Mostrar texto completo10 páginas
Página 1
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)Cou Casi mur Y,
Uhde ontuilkeh,paeichiedents
i peg alee P2e- 20
Ra
4
CASMIR.R..
Página 2
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)pingspunten bij bem, maar ook bij tegenovergestelde
richtingen, vindt men sporen van zijn invloed.
Hoe is dit te verklaren?
De kern van Heraclitus' leer is het besef van de
veelzijdigheid der dingen. Dit nu brengt mee een
inzicht, dat naast bet gif het tegengif aanwezig is.
In toestanden van ellende en verwarring kan het de
voorbereiding zien voor beter verhoudingen op allerlei
gebied en rustiger, geordender tijden. In zooverre zit
er een element van optimisme in.
Men moet buigen voor het staatsgezag, in zooverre
het met goddelijk vernuft overeenkomt. Maar als
het dit niet doet, heeft het geen autoriteit. En het
is duidelijk, dat licht de vraag óf het dat doet,
ontkennend beantwoord wordt door diegenen, welke
zich niet kunnen verzoenen met heerschende regels.
Het Heraclitisme is historisch en conservatief. Het
wijst in al 't negatieve iets positiefs aan. Maar...
het erkent geen vast bestaande, geen definitieve
afsluiting eener ontwikkeling. En in zooverre bevat
het elementen van revolutionnairen aard.
§4. De Pythagoreeërs.
Op 't eiland Samos werd, waarschijnpytjjag0ras geboren. Zeker
bezocht hij Egypte, waarschijnlijk ook Babyion.
Daarna ging hij zich in Kroton vestigen, in benedenItalië, en stichtte daar een broederschap, die wel
eenigszins te vergelijken is met de latere geestelijke
ridderorden. Er waren verschillende graden, voor
iederen graad was een afzonderlijk stel plichten, en
daardoor kon de broederschap ook in ruimer kring
verbreiding vinden. Omstreeks 500 werd het gebouw,
waarin zich de broederschap bevond, verbrand door
p
agor~s.
Página 3
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)de tegenstanders. Of ook Pythagoras zijn dood in de
vlammen vond, is niet bekend. Vervolgingen:, ten
doode toe, volgden in andere plaatsen. Weldra
bestond de bond niet meer. Er waren alleen nog
maar Pythagoreeërs.
Van Pythagoras zelf weten we zeer weinig. Stellig
is hij een buitengemeen begaafd man geweest, die
vele dualiteiten in zich vereenigde, welke men meestal
niet in één mensch aantreft: aan grondige wiskundige
kennis en belangstelling in astronomie paarde hij een
warm ethisch gevoel, een rijke fantasie, een innigen
godsdienstzin. Op twee gebieden zijn de Pythagoreeërs
dan ook werkzaam geweest: op dat der wis- en sterrenkundige wetenschap, en op dat der religie en ethiek.
Wat nu door Pythagoras zelf, wat door zijn jongeren
en navolgers gevonden is, valt niet te zeggen. Zeer
schoone, opgesierde en totaal onbetrouwbare levensbeschrijvingen van Pythagoras zijn tot ons gekomen
uit de 3de eeuw n. Chr.
Met den geestelijken eigendom nam men het zoo
nauw niet in de oudheid. Men verleende graag een
zekere eerwaardigheid aan zijn uitspraken, door ze
terug te voeren op een geleerde van vroeger tijd.
Vooral in de Pythagoreïsche school was dit sterk.
Als de meester iets beweerd had, dan was daarmee
alles bewezen. „Autos epha" (hij heeft het zelf gezegd) lag Pythagoras'jongeren in den mond bestorven.
Het is niet de eenige maal in de geschiedenis, dat
de jongeren zweren bij de woorden huns meesters.
We spreken dus van de Pythagoreeërs en gaan
hunne denkbeelden na.
Het is niet ongewoon, de meening
De getallen- aan te treffen dat gevoel en geeorie.
m0edsbehoeften altijd vijandig zijn
aan het weten. Dit is ook inderdaad dikwijls het
Página 4
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)geval. Menigeen omhelst een leer, omdat die zijn
gemoedsbehoeften bevredigen kan, weigert nieuwe
inzichten aan te nemen, omdat ze niet strooken met
innerlijke begeerten of wenschen. De geschiedenis
van het wijsgeerig denken zal ons dan ook telkens
voorbeelden doen zien, hoe de tegenstand tegen
bepaalde systemen niet ontsproten is uit vijandschap
tegen het systeem, omdat het als niet-waar erkend
werd, maar uit het besef, dat het inging tegen
lang-gekoesterde gevoelens, wier verlies pijnlijk
zou zijn.
