelk philologen zich kunnen ten nutte maken,
doe ik dus zeker geen overbodig werk, wanneer ik de lezers
van dit tijdschrift cenigermate tracht te oriénteeren in de
Sextus-litteratuur, daarouder verstaande zoowel de spreuken
zelve als wat daarover onder deskundigen verhandeld is. 1k
omstreeks 645,
begin met ter inleiding hot een en ander in herinnering te
leerden, ontboezemingen van mannen van name, kwinkslagen,
brengen over de gnomologie in het algemeen.
soms ook
,facetine
dit gebied
niet gemakkelijk
Niet de Israölieten alleen konden zieh beroemen van hunne
wijzen
woorden
nagelen
diep
te
bezitten, die
,gelijk
prikkelen
en gelijk
ingeslagen” waren in de volksoverlevering; niet
de eerste christenen alleen hadden met hen te beschikken over
en hij laat er op volgen Antonius,
beide
naar zijn
werk bijgenaamd Melissa. Voorts Johannes Georgides, Macarius,
Michael Apostolius *). De lijst is met namen van ondergeschikte
beteckenis aan
te
vullen,
Wel
zijn niet al de hier bedoelde
verzamelingen met Spreuken of Prediker op ééne lijn te stellen,
Behulve zedolessen of lessen
van
levenswijsheid werden ook
eitaten van anderen aard bijeengelezon,
werd
vel potius ineptiao”.
verklaringen van goDe grenzen zijn op
te trekken,
Het vluchtig beold
hier slechts ontworpen om te dienen «ls achtergrond of
als omlijsting, waartegen de spreukverzameling van Sextus te
levendiger kan uitkomen.
Do belangstelling in deze verzameling is sinds de dagen van
reeksen kernspreuken, waarmede zij hoofdstukken als de Bergrede
Augustinus
of als do paracnetische gedeelten hunner brieven konden samenhoogleeraar Gildemeister er in 1873 een uitgave van bezorgde,
stellen, geheel de klassieke wereld, de Romeinsche zoowel als
kon
de Grieksche, was van kort geformuleerde zedelessen vol. Van
edities opsommen, die aan de zijne voorafgingen en waarvan
het yvüdı cexurdy
in
het aloude Delphi tot diep in de midhij
of
Isidorus
niet
verdwenen.
‘Toen
de Bonnsche
tusschen de jaren 1502 en 1860 niet minder dan 28
hij de helft in
eigen
persoon bij zijn voorbereidende studién
ze als ven breede stroom. Verzamelingen
raadpleegde *). Die allen golden de vertaling van Rufinus. Maar
van droPléyuara en yyauai, van proverbia en sententiae van
behalve deze Latijnsche redactie, in minstens 14 handschriften
allerlei aard zagen het licht. Men behoeft slechts de handboeken
uit de 7de en volgende eeuwen tot ons gekomen, zijn er ook
deleeuwen
vloeiden
over litteratuur-geschiedenis, een Teuflel voor de Romeinsche,
nog een
een Christ en een Krumbacher voor de vroegere en de latere
afkomstig uit de 5de of Ge eeuw onzer jaartelling *), in ruim
Grieksche, te raudplegen en men vindt titols in menigto vermeld,
20 manuscripton bewaard. Zij werden voor de geleerdo wereld
Van Sententiae Varronis en Pubilii Syri spreekt Teullel ').
toegankelijk
Do
paar Syrische,
gemaukt
een meer beknopte en cen breedere,
door een uitgave van Lagarde,
in zijn
eersten noemt hij ton getale van i60, de laatsten van 700, nog
Analecta Syriaca. Die vitgave dagteekent van 1858 en kon dus
overig
mede door Gildemeister worden gebruikt. Zoo waren er in den
van
1000,
Christ
somt
„Sentenzensammlungen” op,
chus, Favorinus,
Johannes
Stobaeus
waaronder op naam van Plutar-
Democritus,
heet
niet
verschillende anthologieön en
Isocrates,
weinig
Epictetus, Die
bevat
te
van
hebben, dat
„älteren Sammlungen entnommen” was. Johannes Damascenus
zal voor zijn Parallela „ausser Stobaios noch manche inzwischen
loop der ecuwen heel wat krachten aun de Sententién van Sextus
gewijd
en
het
bolangstelling,
was slechts de opflikkering eener traditioneelo
toen
in de Inatste decennién de cene geleerde
na de andere er zich mee bezighield.
Groote verdiensten heeft in dezen de reeds genoemde Joanverloren gegangene Sammlung benutzt” hebben *). Daarmee zijn
1) Gesch, d, Byz, Litt, 1891, S
1) Gesch, der Rom. Litt, 1882, 5. 253, 408 £
2) Gesch, der Gr
Litt. bis auf die zeit Justinians, 1890, S. 707 f,
280 £
2) Sexti sententiarum recensiones Latinam, Graveam, Syriacas, p. Ll s.
Kyssel, Zeitschr, £ wiss
Theol, 1895, S, 626 Il,
Página 4
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)461
nes Gildemeister, Als man van exacte wetenschap toog hij aan
work. Met de grootste nauwkeurigheid vergeleck hij de
Gildemeister
Latijnsche handschriften, die hij een voor een opsomt en beschrijft. Ook wat Lagarde ontdekte en voorts wat clarissimus
sGraccas Sexti sententias ipse in codice Vaticano 742 repperi
d. XV m. Decembris 1880, eodom die quo primum Ignatio
Guidi duce augustam illam bibliothecam ingressus sum”. Wat
Gildemeister met zeer veel moeite en gering succes had gepoogd machtig te worden, werd hem den eersten dag den
besten, dat hij het Vaticaan bezocht, als in den schoot gohet
Wright
in zijn
Catal. of Syr. Mss. in the Br, Mus, vol. 11,
verdere Syrische recensies to vertellen weet, deelt
hij mec. De Latijnsche vertaling der Syrische redactién nam hij
1871
van
als tegenbanger van Rufinus' lezingen aan den voet der bladter aanvulling en ter vergelijking op. En ook wat hij
zijden
aan Grieksche
teksten
met de woorden: ,ita edidit ut nil nisi ipsa
Graeca verba desiderari dixeris”, bij kon er op laten volgen:
worpen. Na zulk een vondst lag een nicuwe uitgave der spreukvermocht machtig te worden. In cen
brief van Porphyrius aan Marcellus bij Stobaeus, bij Jamblichus
en Hiörocles, bij Maximus, Antonius, Johannes Damascenus,
onder den titel Gnomica I, Sexti Pythagorici, Clitarchi, Euagrii
Georgides en dergelijke auteurs, bij Origones en Clemens Alexan-
Pontici Sententiae. Gnomica II sloot er weldra met Æpicteti et
drinus,
in zekere yvaex1 copo, door Boissonade uitgegeven,
vond hij hetzij op den eigen naam van Sextus gestelde, hetzij
Moschonis quae feruntur sententiae bij aan.
aan Pythagoras of anderen toegeschreven, hetzij anoniem gehouden spreuken, die overeenkwamen met wat bij Rufinus te
lezen stond. Deze allen zocht hij zorgvuldig bijeen en nam ze
met het feit, dat de spreuken van Sextus bleken op allerlei
vorzameling voor de hand. Gildemeister zelf was de eerste, die
er den gelukkigen vinder toe opwekte. Zij verscheen in 1892
De
vermelding van zooveel namen op de titels hing samen
wijze in andere spreukverzamelingen opgenomen en er mee
saamgesmolton te zijn. De ontdekking van cen Grieksch origiter behoorlijker plaatse als parallelen yan de Latijnsche vertanoel, bestaande uit de 451 spreuken, die Rufinus vertolkte, en
lingen op. Zoo kon hij op zijn titel naar waarheid verklaren:
uit nog
„recensiones Latinam, Graecam, Syriacas conjunetim exhibuit.”
met wat de Syrische redactién in aansluiting aan en ter aan-
Een dergelijke uitgave moest weer nieuwe belangstelling
wekken. Door haar geinspireerd gaf J, R. Tobler den Annulus
staat om de vertalingen en de overlevering te controleeren en
Rufi als
feestguve ter gelegenheid van het vierhonderdjarig
bestaan der Tubingsche Universiteit. Hij meende zeker aantal
trilogieën, wier „Einzel-Sentenzen sich.... durch besondere
de geschiedenis van dezen tak van
Sprachfürbung, kurzen prügnanten Inhalt, vielfach entschieden
polemisch-vindicatorische Haltung” en door „mehr Thesen- als
zotten intusschen anderen de onderzoekingen voort. Zoo Paul
gnomische Sentenzenform” onderscheidden, te zamen 19 of 57
spreuken, als „Urgut des Annulus” van de overigen te mogon
afzonderen, in dezen misschien onder den invloed van practijken
op
zijn
het gebied der Nieuw testamentische critiek '). Zeller, in
derden druk van Die Philosophie der Griechen in ihrer
geschichtlichen Entwicklung, wijdde aan het onderwerp een uitvoerige noot*),
Maar
vooral maakte zieh Antonius Elter verdienstelijk, wien daarenboven de fortuin op cen zeer bijzondere
wijzo genadig was, Roemde hij het werk van zijn ambtgenoot
1) 1979, p. IX.
2) 1880, 111 1, 8, 677 &
159 daurenboven,
vulling van
tegader ongeveer overeenkomende
Rufinus geleverd hadden, stelde. eerst
recht in
litteratuur te onthullen.
Naar alle zijden ontstak Elter door zijn gelukkige vinding licht.
In afwachting
van wat hij verdor beloofde te zullen geven
Wendland, die constateerde, dat niet alleen de Syrische bewerkingen een christelijke hand verraden, maar ook reeds het
door Elter openbaar gemaakte Grieksoho origineel, De aterke
ascetische strekking daarvan deed hem, in verband met zekere
Stoicijnsche uitdrukkingen on leeringon en Platonische voorstellingen en ideeön, denken aan dezelfde „Verbindung des
Hellenismus mit dem Christenthum", die ook bij Clemens
Alexandrinus te bespeuren valt. Op grond van deze overeenkomst uchtto hij den tegonwoordigen Griekschon vorm der
spreukverzameling afkomstig uit christelijke kringen in het
laatst dur twoedu couw, wat zijns inzions niet buitensloot, dat
de auctor primarius een heiden, met name overeonkomstig de
Página 5
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)VAN SEXTUS.
overlevering, cen Pythagoraeér kon zijn geweest '), Na Wendland
voelde weer de Zurichsche hoogleeraar v.
