Mostrar texto completo10 páginas
Página 1
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)—blsopyc‘elevna
yOLTHO—L2O9M1LIH*OdN-Y1S8S6H1AT—UO6ga“lNsAneSTYOEmOOIOeHVEsLMIuA
Página 2
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)Pythagoras en de Griekse architectuur?
J.A. de Waele
Herhaaldelijk kan men in de recente archeologische literatuur de bewering aantreffen
dat de Helleense architectuur sterk onder
invloed heeft gestaan van de filosofie1. Met
name Pythagöras en zijn school, die in ZuidItalië actief is geweest, zou met zijn getallenleer de bouwtekeningen verregaand hebben
bepaald, en vooral bij de tempels van Paestum
dreigt deze opvatting van de PythagoreÏsche
getallensymboliek in de architectuur definitief post te vatten. Het meest uitgesproken
standpunt neemt wel de Amerikaanse archeoloog R. Ross Holloway2 in: ‘This period
of intellectual and spiritual ferment in tlie
Greek cities of south Italy was dominated by
the lonian philosopher, mathematician, and
mystic Pythagöras, who settled in Croton
some ten years before the temple ofAthena
was built at Paestum. Pythagöras was one of
the gifted tuinkers who, belle ving that they
have the key to the secrets of the universe,
convince their contemporaries that absolute
truth has at last been found. Pythagoras’ key
to truth consisted in simple harmonie ratios
that we re evident in the naturalphenomenon
of sound and could be expressed in mathematical form. In the Pythagorean scheme,
ten was the perfect number, while the number four was the creative principle, since the
arithmetic progression ending in four is composed of the numbers one, two. three, and
four, which, added together, produce the
perfect number. The number four, considered as the creative unity of this series,
was called the tetractys. Despite the obscurity of early Pythagoreanism, there is little
doubt that the essentials of Pythagorean
number theory were the work of the founder.
The design of the new temple of Athena at
Paestum was entrusted to an architect who
seems to have seized the opportunity of
making the fundamental, creative ratios of
Pythagorean mathematics the controlling
modules of his building’.
Dat dergelijke uitspraken nog steeds in handboeken van Griekse bouwkunst te vinden
zijn3, is te wijten aan het gebrek aan inzicht
in de wijze waarop de tempel werd ontworpen. Alleen als de tempel ‘vertaald’ kan worden in de voetmaten waarin de architect de
tempel heeft opgezet, kan eventuele invloed
van filosofen ontkend of bevestigd worden.
Hieronder zullen allereerst de gangbare theorieën over het ontwerp van de Griekse tempel in grote lijnen geschetst worden. Vervogens zal worden aangegeven hoe schrijver
dezes bij de analyse van de tempels van
Akragas-Agrigento in Sicilië tot een aantal
uitgangspunten is gekomen welke bij de analyse van Griekse tempels goede resultaten
opleveren. Tenslotte worden dan bij wijze
van voorbeeld de drie tempels van Paestum
waarin de invloed van het Pythagoreïsme
zou te vinden zijn, geanalyseerd.
De gangbare opvattingen
Tot op de dag van vandaag is nog niet duidelijk wat de leidende principes zijn geweest in
de Griekse architectuur. Daarom konden
Página 3
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)ook allerlei meetkundige fantasiefiguren en
getallensymbolieken4 als grondslag van een
tempelontwerp aangenomen worden. Dit is
mede het gevolg van enkele axioma’s, die
vooral zijn vastgelegd door befaamde ‘Bauforscher’ als W. Dörpfeld en W.B. Dinsmoor
Sr.5 Met behulp van de bouwinscripties van
het Erechtheion, waarin blokken van verschillende grootte in voetmaten worden opgesomd, heeft Dörpfeld de gebruikte maateenheid op 1 v. (= voet) van 32,8 cm. gesteld.
Daar hij deze maateenheid ook bij andere
gebouwen te Athene meende terug te kunnen vinden, ging hij er van uit dat in Athene
in de klassieke tijd met dezelfde maateenheid, de ‘Dorische’ voet, is gebouwd. Dinsmoor heeft nadien een groot aantal tempels
geanalyseerd en komt tot verschillende maateenheden, die in grote delen van de antieke
wereld algemeen toegepast zijn.