Daarom ziet men zelfs tot op onzen tijd wijsgeeren
pogen, hun systeem meer aannemelijk te maken, door
het meer of min in overeenstemming te brengen met
een leer, die tot dusver 't gevoel bevredigde. Het is
echter zeer de vraag, of een dergelijk pogen steeds
gepaard kan gaan met die volkomen eerlijkheid en
met die scherpheid van bepaling, die absolute eischen
zijn voor het filosofisch
denken, en we hebben
trouwens geheel geen recht, van te voren aan te
nemen, dat de wereld is ingericht op bevrediging der
behoeften van ons gemoed.
Deze opmerking gaat vooraf, omdat we nu een
voorbeeld zullen aantreffen, hoe wetenschappelijke
ontdekkingen hun oorzaak vonden in aesthetische
en ethische behoeften. De Pythagoreeërs deden veel
aan muziek. Men spande nu een snaar op een klankbodem, wist die snaar langer en korter te maken
en ontdekte toen, dat er een verhouding bestond
tusschen de lengte van de snaar en de toonshoogte.
Hoe langer de snaar, hoe lager: hoe korter de snaar,
hoe hooger de toon. Hiermee was een der eerste
ontdekkingen gedaan op 't gebied van de leer van
het geluid en een belangrijken stap gezet op 't gebied
der physica.
Página 5
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)Men zie echter goed in, dat er in deze ontdekking
nog iets anders school. Men kwam tot inzicht in de
beteekenis van quantitatieve verhoudingen. De huidige
natuurkundige wetenschap tracht alles zoo precies mogelijk in getallen uit te drukken. Ze is niet tevreden,
met te weten, dat een lichaam bij verwarming uitzet,
maar wenscht ook te kunnen zeggen: bij zooveel
graden warmtevermeerdering zal die stof precies
zooveel uitzetten. En ook daarmee is ze niet tevreden.
Ze vraagt, wat die warmte eigenlijk is: waarom zet
een lichaam uit als 't warmer wordt. Nu neemt de
natuurkundige aan, dat een lichaam uit allerkleinste
deeltjes bestaat, die in voortdurende beweging zijn.
Warmer worden van een lichaam wil zeggen: vermeerdering der snelheid, waarmee die deeltjes zich
bewegen. De uitzetting is teruggebracht tot een sneller
bewegen der deeltjes en een vergrooten van de afstanden, waarop die deeltjes zich van elkaar bevinden.
Maar die bewegingssnelheid en die afstanden kunnen berekend worden en wiskundig geformuleerd.
Zoo voert de natuurkundige de veranderingen terug
op verandering van meetbare grootheden en tracht
alle gebeuren vast te leggen in wiskundig geformuleerde stellingen. Het getal, de quantitatieve bepaling
is dus van overwegende beteekenis voor de moderne
wetenschap. En het is bekend, hoe niet alleen de
natuurwetenschappen zich van het getal bedienen,
maar hoe men ook maatschappelijke verschijnselen
(b.v. de sterfte, de misdaad) in statistieken brengt.
Van de enorme beteekenis van het getal voor de
beoefening der wetenschap, hebben de Pythagoreeërs
een zoo diepen indruk gekregen (al zagen ze natuurlijk niet al de aanwendingen der toekomst vooruit)
dat ze het getal verklaarden voor den grond van al
't zijnde, voor 't eenig wezenlijke.
Página 6
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)Niet water, vaar, lacht, niet het oneindige, maar
't getal gold hun als grondstof.
Na hebben ze met hun levendige fantasie, daaraan
allerlei wonderlijke, mystieke gedachten geknoopt.
Gold de eenheid hun als 't volmaakte, de twee, die
deelbaar was, was minder volmaakt. Drie = 14-1 + 1,
is een zeer volmaakt getal, het heeft begin, midden
en einde.
Als ze eenmaal alles in het wezen • als getal
verklaard hadden, dan konden ze niet nalaten,
op hun standpunt ook geestelijke eigenschappen
voor getallen te verklaren. Want tot nu toe
kennen de denkers nog niet het onstoffelijke en
abstracte. Zoo wordt gerechtigheid een kwadraat
getal, enz.