Ryssel
zich
gedrongen de vertaling, die Gildemeister van de Syrische lozing
der spreuken
gegeven had, gebruik
makende van de betere
hulpmiddelen, die te zijner beschikking stonden, te herzien,
en dat te eer, daar Elter, op die vertaling ook waar zij foutief
was voortbouwende, naar zijn oordeel niet altijd het rechte
getroffen had. Aan die behoefte danken wij, behalve eenige
massieve bladzijden ter inleiding, in Hilgenfeld's Zeitschrift
Die Syrische Uebersetzung der Sextussentenzen *), een bewerking
waardoor tevens de merkwaardige spreukverzameling ook toegankelijk geworden
is voor wie niet tot de vakgeleerden behooren, voor geheel het verder belangstellend publiek.
Tot dat publiek
reken
ik als mede er toe behoorend een
groot deel der lezers van dit Tijdschrift. Terwijl ik de specialiteiten verwijs naar de boven beschreven litteratuur, zal ik
trachten door een reproductie der spreuken van Sextus in
Nederlandsche vertaling cenig denkbeeld te geven van den aard
der stichting, die in de eerste eeuwen onzer jaartelling door
heidenen
ik
en christenen gelijkelijk werd gezocht.
dat niet doen
met behoud
Evenwel zal
der oorspronkelijke orde,
die
immers ter nauwernood orde heeten mag, maar zoo, dat door
bijeenvoeging
van
het
gelijksoortige min
of meer een beeld
voor den dag komt van de geloofs- en zedeleer,
schrijvers, en dus
ook
in
de
waardeerde, gehuldigd werd.
kringen
die door de
waar men
hun werk
Door die behandeling zal tevens
het geheel aan leesbaarheid winnen. Ofschoon zekere korreligheid in een artikel als het hier beoogde kwalijk to vermijden
zal zijn, onderstel ik toch dat er geen bovenmatige inspanning
gevorderd wordt om, geleid door den gedachtengang, die als een
draad door de kralen zich slingert, de bladzijden,
die eenige
hondertallen spreuken te lezen geven, te volgen tot aan het eind,
Wat aangaande God geleeraard wordt, om met deze hoofdzaak te beginnen, is volstrekt monotheisme,
1) Berl
Philol. Wochenschr, 1893, n°.
,Eén is onder de dingon, die bestaan, hot wijsste en beste,
66n is derhalve ook God. Een tweede alleenheerachende macht 1)
kan niet bestaan. Hot ééne der eenheid zelve is God (556—8).
Onbekendheid met God heeft ven menigte van Goden geschapen (567). Een geloovig man dient Eénen, die boven alles
gaat (587). Een polytheistisch mensch is een atheist (599)”
Het wezen van die Hoogste macht te omschrijven gaat
evenwel menschelijk vermogen te boven.
„Gods grootheid zoudt gij niet vinden, al kondt gij op
vleugelen zweven (27). Zoek Gods naam niet, want gij zoudt
dien niet vinden; al wat bij name genoemd wordt, wordt door
een meerdere genoemd, waarbij aan de eene zijde gesproken,
aan de andere zijde geluisterd wordt; wie heeft dan God bij
name genoemd? God is niet de naam Gods, maar een meening
aangaande God (28)” ?).
Daarom is over God te spreken slechts onder een nadrukkeljk voorbehoud geoorloofd. Hier voegt de hoogsle ernst en reine
zin. De profane menigte blijve geweord.
„Zonder u te reinigen van booze werken zult gij geen woord
over God uiten (356, 178, 590). De wijze man cert God ook
als hij zwijgt (427, verg. 578, 589), De kennis van God maakt
den mensch kort van woorden (480, verg. 431). Spreek over
God zooals ’t betaamt (586). Spreek geen woord over God tot
iemand, die Gods bestaan niet erkent (354, verg. 858, 365,
401, 407, 451). Waag het niet onder de groote massa over
God te spreken (360, 350).” En allerminst natuurlijk cen
woord ten nadeele van God. ,Dood zijn bij God degenen, door
wie de naam Gods gelasterd wordt (175). Niemand is wel bij
machte God kwaad te doen, maar allergoddeloost is de laste|
raar, want hij deed al wat hij vermocht (85).”
ige
gebrekk
in
worden
Onder zulk voorbehoud mag beproefd
hart
taal en bij benadering onder woorden te brengen, wat het
gevoelt aangaande het Hoogste wezen, dat de bron moet zijn
van al wat bestaat, de bron in elk geval van al wat heilig is
en goed. 'tGeldt hier het Absolute.
„Zoek dan niets in God, wat er niet is (29). God is een
couwig wezen, een zulig God, en hij is voor allen tijd en alle
8. Theol, Litteraturzeitung 1893, n°, 20,
2) 1896, S. 017 f.; 1806, 8. 568 MM; 1897, S 131 M,
1) kovapxoüv.
2) Verg. Clem, Hom. X, 10.
Página 6
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)wording
zalig
(560).
oeuwig (559).
De
De rede Gods beweegt zich van zelf en
rede Gods
is vóór alles wijs (563), Gelijk
God de redo is, die van zelf bewogen wordt, zoo heeft hij ook
een
zelfstandig
bestaan
(26,
562).
Geloof niet dat God voit
zonder gewaarwording is (25). God is het licht der wijsheid,
dat geon tegenstrijdigheid in zich bevat (30),”
Hij
moet de oorzauk zijn
van alles, de hoogste zorgende
macht.
„Het noodlot heerscht niet over Gods genade, in dat geval
immers ook over God (436%). Wie meent dat God bestaat en
niets
met
hem
atheist (380).
in
Het
betrekking acht,
is
niet anders dan een
is een slecht mensch, die van Gods yoorzienigheid niet weten wil (312). Door Gods wijsheid vaart alles
wel, door Gods macht is alles sterk (565). Het wezen Gods is
de kracht van het bestaande, onontvankelijk voor lijden (566).”
Maar vooral de menschheid is het voorwerp van zijn zorgen.
„Al
wat God
gemaakt
heeft,
heeft
hij
ten behoeve van de
menschen gemaakt (31). Het is Gode eigen zalig te maken ')
die hij verkiest (373).” Danrbij beoogt hij vooral hun geestelijk
goed. Het monotheisme dat hier verkondigd wordt is een ethisch
monotheisme,
„God is cen bron van alle goede dingen (561).
God is de gids van cen rechtvaardige gezindheid (582). God
is de leidsman bij de goede handelingen der menschen (104,.
304).
Acht God
390).
Van
het
de
oorzaak
DE BPREUKEN VAN BEXTUS.
VAN SEXTUS.
van al wat gij goed doet (113,
kwade is God de oorzaak niet (114). Al wat
465
Deze laatste spreuk herinnert aan het verband tusschen geloof
en leven, dat in onze vorzameling in allerlei opzicht wordt
erkend.
Geen uiterlijke godsvereering kan de aanbidding in geest en
waarheid vervangen. „Een dom mensch, die God niet kent,
cort houten en steenen (568). Het gewijde heiligdom Gods is
de gozindheid van den vrome. Het beste ultuar voor God is
eon rein en zondeloos hart. Het eenige aannemelijke offer voor
God is de bewoldadiging van menschen om Gods wil (46, 47,
verg. 483, 489). Geen koopwaar is een groot offer (532). Waag
het niet te zeggen, dat God bloed en offerwalm behoeft (564).
Gij zult de zonde niet ontkomen door wijgeschonken (598).”
Ook het gebed mag geen uiterlijk vertoon zijn, noch uitvloeisel van zelfzuchtig begeeren. „God verhoort geen gebed
van iemand, die behoeftige menschen niet verhoort (217, verg.
378, 492, 584). Vraag van God Gode wuardige dingen (122).
Bid dat u geworde niet wat gij wilt, maar wat moet en nuttig
is (88). Vraag van God wat gij van de menschen niet zoudt
kunnen ontvangen (124). Vraag van God niet wat gij na het
erlangd te hebben niet zult kunnen behouden (128). Dingen,
waaraan inspanning vooraf moet gaan, bid dat die u geworden
mogen na de inspanning (125). Zoo vaak u op uwe bede iets
van God gewordt, moogt gij meenen macht van -God ontvangen
te hebben (375). De bede van een zorgelooze is een ijdel woord
(126). Gelijk gij wilt zijn, terwijl gij bidt, wees zoo altijd (80,
slecht is, is Gode vijandig (314), En hij heeft er cen scherpverg. B2a).”
ziend oog
Desgelijks botreffende reinigingspractijken: „Acht de beste
reiniging niemand te verongelijken (23). Niet de spijzon en de
dranken, die door den mond ingaan, verontreinigen den menach,
maar de practijken, die uit slechte gewoonte voortkomen (110).
Ben schandelijke daad maakt een onrein mensch (102).”
voor.
„Ben
mensch
kan men met een woord misleiden, maar God niet (186), Gij zoudt voor God niet verborgen
blijven, als gij ongerechtigheid doet, zelfs niet als gij het bedenkt
(66). ’s Menschen overlegging is voor God geen geheim (57).”
Daarom: , Wat gij voor God niet zoudt willen weten als gij het
deedt, doe dat niet (en bedenk het niet *) (94).”
Wel verre van in uiterlijke vormen en practijken op te
Een God, die zoo voedt en opvoedt beide, mag terecht cen
gaan, is de ware godsdienst cen leven, dat geheel verlicht en
Vader hoeten. Maar: yuls gij God vader noemt, wees daaraan
bestuurd wordt door de gedachte aan God, een leven in ongestoorde gemeenschap met God, waarbij ieder woord en ieder
werk onder den invloed staat van de leidende gedachte, van
gedachtig in
vreeselijk,
uwe handelingen
dat
(59,
222,
verg. 228). Het is
iemand, die God als Vader belijdt, iets onbohet alles bezielend levensbeginsel.
hoorlijks doet (225).”
„De grootste eor voor God — ter zuligheid voldoondo — is
1) cata.
2) Aunvulling uit Rutinus,
de kennis en de gelijkvormighoid Gods (44, 148). De grootete
Página 7
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)DE SPKEUKEN
VAN BEXTUS.
467
De mensch, die God kent, pronkt niet met vele dingen (432).
Het is niet God kennen, als men Hem niet eert (369). Erken
gocde gezindheid is een verblijfplaats Gods (61). Denk vóór
al wat gij doet aan God (95). Doe al wat gij doet, beginnende
van God (288). Roep bij al wat gij doet God als getuige aan
(303). De ziel des wijzen hoort God. De ziel des wijzen ziet
altijd God. De ziel des wijzon verkeert altijd met God (4159,
de woorden
en
de
scheppingen Gods en eer God naar waardigheid (439). Als gij God wilt eeren, eer dan ook wat God
417, 418). Des wijzen overlegging is altijd bij God. Des wijzen
overlegging woont in God (143, 144). De ziel des wijzen wordt
eert (583).
