Mostrar texto completo9 páginas
Página 1
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)IETS OVER DEN INVLOED VAN EMPEDOCLES EN
ARISTOTELES OP DE GENEESKUNDE EN DE MAGIE
BI DE OUDE GRIEKEN EN ROMEINEN,
À a DS
BAKER L.
DOOR
G. BAKKER.
\AD A
Bij de oude Grieken en Romeinen waren het de priesters, die
de geneeskunde uitoefenden, totdat, dank zij den grooten invloed
van HIPPOCRATES, zich daarnaast ook een leekenstand van geneeskundigen ontwikkelde. Maar zoowel de eersten als de laatsten
waren meestal tegelijk philosophen, opgegroeid in de godsdienstige denkbeelden ‘en magische begrippen van hun tijd. Het
is daarom niet te verwonderen, dat de mythologie, de philosophie,
de geneeskunde en de magie zooveel gemeenschappelijke trekken
vertoonen, ja, vaak zelfs van dezelfde grondgedachten zijn uitgegaan. Als zoodanig noemik: 1° de verdeeling van al het geschapene
in aarde, water, lucht en vuur, 2° de sympathieleer, 3° de onderscheiding van al het bezielde in een mannelijk en een vrouwelijk
principe en 4° de denkbeelden over de ziel.
In de mythologie wordt de chaos door den demiourgos, door
de wereldziel, verdeeld
in aarde, water, lucht en vuur (den sterrenhemel), en is het EROS, de god der liefde, die maakt, dat het gelijke
zich vereenigt met het gelijke (aarde met aarde, water met water
enz.). Daarna wordt de aldus ontstane wereld bevolkt met goden,
godinnen, demonen e.d., met planten en dieren, en ten slotte met
den mensch. Die goden worden voorgesteld als menschen en zijn
van het mannelijke of van het vrouwelijke geslacht. Zij zijn verschillend in rang. De grootste, de voornaamste, de sterkste onder
hen is de gepersonifieerde zon, die wordt voorgesteld als begaafd
met een groote scheppende kracht, die hem in staat stelt niet alleen
te cohabiteeren met goden, nymphen e.d., maar ook met menschen.
dieren en planten. Naast hem zetelt een vrouwelijke godheid,
de gepersonifieerde maan, evenals hij toegerust met geweldige
krachten, maar in alles van hem afhankelijk en aan hem onderworpen; zij is het, die de vruchtbaarheid van al wat leeft bevordert.
De woonplaats van beiden is het firmament. Naast en onder
hen staan de andere goden en godinnen, die als gepersonifieerde
sterren of sterrenbeelden en natuurkrachten, hun woonplaats
hebben aan den sterrenhemel, in de lucht, in het water of onder
de aarde. Al deze goden en godinnen zijn door een meer of minder
nauwe familiebetrekking aan elkaar verbonden. De drijfveer
van al hun doen en laten is liefde of haat. Aan hen zijn onderworpen
schim- of spoakachtige wezens, die als dienaren der goden {de
betrekkingen tusschen dezen en de menschen onderhouden. Op
Página 2
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)last van de goden veroorzaken zij ziekten, epidemieën, krankzinnigheid en ongeluk, maar kunnen ook geluk aanbrengen, waarschuwingen geven, de toekomst openbaren enz. De mensch heeft
een ziel, die als schim zijn lichaam na den dood verlaat en dan
naar de onderwereld verhuist, maar soms nog een tijdlang op
aarde blijft vertoeven, hetzij als schim, hetzij in een plant, waarvan
de Odyssee van HOMERUS verschillende voorbeelden vermeldt.
‚Evenals de goden en demonen, kunnen die schimmen, al of niet
dieren, zooals steenhoenders, bevrucht worden, doch het gevolg
van die copulatie is iets onvolkomens, windeieren, waaruit geen
levend individu kan voortkomen. Prinius (XVI—39—19gr) daarentegen beweert, dat door de wereldziel in Spanje zelfs de merries
bevrucht worden. Lagere dieren en planten kunnen bovendien
door z.g.n. generatio spontanea ontstaan, wanneer op uit- en
afscheidingsproducten van dieren of planten, die in rotting verkeeren, warmte, vooral zonnewarmte, inwerkt.
door tusschenkomst van de priesters, door: offers en gebeden
Volgens sommige philosophen (bijv. PLATO) verlaat de verstandelijke ziel het lichaam na den dood, maar blijft als schim
een tijdlang rondzwerven op kerkhoven of kruiswegen en wel
worden verzoend.
des te langer, naar mate de persoon uit wiens lichaam die ziel
gekomen is, tijdens zijn leven minder braaf heeft geleefd, minder
worden opgeroepen, om raad en voorspraak worden gevraagd, tot
gunstbewijzen worden overgehaald: of eventueel in hun toorn
In de philosophie worden de elementen, waaruit al het bestaande
… geacht werd te zijn opgebouwd, ook verdeeld in aarde (de vaste
stoffen), water (al het vloeibare), lucht (alle gassen en dampen)
en vuur. Door vereeniging van die elementen met elkaar komen
alle dingen tot stand, en wanneer die later vergaan, vallen zij weer
uiteen in aarde, water enz. Die vereeniging of die ontbinding komt
tot stand door liefde of haat, door de z.g.n. sympathie of antipathie.
naar het hoogste, het zedelijke, het goddelijke heeft gestreefd en
meer heeft gehangen aan het lagere, het onzedelijke, het aardsche.
Het hoogste doel toch, waarnaar de ziel moet streven, is zich weer
te vereenigen met de godheid, wat bereikt kan worden door een
godvruchtig leven. De zielen, die dat tijdens het leven niet hebben
gedaan, gaan tot straf een nieuw leven tegemoet in een of ander
deze mannelijk of vrouwelijk genoemd op grond van eigenschappen,
waardoor bij de hoogere dieren het mannetje zich van het vrouwtje:
dier, dat dezelfde natuur bezit als hij aan den dag heeft gelegd.
Lafhartige mannen vangen hun nieuwe aardsche loopbaan weer
aan als vrouw. Ook in de philosophie heeft de ziel dus soms het
karakter van iets goddelijks of iets demonisch.
