DE HYGIENE

Autor
Stricker, B.H.
Publicado en
OMRL
Año
1968
Tema
Idioma
Nederlands
Categoría
C12 Religión
Número de archivo
8163

Abrir PDF(se abre en una ventana nueva)

Mostrar texto completo22 páginas

Página 1

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
De Hygiëne $ 3 Reinheid des lichaams is ethisch gebod, maar tot instandhouding van de gezondheid tevens noodzaak. Reinheid uitwendig wordt verkregen door wassing, reinheid inwendig door onthouding. Het lichaam assimileert slechts een bepaalde hoeveelheid voedsel; alwat meer is, is overtollig en veroorzaakt ziekte. Is de ziekte eenmaal uitgebroken, dan moet, wil beterschap volgen, dit residu door onthouding afgevoerd worden. Hetzelfde geldt van het geslachtsverkeer; ook daarin schaadt alle overdaad. Het weinige, dat wij in de teksten over de hygiëne vernemen, heeft vooral betrekking op de onthouding van voedsel. „De Egyptenaren, die in het bebouwde deel van het land wonen”, zegt Herodotus — en men vraagt zich af wat hij daarmede precies bedoelt — „hebben de volgende levenswijze. Drie dagen achtereen (êre£%c) in iedere maand nemen zij zuiveringsmiddelen in en jagen de gezondheid na met braakmiddelen en clysteren, in de mening, dat uit de ingenomen spijzen alle ziekten bij de mensen ontstaan” #6). Datzelfde, onder vermelding van een andere cyclus, zegt ook Diodorus Siculus: „Om ziekten te voorkomen behandelen zij hun lichamen met clysteren, vasten en braakmiddelen, somtijds dagelijks, andertijds met tussenpozen van drie of vier dagen. Want zij zeggen, dat van al het ingenomen voedsel het merendeel overtollig is en dat daaruit de ziekten ontstaan; weshalve zij, door met genoemde behandeling de aanleiding tot de ziekte weg te nemen, de gezondheid het best bevorderen” #7). Men maakte van deze leefregel geen geheim. „Op de grote pyramide, zo eveneens Diodorus Siculus, vermeldde een inscriptie het bedrag der (voor de bouw) gemaakte onkosten, daar de tekst een bedrag van meer dan 1600 talenten noemt, uitgegeven aan groenten en zuiveringsmiddelen voor de werklieden” 2%). Het hygiënische leerstuk wordt met duidelijkheid uiteengezet in een Egyptisch wijsheidsboek: „Ziekte overvalt de mens, omdat hij van voedsel stinkt. Wie oververzadigd is van brood, wordt ziek met bitterheid; wie oververzadigd is van wijn, slaapt met wonden. Alle ziekten zijn in de lichaamsdelen wegens oververzadiging. Wie gematigd is in zijn leefregel, diens vlees geraakt niet in beweging. De ziekte treft hem niet, die zijn voedsel neemt met mate’ 1%). Ook van genezing door onthouding kan een voorbeeld gegeven worden. In een verhandeling over vrouweziekten is een recept opgenomen voor de vrouw, die aan een blaasontsteking 176) Herod., Hist., II 77. Vgl. Aristoph., Thesm., 857. 177) Diod. Sic., Bibl. Hist., 1 82, 1-2. 178) Diod. Sic., Bibl. Hist, I 64, 3. 179) Pap. Insinger, VI 11-16.

Página 2

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
lijdt. Zij moet gedurende vier dagen des morgens een samengesteld de dag vasten 7%). - recept innemen en 3 s ene ee S re Takt milde een leefregel, die met de door Diodoru nagenoeg identiek was; zij vastten twee maal per week, op Maandag en op Do 5 ie De Sabbat was voor de Joden onvoorwaardelijk feestdag, waarop niet gevast Moc worden. Maar ook de dag daaraan voorafgaande en de dag daarop eene moesten, 82). Onttrekt men wilde de feestvreugde volledig zijn, van vasten vrijgehouden worden tweemalig vasten een voor is dan Zondag, aan de week de dagen van Vrijdag tot en met ng der inoorspro de Over de keuze van Maandag en Donderdag voor de hand liggend. stelling bezaten de Joden zelf geen juiste traditie meer '#3). Het vasten op beide dagen was bij hen niet langer een zaak van alleen hygiënisch belang; het was geworden tot een werk van vroomheid '8%). Werden er publieke vasten afgeroepen, dan waren het steeds deze twee dagen, waarop men zich onthield 185). De Christenen vervingen de Zaterdag als gewijde dag door de Zondag en verlegden de vasten naar de Woensdag — waarom niet de Dinsdag? — en de Vrijdag 186). Over geslachtelijke onthouding als vorm van hygiëne ontbreken gegevens. Wel wordt het middel aangegeven, waarmede men naar kuisheid streefde, wanneer deze gewenst werd. Dat werd geleverd door de kuisboom, vitex agnus castus of &yvos, een struikgewas bij de profeten oeuvóv of alga iBewc, „Ibisbloed”, bij de Egyptenaren oovy geheten 157). De takken en bladeren van deze plant, op de reliëfs vooralsnog niet geïdentificeerd, hadden het vermogen de kuisheid op te wekken. De Egyptische priesters plachten zich daarboven ter ruste te leggen 18). De mens heeft de hygiëne geleerd van het dier. De heilige vogel ibis clysteert zichzelf regelmatig door zich met zijn snavel een lavement van zout water in de aars in te brengen 18°). De hond maakt gebruik van een braakmiddel. Wanneer hij zich door teveel aan spijs bezwaard gevoelt, eet hij een soort gras en spuwt het gegetene, met slijm en gal, weder uit 20). Het nijlpaard, dat zich overeten heeft en ziekte voorkomen wil, stijgt op de oever bij een onlangs gesneden rietveld. Hij werpt zich daarin neder op een scherpe stronk en opent aldus zeker bloedvat in zijn poot. Na zich ten ader gelaten té hebben, pleistert hij de wonde met slijk 191). De krokodil ligt ieder jaar gedurende zestig dagen 180) Pap. Kahun Gynaec., no. ro. Vgl. Philostr., Vit. Apollon, 1 8. 181) Talm. Babl., Ta‘an., 12a; Midr. Genes. Rabb., LXXVI 3; Meg. Ta‘an., appendix; Epiphan., Panar., XVI 1, 5. 182) Judith, VIII 6; Miën., Ta‘an., IV 3; Talm. Babl., Ta‘an., 27b. 183) Vgl. Midr. Tanhüm., Wajjar’, 16 (Buger); Meg. Ta‘an., appendix. De Vastenrol is niet ouder dan de zevende eeuw A.D. 184) Ev. Luc., XVIII 12. 185) Miën., Ta‘an., I 3-7, met Gemara. 186) Doctr. XII Apost., VIII r. 187) Dioscurid., De Mater. Med., I 103. 188) Chaerem., apud Psell., Quot Philos. Disp. Gen, p. 1 445, 22-23 (Kurrz-Drexr). Vgl. Schol. Venet. A in Hom, IL, XI ros; Eustath., Comment. in Hom., Il, p. 834, 35-36 (ed. Rom.). 189) Plut., De Is. et Osir., 75; Idem, De Sollert. Anim., 20; Galen, Introd., 1; Aelian., De Nat. Anim, II 35; Cicer., De Nat. Deor., II 126; Plin., Nat. Hist., VIII 97. 19o) Plut., De Sollert. Anim., zo; Aelian., De Nat. Anim., V 46, VIII 9. Vgl. Aristot., Hist. Anim, 6r2a; Sext. Empir., Pyrrh. Hyp. 1 71; Cicer., De Nat. Deor., II 126. 191) Plin., Nat. Hist., VIII 96, XI 227, XXVIII r2r; Ammian. Marcellin., Res Gest., XXII 15, 23.

Página 3

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
op zijn nest, zonder zich te verroeren en zonder zich te voeden 1%). Waarom, wordt niet medegedeeld. De gier, een vogel, die slechts in het vrouwelijke geslacht voorkomt, onthoudt zich uit begeerte naar nageslacht telkenjare gedurende vijf dagen van alle voedsel en wordt daarop door de noordenwind bevrucht 19%). De gier is het jaar zelf; de vijf dagen zijn de epagomenale dagen. De Bijbelse Sara vastte gedurende twaalf dagen ten einde een kind te bekomen, en zij ontving Benjamin *°%). De ibis heeft nog meer pijlen op zijn boog en betracht, behalve de genoemde, een vorm van hygiëne, die wel zeer de verbeelding treft. Hij richt zich met zijn dieet naar de maan en vermeerdert of vermindert zijn voedsel al naar gelang dit hemellichaam wast of afneemt 195). Dezelfde onthouding wordt, aan de oostelijke grens van de antieke wereld, aangetroffen bij de Indiërs. Zij voerde daar de naam éândrâjana, duurde een maand en was boetedoening voor begane zonde. Men begon te vasten bij volle maan, waarop men vijftien happen voedsel tot zich nam. In de daarop volgende dagen verminderde men deze iedere dag met een, totdat men zich op nieuwe maan geheel van spijs onthield, waarna men dagelijks zijn rantsoen weer met een hap vermeerderde. Men kon ook omgekeerd te werk gaan, beginnen en eindigen met nieuwe maan en volledige onthouding. De eerste vorm, in het midden hol, heette in de wandeling ‚de mier’, de tweede, in het midden bol, „de gerstekorrel’’ 196). Het gevolg van de hygiëne is, dat het lichaam gezond wordt en de ziekte uitblijft 197). Wie zich onthoudt, verkrijgt schoonheid van gelaat 98) en lichamelijke veerkracht 199), de vrouw bovendien vruchtbaarheid). Het leven in matigheid is een lang leven 21). De Egyptenaren, in het bijzonder de hiërogrammaten en andere priesters, waren de gezondste en langstlevende aller mensen %?). De matigheid leidt ook tot wijsheid 28). Daartegenover schaadt alle overdrijving in onthouding; zij maakt de tanden zwart %%). De Soberheid $ 4 Reinheid in haar abstracte vorm, reinheid van ziel, wordt verkregen door soberheid. Hij is sober, die zijn lust niet verder vervolgt dan nodig is voor de instandhouding van zijn persoon; waarbij onder lust de geoorloofde lust is verstaan, niet de ongeoorloofde, die volstrekt moet worden bedwongen. Soberheid is een deugd van alle tijden, 192) Aelian., De Nat. Anim, X 21. 193) Horapoll., Hierogl., I zr. 194) Test. Benjam., 1 4. 195) Aelian., De Nat. Anim, II 35; Joann. Lyd., De Mensib., III 11, IV 76. Vgl. Marin, Vit. Procl., rg. 206) Bindhijenadharmakdstee: UI 8, IV 5, 17-21; Gautamadharmaöästra, XXVII; VäsisthadharmaSästra, XXIII 44-47, XXVII 21; Jäëfavalkjasmrti, III 324-327; Manusmrti, VI zo, XI 217-218. 197) Chaerem., fr. 6 (JacoBy; ad 8); Philostr., Vit. Apollon, VIII 7 (12). 198) Dan., I 15; Test. Jos., HI 4. 199) Chaerem., fr. 6 (JacoBy; ad 8); Flav. Jos, Antiqg., X 193-194. Vgl. Dan. 1 15. 200) Zie noot 193 en 194. 201) Philostr., Vit. Apollon., VIII 7 (12); Flav. Jos., Bell. Jud, II 15r. 202) Herod., Hist., II 77; Isocr., Busir., 22; Chaerem., fr. 6 (JacoBy; ad 8); Lucian., Longaev., 4. Evenzo de Magiërs en Brahmanen: Lucian. Longaev., 4. 203) Philostr., Vit. Apollon, VIII 7 (r2); Phil. Jud., De Migr. Abrah., 204; Flav. Jos., Antiq., 204) Talm. Jer., Sabb., 7c, 30; Talm. Babl., Häg., 22b; Ibid., Näz., 52b.