Wil
al
door God voor God geschikt gemaakt (416).”
eer
voor
God
is
de
kennis
Gods
in
stilte (578). De kennis
Gods is de goddelijke wijsheid (406). Ken God, opdat gij ook
uzelven kent (577). Licht ga voor uwe handelingen uit (95).
wat ook
God
wil
(134,
442).
Wat
gij
Bij cen zoo iunig verkeer met God voegt het woord liefde,
boven alles eert, dat zal over u licerschen (41, 42) Het best
eert God, die zijn eigen gezindheid naar yermogen aan die
en de mensch, die er toe in staat is, mag een kind van God
van God gelijk
heeten.
maakt (381). Niets is wel aan God gelijk,
meest aungenaam is Hem, wat naar vermogen aan
volgens God leven, zonder ingetogen, schoon en rechtvaardig
te handelen (399). Die mensch doet wat Gode uangenaam is,
„Het fundament — het einddoel — der vroomheid is de
liefde tot God (863%). Heb God meer lief dan uwe ziel (1005).
Het hart van wie God liefheeft is in Gods hand bevestigd (419).
Zonder liefde tot God zult gij niet bij God zijn (444). Die
kwalijk gezind is jegens God, bezoedelt God (82%). Een zoon
Gods is hij, die alleen de dingen van waarde acht, die ook
God waardeert (135). Als iemand u een zoon noemt, bedenk
die naar vermogen volgens God leeft (48). Verdraag alles ter
wille van een leven volgens God (216). Gij zult van alles vrij
zoon noemt en doe alle dingen als een zoon Gods (58). Een
maar het
Hem gelijk geworden
is (45). De gelijkvormigheid aan God
is de vermijding van al het tegenovergestelde (579)”.
„Yrome zeden
doel des levens
zijn,
maken een gelukkig leven (326%). Acht het
volgens God (201). Men kan niet
te leven
als gij God dient (264%). Merk elke zonde aan als goddeloosheid (11). Een uitverkorene zijnde zult gij in uw bestaan
iets van God hebben, merk dan uw bestaan aan als cen heilig-.
dom Gods (35). Wat Gode waardig is, is ook een goed man
waardig (132). Wat niet strekt tot zaligheid voor God, (dat
doet het) ook niet voor den mensch (133).”
»Zonder God zult gij niet goed leven (215). De ziel wordt
verlicht door de gedachte aan God (97, verg. 95%). De ziel
van een
vroom mensch is een God in een lichaam (824). Leef
derhalve als met God zijnde (34). Heb vrijen tijd voor God (581),
Geof nauwgezet de dingen der wereld aan de wereld en de dingen
Gods Gode (20). Uw lichaam alleen moge op de aarde wonen,
maar de
ziel
ontvlucht
God (313).
moet
weerhoudt, als
zij
altijd
bij God zijn (55). Een slechte ziel
Welzalig de
tot
God
man,
gaat (40).
wieus ziel niemand
Denk aan
God meer
zonder ophouden, dan gij ademhaalt (289). Den tijd, dat gij
aan
God
niet
denkt,
acht dien voor u verloren (54). Gewen
uzelven altijd op God te zien (455, 224). Op God ziende zult
gij
maken,
dat
gij
innerlijk
als
God gezind zijt (447). Eon
Wiens zoon hij u noemt (221). Wees waardig Dengene, die u
kuisch en zondeloos man heeft macht bij God als een zoon
Gods (60). God en eon zoon Gods, het cene is het beste, het
andere het naast aan het beste (3765).”
Zulk een kind kan men zich ook als een volwassene denken,
of meer de gedachte aan de verhouding tot God voor die aan den
volmaakten mensch als zoodanig op den achtergrond dringen.
Dan voegt een andere uitdrukking. „Ben waurdiy mensch Gods
is een God onder de menschen (376). De uitverkoren mensch
is een mensch Gods (2, verg. 35). Een meusch Gods is Gode
waardig. Gode waardig is wie niets Gode onwaardigs doet
(3, 4).”
Aan verdere benamingen ter aanduiding van den mensch,
die aan de hoogste of althans aan zekere cischen beantwoordt,
kan het natuurlijk niet ontbreken. „Een goed mensch is een
‘schoon werk Gods (395). Bejegen een vrome als uzelven (87).
Over het lichaam van een godminnend man kunt gij de baas
worden, maar zijn geest kunt gij niet bedwingen (363).” Overvloedig is sprake van geloovigen. „God heeft aan niets behoefte,
en de geloovige alleen aan God (49). Het noodlot maakt geen
Página 8
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)DE BPREUKEN VAN SEXTUS.
geloovige (4364), Als gij een geloovige wilt zijn, doe dan niets
Gode onwasrdigs (5, 247). Meon dan een geloovige te zijn,
altijd
zich
zelven
gelijk
(147).
De zielen
der wijzen
zijn
als gij van de hartstochten der ziel bevrijd zijt (209). Ben
geloovige ziel is kuisch en wijs en een verkondigster der goddelijke waarheid (441). Een goede en geloovige ziel, die in
onverzadiglijk van vroomheid (287)”.
In zulko volzinnen wordt de room des wijzen verkondigd.
Het is, als wij hier aan heidensche modellen niet willen
denken, of wij Clemens Alexandrinus hooren in zijn beschrijde gezindheden Gods is, belemmeren de booze daemonen niet
ving van den gnosticus ‘),
(349, 591).”
Maar vooral verwachten wij in litteratuur van heidenschen
oorsprong de uitdrukking een wijs mensch of cen wijze. Die is
in onze spreukverzameling de meest algemeene. Ook van den
Soms wordt de wijze rechtstreeks een philosoof genoemd.
„Het betaamt niet, dat een philosoof zijn bedrijf vrij make,
maar zijn ziel (392). Houd niet voor een philosoof, dien gij
niet in alle opzichten vertrouwt (258). Een philosoof eerende
zult gij uzelven eeren (219). Ondankbaar aan God is, die een
philosoof niet zeer hoog schat (229).” Wat van de geloovigen
gezegd wordt (243) geldt ook van hem: „Een menigte philosophen zoudt gij niet kunnen vinden (want wat goed is, is
schaarsch ?), 535).” Ter nadere omschrijving dient: „Het is niet
wijze, even
als van den goede, wordt gezegd, dat hij een
gave Gods is (218). En naar Stoicijnschen trant wordt hij schier
iets wijsgeerigs, dat van de vrijheid beroofd kan worden (275).
boven het menschelijke verheven. „Onder zijn werken ziet God
het hoogst op tegen den wijze (308). Wat heerscht verheugt
(539).
Bijzonder cigenaardig is de term groote natuur. „Ben groote
natuur is zij, die behoorlijk op de deugd is aangelegd. Ben
groote natuur heeft behoefte aan groote beslommering. Ben
groote natuur wordt, als zij beslommeringen heeft, beter, maar
zonder beslommeringen minder (524—6),”
Niet echt kan philosopheeren, die de moeiten niet gering schat
Als gij
een philosoof zijt, wees dan liever eerwaardig
dan spotgraag (278,
verg.
279).
Min of meer worden wij
zich over wat beheerscht wordt, en derhalye verheugt God zich
herinnerd aan het ontzag, dat de oude christenen voelden voor
over den wijze (422, 423). De wijze volgt God, en God de ziel
hunne geestelijken, als wij lezen: „Neem geen beschuldigingen
des wijzen (421). De grootheid van de ziel eens wijzen zoudt
tegen
gij
voor (530).
evenmin
wijze is
vinden als die van God (403). De geest van con
een spiegel Gods (450). Eer een wijs man als het
levende beeld Gods (190). Al wat God bezit, dat bezit ook
de wijze (311). Wijsheid voert de ziel tot God (167). Een
wijs
man
is
declgenoot
van Gods koninkrijk (310). Een wijs
cen
philosoof aan (259) *).”” Ook komt de term Sophist
Meer bepaald worden de Cynici ten toaneele gevoerd, op een wijze, die doct denken aan de eigenaardige
vermenging van Cynisme en Christendom in Alexandrië #).”
„De
ware cynicus is cen vlekkeloos koning. De cynicus acht
de wereld zijn huis (463, 464)” Op welke lofspraak evenwel
man vereenigt God met de menschen (307). Eer den wijze na
de
God (244, 319). Een wijs man on God te lasteren is een
gelijk
goed, maar zijn leven niet navolgenswaardig. Neem het gedrag *)
vergrijp (194). Die een
niet
dragen
(246).
wijze niet kan dragen,
Die een
wijze
niet
kan het goede
liefheeft,
heeft zich
beperking
volgt:
„De ascese van cen cynisch man is wel
van een cynicus niet over, maar jaag naar zijn groothartigheid
(461, 462),” een
beperking intusschen,
die weer schijnt te
zelven niet lief (226). De wijzo man schijnt den slechten onnut
worden opgeheven door den rand: „Doe wat voortvloeit uit het
(214). Van con wijs man is, terwijl hij leeft, bij de mensche
n
weinig sprake, maar als hij gestorven is, wordt zijn lof
goleven, dat gij kiest (465)”.
zongen (53). Een wijs man dunke u wijs, ook
al is hij naakt
(191). Acht den wijze alleen rijk (467). Niots is
zoo vrij na
Na deze uitweiding over de benamingen, waarmede de ware
1) F. J, Winter, Studien zur Gesch, der chr, Ethik 1 1882, S. 123 ff,
2) Aanvulling uit n°. 243,
God als een wijs man (309). Gij zult een wijze niet gemakkelijker kunnen bewegen te doen wat hij niet wil, dan God
4) J. Bernays, Lucian und die Kyniker, 1879, S. 40 fl,
(806).
5) Td oyu.
De wijze wordt uit weinig gekend (145). Het wijze is
8) Verg. 1 Tim, 6:19.
Página 9
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)DE SPREUKEN VAN SEXTUS.
vrome wordt aangeduid, keeren wij terug tot de omschrijving
de menschen deed, ook de menschen allereerst de welaangename
„Houd het er voor, dat gij uwe ziel als een toevertrouwd
pand van God hebt (21). Een engel is cen dienaar Gods tot
den mensch, immers tot niemand anders; bij God is dus de
mensch geéerd boven een engel (32) '). Het eerste, wat weldoet,
is God, het tweede, wat beweldadigd wordt, is de mensch (33).
van den waren godsdienst, Geen uiterlijke vormen, maar levenswijding, zoo
vernamen
wij.
