De Praehelleense Ascese, de liturgie

Autor
Stricker, B.H.
Publicado en
Oudheidkundige mededelingen R.M.O.Leiden
Año
1976
Tema
LITURGY
Idioma
Nederlands
Categoría
C12 Religión
Número de archivo
6999

Abrir PDF(se abre en una ventana nueva)

Mostrar texto completo37 páginas

Página 1

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
DK ACC E RR \ Ba ea 7 Stricker B. H.- De praehelleense ascese. OMRL 1967 XLVIII: 44-55.* Dans les prescriptions nd alimentaires et hygiéniques de Pythagore nous retrouvons des éléments de rites d'abstinenceet d'ascèse orientaux. Cependant, le pythagorisme connaissait aussi des règles qui sortent du cadre oriental (à suivre). …° ) Stricker B. H.- De praehelleense ascese (Vervolg). OMRL 1968 XLIX: 18-39.* Prescriptions LN d'hygiène, de sobriété et d'abstinences diverses chez les Egyptiens, les Juifs et les Phéniciens (à 5a De suivre). ET & en en . Stricker B. H.- De praehelleense ascese: 86: KAGNEIIA. OMRL 1969 L : 8-16.« Suite de la revue des prescriptions d'hygiène dans le monde antique (cf. APh OXX 239 & XLI 692). Oe neve AT Seren [43-10890 { 94 L Stricker B. H. - De praehelleense ascese. OMRL 1971 LIl : 54-70. * Dans les religions égyptienne et judaïque ainsi que dans les rites de l'antiquité classique, l'abstinence alimentaire et sexuelle remplace, Lb en tant qu'arrêt temporaire des fonctions vitales, le sacrifice ; elle est toujours en rapport avec l'idée de q 91 la mort. La suppositio (U(PALLAGH/) et la permutatio sacrificii sont d'autres formes de la même pensée (à suivre). en Mr nne Jao i ( 7 [44-09663 Stricker B. H. - De praehelleense ascese (Vervolg). OMRL 1974 LV: 129-197.« Le sacrifice et ses bas R différentes formes, circoncision et sacerdoce (pour la partie précédente de’ 'atticle, cf. APh XLIV p. 712). Phan Al dk [49-11523 Stricker B. H. - De praehelleense ascese (Vervolg). OMRL 1976 LVII : 299-333. * Le symbolisme du soleil et les rites de purification dans les mondes égyptien, juif, hellénique et chrétien. PN A C q9 q [49-11524 Û memmen Stricker B. H. - De praehelleense ascese. Vervolg. OMRL 1980 LXI : 209-251. * Votum, nuncupatio et serment dans le monde gréco-romain et chez les peuples d'Orient (cf. APh XLIX N° 11523) & (cf. APh XLIX N° 11524). CAL = [51-11160 od heerlanhge ma ve beng tan fe A ck Ass U q GW ÔSO5 3 je ° N _— leed mmm SAnccAar Ru. be pre bellers Sy ype - Ae LXIV Kr | en Ar Ra A De Suryk ty AEN tte p l3 83 t- so Sat ‘ag jer veh bede by doe) jeer P v-to

Página 2

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
OUDHEIDKUNDIGE MEDEDELINGEN deel LVII, 1976

Página 3

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
NEET De liturgie $20 De zon is de essentie der wereld; alle zijn is in haar, komt uit haar of keert tot haar terug *°2*. Zij trekt aan de hemel twee quadranten, waarin zij actueel is, wit van kleur en zich van oost naar west beweegt. Daarvoor en daarna is zij potentieel, zwart van kleur en beweegt zich, op enigerlei wijze, van west naar oost'"**. In het eerste quadrant stijgt de zon van horizon naar zenith, in het tweede daalt zij van zenith naar horizon. Haar opgaan in het oosten is haar geboorte, haar ondergaan in het westen haar sterven. Haar beweging stijgend van horizon naar zenith, van dood naar leven, is doelgericht; haar beweging dalend van zenith naar horizon, van leven naar dood, is werkend *°?5. De potentie en de act wisselen elkander af, maar de potentie wordt toch geacht aan de act vooraf te gaan daa” 1723 B. H. Stricker, De Geboorte van Horus, Leiden, 1963-1975, blz. 215-217, $49. 1724 De tegenstelling tussen witte en zwarte kleur is die tussen zijn en niet-zijn. De levende god Horus had witte huidskleur: Plut., De Is. et Osir., 22; Porphyr., apud Euseb., Praep. Evang, III 12, 2; vgl. Plut., Quaest. Rom., 26 (Perzen); de dode god Osiris zwarte : Plut., De Is. et Osir., 22. Ahuramazda, God der Perzen, was gekleed in een wit gewaad: Bundahiën, III 3 (Anklesaria); Denkart, III 192, 1; Angromanju, de Duivel, in een zwart: Viëitakiha-i-Zätspram, 1 29, XXXIV 35; Denkart, III 192, 2. De tegenstelling is anderzijds die tussen act en potentie. Tegenover de witte huidskleur van Horus stond de zwarte kleur van de mantel zijner moeder Isis, levende godin: Orph., Hymn, XLI 9; Plut., De Is. et Osir., 39, 52; Hippolyt., Refut., V 7, 23; Apul., Metam., XI 3. De Egyptenaar kleedde zich in het wit tot deelname aan de liturgie, maar verfde, ter zake van wederopstanding, de in het graf aan de dode medegegeven voorwerpen zwart: B. H. Stricker, Camephis, Amsterdam en Oxford, 1975, blz. 7, noot 37. Voor de witte en de zwarte vederen van de ibis, vgl. De Geboorte van Horus, blz. 30, noot 183, blz. 296, noot 3310. 1729 Beweging geschiedt vanuit twee oorzaken, de doeloorzaak of causa finalis, gericht op het zijn, vgl. De Geboorte van Horus, blz. 211 en 219, afb. 27 en 28, de lijn FCA, en de werkende oorzaak of causa efficiens, gericht op het niet-zijn, vgl. ibidem, de lijn ACF, en zie noot 1801. Voor de oorzaken in het algemeen, vgl. Aristot., Anal. Post, 94a; Idem, Physic., 194b, 195a, 198, a-b, 207b-208a; Idem, De Gen. et Corr, 318a: Idem, Meteor. 339a, 378b; Idem, De Gen. Anim., 715a; Idem, Metaph., 983a, 994, a-b, 996b, 1070b. Uit de symboliek der bewegingsoorzaken hier enige grepen: — 1° De valk is symbool der ziel. Hij stijgt rechtstandig en daalt rechtstandig : Porphyr., apud Euseb., Praep. Evang, III 12, 2; Horapoll., Hierogl., 1 6; noot 1970. — 2° Mestkever en gier: —â. De mestkever is van het mannelijke geslacht : Plut., De Is. et Osir., 10, 74; Clem. Alex, Strom., V 4, 21, 3; Aelian., De Nat. Anim, X 15; Porphyr., De Abstin., IV 9: Horapoll., Hierogl.. 1 10. De gier is van het vrouwelijke geslacht: Plut, Quaest. Rom., 93; Aelian., De Nat. Anim. II 46; Porphyr., apud Euseb., Praep. Evang. III 12, 3; Ammian. Marcell, Res Gest., XVII 4, 11; Horapoll., Hierogl., 1 11. Beide dieren behoren bijeen. De Egyptenaren schreven de naam van de god Hephaestus met de hiëroglyphen voor mestkever en gier, die der godin Athene met 1726 Plotin., Ennead., VI 1, 26. Vgl. Stoic., fr. Il 315 (von Arnim); Camephis, blz. 8. noot 53.

Página 4

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
De cyclus-van de zon bepaalt het leven van de mens. Zoals de zon in de morgen van iedere de hiëroglyphen voor gier en mestkever: Horapoll., Hierogl., 1 12. — b. De mestkever was symbool van de zon: Apion. Oas., fr. 19 (Jacoby). Hij verblijft zes maanden per jaar onder en zes maanden boven de aarde: Clem. Alex. Strom, V 4, 21, 3. Bij de Thracische stad Olynthus bevond zich een terrein, genaamd KavôapóAe8pov, lopen „Keververderf”, in de gestalte van een dorsvloer. De mestkever, die daarop nederstreek, ging in de rondte Chi, fr. 266 en bleef dat doen, totdat hij van honger dood nederviel: Aristot., De Mirab. Auscult., 120; Theopomp. 15; vgl. B. H. Stricker, (Jacoby); Strab., Geogr., VII, fr. 30; Plin., Nat. Hist, XI 99; Plut., De Trang. Anim, het Romeinse The Journal of Egyptian Archaeology, deel XLI, Oxford, 1955, blz. 34-47; Idem, De Oorsprong van beter wel natuur, der symbool was gier De 13. blz. op 3 afb. met 7-8, blz. Circus, Amsterdam en Londen, 1970, Hij richt doeloorzaak. der symbool was mestkever De —c. IL. 4, XVII Gest, Res. Marcell, der materie: Ammian. 10; vgl. Vit. zich tijdens zijn werk met de kop naar het oosten: Amduat, 694 (Hornung); Horapoll., Hierogl., I westen en Ad. et Ev, XXII 1. De gier was symbool der werkende oorzaak. Hij kijkt bij zonsopgang naar het Vit. Ad. vgl. 11; 1 Hierogl., Horapoll., gewend: af zon de van altijd blik de bij zonsondergang naar het oosten, et Ev, XVIII 1-2. Tijdens de veldslag geleverd tussen de Pändava's en de Kaurava’s hielden de eersten zegevierend het gelaat op het oosten, de tweeden het gelaat op het westen gericht: Mahäbhärata, VI 20, 5; vgl. VIII 6,45, 7,2. De priesterschap te Athene keerde het gelaat naar het westen tot het uitspreken van een vervloeking: Lys., Or, VI 51. — d. In een minderheid van gevallen was de mestkever symbool der werkende oorzaak. Onder de tong van de heilige stier Apis bevond zich de tekening van een mestkever: Herod., Hist, III 28; Porphyr., apud Euseb., Praep. Evang. III 13, 2; Plin., Nat. Hist, VIII 184; De Geboorte van Horus, blz. 221, noot 2037. De mestkever wentelt, al blikkend naar het oosten, de mestbal met de achterpoten naar het westen: Porphyr., De Abstin., IV 9; Horapoll., Hierogl.. 1 10; vgl. Plut…, De Is. et Osir., 74; Olympiod. Alchim.. p. 99, 1-3 (Berthelot-Ruelle). De soldaat streeft naar het leven, maar bewerkt de dood. Hij droeg een vingerring met erin gegraveerde mestkever: Plut., De Is. et Osir., 10; Aelian., De Nat. Anim, X 15. Insgelijks kon de gier symbool zijn van de doeloorzaak. De gieren, geschilderd op de plafonds van tempels en rotsgraven, plegen met de kop naar de uitgang, naar het oosten, te vliegen: Camephis, blz. 57, noot 485. — 3° De wagen: — a. De profeet Elia werd in een onweder ten hemel opgenomen in een vurige wagen met vurige paarden: II Kon. II 11-12; ontkend door Flavius Josephus, Antiq.. IX 28, en door Jose ben Halaftä, Talm. Babl., Sukk., Sa. Toen Adam stierf, zag Eva Jahwe in een lichtende wagen uit de hemel nederdalen, gedragen door vier adelaars en voorafgegaan door engelen : Apoc. Mos, XXXIII 2-3, XXXVIII 3. Bij de dood van Job daalden de engelen vanuit de hemel neder in een wagen, namen zijn ziel en voeren daarmede naar het oosten: Test. Job., LIT 6-10 (Riessler). De profeet der Perzen, Zaratustra, werd na zijn dood in een wagen ten hemel gevoerd: Zoroastr., fr. B 45 (Cumont); en zo ook de Indische koning Judhisthira: Mahäbhärata, XVII 3,1,20,22-24. De god Mars daalde vanuit de hemel neder in een wagen, stond stil boven de Palatijn, waar Romulus als koning over het Romeinse volk recht sprak, en ontrukte hem aan de aarde: Ovid., Metam., XIV 818-828. De lijkverbranding bij de Grieken had ten doel „aan te tonen, dat het goddelijke deel des mensen, door het vuur als door een wagen omhoog gevoerd, zich met de hemellichamen vermengt, het aardse deel beneden achterblijft”: Eustath., Comment. in Hom., IL, p. 43 (ed. Rom.). — b. Het Egyptische koningsgraf werd uitgehouwen in de westelijke woestijnrand. De grafkamer, diep in de rotswand aan het westelijke uiteinde, droeg de naam pr-n-nb, „goudhuis”: J. Cerny, The Valley of the Kings, Caïro, 1973, blz. 29-30. Daaronder is de baarmoeder te verstaan, waaruit de overledene herrijzen zou: Camephis, blz. 65, noot 559 (voeg toe: M. de Rochemonteix en E. Chassinat, Le Temple d'Edfou, Parijs en Caïro, 1897-1934, deel 1, blz. 61, 4-5); De Geboorte van Horus, blz. 229, noot 2218. Voor de grafkamer lag een vertrek met vier zuilen, wellicht de vier elementen voorstellend, waarin de wagen van de overledene stond : Cerny. op. laud., blz. 29. Daarvoor een wachtkamer en daarvoor weder, in werkelijkheid op het oosten, maar in theorie op het zuiden gericht, Camephis, blz. 20, noot 144, de „vier banen van de Zonnegod op de weg des lichts”, vier gangen : Cerny, op. laud., blz. 27-28; B. George, Studia Aegyptiaca, Recueil d'Etudes Dédiées à Vilmos Wessetzky à l'Occasion de son 65e Anniversaire, deel 1, Budapest, 1974, biz. 101-116. —c. Het agnistoma of soma-offer werd in Indië uitgevoerd op de mahävedi, offerterrein in de vorm van een trapezium, met de korte evenwijdige zijde, dus met de spits. op het oosten gericht: W. Caland en V. Henry, L'Agnistoma, Parijs, 1906-1907, deel I, pl. IV. Hierop lag geheël in het westen, tegen het midden van de lange evenwijdige zijde, aan de basis van het offerterrein, de sadas, een tent, waarin de priesters zich ophielden : Agnistoma, 94 (Caland-Henry). Deze wordt als buik betiteld: Satapathabrähmana, III 5, 3, 5, maar was ook plaats van verwekking, dwz. baarmoeder: Satapathabrähmana, IV 6, 7, 9. Voor de sadas stonden in het midden van het offerterrein twee wagens, waarop het soma gezet: Agnistoma, 81, 87 (Caland-Henry). Beide waren op het oosten gericht, waar tegen de smalle zijde van het terrein de uttaravedi, het hoogaltaar, stond : Agnistoma 79 (Caland-Henry).

Página 5

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
dag *°*” en op de lentedag van ieder jaar *”?® vanuit de nacht en de winter wordt herboren, wordt dat de mens. De cyclus van de zon voltrekt zich zelfs in de mens. De ziel des mensen daalt, als partikel van de zon, in een zonnestraal vanuit de hemel neder *72°. Tijdens het leven in het lichaam gevangen *”*°, keert zij na de dood in een zonnestraal tot de hemel terug. Zij wordt, vervat in het vaderlijke zaad, in de baarmoeder gestort, verblijft daarin gedurende negen maanden en herrijst in het kind. Haar lager deel blijft als restant in het lichaam achter, nadat dit ter aarde is besteld, en herrijst in de dieren, die bij spontane generatie uit de aarde voortkomen *”**; zo althans zij niet, als geheel, in het dode lichaam intact blijft en vandaar in een ander verhuist. In het algemeen gesteld: geboorte is wedergeboorte *"*?. . valk, met uitgebreide vleugels naar het sonen vliegend Dit laatste was veelal gevormd in de gestalte van een 1962, Leiden, XLIII, deel Med., 107; vgl. Oudh. De wagen, symbool der wereld: Mahäbhârata, VIII 24, 66-77, VI 9, 15-16, XII 321, 11; vgl. ibid, V 183,12-13, ärata, Mahäbh : wielen acht met Wagen 59-89. noot 16-17, biz. de der natuur wordt door vijf punten bepaald, de top en 184,18, en Camephis, blz. 15, noot 99. — 4° De pyrami te van Horus, blz. 215, noot 1841; B. H. Stricker, de vier hoekpunten. In de top staat het Woord: De Geboor blz. 32, noot 238. De vier hoeken omsluiten de De Maat der Dingen, Amsterdam, Oxford, New York, 1976, te van Horus, blz. 221, noot 2040, en werkende Geboor De : rzaak doeloo basis, de materie. Het Woord is beide, de oorzaak: ibid. blz. 62-70, 823 en 24, blz. 219, noot 1961, blz. 220, noot 1970. De god Thot, het gepersonifieer Woord, werd door de Egyptenaren wr-dj, „grootste der vijf”, genoemd: A. Erman en H. Grapow, Wörterbuch der Ágyptischen Sprache, Leipzig, 1926-1950, deel V,‚ blz. 420, noot 12. Als hij werd dat de hogepriester der stad Hermopolis, zijn vertegenwoordiger op aarde: ibid., deel V, blz. 420, noot 11. Het getal vijf, symbool der rechtvaardigheid: Nicom. Geras., apud Phot., Bibl, 187 (p. 144a, 33, Bekker); Jambl., Theol. Arithm., 27, 31; Procl., Comment. in Platon. Rempubl., p. II 22, 53, 93 (Kroll); L. Kákosy, Studia Antiqua, deel XV, Budapest, 1968, blz. 243-245. Voor de term tpiouéyiotoc, zie Camephis, blz. 4, noot 17. 1727 Erman-Grapow, Wörterbuch, deel II, blz. 141, noot 2; Plut., Quaest. Conviv., VIII 3, 5. 1728 De hemelaequator en de ecliptica snijden elkander onder een scherpe hóek: noot 1365. De knopen vormen de eveningen. Op de herfstevening daalt de zon onder de hemelaequator en vangt haar winterse baan aan, op de lenteêvening stijgt zij boven de hemelaequator en vangt haar zomerse baan aan. Het spijsoffer werd gezalfd, doordat de olie kruisgewijze, in de vorm van Griekse letter y erover werd uitgegoten: noot 1364. De priester werd gezalfd, doordat de olie dat geheel in dezelfde vorm over zijn hoofd werd: Talm. Babl., Hör., 12a; Idem, Kerët., Sb. Ook de schedelnaden snijden elkander boven het voorhoofd in de vorm van de letter x : Hippocrat., De Cap. Vuln., 1; Galen., De Ossib., 1; Idem, De Us. Part, IX 17; Oribas., Coll. Medic., XXV 3, 7. De middennaad, sutura sagittalis, verdeelt de schedel, als de hemel, in twee halfronden: Macrob., Sat, VIT 10, 3; vgl. Aitarejabrähmana, IV 22. Er zijn in het geheel zeven schedelbeenderen: Galen, Introd, 12. De karteling der schedelnaden wordt veroorzaakt door de in het hoofd gevoerde strijd tussen ziel en materie: Plat, Tim, 76a. De namen dezer naden waren van Egyptische oorsprong : Ruf. Ephes., Onom., 133. De profeet Ezechiël zag een engel op het voorhoofd der godvruchtigen een teken (in; de oudste schrijfwijze van de letter tâw was x) aanbrengen, waardoor zij voor de verdelging gespaard werden: Ezech., IX 4, 6. Bij de dood verlaat de ziel over de weg der schedelnaden het lichaam: Plut., De Gen. Socr., 22; vgl. Mahäbhärata, XII 154, 5-6. In de eerste drie eeuwen onzer jaartelling droegen vele mannen het teken x op het voorhoofd, somtijds ter rechterzijde: C. L. ten Cate, Stigmata, a Study on Tattooing, Scarifying and Branding in Classical Antiquity and the early Middle-Ages (nog te verschijnen). De voorhoofdsnaad, sutura frontalis, verdwijnt reeds in de vroege kinderjaren, waardoor de gestalte van de { verloren gaat. Wellicht beduidde het voorhoofdsteken, dat de drager kind, dwz. als wedergeborene onschuldig, was. 1729 De Geboorte van Horus, blz. 19-23, $7. 1930 Het lichaam, cpa, gevangenis, ofja: Philol., fr. 44B, 14 (Diels); Plat, Gorg., 493a; Idem, Cratyl, 400, b-c; Phil. Jud, Leg. Alleg., 1 108; Idem, De Spec. Legib., IV 188. Vgl. Corp. Herm, VI 2-3, XIII 7; Flav. Jos., Bell. Jud., II 154; Plut., De Is. et Osir., 28. 1731 Camephis, blz. 52, noot 431. 1732 De term voor de wedergeboorte luidt, Egyptisch: whm-méw.t,. Hebreeuws: nwin ana, Grieks: zadayyeveoia, Latijn: regeneratio. De als titel van het Dodenboek bekende term prj-m-hrw, „uitgaan bij dag”, staat voor beide, geboorte en wedergeboorte.