In de geneeskunde zijn het, als eonclusies getrokken uit philosophische dogma's, zooals ik dat in mijn boek „Volksgeneeskunde
Volgens sommige philosophen is alles bezield, tot zelfs enkele
vochten, waaruit het lichaam bestaat. Die vochten, meestal
Alle levende wezens worden onderscheiden in mannelijke en
vrouwelijke. Bij de menschen en bij de hoogere dieren geschiedde
dat natuurlijk naar de geslachtskenmerken, maar daar die toen
nog niet bekend waren bij de lagere dieren en planten, werden
onderscheidt, zooals meerdere. grootte, sprekender kleuren enz.
delfstoffen, zooals de magneetsteen (ruares), volgens andere hebben
alleen levende wezens een ziel of meer zielen. Zoo kent ARISTOTELES
aan planten alleen de laagststaande ziel, de voedende ziel, toe;
dieren hebben volgens hem bovendien nog de middelste soort, de bewegende
of gevoelende ziel, terwijl de mensch, behalve deze
bzide nog de verstandelijke ziel bezit, die aandeel heeft aan het
goddelijke. Sommige wijsgeeren houden de ziel voor stoffelijk,
andere voor onstoffelijk, zooals ARISTOTELES, maar dan kunnen
toch de beide laagste zielen niet bestaan zonder stof, en zijn daaraan
gebonden of hebben voor haar werkzaamheid stof roodig. De
hoogste ziel is echter absoluut onstoffelijk; die kan zich wel met
stof vereenigen, maar ook zonder deze bestaan en haar werk verin Waterland’ breedvoerig heb uiteengezet, de vier cardinale
humeuren genoemd, zijn zwarte gal, phlegma (slijm), bloed en
_ gele gal, aan welke humeuren respectievelijk dezelfde eigenschappen
worden toegekend als aan aarde, water, lucht en vuur. De zwarte
gal wordt koud en droog genoemd als aarde, phlegma koud en
vochtig als water, bloed warm en vochtig als lucht, en gele gal
warm en droog als vuur. De beweging dier vochten geschiedt
door sympathie, de physiologische processen komen ook daardoor
tot stand. Het gelijke in voedsel, drank of in de omgevende lucht
wordt aangetrokken door het gelijke in het lichaam. Voedsel,
drank of geneesmiddelen worden ook koud en droog, koud en
vochtig enz. genoemd, al naar den indruk, die zij op de zintuigen
maken en dan verondersteld zwarte gal, phlegma, bloed of gele
danken aan de vereeniging van het mannelijke individu met
gal te bevatten (HIPPOCRATES) of daarin in het lichaam te veranderen, omdat ze respectievelijk in hoofdzaak uit aarde, water
lucht of vuur bestaan (GALENUS). Kortom overal wordt een parallel
de bewegende ziel bezit, op het vrouwelijk zaad (menstruaal bloed),
getrokken tusschen den bouw van het menschelijke lichaam en
richten. Hoogere dieren en menschen hebben hun ontstaan te
het vrouwelijke, aan de inwerking van het mannelijke zaad, dat
dat alleen maar de voedende ziel bevat. Bij den mensch wordt
bovendien, omstreeks 40 dagen na het begin der zwangerschap,
de verstandelijke ziel in den foetus gestort. Planten ontstaan
dien van het heelal. Maar die vergelijking wordt nog veel verder
doorgevoerd. De beweging der lichaamsvochten wordt geacht
af te hangen van die der sterren, en de tijdperken van het leven,
uit zaad, wanneer daarop water en warmte inwerken, vooral
de jeugd, de volwassen leeftijd, de rijpere leeftijd en de ouderdom
in het voorjaar,wanneer de wereldziel het krachtigst werkt, maar
kunnen ook door de werking daarvan ontstaan zonder zaad, indien
zich in den bodem de daartoe geschikte stoffen bevinden. Maar
volgens ARISTOTELES kunnen door die wereldziel wel hoogere
worden respectievelijk met de lente, den zomer, den herfst en den
winter gelijkgesteld. Het heelal wordt daarom de macrocosmos
genoemd en het menschelijke lichaam microcosmos. Door sympathie
hebben daarom zon, maan en sterren invloed op de beweging der
Página 3
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)lichaamsvcchten (HiPPOCRATES). In den winter, die koud en
vlochtig is, wordt meer phlegma gevormd, in de lente, die warm
en vochtig is, meer bloed, in den zomer meer gele gal en in den
herfst meer zwarte gal. Door overmaat van koud en vochtig
voedsel, door den invloed van den winter kan er dus teveel phlegma
gevormd worden, en kunnen daardoor ziekten ontstaan, waarbij
pijpcatarrhen;
veel phlegma gevormd wordt, als neus-, keel- en lucht
zomer kan
den
in
en
voedsel,
door overmaat van droog en warm
(heete
ziekten
heete
r
waardoo
komen,
lichaam
het
er teveel gal in
koortsen enz.) ontstaan en zoo voort.
De man is warmer dan de vrouw en daardoor ontstaan de
groote verschillen tusschen hen. Bij den man heeft het bloed en
de gele gal de overhand en bij de vrouw het phlegma en de zwarte
gal. De verwarming dier vochten geschiedt door de natuurlijke
warmte (waarover straks), die op haar beurt weer verhoogd kan
worden door de humeuren, een dubbele reden dus, waarom de
man warmer is dan de vrouw.
t de hersenen: door psychisch pneuma,
Het verstand entstaain
d.i. ingeademde lucht, die zekere veranderingen heeft ondergaan
door de natuurlijke warmte. Wanneer die warmte is verhoogd of
verlaagd, vochtig of droog is geworden,m.a.w, den invloed heeft
ondergaan van de omringende natuur of van de lichaamsvochten,
heeft dat invloed op de psyche en ontstaan stemmingen, affecten,
karakteranomalieën,
psychosen
enz.
Maar naast dit alles wordt voor het ontstaan van droomen,
van ziekten van lichaam en van geest waarde gehecht aan den
goeden of kwaden invloed van demonen !
Vóór ik er nu toe over zal gaan om te laten zien,dat de magie
dezelfde punten van overeenkomst vertoont met de mythologie,
de philosophie en de geneeskunst, wil ik de vraag aan de orde
stellen: Hoë is men aan die gemeenschappelijke denkbeelden
gekomen? Want het is van het grootste gewicht om een goed begrip
van de verschillende meeningen op dit gebied te hebben, en dat
is alleen te krijgen door het antwoord op die vraag.
De scheiding van al het geschapene in aarde, water, lucht en
vuur (den sterrenhemel) in de mythologie behoeft geen nadere
toelichting. Het is de scheiding, die de natuurmensch, zonder
veel hersengymnastiek, als van zelf maakt. Maar wel eischt het
eenige toelichting, hoe de philosophie er toe gekomen kan zijn
zijn Metaphysica, dat hun eigenschappen in de tegenovergestelde
overgingen. Wanneer bijv. aan het element aarde (neem bijv.
modder) het element water werd toegevoegd, ontstond òf een
-halfvaste, klonterige massa òf. een brij, al naar de hoeveelheid
water, die gebruikt was. In het eerste geval had de modder, het
. element aarde, dat oorspronkelijk koud en droog was, een deel
van zijn droogte verloren, en het element water, dat eerst koud
en vochtig was, was minder vochtig geworden, doch in het tweede
geval, als de hoeveelheid water de overhand had, was de aarde brij
geworden, had zijn droogte verloren; één van haar eigenschappen
was in de tegenovergestelde overgegaan. Al heel gemakkelijk
is te zien, en dat zal dus ook wel spoedig zijn opgemerkt, dat
enkele elementen in elkaar konden overgaan en dan ook de eigenschappen van dat element aannamen. Sommige vaste stoffen
(in hoofdzaak aarde) konden vloeibaar, dus water worden of in
gas of damp veranderen, dus lucht worden. IJs bijv. zag men
door de warmte tot water worden en dit, bij voortgezette verhitting,
in dampvorm overgaan. Evenzoo vetten en vluchtige oliën e.d,
En door kou zag men het tegenovergestelde gebeuren.