Dat van een leven, gowijd door
de gedachte aan een God, die alles wat hij deed ter wille van
vruchten zullen plukken, ligt voor de hand. Zoo bevreemdt het
Erken dat het
ons dan niet, dat godsdienst en menschlievendheid als ten nauwste
goede alleen uw sfeer ?) (79, 593). Erken wie God is en leer
aan elkander verbonden worden gedacht.
het redelijke in
»Doe uw best groot te ziju bij God en onberispelijk bij de
menschen (51), De grondslag der vroomheid is menschlievendzien (446). Acht het gelijke vriend van het gelijke (443, 592).
heid (371). De grootste oneerbiedigheid jegens God is een mensch
82°, 292). Gewen uwe ziel na God op zich zelve zich te verslecht te behandelen (96). Het kan niet samengaan, dat iemand,
heffen (129). Leg u toe op hooghartigheid (120). Waar de rede
die een mensch onrecht doet, God zou kunnen eeren (370). Dio
in u is, daar is uw hoogste goed (316). Die de ziel niet deert,
Hob
redelijke in
u de mensch is (315). Acht het
u kennen (394). God ziende zult gij uzelven
het verwante *) lief (1064), Acht uzelven na God (580,
zich de menschen
deert den mensch niet (318), Wijs is niets dat schaadt (302).
waarheid een
Eer wat in u is en laat het door de begeerlijkheden des lichaams
aantrekt en voor allen bidt, die worde in
mensch Gods geacht (372). Des vromen is het
God
te bidden om (anderer !) behoud (374). Die afgunstig is,
benadeelt zich zelven (477). Gelijk gij wilt dat de nausten
niet smaden (448). Acht het schandelijk, als gij rede hebt, om
mot
maken
u
omgaan,
ga
gij
zoo
met
hen
om
(89).
Goed zijude
het lichaam geprezen
te
worden (286). Van een onreine ziel
onreine daemonen
zieh meester (848, 62). Een booze
jegens de behoeftigen zult gij groot zijn bij God (52). De wijze
daemon is de gids der booze handelingen (305). Niet de dood
man is een weldoener na God (176). Ga met de menschen om
verdelgt de ziel,
als met deelgenvoten en burgers Gods (478). Bid, dut gij uwe
vijanden moogt kunnen weldoen (213), Acht niemand een
een
vijand (105).
te miskennen waarde en aanspraak op verzorging en onderhoud,
(608).
Doe
Die niemand onrecht doet, zal niemund vreezen
gerechtigheid
ook jegens degenen, die trachten u
cen
slecht leven (397). Slechtheid is
ziekte der ziel, ongerechtigheid de dood der ziel (208).”
Toch heeft ook het lichaam als het voertuig der ziel zijn niet
mits binnen de rechtmatige perken.
„De
onrecht te doen (607)”.
Vijandsliefde incluis dus behoort tot het wezen van de ware
maar
ziel
des
wijzen
wordt door God door middel van het
lichaam op de proef gesteld (425). De leden des lichaams, die
vroomheid,
niet gebruikt
Hier ligt de vraug voor de hand, welke verdere deugden zich
daarbij aansluiten en naar de leer van onzen spreukdichter en zijn
aan als het bekleedsel der ziel, bewaar het daarom rein (346,
worden,
zijn
een last (335). Merk uw lichaam
449). Kwel niet door uwe ziel het lichaam, noch zult gij door
volgelingen het leven van den waren wijze kenmerken, Maar cer
wij in ruimeren kring rondzien op het terrein van het zedelijke
de
leven, vragen wij naar hunne anthropologie in het algemeen.
De mensch bestaat volgens onzen auteur uit lichaam en geost,
ter wille van uw lichaam, dan zult gij wijs zijn (801). Gewen
dio elk op eigen wijs te waardeeren zijn. Ook het vleesch mag
zijn rechten laten gelden, mits onder voorbehoud, dat de geost
als het eigenlijk wezen van den mensch worde aangemerkt en
heid, en aan de ziel (het hare) in vroombeid (412). Van nature
in elk opzicht zijn goddelijke voorrechten handhave.
(413), Genotzucht maakt hot lichaam onverdragelijk (189b),”
1) Aangevald uit Rufinus.
genietingen
des lichaams
uwe
ziel kwellen (411). Als gi
ter willo van uwe ziel zooveel moeite doet, als gij moeite doet
u aan het lichaam te geven wat des lichaums is in ingetogenpleegt het lichaam de ziel weinig te bezwaren (1394). Voed uwe
ziel met het goddelijk woord ‘) en uw lichaam met sobere spijzen
1) Verg. Hebr. 2; 7,
Theol, Tijdschr, XXXII.
2) olxeiov.
3) dpdpuroy,
4) Adye belm,
Página 10
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)deze verhouding
van
lichaam
en
geest
DE SPREUKEN VAN SEXTUS.
ligt
tevens do
oorzaak van ’smenschen levensstrijd. Beide
toch begeeren tegen
elkaar en
daaruit
komt de zonde voort en tegelijk de groote
moeilijkheid van haar te overwinnen. „Die niet zondige
n kunnen lichtelijk aan zondaren gelijk worden (107)
').” Wel staat
's menschen ik neutraal tegenover dien levensst
rijd. „Te leven
hebben wij wel niet in onze macht, maar goed
te leven hebben wij in onze macht (255). God geeft den geloovi
ge een vrijmacht overeenkomstig God, rein en zondeloos
derhalye geeft hij
haar (36)”. Maar desniettemin is het gevaar
, dat van de zijde
des vleesches dreigt, allesbehalve denkbeeldig,
Uit het vleesch komt niets goeds voort (271,
317).” Daarom
:
„Heb het vleesch niet lief (291). Zie
af van de dingen des
lichaams zooveel in uw vermogen is (78). Gij
zijt niet geboren
om
te
zwelgen
in
wat God heeft toebereid (117, 603).
Geen
Wijs man ziet ooit omlaag naar de aarde
en naar tafols (391,
verg. 111). Elke spijs, die gij zwicht
ende (voor begeerlijkheid *)
tot u
lichaam
in
neemt, bezoedelt u (111, 108%). Zoolang het
begeerlijkheid is, blijft de ziel onkundig
van God
(136). Beheersch de genietingen. Overw
in het lichaam in alles.
Door genotzucht zult gij de tuchteloosheid
niet ontko
men. Den
genotzuchtige verhoort God niet. Het
einde der weelderigheid
is het
verderf (70— 73).
Ben
genotzuchtig
man
is
in
alles
onbruikbaar (172). Begeer niet alle dingen
(99). De begeerlijkheid is te cenenmale onverzadiglijk, daaro
m is er ook niet aan
te voldoen (146). De dingen, die hij begeer
t, acht u daarvan
de slaaf te zijn (600). Zooveel driften der
ziel, zooveel tyrannen (75%). Doe niets om het genot
alleen (232).
Die het genot
dient, dient een boozen daemon (604). Besch
ouw de noodzakelijke genietingen als onvermijdelijk (276).
Het zoet eener
schandelijke genieting gaat snel voorbij,
maar de smaad blijft
(272). Een man zonder zelf beheersching
bezoedelt God (429).
Zelfbeheersching is de rijkdom van den wijsge
er (294), Een geloovig man tiert in zelf beheersching (438),
Zelfs de slaap des
wijzen is ingetogenheid (2534).
hart van den geloovige (204).
Geen drift zul opkomen in het
Het is allervreeselijkst slaaf te
1) Behoudens verandering van duxprwacds in
een dativus.
2) Aangevald uit Rufous.
473
zijn van hartstochten (75). Alle hartstocht is vijandig tegen de
redo der ziel (205). Driften zijn het begin van ziekten (207).
Wat gij doet in hartstocht zijudo, dat zal u berouwen (206).
Elk lid des lichaams, dat u aandrijft om niet ingetogen te leven,
werp dat weg, want het is beter zonder het lid ingetogen te
leven, dan met het lid ten verderve (13) '). Gij kunt menschen
zien, die om het overige des lichaams sterk te houden huune
eigene leden afhouwen en wegwerpen, hoeveel beter is het dan
dit te doen ter wille van de ingetogenheid (273).”
Uit de zinnelijkheid derhalve dreigt de zonde voort te komen,
die evenwel niet samenvalt met de feitelijke inwilliging der begeerte alleen.
|
„Niet het oog noch de hand zondigt, noch cen van soortgelijke leden, maar hij, die een verkeerd gebruik maakt van
hand en oog (12). Weet dat gij een overspeler zijt reeds indien
gij denkt aan overspel *); en betreffende elke zonde gelde voor
u dezelfde redeneering (233, verg. 597). Oefen u in goede
overlegging (69)°). Acht het schandelijk het schandelijke te
bedenken (601). Wees zelfs in uwe gedachten rein van zonden
(181). Uwe gezindheid zij rein van alle kwaad (57), Acht de
eene zonde niet geringer dan de andere (297).”
Geen wonder dat bij zulk een waardeering van het vleesch
een ietwat ascetische levensrichting voor don dug komt.
» Houd op met eten eer gij verzadigd zijt (265). ledere drank
zij u zoet (268). Allerlei bezielde wezens te nuttigen is wel een
onverschillige zaak, maar het is toch meer redelijk zich er van
te onthouden (109). Gebruik de wereldsche dingen slechts voor
zoover ze noodig zijn (19). Heb de dingen des lichaams niet
lief (101). Veracht de dingen, waaraan gij geen behoefte zult
hebben als gij van het lichaam ontbonden zijt (127). Begeer
niet meer dan het lichaam eischt (115, 602). Alle overvloed
is den mensch vijandig (140). De mensch, die dubbel met spijs
verzadigd is en des nacht nooit alleen slaupt, zal de geslachts*) niet ontkomen (435). Ocfen u in zelfgenoeggemeenschap
zaamheid (98, 334)°). Wie weinig volstrekt noodig heeft, streoft
God op zijde, die niets behoeft (50). De dingen, door welke te
1) Verg. Matth. 6:29, 30; 18:8, 9.
4) cvrouria.
3) sbAoyıorlav.
2) Verg. Matth. 5:28,
5) æbräpus.
Página 11
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)verachten
gij
niet aan
(1218),
redelijker
wijze
wordt geprezen, hecht u daar
In
dit
475
verband mag ook molding gemaakt worden van de
het slijk werpt, vraag dan rein zijnde
sexueele verhoudingen, in het boven aangehaalde ten deele
reeds mede ondersteld.
„Gelijk gij heerschappij voert over do maag, zoo zult gij ook
iets van God (81). Vorwerf u de dingen der ziel als vastighodon
over de venerische neigingen heorschon (240). Ontvlucht de
(77). Verwerf u wat niemand u ontneemt (118). Goederen te
ongebondenheid (68). Een wijs man zal kuisch zijn bij God (67),
Kuischheid is de voortreffelijkheid van den jongeling (510).
De hoogste welgevormdheid *) is in gevaar (527). Dio van zijn
welgevormdheid misbruik maakt, worde ondankbaar aan de
man
u
tingen
Ker niets van de dingen, waarvan een boos
kan berooven (130). Als gij de schoonste uwer bezitgoedsmoeds in
bezitten
wenschen allen, echt bezitten doen slechts die deel
hebben aan ’t goddelijk
woord (277)'). Verwerf u die dingen,
op welke gij u terecht verheffen kunt (121b).”