Página 6

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
De cyclus van de zon bepaalt het zedelijke streven van de mens. De ziel wordt beheerst door twee driften, de goede en de slechte drift*”**. De goede is gericht op de essentie, de zon, in het zenith des hemels gedacht *”**; zij volgt de lijn der doeloorzaak. De slechte is gericht op de materie; zij volgt de lijn der werkende oorzaak. Van de beide helften der wereld 75° belichaamt de hemelse en immateriële het goede, de aardse en materiële het kwaad. Vanuit het goede wordt het kwaad bewerkt en vanuit het kwaad wordt het goede nagestreefd. De goede en de slechte drift houden elkander in de mens in precair evenwicht. De slechte drift brengt de zonde voort en de zonde de dood *’*®. Zij gaat te gronde, wanneer de mens haar in zichzelf herkent en vrijwillig van haar afstand doet; in welk geval zij van het potentiële zijn overgaat in het niet-zijn. Zoals de slechte drift een is, is ook de door haar voortgebrachte zonde een. De zonde is, als inbreuk op de goddelijke orde, steeds aan zichzelf gelijk *”*”; maar niet alle zonden zijn gelijksoortig *”*®. De zonde wordt gedelgd door de dood van de zondaar *’*°; door diens dood, geëist of aangeboden, voltrokken bij daadwerkelijke of bij symbolische executie. De goede drift komt na de delging der zonde uit het niet-zijn voort en neemt de plaats van de slechte in *”*°. De zondaar keert dan terug tot zondeloosheid, tot zichzelf in zijn oorspronkelijke aanleg; hij wordt als het ware als kind herboren. Het kind is zonder zonde *”**. Het bezit transcendente vermogens, het bovennatuurlijke weten, de profetie *”*?, en het bovennatuurlijke kunnen, de wonderdadigheid. Een godenbeeld in de steden Diospolis en Saïs in de Delta stelde de god Horus voor als naakt, jeugdig kind, staande boven de krokodillen, de door hem bedwongen personificaties van het kwaad *7*3. Herodes, de viervorst, die om wille van zijn dochtertje Johannes de Doper had doen ombrengen, 1733 Zie noot 440. Door de Stoïcijnen, onder invloed der vier-elementenleer, tot vier verdubbeld en als begeerte, genot, vrees en*droefheid, van bovennatuurlijke tot natuurlijke staat herleid: Zeno, fr. 1 211 (von Arnim); Stoic., fr. HI 261, 378, 381, 385, 386, 387, 388, 391, 392, 393, 394, 437, 444 (von Arnim). Zo ook door de Perzen: Denkart, III 192. Zie noot 1737. 1734 Pirg. Rabb. Eliez., 6; Camephis, blz. 70, noot 605. 1735 De Geboorte van Horus, blz. 211 en 219, afb. 27 en 28: de wereld boven en de wereld beneden de lijn BCD. 1736 Jac, 115. Vgl. Rom., VI 23. 1937 Stoïcijnen (alle in deze noot genoemde fragmenten naar von Arnim): Zeno, fr. 1 224; Pers., fr. 1 450; Chrysipp., fr. III 527; Stoic., fr. III 468, 531, 532, 533. Voor alle zonden één straf, de doodstraf : zie noot 2017-2021. — Insgelijks, alle deugden één: Mened. Eretr., apud Plut, De Virt. Mor., 2; Zeno, fr. 1 200; Aristo, fr. 1 373, 374, 375, 316, 379; Apollophan., fr. 1 406; Stoic., fr. III 260. Vgl. Apollod. Seleuc., fr. III 15; Stoic., fr. III 275, 280, 295, 296, 299, 300, 302, 303. De ene deugd is êmotúpn, wetenschap. Wetenschap is het hoogste goed: Herill., fr. 1 411, 413, 414, 415, 417, 421; het doel des levens: Herill., fr. 1 411, 412, 419; Stoic., fr. II 127, HI 25, 260. Aristo specifieert haar als êriorúpn éya8&v kaì kak@v, kennis van goed en kwaad: fr. 1 374, III 256, 257, vgl. Genes, II 9, 17; of als byieta, gezondheid: fr. 1 375. Zij is niets anders dan de kennis Gods der Egyptische en Joodse teksten, zie noot 608-623, door de Stoicijnen nog slechts in ethische of natuurlijke zin opgevat, zie noot 1733. Chrysippus bestreed deze leer: fr. III 25, 256, 257, 258, 259, en in de klassieke periode gold zij als verouderd: fr. 1 418. 1738 Stoic., fr. III 528, 529 (von Arnim). 1739 Serv, Comment. in Vergil., Aen, X 419, en Macrob., Sat, III 7, 3, beiden: Quicquid destinatum est dis sacrum vocatur, pervenire autem ad deos non potest nisi libera ab onere corporis fuerit . 1348, 2017, 2139. noot 649, est j non potZie Horus, biz. 220, noot 2006-2008. van 5 1540 De Geboorte anima, quod nisi morte XIII 10. 1141 Midr. Tanhüm., Berëit, 7. Goddelijk: Corp. Herm., noot 3022-3024. 282, blz. 1606, 1742 De Geboorte van Horus, blz. 170, noot met pl. I-IV; deel XXV, Leiden, 1944, blz. 83. 6-36, blz. 1941, Leiden, 1743 Qudh. Med, N.R., deel XXII,

Página 7

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
zeide, toen hij het gerucht van Jezus vernam: „Deze is Johannes de Doper; hij is opgewekt van de doden, en daarom werken die krachten in hem” *74“. De bekering ten goede geschiedt in het hart. Zij werd aan derden betekend bij symbolische handeling. Derzulke handelingen waren er drie: het offer, de onthouding en de wassing. Offer en wassing worden reeds in de oudste Egyptische teksten, de Pyramideteksten, en ook in de Joodse Pentateuch veelvuldig vermeld. De onthouding wordt dat in de Egyptische teksten slechts sporadisch en eerst gedurende het laatste millennium voor het begin onzer jaartelling: bij de Joden gaat zij met offer en wassing gelijk op. Hoewel dat nergens met zoveel woorden wordt gezegd, is toch aan te nemen, dat zij alle drie als van God gegeven genademiddelen werden beschouwd. De handeling werd door God geëist of door de mens aangeboden *°*5. In het eerste geval beduidde zij: „„wat Ik wil, niet wat gij wilt”, door God tot de mens, in het tweede geval beduidde zij: „wat Gij wilt, niet wat ik wil”, door de mens tot God gesproken. De eerstgenoemde der drie, het offer, is reeds uitvoerig behandeld. In de aanhef van $12 is de veronderstelling geuit, dat de gesubstitueerde wel in de dood van het substituut deelde, maar niet in diens wedergeboorte. Uit het hier volgende blijkt, dat deze veronderstelling onjuist is. Zoals onthouding en wassing de wedergeboorte ten doel hadden, had dat ook het offer. Het gedurige offer reinigde de zonden van het volk Israël en hergaf het de onschuld van het eenjarige kind*’*$. De Pers gevoelde zich in het stier- en ramoffer aan Mithra '7*7, de Christen in de offerdood van Jezus herboren *°45. De verzoening bij onthouding geschiedde niet, als bij offer, door twee individuen, maar door een. „Toen Rab Sjesjet vastte, sprak hij na het (vasten)gebed aldus : „Heer der werelden! Het is U bekend, dat ten tijde, waarin het heiligdom nog overeind stond, wanneer de zondaar een offer bracht, men daarvan slechts het vet en het bloed offerde, en hem gewerd vergeving. Nu ik heden de vasten aangenomen heb en mijn vet en mijn bloed zich verminderen, moge het U behagen mijn zich verminderend vet en bloed (te aanvaarden), als had ik hen voor U geofferd op het altaar, en mij in Uw genade aan te nemen””*’*®. Rabbi Eleazar zeide: „Vasten is meer dan weldadigheid”. Gevraagd waarom, antwoordde hij: „Het eerste (doet men) met zijn lichaam, het tweede (doet men) met zijn geld” *75®. De zondaar in onthouding was beide tegelijkertijd, substituut en gesubstitueerde *75*. Als substituut stierf hij in de onthouding symbolisch. Als gesubstitueerde leefde hij voort, thans van zonde vrij, als het ware 1744 Ev. Matth., XIV 2; Ev. Marc., VI 14. ES Zie 69: 1746 Midr. Pesiqt. de Rab Kähan., VI 4; Midr. Pesiqt. Rabb, XVI 7. 1741 Corpus Inscriptionum Latinarum, Berlijn, vanaf 1863, deel VI 1, blz. 97, no. 510. Indiërs: Satapathabrähmana, III 2,1,11,16, 3,3,12. 1748 Ev. Matth, XIX 28; Rom., VI 2-6; II Cor, V 17; Gal., VI 15; Col., II 12-20; I Petr, 1 3, 23, II 2. Vgl. Barnab., VI 11. 1749 Talm. Babl., Beräk., 17a. 1750 Talm. Babl., Beräk., 32b. Vgl. Phil. Jud., De Somn., 1 252. 17$1 Voor de splitsing der persoonlijkheid, vgl. Stoic., fr. II 374, 762 (von Arnim); Posidon., fr. 9% (EdelsteinKidd); Mnesarch., apud Ar. Didym., Epit. Phys, fr. 27 (Diels). Deze leer, onder Stoïsch aspect oud-oosters, verleent aan haren en nagels, die delen des mensen zijn, maar bij diens leven sterven en wedergeboren worden, hun in ascetisch opzicht relevante symbolische betekenis. Vgl. Paul, Eph., IV 22-24, en zie noot 1905, 1906, 1910. De middeleeuwer onderscheidde in het zijn essentia, wezen, en existentia, bestaan.

Página 8

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
herschapen *”*? en toegerust met de transcendente vermogens, waarvan hij in het resterende gedeelte dezer studie gebruik zal maken. De termijnen der onthouding werden met het oog daarop gekozen : één dag *753, drie 1754, vier 1755, vijf +755, zeven 1787, acht 1758, negen 1759, tien 1769, veertig '”S! dagen, een maand *”$2, tien maanden *”°3. Het zijn de termijnen, waarin ook het embryo in de baarmoeder geacht werd tot ontwikkeling te komen *?6*. De verzoening door de onthouding bewerkt was privaat. De gesubstitueerde delgde zijn zonde, desnoods in opdracht, in ieder geval buiten controle of medeweten van derden. Het offer behoorde als publieke handeling evenzeer tot het recht als tot de godsdienst, de onthouding behoorde als private handeling slechts tot de laatste. Is het offer naar zijn oorsprong rechtsinstelling geweest *°65, de onthouding kan zich eerst na receptie daarvan in de cultus hebben ontwikkeld. De zon vangt haar reis in het rijk des doods aan door aan het einde van de dag in de aarde binnen te treden. De gesubstitueerde, die zijn onthouding cosmische dimensie wilde 1752 Mahäbhâärata, V 44, 16. Zie noot 2172. 1753 Zie noot 1844, 1857, 1921, 1933. Vgl. noot 530. 1754 Zie noot 1858, 1859, 2047, 2081, 2123. Vgl. noot 531. 1755 Zie noot 1857, 2177. 1756 Zie noot 1857. 1757 Zie noot 1914, 2124, 2144, 2148, 2150, 2151, 2152, 2155, 2156, 2157, 2158, 2159, 2160, 2161, 2162, 2164, 2171. Drie weken: zie noot 2144, 2157. Vgl. noot 532. 1758 Zie noot 1857, 2028, 2181. 1759 Zie noot 1857. 1760 Zie noot 1822, 1834, 1837, 1861, 1862, 1915. Vgl. noot 533. iet Zie noot 2127, 2133, 2168, 2170, 2175. Vgl. noot 536. 1762 Zie noot 2182. 1763 Zie noot 2092, 2183. 1764 Een dag: Camephis, blz. 4-9, noot 20-58. Drie dagen : De Geboorte van Horus, blz. 232, noot 2264-2273. Zeven dagen: ibid, blz. 245-250, $59. Negen dagen: ibid, blz. 250, noot 2529-2544. Tien dagen: ibid., blz. 250, noot 2541. Veertig dagen: ibid, blz. 251-259, $60. Een maand: ibid, blz. 259, regel 1-4. Tien maanden: ibid, blz. 283, noot 3027-3033, 3046. — Het getal drie is âpxù yevéoens : Lyd., De Mensib., IV 26. Geboorte en wedergeboorte verlopen in drieën: kataBokf, uitzaaiing, Óroöoyh, ontvangenis, àváòoors, voortbrenging: Porphyr., apud Euseb., Praep. Evang, III 11, 11; waartoe Camephis, blz. 58, noot 507. De tijd, bestaande in verleden, heden en toekomst, is bij definitie drie-eenheid. Hij is beide, act en potentie. Tijdsperioden van potentieel zijn werden in drieën ingedeeld ten einde haar tot de act te verheffen. De Egyptenaren achtten de wereld voortgekomen uit okóros äyvaotov, het onbekende duister, en riepen dit in hun gebeden tot drie maal aan: Damasc., De Prim. Princ., 46, 52, bis, 125, quater. De dode werd drie maal gewassen: Apoc. Mos., XXXVII 3. Het saluut aan het graf werd tot drie maal herhaald, Bithyniërs: Arrian., Bithyn., fr. 27 (Roos); Grieken: Hom., Odyss., IX 64-66, met scholion; Theocrit, Idyll., XIII 58-60; Antonin. Liber, Metam., 26; Jambl., Theol. Arithm., 14; Eustath., Comment. in Hom., Odyss., p. 1614-1615 (ed. Rom.); Romeinen: Vergil., Aen, VI 506; Ovid, Fast, III 563; Serv, Comment. in Vergil, Aen, 1 219. Men verrichtte drie maal plechtig de ommegang om het graf: Stat. Theb., VI 217; men plengde drie maal: Hom, Odyss., X 518-520; Sophocl., Antig., 431; vgl. Idem, Oedip. in uren, Colon., 479; en wierp drie maal aarde op het lichaam : Horat., Carm., 1 28, 36. De nacht was ingedeeld niet Gan Midr. 3a; Beräk., Babl., Talm. Joden: de voor toe, (voeg SS noot 9, blz. Camephis, : waken drie maar in menselijke de van periode De “Eden: voor de Indiërs: Mahäbhärata, II 5, 75; Rämäjana, III 15, 12, VI 36, 14). van de vrucht dracht is ingedeeld in drieën. Na afloop van het eerste derde gedeelte gaat de plantaardige natuur is optimaal gedeelte derde tweede het van afloop Na $68. 273-279, blz. Horus, over in dierlijke: De Geboorte van noot behandelde leer was deze in de van extrapolatie Bij 3036-3045. noot 283, blz. ibid., : de vrucht levensvatbaar 256, noot 2600. De onderaardse de rouwperiode op drie dagen gesteld: De Geboorte van Horus, blz. in de oudheid 2. 36, XVIII Etym., Hispal., goden nemen de mens na drie levensperioden tot zich: Isid. 1765 Zie noot 824-838.

Página 9

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
verlenen, verrichtte haar in een grot. Een Egyptische hiërogrammaat beroemde zich erop drie en twintig jaar ondergronds in de tempel te hebben doorgebracht en daar door de godin Isis in de magie te zijn onderwezen '°SS. Onder de Israëlieten verkregen Mozes en Elia hun goddelijke opdracht in een grot; waarover zo dadelijk meer. Zoroaster wijdde in het bergland van Perzië een grot aan de zonnegod Mithra. Deze bevatte bronnen en bloemen en stelde de wereldholte voor. Zijn volgelingen zochten de goddelijke gemeenschap door zich daarin te baden en gedurende drie dagen ter plaatse onder zwijgend gebed te verblijven '”*”. Minos, koning der Cretenzers, begaf zich eenmaal in de negen jaar'"** naar de geboortegrot van de hemelgod Zeus, zijn vader, in de berg Dicte *"°® of Ida 1770 en vernam aldaar de wetten, die hij vervolgens bij zijn Cretenzische onderdanen invoerde ie Pythagoras vond als jong: mens, nog op het eiland Samus, buiten zijn geboorteplaats een grot. Hij en zich erin 5 Eenmaal en bracht er een groot gedeelte van zijn tijd onder wijsgerige bespiegeling door grot in. een zulk nogmaals hij richtte gevestigd, land naar Italië overgestoken en in dat voorschijn, te uit Na er enige tijd in te hebben doorgebracht kwam hij er broodmager zeggende uit de dood te zijn herrezen. Zijn volgelingen beschouwden hem van dat ogenblik af als goddelijk *°’*. De grot was volgens de Pythagoraeërs symbool der wereld of wereldholte 1°°*. Op Pythagoras’ voorbeeld legde diens leerling Salmoxis in Thracië een onderaards verblijf aan. Na zijn landgenoten over het eeuwige leven te hebben onderhouden trok hij zich hierin gedurende drie jaar terug. De Thraciërs beweenden hem als overledene, maar in het vierde jaar verscheen hij wederom in hun midden, en hij vond sedertdien bij hen geloof 775. Numa Pompilius, tweede koning en eerste wetgever der Romeinen, sloot vriendschap met de nymph Egeria. Hij kwam met haar tezamen in een grot en zij onderrichtte 1786 Lucian, Philops., 34. Symboliek grot, Egyptenaren : Corp. Herm. VIII 3. Grieke n: Pherecyd., fi 6 (Diels); Camephis, blz. 6, noot 33, blz. 72, noot 627. Zie noot 1774, hieronder. — Het water der jaarlijkse overstroming komt uit een grot onder de sandale n Gods: Pap. Leiden, 1 350, V 18, Esna, 260, Geboorte van Horus, blz. 117-118, noot 981-986. De roede 9; waartoe De van het menselijke lijk placht door de Egyptenaren te worden afgesneden, apart gemummificeerd en bijgezet in een uitgespaarde ruimte in het voetstuk van een houten beeldje, dat de overledene in staande houding voorstelde. De roede symboliseert de rivier, vgl. De Geboorte van Horus, blz.Hel, 113, moa tIE: Ke, 935-943; Ee rozen zocht „Zie, ik zal aldaar voor Uw €r water uitgaan, dat 1767 Eubul à ï 1 de uitgespaard ï e ruimte de cosmische i grot. De documentatie ï op voor deze zede is a ef » Berlijn, 1952, staan het volk drinke”. Bes » âpud Porphyr., De Antr._N P. LVL, 637, Migne); Schol. in Stat. Theb. 1 ne ee keen 1768 Naar Hom, Odyss., XIX 179: & en . 1569 pi5 onys. Halic. zn onze ï mg „ Van onzekere betekenis. 1790 Maxim. Tyr, Philos., Leg,Geogr., 624a-62Sb; Mi ee‚Nicol. Damasc., fr. 103aa (Jacoby); Strab., X 4, 8Idem, Eer ee, pen Ephoe. Ze al. Maxim, Fact. et Dict. Memor., 12, ext. 1; Lactant., Inst Divin ES 3 Porphyr., Vit. Pyth, 9; Jambl.. Vit Pyth, 27. 1773 Hermipp., fr. 23 (Müller). 17% Porphyr., De Antr. Nymph., & Zie noot 1766. 1775 Herod., Hist, IV 95. (305) 5 5 Om, fr. Sic. Bibl. Hist,