Página 4

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
i dse litteratuur, vooral in de maenNnadie litteraturen ten, ijsheidsteksten wijsheidste echter nimmer een ascetisch zijn aangewezen. Ee op de geschriften der Grieken sand k schrij oants zen: door de Egyptenaren laten verschillende uit hun wijn senden 2 tegen, zodat het moeilijk is ee red za aans : : : ijze spreken zij elkander allen emee 5 5 zeer gen samen te stellen. De Egyptische priesters nen me pannen Dn voc dumihtvoe 5.) Anders de eveneens welgeïnformeerde Alexandrijnse philosoo erg anzl die zegt, ee dat sommige priesters in het geheel geen, andere slechts weinig wijn dronken *°®). Plutarchus preciseert, dat de priesters van de Zonnegod des daags, onder het oog van hun heer en koning, geen wijn dronken 2?) ; hetgeen kan insluiten, dat zij het des avonds na de ondergang van de zon, of de opgang van de avondster 2%), wel deden. De overige priesters dronken volgens Plutarchus wijn, doch in geringe hoeveelheid *%), en allen onthielden zich ervan gedurende de reinheidsperiode 20). Anders weer de romanschrijver Heliodorus, die tot driemaal toe zegt, dat de priesters alleen water, geen wijn dronken ®%). De pharao, als priester beschouwd, dronk wijn in een door de heilige geschriften voorgeschreven maat; niet zoveel, dat het hem benevelde 12). De Egyptenaren, zegt Herodotus, zijn vorige opgave blijkbaar vergeten, drinken olvov &x xouÂéov Tero wévov, dwz. y bier, daar in hun land geen wijnstokken te vinden zijn a) . Waartegenover een schrijver Apoll E onius van onzekere identiteit: de Egyptenare n dronken aan tafel slechts zoveel wijn als nodig was voor de gezellighe id #4). De wijn stond blijkbaar in kwade roep. Men verweet hem, dat hij de mens tot razer nij brengt 215), diens gezondheid schaadt an en geslachtsdrift prikkelt #7). De Joodse opga ven, hier met enige west-Semietische uitgebreid, onthullen soortgelijke opvattingen. De Joodse priester mocht in zijn diensttijd geen wijn drinken ®8); hij mocht het in ieder geval niet in het heili ge van de tempel 219), Buiten diensttijd mocht hij het gedurende de nacht 220), dus des avonds. Sommigen oordeelden, dat de priester zich met water 21) beho orde te vergenoegen en de wijn in het 205) Herod., Hist., II 37206) Chaerem., fr. 6 (JacoBvy; ad 6). 207) Plut., De Is. et Osir., 6. bt 208) Athen. n , Dipn., 156b, vgl. Callixin. Rhod., ibid, 197d; Tertull., De Jejun., XVI 6; Hieron., 209) Plut., De Is. et Osir., 6. 210) Plut., Quaest. Conviv., V ro, z. 211) Heliodor., Aethiop., II 23, III 11, V 16. 212) Hecat. Abder., fr. 73 B, 11 (Drers). Perzen: Dur. Sam, fr. 5 (Jacosy). Indiërs: Ctes., fr. 5o (JacoBy). 213) Herod., Hist., II 77. 214) Apollon, apud Athen., Dipn., rgzf. Vgl. Dio Acad, apud Eund., ibid, 34b; Athen., ibid., 33, ef, 34C. Perzen: Ammian. Marcellin., Res Gest, XXIII 6, 76. 215) Anchsjoesjang, XI 6. 216) Chaerem., fr. 6 (JacoBy; ad 6). Vgl. Pap. Insinger, VI 13, hierboven, noot 179. 217) Chaerem., fr. 6 (JacoBYy; ad 6). Vgl. Hieron., Adv. Jovin., H 13. 5 218) Jezaj., XXVIII 7; Phil. Jud., De Spec. Legib., 1 98-100, 249, IV 191; Idem, De Vit. ed templ., 74; Flav. Jos, Antiq., III 279; Miën., Ta‘an., II 7; Talm. Babl., Ta‘an., 17, a-b, 26b; Ibid., Sanhedr., 22b. 219). ee X 9; Ezech., XLIV 21; Phil. Jud, De Ebriet., 126-127, 138; Flav. Jos., Contr. Apion., I rog, II 108; Idem, Bell. Jud., V 229; Miän., Kel. 1 g. 220) Miën., Ta‘an., II 7; Talm. Babl., Ta‘an., 17a. 221) Phil. Jud., De Spec. Legib., I 249.

Página 5

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
geheel niet moest aanraken °). Ook koningen en prinsen kwam het niet toe wijn te drinkenensterkedrank te begeren, opdat zij, dat doende, het recht niet zouden vergeten 223). Hetzelfde gold voor alle autoriteiten in functie: magistraten tijdens hun ambtsperiode 2), rechters in zitting 2%), raadslieden in vergadering °%%), kapiteins ter zee 22°). In ieder geval dronk men de wijn niet des daags *%). De slaaf dronk water °%), en zo ook deed de vrome, die zelfs in dit laatste de maat betrachtte 2%). De Joden vonden de wijn in het algemeen verderfelijk ®*). Hij prikkelt de lust 22); moet echter vermeden worden door hem, die een kind verwekken wil 2%). Het genot van dierlijke spijs stond voor de Egyptische priesters onder strenge beperkingen ®%). Bepalend moet voor hen de aard van het offer geweest zijn, dat in de eeuwen voor het begin onzer jaartelling in Egypte onbloedig was 25). Iedere schrijver geeft weer zijn eigen lezing. Herodotus zegt, dat voor de priesters heilige spijzen gekookt werden en hun allen dagelijks een grote hoeveelheid rund- en ganzenvlees toeviel 2%); hij licht dit niet nader toe, maar hij heeft het bloedig offer blijkbaar nog gekend. Tevoren reeds had hij vermeld, dat de priesters zich van alle doodslag rein hielden, voor zover zij niet offerden 27). Chaeremon wijst erop, dat de priesters zich te houden hadden aan de voorschriften der moschosphragisten en daardoor in hun keuze beperkt waren, maar ook, dat velen hunner nimmer dierlijke spijs nuttigden en zich allen het ontzegden gedurende de reinheidsperiode °°). Hiëronymus, die wel aan hem ontleent, meent, dat dierlijke spijs de geslachtsdrift stimuleert en voegt aan het vlees eieren en melk toe, verboden uit overweging, dat de eerste niets anders zijn dan vloeibaar vlees, de tweede niets anders is dan ontkleurd bloed °%). Volgens Heliodorus meden het vlees niet alleen de Egyptische, 222) Talm. Babl., Ta‘an., 17a; Ibid., Sanhedr., z2b. Vgl. Test. Isaac, V 5. 223) Spreuk, XXXI 4-5. 224) Carthagers: Plat., Leg., 674a. 225) Carthagers: Plat., Leg., 674b. Vgl. Jezaj., XXVIII 7; Miën., Sanhedr., V 5. 226) Carthagers: Plat., Leg., 674b. 227) Carthagers: Plat., Leg., 674b. 228) Carthagers: Plat., Leg., 674b. 229) Carthagers: Plat., Leg., 674a 230) Phil. Jud, Quod Deter., 19 (vasten ?); Idem, De Somn., 11 48; Talm. Babl., Pirq. Äb., VI 4; Mass. Kall. Rabb. VIII 4. Vgl. Dan, I 12, 16. Geen wijn: Test. Jud, XVI 3; Test. Issach., VII 3; Ev. Luc., VII 33. Rom., XIV zr. 231) Test. Jud., XVI 1-5; Phil. Jud, De Spec. Legib., I 98-100; etc. 232) Test. Jud, XVI 1. Carthagers: Plat., Leg., 674b. IV 16; Schol. in Platon. Alcib., 122a. sie Zo eden en tn Porphyr., De Abstin., ) SP-ÂSANA). (JAMA 13-15 ä i-Mahraspandän, ät-1-] Ï urpätätak-1i-Ëéand-i-Ät ‚ Vätak, 1950, noten 824-844. Leiden , XXXI deel N.R., Med., Oudh. ie”, ze De Pythagoreïsche Liturg 7, 15; de Meroieten: „1 n, Satur E ., : Macrob tenaren:: Stob. Herm., XXIII 56; ten: Tacit., pre ed be ag ete en: de Joden: Me‘arr. Gazz., XVI 25 (RIESSLER) ; de Cyprio atans eet Magn ete brengen koning en krijgslieden | Epist. CCLVIII 4. In de Avesta 21, 29; 72, 81, 108, 112, ari 3.8, 13, gr: Tat Vv 21, 25, 20, 33, 37, 41, 45, 49, 57, 68, Jaöt, V 8, 17, 91, masda en Zarathuätra echter onbloedige: 8 ist, II Ee : 37. 5. 104, 124, : rti., V 31, 41; Visnusmrti, LI 59 pi ee : a I ae vgl. Manusm ). ad Y; nem 238) Chaerem., fr. 6 (JacoB mOOr denaar . Zon 1e ei opent is 2 ) Hieron., Ad Vv « ovin. » u I3. W [22] Et.