En op het punt van geld en goed:
natuur geacht (528).
„Het
noch goede noch slechte dingen (529). Het staat u vrij van het
is
mocilijk,
dat
een
rijke zalig wordt (193) *). Een
Een
veilige
natuur?)
leidt tot groote
niet van menschlievendheid, maar
huwelijk u verschoond te rekenen, opdat gij moogt leven als
hem weg to dragon past niet bij den wijsgeer (300). Een wijze
zonder goederen *) is aan God gelijk (18). Liefde tot geld gocen huisgenoot Gods (2304), Huw en verwek kinderen, wetende
tuigt van eon vleeschelijken zin (76), Welke dingen der wereld
schoon
gÿ
wilt gedragen, huw dan en verwek kinderen (230%). Die om
schat te
begraven
getuigt
ook
dat het een zoowel als het under bezwaarlijk is; indien gij,
wetende dat de
krijg bezwaarlijk is,
u als cen held
moogt hebben, wees niet verdrietig zoo iemand ze u
ontneemt (15, 914), Wat de wereld geeft, houdt men niet vast
het genot kinderen
(405). Zwicht voor wie u berooft van alles, behalve de wijsheid
Als gij
(17). Wat God geeft neemt niemand af (92, 404).”
Evenwel is wat hior Stoicijnsch of Ebionietisch moge klinken
mingenot (517) *). Niets hoort bij het huwelijk meer thuis dan
ingetogenheid (499). Het huwelijk der geloovigen is een wedals een
strijd van ingetogenheid (239).
verdwijnende grootheid
tegenover de rechtmatige beverwekken smaden
genoeg hebt van
de kinderteelt (509).
kinderen, heb dan ook genoeg van
ledere ontuchtige is een overspeler bij zijn eigen vrouw (231). De ongebondenheid van den
strijding van weelde en overdaad.
man strekt der
vrouw
het
worde
sieraad aangemerkt
niet stuiten (274). Veel spijzen belemmeren de kuischheid,
onmatigheid in het eten maakt onrein (108). De mensch, dien
(235). De kuische vrouw is de room van haar man (237).”
de buik de baas is, is aan een dier gelijk (270). lemand, die
de maag en wat onder de maag is niet in bedwang houdt, is
den geest over het vleesch en aangemerkt als het uitvloeisel
„Acht groote volleerdheid het lichaam te beheerschen, want
verwerven van goederen zal de begeerte naar goederen
geen geloovige (428, 588). Men kan niet te gelijk het genot
dienen en God (574) *). Hot is beter van honger te sterven,
dan
door gebrek
aan heerschappij over den buik de ziel te
(345). Ontwijk de dronkenschap als een razernij
(269). Het goud verlost de ziel niet van het kwaad (116). Kor
bezoedelen
niemand
omdat hij veel geld heeft (192).
bezit is het begin van hebzucht (137).”
De begeerte naar
als
het
Waar zoo
van
de deugd
ten
verderve (507). De ingetogenheid
yan de geloovige vrouw
gezocht wordt in de heerschappij van
het godsdienstig levensbeginsel,
is men allicht afkeerig
van alle werkheiligheid en uiterlijk
vertoon. Wij ontmoetten
reeds hier en daar spreuken, waarin zondigen door gedachten
en begeerten met feitelijk wanbedrijf wordt op ééne lijn gesteld
(233,
181).
Dienovereenkomstig
wordt
uitdrukkelijk gezegd:
„Doe uw best, niet om rechtvaardig te schijnen, maar te zijn,
want
het schijnen benvemt con iegelijk het zijn (64). In alles
is het zijn dienstiger dan het schijnen (537), Houd het geloovig
zijn in eere door het te zijn (189). Gelijk gij zijt in beginsel
*),
1) de/ou Adyov.
2) Verg. 19:23.
3) dxripov. Rufinus vertaalt: contemptor pecuniae.
1) súquiz.
4) Verg. Matth. 6 : 24.
3)
2) aopaans Que
Verg. Clem, Kecugu. VI 12.
4) rò apyov.
Página 12
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)VAN SEXTUS.
477
u zonde goacht (596, 601, 178) Al wat gij bedenkt to
zullen doen, dat hebt gij in uwe ziel reeds gedaan (597, verg.
233). Leg u op de gerechtigheid meer toe metterdaad dan mot
ligt het voor de hand to vragen, wat or in onze verzameling
voorkomt betreflende de christelijke trits geloof, hoop en liefde.
De combinatie als zoodanig vindt er geen plaats, maar aan do
elementen ontbreekt het niet, al is er weinig reden om le
het
spreken van eon specifick christelijke bohandeling.
zoo
zult gij wezen (576). Ook het bedenken van zonde wordo
door
woord (606).
beloven (198).
Doe groote dingen zonder groote dingen te
u meer in werken dan in woorden eon
Betoon
man (408), De woorden der geloovigen mogen weinig zijn, maar
de werken vele (388). Uwe werken moeten het bewijs zijn van
uwe leeringen (547, verg. 546, 177). Uwe geloovige woorden
zullen vol zijn van vroomheid (123)”,
Ongekreuktheid, een volledig samenvallen van denken en
doen en van beiden met het volmaakto, dat wordt door deze
Het meest nog wordt op den eisch des geloofs de nadruk
gelegd. Wij vernamen reeds, hoe een geloovige genoemd wordt
wie aan hooge eischon beantwoordt '). Dit spraakgebruik vindt
zijn rechtvaardiging in des schrijvers waardeering van het geloof.
„Het geloof is de leidsman tot alle schoone daden (166). Het
geloof brengt de ziel van de aarde bij God (402). Gij kunt
niet good leven, als gij niet echt gelooft (196). Een geloovig
zij een worsteling om het eerwaarde (282, 573). Niemand overiets te doen bezijden het beste (91). Waar slechtheid
mensch is von vilverkoron mensch (1). Woot hoo cen geloovige
te zijn (210). Eon geloovige zal niets kwaads doen (212). Door
uzelven een geloovige te verklaren hebt gij beleden niet te
zondigen voor God (234). De geloovige is in waarheid een
zondelooze (8). Bijzonder moeilijke omstandigheden doen den
geloovigen man openbaar worden (200). De geloovige in de
de oorzaak
beproeving des geloofs is een God in hot levend lichaam van
moralisten den menschen uls cen idennl vooogehouden.
„De deugd is voldoende tot het hoogste geluk (466). Acht
het goede alleen als het Gode betamende (131). Bedenk het
schoone, opdat gij ook het schoone moogt doen (56). Uw leven
rede u
(469).
over
van is, daarvan zal een wijs man zich onthouden
wordende door het beste zult gij heerschen
Beheerscht
degenen
die
gij
verkiest
(43).
Niots
is
goed
wat niot
algemeen kan zijn (296) '). Waar de deugd de oorzaak van ig,
aan
niets
daarvan
kleeft
kwaad (468). Acht niets goed, wat
tusschen deugd en »lechtheid is (474). Bor de gerechtigheid om
haars zelfs wil (65).
Doe uw best in welgezindheid alle menschen te overtreffen (332). Acht het schoone slechts het goedo
en het goede het voor God betamelijke (197). Acht niets slecht,
dat niet ook schandelijk is (202, 475). Wat gij afkeurt, doo
dat ook niet (90, 389). Het eind van het kwaad is overmoe
d
en
van
den overmoed het verderf (203). Wat gij moet doen,
doe dat gewillig (388). Zoek ijverig uanloidingen tot goede
werken (100). Zie tou alvorens te handelen en onderzoek wat
Gi)
doet, opdat
gij
nicts doet, dat niet betaamt (93). Stel u
zelven niet berispelijk voor de wereld (16, 88). De wereld
hebbe ontzag voor uw leven (37).”
Als wij na deze lessen, meerendeels van algemeene strekkin
g,
omzien naar de aanbeveling van meer bijzondere deugden,
dan
1) áxoiwóvyroy.
een mensch (7%). Een ongeloovige in het geloof is een dood
mensch in een levend lichaam (7b). Een kleingeloovige in het
geloof is een ongeloovige (6). In een slechte en slaafsche natuur
zou het geloof niet kunnen wonen (170). Het leven der ongeloovige menschen is smadelijk (400). Die onrecht doet kan verborgen blijven, maar het geloof aan te nemen ter wille van
de verborgenheid is onmogelijk (569)”.
Van zaligheid schijnt meer op heidenscho wijze te worden
gesproken in verband met het tegenwoordige dan met ven
toekomstig leven (148, 326, 344, 424). Toch ontbreekt het
aan eschatologische voorstellingen, met name betreffende gericht
en vergelding, nict.
„Zoovele dingen de ziel, terwijl zij in het lichaam woonde,
met zorg verrielit heoft, zoovele getuigenissen hebbende vaurt
zij ten gerichte (347). Booze menschen verbeiden allerlei
dingen, die zij niet verwachten (605). Bedenk dat u bij het
gericht zoowel de eerbewijzen als de tuchtigingen onsterfelijk
zullen zijn (14). Die een mensch oordeelt, wordt door God
1) Boven, bl. 467.
Página 13
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)geoordeeld (183). Die slecht leeft, dien zal na de scheiding van
het lichaam een booze daemon kwellen, totdat hij zelfs den
lautsten penning zal hebben afgoëischt (89) '). Golijk gij bij
God wilt zijn, wees reeds nu zoo (824).”
Overigens spreokt uit menige spreuk cen Stoicijnsche verachting voor den dood, gelijk in het geheol voor de moeiten
des levens,
»Draag het noodzakelijke als
naar de omstandigheden,
opdat
DE SPREUKEN VAN SEXTUS.
VAN SEXTUS.
noodzakelijk (119). Schik u
gij welgemoed zijt (385). De
humeuren ?) der huisgenooten te kunnen dragen is naar den
aard des wijzen (293). Als er gedreigd wordt door een tyran,
herinner u dan vooral Wiens gij zijt (364). Een tyran neomt
479
zich betoont, geef (te meer ‘) acht op hem (331). De meening
dut men niet moot meedeclen, acht die niet alleen kwalijk te
dragen, maar zelfs aan te hooren (338). Nicts worde eigen bezitting van den wijsgeer geacht (227, 594), Het is niet vroom,
dat van hen, wier God cen gemeenschappelijke is, en dat wel
uls Vader, de bezittingen niet gemeenschappelijk zijn (228). Deel
uan ieder van uw voedsel mee (266). Zolf te vasten om een
arme te kunnen spijzigen is schoon (267). De gave van iemand,
dio aan een behoeftige voedsel uitreikt, is wel iets gerings,
maar de welwillendheid is groot bij God (379). Het is beter
zonder bezittingen te zijn, dan veel bezittende niet mededeelquam to zija (977). Hot best gebruik van uw vermogen cult
het geluk niet weg (387). Over het lichuam van den wijzo
heeft zelfs een leeuw mucht, daurover alleen dan vok een tyran
(3631). De vrees voor den dood bedroeft den mensch door de
gij maken, als gij aan behooftigen gewillig meedeelt (330).
onervarenheid der
(323). De dingen, waarvoor gij wilt
voor (472). De tent van uwe ziel ven
bezwaar te achten is voortrettelijk, maar haar kalm te kunnen
gij
afleggen als het moet is zalig (320).