Página 10

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
hem *7°$_ Mani, Babyloniër van geboorte, maar van aristocratische Parthis che afkomst, 216-277 A.D., trok zich gedurende een jaar in een grot, met bron, in het gebergt e terug. In dat jaar vervaardigde hij een boek, genaamd Ártahang +77”; prentenboek, geheel door hemzelf getekend '”’®. In het tweede jaar trad hij naar buiten, verklaarde, dat hij het boek uit de hemel had medegebracht en verrukte daarmede zijn leerlingen *°’®. De zede zich in een grot terug te trekken bleef in ere bij de Christenen. De Egyptische monnik Macarius richtte op enige afstand van zijn cel in de westelijke woestijn, te Scetis, een grot in, waarin hij van tijd tot tijd tot meditatie zijn intrek nam *’®°. De grot, zijnde cosmische baarmoeder, was voor sommigen de plaats, waar zij niet slechts symbolisch, maar daadwerkelijk verkozen te sterven. Taxo, een leviet, vrezende tot afval van het Joodse geloof gedwongen te zullen worden, vastte met zijn zeven zonen gedurende drie dagen en betrad op de vierde een grot, om daarin de dood af te wachten '°®!. De Samaritaan Dositheüs, eerste eeuw onzer jaartelling, legde zich in een grot neder, nam spijs noch drank tot zich en stierf na verloop van enige dagen *782. Zijn volgelingen bleven hem trouw en leidden een leven van onthouding. De zon vangt haar reis in het rijk des doods ook aan door aan het einde van de dag in de oceaan onder te duiken. Haar nachtelijke tocht is een wassing *’**. De wassing, ogenschijnlijk een eenvoudige, was in werkelijkheid een zeer gecompliceerde handeling; het water is in de symboliek met betekenissen overladen. Zij geschiedde met „levend” water *’84, ontnomen aan bron of rivier, stromend en niet stagnerend. De gesubstitueerde werd daarmede besprengd of werd daarin ondergedompeld. De besprenging was in twee typen onderscheiden. De eerste symboliseerde de zonnestraling *°®5. De zon straalt licht en warmte uit, die uiteengelegd kunnen worden in de 1776 Martial., Epigr., VI 47, 3, X 35, 13-14; Juven., Sat, III 17, met scholion; Lactant., Inst. Divin., 1 22. 3. 1077 Tekst: E55, |, &5$s!, val. M. Boyce, A Catalogue of the Iranian Manuscripts in the Manichean Script in the German Turfan Collection, Berlijn, 1960, blz. 4, onder M 35. H. H. Schaeder, Gnomon, deel IX, Berlijn, 1933, biz. 347, denkt aan *Arta-tanha, „Verkondiging der cosmische orde”. 5 1978 Een boek, samengesteld uit vignetten, roept de herinnering op aan Egyptische werken als het Dodenboek, het boek Amduat en dergelijke. Volgens Hegemonius, Act. Archel., LXII-LXVIII, en Epiphanius, Panar., LXVI 1-4, ontleende Mani zijn leer aan Scythianus, een Arabier, die zich in de eerste eeuw onzer jaartelling in de OpperEgyptische stad S?$-htp of Hypselis had gevestigd, daar een inheemse vrouw had gehuwd en tezamen met een leerling, Terebinthus, vier boeken over de wijsbegeerte had samengesteld. Terebinthus nam deze mede naar Babylonië en na zijn dood kreeg Mani hen in handen. 1979 Abul-Ma'ali, Bajän al-Adjän, p. 17 (Abbas Iqbäl); Mirhäwand, Rawdat as-Safä’, p. I 223, 10-25 (ed. Bombay, 1266 A.H., 1849-1850 A.D.). Mani als tekenaar ook: Mani, Cephal., CLIV 2 (onuitgegeven); Ephr. Syr, Epist. V in Hypat., De Error, p. 126,31 - 127,14 (Mitchell); Firdawsí, Sähnäma, XXIX 587, 595. 1780 Pallad., Hist. Laus, XVII 10. 1781 Assumpt. Mos., IX 6. 182 Epiphan., Panar., XIII, |, 4: Abul-Fath, Ta'rih, p. 154, 4-5 (Vilmar; Annales Samaritani). 1783 Melit. Sard., Apol, fr. 8 (Goodspeed); De Maat der Dingen, blz. 23-28. 2, vee Egyptenaren : Erman-Grapow, Wörterbuch, deel I, blz. 204, noot 9, 15; De Maat der Dingen, blz. 13, afb. 5; Numer., XIX 17, Phil. Jud, Quaest. in Genes, Iv blz. 18, afb. 4. Joden: Levit., XIV 5, 6, 50, Sl, 52, XV 13; Idem, Zäb., 1 1, 5. Romeinen: Varr., De Ling. Latin, 18; Miqw., het - Idem, Negä"., XIV 1, bis; Idem, i water ontleent zijn beweging nt. in Vergil., Aen, II 719. Levend ve. mn ale Quaest., III 7, 3; Serv, Comme 5;$ vgl. De Geboorte van Horus,: blz. 107, noot 838. IV , Genes in . ï - Phili Jud., Quaest kleur, Porphyr., atieven ter begieting waren vloeistoffen van gele ed geget der Dingen, blz. 14-23. Altern 138, noot 1198; blz. Horus, van rte Geboo De vgl. lijken, vering van De Abstin., IF 20: honing, vooral ter conser

Página 11

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
elementen vuur *’#®, lucht of pneuma*’S”, en water als damp *°®. Door de begieting verleende men datgene, wat deze elementen voorstelden: het zijn *”®°, het leven *”°°. De Egyptische pharao, die aldus begoten werd, staat daarbij afgebeeld als kind °°. De besprenging van het tweede type symboliseerde de overstroming. Het rivierwater bevrucht de landerijen door buiten de oevers te treden. Het werd opgevat mannelijk als zaad *°°?, vrouwelijk als menstrueel bloed *°°3, bevatte dus de beide componenten, waaruit de kiem in de baarmoeder wordt gevormd *”°*. Men begoot van vier zijden met vier vaten, twee nm$.t, vermoedelijk van witte, twee dör.t genaamd, blijkens de term van rode kleur *”°. Ook in deze uitvoering was de besprenging verwekking. De onderdompeling, niet de besprenging, bezat de structuur van offer en onthouding. door de Christenen als doop onder de heilsgoederen geteld *”*®. De gesubstitueerde, wordt Zij die ondergedompeld werd, vond onder het wateroppervlak symbolisch de dood door verdrinking *”°” en daarin bevrijding van zonde '”°*, hij werd, oprijzend uit het water, herboren 179? in staat van reinheid. Hij daalde af als dode en steeg op als levende '*°®, loodrecht nedergaande en loodrecht opgaande **°!. De onderdompeling geschiedde oorspronkelijk in de rivier, om de genoemde reden. Men wierp daarin zijn doden, of wat van hen restte na olie, tot zalving, zie noot 1310; urine, tot reiniging, bij de Perzen: Avesta, Videvdat, V 51, 54, 56, VII 13, 14, 74, VII 11, 12, 13, 36, 37, 38, 39, IX 14, XVI 12, XIX 21, 22; Viätäsp Jast, 31. 1786 De Geboorte van Horus, blz. 216, noot 1856-1860. Vgl. Ev. Matth, III 11; Ev. Luc., III 16. 1787 De Geboorte van Horus, blz. 216, noot 1861-1876. Vgl. Ev. Matth, III 11; Ev. Marc., 1 8; Ev. Luc., HI 16; Ev. Joh, III 5; Handel, 1 5, XI 16. 1788 De Geboorte van Horus, blz. 216, noot 1879; De Maat der Dingen, blz. 19, afb. 5. 1789 De Geboorte van Horus, blz. 108-109, noot 857-867, blz. 174, noot 1640-1644. 1790 De Geboorte van Horus, blz. 19-23, $7, blz. 174, noot 1645. 1791 De Maat der Dingen, blz. 17, afb. 3. 1792 De Geboorte van Horus, blz. 109-121, $34. 1793 De Geboorte van Horus, blz. 143-147, $40. 1794 De Geboorte van Horus, blz. 121-125, $35. 1795 De Maat der Dingen, blz. 20, noot 132, 135, blz. 21, noot 136. blz. 22, noot 144, blz. 23, noot 145. Het substantief nms.t is mogelijkerwijze afleiding van mij, „baren” (m.máj.t > n.ms.t), en in dat geval term voor de baarmoeder. 1799 Zonder doop geen intrede in het koninkrijk Gods : Ev. Joh., III 3-5; Past. Herm., Sim., IX 16, 2; Ps.-Clem Homil., XI 26; Idem, Recogn., VI 9. Evenmin zonder kinderlijke staat: Ev. Matth, XVIII 3; Ev. sai X 15: Ev. Luc., XVIII 17. De Christelijke doop is van Joodse oorsprong. De Joden namen de bekeerling in hun einschen op na hem te hebben besneden en gewassen bij onderdompeling. Op het ogenblik zijner bekering schreef men hem de reinheid van het kind toe: Miën., Pesäh., VIII 8; Talm. Babl., Jabm., 22a, 48b, 62a, 97b; Idem, Bekör., 4Ja; Mass. Ger, II 6; Midr. Sam, XVII 1. Beslissend voor de Christenen is ongetwijfeld het feit geweest, dat Jezus tot zijn taak geroepen werd tijdens zijn onderdompeling in de Jordaan door Johannes de Doper. 1797 Rom., VI 3-4; Col., II 12. 1798 Joden: Phil. Jud., Quod Deter., 170 (zondvloed). Christenen: Ev. Luc., II 3; Handel., II 38, XXII 16; Barnab., XI 1; Past. Herm., Mand., IV 3, 1; Ps.-Clem., Homil., XI 26, 3; Idem, Recogn., VI 9, 3; vgl. Ev. Matth., III 6; Ev. Marc, 1 5. Grieken, Egyptenaren: Tertull., De Baptism., 5. Romeinen: Senec. Nat. Quaest., III 29,5, 30,8 (zondvloed). Heidenen : Tertull., De Praescr. Haeret., 40. 1799 Egyptenaren: vgl. Corp. Herm, IV 4. Christenen: Rom., VI 4; Col., II 12; Tit., III 5; IT Clem, IX 4 (zondvloed); Ps.-Clem., Homil., XI 26, 1; Idem, Recogn., VI 9, 1; Firm. Matern., De Err. Prof. Relig., II 5. Indiërs: Mahabhärata, VIII 24, 24. Grieken: Tertull., De Baptism., 5; vgl. Heraclit., fr. 66 (Marcovich). 1800 Past. Herm., Sim., IX 16, 4: karaBatvovor verpoi, &vaBaivovot L@vres. 1801 De Geboorte van Horus, blz. 211 en 219, afb. 27 en 28, de lijn CF en FC. Zie noot 1725.

Página 12

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
mummificatie**°? of lijkverbranding'®°®. De Egyptenaren beschouwden alle in de Nijl verdronkenen als welgelukzalig '*°*. Adam deed na zijn uitdrijving uit het Paradijs boete door gedurende veertig dagen in het water van de Jordaan te staan **°*. De rivier genas ziekte, als straf des hemels beschouwd. De Syriër Naäman, melaats, klom af en doopte zich in de Jordaan zeven maal, naar het woord van de man Gods ‘8%, en zijn vlees kwam weder, gelijk het vlees van een kleine jongen, en hij werd rein *8°”. De Joodse theologen hebben dit bedrijf gereorganiseerd door aan grot *8°8 en rivier *8°° de voorrang te onttrekken. De wassing diende volgens hen te geschieden in een kuip, ter lengte en breedte van één el en ter diepte van drie el ‘81°. De kuip stelde de wereldholte voor *8**; het oerwater werd bij de schepping aan de el gemeten 'S!?. Zij werd gevuld met veertig maten water, tezamen 525 liter '8!3; het menselijke lichaam wordt in het graf in veertig dagen afgebroken en in de baarmoeder in veertig dagen gevormd *8'*. Het water werd stromend, dwz. door een buis, in de kuip geleid en moest levend water zijn *8!5. Offer, onthouding en wassing gaven cultische staat aan de bekering van de zondaar. Het behoeft geen betoog, dat zij het transcendente gevolg misten, wanneer deze bekering onwaarachtig was *8!6, $21 De liturgische onthoudingen zijn te verdelen in twee groepen : die der tempelliturgie en die der profane liturgie. De eerste worden in $21-27 behandeld, de tweede in $28-29. De onthoudingen der Egyptische priesters zijn reeds besproken '?*”. Van geen harer wordt de liturgische samenhang opgegeven. Dat laatste is wel het geval bij de hier volgende, die deel uitmaakten van het ceremonieel van toetreding tot de cultische gemeenschap. De geciteerde auteur is de Romein Apuleius en zijn beschrijving betreft de cultus in de staat, waarin deze buiten Egypte in de tweede helft onzer jaartelling verkeerde. Niets dwingt ons aan te nemen, dat de zeden aldaar en op dat ogenblik van die in het pharaonische Egypte principieel afweken. 1802 Egyptenaren: zie noot 392, 394. Klein-Aziaten, Cassandra: Eurip., Troad., 448-450; Diogenes: Diog. Laert., Vit. Philos., VI 79. 1803 Indiërs: Mahäbhärata, HI, Append., 1 13, 13-14; Visnusmrti, XIX 11-12. 1804 A Rowe, Annales du Service des Antiquités de l'Égypte, deel XL, Caïro, 1940, blz. 1-68, 291-300; J. Leibovitch, ibid., blz. 301-303. Aldaar oudere litteratuur. 1805 Vit. Ad. et Ev., VI 1-2, XVII 3. Vgl. Mahabhärata, V 187, 20-22. 1806 Elisa: II Kon, V 10. 1807 TJ Kon, V 14. 1808 Misn., Miqw., 1 4. 1809 Misn., Par., VIII 10. 1810 Talm. Babl., ‘Êrüb., 4b; Idem, Pesäh., 109a; Idem, Jóm., 3la; Idem, Häg., lla; Midr. Sifr., in Levit, XV 16. Zie noot 1972. 1811 Genes. 1 10; Miën., Pär, VIII 8; Idem, Miqw., V 4. Vgl. I Kon., VII 23; Jerem., LI 20; II Chron., IV 2. 1812 De Maat der Dingen, blz. 7, noot 48. Zie noot 1946. 1813 Miën., Miqw., passim; enz. 1814 De Geboorte van Horus, blz. 251-259, $60. Zie hieronder, noot 1988. te1s Miën, Miqw., 18, V 5. VI 6-7; 1816 Offer : Genes., IV 5; 1 Sam., XV 22; Jezaj., I 11-13; Jerem., VI 20; Hoz., VI 6; Amos, V 22; Mich., 119, 2 14, V Strom, Alex, Clem. apud Philem., 20-21; Deter., Quod Jud, Phil. 3; XLV Sirac., XXXV 1-3; II Hen, 117. XVIII (vgl. Euseb., Praep. Evang., XIII 13, 45). Wassing: Phil. Jud., Quod Deter., 20; Flav. Jos., Antiq., 1817 In $4. Zie noot 508-512.

Página 13

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
Apuleius of Lucius, zoals hij zich noemt, met de Egyptenaren te taerae intrek in he in aanraking gekomen, vatte voor hun godsdienst sympathie op. Hij nam zijn med plaatselijke Egyptische heiligdom, onthield zich met de overige gelovigen van alle J spijs*®!S en nam gedurende enige tijd als gast deel aan de wenend eten er, hogepriest De : treden te toe gemeente haar tot droom de De godin Isis maande hem in bereid hem op te nemen, leidde hem tot reiniging naar de heilige vijver en Hij dn vervolgens zich gedurende tien dagen te onthouden van gegiste drank en dierlijke spijs """"; zekerlijk ook van geslachtelijk verkeer, maar dat was in het verblijf in het heiligheidsgebied geïmpliceerd. Na dit gebod uitgevoerd te hebben, was Lucius klaar voor de inwijding, die des avonds begon '823. Zijn vrienden brachten hem geschenken en trokken zich terug. Hij werd bekleed met een nieuw linnen schort en in het voor de leek ontoegankelijke inwendige des tempels gevoerd. Daar woonde hij de nachtelijke eredienst bij ‘8°*. Tot geheimhouding verplicht ‘825, deelt hij slechts mede, dat hij symbolisch de dood inging **°* en vandaar, door de elementen gedragen *8°”, terugkeerde, dat hij in de duisternis de zon zag schijnen *82® en de goden van hemel en aarde aanbad. Wij verstaan, dat hij de nachtelijke gang van de zon in de onderwereld volgde, als beschreven in het boek Amduat en andere godsdienstige composities, en met deze wedergeboren werd, prj m hrw, uitgaande bij dag '8?°. In de vroege morgenuren werd hij in het voor het publiek toegankelijke deel des tempels, voor het beeld der godin, den volke getoond, staande op een voetstuk en gekleed in twaalf gewaden, naar het getal der tekenen van de dierenriem, waaroverheen een hel gekleurde, met afbeeldingen van gevleugelde dieren getooide linnen mantel, stola olympiaca genaamd en de stralingskegel van de zon voorstellend '**®; in de hand hield hij een toorts en op het hoofd een kroon van palmbladeren, als stralenkrans. Zijn vrienden trokken nogmaals aan hem voorbij en werden door hem in het verloop van de dag aan een feestelijke maaltijd genood. De ceremonieën herhaalden zich en werden op de morgen van de derde dag besloten met een sacraal ontbijt 183! Na in de gemeente van Isis opgenomen te zijn, maakte Lucius, inmiddels naar Rome verhuisd, nog twee andere wijdingen mede. De tweede volgde na een jaar, toen hij opgenomen 1818 Apul., Metam., XI 21. 1819 Apul., Metam., XI 19, 22. 1820 Apul., Metam., XI 19, 22. 1821 Apul., Metam., XI 23. 1822 Apul., Metam., XI 23. 1823 Zie noot 1847. 1824 Tekst, nox sacrata: Apul., Metam., XI 21. 1825 De disciplina arcani, vgl. Apul., Metam., XI 23; Flav. Jos, Antia., III 90. De mol werd vervloekt door de Zonnegod, omdat hij diens geheimen verraden had: Herm. Trism.. apud Olympiod. Alchim., p. 101,17102,3 (Berthelot-Ruelle). 7 1826 Tekst, voluntaria mors: Apul., Metam., XI 21. Vgl. Firm. Matern., De Err. Prof. Relig., XVIII 1. 1827 De Geboorte van Horus, blz. 230, noot 2245, 2251. 1828 De Geboorte van Horus, blz. 271, noot 2813-28 17. '829 Apul., Metam., XI 23. Tekst, renatus: ibid, XI 16, 21. Vgl. Corp. Herm, XIII 2, 4, 14. 1830 Tekst, ad instar solis exornatus : Apul., Metam., XI 24; behoorden aan de tempel: Apul., Metam., XI 29. 1831 _Apul., Metam., XI 24. Voor de derde dag, zie De Maat der Dingen, blz. 35, noot 264. De gewaden noot 1764.

Página 14

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
en neee in g van ere spijs, woonde de nachtdienst bij 1824 en *8*, Alleen had hij ditmaal het hoofd g een maaltijd aan nea 2 en °; hij was dus, met de laagste rang, in de priesterschap opgenomen. De derde wijding volgde kort daarna, wellicht eveneens na een jaar. Op haar door een droom voorbereid 1297, vastte hij de voorgeschreven tien dagen en nam deel aan de ceremonieën, die hij nu als bekend veronderstelt en niet verder beschrijft. Deze laatste wijding verleende hem, met de verplichting het hoofd permanent geschoren te houden, de priesterlijke rang van pastophoor *°3®. Bij elk dezer wijdingen bracht Lucius drie offers. Het eerste de onthouding gedurende tien dagen, waarmede hij zich op de liturgische handelingen voorbereidde ‘83°; het tweede de symbolische tocht in de dood gedurende de nachtdienst; het derde de maaltijd, waarin hij zich bij substituut aan zijn vrienden uitdeelde ‘8*°. De Joodse teksten bieden geen parallel voor de eerste en uitvoerig beschreven wijding. Zijn er al liturgische ceremonieën geweest voor de toetreding tot de gemeente van Jahwe, zij zijn niet overgeleverd '**!. Overgeleverd en reeds besproken zijn echter de ceremonieën tot verkrijging der priesterlijke graden. De levietenwijding ging gepaard met een offer, verwant aan het hieronder te behandelen vogeloffer '**2, De priesterwijding ging gepaard met het zondoffer van een var, het brandoffer van een ram en het vuloffer van een ram *8*3. Deze laatste wijding vertoont met de Egyptische gelijkenis, want het zondoffer drukte hetzelfde uit als de nachtelijke gang in de dood, het vuloffer hetzelfde als de aan de vrienden aangeboden maaltijd. $22 Het bloedige offer werd opgedragen in het heiligheidsgebied des tempels. De gesubstitueerde had gedurende een enkele dag gevast '***, was in ieder geval nuchter 'S*S en bleef dat tot na afloop van het offer. Ziehier de bescheiden documentatie. De Egyptenaren vastten voor het offer '*4®. De Joodse Joden onthielden zich in de nacht voor het offer van geslachtelijk verkeer '*”. Het volk was verdeeld in vier en twintig phylen ‘48, waarvan ieder de dienst des tempels, in 1832 Apul., Metam., XI 26. 1833 Apul., Metam., XI 26, 27. 1834 Apul., Metam., XI 28. 1835 Vgl. Apul., Metam., XI 27. 1836 Apul., Metam., XI 28. 1837 Apul., Metam., XI 29, 30. 1838 Apul., Metam., XI 30. 1839 Zie noot 533, 1861. 1840 Zie noot 854-857. 1841 De ceremonieën beschreven in Numer., VII, betreffen niet zozeer de toetreding tot de cultus als wel 1842 Zie noot 1624-1625, 2004-2007. 1843 Zie noot 1627-1628. 184 Richt, XX 26; I Sam, VII 6. aes Zie noot 1917. 20725. 2179, 2209. 1sse Herod., Hist, II 40. 1847 Levit, XV 16-18. Vgl. I Sam, XXI 5-6 (4-5); Phil. Jud, De Vit. Mos., II 68-69. 1848 1 Chron., XXIV 7-19; Flav. Jos, Vita, 2; Idem, Antig., VII 365-367; Miën., Ta'an., IV 2; Tös., Ta'an., II 1, IV 2. Oorspronkelijk in acht: Tös., Ta'an., IV 2 Zie noot 1575.