Página 6

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
maar ook de Meroïetische priesters #0). mmmanti oanene: Se ziee aten, als zijnde licht verteerbaar *"); Her « 5 Sens van en 3), Gevogelte kwam veel op de reet koningen, zegt Diodorus Siculus, voedden zich met kalfsvlees en eene à ple zi de priesters en de pharao waren ook de particulieren gehouden tot de door de r wetten opgelegde beperkingen. Ter consumptie stond hun, het vlees van de stier vrij; en dan nog alleen van het stierkalf, daar vele dieren versneden werden en, als ploegossen door het juk geheiligd, aan het offer waren onttrokken °°). Het vrouwelijke rund, de koe, was heilig 7); het varken onrein. Ten aanzien van schaap °®) en geit *°%) waren de inzichten verdeeld; voor de meesten gold het vlees dezer dieren, mogelijkerwijze als woestijndieren beschouwd, als onrein. Onrein was verder alle vis, gelijk reeds uiteengezet?) De Joodse opvattingen zullen met de Egyptische nauwe verwantschap hebben getoond, maar de keuze van offerdieren was bij de Joden van meet af aan toch groter; uitgesloten was slechts het varken. Het vlees, ter consumptie op tafel gebracht, was ook voor de Joden overtollige luxe. De „wijnzuiper” en de „vleesvreter” deelden in gelijke mate in hun verachting %1). De vrome at geen vlees %2). Helaas, zeer velen waren niet vroom en deden het wel 253). De Egyptische priesters voedden zich met brood, waaraan zij zout toevoegden 254), of hyssop om het iets van zijn kracht te onttrekken 255). Zout werd door hen ook gegeten tijdens het offer, daar aan alle offers zout, steenzout, werd toegevoegd 2%). Zij betrachtten echter grote reserve en brachten het niet op de tafel. Het zout scherpt de smaak der spijzen, prikkelt de eetlust en de dorst 257), maar ook de geslachtsdrift 28). Zeezout was bovendien onrein, daar het als schuim van de boze god Typhon aangezien werd 259), 240) Egyptenaren: Heliodor., Aethiop., II 23, III 11; vgl. Porphyr., Epist. ad Aneb., II 8b (Sopano). 241) Clem. Alex, Strom, VII 6, 33, 8. Vgl. Hieron., Adv. Jovin., II 17. 242) Herod., Hist., II 37. 243) Horapoll., Hierogl., 1 57; Hieron., Epist., CVII ro. Anders Chaerem., fr. 6 (JacoBYy; ad 7). 244) De aard der vogels is warm en droog: Hippocrat., Regim., IT 47; Idem, Epidem., VI 4,20, 6,5; Aristot., De Respir., 477b. Vgl. ook Plat., Phaedr., 246d. 245) Diod. Sic., Bibl. Hist., I zo, rr. 246) Pyth. Liturg., noot 419, waarbij Nonn., Dionys., II sr. 247) Hierover meer in de volgende aflevering van dit tijdschrift. 248) Niet gegeten: Herod., Hist, II 42; Plut., De Is. et Osir., 4, 5; Porphyr., Praep. Evang. III rr, 46; Sext. Empir., Pyrrh. Hyp. III 220; Juven., Sat, in Vergil., Aen, II 714; Hieron., Adv. Jovin., II 7: vgl. Genes, XLVI 34. apud Euseb., XV 11; Schol. Veron. Gegeten: Herod., Hist., II 42; Strab., Geogr., XVII r, 23; Plut., De Is. et Osir., 72. 249) Niet gegeten: Herod., Hist, II 42, 46. Gegeten: Herod., Hist., II 42. 250) Pyth. Liturg., noten 158-160. 251) Spreuk, XXIII 20; Rom, XIV 21; I Cor., VIII 13; Talm. Babl., Hull., 84a. 252) Phil. Jud., De Provid., II 70. 253) Phil. Jud, De Somn., II 49; Idem, De Provid., II zo. 254) Plut., Quaest. Conviv., VIII 8, 2: geen zeezout. Magiërs: Diog. Laert., Vit. Philos., 17; vgl, Eubul., apud Hieron., Adv. Jovin., II 14 (meelspijzen). 255) Chaerem., fr. 6 (JacoBy; ad 6: zò zokù Tic 8vvégews); Idem, apud Hieron., Adv. Jovin., MH 13 (esca gravior). 256) Pyth. Liturg., noot 670. 257) Plut., De Is. et Osir., 5. Vgl. Idem, Quaest. Natur, 3. 258) Plut., Quaest. Conviv., V ro, z, 4; Idem, Quaest. Natur. 3. Anders: Talm. Babl., Gitt., 259) Plut., De Is. et Osir., 32; Idem, Quaest. Conviv., VIII 8, 2.

Página 7

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
enak ar genuttigd 2%); vele soorten hiervan, in het bijzonder de peu dragers ), waren echter verboden. De groenten werden aangemaakt met spijsolie, hetgeen in veler oog overdaad betekende 263). Vruchten, als not ij dadels, waren vrij 2%). me Dat was het karige dieet i eat hkar unat es eet dder priesters , dat tijdens de reinheidsà groenten verminderd werd 2%). De priesters oefenden zich het gehele leven in het hongeren, dorsten en zich met weinig tevreden stellen 26). Hun ideaal was de slanke lijn; na kennisname van het voorgaande verwondert ons dat niet. Overigens was de Egyptische keuken verfijnd. Een staatsbanket de Perzische koning door een Egyptisch vazal aangeboden ontlokte diens bewondering %°). De maaltijd der bevolking zelf was sober. Men at slechts eenvoudige en gezonde spijzen %8). De disgenoten waren gezeten, wel op de grond °°), en de schotels werden rondgediend 2%). Spijsonthouding uit hoofde van soberheid leidde bij de Joden tot een soortgelijk dieet. Van de dierlijke producten werden kaas?!) en honing °?) gegeten. Johannes de Doper voedde zich met sprinkhanen °%). Sprinkhanen worden in de vroege oudheid als vogels’ betiteld *7%). Hun vlees werd echter op één lijn gesteld met de dierlijke en plantaardige producten °7%) en van het vlees der warmbloedige dieren onderscheiden °%%). Insecten, meende men, komen voort door spontane generatie; dus als planten uit de aarde, niet uit elkander 277). In de Christelijke periode wist men beter: ook de insecten zijn geslachtelijke dieren. Daarom vervangen sommige Christelijke schrijvers Johannes’ sprinkhanen door melk, honing, en andere producten *®). Sprinkhanen werden, en worden, gegeten door alle woestijnbewoners 27%); in de stad golden zij als voedsel der armen °). Het hoofdvoedsel 260) Chaerem., fr. 6 (JAcoBY; ad 6). Magiërs: Diog. Laert., Vit. Philos., I 7; Eubul., apud Hieron., Adv. Jovin., II 14. 261) Plut., De Is. et Osir., 8; Idem, Comment. in Hesiod., fr. go; Sext. Empir., Pyrrh. Hyp., III 224. Philosofen: Origen, Contr. Cels, V 35. Vgl. Diod. Sic., Bibl. Hist, I 89, 4. 262) Pyth. Liturg., noten 189-192. Anders Chaerem., fr. 6 (JAcoBY; ad 7). 263) Chaerem., fr. 6 (JacoBy; ad 6). 264) Heliodor., Aethiop., II 23; Clem. Alex., Paedag., II r, 16, 1. 265) Chaerem., fr. 6 (JAcoBY; ad 6, 7); Plut., De Is. et Osir., 5; Idem, Quaest. Conviv., V ro, 1-2. Vgl. Hieron., Epist., CVII ro. 266) Chaerem., fr. 6 (JAcoBY; ad 7). 267) Lyc. Naucr., fr. 4 (JAcoBY). 268) Apollon, apud Athen., Dipn., rorf. Perzen: Ammian. Marcellin., Res Gest, XXIII 76. 269) Apollon, apud Athen., Dipn., rorf. 270) Protag. Cyz., fr. 1 (JAcoBY). 271) Phil. Jud., De Somn., II 49; Idem, De Spec. Legib., II zo. Magiërs: Diog. Laert., Vit. Philos., 19. 272) Ev. Matth, III 4; Ev. Marc., 1 6. 273) Ev. Matth, III 4; Ev. Marc., 16. Ee Sprache, Leipzig, 1926-1931, 274) A. ERMAN en H. GraPow, Wörterbuch der Ägyptischen 20-23. XI Levit., deel III, blz. 461, rechts; 275) Miën., ear el 3- i E Zonnemythe, Anim., 715a, 731b, 761a, 762a-763b; etc. Voor bijen: ne Gen. De ns t., Aristo Vgl. 277) VII 14. II 3 (Riess_=Pelus., Epist., I 132; Me'arr. Gazz., XLVI 278) Epiphan., Panar., XXX de TeIsid. 6 5 8 À 4. „ Comment. in Matth, ‚ ISö‘dá Diod. Sic., \ Bibl. Aethiopiërs: î 7. II Jovin., Adv. Hieron., nd s: Herod., Hist, IV 172; on mt Libver Hist. VI 195. Parthen: Plin., Nat. Hist, XI eene at 29 en Strab., Geogr., XVI 4, 12; Plin., Nat. 22; Miën., Hull, III 7. I Aga at. Hist. VII 20. Joden: Levit., XI 106. Indiërs: Agatharchid., apud Plin., N, Epist., 14 (HERCHER). 280) Aristoph., Acharn., 1116, met schol.; Theophylact.,

Página 8

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
bij spijsonthouding was weer het brood ®); brood van een goedkoop soort 22), vervaardigd van gerst 3) en aan het spit gebakken %4). De priester nuttigde het met mate 25), de wetgeleerde vergenoegde zich met brood en zout %); Johannes de Doper at zelfs dat niet 7). Daarbij konden nog groenten %8) komen, als look %?), en een toespijs van olijven en andere vruchten 2%). Het geheel was eenvoudig toebereid 21). Men toonde zijn soberheid ook door maaltijden over te slaan °°). Over het verloop van de maaltijd is voor zoverre het de Egyptenaren betreft bitter weinig, voor zoverre de Joden vrij veel bekend. Egyptische en Joodse parallellen der Pythagoreische voorschriften zijn reeds in de voorgaande paragraaf gegeven °%%). Het belang van de maaltijd voor onze studie schuilt in het sacramentele karakter, dat hem werd toegekend. In Egypte zijn een aantal op papyrus in het Grieks geschreven en uit de tweede eeuw onzer jaartelling daterende uitnodigingen tot ‚de tafel onzes heren Sarapis'’ en 2%) tot „de tempel der godin Demeter’ °%) bewaard. Daar werden maaltijden gehouden, die zonder twijfel een sacramenteel karakter bezaten. Behalve, dat deze te drie uur des namiddags plaats vonden, het gewone uur van het avondmaal van de antieke, die veel vroeger naar bed ging, maar ook veel vroeger opstond dan wij, wordt ons helaas niets medegedeeld. De Joodse instellingen zullen ter sprake komen bij de behandeling der ascetische secten. De Egyptische priesters waren gehuwd, doch bezaten slechts een enkele vrouw 2%). Hun levenswandel was kuis 7). Zij meden alwat de geslachtsdrift prikkelt 2) en onthielden zich gedurende de reinheidsperiode geheel 2%). Volgens een incidentele opgave waren sommige priesters castraten %%). Hierin kan waarheid schuilen, daar ook de Egyptische Christen Origenes zich castreerde %!). Veelwijverij kwam bij de leken voor %2); 281) Phil. Jud., De Somn., II 48. 282) Magiërs: Diog. Laert., Vit. Philos., I 7. 283) Phil. Jud., De Somn., II 48. 284) Phil. Jud., De Spec. Legib., II zo. Vgl. Hippocrat., Regim., II 42; Athen. Dipn., 111b. 285) Test. Isaac, V 5. 286) Talm. Babl., Pirq. Äb., VI 4; Mass. Kall. Rabb., VIII 4. 287) Ev. Luc., VII 33. 288) Phil. Jud., De Somn., II 49; Idem, De Spec. nood: II Kon., IV 39. e 289) Phil. Jud., De Somn., II 49. 290) Phil. Jud, De Spec. Legib., II 20. 291) Phil. Jud., De Somn., II 5o. 292) Phil. Jud., Quod Deter., 19 (vasten ?). ib., II zo; Flav. er - Jos. Vit., rr. Bij hongers- : Zi 293) Hierboven, noten 66-92. 294) Pap. Oxyrh., nos. 110, 523, 1484, 1755; Pap. Oslo, no. 157; Pap. Fouad, no. 76; Pap. Colon, no. 2555. Waartoe: Aristid. Rhet., Or., XLV 27. 295) Pap. Oxyrh., no. 1485. 296) Diod. Sic., Bibl. Hist., I 80, 3; Heliodor., Aethiop., II 24; Hieron., Epist., CXXIII 7. 297) Apul., Metam., XI 16: de casto ore, letterlijke vertaling van fwr-r3, Edfou, V, 30, 1. Phoenicische priesters: Sil. Ital., Pun., III 28. 298) Zie noten 217, 239 en 258. 299) Chaerem., fr. 6 (JAcoBY; ad 7); Plut., Quaest. Conviv., V ro, 2. 300) Anaxandr. Com., fr. 39 (EpMonps); Firm. Matern., De Err. Prof. Relig., VIII 2 (Zonnegod); Eustath., Comment. in Hom., Il, p. 1183, 11-15 (ed. Rom.). 301) Euseb., Hist. Eccles., VI 8, 2. 302) Diod. Sic., Bibl. Hist., I 80, 3.