Hoe vreemd ons dit alles ook moge lijken, in die
fantastery zit een kern van waarheid: de groote
beteekenis van 't getal; en het beduidt ook een voortschrijden van 't denken, wanneer men gaat inzien
dat men eerst d&n een verschijnsel goed kan begrijpen,
als men de getallenverhouding kent, waarin het zich
voordoet. We zullen later zien, hoe in het begin van
den nieuwen tijd de groote sterrenkundige Kepler
dit heeft beseft.
Groote verdiensten hebben de PythaAstronomie. goreeërs voor de 8terrenkunde.
Het is gewenscht, hier met een enkel woord te
herinneren aan de gegevens.
Aan onze oogen vertoont zich de aarde steeds als
een plat vlak. Is ons uitzicht niet beperkt, dan zien
we dat platte vlak als een cirkel. Daarover welft
zich als een halve bol het hemelgewelf, waaraan de
zon zijn dagelijkschen loop voltrekt, nu eenshooger,
dan lager aan 't hemelgewelf. De maan heeft eveneens haar dagelijksche beweging, daarnaast haar
Página 7
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)maandelijksche schijngestalten. Sommige „sterren," de
planeten, zijn dan eens weer zichtbaar, dan weer niet.
Andere zijn altijd zichtbaar, als de Groote Beer, andere
ook komen geregeld op en gaan geregeld onder.
Ook den Grieken waren deze verschijnselen niet
onbekend en ze moesten naar verklaringen zoeken.
Aanvankelijk waren die kinderlijk en fantastischdichterlijk, maar we zagen reeds hoe Anaximander
den schijfvorm der aarde niet meer aannam.
Deze verschijnselen na kunnen we thans, sedert
Copernicus in 1543 zijn „Over de omwenteling der
hemellichamen" uitgaf en allerlei sterrenkundige waarnemingen zijn hypothese gestut hebben, in een eenvoudig stelsel samenvatten en uit een gering aantal
veronderstellingen verklaren.
In het midden van ons zonnestelsel staat de zon.
Daaromheen bewegen zich, in ellipsvormige banen de
planeten. Onze aarde is een dezer.
Haar as staat met een hoek van 66 Va8 op haar
baan. In 24 uren wentelt ze om haar as; vandaar
de verschijnselen van dag en nacht. In een jaar
wentelt ze om de zon: oorzaak van de afwisseling
der jaargetijden. De duur van den omloopstijd der
planeten hangt af van hun afstand van de zon, bij
sommige is die 88 dagen, bij andere vele jaren. De
zon, aarde en andere planeten staan dus op verschillende tijden in anderen stand ten opzichte van
elkaar: vandaar het dwalen, dat de planeten aan den
hemel schijnen te doen.
Toen Copernicus dit stelsel leerde, plaatste hij
dus de aarde uit het middelpunt. De Middeleeuwen
hadden haar nl. op voetspoor van Ptolemaeus in het
middelpunt geplaatst, en om haar, in allerlei kunstige
banen, zon en planeten laten wentelen.
Het stelsel van Copernicus bracht een omwenteling
Página 8
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)in het denken. De kerk aanvaardde het eerst niet.
öalilei moest de aswenteling der aarde loochenen.
Giordano Bruno, ook om andere ketterijen vervolgd,
stierf in 1600 op den brandstapel. Cartesius durfde
zich niet dan voorzichtig en niet duidelijk zijne bedoeling verradend, over de nieuwe leer uitlaten.')
Al deze strijd was ons gespaard gebleven en het
denken wie weet hoeveel verder, indien men voortgegaan was op het voetspoor der Pythagoreeërs.
Want dit staat vast:
De Pythagoreeërs hebben de hoofdtrekken van het
Copernicaansche stelsel geleerd.
Niet ineens kwamen ze er toe.
Den bolvorm der aarde namen ze reeds spoedig
aan, 't zij op grond van waarnemingen, 't zij omdat
de bolvorm de volmaakste was en dit het best in
hun systeem paste.
Ze namen 10 hemelsferen aan; die der vaste sterren,
die der zon, die der 5 planeten, die der maan en die
der aarde vormen 9. Tien was echter een; heilig
getal en ze meenden dus, dat het aantal hemelsferen
ook 10 moest zijn. Ze fantaseerden er dus een tiende
bij: de tegenaarde. Later echter, toen uitgebreide
reizen hun wereldkennis hadden verruimd, lieten ze
die vallen.