Página 15

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
het bijzonder de verzorging van het gedurige offer '**®, gedurende een week waarnam *85°. De phyle-priesters en levieten begaven zich daartoe naar Jeruzalem, begeleid van een delegatie uit de leken, die de door het slachtoffer gesubstitueerde phyle in haar geheel vertegenwoordigden '*°!. Terwijl priesters en levieten offerden, vastte en bad de delegatie 852. De tehuis geblevenen vastten, baden en lazen de cosmogonie, het relaas der schepping 55°. De Grieken onthielden zich voor het offer van geslachtelijk verkeer *S5*. De Indiërs beschouwden de vasten als het hoofd van het offer ‘855, het offer zonder haar als onsamenhangend ‘856, Offervasten van oorsprong waren vermoedelijk de vasten voorafgaande aan het feest, daar het offer in het antieke feest een centrale plaats innam. Zij waren van langere duur; in onwetendheid verkerend over de identiteit van het feest zelf, vermogen wij niet te zeggen waarom. Perioden van een tot negen dagen komen in de cultus van Egyptenaren *85?, Joden 858 en Grieken '85° gelijkelijk voor. Te Rome is dat getal geworden tot tien **°°. In de Egyptische cultus aldaar had men zich gedurende tien dagen te onthouden alvorens tot de ceremonieën te worden toegelaten *86!. In de Griekse gedurende tien dagen van geslachtelijk verkeer, voorafgaande aan de Bacchanaliën **®?. Vermeldingen van onthoudingen in de Egyptische cultus dier dagen zijn overigens talrijk '*5. $23 In de Egyptische stad Heliopolis werd drie maal des daags een mensenoffer gebracht aan de godin Hera '86*. Het Joodse staatshoofd bracht twee maal des daags het in een lam bestaande gedurige offer, aan het begin van de morgen en aan het einde van de namiddag '*°*. Drie maal des daags wil zeggen: op de drie cardinale punten van de dagelijkse zonnebaan. Beide plechtigheden op elkander projecterend, concluderen wij, dat de drie Egyptische offers bij zonsopgang, op het midden des daags en bij zonsondergang opgedragen werden, en dat 1849 Zie noot 1352, 1353. 1850 Flav. Jos, Antiq., VII 365, 367; Miön., Tam, V 1. 1851 Min, Bikkür., III 2; Idem, Ta'an., II 7, IV 1-5; Idem, Megill., IV (III) 4, 6; Idem, Tam, V 6; Tós., Ta'an., IV 2; Talm. Babl., Jóom., 20b. 1852 Miën., Ta'an., IV 1-4. Met ongesneden haren en ongewassen klederen: ibid, II 7. 1853 Miën., Ta'an., IV 2-3; Idem, Megill., TV (III) 6. Zie noot 1080. 1854 Plut., Quaest. Conviv., III 6, 4 (p. 655d). 1855 Satapathabräahmana, XII 8, 2, 4-6. 1856 Apastambaörautasütra, XXI 1, 10. 1857 S. Sauneron, Le Temple d'Esna, Caïro, vanaf 1959, deel III, blz. 9-14, no. 197. Kuisheid, één dag: regel 16; acht dagen: regel 18-19; negen dagen: regel 17, 19. Spijsonthouding, vier dagen: regel 19; vijf dagen: regel 19. Zie noot 504. 1858 Kuisheid, drie dagen: noot 2081; onbepaald aantal dagen : Sozomen., Hist. Eccles., II 4, 4. Zie noot 504. 1859 Vgl. Schol. in Lucian, Dial. Meretr., II 1 (reinheid, drie dagen). 1860 Decade: vgl. Erman-Grapow, Wörterbuch, deel IV, blz. 58, noot 3. 1861 Propert., Eleg., II 28,62, 33,2,17,22, IV 5,34. Castimonium Isidis: zie noot 540. Onthouding van spijs en drank: Apul., Metam., XI 28, 30, vgl. 23. 1862 Liv, Ab Urb. Cond., XXXIX 9,4, 11,2. 1863 Vasten: Herod., Hist, IV 186; Plut., De Is. et Osir., 2, 69. Spijsonthouding: Liban, Or., XVIII 171 Kuisheid: Plut., De Is. et Osir., 2; Tibull., Eleg., I 3, 26; Ovid., Amor, 1 8,74, III 9,34; Juven., Sat. 1864 Maneth., fr. 85 (Waddell). ene 1865 Zie noot 1353.

Página 16

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
de Joodse offers zich tot twee beperkten, omdat het derde, het offer op het midden des daags, wanneer de zon in het zenith staat, met de gehele zonnecultus door de Joden was afgeschaft. Wat waar geweest is van de dagelijkse baan van de zon, moet ook waar geweest zijn van haar jaarlijkse baan; ook op de cardinale punten dezer laatste moeten eenmaal mensenoffers zijn gebracht. De antieke mens gevoelde zich bij het verloop van de zonnebaan ten nauwste betrokken. Hij smeekte in het morgengebed de zon op te gaan '*°®. Hij bracht het gedurige offer om te bewerkstelligen, dat de zonnebaan in stand bleef *8°°, plengde daarbij echter geen wijn, om de zon niet door dronkenschap te doen wankelen 'S°®. Hij maakte misbaar bij zonsverduistering ten einde de vijand van de god, die deze laatste op dat ogenblik in zijn greep had, te verjagen '8°°. Angst voor eigen veiligheid dicteerde deze zijn daden. De meest bedreigde punten van de zonnebaan waren de vier cardinale des jaars. De Joden hadden de gewoonte ter dood veroordeelden op de drie grote jaarlijkse feesten te executeren 187%, te weten het Loofhuttenfeest, Pasen en Pinksteren. Het Loofhuttenfeest viel omtrent de herfstevening, Pasen omtrent de lenteëvening, Pinksteren halverwege tussen lenteëvening en zomerzonnewende. De keuze is opmerkelijk. Publieke executie is niet een gebeurtenis, die feestvreugde uitlokt; men kan zich moeilijk indenken, dat de feestdag daartoe bij voorkeur uitgekozen zou zijn. Van de drie feestdagen vielen twee op de cardinale punten van de jaarlijkse zonnebaan. Kan het niet zo zijn, dat de executie op hen voltrokken het oude kalendarische mensenoffer voortzette? Met slechts een der vier cardinale punten van de jaarbaan waren bij de Joden onthoudingen verbonden, met de herfstevening. $24 De Joodse Verzoendag werd gevierd op de tiende van de maand Tisjri '®”!, tien dagen na het begin des jaars, vijf dagen voor de aanvang van het Loofhuttenfeest. De jaarwisseling viel in principe op de herfstevening *8”?. Daar echter het Joodse jaar maanjaar van driehonderd vier en vijftig dagen was, moest copieus worden geschrikkeld, hetgeen de kalenderdatum der herfstevening deed fluctueren. De Verzoendag had naar zijn aard vooral zin als afsluiting van het oude, opening van het nieuwe jaar. En inderdaad behoorde hij tezamen met het Loofhuttenfeest tot de liturgische cyclus der herfstevening *8°>. De hogepriester te Jeruzalem opende de dag in vol ornaat '*’*, dat hij bij de aanvang der ontzondiging door een wit linnen kleed verving *®”5. Bij het aanleggen der gewaden baadde hij, 1866 Essenen: Flav. Jos., Bell. Jud., II 128. 1867 Indiërs: Satapathabrähmana, II 3, 1, 3-5; vgl. Camephis, blz. 5-6, noot 29. 1868 Grieken: zie noot 1722. 1869 Ovid., Metam., IV 333. Maan: Plin, Nat. Hist, II 54. 1870 Miën., Sanhedr., X (XI) 4. 1871 Levit., XVI 29, XXIII 27, XXV 9; Numer., XXIX 7; Jubil., XXXIV 18; Phil. Jud., De Spec. Legib., I 186, II 200; Flav. Jos, Antiq., III 240. 1812 Camephis, blz. 10, noot 70, 71. 1873 Phil. Jud., De Decal., 161; Idem, De Spec. Legib., I 186, II 153, 204; Iden, Flacc., 116. 1874 Phil. Jud., Leg. Alleg., II 56; Idem, De Somn., I 216; Min, Jom, III 4. Toepassing der gewaden: Phil. Jud., De Mutat. Nom., 43. 1875 Levit. XVI 4, 23, 32; Phil. Jud, Leg. Alleg., II 56 (yomvóc); Idem, De Ebriet, 86; Idem, De Mutat. Nom., 43; Idem, De Somn., I 216-218; Idem, De Spec. Legib., 1 84; Flav. Jos, Bell. Jud, V 236; Miën., Jom, III 6,

Página 17

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
bij het afleggen daarvan verrichtte hij een hand- en voetwassing '*’®. Heiligdom en priesterschap hadden voorrang. De hogepriester offerde voor zichzelf en de priesterschap een var *°7?, voor de gemeente twee bokken '878, een om wille Gods, een om wille der mensheid *°7°. Over deze bokken werd het lot geworpen '8®°, hetgeen voor de poort des heiligdoms geschiedde '*®!. De voor de slacht bestemde kreeg een rode draad om de keel gebonden, de voor de uitdrijving bestemde een rode draad om de kop ‘$®2. Var en bok werden geslacht '585. De hogepriester betrad het allerheiligste des tempels, die door een ieder ontruimd en geheel ledig was ‘884, Slechts op deze dag des jaars werd het allerheiligste betreden, en de hogepriester betrad het niet zonder zich met een wolk van wierook te hebben beveiligd ‘SSS. Met het bloed van var en bok besprengde hij de ark des verbonds op de wijze.reeds beschreven ‘85%, vervolgens het gordijn, dat het allerheiligste afsloot ***”, en, onder voorbijgaan aan de gouden luchter, het gouden reukaltaar in het heilige '**®. De rest van het bloed werd rondom het brandofferaltaar in de altaarhof uitgegoten ***°. Het vet en de bezielde delen werden daarop geofferd 18°°, de huid en het vlees buiten het heiligdom op een reine plaats verbrand **°*. De hogepriester legde nu de hand op de kop van de uitgaande bok en belastte deze met de zonden des volks *8°2. Het dier werd de woestijn in gedreven '*°**, bespuwd, onthaard en gestoken door de omstanders '***, en aan het einde van zijn weg in een ravijn gestort *5°5. en Nadat degenen, die belast waren met de uitvaart der beide bokken, zich gebaad hadden hun klederen gewassen *8°°, besloot de hogepriester de ontzondiging met een schriftlezing 1876 Levit., XVI 4, 24; Miin., Jóm., III 3, 4, 6, VIT 3, 4. j [ 7. Zie noot 1280. 1817 Levit., XVI 3; Flav. Jos., Antiq., HI 242; Mijn, Sebü“., noot 1281. Zie 241. HI Antiq., Jos, Flav. 188; 1 Legib., Spec. 1878 Levit., XVI 5; Phil. Jud., De 1965. 1958, noot Zie 61. Plantat., De Jud., 1879 Phil. 179; Idem, De Spec. Legib., 1 188; 1880 Levit., XVI 8-10; Phil. Jud., De Plantat., 61; Idem, Quis Heres, Miën., Jöm., II 9, IV 1, VIEL. 0 Eevit, KVL 1882 Miën., Jöm., IV:2, VI 6, vgl. 8; Barnab., VII 8, 9, 1. Min, 1883 Var: Levit.. XVI 6, 11; Flav. Jos., Antiq., III 242; Mön., Jom. IV 3. Bok: Levit… XVI 15; Jom, V 4; Idem, Zebah., V |. 1884 Levit, XVI 17; Idem, Leg. ad Gai, 306-307; Miön., K&l, 1 9. 1885 Zie noot 1252. 1886 Zie noot 767-770. 1887 Zie noot 771. 1888 Zie noot 773. 1889 Flav. Jos, Antiq., HI 243; Miën., Jöm., V 6. Vgl. Levit., XVI 33; noot 974. 1890 Levit… XVI 25; Flav. Jos., Antiq., III 243; Miën., Jóm., VI 7. Zie noot 949. 1891 Levit., XVI 27; Flav. Jos, Antiq., III 241; Miän., Jom., VI 7. Zie noot 1714. Opeten van de zondebok: Miën., Menäh., XI 7; Barnab., VII 4. '892 Zie noot 656. De bok was ërikatápatog, „met vloek beladen’: Barnab., VII 7, 9. Vgl. noot 655 en Phil. Jud., De Spec. Legib., 1 188. 1993 Levit, XVI 21-22; Phil. Jud. De Spec. Legib., 1 188: Flav. Jos, Antiq., III 241; Miën.. Jöm., VI 3-5: Barnab., VII 8. 5 1894 Misn., Jóm., VI 4; Barnab., VII 8, 9. 1895 Miën., Jóm., VI 6. Vgl. Barnab., VII 8. 1899 Slachtbok: Levit., XVI 28; vgl. Miën., Jöm., VI 7, VII 2. Zondebok: Levit, XVI 26; vgl. Misn Jóm., VI 6.

Página 18

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
en met zegenbeden '*°”. Hij legde het witte linnen kleed af '8°®, het volle ornaat weder aan en '$°° bracht een brandoffer ‘°°, bestaande in twee rammen, of een var en een ram, en in zeven lammeren met een geitenbok ten zondoffer!°°!. De dienst was voor hem hiermede ten einde. De Verzoendag was feest- en rouwdag beide *°°?: aanvangend als feestdag, voortgaand als rouwdag en na de middag wederom feestdag. De twee bokken geofferd ter ontzondiging des volks beantwoordden aan de twee vogels in het profane leven geofferd ter ontzondiging van de melaatse *°°* en diens huis *°°*. Wanneer zich een melaatse tot reiniging bij de priester aandiende, nam deze twee vogels, slachtte de ene en sprengde diens bloed zeven maal op de zieke delen, doopte de andere levend in ditzelfde bloed en hergaf hem vervolgens de vrijheid. Zoals de vogels *°°5, waren de bokken met elkander identiek '°°®. Zij waren een enkel dier in twee aspecten, substituut des volks, dat zich enerzijds de dood gaf, anderzijds de zonde van zich af wentelde. De betekenis der uitdrijving van vogel en bok kan worden toegelicht aan een Egyptische parallel. Een patiënt, vermeld in een medische verhandeling, lijdt aan een ziekte genaamd hmw.t-s3. De arts snijdt een mestkever kop en vleugels af, verbrandt de romp en legt de as op de aangetaste delen. Hij verdrijft de ziekte vervolgens daaruit door de patiënt de kop en de vleugels gekookt te doen innemen '°°”. De ziekte of besmetting werd bij deze therapie uitgebannen *°°® met de vogel of kever, die heenvlogen, met de bok, die heenging. Zodra het zondoffer opgedragen was, hernam de dag zijn aanvankelijke karakter. Het brandoffer werd gebracht, dat samengesteld was uit negen dieren: twee grote en zeven kleine, de eerste beide oorspronkelijk mogelijkerwijze voor zon en maan *°°®, de laatste voor de zeven planeten *°!0, De jonge meisjes dansten in de wijngaarden en er was huwelijksmarkt *°**. In de avond bood de hogepriester zijn vrienden een ontvangst aan '°'?. 1897 Miën., Jóm., VIT 1. 1898 Levit, XVI 23; Miën., Jom, VII 3. 1899 Levit XVI 24; Phil. Jud., De Ebriet., 86; Miën., Jom, VIT 3, 4. 1900 Levit, XVI 24. 1901 Levit., XVI 3, 5; Numer., XXIX 8, 11; Phil. Jud, De Spec. Legib., 1 187-188; Flav. Jos., Antiq., III 240, 243; Miën., Jóm., VIT 3; Idem, Zebäh., V 1; Idem, Menäh., XI 7. Voor de geïtenbok, zie Jubil., XXXIV 18; noot 1281, 1292. 1902 phil. Jud., De Spec. Legib., 1 187. Feestdag: Miën., Mö'. Qät., III 6. 1903 Levit, XIV 4-7; Miin., Temür., VIT 4; Idem, Negä'., XIV 1-2; vgl. Flav. Jos., Bell. Jud., II 289. Perzen: vgl. Herod., Hist, 1 138. 1904 Levit., XIV 49-53. 1905 Miän., Nega., XIV 5. Zie noot 1751. 1906 Miën., Jom., VI 1: Barnab., VII 10; Justin. Mart, Dial, XL 4; Tertull., Adv. Marcion., III 7. Zie noot 1751. 1907 Pap. Ebers, $733. 1908 “Aronéprew: vgl. Lys, Or., VI 53; Phil. Jud., De Plantat., 61. 1909 Vgl. De Oorsprong van het Romeinse Circus, blz. 6, noot 33? In het Joodse rituaal substitueren de rammen hogepriester en volk: Levit…, XVI 3, 5. 1910 Offer der deugden en ondeugden? Vgl. De Geboorte van Horus, blz. 249, noot 2511, 2520, en voor de telling: ibid, noot 2501. 1o11 Miën., Ta'an., IV 8; Midr. Klaag]. Rabb, prooem, XXXIII. Restant van promiscuïteit op de akker, na verricht mensenoffer? Zie noot 1073. 1912 Miin., Jom, VII 4.