Página 9

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
zekerlijk minder vaak bij de armen dan bij de rijken %3). De vrouw moest zich, naar het voorschrift van de mythische koning Hephaestus, steeds met een enkele man vergenoeen en plichten van ieder gen 30%). De pharaonen bezaten hun harems, waarin de recht ijke verbindingen bestond bij de nauwkeurig geregeld waren %).). Voor buitenechtel van dede monogamie aan ten aanzien van Egyptenaren geen waardering °%%). De Joodse wet gaf , die in principe maagd moest de priester geen voorschriften; deed dat wel aan diens bruid %%). Geslachtelijk verkeer zijn 207). De Joodse opvattingen over het huwelijk waren streng k verkeer daarna 2 Het chtelij daarvoor werd niet toegelaten 2%), en evenmin buitene doel der geslachtsgemeenschap in het huwelijk was de verwekking van nakomelingen ?%1). Kuisheid was allen geboden %12); het symbool daarvan was de besnijdenis %%). De wetgeleerde had zich ook in het huwelijk te matigen %4). Wat over de lichaamsverzorging der Egyptenaren valt te zeggen, heeft zo goed als uitsluitend betrekking op de priesters. Dezen verfoeiden alle lichamelijke uitscheidingen, waaronder het haar en de nagels 315). Zij schoren zich niet alleen het hoofd, maar ook het gehele lichaam kaal; het zal later nog ter sprake komen. Zij wasten zich drie %6) of vier %?) maal des daags met rivierwater. De wassingen gingen wel vooraf aan de drie 38) of vier %9) dagelijkse offers en gebeden aan de Zonnegod, welke in staat van reinheid moesten worden verricht: bij zonsopgang, op de middag, bij zonsondergang en eventueel daarvoor nog halverwege des namiddags. De pharaonen begonnen de dag steeds met een bad 2%). De priesters sliepen op een op de blote grond gelegde van palmtakken vervaardigde mat, het hoofd rustend op het uit de pharaonische teksten als wrs bekende hoofdsteunsel 91). Het bed was in Egypte sedert het begin der dynastieke periode bekend, maar werd door 303) Vgl. Herod., Hist., II 92. 304) Anon., apud Joann. Malal., Chronogr., p. I 8e (ed. Venet). 305) Diod. Sic., Bibl. Hist., I 7o, ro. 306) Pap. Insinger, VII 21-VIII 3, IX 2, XIV ro. 307) Levit., XXI 7, 13-14; Phil. Jud., De Spec. Legib., I ror-109; Flav. Jos, Antiq., II 276-277. Ascetisch: Phil. Jud., De Vit. Mos., II 68. 308) Deut., XXIII 18 (17); Phil. Jud., De Joseph, 43-44- 309) Phil. Jud., De Joseph, 43-44; Test. Issach., III 5. 3ro) Test. Issach., VII 2; Menandr., Sentent., 38-39 (RIESSLER). 311) Test. Issach., II 3; Tob., VIII 7; Phil. Jud., De Joseph, 43; vgl. Idem, De Abrah., 253; Flav. Jos., Contra Apion., II 199; Idem., Bell. Jud, II 161. 312) Test. Joseph, VI 7, IX 2-3, X 2. 313) Phil. Jud., Quaest. in Genes., III 47-48. 314) Talm. Babl., Pirq. Áb., VI 6. 315) Plut., De Is. et Osir., 4, 5. Vgl. Esna, no. 197, 18, 19. 316) Pap. II Anastasi, VII 6-7; Pap. I Sallier, VII 6-7; Pap. Bibl. Nat., CXCVII, I 3; Chaerem., fr. 6 (JacoBy; ad 7). Indiërs: Baudhäjanadharmaëästra, II ro, 18 EE i 317) Herod., Hist., II 37. eneen 318) Pap. Bremner Rhind, 5 XXIII 7, 5 XXIV 20; Edfou, II r : ‚I 139,7, 141,13, 145,2, 171,9, 172,10, tire zeen ee ed ne en ee 6 (JacoBy; ad 8); Plut., De dat Oke n soto. Aan: „XI ë „téle van Tall al-Mashüta, S 23 (Demotische versie). Indiërs: entend 319) Chaerem., fr. 6 (JacoBy; ad 8). : i ie): Stèle a, Diod. Sic, Bibl. Hist, I 70, 4, IO. 321) Chaerem., ; fr. 6 (JacoBv; A ; ad 7);ì vgl. E ERMAN-GRr -GRAPOW, Wörterbuch, ö deel I, blz. Op de aarde slapen II 56. de Magiërs: Diog. Laert., Vit. Philos., I 7; de Brahmanen: [26] en me Phil. Jud SDe sede

Página 10

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
de grote massa der bevolking, die op een mat sliep %%), toch niet gebruikt. De aarde is de cosmische baarmoeder, de slaaphouding de embryonale houding; speculaties van symbolische aard kunnen in deze zaak medegespeeld hebben. Nog in de Graeco-Egyptische periode wordt de cultische slaap, tot verkrijging van een orakel, doorgebracht op een mat 323); eenmaal wordt voorgeschreven het hoofd daarbij op een baksteen te leggen 2). Dat het bed op dat late ogenblik voor profaan gebruik nog afgewezen zou zijn, is nauwelijks te geloven. De priesters hoedden zich voor corpulentie 3%). Zij hielden hun lichaam mager, op het voorbeeld van de door hen gediende god Osiris 3%). Over de haardracht der Joodse priesters, die in ieder geval niet kaal geschoren waren 22%), eveneens later. Deelname aan de liturgie stond priesters en leken, ieder op zijn eigen wijze, open op voorwaarde van lichamelijke reinheid 22%). De zeer vromen wasten zich des daags meermaals 32%), vermoedelijk weer voorafgaand aan de drie dagelijkse gebeden. In de Hellenistische periode ontzegden sommige particulieren zich het bad, dat zij wel als genieting beschouwden 2%), bij wijze van ascetische onthouding ®1). Bij het toilet behoorde ook het zich insmeren met olie, een zede, die bij alle volken van het antieke nabije oosten, Egyptenaren 332), Joden 23), Carthagers %%%), Grieken, doch niet langer, of althans niet in dezelfde mate, bij de Romeinen in zwang was 235). Men bezigde voor dat doel olijfolie 336) en vond, dat daarvan een stimulerende werking op het lichaam uitgaat %7). Geparfumeerde olie was uit den boze 28); in het geheel niet gezalfd te zijn teken van vroomheid 39). De Jood sliep op een bed, dat eenvoudig was, zonder luxe 0). De vrome verkoos de blote grond %), desnoods belegd met een mat, met natuurlijke stenen (!) of ruwe planken %2). Aldus ook de wetgeleerde 33), die bovendien zijn nachtrust kort hield 4). Het slapen op de grond remt de geslachts- 322) ERMAN-GRAPow, , Wörterbuch, deel V. E ‚ blz DIZ. 307, noot 8. Vgl. noot 426. 323) K. PREISENDANz, Papyri Graecae Magicae, Leipzi dn 1931, nos. II 22-23, 350 (blote grond), 672 (idem), 702-704; Mag. Londen-Leiden, V 7, 32. Pap. 324) PREISENDANZ, Papyri Graecae Magicae, no. VIII ro4. es Plut., De Is. et Osir., 5. ee 326) , Plut., De Is. s. etet Osir., Osir. 51;$ Synes., Aegypt., I 2. Hiero i ver meer in De Geboorte van Horus, VII 489-490, 668, VIII ro3, XIII 116, En gp grs ze Levit., XXI 5. 328) See en Priest ers: Exod. rte en , XXX 17-21; 17-21: Jubil. i , XXI 16;3 etc. Leken: Genes, XXXV 2; Exod., XIX 329) Flav. Jos, Vit. rr. 330) Talm. Babl., Beräk., 57b. 331) Phil. Jud, Quod Deter., 19 (vasten ?). Ee dd EE 937d, 1079b, 15rra, I512a, 2039. eut., 40; II Sam., XII 20; Mich, VI rs: 334) Polyb., Hist, III 87, 2. 335) Vgl. Polyb., Hist, III 87, 2; Dio. Cass, 336) Deut, XXVIII 40; Mich., VI 15. act an ae) De Somn., II 58: Talm. - tenen Hist. R Babl., Beräk. , 57b. 33 mOS, 6; Phil. Jud, De Somn., II 59. Vgl. S " k 339) Phil. Jud, Quod Deter., 19 (vasten 5) nt 5 342) , , , » . ., Phil E Jud., De Somn., HI 56. 343) Talm. Babl., Pirq. Ab., VI 4; Mass. Kall. Rabb. VIII 344) Talm. Babl., Pirq. Ab., VI 6. set [27]

Página 11

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
drift 5), Van lichamelijke oefeningen, van sport, vernemen wij bij de Joden een ogenblik onder de regering van de hogepriester Jason, in de eerste helft van de tweede eeuw voor het begin onzer jaartelling %%). Deze voerde onder druk der Seleucieden Griekse zeden in Jeruzalem in. De bevolking, priesters incluis, betoonde zich enthousiast, maar de kort daarop volgende opstand der Maccabeeën deed alles weder te niet. De ambtsdracht der Egyptische priesters was vervaardigd van linnen 37). De priesters waren ongeschoeid of geschoeid met sandalen van papyrus 4). Kleding vervaardigd van dierlijke producten, als daar zijn wol of leder, mocht in het heiligdom, waar alle doodslag gruwel was, niet worden gedragen #9). Tijdens het offer aan de Zonnegod had men ook zijn gouden sieraden af te leggen 2%); wellicht tot betoon van nederigheid, want goud is de materie van de zon zelf. Over de dracht der leken, die zich in het leven van alle dag niet al te veel van de cultische voorschriften aangetrokken zullen hebben, laat zich uit de teksten een uitvoerige documentatie bijeen lezen; maar er zijn helaas teveel onbekenden bij. De Joodse priester was eveneens gekleed in linnen %4) en verrichtte naar alle waarschijnlijkheid zijn dienst ongeschoeid %2). De Joodse leken waren buiten het heiligdom gekleed in kledingstukken, die veelal van wol waren vervaardigd 25). Zij toonden hun vrome gezindheid door soberheid. Kleding diende tot bescherming tegen het klimaat 3%), maar behoorde overigens eenvoudig %5) en zelfs onverzorgd te zijn %%). De vromen droegen des zomers een dun linnen gewaad met gordel, des winters een stevige ruige mantel 357). De profeten droegen een kameelharen kleed %8), met lederen %%) of linnen %%) gordel; in tijden van benauwenis ook diervellen %1) of zelfs boombast %2). Dat kan beroepsdracht zijn geweest; of was het alleen de plunje der armsten? Bij feestelijke gelegenheden bekranste men zich, doch met bloemen, niet met kransen van metaal, bijvoorbeeld goud, vervaardigd %3). De woning was eenvoudig; zij diende tot beschutting %) en mocht geen 345) Talm. Babl., Gitt., 7oa. 346) 1 Machab., 1 11-15; II Machab., IV 7-17; Flav. Jos., Antiq., XII 240-241. 347) Pyth. Liturg., noot 175, waarbij: Pianchistèle, 12; Esna, 197, 16, 18, 20. Magiërs: Diog. Laert., Vit. Philos., I 7. Ee 348) Pyth. Liturg., noten 174, 175. Philostr., 76; 71, Log., Id. Gnom. 17; 197, Esna, toe: Voeg 349) Pyth. Liturg., noten 174, 176. (WitCKEN). 12 6889, no. Berlijn, Pap. (5); 7 VIII Vit. Apollon, Philos., 1 7; Procop., De a Pyth. Bee noot 613. Magiërs en Perzen: Diog. Laert., Vit. : ‚ Pers., I 17, 28. Hist. en si) Pyth, Liturg., noot 178, waarbij: Hegesipp., apud Euseb., Eccles., II 23, 6; Epiphan., 2 5 216-217. _LXXVII 13,3, 14,1; Flav. Jos, Antig., XX : Indiërs 62b. Beräk. Babl., Talm. 5; IX Beräk., Ze Pyth. Lites Boot 177, waarbij: Miën., : Gautamadharmaëästra, IX 45. ad 20). Vgl. Pyth. Liturg., noot 179. je 353) Zo vooral Artapan., fr. 3 (JacoBYy; 354) Phil. Jud., De Somn., II 52. , IL 53. 355) Test. Issach., IV 2; Phil. Jud., De Somn. 356) Phil. Jud., Quod Deter., 19 (vasten ?). Phil. Jud., De Spec. Legib., II 20. , III 4; Ev. Marc., 1 6. ae HI ike 18; Zacharj., XIII 4; Ev. Matth Marc, I 6. 359) II Kon, 18; Ev. Matth. III 4; Ev. 360) Jerem., XIII 1. 5 37. Vgl. Genes., III zr. Hebr., XI 61) öästra, II 9, 22, 1; etc. re Flav. Tos. Vit. rr. Vgl. Apastambadharma 363) PhilSJud., De Somn., 11462. 364) Phil.*Jud., De Somn., II 54.