(329).
leven,
af en
ziel
sterf daar ook
wees
Bid den dood van u niet
niet
God heeft op geenerlei wijze aan iets behoefte, maar Hij verheugt zich over wie aan behoeftigen mededeelen (382). Wat
als geschenk
van
God
ontvangen hebt, geef dat ook als
geschenk (242) *). Acht geon van de dingen, die gij gevraagd
terstond geven kunt, meer waard dan dengene die ze ontvangt
Wat gij door het aan anderen gegeven te hebben zelf
verstoord op wie u van het lichaam berooft
(321). Niet de dood is een kwaad, maar niet nobel to kunnen
Wie het een of ander geeft met smadelijkheid, beleedigt en
sterven
(473).
zondigt tegen God (339). Indien gij iets geeft opdat het bekend
dadigt
hem door zijn
boeien
Die eon wijze van het lichaam berooft, beweleigen boosheid, want hij wordt als uit
verlost (322). Dien God van het lichaam niet verlost,
niet bezit, acht dat niet een goed te zijn (295, verg. 821).
worde, dan
hebt gij het niet aan cen monsch gegeven, maar
aan uw eigen gonot (342, verg. 341). Laat u niet stuiten in het
die voele zich niet bezwaard (337)."
woldoen door een ondankbaar mensch (328).” En meer negatief:
Dat algemeene menschenliefde voortvloeit uit de erkenning
van God als Vader, werd ons reeds gepredikt*).” Wij kunnen
„Die met menschen slecht omgaat, gaat met zich zelven slecht
de daarop betrekking hebbendo spreuken aanvullen met menig
voorschrift, dat handelt over philanthropie in engeren zin.
„Beijver u gemeenschappelijk voor alle menschen een weldoener te zijn (260, 210). Weezen beschermende zult gij de bij
God geliefde Vader zijn van vele kinderen (840). Het is beter
anderen te dienen,
worden
(330),
dau van de zijde van anderen gediend to
Naar waurdigheid dienende zult gi hoerschen
over de dingen Gods (575). Overreed een broeder, die verkeerd
gezind is, niet verkeerd gezind te zijn, en als hij ongeneeslijk
om (211).
Wie een ander kwalijk raadt, dien zelven zal het
nog eerder kwalijk vergaan (327). Als gij niemand onrecht doet,
zult gij niemand vreezen (386). Wat gij niet wilt tijden, doe
dat ook niet (179) *). Het zou het best zijn, als het menschenmoordend ijzer niet ontstaan ware, maar nu het er is, merk
het aan als voor u niet bestaande (324),”
Ken christelijke deugd
uitnemendheid is almede de bohaar aunbevelen en mitsdien, zoo dan al niet van christelijken
1) Asnvulling uit Rufinus.
1) Verg. Matth. 6:26; Did, 1: 6,
2) dpyaäc.
3) Buven, bl. 470.
bij
scheidenheid, zoodut wij geneigd zijn te vragen, welke spreuken
2) Verg. Matth. 10 : 8d,
$) Verg. Matth, 7 : 12.
Página 14
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)oorsprong,
toch
naar
den
smaak
der
christenen kunnen zijn
481
„Een waar woord over God is con woord Gods (357, 355).
dingen overeenkomstig God, maar laat er zich niet op voorstaan
Zeg niets van God zonder van God geleerd te zijn (353). Uwe
vrome werken moeten voorafgaan aan ieder woord over God
(359). Een meening te hebben over God is wel gemakkelijk,
maar de waarheid te zeggen is slechts mogelijk voor den
rechtvaardige (410). Het is niet veilig over God te hooren
degenen, die door eerzucht bedorven zijn (351). Bij al uw
(433, 470). Uit eigenliefde wordt ongerechtigheid geboren (188),
spreken over God zult gij door God geoordeeld worden (22),
Indien gij iemand om den roem een dienst bewezen hebt, dan
Verwerf u een welbespraakte tong, voornamelijk over God
(84). De mensch, die niets heeft to zeggen over God, is in
waarheid verstoken van God (368). Een woord over God to
verzwijgen is botor dan voorbarig to redeneeren (366), Vermijd
over God nog verder eon woord dan over de ziel (861). Dio
onware dingen zegt over God, liegt tegen God (367). Zelfs
waarheden over God te zeggen is niet weinig gevaarlijk (352),
Hot is veel verkieselijker zijn leven, dan een ijdel woord over
God los te laten (362) De onkunde doet veel woorden over
God spreken (431, verg. 430). Als gij onderneomt over God
te spreken, bedenk dan, dat de zielen der hoorders u als cen
toovertrouwd pand gegeven zijn (195), Uw leven bevestige uwe
geweest.
In verschillende toonsoorten wordt de lof der bescheidenheid
gezongen.
„Een wijsgeer is geen grootspreker (284). Beloof alles cerdor
dan wijs te zijn (389%), Eon uitverkoren mensch doet wel alle
hebt gij voor loon gediend (841, vorg. 842). De roemzucht in
het geloof is het meest oorzaak yan een slechten naam (188),
Beijver u niet de groute menigte te behagen (112, 610). Dio
aan
velen
wil
behagen,
is uan
velen gelijk (534). Wacht u
voor den lof van de zijde der ongeloovigen (241, 531, 570),
Hoevelen
zijn
(571).
boosheid wordt ondragelijk, als zij geprezen wordt
De
verloren
(150). De slechten
gegaan, omdat zij geprezen werden!
worden
slechter, als zij gevleid
worden
(149). Gelijk gij om goede handelingen wilt geprezen en geëerd
worden, verdraag het zoo ook, als gij wegens tekortkomingen
berispt wordt (298).
Terecht gewezen
opdat gij
wijs
moogt
worden, weet dat dank aan die u terecht wijzen (245). Gij
zult
niet
wijs
worden, als gij meent het te zijn eer gij het
woorden bij de hoorders (177, 546).”
Hieraan sluiten zich de voorschriften over het spreken in
zijt (199, 333). Naarmate gij weet wat gij zijt, zult gij uzelven
het algemeen.
kennen
gedaan hebt, zult gij dubbel onrecht doen (452), Uzelven aan-
» Woorden zonder zin zijn ijdel (154). Het is verkieselijker
eon steen ijdel weg te werpen dan een woord (152), Niet de
tong des wijzen is in ecre bij God, maur zijn inzicht (426).
Uw tong volge uw verstand (151). Zie toe cer gij spreckt,
klagende zult gij door anderen niet aangeklaagd worden (548).
opdat gij niet zegt wat onbetamelijk is (153). Onder de menigte
digd
(398). Het best is wel niet te zondigen, maar gezonhebbende doet men
beter het bekond te maken dan te
verbergen (283, 595). Het opnemende voor wat gij ten onrechte
De
veroordeeling
van
eigen
meening reinigt de ziel van den
sprokende zult gij te meer letten op wat dienstig is (165). Als
dwaas (103), Wees vooral vriendelijk jegens hen, van wie gij
gij onder de geloovigen zijt, luister dan liever dan te spreken
geen berispingen te duchten hebt (479), Acht van degenen, wier
(1714,b), Beijver u niet in gezelschap het cerst te spreken (164),
loftuigingen gij versmaadt, vok de afkeuringen gering (299).”
Spreck, wanneer het niet geoorloofd is te zwijgen (161). De
goschikte tijd om te spreken worde door u verst overwogen
(160). Een woord op een ongeschikten tijd is een bewijs van cen
slechte gezindheid (163). Zwijg over wat gij niet weet (1626),
Spreek over hetgeen gij weet, als het moet (162%), Woorden-
Van lofeprauk en grootsprauk is de overgang gemakkelijk tot
praten in het algemeen. Ken breede groep spreuken is daaraan
gewijd, spreuken, die het spreken, formeel of matericel, maken
tot het voorwerp van beschouwingen.
Reeds
zagen
voorwaarden
wij,
hoe
gebonden
het
spreken
werd.
Op
dit
over
punt
God
aan
vooral
gnomendichters van het belung der zuuk overtuigd.
zekoro
zijn
rijkheid ontkomt niet aun vergissingen (155). Overvloedig spreken is een teeken van onkunde (157), Een lasterende tong is een
bewijs van cen slechte inborst (83). Kwets cen mensch met alles
Página 15
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)liover
dan
met een
zijn,
als
goed
woord
hij
woord
bedenkt
is
aan
VAN SEXTUS,
(185).
Niemand kan welsprokend
schandolijke dingen
God
te doen (480). Een
gelijk, daarom is
het
ook
niet
te
koop (533)”.
Betreffendo
waarheid spreken in het algemeen, als openbaring van waarheidsliefde, vernemen wij:
»Heb de waarheid lief (158), Niets hoort bij de wijsheid
zoozeer thuis als de waarheid (168). Leugenachtige woorden
worden getuigen van slechte dingen (165%). Het is beter het
Nr—-r—o_nrzt
DE SPREUKEN VAN SEXTUS.
483
govende wat gij bozit, volg de rechte leer (2641) '), Veelheid
van leering worde noodelooze moeite voor de ziel geacht (249).
De loergicrige geloovige is een werkman der waarheid (384).