Página 19

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
De Verzoendag was een dag van grote morele bewogenheid. Hij begon overeenkomstig de Joodse dagindeling op de vooravond. Een ieder beleed zijn zonden '°'*; de vromen hadden zich gedurende zeven '*'* of tien ***S dagen door onthouding hierop voorbereid. De hogepriester at een summiere avondmaaltijd '*!S en bracht de gehele nacht wakend door *°!?. De volgende morgen legde hij tijdens het zondoffer drie maal openlijk belijdenis af. Eerst voor hemzelf en zijn huis, met oplegging der handen op de kop van de door hem ten offer bestemde var 1918; vervolgens, na de loting der bokken, voor hemzelf, zijn huis en de gezamenlijke priesterschap, met handoplegging op de kop van hetzelfde dier '°'®; tenslotte, na de slachting, voor het volk, met handoplegging op de kop van de zondebok, die daarop uitgedreven werd *°2°, De gehele dag werd gevast '°?*. Men nuttigde spijs noch drank, baadde zich ee en *“*£. zalfde zich niet, legde geen sandalen aan en onthield zich van geslachtelijk verkeer Alle werk stond stil ‘23. Men bad slechts om vergeving '°**. De op de Verzoendag geofferde var en de beide bokken kunnen, onder invloed van het voor het zondoffer vastgestelde ceremonieel, gedifferentieerd zijn uit een enkelvoudig substituut, een mens. Het zondebesef alleen verklaart de gestrengheid der onthoudingen, de smartelijke stemming en de omslag daarvan in een minder smartelijke niet, noch ook doet dat de ontroering over de dood van enig slachtvee. Volgens de Griekse geschiedschrijver Damocritus werd eenmaal in de zeven jaar door de Joden een mensenoffer gebracht ‘925. Met dit bericht komt men op de Verzoendag uit, want de zevenjaarlijkse periode, het sabbatjaar, ving aan op de Iste Tisjri, Nieuwjaar '*?®, op de 10de, de Verzoendag ‘°°, of op de 15de, het Loofhuttenfeest 1928, Met God verzoend, beschouwde zich de Jood wedergeboren. De wedergeboorte was naar de natuur gekoppeld aan de herfstevening; het ogenblik, waarop de zon in de aarde wordt '913 Talm. Babl., Jöm., 87b: Midr. Levit. Rabb, III 3. ‘914 Mün., Jóm., 1 1-4; Idem, Pär, III L. Vgl. Schol. in Ovid. Ib. 4672 Midr Levi . es . idr F redik. . ts . h . es 1916 Miën., Jom. 1 4. 1917 Misn., Jöm., 17. 1918 Levit., XVI U; Miën., Jöm.. III 8. 1919 Misn., Jóm., IV 2. 1920 Levit, XVI 21; Misn., Jóm., VI 2. 1921 Levit., XVI 29, 31, XXIII 27, 29, 32: Numer., XXIX 7; Jubil., XXXIV 18, 19: Phil. Jud. De Vit. Mos [1 23-24; Idem, De Decal., 159; Idem, De Spec. Legib., 1 186, II 193-203; Flav. Jos. Antiq., III 240; Plut Gier: Conviv., IV 6, 2; Handel., XXVII 9; Barnab., VII 3-5; Midr. Levit. Rabb, XXX 7; Midr. Predik. Rabb. IX 1 L 1922 Misn., Jóm., VIII 1. Vgl. Idem, Makk., III 2; Idem, Kerët, III 4: Idem, Mei. IV 5: ans Ka. XVII IL, 12. 5 1923 Levit, XVI 29, XXIII 28, 30, 31, 32; Numer., XXIX 7; Min, Jom, VIII 3, 7. Idem, Makk.. III 2: Idem, Hull, 1 1; Idem, Kerët., IV 2. 2% Phil. Jud, De Vit. Mos., II 24; Idem, De Spec. Legib., II 196; Idem, Leg. ad Gai, 306: Miän., H 5; Idem, Kerêt., VI 4. 1925 Damocrit., fr. | (Jacoby). 1926 Misn., Rös has-Sän., 1 1. 1927 Het jubeljaar: Levit., XXV 9. 1928 Deut, XXXI 10. Megill.,

Página 20

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
uitgezaaid. In de kalender wordt zij gesteld op de Nieuwjaarsdag '°2° en op de Verzoendag'*°°. Het op deze dagen volgende Loofhuttenfeest was wedergeboorte der menselijke maatschappij. Men leefde in de oertijd niet in een huis, maar in de vrije natuur, en voedde zich niet met vlees, maar met vruchten *°*!. De Egyptenaren woonachtig te Tithorea in Griekenland reinigden in de herfst de tempel hunner godin Isis van offerresten en vierden vervolgens gedurende drie dagen een feest, doorgebracht in rieten hutten, die na afloop werden verbrand *°*?. De Thesmophoriën, herfstfeest der Grieken, waarop gedurende een enkele dag ook gevast werd '°*3, werden eveneens in loofhutten doorgebracht *°**. Zij werden op Sicilië met pracht en praal gevierd, onder nabootsing van het leven in de oertijd *°35. 825 Twee valken waren gezeten op de schouders van de god Osiris '°3® en op die van de macrocosmische mens *°*”, twee raven op de schouders van de god Odin *°*®. Twee vogels, genaamd cherubs, stonden aan wederszijden op het deksel van de ark des verbonds in de Israëlietische tabernakel *°°°. Zij waren het merkteken van dit heiligdom en stonden op alle dekkleden daarvan afgebeeld *°*°. De ark des verbonds ging teloor tijdens de inname van Jeruzalem door de Babyloniërs in 587 v. Chr. *°*!. Toen de Joden zich van de beeldendienst hadden afgewend, verketterden zij het verleden en wilden van de vogels niets meer weten '°*?. De Joodse hogepriester was de macrocosmische mens '***. Ook op zijn schouders moeten de beide vogels eenmaal gezeten hebben. In de historische periode deden zij dat niet langer, en het is duidelijk waarom. De hogepriester droeg een schouderstuk, de mor of èropíc '°** Het bestond uit twee epauletten, bijeengehouden door een in gouddraad en vierkleurig weefsel uitgevoerde band; het geheel met mouwen *°*, dus een soort pelerine. De breedte bedroeg één el '°*®. De epauletten, die de plaats der vogels innamen, bestonden uit anw -steen, vertaald als sardonix 1929 Talm. Jer., Rö5 has-San., p. 59c, 61-63. 1930 Midr. Ps, CH 3; Midr. Pesiqt. Rabb., XL 5. 1931 Zie noot 411-424. 1932 Pausan., Graec. Descr., X 32, 13-17. Phoeniciërs: vgl. Sil. Ital., Punic., XV 416-418. 1933 Zie noot 1068-1069. 1934 Aristoph., Thesm., 624, 658, met scholia. 1935 Diod. Sic., Bibl. Hist, V 4, 7: pipoúpevort tòv àpyaïov Biov. 1936 Oudh. Med., deel LII, Leiden, 1971, blz. 72, cit. 68. 1937 Oudh. Med., deel XLIX, Leiden, 1968, blz. 51, afb. 4. 1938 Oudh. Med., deel XLIX, Leiden, 1968, blz. 50, cit. 55. 1939 Oudh. Med., deel XLIX, Leiden, 1968, blz. 44-48, cit. 33-50 (opgevat als de twee halfronden der wereld: git. 37); deel LI, Leiden, 1971, biz. 72, cit. 69. 1940 Exod., XXVI 1, 31. Val. Flav. Jos., Antig., III 113, 126. II Machab., II 5; II Bar, VI 7. 1941 Dan, 12; II Chron., XXXVI 10. Vgl. 54b. om, III 113, 126, 137, VIII 73;: Talm. Babl., Jom, i Jos, Antig., 1942 Flav.LE Flav. en Ir 186; Plut., 96; 1 Legib., Spec. De Idem, 1943 Phil. Jud., De Vit. Mos, II 135; Quaest. iv, IV 6, 2 (p. 672a: koBópvor); De Maat der Dingen, blz. 31-33, noot : EE Levit., vil 7; I Sam., 11 28, XIV 3; me paer XXV ee 4-12, XXIX 5, XXXIX 2-7; De Vit. Mos., IE 111-112, 122-123, 133; Idem, De Spec. Legib., , 184-185, 215. III 162-166 Flav. Jos., Bell. Jud, V 233; Idem, Antiq., 1945 Flav. Jos, Antiq., III 162: geupides. 1946 Flav. Jos., Antiq., III 162. Zie noot 1 86; Idem, Quaest. in Exod., II 108, 109, 1812. [316]

Página 21

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
end op àomiöiokar of p rond *°*?, in gestalte gelijk , PhS t@E nep de n gen re da wa n, de halfronde of smaragd, en 1949_ ‚8gedeeld in zijn twee 419 50. Toen de kledij ontEr r voo el n hem de lde schilden *°*®. Zij ste eraardse halfron Ee het bovenaardse en het ond rom niet bekend geweest zijn. Ik houd het er daa d ete ein g seh ae telijke en de d nn maar halfrond, dat zij de oos Eeke he se halfrond ard ena de zuidelijke helft van het bov ns of ied de noordelijke en ‚ van nis identiek waren met de metae, C) des hemels wedergaven, daardoor in beteke se fro m aarde kan het onderaard hal nd het circus '°5*. Na de ontdekking van de bolvor der . Volgens een andere exegese en natuurlijk zeer wel in de symboliek betrokken zijn geword *°*? pte °** en te stelden de stenen zon en maan voor!®5®. Deze exegese bestond ook in Egy ng er Mededelingen gort Delphi: op een reliëf, wedergegeven in een voorgaande jaarga dez n. s, staan de twee vogels ingeklemd tussen de god Apollo, de zon, en de godin Artemi de maa De epauletten waren beschreven met de namen der zonen van Jacob, zes aan iedere zijde, die der oudsten ter rechterzijde *°5°. De zonen waren de stammen Israëls, maar ook de tekenen van de dierenriem *°*”. De rechtse epaulette was op God, de linkse op de mensheid gericht *°58. Tezamen met het om het hoofd gedragen en de zon voorstellende diadeem, symboliseerden s Het schouderstuk in zijn geheel stelde de '°*®. zij de rechterlijke macht des hogepriester hemel voor '°°° of de natuur der wereld *°®!. Het gouddraad was het zonlicht of de aether, het vierkleurige weefsel de vier elementen *°62. Het offer tot reparatie van inbreuk op de cultische reinheid werd niet door de gesubstitueerde, maar door de priester, die de reiniging verrichtte, gebracht. De priester, anders dan in de in $17-18 beschreven offers, verrichtte ook de slachting '°$*; welke bij 9 het Ì naar het schijnt, zonder handoplegging geschiedde '°6*. eet Het was een gecombineerd offer, dat in zijn oorspronkelijke en eenvoudigste uitvoering uit twee identieke vogels bestond, duiven of tortelduiven, van welke de ene ten zondoffer 1947 Phil. Jud., De Vit. Mos., II 122, 133; Id pec. 1948 Flav. Jos., Bell. Jud, V 233. Legib. 1 86 eee ten 1949 Phil. Jud, De Vit. Mos., II 123. za Phil. Jud., De Vit. Mos., II 122, 133; Idem, De Spec. Legib., 1 86: Idem Quaest. in Exod., II 109 Vgl. De Oorsprong van het Romeinse Circus , blz. 12-13, blz. 28 regel 24 - en 29 it 3 De twee halfronden nden der d wereld, : gepersonifieerd door de Diosc’uren :: Julian. Juli Apost., Or, IV 147b. Val. Pythag. Dam De Prim. Princ., 261. Op de voet van Sarapis : L. Castigl ione, Studia Aegyptiaca Wessetzky kas noot er met deel 1, blz, 80, afb. 3 en 4. 1252 Plut., De Is. et Osir., 44; Horapoll., Hierogl., 1 11; Apul., Metam., XI 6. En 1953 Phil. Jud., De Vit. Mos., II 122; Flav. Jos, Anti, III 185. 195% Vgl. K. Parlasca, Mumienporträts und Verwandte Denkmäler, Wiesbaden, 1966, pl. 34, 1. 1955 Oudh. Med., deel XLIX, Leiden, 1968, blz. 50, met pl. II. 1956 Flav. Jos., Antig., III 166. Phil. Jud., De Vit. Mos., II 123, 133; Idem, Quaest. in Exod., II 109. 1958 Phil. Jud., Quaest. in Exod., II 108; Flav. Jos., Antiq., III 215. Zie noot 1879, 1965. 1957 1959 Hierover meer in een nog te verschijnen studie. Phil. Jud., De Vit. Mos., II 133; Idem, De Spec. Legib., I 86, 94; Idem, Quaest. in Exod., II 117, 120. 1961 Flav. Jos., Antiq., III 184. 1960 1962 Flav. Jos., Antiq., III 184. 1963 Levit, 115, V 8, XIV 5, 50; Miën., Negä., XIV 1. Vgl. Levit XIV 30, XV 15, 30; Numer., VI 11. 1964 Zie noot 731-739.

Página 22

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
de andere ten brandoffer werd opgedragen ***S. Daar het zondoffer het verleden afsloot, het brandoffer de toekomst opende, zijn deze twee vogels als de vogels van de tijd te beschouwen *°°® en wordt het offer als „stijgend en dalend” betiteld '°6”. Twee leerstukken gaan hier dooreen. Vogel van de tijd, zonnevogel, was de valk, een zeldzaam en naar Joodse opvatting onrein dier *°$®, dat in het offer dan ook door duif en tortelduif vervangen werd. De werking van het offer was wel deze, dat het de gesubstitueerde door het prijsgeven van verleden en heden, het potentiële zijn *°S°, bevestigde in het heden, het actuele. De valk was anderzijds symbool van de menselijke ziel*°’®. Door het offer tot de zon in het zenith opgeheven, werd de ziel van de gesubstitueerde daarin gereinigd '°’!. De bloedsprenging geschiedde tegen de opstaande, drie el hoge *°”? zijwand van het altaar *°”*, aan de zuidzijde, het zondoffer aan de westelijke *°’*, het brandoffer aan de oostelijke hoek '°°*; de zijwand van het altaar, zich verheffend tussen hemel en aarde, symboliseerde het luchtruim. De beide vogels waren correlaat. Het verleden is het substraat van de toekomst, en daarom werd het vogelzondoffer het eerst geslacht '°’® en werd zijn bloed onder dat van het vogelbrandoffer gesprengd *°””. Het altaar was aan de basis, tot aan de helft zijner hoogte, gevat in een rooster van koperen netwerk *°’®. Het bloed van het vogelzondoffer werd daartegen, het bloed van het vogelbrandoffer tegen de stenen daarboven gesprengd *°7°®. Ondanks de ligging binnen de altaargroeve °°°, schijnt men in dit rooster de 3h.t, het cosmische bergland, dat aarde en oceaan omsluit, gezien te hebben ‘°*!. Het vogeloffer was hoogheilig *°®?, maar 1965 Levit, V 7-10, XII 8, XIV 22, 31, XV 15, 30; Numer., VI 11; Phil. Jud., De Mutat. Nom., 233; Flav. Jos, Antiq.. III 230; Miën., Zebäh., VI 2, 4-7, VIT 1-4, X 4; Idem, Qinnim; Idem, Negä'., XIV 7. Zie noot 1879, 1958. 1966 Oudh. Med., deel XLIX, Leiden, 1968, blz. 40-56; deel LII, Leiden, 1971, blz. 71-75. De Joden noemen het vogelpaar nest”: Misn., Qinnim; vgl. Oudh. Med., deel LII, Leiden, 1971, blz. 73, cit. 71. 1967 Misn., Sebü', 12, IT 1, HI 7, 10, IV 2; Idem, Hör., II 7; Idem, Kerët., 1 2, II 3, 4. De term wordt door de commentatoren betrokken op de in noot 1989, 1992, 1993, 2000, 2001 vermelde aanpassing van de prijs van het offer. Naar ik meen, ten onrechte. 1968 Levit…, XI 16; Deut., XIV 15. 1969 Vgl. Phil. Jud, De Abrah., 119; Idem, De Spec. Legib., II 187, IV 168; De Geboorte van Horus, blz. 231, noot 2263. De valk legt drie eieren, waarvan hij een grootbrengt, de beide andere slechts bebroedt: Oudh. Med., deel XLIX, Leiden, 1968, blz. 48, noot 60, onder 3° en 4°. 1970 Zie noot 1725, onder 1°. 1971 De Geboorte van Horus, blz. 212, noot 1788. 1992 Exod., XXVII 1, XXXVIII 1. Symboliek van het getal drie: De Geboorte van Horus, blz. 276-277, noot 2878-2888. Zie hierboven, noot 1810. 1973 Levit, 115, V 9; Misn., Zebah., VI 4, 5. Zie noot 761, 1725, onder 1°. 1974 Miën., Zebah., VI 2. De bewegingsrichting van west naar oost is die van de nachtelijke, dus potentiële baan van de zon. 1975 Miën., Zebah., VI 5. 1976 Misn., Zebah., X 4. 1977 Miën., Zebah., VII 1, 2, 4; Idem, Qinn., 1 1. 1918 Exod., XXVII 4-5, XXXVIII 4. Later een simpele rode streep ter afscheiding van boven- en benedenhelft: Miën., Midd, III 1. 19719 Miën., Qinn., 1 1. Het zondoffer was hoger in rang dan het brandoffer, zie noot 1273. 1980 Zie noot 1101-1106. 1981 B, H. Stricker, De Grote Zeeslang, Leiden, 1953, blz. 5-6, noot 7-19. 1982 Talm. Babl, Zebäh., 89b. Zie noot 1254, 1257.

Página 23

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
door de bloedsprenging, onder en niet op de altaarhoorns en altaarrand 1983 van de overige hoogheilige offers onderscheiden '°**. ; Het vogeloffer bewerkte verzoening voor hem, die de reinheidswetten in onwetendheid of zijns ondanks had overtreden '®S* en werd opgedragen, terwijl hij aan de poort des heiligdoms wachtte *°86. Was hij schuldig en had hij met opzet gehandeld, dan werd hij met veertig zweepslagen bestraft 95”, symbolische vernietiging van het uit veertig delen bestaande menselijke lichaam *°8S. Het vogeloffer was ontzondiging in minimale uitvoering '°5°, offer des armen. De welgestelde was verplicht voor de vogel een duurder dier, een viervoeter, te stellen. Geofferd werd: — 1° Na contact met het heilige in staat van onreinheid, na instemming met een vloek, na het uitspreken van een overijlde eed ‘°°°. De zonde werd beleden *°°*. De welgestelde bracht een ooilam of jonge geit ten zondoffer, de arme het vogeloffer, de armste een tiende epha meel ten zondoffer *°°?. — 2° Na de kraamreiniging. De welgestelde kraamvrouw bracht een vogel ten zondoffer en een lam ten brandoffer, de arme bracht het vogeloffer *9°*. — 3° Na genezing van melaatsheid. De melaatse mocht niet in de stad verblijvens'®**. Hij werd dus eerst naar buiten gevoerd en op de boven beschreven wijze'995 door de priester met twee vogels gereinigd, waste zichzelf en zijn klederen en onthaarde zich; waarna hij in de stad terugkeerde *°°5. Een week later waste en onthaarde hij zichzelf nogmaals en trad voor de tempel '°°7. De priester bracht voor hem een lam ten schuldoffer en besprengde hem met het bloed daarvan: en voortgaande, op dezelfde lichaamsdelen en daarboven, met olie '°°$. Het bloed, onderliggend, stelde het verleden, de onreinheid, voor; de olie daarboven de toekomst, de reinheid ‘°°°. Onmiddellijk daarop volgde een tweede reinigingsoffer. De welgestelde bracht een ooi ten zondoffer en een lam ten brandoffer °°°, de arme het vogeloffer 2901. — 4° Na genezing van vloed. Een week na de genezing waste de patiënt zichzelf en zijn klederen. De priester bracht voor hem, of haar, het vogeloffer 2002 1983 Zie noot 761, 1114, 1277, 1302, 1351. TD Nn Zebah., X 3. 1985 Levit., V 1-4; Mijn, Sebü”. „12, II 1, II 7, 10, IV 2; Idem, Hor, II 7; Idem, Kerët., 1 2, II 3, 4; Talm. Babl., Seb”, 21a. 1986 Levit, XII 6, XIV 11, 23, XV 14, 29: Numer., VI 10; vgl. II Chron., XXIII 19. Zie noot 2069. 1987 Miën., Sebü”. „II 7, 10. Vgl. Idem, Makk., III 2, 8: Petron., Sat, CV 4; De Geboorte van Horus 1988 Talm. Babl., Sanhedr., 10a; Midr. Numer. Rabb, V 4. Zie noot 1814. E blz. 258, noot 2657. 1989 Flav. Jos, Antiq., III 230; Min, Nega., XIV 12. Zie noot 1283. 1990 Vgl. Varr., De Ling. Latin, VI 30; Macrob., Sat, 1 16, 10. Er Eet. VS 1992 Levit., V 6-13; Phil. Jud., De Mutat. Nom., 233-235; Flav. Jos, Antiq., II 231. 1993 Levit XII; Ev. Luc., II 24. 1994 Levit., XIII 46; Numer., V 2; II Kon., VII 3; Flav. Jos. ‚ Contr. Apion., 1 281-282; Idem, Bell. V 227; Idem, Antiq., III 264. 1995 Zie noot 1903, 1904. 1996 Levit, XIV 1-8; Flav. Jos, Contr. Apion., 1 282; Misn., Negä"., XIV 2. ee Levit, XIV 9-11; Min, Negä'., XIV 3. Vgl. Ev. Matth, VIII 4; Ev. Luc. V 14 1998 Levit, XIV 12-18, 21, 24-29; Miën., Negä'. ‚ XIV 8-10. Zie noot 1310. 5 1999 Zie noot 1977, 1979. zen 2000 Levit., XIV 10, 19-20; Miën., Negä’., XIV 3, 7. zeer bevit., KEV 23 30-39: Misn., Negä., XIV 7. 2002 Levit, XV 13-15, 28-30.