Página 12

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
lustoord zijn %5). Zo ook het meubilair %). Men kon met de handen drinken 27). Wilde men dat niet, dan was toch een aarden nap voor het doel toereikend 2%). De Egyptische priesters verrichtten hun taak in de tempel onder het meest volstrekte stilzwijgen 29). Dat was ter ere van de Zonnegod, die als Harpocrates, Horus-het-kind, tot zwijgzaamheid maande door de vinger op de mond te leggen 2). De priesters leefden buiten de maatschappij, geheel in beslag genomen door hun liturgische, letterkundige en wetenschappelijke taken °°!). Lachten zij een enkele maal, dan was dat, vooral gedurende de reinheidsperiode 22), toch niet meer dan glimlachen %%). Zwijgzaamheid was volgens de Egyptenaren een grote deugd; zij werd de jonge lieden door hen vanaf de oudste tijden ingeprent 2%). In de temenos van Osiris was alle geluid gruwel 2%); ook daar heerste een verplicht stilzwijgen. Hetzelfde was tot meerder ere van Jahwe het geval in de tempel te Jeruzalem; hoewel daar honderden priesters te werk gesteld waren, was het er doodstil 376). Ook de Joden hechtten grote waarde aan de zwijgzaamheid %7%); zij verwachtten van hun wetgeleerden in het bijzonder, dat zij zwijgzaam waren en zich niet aan scherts overgaven?”®). Veel verder in deze richting gingen leken als Bannus, de leermeester van Flavius Josephus 2%) en Johannes de Doper 2%), die zich geheel uit de maatschappij terugtrokken en zich in de woestijn vestigden. Tot zover de onthoudingen. Allereerst moet nu gezegd worden, dat de hierboven gegeven uiteenzetting aanvechtbaar is. Het is wel zeker, dat de priesterlijke onthoudingen van symbolische, niet van ethische oorsprong waren, dus eerst in het volgende hoofdstuk behoorden te worden behandeld. Toegegeven, dat dat zo is — en inderdaad zullen zij in het tweede hoofdstuk wederom ter sprake komen —, is toch ook haar opname alhier te verdedigen. De priesterlijke en de niet-priesterlijke onthoudingen vormen in de teksten, die ons ter beschikking staan, een homogene en daarom ook ondeelbare massa; zij worden alle gemotiveerd vanuit de ethiek. Bezaten wij over de priesterlijke een meer gedetailleerde informatie, wij zouden de symbolische of wellicht disciplinaire oorsprong van vele harer kunnen aantonen en de niet-priesterlijke, vermoedelijk uit haar voortgekomen 1), 365) Phil. Jud., Quod Deter., rg (vasten ?); Idem, De Somn., II 54-55. 366) Phil. Jud., De Somn., II 6r; Idem, De Spec. Legib., II 20. 367) Phil. Jud. De Somn., II 60. 368) Phil. Jud., De Somn., II 61. rs eee Metam., XI 22. Vgl. Heliodor., Aethiop., VI 15. 370, ut, De Is. et Osir., 68; Damasc., Vit. Isid., fr. 174 (ZINTZEN); Varr., apud Augustin De Civ. eeDei, XVIII 5; Auson., Epist., XXIX 27. Perzen: an Perzen: Ammi Ammian. Marcellin., in. Res Res Gest., Ge XXI B 13, 4. 372) Plut., Quaest. Conviv., V ro, z. sd Chaerem., fr. 6 (JacoBy; ad 6). 374) Ptahhotep, 166, 365-369;H Pap. I Sallier, VIII 6; Ani, ’ : , III II;» Amenemope, VI 7Baete id en I„andes EL XXVI 3; Anchsjoesjanq, XIV 12; Pap. Raduga en 5 ed : ‚ Das 376) Se Arist., 95. Götterdekret über das Abaton, Wenen, 1913, blz. 21, 23, 31; Pap. Dodgson, Vgl. Habak., II 20; Zefanj., 1 7; Ps., XXXVII 7, LXII 6, LXV _@{) Spreuk, XVII 28; Predik, V V 11-13; Test. Napht., III 1; Phil. Jud., De 2 Ebriet 71; Idem, De Fug., 86; 1 Thess., IV 11; 1; Sirac, Petr, III 4; Talm. 378) Talm. Babl., Pirq. Ab, III 17, VI 6. 379) Flav. Jos, Vit., 11. 380) Ev. Matth, HI 1; Ev. Marc., 1 4. 381) Vgl. Phil. Jud., De Vit. Contempl., 82, (29) Babl., Pirq. Ab. 1 15. III| rend

Página 13

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
tegenover 5 haar kunn en plaatsen. Bij d kan dat niet s documentatie der382), zn En ni ald dn iegeeist inheid dubbele , ‚ aldus definiëren : werd geentussen de priesterlij ih de verhoudin es de enen 2 zelf een sterlijke en de niet-priesterlijke es ze moeten wij tevreden Se ver de oors . ets nd der ascese waren onsbij dezijEgyptenaren en n d de Joden tradities in omloo n enige kleine fragmenten tot ee De ethiek Ie werd bijiij de schepping gekomen. ns zijn get mens’ door de: goden belabvetude re der wereld ge eeft zijn speciale deugd en is van deze deugd en el enen symbool. De soberheid, die aan de dieren twee bij wordt ligt, grondslag ten ascese beide goddelijk van aard, de selen deine De valk, peieel út bloed en ee nn zi iet meer dan de allergeringste hoeveelheid voedsel tot zich ss). De me en letterkunde symbool van sexuele potentie, maar is dat bij de z0ölo 5 in de pharaonischebespringt de en bespringt h gen van kuisheid. Hij koe zonder zich daarbij te bewegen tkeed de koe trou enen 's jaars voorgeleid 285). de stier Apis kreeg van zijn priesters eenmaal verslagen inEe > sens Is de stier door een mededinger 5 À var ee: 386 mined id door geslachtelijke verse nrssobe een tweede ronde voor E 6 ö 358 288).meene : all endieren Een symbool niet gescheiden %7); de stier is de minst geile van alle weiden ela ogie ontnomen was de hiëroglyphe voorstellend de met de hand vastgeh reeds voor in de ae zen roede; deze beduidde eveneens de soberheid 389). Zij komt der onanie 2%) teksten, maar wordt daar gebezigd voor het begrip êc hic Egyptenaren plachten de overledenen te mummificeren | De ten einde hun de onsterfelijkheid A Oovaot òé te verlenen ®%*), en verwijderden tn zonen van de god Horus personifiërend, uit het lichaam, die in vier lijkvazen, de vier berichten, waarin een ascetische toon valt apart werden bijgezet. Hierover bestaan drie Egyptenaren, die het dode lichaam opensneden te beluisteren. Plutarchus spreekt over „de de rest een gedeelte in de rivier wierpen en vervolgens daarvan toonden, zon de aan en Hij herhaalt dat gereinigd, mummificeerden”’ 22). van het lichaam, als zijnde hierdoor ingewanden tijd, over „de Egyptenaren, die de tegenwoordige de in dan, als spreekt en elders van de zon opensnijden en wegwerpen, aanschouwe ten hen het der doden verwijderen, *%). Veel uitvoeriger is door de overledene begaan’ den zon er all k zaa oor de de zijn elders niet bekende Egypte zijn zegsman noemt, een van ook die r nee wan Porphyrius, en, bericht van t hij, dat de Egyptenar mag onvermeld blijven, zeg „Niet Euphantus. naar „76, 135; Idem, 69 : Phil. Jud. De Ebriet., III 276, vgl. 278. Zo ook , 3. Hoge priester: Phil. iq. II Ant , in., Jos Abst v. De Fla r., ) 382 ib., Hr 63; Porphy Idem, D e Spec. Leg De Vit. Mos., II 68; 1 109. Jud., De Spec. Legib., ., 51. 383) Plut., De Is. et Osir I 46, II 78. l., rog 20. Hie , ll. apo Hor 384) . Memor., XXXII eg., II 72-82; 186; Solin., Coll. Rer I t., VII 385) Plin., Nat. His m, VIE. vgl. Aristot., Ani 386) Aelian., De Nat. 1 Vergil., Georg., III 224-24 m, 572b. 387) Aristot., Hist. Ani , 575aim An t. His t., sto 388) Ari 389) Horapoll., Hierogl., II 7- 390) Pyr., 1248a. L 24, 6. 391) Dio Cass, Hist. Rom., 16. 392) Plut., Sept. Sap. Conviv., 393) Plut., De Es. Carn, II 1. ian., Cyn Hist. Anim., 5754; Opp