Met het aantal in zijn tijd geaccepteerde maten heeft Riemann6 gepoogd een analyse te
geven van de Griekse tempel. Bij het vaststellen van de afmetingen zou de architect in de
twee rechthoeken waaruit de tempel bestaat,
nl. de zuilenomgang of peristasis, en de
eigenlijke cultus-ruimte of cella, een eenvoudige proportie (1 : 2, 1 : 3, 2 : 5 enz.) als
uitgangspunt gekozen hebben. Vervolgens
zou hij door allerlei wijzigingen en differentiaties tot de plattegrond zijn gekomen zoals
deze werd uitgevoerd. Riemann’s werkwijze
bestaat er dus in wezen in, de omgekeerde
weg te gaan, welke hem brengt van de uitgevoerde plattegrond naar de uitgangsfase
van het ontwerp. Cruciaal voor hem is onder
meer de proportie die door het aantal zuilen
in de breedte en in de lengte zou zijn bepaald: een tempel van 6 x 15 zuilen – de
hoekzuilen worden twee maal geteld –, zou
in de stylobaat* een proportie van 6 : 15 of
2 : 5 hebben.
Afgezien van het feit dat dit niet klopt, is de
werkwijze zoals Riemann zich dfe voorstelt
zo ingewikkeld dat men zich eenvoudigweg
niet kan voorstellen dat een antiek architect
zo heeft gewerkt. Deze indruk wordt nog
versterkt wanneer men de bouwinscripties
bestudeert. Als daartegenover dan een simpeler oplossing gesteld kan worden, moet men
hieraan de voorkeur geven.
Nieuwe perspectieven
Na het opmeten van tien tempels te Agrigento, welke alle in de 5e eeuw v.Chr., in
de tijdsspanne van 80 jaar, in dezelfde stad
zijn gebouwd, kan men tot het volgende belangrijke uitgangspunt komen. In de Griekse
architectuur wordt gebruik gemaakt van een
voetmaat, variërend van 29 tot 33 cm., die in
elk gebouw afzonderlijk berekend moet worden met behulp van onder meer de afmetingen van de blokken. Komen in een tempel
b.v. blokken voor van 1.24 x 0.62 x 0.465 m.,
dan kan men aannemen dat hier blokken van
4 x 2 x 1-12 v. gebruikt zijn, een afmeting die
ook als standaardmaat in de bouwinscripties
voorkomt. In eenzelfde stad kunnen echter,
zoals een groot aantal tempels heeft uitgewezen7, gebouwen naast elkaar voorkomen,
die elk met een andere basiseenheid tot
stand zijn gekomen.
Wanneer eenmaal met de blokken de basiseenheid is vastgesteld, kan duidelijk worden
welke afstanden in de plattegrond het belangrijkst waren. Bij een door zuilen omgeven tempel is dit de asafstand* tussen twee
zuilen. Binnen de zuilenomgang ligt de rechthoek van de cella, die aanvankelijk niet in
relatie met de zuilen van de omgang wordt
gelegd. Later worden echter de muren van
de cella in de asiijnen van de zuilen geprojecteerd; men spreekt dan van een ‘gebonden
cella’.
* Zie de verklarende lijst van termen blz. 170.
Página 4
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)De tempels van Paestum8
Ofschoon de tempels van Paestum, reeds
door Goethe in zijn Italienische Reise beschreven en door Piranesi9 in fraaie etsen
vastgelegd, een representatief deel van de
Griekse tempelarchitectuur van een bepaalde
periode vormen, zijn zij naar hun ontwerp
tot dusverre onvoldoende verklaard10. Door
(helaas nog altijd niet gepubliceerde) opgravingen in de jaren vijftig is vast komen te
staan dat de archaïsche tempel, vroeger algemeen ‘Basilica’ genoemd, in het heilig gebied
van Hera lag en dat ca. een eeuw na dit eerste Heraion (I) een nieuwe tempel voor
dezelfde godin werd gebouwd (Heraion II);
deze laatste werd tevoren algemeen als ‘tempel van Poseidon’ aangeduid, de god die aan
1 Luchtfoto van de centrale zone van Paestum
(van zuid naar noord). Op de voorgrond resp. stadsmuur, Heraion I en II; dan het forum en daarachter
de tempel van Athena.
de stad Paestum-Poseidonia zijn naam had
gegeven en die daarom dan ook op de beeldenaar van de munten voorkomt. Behalve
deze twee tempels lag er in de centrale
strook van het stadsgebied (afb. l) nog een
Dorische tempel, die op grond van een inscriptie aan Athena (vroeger aan ‘Ceres’) kon
worden toegeschreven.