„Bij aarde, water en lucht was dus door een voudige waarnemingen
uit te maken, dat zij verbindingen met elkaar konden vormen,
bij ontleding daarvan weer in hun oorspronkelijken staat konden
terugkeeren, in elkaar konden overgaan en dan hun eigenschappen
konden verliezen, om die bij het omgekeerde proces weer terug
te ontvangen.
Maar moeilijker is te verklaren, waarom vuur voor stof, voor
een element werd gehouden en waarom men aan vuur dezelfde
eigenschappen heeft toegekend als aan de overige elementen,
en dat juist heeft zulke ver strekkende gevolgen gehad voor de
toekomst. Ik stel mij voor, dat men daartoe ook gekomen is door
logische beredeneering, naar den toenmaligen stand der wetenschap, van heel eenvoudige gebeurtenissen, die men dagelijks
om zich heen zag plaats grijpen. Wanneer men in een bosch had
hout gekapt, zag men, dat dit nat was en soms zag men er zelfs
water (hars) uit druipen. Dat leerde hun dus, dat vaste stof (aarde)
met water (water of hars) kon verbonden zijn, Indien men dan
dit hout in de zon zette, werd het water (in dampvorm) eruit
gedreven, en werd de geur, die dit hout reeds dadelijk na het
kappen verspreidde, sterker. Door de warmte werd dus aan het
om dezelfde namen aan de elementen te geven.
hout, behalve water, iets onttrokken, dat wel niet zichtbaar was,
maken, was het noodig, dat zij met andere stoffen, die eveneens
eenigen tijd geduurd, dan was het hout droog geworden en zijn. geur
Wanneer een stof op den naam van element wilde aanspraak
elementen waren, verbindingen kon aangaan, waardoor dan dat,
maar door den reuk duidelijk was waar te nemen. Had dit prcces
wat men om zich heen zag, werd opgebouwd,en dat zij, zoodra
was verdwenen, althans veel minder geworden, en tegelijk daarmee
was het hout gekrompen en lichter geworden, was het in gewicht
kelijken staat van enkelvoudige stof terugkeerde. Nu zal men al
heel spoedig hebben waargenomen, dat zoo'n element bij het
aangaan van een verbinding met een ander element één of meer
dat was in de lucht opgenomen.
Wanneer men nu hout tegen
die verbindingen weer verbroken werden, weer in haar oorspronvan zijn. oorspronkelijke eigenschappen inboette, dat het eene
element aan het andere element een eigenschap in meerdere of
mindere mate ontroofde, of zooals ARISTOTELES dit uitdrukt in
afgenomen. Er was dus door de warmte water en iets onzichtbaars
(lucht), waarmee het verbonden was geweest, uit losgemaakt en
hout
ging wrijven,
werd
het warm. Waardoor kon dat gebeuren? Bij voortgezette wrijving
werd het zelfs heet en ten slotte zag men vuur daàruit springen.
Het lag dus voor de hand om te veronderstellen dat dit vuur,
Página 4
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)evenals het water en de lucht, oorspronkelijk aan het hout was
verbonden geweest en door het wrijven daaruit was verwijderd.
Had men het door wrijven nu zoover gebracht dat er eenig
vuur uit ontstaan was, dan was langer wrijven niet meer noodig,
dan werd door het losgekomen vuur de rest van zelf vuur. Maar
vóór dit gebeurde, zag men daaraan damp en rook ontsnappen: .
men moest dus wel tot de conclusie komen,dat door het wrijven
eerst water en lucht en daarna vuur daaraan was onttrokken en
later door de warmte van het losgekomen vuur het overige hout
(aarde) in vuur veranderde.
.
gaan. Door koude kon dus aarde, die in vuur veranderd was,
weer in aarde veranderen of vuur, dat nog maar losjes aan aarde
gebonden was, daarmee weer vaster verbonden worden: Het vuur
werd dan van zijn eigenschap van warm zijn beroofd. Houtskool
moest dus vuur zijn, dat weer in aarde veranderd was of aarde,
die met vuur verbonden was, waarbij de warmte van het vuur
door de koude van aarde overmeesterd was: Vuur moest dus tot
de elementen gerekend worden, omdat: het stof was, verbindingen
al het hout verbrand, was bijna al de aarde in water (damp),
kon aangaan met de overige elementen of daarin kon veranderen
en dan, juist zoaals deze, door die verbintenis of door dien overgang.
van zijn eigenschappen beroofd kon worden en die bij het omgekeerde proces terug kon krijgen.
En dan behoefde geen onderscheid
gemaakt te worden tusschen aardsch vuur en hemelsch vuur, want
lucht (rook) en vuur veranderd of was daaraan al het water, lucht
en vuur onttrokken, dan bleef er van dit hout niets over dan wat
ook daardoor kon hout of een andere stof, die in hoofdzaak uit aarde
bestond, in houtskool of andere kool veranderen, ook dit vuur kon
Die damp, die rook, dat vuur zag men naar boven stijgen, één
worden met de lucht, aan het gezicht verdwijnen. Was nu nagenoeg
houtskool en asch: dat moest dus enkel aarde zijn of aarde, waaruit
niet meer water, lucht of vuur kon worden losgemaakt of die
niet meer daarin kon veranderen. Intusschen was die houtskool
weer lichter dan het hout. Dat kon worden toegeschreven aan het
verlies van water, lucht en vuur of alleen aan het verlies van
de beide eerst genoemde elementen, dus was het niet uitgemaakt,
dat. vuur gewicht had, m.a.w. stof was. Maar ondervinding leerde,
dat die uitgedoofde houtskool toch ook nog wel aan het branden
was te krijgen en dan ontweken geen damp en rook, maar werd
daaraan alleen vuur onttrokken of veranderde nog meer aarde
in vuur. En als dat gebeurd was, was de overblijvende asch weer
lichter dan de houtskool:
ook vuur moest dus iets substantieels,
iets stoffelijks zijn.
Bij deze, in de oudheid zeker dikwijls waargenomen processen
zag men echter tegelijk nog iets anders: Door vuur werd het verbrandingsproces bevorderd of om in hun terminologie te spreken:
vuur, dat warm en droog was, was in staat de verbinding van
zich verbinden met aarde of daarin overgaan, werd dan wel van
zijn eigenschap van warm zijn beroofd, doch bleef zijn metaphysische qualiteiten behouden. Houtskool, door bliksem ontstaan, bezit
in de folklore van vele landen metaphysische eigenschappen en ook
PLINIUS vertelt daarvan een merkwaardig voorbeeld (XXXVT-70-233).
Met andere stoffen, bijv. met vetten en oliën, zag men hetzelfde
gebeuren. Door koude werden ze vast, door warmte smolten zij,
en wanneer zij, wat toen ook wel vaak gebeurd zal zijn, de vlam
in de pan zagen slaan en de vloeibare massa in brand zagen vliegen,
leed het geen twijfel, of de olie (water) had zich met vuur en lucht
vereenigd of was daarin overgegaan.
.
Om de toppen der bergen zagen ze gloeiende lucht, lucht, die
zich met het vuur van de zon had vereenigd of daarin was veranderd.