Página 14

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
nder andere maatregelen, dan een tte:med en welke zij voor de zon plaatsen. Zij leggen een spreuk belijdenis af, waartoe een der met de mummificatie belaste lijkbezorgers reciteert. Deze spreuk, door Euphantus uit zijn moedertaal overgezet, luidt: „Mijn heer Zon en alle goden, die de mensen het leven verleent, ontvangt mij en schenkt mij het verblijf bij de eeuwige goden! Want ik heb de goden, die mijn ouders mij voorgehouden hebben, met vroomheid gediend, zo lang als ik in hun eeuw (aiúv) het leven had, en heb steeds hen, die mijn lichaam verwekten, geëerd. Ik heb van mijn medemensen niemand gedood; ik heb mij geen in bewaring gegeven pand toegeëigend, noch enig ander onherstelbaar kwaad begaan. Heb ik in mijn leven gezondigd door te eten of te drinken wat (als spijs) niet geoorloofd is, dan heb ik niet uit mijzelf gezondigd, maar door deze hier’. Daarbij wijst hij op de kist, waarin zich het ingewand (yaorhp) bevindt. Na deze woorden werpt hij (de inhoud) in de rivier en mummificeert de rest van het lichaam, als zijnde rein” %%%). Deze drie berichten zijn gelijkluidend en bevestigen elkander. De belijdenis afgelegd ten overstaan van de Zonnegod in diens functie van rechter is verwant aan de belijdenis van schuldloosheid in hoofdstuk CXXV van het Dodenboek, die echter nimmer onder de teksten op de lijkvazen wordt aangetroffen. De zonen van Horus waren de beschermgoden der ingewanden; zij verdrijven de honger van de dode, wordt van hen in een Pyramidetekst gezegd 2%). In een vignette van het boek Amduat schijnen zij de vier elementen te personifiëren %%). De bijzetting in de lijkvazen zou, indien dat zo is, de terugkeer van het dode lichaam tot de vier elementen beduiden; een uit de antieke letterkunde bekend motief %7). De onderdompeling der ingewanden in de Nijl moet geschied zijn met het oog op de wederopstanding, want Nijlwater is zaad 2%). Ongelukkigerwijze stelt juist dit detail ons voor moeilijkheden. Behalve de hersenen, die inderdaad weggeworpen kunnen zijn %%), zijn de ingewanden steeds voltallig in de lijkvazen aanwezig. Gegiste drank en dierlijke spijs worden door de mens zelf bereid, het geslachtsverkeer is van God gegeven. Is het genot van de twee eerstgenoemde althans door God geoorloofd gesteld? Men zoekt het antwoord op deze vraag weer in de voortijd. De Egyptenaren bezitten met betrekking tot de wijnbouw twee tradities. De eerste is negatief. De wijn is voortgekomen uit het bloed der Giganten. Dezen kwamen tegen de goden in opstand, maar werden door hen verslagen. Hun bloed vloeide ter aarde en daaruit ontsproot de wijnstok. De wijn is in werkelijkheid het bloed der voorouders; het is daarom, dat hij de zinnen benevelt #0). De tweede traditie is positief. De wijnbouw is onderdeel der 394) Euphant., apud Porphyr., De Abstin., IV ro. Vgl. Talm. Babl., Sabb., 151b. 395) Pyr., 552, b-c. 396) De Geboorte van Horus, Leiden, 1963-1968, blz. 165, fig. 25. 397) Grieken: Hippocrat., De Hebdom., 52; Stoic., fr. II 414 (VON ARNIM); Epictet., Dissert., HI 13, 15, IV 7, 15; Lucian, Hermotim., 7; Marc. Antonin, In Sem. Ips., II 17; Artemid., De Somn. Interpr., 179; Galen, Introd, 9; Procl., Comment. in Platon. Tim, p. III 319 (Drenr). Romeinen: Vell, Paterc., Hist. Rom., II 123, 2. Egyptenaren: Stob. Herm., XXIII 59. Joden: Phil. Jud, De Spec. Legib., I 266. Gnostieken: Hippolyt., Refut., V 21, 5, VII 38, 5. Manichaeërs: Mani, Cephal., p. 28, 12-13 (PororskY-Bönrig). Perzen: Xenoph., Instit. Cyr, VIII 7, 20. Indiërs: Brhadäranjakopanisad, III 2, 13. 398) De Geboorte van Horus, blz. 10g-121. 399) Zie Oudh. Med., deel XLV, Leiden, 1964, blz. 16, noot 12. 400) Eudox., fr. 300 (LASSERRE).

Página 15

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
menselijke beschaving. Osiris, opgevoed in de stad Nysa in Arabië, ontdekte daar de wijnstok, proefde van zijn vruchten en onderrichtte de mensheid in de wijnbouw 1). Als plaats van ontdekking wordt ook genoemd de stad Plinthine in de Mareotis, het centrum van de wijnbouw in Egypte %02). Over de wijn wordt in het Oude Testament het eerst gesproken in de episode van Noach. Deze plantte een wijnstok, bedronk zich en geraakte in twist met zijn zonen 4%). De Rabbijnen voegen daaraan enige details toe. De boom der kennis van goed en kwaad in het Paradijs, van welks vrucht Adam gegeten had, was de wijnstok 0%). Een twijg daarvan was door een der vier Paradijsrivieren medegevoerd en deze werd door Noach na afloop van de zondvloed gevonden 45). Volgens een interpolatie van Christelijke hand verkreeg hij van Jahwe uitdrukkelijk toestemming hem te planten %%®). Er waren ook niet-Bijbelse tradities in omloop. De gnostieken genaamd Severianen meenden, dat de wijnstok was ontstaan uit het zaad van de duivel, toen deze na zijn strijd met Jahwe als slang op aarde nederviel #7); wellicht de strijd door Jahwe gevoerd tegen de Giganten“®). De Phoeniciërs beschouwden als bakermat van de wijncultuur hun hoofdstad Tyrus *°°). Hier doen ook de Perzen hun intrede in deze studie. In hun mythologie komen de levende wezens op aarde voort uit de leden van een cosmisch rund, een koe, door Ahuramazda geschapen en door diens vijand Angromainiu gedood. Uit haar bloed ontstond de wijnstok, en daarom is de wijn bloedverwekkend #1), Bloedig offer en dierlijke spijs wegen zwaarder op het geweten van de mens dan de gegiste drank; ook over hen is veel nagedacht. De leer is bij alle antieke volken. dezelfde. De mens voedde zich oorspronkelijk met plantaardige spijs “!); de dag, waarop hij op dierlijke spijs overging, was tevens die van zijn eerste zonde. Voor de Egyptenaren wordt dat uiteengezet door Theophrastus, die uitvoerig beschrijft hoe de bewoners van het Nijldal zich voor offer en spijs oorspronkelijk bedienden van kruiden, vruchten, graan en koeken, zich vervolgens echter aan het dier vergrepen. De goden waren daarover vertoornd en straften hen door hen in staat van zonde te doen vervallen; sedertdien aten zij vlees, offerden velen, onvroom, in het geheel niet meer en brachten anderen, evenzeer onvroom, het verwerpelijke -dieroffer 42). In het boek Genesis geeft Jahwe aan het eerste mensenpaar onmiddellijk na hun verwekking een voorschrift inzake het door hen te 401) Diod. Sic. Bibl. Hist, I 15, 8. Op naam van Dionysus: ibid, III 62-74, IV 1-5. Vgl. Tibull., Eleg., 1 7, 33-42; Martian. Capell., De Nupt. Philol. et Merc., II 158; J. A. CRAMER, Anecdota Graeca e Codd. Manuscriptis Bibliothecae Regiae Parisiensis, Oxford, 1839-1841, deel II, blz. 189. 402) Hellanic., fr. 175 (JacoBY); Eustath., Comment. in Hom., Odyss., p. 1635, 16-17 (ed. Rom.). 403) Genes., IX 20-27. 404) Talm. Babl., Beräk., 40a, vgl. 34b; Ibid., Sanhedr., 7oa; Midr. Genes. Rabb., XV 7, XIX 5; Midr. Pesiqt. Rabb., XLII 1. Zo ook I Hen., XXXII 4; III Bar., IV 8, 16-17; Apoc. Abrah., XXIII -6. S 405) Pirq. Rabb. Eliez., 23; Targ. Ps.-Jonath, in Genes., IX 20. Vgl. III Bar. IV 11-12; Midr. Genes. Rabb., XXXVI 3. Zo ook de Grieken: Diod. Sic., Bibl. Hist., III 62, ro. 406) III Bar. IV 9-15. 407) Epiphan., Panar., XLV 1, 5. 5 408) PREISENDANZ, Papyri Graecae Magicae, no. IV 3058-3060. ze Achill. Tat., Leucipp. et Clitoph., II 2, 2. , III 46 (ANKLESARIA). Vgl. a Bundahiën, XIII 2 (AnkresAria); Viëitakihä-i-Zätspram 5 Atharvaveda, IX 7, 17. I 337-348. 411) Empedocl., fr. 31 B, 128 (Drers); Ovid, Fast, 412) Theophrast., De Piet. fr. 2-3 (PöTSCHER).

Página 16

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
nuttigen voedsel: voor hen is alle eetbare groente, voor de dieren is alle onkruid “%). De Rabbijnen lezen in deze woorden, dat de dierlijke spijs voor de eerste mensen verboden was gesteld #4). De volgende generatie was reeds aan het offeren; Kain offerde vruchten, Abel lammeren #5). Desondanks was Jahwe op de eerste en niet op de tweede vertoornd £16). De passage is niet bruikbaar voor het onderhavige onderwerp en door de Rabbijnen in deze zin dan ook niet van commentaar voorzien. Na afloop van de zondvloed sprak Jahwe tot Noach: „Alwat zich roert, dat levend is, zij U tot spijs. Ik heb het U al gegeven, gelijk het groene kruid” #7). Het verbod is hier opgeheven, de dierlijke spijs wordt zelfs voorgeschreven. Zo hebben alle commentatoren het opgevat «18): behalve de tot ascese geneigde Philo, die aan de passage een andere uitleg poogt te geven «19, Volgens een afwijkende traditie werd de eerste mens in het Paradijs door de engelen onthaald op gebraden vlees en gekoelde wijn #20); de bedoeling is echter slechts een voorstelling te geven der van de primordiale heilstoestand. Het leerstuk werd ook in de gewijde letterkunde het op overige volken behandeld. De schrijver Asclepiades vermeldt, dat de Phoeniciërs eiland Cyprus oorspronkelijk geen dieren offerden, maar het dieroffer invoerden, toen opdroeg, men bij wijze van substitutie ziel voor ziel verlangde. De priester, die het offer vlees. het van likte bij toeval de vingers af, kreeg de smaak te pakken en at met zijn vrouw Beiden werden tot straf hiervoor door de regerende vorst Pygmalion ter dood gebracht. Hun opvolger in het priesterambt beging dezelfde zonde en onderging hetzelfde lot. Middelerwijl waren de Phoeniciërs echter aan de dierlijke spijs gewend geraakt, zodat men met het straffen ophield #1). Van de Syriërs wordt gezegd, dat zij de eersten waren, die mensen en dieren offerden #22). In de overlevering der Perzen vervalt het eerste mensenpaar in zonde door een leugen uit te spreken #3). Dagen later slachtten zij een jong schaap, dat zij offerden en opaten 42). De ascese werd in historische tijd in Egypte gepropageerd door de eerste Saïeten, in de tweede helft van de achtste eeuw voor het begin onzer jaartelling. De documentatie is summier en vaag. Alexis een overigens onbekend schrijver, „zeide, dat Bocchoris en zijn vader Neochabis matig waren in hun voeding” 425). Hiertoe de geschiedschrijver Diodorus Siculus: „Men zegt, dat na de goden het eerst Menas over de Egyptenaren regeerde, die het volk leerde goden te vereren en offers te brengen, doch tevens tafels en rustbedden voor zich op te stellen en kostbare tapijten te gebruiken, die kortom overdaad en een verkwistende levenswijze invoerde. Daarom, zegt men, was Tnephachthus, de 413) Genes., I 29-30. 414) Talm. Babl., Sanhedr., 59b; Midr. Genes. Rabb., XXXIV 13. 415) Genes., IV 3-5. 416) Is de tekst in de oorspronkelijke gestalte overgeleverd? 417) Genes., IX 3. 418) Flav. Jos., Antiq., 1 ro2; Talm. Babl., Sanhedr., 57a, 5sgb; Midr. Genes. Rabb., XXXIV 13; Midr. Ps., CXLVI 4. 419) Phil. Jud., Quaest. in Genes, II 58. 420) Talm. Babl., Sanhedr., sgb; Mass. Äb. de Rabb. Nät., 1 8. 421) Asclepiad. Cypr., fr. 1 (JacoBy). Vgl. Neanth. Cyz., fr. 32 (JAcoBY). 422) Theophrast., De Piet., fr. 13 (PöTSCHER). 423) Bundahiën, XIV 15-16 (ANKLESARIA). Vgl. Avesta, Jaët, XIX 33? 424) Bundahiòn, XIV 21 (ANKLESARIA). 425) Alex. Sam., fr. 3 (MÜLrER).