‘Basilica’ – Heraion I (ca. 530 v. Chr.; afb. 2)
Deze tempel is karakteristiek door zijn 9x18
gedrongen zuilen met plat Dorisch kapiteel.
De analyse moet uitgaan van de plattegrond
(afb. 3). Aan de lange zijden zijn de asafstanden onregelmatig en variëren van 3.07 tot
3.13 m. Neemt men aan dat hier een voet
van ca. 31 cm. is gebruikt, dan kan de lengte
van de tempel (18 zuilen. 17 intercolumnia*)
aangegeven worden met:
17 x 10 v. + 2 x -12 zuildoorsnee (aan beide
uiteinden) d.i. 2 x 2-12 v; daarbij moet voor
de twee treden aan weerszijden nogmaals
2x2^ v. opgeteld worden. De asiengte* is
derhalve 170 v., de stylobaatlengte* 175 v.,
en de fundering is 180 v. lang.
In de breedte heeft men de smallere afstanden (2.86 m. tegen 3.10 m.) nooit kunnen
verklaren. Had de architect dezelfde afstand
als op de lange zijde genomen, dan was de
asbreedte* bij 9 zuilen, 8 intercolumnia:
8 x 10 v. = 80 v. geweest en de stylobaat 85 v.
De stylobaatbreedte is echter 79 v. (24.49
m.). De architect heeft dus bij 8 asafstanden
in totaal 6 v. ingekort, zodat elk juk aan de
korte zijde -68 of -34 v. kleiner is dan aan de
lange zijde (9-14 v. tegen 10 v.). De enige
reden waarom dit gedaan is, moet gezocht
worden in de proportie breedte: hoogte. De
hoogte was wel 39-12 v., wat op de helft van
de stylobaatbreedte (79 v.) neerkomt.
Binnen de zuilenomgang ligt de cella, die in
Página 5
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)2 ‘Basilica’ – Heraion I.
3 ‘Basilica’ – Heraion I, plattegrond (tek. E.J. Ponten).
Página 6
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)de lengte een duidelijke relatie vertoont met
de lange zijden van de zuilenomgang, omdat
de dwarsmuren in het verlengde liggen van
de derde en vijfde zuil vanuit elke hoek. De
cellalengte is dus gelijk aan de afstand tussen
de derde zuil, gerekend resp. vanaf de oosten westhoek: dit is de asafstand tussen 14
zuilen (130 v.), vermeerderd met 2 x -12 zuildiameter (5 v.); de cellalengte is dus 135 v.
In de breedte (42 v.) heeft de architect de
cella als de helft genomen van de fundermgsbreedte (84 v.). Met een koord van 84 v.
lengte heeft hij de as van de tempel kunnen
bepalen en aan weerszijden van deze as weer
de helft (21 v.) uitgezet om de cellabreedte
op het terrein vast te leggen.
Aldus is te reconstrueren hoe de belangrijkste maten op het bouwterrein zijn uitgezet
(afb.4). Rondom de buitenste grens van de
tempelfundering (84 x 180 v.) werd een 2-12 v.
brede strook gereserveerd voor twee treden.
Vervolgens werd de stylobaat van 5 v. afgezet en tenslotte werd de cella in deze rechthoek gelegd, waarbij opvalt dat voor de
onderverdeling van de cella in de breedte de
maten 5 en 15 v. herhaaldelijk terugkomen.
‘Ceres’-tempel – Athenaion (ca. 510 v. Chr.;
afb. 5)
Deze tempel is in de archeologische literatuur11 in voetmaten juist geanalyseerd, omdat de maateenheid hier overeenkomt met
de algemeen geaccepteerde ‘Dorische’ voet
van 32,8 cm. Maar al zijn de uitkomsten
goed, de architect heeft niet de ‘heilige’ maat
van 100 v. als uitgangspunt genomen en deze
afstand onderverdeeld in het aantal intercolumnia, doch blokken van 4 en 8 v. lengte
zijn de bouwstenen die aan het bouwwerk
een veelvoud van de grondmaat geven: 25
stenen van 4 v. leveren hier de afstand van
100 v. op (afb. 6). Wanneer men dit aanneemt, kan deze tempel heel eenvoudig in
4 ‘Basilica’ — Heraion I, reconstructie van het antiek ontwerp (tek. E.J. Ponten).
Página 7
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)5 ‘Ceres’- of Athenatempel.
6 ‘Ceres’- of Athenatempel, plattegrond.