En het omgekeerde kon men zien gebeuren na een heeten dag;
dan pakte die lucht zich tot wolken samen en kwamen daaruit vuur
(bliksem), lucht (harde wind), regen (water) of hagel en ijs (aarde).
Toen men dus door logische redeneering tot de overtuiging was
lucht bevorderde het verbranden: Een warme, droge wind (lucht)
aarde en vuur los te maken of aarde in vuur te veranderen. Ook
gekomen, dat vuureen element moest zijn, werden heel veel duistere
zaken opgehelderd. Het was al heel duidelijk, dat stoffen, die
wakkerde het vuur aan, bevorderde het losmaken van vuur uit
aarde, of deed aarde gemakkelijker
in vuur veranderen. Daarentegen
bluschte water een brandend vuur of brandde hout slecht, wanneer
het hout zelf water bevatte of wanneer de omgevende lucht zeer
warm aan voelden, vuur moesten bevatten, maar nu was bewezen,
dat andere, die licht vuur vatten of verkoolden, zooals vet en
vleesch ook vuur omsloten hielden, al voelden ze koud aan. Dat
vuur had door de aangegane verbinding zijn eigenschap van
vochtig was (bij natte mist): Door water werd dus het loskomen
van vuur uit zijn verbinding met aarde tegengegaan of het veranderen van aarde in vuur verhinderd. Dezelfde uitwerking had
aarde : Door zand of modder kon een brandend vuur gedoofd worden.
In 't algemeen gesproken, zag men dus dat warmte het losmaken
van vuur uit aarde bevorderde of ‘het veranderen van aarde in
vuur in de hand werkte, terwijl koude die processen tegenhield.
Verbranden was derhalve op te vatten als een strijd tusschen het
warme (het vuur en de lucht) en het koude (water en aarde).
En tegelijk werd nog iets anders opgemerkt: Wanneer hout
erg vochtig was of wanneer men op brandend hout water wierp,
doofde het vuur en bleef er veel houtskool achter. Hout, dat dus
reeds tot vuur geworden was, kon door water tot houtskool terugwarm zijn verloren. Nu mocht men gerust aannemen, dat vuur,
evenals de andere elementen, overal aanwezig was, ook daar,
waar men het niet zou vermoeden, omdat het zijn warmte had
ingeboet. Nu begon men inzicht te krijgen in wat men om zich
heen zag gebzuren, nu begreep men, hoe het ontkiemen van het
zaad, het groeien der planten plaats greep: de warmte van de zon,
het door haar uitgestraalde vuur, verbond zich in den grond
met het uitgezaaide zaad, De daarin vervatte aarde, water en
lucht vereenigden zich met dit vuur en namen daardoor toe in
gewicht, m.a.w. het zaad begon te ontkiemen. Daarop vereenigde
zich de jonge kiem met de in den bodem ingesloten elementen
èn de jonge plant begon te groeien, toe te nemen in grootte en
gewicht en dit alles gebeurde door de warmte. Al naar mate nu
Página 5
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)het vuur of de andere elementen daarin de overhand behielden,
kreeg zoo'’n plant verschillende eigenschappen, die nu eens meer
aan aarde, dan weer meer aan water, lucht of vuur herinnerden.
Dit kwam duidelijk aan den dag, wanneer die plant door de een
of andere oorzaak weer in zijn elementen uiteen viel. Dat gebeurde
bijv. wanneer die plant gegeten werd en in de maag aangeland
was, door de daarin aanwezige warmte. Wanneer die plant dan
veel aarde en water bevatte, veroorzaakte zij, zoodra die elementen
waren losgemaakt, een gevoel van koude (onrijp appelen), wanncer
ze veel lucht bevatten, maakten ze den consument winderig
(boonen), en wanneer ze was opgebouwd uit veel vuur, gaven: ze
den gebruiker een gevoel van warmte (peper). Omgekeerd kwam
men nu tot het besluit, dat de smaak een niet te versmaden hulpmiddel was om te bepalen, welke waarde men aan een of ander
voedingsmiddel of medicament moest toekennen. Al naar mate
deze middelen meer aarde, water, lucht of vuur bevatten, bevorderden zij den aanmaak van zwarte gal, phlegma, bloed of gele
gal en konden daardoor voor de gezondheid voor- of nadeelig
zijn, een ziekte verbeteren of verergeren, zooals ik in mijn boek
„„Volksgeneeskunde in Waterland’ uitvoerig heb aangetoond.
Maar lang niet altijd gaf de smaak uitsluitsel en dan nam men
zijn toevlucht tot het gevoel en den reuk of trachtte door vergelijking, door redeneering tot een oplossing te komen. Iets dat
warm aanvoelde, moest natuurlijk vuur in zich hebben; iets dat
veel geur verspreidde, naast vuur ook lucht bevatten, daar die
blijkbaar daardoor werd losgemaakt; en zout en dergelijke
stoffen, die noch brandbaar waren, noch geurden, noch warm
aanvoelden, moesten uit aarde of water bestaan, al naar gelang
ze droog of vochtig waren.
En ook buiten het lichaam konden ontstane verbindingen weer
in de elementen uiteenvallen. Op een hoop geworpen planten of
vruchten zag men gaan rotten, de vaste stoffen werden weer vloeibaar, daarbij had gasvorming plaats en soms, bijv. in mesthoopen,
werd warmte ontwikkeld, Als,gevolg daarvan verdampte het
water, ontsnapte het gas en werd de heele massa koud,
terwijl er niets anders overbleef dan een droge harde koek. Het
gelijke had zich weer met het gelijke vereenigd: het vuur en de
lucht waren naar boven gegaan en hadden het water in dampvorm
‚ meegenomen en wat achter was gebleven was aarde,
Langs den weg der deductie was men tot het besluit gekomen
dat het gelijke zich altijd weer met het gelijke verbond (aarde met
aarde enz).
Maar nu rees de vraag, door welke macht of door welke machten
zoo iets gebeurde ? Het ligt voor de hand, dat die door den magischen
„priester EMPEDOCLES werden gezocht in: de drijfveeren, die ook
de handelingen der goden bzwogen, de psychische factoren liefde
en haat, door hem sympathie en antipathie genoemd. Uit de vereeniging van zijn elementen- en sympathieleer ontstond het begrip
ziel, maar nu niet in de beteekenis van wereldziel, maar in die
van aantrekkende of afstootende kracht, die de oorzaak werd
van alle physische, chemische en biologische processen. Doch nict
alle philosophen waren het daarmee eens. Naast dit begrip van
ziel in wetenschappelijken zin bleef men vasthouden aan het
bestaan van een wereldziel; naast de nieuwe opvattingen over
een aantrekkende en een afstootende kracht, bleef de oude meening
over sympathie en antipathie bestaan. En omdat philosophie en
godsdienstleer bijna steeds door dezelfde personen beoefend werden,
zijn godsdienst en natuurwetenschappen of geneeskunst in de
oudheid nooit geheel en al gescheiden. De nieuwe denkbeelden
gaven wel inzicht in de levensprocessen van planten, dieren en
menschen, maar losten niet het raadsel op, waarom bij de laatsten
de neiging bestond tot zedelijke gevoelens, de aanleg aanwezig
was tot godsdienstige levensbeschouwingen. Daartoe was meer
noodig, daardoor kwam men tot het aannemen van een verstandelijke ziel bij den mensch, van een ziel, die door de godheid was
ingestort, een deel was van het goddelijke wezen, gedurende het
leven verlangen gevoelde zich daarmee te vereenigen, maar daartoe
eerst in staat was na den dood, wanneer de banden met het lichaam
waren verbroken. Ook dan weer vereenigde zich het gelijke met het
gelijke. Die opvattingen vindt men o.a. bij PLATO en ARISTOTELES;
zij werden later in Christelijken zin gewijzigd, maar vertoonden
bij de oude Grieken en.Romeinen natuurlijk alle kenteekenen
van hun magische afkomst, Maar ook die toevoeging loste het
moeilijke probleem over het wezen der ziel niet op, evenmin als
dit thans nog het geval is en daardoor is het te verklaren, dat er
bij de verschillende philosophen allerlei tegenstrijdige meeningen
hebben bestaan, die men evenwel moet kennen, omdat alle, de een
meer en de ander minder, invloed hebben gehad op het wetenschappelijke denken van vroeger, op het volksgeloof van den
hedendaagschen. tijd.