De hemellichamen maakten bij hun beweging om één
groot centraal vuur geluiden, die samen klonken als de
tonen van een octaaf. Dit noemt men de harmonie
der sferen. Dat wij ze niet hooren, verklaarden ze op
de volgende wijze, die getuigenis aflegt van hun psychologische waarneming. Als een smid langen tijd
') Eerst sedert 1822 stonden boeken, die de aswenteling der
aarde leerden, niet meer op den index. (Lijst v. verboden boeken).
Página 9
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)op een aambeeld slaat, hoort hij 't niet meer. Zoo
ook hooren wij de harmonie niet meer. Ze beroepen
zich dns op het verschijnsel, dat in de huidige zielkunde „het afvloeien" heet.
Met de tegenaarde liet men weldra het centraal
vuur vallen. Ecphantes leerde de aswenteling der
aarde. Daarna liet men sommige planeten om de zon
bewegen. En ten slotte plaatste Aristarchus van Samos
(280 v. Chr.) de zon in 't middelpunt en liet aarde
en planeten om haar wentelen.
.
Langzamerhand verbond de Pythagoreïsche
Eth ca. ze(jeieer ziel! eng met de Orphische mystiek
en in latere perioden is het niet gemakkelijk te onderscheiden, wat nu speciaal van de Orphiek, wat van
de Pythagoreeërs kwam.
In 't middelpunt stond de leer der zielsverhuizing.
Na den dood van den mensch gaat de onsterfelijke
ziel het lijf verlaten en vindt, als ze niet genoeg
gelouterd is, haar plaats in een of ander dier. Ze
verlaat dit weer voor een mensch en doorloopt zoo
vele stadiën, tot ze ten slotte gereinigd is en weer
één kan worden met de godheid. Hoewel oudere
berichten zeggen dat Pythagoras de leer der zielsverhuizing uit Egypte invoerde, valt dit te betwijfelen,
nu jongere Egyptische onderzoekingen ons doen zien,
dat de leer der zielsverhuizing bij de Grieken heel
anders is geweest dan bij de Egyptenaren. Meer
overeenkomst vertoont ze met de leer der Hindoe's,
waaraan ze misschien, door bemiddeling der Perzen,
ontleend kan zijn.
Met het geloof aan zielsverhuizing hangt vegetarisme samen. In de oudheid vertelde men van
Pythagoras de anecdote, dat hij eens gezegd had:
„Sla dien armen hond niet, de ziel van een vriend
is in hem, ik heb zijn stem in 't jammeren herkend."
Página 10
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)De Pythagoreeërs leidden een ascetisch, onthoudend
leven, vrij van zingenot en wellust.
De leer der zielsverhuizing bracht een nieuw element in de Orieksche waardeeringsoordeelen. Tot
dusver had bij hen gegolden: het lichaam meer dan
de geest, het lichamelijk leven 't voornaamste.
Thans werd dit anders: de hoofdaandacht werd
gevestigd op 't geestelijk ') leven.
Plato zou deze idee weer opnemen en met zijn
groote genialiteit en machtigen blik verder ontwikkelen; door hem ook heeft deze idee onwankelbaar
post gevat in 't Westersch denken, waaruit ze misschien nimmer zal verdwijnen (bladz. 105).
Tegen 't einde der Orieksche wijsbegeerte leeren
we de Neo-Pythagoreeërs kennen, bü wie de religieuse vraagstukken op den voorgrond staan. We zullen
ze daar niet afzonderlijk behandelen, omdat ze veel
overeenkomst vertoonen met andere, meer belangrijke
richtingen, die we dan zullen ontmoeten.
§5. De Eleaten.
De Eleaten vormen de richting, welke, in tegenstelling met Heraclitus niet op het worden maar op
het zijn haar aandacht vestigt. Gewoonlijk laat men
de school met Xenophanes beginnen, maar deze was
meer een godsdienstig reformator. Stichter der eigenlijke wijsgeerige school is Parmenides.
') Men moet steeds bedenken, dat de Grieken nog altijd niet
gekomen zijn tot een scherpe scheiding van psychisch en physisch,
maar de ziel nog als een heel fijne stof denken, niet wezensverscheiden van een andere stof.