Een
leven, dat de toets niet kan
mensch niet levenswaard (544).
neem
doorstaan ?), is voor den
Wat gij na leering moet doen,
dat niet ter hand zonder het geleerd te hebben (290)”,
„Indien
drijvig,
gij
met opgewektheid wilt leven, wees niet te bewant te
veel
werk
omhalende zult gij slecht werk
leveren (262)”.
onderspit te delven terwijl men de waarheid spreekt, dan met
misleiding de bovenhand te houden (165). Ilet is geen ramp,
is zich
als
toch in het debat overwonnen te worden
in het misleiden wordt overwonnen in
vorhougt, heeft geen cer bij God (415). Liefhebbende wat niet
Wacht u van te liogen, want dat is mis(393). Misleid niemand, allerminst
gij
men
(187).
iets
zedelijkheid
leiden
weet,
Die overwint
en
(165%).
misleid
worden
„Gewen
uwe ziel
betaamt, zult gij
u
inspant
voor
wat
geloof (325). Ga met den leugen om als met vergif (159). Het
verwaarloozen (10)”.
groote
(165°). Zoo
omstandigheid
zijn,
waarbij
de leugen past
wat
betaamt (141). Indien
niet schoon is, zal het schoone verwaarloosd worden (142).
allen
een
te verheugen in waarin het schoon
niet liefhebben
iemand die raad noodig heeft (165€). Het is niet mogelijk, dat
dezelfde natuur een geloovige is en den leugen liefheeft (169),
Geen veinzerij blijft langen tijd verborgen, allerminst in het
moet
zich
te verheugen (414). Een ziel, die in niotigheden zich
„Leef tot in de kleinste dingen nauwgezet (9). Wat gij in
omvang
Want het
is
moet
doen,
zult gij
geen
geringe
zaak
in
niet
terloops doen (471).
het
leven het kleine te
„Een wijs man spaart den tijd (252)”.
vaak gij door waarheid te spreken zondigt, zult
„Neem niet op wat gij niet hebt neergelegd *), want gij zoudt
Bij noodzakelijkerwijze niet zondigen door onwaarheid te spreken (1654), Verdraag het, als gij door uwe naasten belogen
niet volgens de zelfgenoegzaamheid uwe zaken bostieren (263)”,
» Vertrouw uwe ooren niet aan een iegelijk toe (409)”.
„Maak den toorn der menigte niet gaande (348)”,
wordt (609)”.
Eenige andere spreuken, die 'tzij in "talgemeen een lovensrichting aanwijzen, ‘t zij cen deugd aanbevelen of voor een
onwetenden kunt verdragen (285)".
ondeugd waarschuwen, luten wij hier groepsgewijze volgen, als
kwalijk bijeentebrengen onder een bijzonder hoofd.
(280), Vergun uzelven niet uittebarsten in meer dan een glim-
»Muak de
„Acht
„Ben
het grooto
onmatig
wijsheid,
gelach
is
wnardoor
cen
tecken
van
de
ruwheid
der
onhebbelijkheid
rede in u tot de wet van uw leven (123), Uwe
rede ga voor uwe handelingen uit (74)”.
„Drift slaut de rede neer (476)”.
lach (280%). Maak
»Zonder leering ') zult gij niet Gode welgevallig zijn; neem
haar ter harto als noodzakelijk (251). Wie Gode waardige
zameling ten deele ook in elkanders nabijheid voorkomen, bedingen weet, is cen wijs man (250). Wat geen Gode waardige
leering is, leer die niet (248). Ellendigen zijn zij om wier wil
de leer?) in een kwaden naam komt (396). Gij moet uzelven
geloof bijbrengen na de goddelijke leer Gods (585) *). Prijs2) ò Aóyos.
3) pura deov Adyow Onoù,
van ernst dan van uitbundigheid (281)” 4).
Eindelijk
nog eenige groepen van spreuken, die in de vertrekking hebbende op bijzondere categorieén van menschen.
Die over het huisgezin met zijn verschillende leden zijn uit
den
aard
het talrijkst,
Behalven wat over de zinnolijke zijde
van het huwelijk gezegd werd 5), lezen wij
1) rH óp0w Adyw.
1) pasnpa.
meer werk
gij
Y) avekdracrros,
4) Very. Clem. Alex. Paed,
8) Verg. Matth. 26 : 24, 26.
6) Boven, bl. 475,
Página 16
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)DE SPKEUKEN VAN SEXTUS.
VAN SEXTUS.
verlies van
Over de verhouding tusschen man en vrouw:
„Man en vrouw zijn deelen van één compleet wezen (502).
kinderen zonder ondankbaarheid (257). Bid dat u
liever geen kinderen geboren worden, dan dut u slechte kin-
De man heersche over de vrouw, maar tyranniseere haar niet
deren geboren worden (520, verg. 254). Ongeloovige kinderen
(506). Zio de
vrouw aan als een deel van uzelven (500). Do
zijn geen kinderen (256). Vood uwe kinderen op als die diovrouw ontziende, zult gij haar ula man behouden (501). Uwe
nuron Gods zullon zijn (519). Allorruwst is do kindermoordeechtgenoote ontziende, zult gij een hebben die u ontziet (288),
naar, die kinderen
uit den weg ruimt, die niets kwaads ge-
De man doe zijn
daan hebben (518).
Die kinderen
eigen
vrouw zich gehoorzamen (515). Do
man is in staat om over zijn vrouw te heerschen (508). De
Eindelijk betreffende de kinderen onderling, voorzoover niet
ovortredingen der vrouwen bewijzen de onbeschaafdheden ') der
algemeene menschenliefde is bedoeld:
mannen (505). Ken man, die zijn vrouw wegzendt, bekent tevens,
„Acht de broederliefde allernoodzakelijkst (496). De andere
dat hij over zijn vrouw niet kan heerschen (236), De man cere
zijn
vrouw als haar hoofd, maar de vrouw den man als haar
voogd
do
(503). Niets
vrouw
is
(504),
zij
bezitting des mans, dat niet ook van
Zeer
heerschen
bezwaarlijk
(512).
vrouw
geen
geloovige (513). Een hoedanige uwe vrouw is, cen zoo-
Een wereldschgezinde vrouw is
danig zal ook uw huis zijn (521)”.
Over de
u
verhouding tusschen ouders en kinderen, naar de
ééne zijde:
»Die zijn ouders eert, eert God (488), De mensch, die zijn
ouders dankbaar is, is Gode welgevallig (487). De mensch, die
aan zijn ouders ondankbaar is, is goddeloos (491). De knorrigheden *) zijner ouders te verdragen is vroom (493). Voor ouders,
die hun gemoed laten overloopen *), is het schoon uit den weg
vriendschappen
worden
misgund,
maar de broeder,
broeder niet liefheeft, wordt veroordeeld (497).
die
den
Schoon is het
met den broeder in leven en dood een gelijk lot te deelen (498)”.
zult gij over een al to
rijko
hebbende andermaal huwt
worde niet geprezen (516). Een overvloedige bruiloftsgift maakt
de kinderen niet beter (511)”.
vrouw achte haar man als de wet haars levens (514). De wijze
Betreffende
—
ro—=-s
slaven
of dienstboden geen onkel woord. Daarentegen ontbreekt het niet aan wenken botreflende de opvoeding, voor zoover die ten laste komt van opzettelijk zich daarmee bezig houdende pacdagogen.
„Onderwijzers zijn grooter weldoeners dan ouders (536). Een
opvoedkundig man, hij is een weldoener na God (542). De ziel
wordt gelouterd door den wijze met een woord Gods (24). De
weg der ziel tot God is door het woord Gods ') (420). Als gi
een opvoeder wilt zijn, leg u dan toe op zachtheid (545), Voed
eerst uzelven op en dan anderen (540). Het is schandelijk te be-
(489). God verhoort geen gebed van wie zijn ouders niet vervelen wat gij zelf niet doet (180, 549). Uw leven zij voor uwe
kweekelingen de grondslag van uwe leoringen (546, 547, 177).
hoort (492).
Hoedanigen gij zoudt wenschen, dat uwe kinde-
Onderneem het niet zonder verantwoordelijkheidsgevoel ?) over
voor u waren, wees een zoodanige voor uwe ouders (490).
jongeren te heerschen (541, verg. 550), Uw spot zij schaarsch
te gaan (495). Er is geen vromer offer dan dat aan zijn ouders
ren
Het best cert zijn ouders, wie zich zijn ouders het meest aantrekt (486). Van uwo ouders hebt gij uwen vader het meest
te gehoorzamen en uwe moeder het meest te eeren (494)”.
En naar de andere zijdo:
—n
en
to gelegener
tijd (279, verg. 278). Betoon vrijmoedigheid
in 'tspreken met bescheidenheid (253). Het is moeilijker over
vrijgeboren knapen te heerschen, dan over leeuwen (553). Allerbedenkelijkst is cen sophist, die ton verderve van eens jon-
„Roep niet voor uzelven alleen kinderen in het leven, gedachtig dat gij zo als stervelingen in het leven roept (522).
gelings
onwetenden
zijn
een schando voor die hen onderricht hebben
Als gij
(174).
wien
gij
dan
"t vorlios
geen
kinderen
1) arasdivola.
van
kinderen
(528).
niet kunt verdragen, verwek
De geloovige
2) dpyas.
man
verdraagt
het
3) äromıumraärı róv Supéy.
ziel
Van
haar prijst
bij de menigte (530). De fouten der
niet weet,
hoo het met zijn opvoeding
staat, dien zult gij nooit gelukkig durven noemen (538)”.
1) Adyw duo.
2) dvsúduvos Wy saurol pu xpardy.
Página 17
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)Ook aan regenten en rechters wordt de les gelezen.
„Indien gij heerscht over menschen, bedenk dat gij zelf boheerscht
wordt door God (182, 459). Doe u best heerschende
zachtmoedig te zijn en beheerscht wordende hooghartig (453).
Het inzicht, niet de diadeem, maakt den koning (457). De rede
is
het heerschend
beginsel ?) (458). De wijsste is in alles de
machtigste (565). Blijf in alle moeilijkheden de meerdere boven
uwe onderdanen (548). Heersch over vrij willigen (552). Wetende
heerschappij
(554).
De
te voeren zult gij ook ontbloot heerscher blijven
beste toegang tot
de heerschappij is te heerschen
over zich zelven (551). Het gevaar voor den rechter is grooter dan
voor die gericht wordt (184). Acht het afschuwelijk
ook terecht iemand te straffen (261). Als gij den onrechtdoende
verlost
yan
het
onrecht doen, zoudt gij overeenkomstig God
straffen (63)”.
Over het oordeclen in ’talgemeen wordt gezegd:
„Oordeel
niet
uzelven, zoodat gij
geoordeeld
viezen
in niets misdoet, en gij zult
worden (572, verg. 183)”. Voorts eenige advoor
wie met koningen hebben omtegaan: ,Raad den
koning aan,
wat strookt met de heerschappij (454). Aan den
koning getrouw zijnde zult gij zelf koning zijn (460). Als gij
goed
met een
koning (456).
koning
Waag
omgaat,
zult gij
heerschen
over
den
het niet met een koning samen te zijn,
als gij den koning niet kloek kunt aanzien (455)”.
Ten slotte de mensch als burger in zijn verhouding tot het
vaderland
:
„Een
het
deel kan niet welvaren zonder het geheel (485). Die
vaderland beweldadigt, is een wijs man (484). Grootelijks
beweldadigt
het
487
DE SPREUKEN VAN BEXTUS.