Página 17

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
vader van de wijze Bocchoris, toen hij tijdens zijn regering, vele generat tocht naar Arabië ondernam, hem in dat verlaten en onvruchtbare ies later, een veldland de levennniniken kwamen te ontbreken en hij, gebrek lijdende gedurende één dag, genood zaakt was in de armelijke kost ten huize van enige daar aanwezige inwoners te delen, daarov er ten zeerste voldaan, veroordeelde de overdaad en vervloekte de koning, die als eerste het voorbee ld had gegeven tot een verkwistende levenswijze. De gewijzigde zede inzake voedsel, drank en slaap greep hem zo aan, dat hij de vloek in hiëroglyphische tekens deed aanbrengen op de schrijn van Zeus te Thebe. Dit vooral schijnt de reden geweest te zijn, waarom de roem en de eer van Menas niet tot in latere jaren heeft stand gehouden” 4). En Plutarchus, nagenoeg hetzelfde: „Men zegt, dat de antieken overdaad, verkwisting en genotzucht zozeer laakten, dat, naar verluidt, te Thebe in het heiligdom een stèle stond, waarop vervloekingen waren ingebeiteld tegen koning Minis, die als eerste de Egyptenaren van hun sobere, spaarzame en eenvoudige levenswijze had afgebracht. Men zegt, dat Technactis, de vader van Bocchoris, op een veldtocht tegen de Arabieren, toen zijn bagage op zich wachten liet, het (ter plaatse) aanwezige voedsel met smaak opat, vervolgens op een strozak in een diepe slaap viel en aldus gewonnen werd voor een frugale levenswijze. Dientengevolge vervloekte hij Minis en deed onder bijval der priesters de vloek op een stèle vastleggen” #27). Men kan slechts gissen naar de ware toedracht der hier vermelde gebeurtenissen. Saïs onder Tefnachte — aldus luidt de naam in de Egyptische vorm — was vorst der stad breidde hij zijn de regering der XXIIIste, Libysche dynastie. Na de val dezer laatste en, die OpperKoesjiet | de met conflict gezag over geheel Neder-Egypte uit en kwam hij in Menes, de van tenis Egypte bezetten. De oppositie door hem gevoerd tegen de nagedach cultuur als eerste koning van het dynastieke tijdvak, was oppositie tegen de Egyptische k was dat ogenbli dat op iseren; zodanig. Het is mogelijk, dat hij deze heeft willen reorgan schap, priester nse inderdaad urgente noodzaak. Hij verkreeg de medewerking der Thebaa de hervormer van zes eeuwen zich wellicht haar negatieve houding tegenover Achnaton, ht is tot heden niet terugopgeric tevoren, herinnerend. De stèle door hem in de tempel de stad zijner vijanden Thebe, gevonden; men verwondert er zich over, dat hij zich in Bocchoris. heeft kunnen wagen. Zijn werk werd na zijn dood voortgezet door zijn zoon Ook deze was critisch gestemd en voerde vernieuwingen in “%). Toen de Koesjieten hem in handen kregen, leidden zij hem op de brandstapel. Historisch is eveneens de volgende mededeling, ontleend aan de reisbeschrijving van Eudoxus, die haar optekende uit de mond van een Egyptische priester: „De koningen begonnen te drinken vanaf Psammetichus. Daarvoor dronken zij geen wijn, noch ook offerden zij hem als dierbaar aan de goden’ #°). Dit laatste is, gezien de talloze wijnplengingen afgebeeld op de pharaonische reliëfs, een nogal verrassende bewering. Het zal de priester echter niet zozeer om een eventuele wijziging in de offergebruiken zijn gegaan, als wel om het feit, dat Psammetichus als eerste pharao wijn dronk. Dat beduidt kritiek. Het is een verwijt van zedenbederf, waarvan het onderliggende motief van politieke 426) Diod. Sic., Bibl. Hist. I 45, 1-2. 427) Plut., De Is. et Osir., 8. 428) Hierover in de volgende aflevering van dit tijdschrift, 429) Eudox., fr. 300 (LASSERRE). aard

Página 18

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
geweest moet zijn. Psammetichus regeerde bij de gratie der Assyriërs, die de Koesjieten uit Egypte hadden verdreven en hemzelf als vazal besch ouwden #0). Hij moest zich staande houden met behulp van Griekse huurtroepen #1). Om te kunnen regeren opende hij Egypte voor de vreemdelingen, aan welke hij ten koste der Egyptenaren leidende functies in het leger inruimde 82). Met Griekse hulp bevocht hij te Momemphis de zege op de met hem concurrerende troonpretendenten #33), met hoofdstad Memphis in #4). Onder zijn regering was Griekse hulp ook nam hij de het, dat de Grieken in het jaar 630 v. Chr. de sprong over de Middellandse Zee waagden en op het Afrikaanse vasteland bewesten Egypte de kolonie Cyrene stichtten. Dat alles bezor gde hem de haat zijner landgenoten, die in groten getale naar het zuiden, naar Koesj uitweken #95). De ten tegenstelling tussen Opper- en Neder-Egypte werd de orthodoxie der Thebanen en met hen verbo allen tijde aanwezige daardoor tot een tegenstelling tussen nden Koesjieten en het opportunisme der Saieten. Van de herkomst van Psammetichus’ dynas tie is bitter weinig bekend. Voor de priester, die Eudoxus te woord stond, had zij blijkbaar haar grootheid gekocht met de slavernij der natie. Men zoekt tevergeefs in de litteratuur der Egypt enaren en der Joden naar een technische termin ologie der ascese. Men komt wel belangwekkende termen tegen, zoals bij de Egyptenaren ip.f 42), mh-h3tj.f?) en twt.f@8), voor het zich beheersen, drf 499), voor de matigheid, en bij de Joden vans 40), voor de boze drift; de laatste door Philo vertaald met #8ovú #1). Maar zij bewijzen vooralsnog weinig . De Egyptische termen hebben in hun context een ethische, niet een ascetische betekenis en de boze drift der Joden zette, Philo ten spijt, haar slachtoffers niet zozeer tot overdaad aan als wel tot zonde. Eerst de Grieken brengen abstracte definities. Zij prijzen de strijd vooral door de Egyptische priesters gevoerd tegen de êrbu{a, begeerte #42), de 8oví, lust #3), en de zébog, hartstocht 4), en tevens de &yxpárera, ingetogenheid #5), de xaxordbera, volharding #6), de 430) Assurbanipal, Annalen (Srreck): Cyl. Rassam, II 114-115. Vgl. ibid, I go-rrr, II 8-19; Tabl. K 228 + K 2675, ro. 33; Herod., Hist., II 152. É r) Herod., Hist, II 152, 154. ek Diod. Sic, Bibl. Hist. 1 67, 2. Relativering der Egyptische aanspraken op autochthone oorsprong: Herod., Hist, II 2. 433) Diod. Sic., Bibl. Hist., 1 66, 12. Polyaen., Strateg., VII 3. ben Herod., Hist., II 30; Diod. Sic., Bibl. Hist., 1 67, 3-7; Strab., Geogr., II 5, 14, XVI 4, 8, XVII zr, 2; etc. 436) Pap. Insinger, III 4. 437) Pap. Insinger, VIII 3. 5 pn , E 17. 8) Pap. Insinger, V 13, 17, VI 8, 17, ef Pap, ne IV 16-18, VI 15-16. Vertaald met oóggerpog in Inscr. Canop. A 17 (SPIEGEL tische versie). EE bij H. L. STRACK en P. BiLERBECK, Kommentar zum Neuen Et 5 5 Testament aus Talmud und Midrasch, München, 1922-1928, deel IV, blz. 466-483. 441) Phil. Jud., De Congress, 169; Idem, De Spec. Legib., II 160, 161; Idem, Quaest. in re II r4, vergeleken met Talm. Jer. Beräk., 7d, 63; Talm. Babl., Beräk., r7a; Midr. Genes. Rabb., : XXXIV ro. 7o, 6. Hist, I 70, Î Bibl. i Sic., Di 2) Chaerem., fr. 6 (JacoBy;5 ad 8). De pharao:: Diod. pen Plut., De Is. et Ee 2. De vromen: Isocr., Busir., 23; F. CuMoNT, L'Egypte des Astrologues, l, : ‚ blz. 149, noot 2. 2 £ f ee 6 (JacoBy; ad 6). De pharao: Diod. Sic., Bibl. Hist., I 71, 3. De vromen: CuMoNT, L'Egypte des Astrologues, blz. 149, noot 2.

Página 19

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
ovggerpla, matigheid #7), en de cwppoobm, soberheid 48), waarmede zij deze overwonnen. Sobria religio, zegt de Romein Apuleius ter typering van de Egyptische godsdienst #9). Dezelfde of soortgelijke termen als de hier vermelde worden ook gebezigd voor de Joodse priesters. De priesters leefden onder inachtneming der diverse reinheidswetten volgens de inheemse litteraturen, als asceten uit vrome overtuiging volgens de Grieken. Het verschil tussen beide typeringen ligt niet in de zaak zelf, maar in de gezichtshoek, waaronder zij beschouwd wordt. De inheemse litteraturen gaan uit van de daad, de Grieken gaan uit van de geestesgesteldheid, die haar veroorzaakt. De Grieken konden enige eeuwen lang hun wil aan de Egyptenaren en de Joden opleggen. In die eeuwen kwamen in het Grieks geschreven en voor een Griekse lezerskring bestemde teksten tot stand als het Corpus Hermeticum, de Septuaginta, de apocryphe en pseudepigraphische geschriften van het Oude Testament, het oeuvre van particulieren als Philo en Flavius Josephus. In hen alle vindt men ethiek en ascese behandeld in de theoretische trant der Grieken. Wat aan details inzake de afzonderlijke onthoudingen gegeven wordt, is in het bovenstaande verwerkt. De Gruwel $5 De onthoudingen tot hygiëne en tot soberheid worden door de mens aan zich zelf tot plicht gesteld. Er zijn andere, waarbij dat niet het geval is. Dat zijn de onthoudingen van de cultus, waartoe de mens verplicht wordt door God. Zij ontbreken uiteraard bij Pythagoras, die als wijsgeer slechts humanistisch onderricht verstrekte en de cultus overliet aan de locale priesterschappen. De cultische onthoudingen zijn te verdelen in onthoudingen van gruwel, welke tot de reinheidsleer, en cultische vasten, welke tot de symboliek behoren en in het tweede hoofdstuk ter sprake zullen komen. De leer der gruwelen is in een voorgaand deel van dit tijdschrift reeds uiteengezet Iedere antieke god heeft zijn sympathieën en zijn antipathieën. Deze met elkander strijdige gevoelens, die reeds tijdens de schepping der wereld het goddelijke handelen bepaalden, zijn kenbaar in het dogma. Zij betreffen het geheel der levende en der dode, der concrete en der abstracte natuur. De mens heeft hen in acht te nemen om voor God ontvankelijk te zijn en zich niet buiten diens gemeenschap te plaatsen “$1). De antipathieën Gods vormen de gruwelen. Deze zijn van zeer uiteenlopende aard “?). Hoewel zij alle voor de mens verbindtelijk zijn en hem tot onthouding nopen, vormt het geheel dezer onthoudingen geen ascese in eigenlijke zin, daar de menselijke ziel met haar lust en begeerte niet centraal 445) Chaerem., fr. 6 (JacoBy; ad 6, 8); Heliodor., Aethiop., II 25; CUMONT, L’'Egypte des Astrologues, blz. 119, noot 4. De pharao: Diod. Sic, Bibl. Hist., I 7o, 6. De vromen: Diod. Sic., Bibl. Hist., I 92, 5; CuMonr, L'Egypte des Astrologues, blz. 15o, noot 4. 446) Porphyr., Vit. Pyth, 8. 447) De pharao: Diod. Sic., Bibl. Hist. 1 7o, 12. 448) Isocr., Busir., 21; Plut., De Is. et Osir., 2. 449) Apul., Metam., XI zr. 450) Oudh. Med, N.R., deel XXV, Leiden, 1944, blz. 74-75. 451) Vgl. PREISENDANZ, Papyri Graecae Magicae, no. I 291-292: Onthouding van gruwel, érws êv el ueytornv EmBvpiav dydyns vòv Bed els of, „opdat gij de god tot een hevig verlangen naar U drijft”. 452) Pyth. Liturg., passim; P. Montet, Kêmi, deel XI, Parijs, 195o, blz. 85-116.