Página 24

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
— 5° Na lijkbesmetting, door de naziraeër. Deze schoor na verloop van een week zijn hoofd kaal. De priester bracht voor hem het vogeloffer tot reiniging, vervolgens een lam als schuldoffer en tussentijdse besluiting van de gelofte °°°. De gedachtegang van het vogeloffer wordt teruggevonden in een drietal offers, eveneens uit twee identieke, in zond- en brandoffer onderscheiden dieren bestaande. De dieren zijn viervoeters, het offer wordt dus ook niet „dalend en stijgend” genoemd. Het zijn: — 1° Het reinigingsoffer van de leviet bij zijn ambtsaanvaarding, gelijk reeds beschreven 2°°%*. De leviet waste zichzelf en zijn klederen en schoor zijn gehele lichaam. De priester bracht voor hem twee kalveren, een ten zondoffer, een ten brandoffer °°°5, en liet hem de tempel betreden 2995. De keuze van het dier valt op; het kalf als zondoffer was voor de hogepriester gereserveerd °°°? Hoewel de leviet zich bij zijn ambtsaanvaarding aan de priesterschap onderwierp, werd hij door deze, overeenkomstig zijn oorspronkelijke staat, toch met priesterlijk eerbetoon ontvangen. — 2° Datzelfde van de particulier, niet-naziraeër, na lijkbesmetting. Deze bleef een week lang onrein, werd op de derde en de zevende dag besprengd met het water der afzondering °°°5, waste zichzelf en zijn klederen en hernam de reinheid °°°. Wie onachtzaam was en de termijn liet verstrijken, werd met de dood bestraft °°°, maar mocht zich bij gebleken onschuld alsnog reinigen met twee lammeren, een ten zondoffer, een ten brandoffer 291! — 3° Het offer van de naziraeër, na volbrachte gelofte. Terwijl deze voor de poort des tempels wachtte 2912, offerde de priester voor hem twee lammeren, een ten zondoffer, een ten brandoffer °®**. De term reiniging valt daarbij niet, maar het offer behoort naar zijn samenstelling tot de reeks. Het vogeloffer rondt het stelsel der ontzondiging af, het sacrale strafrecht. Dit stelsel trad in werking, wanneer de goddelijke, cosmische orde was verstoord. De begane zonde moest bewezen zijn, hetzij door belijdenis van de zondaar °°'*, hetzij door getuigenverklaring. Zij was een van drie: 1° zonde tegen de majesteit Gods, anders gezegd, tegen de leer, de godsdienst als zodanig?°®!*; 2° zonde tegen de eigendom Gods, tegen het tempelgoed, de aangeboden offermaterie inbegrepen °°!$; 3° zonde tegen de reinheid Gods, tegen de cultische reinheidswetten. Indien met voorbedachten rade begaan, werd de zonde gezoend door de dood van de zondaar °°”; met dien verstande, dat de zonde tegen de goddelijke majesteit bestraft werd met uitroeiing °°'8, doodstraf bij daadwerkelijke en publieke executie, de zonde 2003 Numer., VI 9-12. 2004 Oudh. Med., deel LV, Leiden, 1974, blz. 189. 2005 Numer., VIII 8-12. 2006 Numer., VIII 9, 15. 2007 Zie noot 1280. 2008 Zie noot 551. 2009 Numer., XIX 11-19. 2010 Numer., XIX 20. Zie noot 1988. 2011 Flav. Jos, Antiq., III 262. 2012 Numer., VI 13, 18. 2013 Numer., VI 13-16. 2014 Zie noot 1307. 2015 Zie noot 1272, en vgl. Corp. Herm, XVI 11. 2016 Zie noot 1305; Miän., Mela. 2017 Zie noot 649, 1275, 1737, 2010. 2018 Zie noot 1275.

Página 25

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
tegen de goddelijke eigendom met vogelvrijverklaring *°**, doodstraf bij potentiële en private executie, de zonde tegen de goddelijke reinheid met veertig zweepslagen °°?®, doodstraf bij symbolische executie 2%?! Ontbrak de voorbedachte raad, was in onschuld of onwetendheid gehandeld, dan werden deze straffen weliswaar voltrokken, maar aan een dier als substituut en in gewijzigde vorm. Voor de zonde tegen de goddelijke majesteit werd in dit geval het zondoffer gebracht, voor die tegen de goddelijke eigendom het schuldoffer, voor die tegen de goddelijke reinheid het vogeloffer. Al deze offers waren geëist?°*? en hoogheilig °°°. Geëist was ook het vogeloffer, maar dit was heterogeen; van het vogelpaar was de tweede vogel, zijnde brandoffer, aangeboden offer °°?* De straf op de kleine zonde was niet zo volstrekt als die op de grote. Het was de zondaar, die haar onderging, toegestaan uiting te geven aan zijn wil tot beterschap. Kan hiermede het feit in verband worden gebracht, dat de gesubstitueerde bij zond- en schuldoffer de tempel betrad, bij het vogeloffer voor de poort daarvan wachtte 2925? $26 „Toen de Egyptenaren de zon van de Kreeft naar de Steenbok afdalen en de dagen, die eerst langer waren, bekorten zagen, rouwden zij, vrezende, dat de zon hen geleidelijk-aan verlaten zou. Deze periode valt bij hen gedurende de dusgenaamde Isia 2026 Toen de (zon) echter weder begon te stijgen en de dagen te verlengen, trokken zij witte klederen aan en bekransten zich” 2°27. De Joden kenden deze viering uit hun eigen verleden en schreven zij, viel acht dagen na de haar ook aan de Romeinen toe. De winterzonnewende, zeggen „Toen Adam, de oermens, Saturnaliën en acht dagen voor de Calendae of eerste januari: Wellicht wordt de wereld verduisterd, de dag voortdurend zag afnemen, sprak hij : „Wee mij! mij dood, over Dat is de omdat ik gezondigd heb, en wordt zijij wederom tot chaos herleid. Toen echter de wintervasten. dagen acht bleef en t!” op stond Hij door de hemel beschik zonnewende intrad en hij de dag weder voortdurend zag toenemen, sprak hij: „Alzo is dus de gang der wereld!” Hij ging heen en vierde acht feestdagen. Het jaar daarop maakte hij beide dagenreeksen tot feestdagen. Hij (Adam) heeft deze onder de naam des hemels vastgesteld, zij echter (de Romeinen) bestemden hen op grond van afgodendienst”’ 228. De inheemse teksten der Romeinen bevestigen deze Joodse opgave ten dele. De Saturnaliën werden gevierd op de zeventiende december. Zij openden met een plechtig offer spronkelijk mensenoffer °°*9. Van onthouding gedurende wordt niet gerept. De zeven dagen erop volgend 2021 Zie noot 1988. 2022 Zie 89. 2023 Zie noot 1254, 1255, 1982. 2024 Zie noot 1343. 2025 Zie noot 1986, 1997; vgl. 2006, 2012. 2026 Naam voor de Cicellia, vgl. Oudh. Med, N.R., deel XX Leiden , exc. 23 (Maass) en 2027 Achill, Isag. in Arat., Phaenom. 2029 Dionys. : Halic.,> Antiq. Rom, VI 1, 4; 2030 Macrob., Sat, 1 7,31, 11,48. Zie ee i Ab U b. C vgl. Liv, noot 1212. B21] de waren feestdagen. Men maakte goede en 5 2019 Miën., Sanhedr., IX 6. Vgl. Joz, VII 25: Talm. Babi ä en en a vogelvrije droeg gekle urde klederen Plut. Agel 2 a idenhk en Sn Londen ed , vanaf el 1960, deel II, biz. 1075-1076, sub voce G5hiyär. 2028 Talm. Babl., ‘Ab. Zär.. 8a. de periode daaraan vooraf

Página 26

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
waande zich in de welgelukzalige oertijd verplaatst °°**, Allen waren gelijk, de slaven geëmancipeerd; er waren heren noch knechten. Men nam zijn intrek in loofhutten 2°3? en deed elkander geschenken. Maar men was ook ernstig. De winterzonnewende kwam nabij en daarmede de wedergeboorte des jaars. Men gaf elkander raadsels op 2°3® en dobbelde om de toekomst uit te vorsen 204, In het jaar 168 v. Chr. bezocht de Syrische koning Antiochus Epiphanes de stad Jeruzalem, betrad de tempel °°** en drong in de inwendige vertrekken daarvan door. Hij vond aldaar „een bed, waarop een man uitgestrekt lag; en daarvoor een tafel, beladen met spijzen, vissen, wild en gevogelte. Deze man schrikte op, doch daarop begroette hij de binnenkomst des konings met eerbetoon, alsof zij hem zeer grote verlichting bracht. Hij beroerde diens knieën en smeekte hem met uitgestrekte rechterhand om vrijheid. Toen de koning hem verzocht, zonder vrees te zeggen wie hij was, waarom hij daar verbleef en waarom dat voedsel voor hem stond, vertelde de man hem onder gejammer en geween en op verdrietige toon zijn ongeluk. Hij zeide, dat hij Griek was en dat hij, de provincie doortrekkend voor zijn levensonderhoud, onverhoeds door vreemde lieden was opgelicht, naar de tempel gevoerd en daar opgesloten, dat hij aan ieders blik onttrokken werd gehouden, doch met een overdaad van spijzen werd vetgemest. Eerst had deze behandeling hem onverhoopt voordeel gebracht en hem verblijd, vervolgens maakten zich argwaan en schrik van hem meester en tenslotte had hij de dienaren, die bij hem binnentraden, ondervraagd en van hen de onuitgesproken wet der Joden vernomen, waarvoor hij gevoed werd, alsook, dat zij ieder jaar op vastgestelde tijd datzelfde ten uitvoer brachten. Zij maakten zich namelijk van een Grieks reiziger meester, mestten deze een jaar lang vet 2935, voerden hem naar een woud, doodden de man daar en offerden zijn lichaam volgens hun riten, waarbij zij van zijn ingewanden aten °°°”. Bij de slachting van de Griek zwoeren zij de eed, de Grieken vijandig te zijn, vervolgens wierpen zij de resten van het slachtoffer in een kuil. Hij zeide, dat hij nog slechts weinige dagen te leven had en smeekte de koning, uit ontzag voor de Griekse goden en tot verijdeling van de aanslagen der Joden tegen zijn eigen bloed, hem te redden van het onheil, dat hem bedreigde” 2°*8. Antiochus Epiphanes deed kort na zijn bezoek de Joodse cultus te Jeruzalem door de Griekse vervangen °°*®. Dat geschiedde op de 25ste Chisleu, vijf dagen voor de Iste Tebeth, kalenderdatum van de winterzonnewende °°*°. In de officiële cultus was voor het mensenoffer toen sedert lang geen plaats meer. Het offer was zekerlijk bestemd tersluiks te worden gebracht 2°*!, 2031 Justin, Epit. Histor. Philipp. Pomp. Trog., XLIII 1, 3-4. 2032 Schol. in Juven., Sat, VI 154. Vgl. Tibull., Eleg., II 1, 23-24; Plut., Caes., 9. 2033 Gell., Noct. Att, XVIII 2. 2034 Zie noot 1211. 2035 Apion. Oas., fr. 4h (Jacoby); I Machab., 1 21-24; II Machab., V 15-16; Flav. Jos, Contr. Apion., I1 83, 84; Idem, Bell. Jud, 1 32, V 394, VII 44; Idem, Antiq., XII 249-250, 320. 2036 Zo te Athene: Schol. in Aristoph., Equit, 1136. Te Massilia: Serv., Comment. in Vergil., Aen., III 57; Lactant. Placid, Comment. in Stat, Theb., X 793. 2037 Zie noot 788. 2038 Apion Oas., fr. 4i (Jacoby). 2039 1 Machab., 1 41-64; II Machab., VI 1-9; Flav. Jos., Bell. Jud., 1 34; Idem, Antiq., XII 251, 253-254, 320. 2040 1 Machab., I 54, 59; II Machab., I 18; Flav. Jos, Antiq., XII 248, 319; Megill. Ta'an., 23; Megill. Antiök., 73. 2041 Vgl. Theophr., De Pietat., fr. 13 (Pötscher)?

Página 27

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
De lenteëvening was in sommige antieke kalenders H aanvang van het nieuwe jaar 2042 5 voor het einde nen se es In de dagen daarvoor verfden de Egyptenaren, in vrees a En Ss als in de gewas rood °°*®, in de dagen daarna betrokken zij loofhutten sà tgeste terech Jezus lentedag was volgens de Joden Adam geboren 2045 op deze dag werd it rs De Phrygiërs vierden de aanvang der lente met grote nadruk. Een ee ° *’, terwij de p en twee dagen later castreerden zich de aspiranten tot het priesterscha gemeente vastte 2°*8. Daarop volgenden in vreugde de Hilariën, gedurende dewelke men zich ten teken van wederopstanding met melk voedde °°*®. Een weinig eerder, op de lSde maart, vierden de Romeinen feest ter ere van Anna Perenna, godin of historische persoonlijkheid. Men begaf zich in de vrije natuur, sloeg loofhutten op en bracht de dag door, drinkend, zingend en dansend 2°5°, en tevens in gebed om zegen voor het nieuwe jaar °°5*. Over de zomerzonnewende staan mij geen gegevens ter beschikking. Hoe hij ook gevierd werd, de dag, waarop de zon het hoogtepunt van haar jaarlijkse baan bereikt en aan de hemel begint te dalen, kan voor wedergeboorte niet representatief geweest zijn. De Joden offerden ook niet op het midden des daags °°5?. De baan aller planeten, niet slechts die der zon, telt vier cardinale punten. De maan evenaart aan de hemel de zon in afmeting, de overige planeten behoren in orde van grootte tot de sterren. Zij alle werden aanbeden, maar alleen de cultus van de maan had naast die van de zon maatschappelijk belang. De maan sterft iedere maand en wordt iedere maand herboren. Door deze eigenaardigheid symbool der wedergeboorte bij uitstek 2°53, is toch haar werking op de natuur te verwaarlozen. De vromen onthielden zich, wannee r de planeet aan de hemel wegteerde, een dag of enige dagen voor donkere maan ze a$27 :Twee zgeïsoleerd e gevallen van onth oudiing ng in de tempelliiturg turgieie zijn zij tot besluiti te Mozes maakte het koperen wasvat van de tabernakel „van de spiegels der te hoop komende vrouwen, die te hoop kwa men voor de deur van de tent der sam enk omst” 2955, De Septuaginta vertaalt: „van de spiegels der vastende vrou wen, die vast ten bij de deuren van de tent der samenkomst” 2°5s_ De hogepriester Eli, in d e periode voorafgaande aan de 2042 Camephis, blz. 11, noot 80, 81. er Zie noot 1505-1506. Schepping der wereld: zie noot 1504. Pausan., Graec. Descr., X 32, 14. Zie noot 1932. eee Phil Jud Quaest. in Genes., II 17, 31. 2035 Ry: Joh., XVIII 28, XIX 14. 2047 Jutian. Apost., Or., V 168, c-d. 2048 Sallust, De Diis et Mund., IV 10. 2049 Sallust., De Diis et Mund.. IV 10. Vgl. Pärask aragrhjasütra, III 10, 28. 2050 Ovid, Fast, III 525-542, 657-674. 2051 Ovid, Fast., III 531-532; Macrob., Sat. ‚112, 6; Lyd., De Mensib., TV 49. 2052 Zie noot 1865. 2053 Vgl. Erman-Grapow, Wörterbuch, deel IL, blz. 141, noot 3. Egyptenaren: Marin, e Vit. Procl., … 19 19. Vgl. Porph e yr, Vit. i Plotin. Ï , 10; Lyd., De Mensib.i , III 10-11 Vasten Ren 4op nieuwe ef maan: Satapathabrähmana, na, 1 6, 6, 4,4, 14:14; Ásvalajjanagrhjas jasü ütra, I 10, 2; Khädir Khä agrhjasütra it , Sänkhäjanagrhjasütra, 1 3, 1; Mahäbhärata, VI 63,16, N XIII 107, 54, 81. 5 st 2055 Exod., XXXVIII 8; Phil. Jud., De Migr. Abrah., 98. 2056 Exod., XXXVIII 26 (LXX).

Página 28

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
vestiging van het koningschap in Israël, „was zeer oud en hoorde al wat zijn zonen aan gans Israël deden, en dat zij sliepen bij de vrouwen, die met hopen samenkwamen aan de deur van de tent der samenkomst” ?°5”. De profetes Anna, „een weduwe van omtrent vier en tachtig jaren, welke niet week uit de tempel, met vasten en bidden, God dienende nacht en dag” 2955, zag daar het kindeke Jezus en voorspelde zijn grootheid. Het probleem dezer citaten ligt in de betekenis van het werkwoord vertaald als „te hoop komen”, Hebreeuws Ras. Het is elders in de tekst technische term voor het dienst-verrichten der levieten 95°. Wij kunnen deze betekenis op de citaten overdragen en krijgen dan te maken met „dienst verrichtende vrouwen, die dienst verrichtten voor de deur van de tent der samenkomst”. Dat kunnen priesteressen geweest zijn. Maar priesteressen worden noch in de staf van de tabernakel, noch in die van de tempel vermeld. Het kunnen ook tempelslavinnen, prostituees, zijn geweest; in welk geval de Septuaginta haar „„vastende vrouwen” noemt om de werkelijkheid te verbloemen. Alweder : men ziet niet, hoe Mozes van de spiegels van dergelijke vrouwen cultische vaatwerk kan hebben gemaakt, noch ook, welke de zonde der zonen van Eli in dat geval ware. Flavius Josephus spreekt van „vrouwen tot aanbidding bijeengekomen’’ 2960, en dit stelt de vertaling van de Septuaginta in een geheel ander licht. Vrouwen, die bij het heiligdom vastten en vandaar niet weken, kunnen dat slechts gedaan hebben, omdat zij onvruchtbaar waren en door onthouding de kinderzegen afsmeekten?°*!. Van deze nood zullen de zonen van Eli misbruik gemaakt hebben. Is de conclusie juist, dan is dit de oudste attestatie van een praktijk, die uit de Canaänietische culten overgenomen kan zijn °°°? en gedurende de middeleeuwen in zo talloze bedevaartsplaatsen in zwang was. Koning Josafat werd aangezegd, dat de Syriërs tegen hem ten strijde trokken. „Josafat nu vreesde en stelde zijn aangezicht om Jahwe te zoeken, en hij riep een vasten uit in gans Juda. En Juda werd vergaderd om van Jahwe hulp te zoeken; ook kwamen zij uit alle steden van Juda om Jahwe te zoeken. En Josafat stond in de gemeente van Juda en Jeruzalem, in het huis van Jahwe, voor het nieuwe voorhof” °°$3, en hij bad Jahwe om hulp. Salomo had in zijn gebed bij de inwijding van de tempel in juist deze situatie voorzien : „Wanneer Uw volk in de krijg tegen zijn vijand uittrekken zal door de weg, die gij hen henen zenden zult, en zullen tot Jahwe bidden naar de weg dezer stad, die gij verkoren hebt, en naar dit huis, hetwelk ik Uwen naam gebouwd heb, hoor dan in de hemel hun gebed en hun smeking, en voer hun recht uit” 06“ $28 Vervolgens de onthoudingen der profane liturgie. Zij beoogden heiliging der maatschappelijke handelingen, en wel derzulke, die over leven en dood beslisten. De onthoudingen bereidden op deze voor of begeleidden haar. Voorbereidend waren de onthoudingen in rechtspraak, politiek, sport, voordrachtkunst en magie. Daar de Egyptische en Joodse gegevens 2057 1 Sam, II 22; Flav. Jos. Antiq., V 339. De Septuaginta, I Regn., II 22, laat zin met het gedrag der zonen weg. 2058 Ey, Lue, 11-37. 2059 Numer., IV 23 (LXX: keutoopyeiv), VIIL 24 (LXX: vepyelv). Evas. te zäc Eri Opnokeig zapaytvop 2060 Flav. En Antiq., V 339: yovaïkús 2061 Vgl. 1 Sam., 1 9-11. 2062 Ter correctie op noot 1692. 2063 IJ Chron., XX 3-5; Flav. Jos, Antiq., IX 8. 20es J Kon, VIII 44-45. de tweede helft van de