Página 8
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)een aantal formules beschreven worden en
ongetwijfeld moeten we ons zo de volumina
voorstellen, die volgens Vitruvius12 door tal
van architecten over hun bouwwerk zijn geschreven.
De asafstand van 8 v. is het uitgangspunt van
het gebouw. De stylobaat bestaat uit blokken van 8 v., die zo gelegd zijn dat het hart
van de zuil samenvalt met de naad tussen
twee blokken. Ligt de stylobaat er, dan is de
plaats van de zuilen in het grondvlak bepaald.
Aldus is de zuüenomgang op eenvoudige
wijze vast te leggen in de formule:
asmaten: breedte 5 x 8 v. = 40 v.; lengte 12 x
8 v. = 96 v.
stylobaat: breedte 40 + 2 x -12 zuildiameter
= 44 v.; lengte 96 + id. = 100 v.
De cella ligt gebonden binnen de zuilenomgang. De breedte komt overeen met de asafstand tussen de voorlaatste zuilen van de
hoek uit (3 asafstanden x 8 v. = 24 v.). De
lengte van de cella is iets meer dan 9 asafstanden (9 x 8v.=72v.), omdat de hartlijn
van de voorste pronaoszuilen samenvalt met
die van de derde zuil van oost aan de lange
zijden; de lengte is dan 72 + 2 v. (d.i. de halve zuildiameter) = 74 v. Ook de andere maten van plattegrond en opstand zijn eenvoudig te berekenen13.
‘Tempel van Poseidon’ – Heraion II
(450 v. Chr.: afb. 7)
Ook de laatste tempel, het Heraion II, dat
te vinden is in ieder boek over Griekse kunst,
is nooit bevredigend verklaard in zijn ontwerp, dat door Riemann14 gekenschetst
wordt met de woorden: ‘Der komplizierte
und in manchen Punkten unklare und gezwungene Entwurf dürfte wohl zum guten
Teil auf Eigenwilligkeit eines hauptsachlich
in der Provinz schaftenden Architekten zurückzuführen sein’. Dit geldt zeker als men
de ‘Dorische’ voet van 32,8 cm. aan het ontwerp ten grondslag legt. Neemt men echter aan dat de asafstand op de lange zijde
(4.50 m.) met 15 v. van ca. 30 cm. is gelijk
te stellen, dan blijkt deze tempel in de lengte
te bestaan uit:
14 zuilen, 13 asafstanden x 15 v. = 195 v.
Aan weerszijden (2 x) een halve zuildoorsnee (7-12 = 2 x 3-34 v.) erbij tellend, zou men
een stylobaat van 202-12 v. krijgen. Met een
dubbele hoekcontractie, d.w.z. het laatste en
voorlaatste intercolumnium zijn resp. met 25
en 15 cm. verkleind, wat een totaal van 80
cm. (wel 2-12 v.) betekent, werd een stylobaatlengte van 200 v. verkregen (afb. 8).
In de breedte was de stylobaat: (5 x 15 v. =)
75 + 7-12 = 82-12 v., maar hier is slechts enkele
hoekcontractie van 1-12 v. totaal toegepast,
zodat hier een stylobaatbreedte van 81 v.
ontstond. Is dit niet een duidelijk bewijs dat
de proporties – die het resultaat zijn van het
additief gebruik van plinthen* –, in de
Griekse bouwkunst niet van al te groot
belang zijn? Had de architect nl. ook in de
breedte dubbele contractie (1-12 v.) toegepast,
dan zou de stylobaat een simpele proportie
van 80 : 200 ofwel 2 : 5 hebben laten zien.
Deze verhouding wijkt af van de verhouding
van het aantal zuilen (6 x 14 of 3 : 7).
Ook de verdere plattegrond en de opstand
van deze tempel zijn op eenvoudige wijze
in voet te ‘vertalen’.
Besluit
Uit deze analyse van de tempels van Paestum
moge blijken dat in de Griekse bouwkunst
reeds vóór het optreden van Pythagoras een
werkwijze wordt toegepast, welke is terug te
vervolgen tot vroeg in de archaïsche tijd (ca.
700v.Chr.). De architect was ongetwijfeld
een ambachtsman, die met eenvoudige prin-
Página 9
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)cfpes werkte en uit zijn materiaal, natuurstenen blokken, alles wist te halen zonder zich
door filosofie, mystiek of getallensymboliek
te laten leiden15: zijn gebouw is het resultaat van de ervaring, opgedaan door tal van
generaties naamloze bouwers voor hem, die
aan de Griekse zuil- en architraafbouw gestalte hebben gegeven in een geleidelijke,
eeuwen durende ontwikkeling. Deze zet zich
ook in de klassieke eeuwen (5e en 4e eeuw
v. Chr.) door, zonder dat er abrupte vernieuwingen optreden die verklaard moeten worden door invloeden vanuit de filosofie of
mathematiek.