Dit verschilin meening blijkt duidelijk, wanneer wij het historische
overzicht lezen, dat ARISTOTELES (Schrift über die Seele, bldz. 16e. v.)
geeft over de wording van het begrip ziel. Daar vernemen we:
I°® dat ANAXAGORAS em DEMOCRITUS geen onderscheid
maakten tusschen geest [de wereldziel, het goddelijke, de
oorzaak van alle leven en beweging (van zon, maan en sterren)]
en ziel, zooals die bij mensch en dier aanwezig is. Dit is bij verschillenden het geval en ARISTOTELES zelf maakt daar tusschen
ook geen scherp onderscheid, zooals uit het vervolg zal blijken;
_ gedatde eene wijsgeer waarnemen en erkennen het hoofdkenmerk
van de ziel noemt en de ander bewegen, de kracht om beweging
voort te brengen, als hoofdeigenschap noemt. Onder waarnemen
dan zoowel te verstaan zintuigelijke perceptie als het erkennen
van het goddelijke, het onderscheid tusschen goed en kwaad, en
onder beweging zoowel het veranderen van plaats als het veranderen van gedaante, het afnemen en het toenemen in grootte;
3° dat de meeste philosophen de ziel voor stoffelijk hielden en
enkele (ARISTOTELES) voor onstoffelijk.
Onder hen, die de ziel voor stoffelijk hielden, noemde een enkele
de ziel bloed (CRITIAS) of zaad [marinelijk zaad ‘(HrPPo)
}, maar
dit laatste is, volgens ARISTOTELES, een verkeerd begrip, omdat
onder zaad is te verstaan de oorspronkelijke ziel, de wereldziel
Página 6
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)Maar de overigen, en dit is weer merkwaardig, rekenden haar tot
de elementen en kenden haar de eigenschappen daarvan toe. Zoo
laat EMPEDOCLES de ziel bestaan uit alle elementen, omdat dan
ieder element zijn gelijke kan erkennen; HIPPo houdt haar voor
water, DIOGENES voor lucht, maar de meesten voor vuur (soms in
den vorm van zonnestofjes, omdat die, evenals lucht, uit de fijnste,
bewegelijkste atomen bestaan (ANAXAGORAS, -PYTHAGORAS)). Zelfs
HERACLITUS en HIPPO, die aan de ziel niet alle eigenschappen van
de elementen toeschrijven, kennen haar toch de tegenstellingen
warmte en koude toe, wat volgens prof. BENDER (de vertaler) tot
uitdrukking komt in de woorden leven, dat eigenlijk opkoken
beteekent, en Wvyú en Wvyw, waarvan is afgeleid zarawvlig,
dat afkoeling beduidt.
:
ARISTOTELES zelf houdt de ziel voor onstoffelijk. Hij hield haar
(blz. 47) voor de eerste actualiteit (entelechie) van een natuurlijk
lichaam, dat de potentie tot leven heeft, en een natuurlijk lichaam
noemde hij een lichaam dat organen heeft, zooals de planten en
dieren die hebben. Hij hield de ziel dus voor een onstoffelijke
kracht, die in sluimerenden toestand aanwezig was, voor een
entelechie, maar die door bepaalde oorzaken tot werkzaamheid
(de potentie) kon worden aangezet. Zoo wordt de entelechie, de
voedende ziel, van plantenzaad, potentieel door samenwerking
van het vocht in den bodem met de warmte van de zon, en de
voedende ziel in het dierenlichaam, wanneer er voedsel in de maag
komt. De gevoelende ziel wordt potentieel, wanneer er indrukken
op de zintuigen inwerken en de bewegende ziel, wanneer die door
de verstandelijke ziel daartoe wordt aangezet, en deze laatste
wordt weer potentieel, wanneer indrukken van buiten inwerken
op de zintuigen, dus stoffelijke prikkels, maar ook door onstoffelijke, die door de godheid of door demonen daarop worden
uitgeoefend.
Er is dus groot verschil tusschen ARISTOTELES em de andere
wijsgeeren, die hij dan ook alle heftig bestrijdt. Maar.... het
verschil is niet zóó groot als het lijkt: Zijn onstoffelijke ziel heeft
alle eigenschappen van het stoffelijke vuur. Vuur wordt, wanneer
het zich met het een of andere element verbindt, geheel of gedeeltelijk
van zijn hoofdeigenschap warmte beroofd, maar herkrijgt die weer,
wanneer aan die verbinding vuur of warmte wordt toegevoegd,
waardoor die verbintenis verbroken wordt. Precies hetzelfde
gebeurt in het plantenzaad met zijn onstoffelijke voedende ziel.
Aan niets is te
bemerken, dat daarin een ziel is, maar zoodra het
met water en zonnewarmte in aanraking komt, wordt die ziel
actief en begint het zaad te ontkiernen, de jonge spruit te groeien.
Door de zonnewarmte (!) wordt het sluimerende vermogen van
de ziel gewekt en wordt zij uit haar boeien verlost, en kan datgene
gaan verrichten, waartoe zij krachtens haar waren aard in staat
is: het gelijke, hetgene dat voor de jonge plant noodig is, waarnemen en dit dan naar zich toe bewegen. en opzichte van vrouwelijk en mannelijk zaad kan hetzelfde gezegd worden. In zijn
„„Fünf Bücher von der Zeugung und Entwickelung (vert. AUBERT u.