Página 29

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
over haar ontoereikend zijn, althans van haar bestaan getuigenis afleggen, is hier aan de Griekse en Romeinse gegevens ruim plaats toegemeten. De rechtspraak was heilig werk. Zij besliste niet slechts over de zeden der bevolking, maar ook over de natuurlijke en bovennatuurlijke gesteldheid van het land °°®$*. De grond, waarop zij uitgeoefend werd, was heilige grond °°*®. De ware rechter was de Zonnegod °°°7, de menselijke van hem slechts personificatie. Het proces werd in principe onmiddellijk voor het heiligdom gevoerd °°°®; de daarin binnentredende moest van zijn zonden gereinigd zijn °°°. De rechters waren gezeten in een halve cirkel °°7°, als de zon met de planeten aan het hemelgewelf °°°! De zitting werd geopend met gebed en reukoffer °°°. Ging het om een capitale zaak, dan werd in het Joodse Sanhedrin, met een getal ontleend aan de uren van het etmaal °73, recht gesproken door een college van drie en twintig rèchters®°"*. Dezen aten slechts het hoognodige, onthielden zich van wijn en vergaderden de gehele nacht door °°7*. Vroegtijdig in de volgende morgen velden zij het vonnis °°’®. Vrijlating of executie volgden onmiddellijk. De politieke vergadering was aan de rechtzitting nauw verwant, betrof als zij dikwijls capitale zaken. Het volk vergaderde in de open lucht, de magistraten vergaderden in een gebouw. De vergaderplaats, welke ook, was iepóv°°"”, templum®°"S, heiligdom. De zitting 2065 Perzen: Säjast-në-Sajast, X 18. 2066 Grieken: Plat, Leg, 778c. 2067 Zie noot 1959. 2068 Egyptenaren: Oudh. Med, N.R., deel XXV, Leiden, 1944, blz. 74-76, deel XXXIX, Leiden, 1958, blz. 59, noot 24. Joden : Jerem., XXVI 10; Ps., CXVII 19-20; Apoc. Sophon., III 5, IV 2 (Riessler); Miën., Söt., I 5; Idem, Sanhedr., X (XI) 2. Grieken: Plat, Leg., 778c. Romeinen: Sil. Ital, Pun, XIII 543-544. De priesters werden in de tempel berecht, Joden: Miën., Sanhedr., X (XI) 2; Idem, Midd, V 4. Berechting voor de stadspoort, Joden: Deut, XXI 19, XXV 7; Il Sam, XV 2, XIX 9 (8); Jezaj., XXIX 21; Jerem., XXXVII 7; Zacharj., VIII 16; Ruth, IV 1-13. Perzen: Dan, II 49. Grieken: Demosth., Or, XXIII 77-78; Hipp. Erythr., fr. 1 (Jacoby: ad eee en XXXI 122; Poll, Onom., VIII 120; Dio Cass., Hist. Rom., XI, fr. 43, 27; Lexic. Seguer., p. 31 , 17er). Romeinen: Liv, Ab 5 el E het Romeinse ae, blz. 24, noot 209 Plm se EnNESS), DODE, De ien ne » » : nis buiten stadspoort, Joden: Levit., XXIV 14: Numer., XV 35-36;; Deut, Deut, XVII 5, XXII 24; 1 Kon, E XXI 13:; FlFlav. Jos.deBell. Jud, IV 360: Handel., VII 58; Hebr, XIII 12. Grieken: Plat Cond., 1 26, 11. Buiten de huisdeur, 2069 Zie noot 1986. Leg. 85Sc. reen Joden: Deut, XXII 21. weet n: an eres 2070 Egyptenaren: Diod. Sic. Bibl. Hist, 19 2, 2; J.-Ph. Lauer en Ch. Picard, Les Statu es i Sarapieion de Memphis, Parijs 1955, blz. 3-7, 148-172, met pl. 1-16, 25-28. Joden: Misn eere Grieken: Archel. Cappad., fr. 6 (Jacoby). Romeinen: Vitruv., De Archit ‘v | 8. De ale Pytiag 5 is 5 Porphyr., Vit. Pyth, 9; Jambl., Vit. Pyth., 26. 5 se zt en 2071 Egyptenaren: A. Piankoff en _N. afb. IIl, met pl. 132. Joden: Openb, IV Joden: Flav. Jos., Antiq., IV 214, 287. 2072 Grieken: Aristoph., Vesp., 860-890. 2073 Een minder, ter verhindering van het staken 2075 Miën., Sanhedr., V 5. Zie noot 225. 2076 Miën., Sanhedr., V 5. EPst. Leg, 778c; Demosth., Or., XXI 227. 207 8 Varr., apud Gell, Noct. Att, XIV 1, 7; Cicer., Or. pro Mil, 9; Idem, de Dom. Sua, 131, 137:

Página 30

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
werd geopend met gebed °°°. Een biggetje werd geslacht en zijn bloed tot reiniging der aanwezigen over de hoofden gesprengd °°°; zo bij de Grieken. Op de zeer plechtige vergadering aan de voet van de berg Sinaï, waarop Mozes het volk Israël de wetten van Jahwe voorlegde, had dit laatste zich voorbereid door de klederen te wassen en zich gedurende drie dagen door onthouding van geslachtelijk verkeer te heiligen °°®!. De soberheid door de magistraat te betrachten in de drank is reeds vermeld 2982, De wedstrijd was godsoordeel °°®*. De god des oordeels was wel steeds de Zonnegod; aan wie ook het worstelperk heilig was °°5*. De oudst overgeleverde wet terzake, uitgevaardigd te Plataeae, verraadt haar processuele oorsprong. Zij luidde, dat de mededinger in de wedstrijd, die, na gewonnen te hebben, nogmaals deelnam en dan verslagen werd, publiekelijk ter dood zou worden gebracht °°®S. Inderdaad had de wedstrijd in de mythologische voortijd voor de verliezer gewoonlijk dodelijke afloop ?°®®. De heiligheid van de wedstrijd werd door Grieken en Romeinen, onze enige zegslieden °°®?, geëerbiedigd, al ging het karakter van godsoordeel geleidelijk-aan verloren en maakte het plaats voor dat van het spektakelstuk. De strijd werd geopend °°8, en mogelijkerwijze besloten, met een offer. De toeschouwers waren bekranst?®®® en droegen witte klederen °°°. De athleten waren verplicht tot onthouding ?°®®*. De voor de Olympische spelen geldende voorschriften behelzen daarvan enige details. Tien maanden voor de aanvang der spelen namen de mededingers de staat van reinheid aan en traden de scheidsrechters in functie °°°®?. De periode was die van de menselijke dracht; de athleet trad herboren in de strijd. Zij werd besloten ten overstaan van het beeld van de god Zeus in de raadzaal. Aan hem werd een offer gebracht, waarbij de athleet onder ede verklaarde de voorschriften in acht genomen te hebben °°° De onthoudingen Liv, Ab Urb. Cond., 1 30, 2, XXVI 30, 11; Serv, Comment. in Vergil., Aen, 1446, VII 153, XI 235. Vgl. Varr., De Ling. Latin, VI 86-87; Appian., Bell. Civil, II 118, 494. 2079 Dinarch., Or, II 14; Aeschin., Or., 1 23; Demosth., Or., XXIV 20. Vgl. Handel, XIII 3. 2080 Zie noot 750. 2081 Exod., XIX 10-11, 14-15; Phil. Jud., De Decal., 45; Flav. Jos., Antiq., III 78. Vgl. Handel., XIII 2-3; D. Barthélemy en J. T. Milik, Qumran Cave I, Oxford, 1955, tekst 28a op blz. 108-118 (1QSa), col. I 26. 2082 Zie noot 224. 2083 Dionys. Halic., Antiq. Rom., V 57, 5; Philostr., De Gymn., 45; Tertull., De Spectac., 5, 6, 11; Lamprid., Alex. Sever, 42, 2; Isid. Hispal., Etym., XVIII 27, 1. 2084 Plut., Quaest. Conviv., III 6, 4 (p. 655d), VIII 4, 4; Lucian., Anachars., 7. Vrouwen niet toegelaten : Phil. Jud., De Spec. Legib., III 176; zie noot 2098. 2085 Philostr., De Gymn., 8, 24. Vgl. Hygin., Fab., CCLXXIII 3. 2086 Hesiod., fr. 147 (Rzach); Conon, Narr., 10; enz. ì 2087 Egyptische invloed op de Olympische spelen: Herod., Hist, II 160; Diod. Sic., Bibl. Hist, 1 95, 2; Plut, Quaest. Platon, 2; Philostr., Vit. Apollon, III 30. De renbaan was door Heracles aangelegd: Plut., fr. 7 (Sandbach); vgl. Vitruv., De Archit., 1 7, 1. 2088 Liv, Ab Urb. Cond, XXV 12, 13, XXX 27, 12; Serv., Comment. in Vergil., Aen, V 329; Macrob., Sat, 1 17, 29; Talm. Babl., ‘Ab. Zär., 18b. 2089 Liv, Ab Urb. Cond, X 47, 3, XXV 12, 15; Macrob., Sat, 1 17, 29. Vgl. Diod. Sic., Bibl. Hist, XX 84, 3. 2090 Juven., Sat, X 45; Plut., Aemil., 32; Lucian, Nigrin., 14. 2091 Diogen. Cyn., apud Stob., Anthol., III 5, 39; Epictet., Dissert., III 15, 3; I Cor, IX 25; Philostr., Vit. Apollon, IV 28 (cwepooúvn, gesymboliseerd door hoofdband); Aret. Cappad., De Caus. et Sign, IV 5, 4. 2092 Pausan., Graec. Descr., V 24, 9, VI 24, 3; Philostr., De Gymn., 25. 2093 Pausan., Graec. Descr., V 24, 9. Het onechte kind was van mededinging uitgesloten: Philostr., De Gymn., 25.

Página 31

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
betroffen de onreine spijs, als de vis °°®*, en van de reine spijs de gegiste drank, de wijn 2°°5, die streng verboden was, en. het vlees. De athleet voedde zich met kaas, vijgen en melk °°°; tot op de dag, waarop de sportieve. prestatie hoofddoel werd en men hem de dierlijke spijs geoorloofd stelde °°°. Verboden was, en bleef, de geslachtsgemeenschap °°°; een enkeling ging zover, dat hij zichzelf castreerde °°°®®. Onthouding van geslachtsgemeenschap, voorafgaande aan de tweestrijd, vond haar prototype in de dierenwereld °*°°. De athleet behoorde verder zwijgzaam te zijn?!°* en mocht geen geld bij zich voeren °'®2. Tragedie en comedie waren eveneens plechtigheden van godsdienst 2103 ook zij in stijgende mate geprofaneerd. De opvoering werd geopend met een reinigingsoffer 2104 De toeschouwers waren bekranst 2!°5 en droegen witte klederen ?!°5. De voordrachtskunstenaar, toneelspeler of zanger, bevond zich in staat van reinheid, had zich van geslachtelijk verkeer onthouden sen en had gevast 2!°8. Als reden hiervan wordt opgegeven, dat de onthouding de stem ten goede kwam ?!°9. In deze opvatting schuilt waarheid, maar invloed van onthouding op de stem valt in de veronderstelde omvang niet te constateren. In werkelijkheid waren de onthoudingen als de voorgaande reliek uit het cultische verleden; er moet een tijd geweest zijn, waarin de voordracht verbonden was met zeker risico. Als prototype van de kunstenaar, en in het 2094 Philostr., De Gymn., 44. 2095 Epictet., : Dissert., - III 15, 3; 3: Philostr 5 De Gymn., 25, 48, 51; Joann. Chrysost. omilï ï i ad Cor. (p. LXI 189, Migne): Horat., De Art. Poet. 414. ae 209 pee H 8 Ruf. Ephes, apud Oribas. , Coll. Medic, 140, 2; Favorin., fr. 17 (Müller ); Pausan. Graec. Descr., VI 7, 10: Porphyr., Vit. Pyth., 15; Idem, De Abstin. , 1 26: Jambl., Vit. Pyth., 25; Plin. Nat Hist, XXIII 121 cn (réppara): Epictet., Dissert., III 15, hin en 3. î f 5 ' gn ae nne. de Gymn., 44; Porphyr., Vit. Pyth., 15; Idem, De Abstin., I 26. Zie noot 2096 at, Leg., 840a; Plut, Quaest. Conviv. E III 6. ‚4 4 ( (p. 655c), VII 7; Galen. De Loc , De Nat. Anim, VI 1; Idem, Var. Hist, III 30, X 2, XI 3: t heg pn III 6, 50, 4; Aelian. „7% 24; Joann. Chrysost, Homil. XXIII Vrouwen te Olympi a niet toe,8 elaten - 8 n nne in Epist. I ad Cor. (p. LXI 189 Pausan., Graec. Descr. » , Migne);: HöratEe ns … Ee Poet, 414. Ee V 6,7 ely 13 a |0. s VI 20."Ts 9 Aelian., Var. Hist. » XxX l a 2099 Epictet. Dissert.. ‚ 1 2,E2, 25-2 25-26 6;; Galen, De Semin., i 1 15: Artemid., De Somn. Interpr., V 95. Zie noot 300. Zie 2100 à ee rn rie on n beter bij onthouding: Serv, 2102 Philostr., De Gymn., 45. Varr., apud Tertull., De Et de H. Stricker, , III 268 Spectac., 5; Idem, | De Brief van Aristeas , Amsterdam, 1956 Harpocr., Lexic., sub voc e KaBápatov; Poll ah Or, 123, met scho lion. Vgl. Lexic. Sud, sub zn js n Bie Comment. in Vergil., Georg. biz. 81-87 n Athen., fr. 171 Jacoby ); Diod. Sic, Bibl. Hist. XX za 3 ucian., Nigrin., 14; Pap. asen Oxyrh., II 471, regel 100-107 : Plut., Quaest. Conviv., Ee IX 1, 2: Aelian., De Nat. Anim, he V MEt: Idem, Var "en arn De Loe. Affect, VI 6; XI 75, 3, XIV 215: Juven., Sat., VI 73, 2108 Aristot. Seth Neeo 1., Probl., XI …, en Q uin t , int nst1 tit. Clem: Alex, Strom, III 6, 50, 4; Martial, Epigr., Vil 82, 1-2, wanne e k i ; Diogen. Cyn., apud Stob., Anthol., UI 5, 22: at . , i . Hist. UI 30: inti 379-380, met eg , s Sueton., ero, 2 [327] » in. » Olt. 39; Quintil., Instit. Ora t., XI 3, 19: er. emor. .

Página 32

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
algemeen van de ävôporos pvotikòs kai teheorhs?'!°, gold de cicade?!!!. Men meende, dat dit insect van lucht en dauw alleen leeft 21? en zijn lied zingt. Magie en mantiek vormden niet zozeer profane als wel verketterde liturgie. De met haar verbonden onthoudingen waren liturgische onthoudingen, maar ontbeerden de sanctie van de officiële cultus****. De magische en mantische praktijken in Egypte in zwang zijn eerst uit de in het Grieks op papyrus geschreven teksten enigermate bekend. Men ontzegde zich wijn?!!* en zelfs water®'!5, verder vlees?!!S, brood?!” en ongekookte spijs 2!'8. Men onthield zich van geslachtsgemeensch °**°, ap sliep op de grond 22° of op een rieten mat 2!2! en baadde zich niet °*22. De termijnen waren drie dagen °*2® of een week 2124. Mozes beklom de berg Sinaï, daarheen ontboden door Jahwe *'?*. Hij zette zich in een grot 2126 en bleef veertig dagen weg °!?", gedurende dewelke hij uit de mond des Heren de wetgeving van het volk Israël optekende °!?®; zonder brood te eten of water te drinken 2'?°. Toen hij terugkeerde, glinsterde zijn gelaat en hij moest een sluier aanleggen om zich met het volk te onderhouden 22°. De profeet Elia, vluchtend voor koning Achab, begaf zich in de woestijn 2!3! en werd daar door een engel gevoed °'*?. Na veertig dagen bereikte hij, Mozes’ voorbeeld indachtig, de berg Sinaï °*** en nam zijn intrek in een grot *'**. Hij beklom de berg des 2110 Horapoll., Hierogl., II 55. Vgl. Aristoph., Aves, 1095, 1096, met scholia. 2111 Plut…, Quaest. Conviv., VIII 7, 3; Artemid., De Somn. Interpr., III 49. 2112 Hesiod., Scut, 395; Aesop., Fab., 195 (Hausrath); Aristoph., Nub., 1360; Plat, Phaedr., 259c; Aristot., Hist. Anim, 532b, 556b; Idem, De Part. Anim, 682a; Theocrit., Idyll., IV 16; Callim., Aet., fr. 1 (Pfeiffer; ad 34); Phil. Jud, Quod Omn. Prob. Lib. Sit, 8; Idem, De Vit. Contempl., 35; Plut., Quaest. Conviv., IV 1, 1; Aelian., De Nat. Anim., 1 20; Carm. Anacreont., XXXIV 3; Vergil., Bucol., V 77; Plin., Nat. Hist, XI 94. 2113 Afwijzing der magie door Hermes Trismegistus: Corp. Herm., fr. 21. 2114 K. Preisendanz, Papyri Graecae Magicae, Leipzig en Berlijn, 1928-1931, no. FV 57. Anders: ibid, 1 23. 2115 Heliod., in Catalogus Codicum Astrologorum Graecorum, deel III: A. Martini en D. Bassi, Codices Mediolanenses, Brussel, 1901, p. 53, 14. 2116 Preisendanz, Papyri Graecae Magicae, 1 23, 55, IV 53, 735, VIT 441-442. 2117 Heliod., p. 53, 14 (Martini-Bassi). 218 Preisendanz, Papyri Graecae Magicae, IV 53. 2119 Dodenb., LXIV, colophon; Mag. Pap. Londen-Leiden, V 32; Preisendanz, Papyri Graecae Magicae, 1 41-42, 291, IV 898; Vgl. V 458. 2120 Preisendanz, Papyri Graecae Magicae, XIII 350, 672. 2121 Mag. Pap. Londen-Leiden, V 32; Preisendanz, Papyri Graecae Magicae, XIII 116. 2122 Preisendanz, Papyri Graecae Magicae, IV 735-736. 2123 Heliod., p. 53, 14 (Martini-Bassi); Preisendanz, Papyri Graecae Magicae, IV 898. Zie noot 531. 2124 Preisendanz, Papyri Graecae Magicae, 1 41, 235, IV 734-735. Vasten voor donkere maan: Preisendanz, Grecs du Memnonion op. laud., XIH 115, 671-672. Maanorakel: P. Perdrizet en G. Lefèbvre, Les Graffites noot 532. Zie 568. 567, no. 101, blz. 53-54, no. d'Abydos, Nancy, Parijs en Straatsburg, 1919, blz. 10, 2125 Exod., XXIV, XXXIV; Deut, IX 9-15; Apion Oas., fr. 4c (Jacoby). Tissä, 37. 2126 Exod., XXXIII 22; Talm. Babl., Megill., 19b; Midr. Exod. Rabb., XL VII 6; Midr. Tanhüm., Ki Vit. Mos., De Idem, 36; f 2127? Exod., XXIV 18, XXXIV 28; Deut, IX 9, 11, 18; Phil. Jud, De Somn., II 69; Apion Oas., fr. 4c (Jacoby). 2128 Exod., XXXIV 27-28; Apion Oas., fr. 4c (Jacoby). 2129 Exod., XXXIV 28; Deut, IX 9, 18; Phil. Jud., De Somn., 1 36; Idem, De Vit. Mos., Il 68-69. 2130 Exod., XXXIV 29-35; II Cor., III 7, 13. zist J Kon, XIX 4. 2132 1 Kon, XIX 5-8. 2133 f Kon, XIX 8. NF Kon KEK. 13