Página 20

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
is gesteld. Het zijn slechts verbodsbepalingen, in haar verscheidenheid bijeengehouden door de wil Gods, die haar oplegt zonder de menselijke wil te raadplegen. Een dezer gruwelen geeft aanleiding tot een onthouding, die met de ascetische onthoudingen verwantschap of althans gelijkenis vertoont. Die gruwel is de vreemdeling. De vreemdeling is onrein en onheilig, hij is de vijand Gods 453). Onrein de spijs en drank, die hij bereidt, onrein zijn vrouw en kinderen. Onrein ook het land, dat hij bewoont. Wie, zelf rein zijnde, verplicht is in dit laatste te verblijven, kan zijn reinheid slechts bewaren door zich alle geneugten te ontzeggen. Spijzen en dranken van buitenlandse oorsprong mochten in Egypte niet genuttigd worden door de priesters 44). Geen Egyptenaar gebruikte het mes, het braadspit of de ketel van een Griek, noch ook proefde hij van het vlees van een overigens rein rund, dat met een Grieks mes was geslacht 45). De Israëlieten, door de pharao de woestijn in gestuurd, slachtten aldaar voor Jahwe de gruwel der Egyptenaren, die hen zekerlijk gestenigd zouden hebben, zo zij erbij aanwezig zouden zijn geweest 46). De Jood, op zijn beurt, mag van de vreemdeling geen brood betrekken “57) en diens mes, braadspit of rooster slechts na voorafgaande reiniging gebruiken *8). Het door de vreemdeling geslachte vlees is niet meer dan aas 5), het door hem gebrachte offer verontreinigt het land %) en wordt in de tempel te Jerusalem niet aangenomen “!). De Jood, die in het buitenland verkeert, eet daar onreine spijs %?). Ook de Perzische koning meed alle spijs van buitenlandse herkomst 463). Voor de onreinheid van de vreemde vrouw zijn wij geheel op de Joodse litteratuur aangewezen; in deze gelukkig nogal mededeelzaam. Talloos zijn de passages in het Oude Testament, waarin over het gemengde huwelijk in termen van grote onwil wordt gesproken #4). Dit huwelijk werd echter aanvaard, wanneer de vreemdeling bereid was als proselyt de Joodse reinheid aan te nemen *5). De Israëlieten waren bij hun intocht in Palestina bezield door haat tegen de locale bevolking; Mozes verbood het huwelijk met de Kanaänieten geheel en al *). Dit gevoelen had niets van zijn scherpte verloren, toen de Joden zich na afloop van de Babylonische ballingschap wederom te Jeruzalem vestigden. Onder leiding van Ezra en de zijnen werden aldiegenen, die gemengde huwelijken hadden 453) De Brief van Aristeas, Amsterdan, 1956, blz. 36-58. 454) Chaerem., fr. 6 (JacoBy; ad 7). 455) Herod., Hist, II 4r. 456) Exod., VIII 22 (26). 457) Miën., ‘Ab. Zär., II 6, met Gemara; Tob., I ro-1z. 458) Miin., ‘Ab. Zär., V 12, met Gemara. 459) Misn., Hull, I r, 2, met Gemara. 460) Levit., XVIII zr, 25; Jerem., XIX 13. 461) Flav. Jos., Antiq., III 318-319. 462) Ezech., IV 13; Hoz., IX 3. 463) Dino, fr. 12 (JacoBYy); vgl. Xenoph., Instit. Cyr., VIII 8, 11. Voor de Grieken, vgl. Strab., Geogr., IX r, 11; Plut., Sol., XXIV r (uitvoerverbod). 464) Genes., XXIV 3, XXVI 34-35, XXVII 46, XXVIII 1, 6, 8; Numer., XII r; Richt, XIV 5 Spreuk. II 16-19, V, VI 24, VII 5-27, XXIII 27. Zo ook Tob., IV 12; Jubil., XX 4, XXII 20, XXV r-ro; Test. Job., XLV 3. 465) Genes., XX XIV 14-17. 466) Onthouding van het connubium: Exod., XXXIV 16; Deut, VII 3, 4; Jubil., XXX 7, rr. Waartoe: Richt., III 6-7; I Kon., XI 2.

Página 21

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
aangegaan, gedwongen de niet-Joodse vrouwen huiswaarts te sturen #7). De Rabbijnen geven ons de formule, die de leer resumeert: de vreemde vrouw is menstruerend vanaf de wieg “68). Met andere woorden, zij is bij definitie onrein. Met dit alles krijgt men te maken, wanneer men zijn vaderland verlaat. Toen koning Achab de priesterschap van Jahwe had doen uitroeien en de Kanaänietische cultus in Palestina in ere had hersteld, voorspelde de profeet Elia hem een natuurramp en vluchtte daarop naar het Jordaanse, waar de raven hem des morgens brood en vlees brachten en hij zijn dorst leste uit een beek #9). Na verloop van tijd keerde hij terug en zag kans tijdens een offerplechtigheid een aantal priesters van Baäl te vermoorden. Hij vluchtte ten tweeden male, ditmaal ver weg in het zuiden, naar de Sinaï. De tocht duurde veertig dagen, gedurende dewelke hij door een engel van Jahwe in leven gehouden werd met koeken en een fles water “7°). Evenzo handelde de profeet Jezaja, die zich na onenigheid met koning Manasse tezamen met een aantal getrouwen in de woestijn bij Bethlehem terugtrok. Zij droegen allen haren klederen en waren profeten. Zij waren naakt en jammerden over de afgoderij van Israël. Zij aten wilde kruiden, die zij op de bergen verzamelden en kookten. Zo leefden zij gedurende twee jaren *7!). Daniël, tijdens de ballingschap ontboden aan het hof van de Babylonische koning Nebukadnezar, nam voor in zijn hart, dat hij zich niet zou verontreinigen met de stukken van de spijze des konings, noch met de wijn zijns dranks. Hij vroeg de overste der kamerlingen hem en zijn gezellen gedurende tien dagen van het gezaaide te eten en water te drinken te geven. Dit dieet, volgens Flavius Josephus bestaande uit peulvruchten en dadels *°), bekwam hun allen goed en werd ongewijzigd aangehouden #2). Toen de Syrische koning Antiochus Epiphanes de stad Jerusalem deed bezetten, vluchtte Judas Maccabaeus met negen anderen de bergen in en hield zich daar in leven met kruiden, ten einde niet als de overigen bevlekt te worden *?*). Leden van de orde der Essenen, die om enige reden uit de orde gestoten waren, mochten krachtens de door hen bij intrede afgelegde eden geen profaan voedsel tot zich nemen. Zij aten dus kruiden en waren er slecht aan toe #5). Onder de regering van keizer Nero werden enige Joodse priesters ter berechting naar Rome gestuurd. Zij legden ook daar hun godsvrucht niet af, maar voedden zich met vijgen en noten #7). Johannes de Doper en Bannus, die zich in de woestijn terugtrokken en daar in onthouding leefden, zijn hierboven onder de asceten gerangschikt #77). In de teksten wordt niet gezegd, dat zij met de autoriteiten in onmin leefden, al kan men dat van eerstgenoemde wel aannemen #7®). In hun geval grenzen onthouding van overigens geoorloofd genot en onthouding van gruwel aan elkander. In de periode, waaruit het gros onzer documentatie stamt, vormen de gruwelen een 467) Maleach., II 11; Ezr., IX 1-2, X; Nehemj., X 3r (30), XIII 23-30. 468) Miën., Nidd., IV 1; Talm. Babl., ‘Ab. Zär., 36b. 469) I Kon., XVII 3-6; Flav. Jos., Antiq., VIII 319. 470) 1 Kon., XIX 4-8; Flav. Jos., Antiq., VIII 348-350. 471) Martyr. Isai., II 8-11. 472) Flav. Jos., Antiq., X rgo. 473) Dan., 1 8-16. 474) II Machab., V 27. 475) Flav. Jos., Bell. Jud, II 143. 476) Flav. Jos., Vit., 14. 477) Zie noten 379 en 380. 478) Vgl. Ev. Matth., XIV 1-12, en parall.

Página 22

Ver en el PDF(se abre en una ventana nueva)
ten dele verouderd leerstuk. De gedachtewereld, waarin zij pasten is verdwenen, bovendien kent men van vele hunner de oorsprong niet meer. De vromen, die zich van hen onthouden, voelen zich in hun onthouding veilig “7%; de minder vromen betitelen deze opvatting als kwezelarij *0). Het leerstuk bestaat nog slechts als onderdeel van het geloof. De zaken zijn niet onrein, heet het in een Midrasj, maar het bevel Gods maakt haar dat #1). God heeft de gruwelen ingesteld om de mens door symbolen de moraal voor ogen te houden “£), of ook om hem door onthouding tot zelfbeheersing te dwingen #83). 479) Epist. Arist., 142. 480) Astoräargovia: Strab., Geogr., XVI z, 37; Plut., De Superstit 7, ro. Term voor de Joodse godsdienst: Flav. Jos., Antiq., XIV 232, 234, 237, 240. : à Ô 481) Midr. Pesiqt., de Rab Kähan., IV 7; Midr. Tanhüm., p. 283b (ed. Stettin); Midr. Pesigt. Rabb., XIV 14; Midr. Numer. Rabb., XIX 8. De gehele liturgie bewijs van gehoorzaamheid: Sirac., XXXV 4; Midr. Sifr., Levit., XVIII 4, XX 26; Midr. Tanhüm., p. 198b (ed. Stettin). 482) Epist. Arist., 143-166; Phil. Jud., De Agric., 131-145; Idem, De Spec. Legib., IV 104-118; 3 Flav. Jos., Contr. Apion., II 173-174. Jud. Phil. Joden: z. Osir., et Is. De Plut., 4; 89, I Hist, Bibl Se. Diod. Einen: De Spec. Legib., IV 100-103; Flav. Jos., Contr. Apion., II 232-235.