7 ‘Poseidontempel’ – Heraion II.
8 ‘Poseidontempel’ – Heraion II, plattegrond (naar R. Koldeweij, tek. E.J. Ponten).
Página 10
Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)Verklarende lijst van termen
asafstand
asbreedte
asiengte
intercolumnium
plinthen
stylobaat
afstand hart op hart tussen twee
zuilen
afstand hart op hart tussen twee
hoekzuilen in de breedte
id. in de lengte
afstand tussen twee zuilen
vierkante stenen platen waaruit
de stylobaat vaak bestaat
bovenste trede waarop de zuilen
staan
5
NOTEN
De tekeningen zijn op aanwijzing van de auteur
voorbereid door E. J. Ponten, tekenaar Instituut
Oude Letteren der K.U. Nijmegen; de afbeeldingen
3, 4, 6 en 8 werden door H. van der Sluis, afd.
A.V.-dienst A-faculteiten K.U. Nijmegen. Beiden
zijn wij zeer erkentelijk voor hun inzet.
1
2
3
4
Zie b.v. W. Hoepfner, Das Grafmonument des
Pythagoras aus Selymbria, Athen. Mitteilungen 88, 1973, 145-163.
R. Ross Holloway, A View of Greek Art,
Providence 1973,64.
H. Berve, G. Gruben, Tempel und Heiligtümer
der Griechen, München 1978, 113: (Tempel
van Herakles te Agrigento) ‘war... ein gebauter Zahlenkosmos. Die ... kalkulierten Beziehungen ... weisen auf die Weltdeutung der
Pythagoreischen Schule hin, welche in der
Zahl die alles erzeugende Ordnung des Kosmos erkannte’.
Voor de meest ingewikkelde meetkundige
ontwerpen, die uit het brein van de auteur
stammen, vgl. O. Hertwig, Über geometrische
Gestaltungsgundlagen von Kultbauten des 6.
Jahrhunderts v. Chr. zu Paestum, München
1968. Uit het rythme van de gevels worden
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
zelfs hele toonladders gehaald door: H.
Kayser, Die Nomoi der drei altgriechischen
Tempel zu Paestum, Heidelberg 1959. Voor
meer dergelijke fantasieliteratuur vgl. J. A. de
Waele, Der Entwurf der dorischen Tempel
von Paestum, Archäolog. Anzeiger 1980, 369,
n.10;388,n.69.
W. Dörpfeld, Athen. Mitt. 15, 1890, 167-187;
W.B. Dinsmoor, The Basis of Greek Temple
Design, Atti del VII congresso internazionale
di archeologia classica, Roma 1961, I, 355368. Ook recentere pogingen het ontwerp te
verklaren zijn o.i. op niets uitgelopen: J. J.
Coulton,
Towards
Understanding
Doric
Design, Annual Brit. School Athens 69, 1974,
61-86; 70, 1976, 59-99; en meer alg. J.J.
Coulton, Greek Architects at Work, London
1977.
H. Riemann, Zum griechischen Peripteraltempel. Düren 1935.
J. A. de Waele, Der Entwurf der dorischen
Tempel von Akragas, Archaolog. Anzeiger
1980, 180-241. Een uitvoerige publicatie
waarin alle belangrijke Dorische tempels worden geanalyseerd, is in voorbereiding.
Voor Paestum algemeen vgl. E. Kirsten, Süditalienkunde, Heidelberg 1975, 262; E. Greco,
Magna Grecia, Bari 1980, 16 w. F. Krauss,
Paestum – Die griechischen Tempel 3 Berlin
1976. M. Napoli, Paestum, Novara 1970.
G. Piranesi, Die Tempelruinen von Paestum,
(facsimile-uitgave) Unterscheidheim 1973.
Vgl. noot 4.
F. Krauss, Die Tempel von Paestum, 1. Lief,,
Der Athenatempel, Berlin 1959, 2.
Vitruvius, praef. VII.
Vgl. ook hiervoor mijn in n. 4 geciteerde artikel.
Riemann (vgl. noot 6) 167.
Vgl. ook J.A. Bundgaard, Parthenon and the
Mycenaean City on the Heights, Copenhagen
1976, 169-171.