WIMMER)'' vertelt, ARISTOTELES (II-24-143), dat vrouwelijk zaad
(menstruaal bloed), wanneer dit in het lichaam achter blijft, kan
uitgroeien tot een mola. Dit gebeurt dan natuurlijk door den
invloed van de natuurlijke warmte op de voedende ziel in dat
bloed. Uit mannelijk zaad (11-30-45), dat de bewegende ziel omsluit,
kan niets groeien, omdat er geen stof daarvoor aanwezig is. Buiten
het lichaam gekomen, verlaat de bewegende ziel deze ‚„schuimachtige massa” als lucht (aan lucht gebonden). Komen evenwel
deze beide sluimerende zielen, respectievelijk gebonden aan vrouwelijk en mannelijk zaad, tezamen in het vrouwelijke lichaam, dan
worden door de natuurlijke warmte de sluimerende krachten
wakker gemaakt en wordt een dier verwekt. Maar, zoo zegt hij,
ook zonder zaad kunnen planten in den bodem ontstaan, zonder
mannelijk zaad dieren, hetzij buiten het lichaam of daar binnen,
gevormd worden, wanneer de omstandigheden daartoe maar
gunstig zijn, door z.g. generatio spontanea. En daarover schrijft
hij: ‚„Nu schijnt alle zielekracht aan een ander lichaam gebonden
te zijn, dat van een hoogere natuur is dan de z.g. elementen (dus
plantaardige of dierlijke stoffen). Evenals de zielen van elkaar
verschillen, en hooger en lager in rang geplaatst zijn, is dat ook
het geval met het substraat (dat kan van een plant of van en
dier zijn, en dan weer van een meer of minder volkomen dier).
Maar in het zaad van alle bevindt zich de z.g.n. warmte (de inwendige warmte, dierlijke warmte, natuurlijke warmte of levenswarmte), die maakt, dat uit het zaad iets worden kan, Deze warmte
is echter geen vuur, of een dergelijke kracht, maar de in het zaad
en het schuimachtige wezen daarvan opgesloten luchigeest, en de
zich in dezen buchtgeest bevindende natwurkracht, die overeenkomt
met het grondwezen der sterren” Hier houdt hij dus vast aan de
levenszielen het goddelijke vuur van de sterren, maar wil toch
van vuur niets weten, want: „daarom brengt vuur geen levende
wezens voort, noch ziet men, dat zich in het vochtige of het droge
iets ontwikkelt onder de inwerking van het vuur. Daarentegen
heeft zonnewarmte en dierlijke warmte, en niet alleen die, welke zich
in zaad bevindt, maar ook die, welke in natuurlijke witscheidingen
is opgesloten, evenzeer de kracht in zich om leven te wekken” En
onder natuurlijke afscheidingen verstaat hij, omdat hij bij planten
en bij lagere dieren geen geslachtsorganen heeft kunnen vinden,
zoowel zaad van planten, als eieren van lagere, bloedlooze (koudbloedige) dieren, ais mannezijk en vrouwerijk zaad van hoogere
dieren, slijm, ontlasting, rottende plantaardige en dierlijke
bestanddeelen enz. Die stoffen bezitten dus de voedende ziel en
den luchtgeest of de natuurlijke warmte in aanleg, in sluimerenden
toestand, aan stof gebonden, maar zoodra ze in den bodem komen
en door de zon verwarmd worden, of in water en wanneer zich
daarin warmte ontwikkelt,
of aanlanden in een dierlijk lichaam,
en daar door de natuurlijke warmte verhit worden, komt de voedende ziel, de luchtgeest, de sluimerende, natuurlijke warmte, die
aan die stoffen gebonden was, los en in actie, krijgen zij de haar
eigen hoedanigheden terug. Evenals het element vuur worden ze door
vuur, zij het dan ook vuur, dat, volgens ARISTOTELES,
in verband
staat met het goddelijke, uit haar gebonden staat, waarin haar
Página 7
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)eigenschappen van waarnemen en bewegen in de tegenovergestelde
hoedanigheden van slapen en rusten waren overgegaan, bevrijd en
gaan weer waarnemen en bewegen (leven wekken). En hoe hij
zich voorstelt, dat dit dan gebeurt, blijkt uit (III-111-273): „Alle
organismen evenwel, die zich op deze wijze vormen in den bodem
of in water (of in dierlijke lichamen) ontstaan met een soort van
rotting, en indien regenwater daarbij komt. Want terwijl het
zoete zich, afscheidt tot vorming van het principe (door gisting
van suiker ontstaat koolzuur, lucht of ziel) neemt het andere een
zoodanigen „vorm aan (dien van het dierlijke of plantaardige
lichaam). Maar niets ontstaat daardoor, dat het verrot, maar
alles daor gaaf koken; rotten en rotting is uitscheiding van het-
Deze drie hebben, niettegenstaande de verschillende functies, die
ARISTOTELES haar toekent, iets te maken met vuur, met het geheimzinnige van de zonnewarmte, waarvan, zooals we zien zullen,
in de magie een ruim gebruik gemaakt is. Doch ook door de geneeskundigen, zooals bijv. bij DIOSCORIDES, GALENUS, RUFUS,
ORIBASIUS en PAULUS VAN AEGINA is te bespeuren. Ook door hen
warden warmte, kracht en ziel op één lijn gesteld. Rurus zegt bijv.
(bldz. 166): „ZENO verzekert, dat warmte en pneuma hetzelfde
zijn. De medici maken onderscheid; zij noemen pneuma ingeademde lucht, en warmte, dat wat veroorzaakt wordt door de
wrijving van het pneuma. Anderen beweren, dat warmte een
zeker levensprincipe is’. En (bldz. 318): „Iedere menschelijke
gaargekookte. Want niets ontstaat uit de geheele stof, net zoo
kracht wordt verminderd door er gebruik van te maken, welnu
kracht is de natuurlijke. warmte, die in ons is’ En ORIBASIUS
Want anders had die niets te doen, maar hier neemt de kunst,
daar de natuur het onbruikbare weg. Maar dieren en planten ontschrijft (II-533): „Wij weten, dat inderdaad niets meer de spijsvertering in de maag bevordert dan het contact met een menschelijk
lichaam; sommigen leggen 's nachts kinderen naast zich en zij
trekken daar het grootste voordeel van, want de warmte daarvan
min als dit gebeurt bij voorwerpen, door de kunst vervaardigd.
staan in den bodem, in het water( en in dierlijke lichamen), omdat
in de aarde (en dierlijke lichamen) water aanwezig is en in water
lucht, in alle lucht levenswarmte, zoodat alles tot op zekere hoogte
van leven (ziel) is vervuld. Daarom zullen spoedig lichamen (van
planten en lagere dieren) gevormd worden, als dezelve (de lucht
of ziel) in een ruimte wordt opgesloten en ingesloten, daar zich
dan, bij het verwarmen der vloeistof, waaruit het (planten- of
dierenlichaam) moet ontstaan, een soort schuimachtige blaas
vormt. Het hangt nu maar af van de levenskiem (het straks genoemde, aan ziel gebonden substraat), die mede ingesloten, wordt,
is ons meer eigen en heeft meer verwantschap fet ons dan die
van andere stovingen. Om dezelfde reden leggen sommigen een
jongen hond op de maag en vermeerderen daardoor de warmte,
die de spijzen verteert, zonder die warmte van een betere natuur
te maken (zonder die onnatuurlijk te verhoogen)". En dan raadt
hij verder aan om bij personen, die door worgen, ophangen of
verdrinken bewusteloos zijn geworden, de levensgeesten op te
wekken door: prikkelen van den neus enz., maar vooral door de
of dat, wat zich vormt, tot een meer of minder volkomen (plantenof dieren-)soort behoort. En de oorzaak van het verschillen van de
natuurlijke warmte te verhoogen. Deze meening heb ik in mijn
jongensjaren nog hooren verkondigen. Toen in 1873 mijn zusje
in (den aard) van de ingesloten stof.”