VAN SEXTUS.
vaderland, die zich beijvert een goed burger
werd de lezing van het Grieksche origineel gevolgd. Het geheele aantal bedraagt volgens de nummering 610. Daarvan
gaf Rufinus in zijn Latijnsche bewerking 451, waaronder evenwel een drietal, dic in den Griekschen tekst niet terug te
vinden zijn). Omgekeerd heeft Elter eon niot onbelangrijke
menigte spreuken, waarvan bij Rufinus de weerga niet te vinden is, met de letters a, b, c, een enkele maal tot f toe, ingelascht, ‘zoodat het geheele getal feitelijk het cijfer 610 wel
cenigezins overschrijdt, Over 't verschil van lezing behooven
wij hier niet uitteweiden. Men kan zich voorstellen, hoe vergelijking tusschen de beide teksten hier en daar beurtelings
over de cene en over de andere licht ontsteekt *). De conclusie
van die het hebben nagogaan is, dat Rufinus over ’t algemeen
vrij getrouw en nauwkeurig vertolkte *); wat evenwel vergissingen en vrijpostigheden niet buitensluit *), noch ook, dat Elter
bij herhaling kon opmerken, hoe hij door een lapsus oculi van
het begin der eene spreuk abusievelijk op ‚het eind van een
volgende oversprong *). Belangrijker zou het misschien zijn,
zoo wij de Syrische lezingen met de Grieksche of Latijnsche
vergeleken. Maar dan hoofdzakelijk als cen middel om den
aard dier zooveel jongere redactiön te leeren kennen. Te haren
opzichte mocht het eindoordeel luiden: „dass ihre Uebersetzungsarbeit wenig zu loben ist, dass sie vielfach zu frei übersetzten und manches missverstanden, dass sie ihre Aufgabo
überhaupt nicht darin sahen, eine genaue Uebersetzung zu
liefern, sondern dass sie nur den Inhalt ihren Zeitgenossen zu
deren Nutz und Frommen übermitteln wollen, weshalb sie sich
auch nicht scheuten, manches in den Sprüchen, die sie ja für
christliche hielten, ihren dogmatischen Anschauungen anzupaste zijn (482).
sen und Analoges, besonders aus der Bibel, hinzuzufügen *)”.
dapperheid
Men kan zich dit een en ander voorstellen, ook zonder nadere
bewijzen. Reeds de parallelie der Synoptische evangeliön geeft
De beste der wijgeschenken in cen staat is de
der burgers (483). Het beste begin van zorg voor
het vaderland is zorg voor zich zelven (481)”.
Hiermede is de gansche verzameling spreuken in vertaling
ten
naastenbij compleet.
Enkele duplicaten werden vermeden.
Grootendeels parallel loopende volzinnen werden ter vereenvoudiging soms alleen door een nummer aangewezen. Bij alle
1) ro Gpxov.
1) n°. 434, 437, 440.
2) 32, 86, 168, 235, 262, 282, 309, 303, 401, 446, 499.
3) Zeitschr. f. wiss. Theol. 1806, S. 623.
4) Verg. b.v. 98, 103, 107, 117, 126; 127, 166, 169, 171, 173, 178, 246, 264,
284, 286, 374, 392, 40], 435, 430, afwijkingea, die ten decle verklaard zullen moeten worden uit verscbil van lezing in den grondtekst.
6) S. 626 Nr.
6) n°, 265—6, 36090.
Theol, Tijdschr, XXXII.
Página 18
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)Ook aan regenten en rechters wordt de les gelezen.
„Indien gij heerscht over menschen, bedenk dat gij zolf beheerscht wordt door God (182, 459). Doe u best heerschende
zachtmoedig te zijn en beheerscht wordende hooghartig (453).
Het inzicht, niet de diadeem, maakt den koning (457). De rede
is het heerschend
beginsel') (458). De wijsste is in alles de
machtigste (565). Blijf in alle moeilijkheden de meerdere boven
uwe onderdanen (548). Heersch over vrijwilligen (552). Wetende
heerschappij
(554).
De
te voeren zult gij ook ontbloot heerscher blijven
beste toegang
tot de heerschappij is te heerschen
over zich zelven (551). Het gevaar voor den rechter is grooter dan
voor die gericht wordt (184). Acht het afschuwelijk
ook terecht jemand te straflon (261). Als gij den onrechtdoonde
verlost
yan
het onrecht doen, zoudt gij overeonkomstig God
straffen (63)”.
Over het oordeelen in ’talgemeen wordt gezegd:
„Oordeel
niet
uzelven,
geoordeeld
viezen
zoodat gij
in niets misdoet, on gij zult
worden (572, verg. 183)”. Voorts eenige advoor
wie met koningen hebben omtegaan: ,Raad den
koning aan,
wat strookt met de heerschappij (454). Aan den
koning getrouw zijnde zult gij zelf koning zijn (460). Als gij
goed
met een
koning (456).
koning omgaat,
Waag
zult gij
heerschen
over
den
het niet met cen koning samen te zijn,
als gij den koning niet kloek kunt aanzien (455)”.
Ten slotte de mensch als burger in zijn verhouding tot het
vaderland;
„Een
deel
kan niet welvaren zonder het geheol (485), Die
het vaderland beweldadigt, is een wijs man (484). Grootelijks
boweldadigt het
te zijn (482).
dapperheid
487
DE BPREUKEN VAN SEXTUS.
VAN SEXTUS.
vaderland, die zich beijvert een goed burger
De beste der wijgeschenken in een staat is de
der burgers (483). Het beste begin van zorg voor
het vaderland is zorg voor zich zelven (481)”.
werd de lezing van het Grieksche origincol gevolgd. Het gehoele aantal bedraagt volgens do nummering 610, Daarvan
gaf Rufinus in zijn Latijnsche bewerking 451, waaronder evenwol een drietal, die in den Griekschen tekst niet terug to
vinden zijn‘). Omgekeerd heeft Elter cen niet onbelangrijke
menigte spreuken, waarvan bij Rufinus de weerga niet te vinden is, met de letters a, b, c, een enkele maal tot f toe, ingolascht, ‘zoodat hot geheele getal feitelijk het cijfer 610 wel
eenigszins overschrijdt. Over ’t verschil van lezing behoeven
wij hier niet uitteweiden. Men kan zich voorstellen, hoe vergelijking tusschen de beide teksten hier en daar beurtelings
over de cene en over de andere licht ontsteekt *). De conclusie
van die het hebben nagogaan is, dat Rufinus over ’t algemoon
vrij getrouw en nauwkeurig vertolkte *); wat evenwol vergissingen en vrijpostigheden niet buitensluit *), noch ook, dat Elter
bij herhaling kon opmerken, hoe hij door cen lapsus oculi van
het begin der eene spreuk abusievelijk op het eind van eon
volgende oversprong ‘). Belangrijker zou het misschien zijn,
zoo wij de Syrische lezingen met de Grieksche of Latijnscho
vergeleken. Maar dan hoofdzakelijk als cen middel om den
aard dier zooveel jongere redactién te leeren kennen, Te haren
opzichte mocht het eindoordeel luiden: ,duss ihre Uebersotzungsarbeit wonig zu loben ist, dass sie vielfach zu frei übersetzten und manches missverstanden, dass sie ihre Aufgabe
überhaupt nicht darin sahen, eine genaue Uebersotzung zu
liefern, sondern dass sie nur den Inhalt ihren Zeitgenossen zu
deren Nutz und Frommen übermitteln wollen, weshalb sie sich
auch nicht scheuten, manches in den Sprüchen, die sie ja für
ehristliche hielten, ihren dogmatischen Anschauungen anzupassen und Analoges, besonders aus der Bibel, hinzuzufügen °)”.
Men kan zich dit een en ander voorstellen, ook zonder nadore
bowijzen, Reeds de parallelie der Synoptische evangeliön gooft
Hiermede is de gansche verzameling spreuken in vertaling
ten
naastonbij compleet.
Enkele duplicaten werden vermeden.
Grootendeels parallel loopende volzinnen werden ter yereenvoudiging soms alleon door een nummer aangewezen. Bij alle
1) n°. 434, 437, 440.
2) 32, 86, 108, 286, 262, 252, 300, 304, 401, 440, 490,
3) Zeitschr. f. wiss. Theol. 1896, S. 628.
4) Verg. b. v. 98, 103, 107, 117, 126; 127, 166, 169, 171, 173, 178, 240, 264,
284, 286, 374, 302, 401, 430, 430, afwijkingen, die ten decle verklaard zullen moeten worden uit versebil van lering in den grondtekst,
1) rd pxov.
6) n°, 265—6, 380a—90.
Theol, Tijdechr, XXXII,
0) S. 620 ff.
Página 19
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)er eenig denkbeeld van, of anders de wijze, waarop de Honderd artikelen van Suso door de verschillende bewerkers werden gereproduceerd '). Het was mij hier niet zoo zeer om litterarisch-critische studién
te doen, als wel om het leveren
eener bijdrage tot de kennis van de litteratuur, waarmede de
christenen van den ouden
tijd, met name die van het laatst
der tweede eeuw en daarop volgende perioden, zich hebben
Dat uit dit oogpunt beschouwd de Spreuken van
Sextus de kennismaking overwaard zijn, is den lezer gebleken.
gesticht.
'Perecht mocht Wendland zeggen: „Und wer den Einfluss der
Philosophie und des Christenthums auf die Kultur erforschen
will, der wird auch an diesen Schriften nicht vorübergehen
dürfen, die den Niederschlag der Bildung der Massa vermittelten
und mundgerecht
machten,
die für ihre Zeit vielfach
die Bedeutung von Gebets- und Andachtsbüchern haben mochten, aus denen mancher seine geistige Nahrung geschöpft und
in ihnen Erhebung des Gemüths gesucht haben wird *)". Met
belangstelling zien
wij te gemoet,
historia litteraria van
wat Elter betreffende de
Sextus’ spreukenschat als
het ons toegezegd onderzock zal
te openbaren
vrucht van
hebben. Misschien gelukt het hem als litterator, van den Griekschen tekst,
dien
hij
ontdekte
minder omgewerkt
en
publiceerde,
christelijke bestanddeelen
wijzen,
nu
of in
vöör ons
werden
opteklimmen
origineel, tusschen
ander
bij
de
benadering
tot
een nog
heidensche
en
de
aantegrenzen
de
opzicht
perspectief te ontdekken in wat
ligt schijnbaar
als cen effen vlak. Maar ook al
wij in dezen teleurgesteld, wij hebben reden om hem
dankbaar te zijn
voor den Griekschen
Sextus, dien
hij ons
schonk. „Die Theologen”, zeggen wij, ook nu met Wendland *),
„werden ihn jetzt als
die
Ausgabe
des
ein
Urtextes
nicht verächtliches
als
werthvolle
Denkmal und
Bereicherung der
älteren christlichen Litteratur zu würdigen haben”.
H. U. Meysoon.
1) Archief voor Ned. Kerkgesch, 1885, bl. 173 v,
2) Berl. Philol, Wochenschr,
18 Febr. 1893, S. 235,
3) S. 232,
IN; MES LOGISOMA TERR
LALA \ |