Afficher le texte intégral16 pages
Page 1
Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)AEEA SC
DCC
‘Piet Meeuse De vertelling vanhetgetal 6
DOSSIER: Augustinus, fragment uit ‘De dialoog van Augustinus en
Orosius”; John Donne, De rekensom; Novalis, Notities; Dostojewski;
2 Xx 2=4; Multatuli, fragment uit ‘Miljoenenstudiën’; Gottlob Frege,
fragment uit ‘De grondslagen der aritmetica’; Bertrand Russell, Het
bewijs dat 1 + 1 = 2; Alfred Jarry, Over de oppervlakte van God;
Daniil Charms, Brief aan Claudia Vasiljevna; Paul Valéry, notities
over tellen, getallen en wiskunde; Velimir Chlebnikov, De getallen;
Oswald Spengler, fragment uit ‘Der Untergang des Abendlandes'’;
Witold Gombrowicz, fragmenten uit ‘Dagboek 1953-1969’; Jan Hanlo,
Een verstandige vader; Charles Seife, Blind Dates 21
Page 2
Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)PIET MEEUSE
1
De uitdrukking “in het honderd lopen’ voorspelt weinig goeds, maar dat
u dit rooste nummer van Raster in handen heeft, betekent in elk geval
dat we de tel nog niet kwijt zijn. Dat is al heel wat in tijden waarin verliezen tot winsten worden omgegoocheld en “harde cijfers’ vaak boterzacht blijken te zijn. Reden genoeg om de macht van het getal eens te
peilen met de kracht van het woord.
In 1989 — dertig jaar na de beroemde rede van C.P. Snow over de
“two cultures’ en de kloof daartussen — introduceerde de Amerikaanse
wiskundige John Allen Paulos de term “innumeracy’ als tegenhanger
van het gangbare begrip “illiteracy’ — ‘ongecijferdheid’ tegenover ‘ongeletterdheid’ — waarmee hij de kloof tussen de twee culturen nog eens
onderstreepte. In Nederland wond Rudy Kousbroek zich naar aanleiding daarvan op over het feit dat die ‘ongecijferdheid’ in kringen van
gestudeerde mensen nog steeds salonfähig was, terwijl ongeletterdheid
toch gold als iets om je voor te schamen.
Sinds de salon zich langzaam maar zeker naar de tv-studio's heeft
verplaatst, lijkt ook ongeletterdheid trouwens geen schande meer (succesvolle mensen hebben immers geen tijd om te lezen), maar het is
waar: onder de liefhebbers van literatuur en kunst bestaat nog altijd een
zekere huiver voor, zo nict afkeer van alles wat met getallen, met wiskundige abstracties of exactheid te maken heeft. Ook al vindt cr allerlei
grensverkeer plaats en zijn literaire auteurs met een natuurwetenschappelijke of wiskundige achtergrond geen zeldzaamheid meer, de twee
culturen bestaan nog steeds. De gemiddelde literaire lezer zal zich liever met woorden bedwelmen dan met getallen of formules.
Maar zelfs voor de ongecijferdste lezer is er geen ontkomen aan: hij
ziet zich dagelijks geconfronteerd met hele horden getallen die hem
informeren over zijn banksaldo, het weer, de tijd, verkiezingsuitslagen,
sportuitslagen, prijzen, vertrektijden, afstanden etcetera De macht van
6
het getal is minstens even voelbaar als die van het woord. En vaak
doorslaggevender. Je kunt natuurlijk proberen die macht te negeren,
maar waarom zou je de kop in het zand steken voor een van de intrige-
Page 3
Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)rendste menselijke uitvindingen? Ook als je een broertje dood hebt aan
rekenen, is er reden genoeg om je te verbazen over die merkwaardige
abstracties die ons leven steeds efficiënter organiseren. Waar komen ze
vandaan: zijn ze uitgevonden of ‘ontdekt"? En hoe komt het dat ze zo
effectief zijn?
Getallen zijn iets anders dan woorden, maar ze hebben wel de weg
geëffend voor de uitvinding van het schrift. Het waren tenslotte rekenaars en boekhouders die als eersten op het idee kwamen om het resultaat van hun getel en gereken te noteren door middel van kerven en
streepjes. Zo werden zij de pioniers van het schrift en verstokte lezers
hebben dus alle reden om de rekenaars dankbaar te zijn. Het eerste wat
genoteerd werd waren geen woorden, het waren getallen. Of preciezer:
aantallen.
Tellen en turven — het lijken weinig spirituele bezigheden, maar er
bestaat een oeroude, geheimzinnige verwantschap tussen taal en tellen.
Die blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat in veel talen woorden als taal en
getal, tellen en vertellen (Frans: compte en conte; Engels: count en
account; Duits: Zahl en erzähten etc.) etymologisch nauw verwant zijn.
En is vertellen niet ook een kwestie van het opsommen van een reeks
feiten of gebeurtenissen? Een manier om zaken ‘op een rijtje te zetten’?
Om ‘rekenschap’ te geven van wat er gebeurd is?
2
Het opstellen van rijtjes en lijstjes is nog altijd een erg populaire bezigheid. (Ook dat heeft trouwens een geschiedenis die terugreikt tot de begindagen van bet schrift: lijsten van goden, van koningen en dynastieën
behoren tot de oudste geschreven documenten). Deze neiging tot opsomming, en liefst een genummerde opsomming, waarin tegelijk een
volgorde en een rangorde is vastgelegd, is een verre echo van die administratieve oerdrift waaruit het schrift ooit is ontstaan. Hitparades, toptiens, lijstjes van de populairste politici, de beste voetballers, de snelste
atleten, de mooiste boeken, de beste restaurants enzovoort zijn de
eigentijdse variant daarvan en ze mogen in geen krant of tijdschrift
meer ontbreken.