Uit het hier besprokene is bovendien nog iets anders op te merken :
raad van iemand, wiens vader plattelandsgeneesheer was geweest,
levenskiemen (% apxö zis wurixijs) is te zoeken in de plaats en
de natuurlijke warmte is al even geheimzinnig als de ziel, maar
beiden hebben iets te maken met vuur, met warmte en ook verder
is de overeenkomst treffend, en staan ze heel vaak tot elkander
in betrekking of kunnen elkaar vervangen. Planten hebben een
voedende ziel, maar die ziel blijft in het zaad in ruste, tot de zonnewarmte haar wekt. Dieren hebben een voedende en een bewegende
ziel, maar ook die blijven sluimeren in het vrouwelijke en mannelijke
zaad, indien er geen natuurlijke warmte op inwerkt. Natuurlijke
warmte kan onder bepaalde omstandigheden vervangen worden
door zonnewarmte, indien die namelijk inwerkt op natuurlijke
secreties. De bewegende ziel kan uit mannelijk zaad als lucht
(aan lucht gebonden) vertrekken, oúk de natuurlijke warmte kan
dit doen uit het dierlijke lichaam. Wanneer ze, aan de uitademingslucht gebonden, het lichaam verlaat, houdt het leven op. De
inademingslucht dient om de natuurlijke warmte te regelen, haar
al te groote warmte af te koelen, die voor het lichaam nadeelig
is, maar wordt omgekeerd, door zich met de natuurlijke warmte te
verbinden, tot pneuma, dat in staat is het leven te onderhouden.
De voedende ziel, de bewegende ziel en de natuurlijke warmte
hebben alle drie, reeds bij den foetus, haar zitplaats in het hart.
bewusteloos uit het water werd gehaald, kreeg mijn moeder den
om zich zelf en het kind spiernaakt uit te kleeden en dan samen
onder de wol te kruipen.
Doch keeren we terug tot de beschouwingen van ARISTOTELES
over de ziel. Zooals ik gezegd heb, bestrijdt hij zijn tegenstanders,
die meenden, dat de ziel vuur was, en toch kon hij in zijn dialectiek
het vuur niet missen, en daarom moest alles, wat daarmee te
maken had, geen stoffelijk vuur zijn, maar onstoffelijk vuur van
goddelijken oorsprong. De zonnewarmte was dat, krachtens de
toenmalige godsdienstige opvattingen. Met HERACLITUS en PLATO
hield hij de verstandelijke ziel voor goddelijk vuur in reine gestalte;
door zich met het aardsche, het stoffelijke af te geven, werd zij
verontreinigd, week zij van den rechten weg af. Hij behoefde dus
slechts te bewijzen, dat de bewegende ziel, de natuurlijke warmte en
de voedende ziel cok goddelijk vuur waren en dus onstoffelijk.
Dat deed hij op phantastische wijze. Daarop zal ik niet verder
ingaan, maar hij zag het ook door eigen waarneming. Als bij den
mensch de goddelijke ziel het lichaam verliet, nam het niet af
in gewicht, evenmin als na den dood alle beweging er gevoel ophield en dus de bewegende ziel vertrokken was, of de spijsvertering, de voortplanting, de groei enz. stilstonden, doordat de voedende
ziel was heengegaan. Alle zielen moesten dus onstoffelijk zijn.
Página 8
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)Maar al die theorieën, al die zoogenaamde bewijzen waren niet
zonder bedenkingen en werden noch door zijn tijdgenöoten, noch
in latere eeuwen zoo maar aangenomen. Zoo ontstond verschil
van meening over de vraag wat „„gezield’” genoemd moest worden
en wat niet, ARISTOTELES zegt terloops, dat THALES den magneetsteen
voor „gezield’' hield, omdat hij in staat was beweging op te wekken,
maar anderen trokken daaruithet besluit, dat meer delfstoffen
„„gezield”” moesten zijn, omdat zij daartoe soms ookin staat waren.
Maar al nam men dat aan, dan was daarmee nog niet gezegd, dat
zij leefden. ARISTOTELES (die Seele, bldz. 47) zegt: „Onder leven
verstaan wij, dat voeding, groei en afnemen doot zich zelf, van
binnen uit plaats heeft”. — „Dat kan in een natuurlijk lichaam
gebeuren door de ziel’', zoo gaat hij voort, „wanneer zoo’n natuurlijk
lichaam organen heeft, die daartoe geschikt zijn. Bij een dier
zijn die duidelijk te herkennen, maar ook een plant heeft die, al
zijn ze heel eenvoudig’. Zoo beschouwt hij het blad als de omhulling
van de zaaddoos (peul, houw enz), die de vrucht omgeeft, de wortels
als organen, die overeenkomen met den mond, voor zoover beiden
dienen om voedsel op te nemen enz. Hieruit volgt dus, dat ARISTOTELES den magneetsteen niet voor levend hield, evenmin als delfstoffen met analoge eigenschappen, maar hieruit volgt tevens,
r andere meening konden hebben, zelfs
dat anderen daaroveen
al waren zij het met zijn definitie, wat leven genoemd moest worden,
eens. In sommige delfstoffen toch waren figuren waar te nemen,
die den vorm van organen van dieren of planten hadden en ondere
hadden zelfs geheel en al het uiterlijk daarvan: Ook zagen ze
sommige toenemen in grootte en hielden dat voor groei door
opneming van voedsel en zagen ze weer andere in omvang afnemen.
En dat het dan niet altijd even gemakkelijk was om uit te maken
waar aangenomen. Planten en dieren worden door de magische
priesters in mythologischen zin met de goden en demonen uit de
aarde, het water, de lucht of den sterrenhemel in verband gedacht.
De zielen van menschen en dieren zijn schimmen, die soms hier
of daar rondwaren, en dat karakter blijven behouden, ock al zijn
zij, in overeenstemming met de leer van ARISTOTELES, âan een of
ander element gebonden. Zoodra ze uit den sluimerenden toestand,
waarin ze dan verkeeren, door de een of andere oorzaak worden
gewekt, hernemen ze haar demonisch karakter. Wanneer een
amulet op het menschelijke lichaam wordt gebonden en daarop
zijn werking gaat uitoefenen door den invloed van de natuurlijke
warmte, ontwikkelen zich bovennatuurlijke krachten. Wanneer,
om een ander voorbeeld te noemen, de ziel van den tand van een
wolf, de huid van een leeuw of van een lam genezing aanbrengen,
"_ doordat zij op een of ander lichaamsdeel zijn gebonden, komt dit
niet door de daarin zittende aantrekkende kracht, maar doordat
de mythologische wolf, leeuw of lam, als schim of demon sympathie
of antipathie toont; door hun liefde of haat oefenen zij een
voordeeligen of nadeeligen invloed uit van bovennatuurlijken aard.