Página 33

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
anderen daags °***, en toen hij in zijn grot terugkeerde, openbaarde zich Jahwe aan hem °'°$. De berg heeft in beide passages symbolische betekenis. Hij is aardse copie van de stralingskegel van de zon ?!3”; op de top dezer bevindt zich het Woord °'°8. Philo doet Mozes op de top verblijven, âo@paros yevópevos, ‚‚na het lichaam te hebben afgelegd” °!3°. De Perzen brachten hun offers bij voorkeur op een bergtop °°. De val van Jeruzalem in 587 v. Chr. maakte de weg vrij voor een geheel nieuwe vorm van profetie. Daniël zocht tijdens de Babylonische ballingschap Jahwe met gebed en smekingen, met vasten en zak en as °'**. Hij bad en deed belijdenis ***2. De engel Gabriël kwam tot hem en voorspelde hem de terugkeer naar het vaderland ?'**. Daarbij bleef het niet. Nogmaals treurde hij, ditmaal gedurende drie weken °!** Hij at begeerlijke spijs noch vlees, hij dronk geen wijn en zalfde zich niet?!*S. Aan de rivier Tigris staande, zag hij daar een bovenaardse gestalte, vermoedelijk de riviergod *'*®, en deze zegde hem de ondergang van het Perzische rijk toe 217. — Baruch bleef na de deportatie der Joden te Jeruzalem achter. Hij scheurde zijn klederen, weende, rouwde en vastte gedurende zeven dagen *'**. Toen kwam op de berg Zion het woord Gods tot hem?!*°. Hij vastte wederom zeven dagen ***°®, met hetzelfde resultaat. Een derde maal werd hem door Jahwe opgedragen zich gedurende zeven dagen te heiligen, brood te eten noch water te drinken en met niemand te spreken °***. Hij trok zich terug in een grot in de vallei van de Kidron en deed gelijk hem opgedragen was?'5?. Des avonds begaf hij zich naar de berg Zion en bad °'**. De hemel opende zich en Jahwe sprak hem toe ?!**. Op geheel dezelfde wijze werden hem nog twee maal vasten gedurende een week voorgeschreven, werd hij naar Zion ontboden °*** en zijn gebed aldaar verhoord ***$. — Dertig jaar na deze rouwde Ezra te Babylon over de ellende van zijn volk. De engel Uriël verscheen hem en droeg hem op gedurende drie weken te vasten ?'*’; maar het begin van 2193 IT Kon., XIX 11. Ee EKon, KEK 13 2197 De Maat der Dingen, blz. 15, noot 108, 109. 2138 Zie noot 1725, onder 4°. dn Phil. Jud., De Somn., 1 36. Zie noot 1739. 140 Herod., Hist, I 131; Diod. Sic. Bibl. Hist, V 44, 7; Strab., Geogr., XV 3, 13; Appi Een EE LVII 19; Idem, Jaät, V 25, IX 8, 17, X 88, XV 7, 15, XVII 28, 37. en 2142 Dan., IX 4-20. 2143 Dan., IX 21-27. 2144 Dan, X 2. Drie maal een week? Zie noot 2157 MS Dam Ka 2146 « ee Ee nr LIT, Leiden, 1971, blz. 33, noot 23. 2048 T-Bar. DC2. EH Bar. 13. 2150 YI Bar., XII 5. Op de berg Zion: ibid., XIII 1 2151 IJ Bar., XX 5. 2452 1 Bar, XXI 1. 2153 TJ Bar, XXI 4-26. 2154 1I Bar., XXII 1-8. 2185 1] Bar, XLIII 3, XLVII 2. 2156 II Bar., XLVIII 1-24. 2157 TV Ezr., VI 35. De periode is ontleend aan het boek Daniël, zie [329] noot 2144 Mithr.,

Página 34

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
de tekst, waarin de eerste week beschreven stond, is verloren gegaan. In de tweede week verscheen de engel weder en beval hem te bidden, te wenen en gedurende zeven dagen te vasten *!°5. Hij deed het, in rouw en geween, en de engel openbaarde hem de toekomst 215°. Zo ook de derde maal®'®°. Daarmede waren de vasten ten einde ?!6!, maar de vizioenen gingen tot zeven maal door. De engel stuurde hem het vrije veld in, waar hij van de veldvruchten mocht eten, doch zich zeven dagen lang van vlees en wijn moest onthouden 2!6?. Hij bad en kreeg een vizioen. De vijfde maal °*** droomde hij een droom; de zesde, nog steeds in het veld, met vruchten tot voedsel en wederom gedurende zeven dagen ?!6*, insgelijks. Tenslotte, op de zevende en laatste maal, drie dagen na de voorgaande ?!$5, gebood de engel hem zich met vijf gezellen gedurende veertig dagen af te zonderen °'°$. Op de eerste dezer werd hem een hemelse kelk voorgehouden, welks inhoud hij uitdronk ?*®°. Daarvan vervuld, dicteerde hij zijn helpers vier en negentig boeken ?'€®, zijnde, naar wij verstaan, de vier en *€°. twintig van het Oude Testament, plus zeventig apocryp2 he Na de zondvloed vond Noach op de droogvallende aarde een wijnrank. Om te weten wat hij ermede doen moest, bad hij, al wenend, gedurende veertig dagen. De engel Sarasaël verscheen hem en stond hem toe de rank te planten ?*’®. Vasten worden in deze passage, Christelijke interpolatie in een apocalyptisch werk, niet vermeld. — Asnath, dochter van de Egyptenaar Potifar, onthield zich in de naar Jozef en haarzelf genoemde romance gedurende zeven dagen in rouw van brood en water °*”*. De engel Michaël daalde uit de hemel neder, troostte haar met de mededeling, dat zij van dit ogenblik af wedergeboren werd, en zegde haar Jozef als gemaal toe °'"?. — In vrees voor de Babylonische koning Nebukadnezar, die hem wilde doden, verzocht Daniël, volgens de tekst der Septuaginta, zijn metgezellen te vasten, te bidden en zichzelf te kwellen °'”®, ten einde de hulp Gods af te smeken. Hijzelf, niet de metgezellen, droomde de verlossende droom °*”*. — Jezus bereidde zich op zijn profetische taak voor door zich gedurende veertig dagen in de woestijn °'”* bij de wilde dieren °'”° terug te trekken. Aldaar werd hij door de duivel beproefd. — De hoofdman Cornelius vastte en bad 28 TV-E rr V- 13. 2159 TV Ezr., V 20. 2150. PV Bat, VE3L 35. 2161 TV Ezr., IX 23. 2162 TV Ezr., IX 23-28. 2163 JV Ezr., X 59, zonder vermelding van onthouding. 2164 JV Ezr., XII 51. 2165 IV Ezr., XIV 1. 2166 TV Ezr., XIV 23-25, 36, 43-45. 2167 TV Ezr., XIV 38-41. Zie noot 829. 2168 TV Ezr., XIV 42-44. 2169 TV Ezr., XIV 45-46. Voor het getal zeventig, vgl. De Brief van Aristeas, blz. 124-126. 2170 1 Bar., IV 12-15. 2171 Jos. et Asen, XIII 8. 2172 Jos. et Asen, XV 3-5; vgl. XIII 9. 2173 Tekst: Tpopia. 217 Dan, Il 13-19 (LXX). 2175 Ev. Matth, IV 2; Ev. Marc, [ 13; Ev. Luc., IV 2. 2176 Ev. Marc, I 13.

Página 35

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
gedurende vier dagen in zijn huis. En zie, een man stond voor hem in een blinkend kleed, en zeide: „Cornelius! Uw gebèd is verhoord” 2177. Mantiek in minder loffelijke zin was de necromancie of opwekking der doden. Saul raadpleegde de heks te Endor en deze riep de inmiddels overleden profeet Samuel voor hem op °*”S. Saul had die dag en de voorgaande nacht geen brood gegeten 27°. De necromancie was de Joden verboden *'*°, maar werd desalniettemin door de Rabbijnen bedreven. Dezen vastten gedurende een week °'®*, een maand?!8? of tien maanden °'S*, alvorens de dode hun verscheen. $29 De onthoudingen gedurende de veldtocht, de jacht en de vaart op zee waren begeleidend; men onthield zich zolang als deze duurden. In de in $28 besproken gevallen was er slechts sprake van een enkele handeling, het treffen van een beslissing. In de hier volgende vormen de handelingen een keten, vloeien de beslissingen uit elkander voort. De veldtocht was heilig bedrijf. Men ondernam hem niet zonder vooraf het orakel 2'8*. Luidde het advies gunstig, dan werd de oorlog geheiligd °'**. te hebben geraadpleegd Dat geschiedde door het brengen van een offer 286, oorspronkelijk mensenoffer °**”, hetwelk na het einde van de strijd, en bij fortuinlijke afloop daarvan, op feestelijke en minder smartelijke wijze werd herhaald ?'S®. Jahwe trok met de Israëlieten mede ten strijde 18°. Hij woonde in het leger °'°9, daarin vertegenwoordigd door de ark des verbonds?!°*, en opende de vijandelijkheden door voorop te trekken ?'°?. Zijn aanwezigheid verleende de legerplaats de staat van heiligheid ?'°3. Alle onreinheid moest verre van haar blijven 2124. De soldaat zelf was een heilige?'°5. Hij onthield zich gedurende de veldtocht van gegiste 2177 Handel, X 30-31. 2178 T Sam, XXVIII 7-25. 2179 1 Sam, XXVIII 20; Flav. Jos., Antiq., VI 337. 2180 Deut, XVIII 11; Jezaj., VIII 19. 2181 Acht dagen: Talm. Jer., Kil'aj., p. 32b, 60; Idem, Ketüb., p. 35a, 63-64. 2182 Midr. Genes. Rabb., XCIV 9; Midr. Predik. Rabb., IX 10, 1. 2183 Talm. Jer., Kil'aj., p. 32b, 65-66; Midr. Predik. Rabb. IX 10, 1. Onbepaalde tijdsduur: Talm. Jer. Terüm., p. 46b, 54-55. 2184 Richt, XVIII 5, XX 27-28; 1 Sam, XIV 37, XXIII 9-12, XXX 7-8; II Sam, II 1, V 19, 23; I Kon., XXII 5-28; 1 Chron., XIV 10, 14; II Chron., XVIII 4-27; Flav. Jos, Antiq., VII 72. 2185 Jerem., VI 4, LI 27-28; Joël, TV (III) 9; Mich., III 5. 2186 Joden: Flav. Jos, Bell. Jud, 1 380; Idem, Antiq., XV 147. Perzen: Xenoph., Instit. Cyr, III 3, 21. Indiërs: Mahabharata, V 124, 2. Weigering van het kinderoffer door Hannibal: Sil. Ital., Pun., IV 763-829. 2187 Grieken: Phylarch., fr. 80 (Jacoby); zie noot 663. 2188 Richt., XI 30-31; I Sam., XV 21. 2189 Exod., XIV 14, XV 3, XVII 16; Numer., XXI 14; Deut, I 30, III 22, XX 4; Joz, XXIII 3, 10; 1 Sam, XXV 28; Jezaj., LXIII 10; Jerem., XXI 5; Zacharj., XIV 3; Nehemj., Flav. Jos., Antiq., IV 297, VIII 283, IX 12. IV 14 (20); HI Chron., XX 15, 17, 22: RES 2190 Numer., V 3; Deut., XXIII 15 (14). 20 TSam IV 5-7; II Sam., XI 11. Vgl. Numer., X 35; Joz., VI. 2192 Zie noot 859, onder 5°. De ark des verbonds: Numer., X 35. 2193 Deut, XXIII 15 (14). 2194 Numer., V 2-4, XXXI 19-24; Deut, XXIII 10-15 (9-14). 2195 Jezaj., XIII 3. Vgl. Flav. Jos, Antiq., TV 298, V 45, VIII 295. De Spartaan vocht bekranst: Damasc., fr. 103 Jacoby; ad z 16); vgl. Herod., Hist, Nicol.

Página 36

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
drank 2*°$ en van geslachtelijk verkeer °'°”, en hij zalfde zich niet **°®. De wapens, waarmede hij vocht, waren door hem vooraf aanbeden ?'°® en met spreuken betoverd ?°°°. De onthoudingen waren symbolisch, daarneven uiteraard disciplinair. Zijn heiligheid ten spijt had de soldaat zich na afloop van de veldtocht van doodslag te reinigen °°°*. De jacht op dier of plant was eveneens vorm van strijd. Dier en plant werden, gepersonifieerd, als gelijkwaardige tegenspelers van de mens beschouwd. De jacht was heilig °?°?, in het bijzonder die op het wilde dier. Het wilde dier was de primordiale vijand des mensen °°°®. De menselijke cultuur was eerst mogelijk geworden, toen in de oertijd de halfgoden de wilde dieren hadden teruggedrongen ??°®* Ook de jager reinigde zich, en zelfs zijn honden, na afloop van de jacht??°®*. De botanist verzamelde zijn kruiden in staat van reinheid 22°, Hij had zich gebaad?°°®”, van geslachtelijk verkeer onthouden °°® en was nuchter °°°. Hij bracht een offer aan de aarde ter plaatse, waar hij de plant aan haar ontgroef 2210, De zee was het rijk der niet-geactueerde potentie °?!*, het rijk des doods ?2!?. Om de delen van haar vermoorde gemaal Osiris bijeen te zoeken, om potentiële veelheid te herleiden tot actuele eenheid °?'*, voer de godin Isis in een van papyrus vervaardigd bootje in de moerassen rond, en de krokodillen genaakten haar niet 224. Zij werd vandaar tot schutsvrouwe 2196 Carthagers: Plat, Leg., 674a; Aristot., Oecon., 1344a. 2197 Joden: 1 Sam., XXI 6 (5); II Sam., XI 11; Flav. Jos, Antiq., VII 133. Romeinen: Dio Cass, Hist. Rom., LX 24, 3; L. Mitteis en U. Wilcken, Grundzüge und Chrestomathie der Papyruskunde, Leipzig en Berlijn, 1912, deel IT 1, blz. 281-286, deel II 2, blz. 418-424, de nos. 372 en 373. Vgl. Tacit., Ann, III 33-34. 2198 Philostr., De Gymn., 7. 2199 Indiërs: Mahäbhärata, III 20,20, V 149,37, VIII 26,8-9, 27,58, IX 16,43. 2200 Indiërs: Mahäbhärata, VII 121,30-31, VIII 66,49,52,58, 67,19-22. 2201 Numer., XXXI 19-24. Vgl. Mahäbhärata, IX 61, 35-36. 2202 Plat, Leg, 824a. De goede koning vermaakt zich op de jacht: Dio Chrysost. Or., HI 135. 2203 Zie noot 720. 2204 Heracles: Pind., Nem., III 23-24; Pherecyd. Athen., fr. 17 Jacoby); Diod. Sic., Bibl. Hist, IV 17,3-4, 22,5; Strab., Geogr., XIII 1, 64; Aelian., De Nat. Anim, VI 40; Antipatr., in Anthol. Graec., IX 72 (Becky); Anon., in Anthol. Graec., XVI 123 (Becky). Orion: Arat., Phaen., 638-640; Parthen., De Amat. Affect., 20; Schol. in Arat., Phaen., 636. Vgl. Exod., XXIII 29. 2205 Arrian., Cyneg., 33. 2206 Herm. Trism., Cyranid., 1 7, 17 (p. 21, de Mély-Ruelle); Anton. Mus., De Herb. Vetton., 190; Plin., Nat. Hist, XXI 42, XXII 27; Ps.-Apul., Herbar., XXVIII, XXXVII, CXXX, CXXXI, Append., CXIV 4, CXX, CXXX. 2207 Apollon. Rhod, Argon, III 860; Preisendanz, Papyri Graecae Magicae, IV 2968-2969; Plin., Nat. Hist, XXIV 103. Wit kleed: Plin., Nat. Hist, XVI 251, XXIV 103. 2208 Plin., Nat. Hist, XII 54; Solin., Coll. Rer. Memor., XXXIII 7; Anon, in Catalogus Codicum Astrologorum Graecorum, deel XII: M. A. F. Sangin, Codices Rossici, Brussel, 1936, p. 127, 13. Van lijkenonreinheid: Plin., Nat. Hist, XII 54; Solin., Coll. Rer. Memor., XXXIII 7. 2209 Plin., Nat. Hist, XXIV 104, 181, XXVI 91; Marcell, De Medicam., XXV 11; Ps.-Theodor. Priscian., Additam., p. 299, 3 (Rose). 2210 Theophr., Hist. Plant, IX 8, 7; Preisendanz, Papyri Graecae Magicae, IV 3003-3006; Plin., Nat. Hist, XXI 42, XXIV 103, XXV 30, 107; Ps.-Apul., Herbar., CXXX; Scribon. Larg., Compos., CLXIII. 2211 De Geboorte van Horus, blz. 289-290, noot 3151-3159. De in noot 3160 aldaar vermelde onreinheid van de zeeman is wel te verklaren uit diens voortdurend verblijf buiten Egyptisch territoir. 2212 Egyptenaren: Plut., Quaest. Conviv., VIII 8, 2. Joden: Jon, II 3. 2213 Zie noot 1055. 2214 Plut… De Is. et Osir., 18. Het zoeken naar Osiris, of naar Horus als in noot 2216, is het zoeken naar bevruchting: Camephis, blz. 58-59, noot 500, 501, 509, 510, 511.

Página 37

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
der scheepvaart °*'* en vond het zeil uit om deze te bevorderen °2'6. Het schip was heiligdom, goddelijk in al zijn delen °°”. Men offerde voor de aanvang ??'® en na de afloop °?'° van de vaart en bracht, wanneer het schip zich in gevaar bevond, een mensenoffer door een lid van de bemanning overboord te zetten °2?°. De zeevarende verkeerde in staat van reinheid 222!. Zolang als de reis duurde, onthield zich tenminste de kapitein van gegiste drank °°°? Allen onthielden zich van geslachtsgemeenschap ?22* en zo mogelijk ook van spijs 224, zekerlijk van dierlijke spijs. De aanwezigheid van een lijk verontreinigde het schip °*°*. Men ontdeed zich ervan door het in zee te werpen. Men ontdeed zich aan boord niet van zijn haren en nagels °°°, 2215 Isis-aretalogie, M 39: ëyò rotapöv kai vépov kaì Baháoons eipi Kvpia; Idem, M 43: èyò zpaóvo kaì kvpatvo Oákasoav; Idem, M 49: èyò vavmhias eipì Kopia; Petron., Sat, CXIV 5; Stat, Silv., III 2, 101-107; Juven., Sat., XII 26-28; Lucian, Dial. Deor., 3; Apul., Metam., XI 5, 16, 25. 2216 Op zoek naar het kind Harpocrates: Hygin., Fab, CCLXXVII 5; Cassiod., Var, V 17. Vgl. Isisaretalogie, M 15: &yò Gakácota Epya eöpov. Het in de wind bollende zeil is symbool van zwangerschap: Dodenb., XCIX, p. 193, 17, 208, 11 (Grapow); De Rochemonteix-Chassinat, Le Temple d'Edfou, deel VI, blz. 80, 3; Pap. Tanwerow, New York, 1 23; Achill. Tat, Leucipp. et Clitoph., V 16, 6; Nonn., Dionys., XL 458. 2217 Egyptenaren: Dodenb., XCIX, p. 180-208 (Grapow); Pap. Spiegelberg, 1 1-IF 2; De RochemonteixChassinat, Le Temple d'Edfou, deel VI, blz. 79,11 -80,11. Grieken: Achill. Tat, Leucipp. et Clitoph., V 16, 8. 2218 Perzen: Herod., Hist., VII 191. Grieken, behalve noot 636: Herod., Hist, II 119; Philostr., Vit. Apollon, V 43. Romeinen: noot 809. 2219 Grieken: Jambl., Vit. Pyth., 17. 2220 Joden: Jon., 1 7-15. Grieken: Plut., Sept. Sap. Conviv., 20; Anticlid. Athen., fr. 4 (Jacoby); Eumath. Macremb., De Hysmen. et Hysmen. Amor., VIT 12-15. Romeinen : Dio Cass, Hist. Rom, XLVII 49, 2, XLVIII 48, 5; Serv, Comment. in Vergil., Aen, III 275. Celten: Vita Sanct. Moct., 1 (J. Bolland en Anderen, Acta Sanctorum, Antwerpen en Brussel, vanaf 1643, Augustus, deel III, p. 743 E). 2221 Vgl. Theophr., Charact., XXV 2. 2222 Carthagers: Plat, Leg. 674b. 2223 Joden: Talm. Babl., Sanhedr., 108b; Midr. Genes. Rabb., XXXI 12, XXXIV 7, XXXVI 7; Me'arr. Gazz., XVI 17, XX 5 (Riessler). Grieken: Achill. Tat, Leucipp. et Clitoph., V 16, 8. 2224 Indiërs: Ápastambadharmasütra, 1 5, 17, 6. Grieken, Pythagoras: Jambl., Vit. Pyth, 16. 2225 Syriërs : Hist. Apollon. Reg. Tyr., 25. Romeinen : Vergil., Aen, VI 149-150, met commentaar van Servius: Plut., Cat. Min, 15; Dio Cass, Hist. Rom., XLVII 49, 2. 2226 Petron., Sat., 104.