Verschillende planten en edelgesteenten, zelf van goddelijken
oorsprong, doordat zij aan vuur zijn gebonden (daarover later),
kunnen koningen, die ook van goddelijke afkomst zijn, gunstig
stemmen, andere maken weer welsprekend, weren pijlen af (of in
lateren tijd kogels), maken onkwetsbaar, onzichtbaar enz.
Evenals in de mythologie, de philosophie en de geneeskunde
wordt al het geschapene verdeeld in een mannelijk en een vrouwelijk
principe, maar in de magie wordt dat zelfs doorgevoerd tot sommige
of dit van binnen uit gebeurde of niet, bewijst de strijd, die in de
edelgesteenten.
Bij den sterrenhemel is niet alleen de elementenleer te pas gebracht en wordt daarom de zon warm en droog genoemd enz,
maar wordt aan alle sterren, overeenkomstig haar plaats in de
mythologie, een bijzondere werking toegekend. Evenals in de
tijd zijn definitie nog aanvaarden, dan zouden wij evenzeer met
humorale pathologie wordt van den invloed van den macrocosmos
op den microcosmos gewaagd, aan de werking van enkele sterren
moeten worden genoemd en wat niet. Ook wij zouden verschilop het ontstaan van ziekten geloofd, maar bovendien wordt nog
een bepaalden invloed verondersteld van de ster of het sterrenbeeld,
17de eeuw tusschen de geleerden gevoerd is, over de vraag of haar
en nagels levend waren, daar volgens hen de groei niet van binnen
uit plaats had. Trouwens al konden wij in den tegenwoordigen
hem van meening verschillen over wat
levend genoemd zou
lende „natuurlijke uitscheidingen", die hij alleen maar voor „„ge‚
zield' houdt, voor levend verklaren.
Doch genoeg. Laten wij onze vergelijking van de mythologie,
philosophie enz. voortzetten door thans de magie nader te bespreken. Het eerste wat ons dan treft, is dat ook daarin de elementenleer, de sympathieleer, de philosophie van PLATO en ARISTOTELES,
en de beginselen der humorale pathologie zoo'n grooter plaats
innemen, dat ook daarin vaak van goede waarnemingen wordt
uitgegaan, maar nog veel meer dan in de eigenlijke geneeskunde
het post hoc ergo propter hoc gehuldigd wordt, en dat nog veel
meer dan in de philosophie bij bespiegelingen gebruik wordt gemaakt van sagen. ARISTOTELES maakt daar in zijn Historia
Naturalis of in zijn De Partibus animalium een matig gebruik
van, oefent er na eigen onderzoek vaak critiek op uit, doch in de
magie worden ze onvoorwaardelijk geloofd, zonder critiek voor
die of dat óp het uur van iemands geboorte een bepaalden stand
heeft ingenomen. Die hebben dan invloed op zijn phusis, di. zijn
vochtmenging, en daardoor op zijn lichamelijken en geestelijken
toestand gedurende zijn geheele leven. Maar dat niet alleen: die
ster of dat sterrenbeeld wordt gedurende zijn leven, al naar de
plaats, die zij of het in de mythologie inneemt, zijn beschermer
of zijn aartsvijand. En dit alles is waarschijnlijk een gevolg hiervan,
dat de ziel voor een emanatie van de sterren wordt gehouden, voor
vuur, dat op de door ARISTOTELES aangegeven wijze met stof,
met het lichaam verbonden kan worden. Men versta mij evenwel
goed: ik wil met dit laatste niet zeggen, dat ARISTOTELES de grondlegger der magie geweest is, want dat zou met alles wat wij ervan
weten in strijd zijn, maar ik bedoel daarmee, dat door hem veel
magische handelingen verklaarbaar zijn geworden; dat door hem
is aangetoond, dat ze het gevolg zijn van diep nadenken, van
Página 9
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)logische redeneering, zij het dan ook op, in ons oog, verkeerden
grondslag. Door hem ben ik tot de overtuig'ng gekomen, dat de
magie en de daarmee in betrekking staande spookgeschiedenissen,
heksenverhalen, z.g.n. bijgeloovige gebruiken bij begrafenissen
en op bepaalde feestdagen, die zoowel in de folklore der hedendaagsche beschaafde volken als in die der primitieven vermeld
zijn, geen uitingen van een mentalité primitive kunnen zijn.
Daarvoor berusten ze op een veel te wetenschappelijken grondslag,
en ik blijf dus bij mijn meening, die ik in de voorrede van mijn
„„Volksgeneeskunde in Waterland’ heb uitgesproken, dat al de
finesses, waarin die gebruiken, verhalen of handelingen overeenstemmen, m.i. moeten verklaard. worden door een contact in lang
vervlogen eeuwen. De hedendaagsche natuurmensch heeft geen
flauw begrip van philosophie, van humorale pathologie enz., maar
dat ‘heeft de onontwikkelde bij de beschaafde volken ook niet
en toch.... verkondigt hij meeningen, verricht hij handelingen,
die daarmee in verband staan. Door mondelinge verhalen zijn die
van de eene generatie op de andere overgebracht, den wetenschappelijken ondergrond heeft hij nooit gekend, misschien juist
doordat zij van magische priesters afstammen, die het wezen van
hun kunst voor het vulgus geheim hielden. Maar ik herhaal tevens
wat ik in 1922 in De Gids gezegd heb: al die verhalen komen uit
het onderbewuste naar boven; als het bewustzijn vernauwd is,
dan worden de gunstige of ongunstige uitkomsten van die handelingen geprobeerd en aanvaard zonder critiek. Evenzoo bij de
primitieven, maar daarbij is de samenhang nog moeilijker aan te
toonen, doch dit moet mi. een aansporing zijn tot nader onderzoek,
want volgens mij geeft de theorie over de. mentalité primitive
de juiste verklaring van die overeenstemmende folkloristische
bijzonderheden niet. Ik hoop daarop nog nader terug te komen.
LIJST VAN AANGEHAALDE BOEKEN.
ARISTOTELES (prof. HERMANN BENDER), Schrift über die Seele, 3te Aufl, Langenscheidtsche Verlagsbuchhandlung Berlin, z. j.….
ARISTOTELES (prof. dr. HERMANN BENDER), Die Metaphysik des A, 3te Aufl,
Langenscheidtsche Verlagsbuchhandlung, Berlin, z. j.….
ARISTOTELES (dr. H. AUBERT und dr. FR. WIMMER), ‘Fùnf Bücher von der
Zeugung und Entwickelung der Thiere, Leipzig, 1860.
ORIBASIUS (BUSSEMAKER et DAREMBERG), Oetvres D'ORIBASE, texte Grec etc,
Paris, 18511876.
Rurus (dr. C. DAREMBERG et CH. E. RUELLE), Oeuvres de RUFUS dà’ Éphèse,
Paris, 1879.
,
PLINIUS, CAJUS SECUNDUS (prof. dr, G. C. WITTSTEIN), Die Naturgeschichte
des P., Leipzig, 1880.
BAKKER C., Volksgeneeskunde in Waterland. Amsterdam, H. J. PARIS, 1928.
BAKKER C., Geesten- en Heksengeloof in Noord-Holland boven het IJ, De Gids,
1922, no. IV en V.
\N BADRLAGE
GESCH\eEPe NS
GENEESKLNDE XX