Het zal een behoefte aan overzicht zijn. Een behoefte aan vereenvoudiging ook. De overstelpende veelheid van alles wat er is, moet teruggebracht worden tot een overzichtelijk rijtje. En het lijkt wel alsof’ die
lijstjes en rijtjes ons ook de legitimatie verschaffen om de rest — de onoverzienbare veelheid van wat er verder nog is — even te vergeten. Dat
is het geruststellende eraan.
Misschien is de ervaring van het teveel wel een van de kenmerkend-
Page 4
Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)ste ervaringen van mensen in de moderne wereld. Het aanbod van prikkels, van produkten en mogelijkheden is zo gigantisch dat je wel gedwongen wordt tot reductie en selectie. Om niet kopje onder te gaan in
het teveel, om tenminste de illusie van overzicht te kunnen koesteren, is
er een hele industrie van lijstjes en rijtjes ontstaan. Zodat er althans nog
een schijn van orde in die veelheid wordt aangebracht. En een rungorde, want ordenen is niet alleen op een rijtje zetten, maar liefst ook
een volgorde en een hiërarchie aanbrengen.
Over die ervaring van het teveel, het ontmoedigende of zelfs het beangstigende daarvan, heeft Witold Gombrowicz fascinerende pagina’s
geschreven in zijn Dagboek. Het begint met de beschrijving van het gedrang in een overvolle trein, die alleen maar voller wordt en waarin
desondanks nog gediscussieerd wordt over politick. “Waarom zijn ze
niet in staat het belangrijkste feit op te merken,’ vraagt hij zich af, “— dat
terwijl zij discussiëren er steeds meer mensen bijkomen? Welke demon
van koppige onwil belet hen, zich rekenschap te geven van het aantal?
at vermag het rechtvaardigste systeem en de billijkste verdeling der
goederen, als intussen de buurvrouw zich met twaalf vermenigvuldigt,
die domkop van de parterre er zes verwekt bij zijn vrouw en er op de
eerste verdieping van twee acht worden gemaakt?’
En nadat dit spook van het onoverzienbare ‘aantal’ hem een tijdlang
heeft achtervolgd, ontwerpt hij de theorie dat een mens bepaald wordt
door het aantal medemensen waartussen hij leeft: ‘Ik zeg dat de mens
zich tot nu toe nog nooit met het probleem van zijn aantal heeft beziggehouden. Het aantal heeft hem nog niet genoeg doordrongen. Ik ben
een mens — ja. Maar een van velen. Van hoevelen? Als ik een van twee
miljard ben, is dat niet hetzelfde als een van tweehonderdduizend. In
ons leeft nog steeds het eenzame zelfgevoel van Adam, Onze filosofie
is een filosofie van Adams. De kunst is een kunst van Adams.”
Hij voelt zich lamgeslagen door die gedachte: ‘Als ik me het aantal
voor de gecst haal, verval ik ik allerlei vreemde toestanden, waaronder
die van walging en afkeer zeker niet de voornaamste is. Zo is er de
olympische onverschilligheid die voortkomt uit de verwisselbaarheid
van de ene vrouw door de andere, van de ene paranoïa door de andere.
Daarbij komt nog de verveling Ik herhaalde hardop: “Mij verveelt het
lijden in zulke aantallen”,
Deze overweging keert terug in de scene in een duinpan, ook in het
Dagboek. waar Gombrowicz probeert kevertjes te redden die hulpeloos
op hun rug in de zon liggen. Ook dat is een demonstratie van de demoraliserende invloed van het teveel: de goede intentie waarmee hij begint
ze een voor een weer op hun pootjes te zetten, slaat op een gegeven
moment om in verveling en onverschilligheid wanneer het aantal hul-
Page 5
Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)peloos spartelende kevertjes steeds maar blijft toenemen. (zie Raster
De gedachte aan die onoverzienbare veelheid is iets onverdraaglijks, dat
achtereenvolgens duizeling, walging en ten slotte onverschilligheid oproept. Het is een ervaring die de waarde van het individuele lijkt te devalueren en die zelfs de mogelijkheid van solidariteit en rechtvaardigheid lijkt te ondermijnen.
Tegenover dit verpletterende teveel is het getal de redding. Alleen het
getal, de bepaalde hoeveelheid, is in staat om de chaos te beteugelen.
Het getal staat voor orde en beheersing. En hoe kleiner het getal, hoe
overzichtelijker. Daarom bestaan de lijstjes en de rijtjes waarmee we
ons behelpen ook meestal uit maximaal 1o genummerde eenheden.
Maar waarom 10 en niet 7, 8 of 12? Die voorkeur voor het getal 10 is
te verklaren uit het decimale stelsel dat we al eeuwenlang hanteren,
maar ts ook te herleiden tot het simpele feit dat we 10 vingers hebben
om mee te tellen. Zo herinnert de toptien aan de oorsprong van het
tellen.
Het lijkt zo simpel, dat tellen, maar het kan tot grote verwarring leiden.
Waar begin je bijvoorbeeld te tellen? Bij nul, of bij één?
“If medieval monks had only known of zero,’ schrijft Charles Seife in
Zero. The biography ofa dangerous idea, “our calender would not have
been in such a muddie’ Het getal nul was in de middeleeuwen nog
onbekend in Europa, en als gevolg daarvan zorgt onze jaartelling nog
regelmatig voor verwarring en misverstanden. De middeleeuwse monniken die onze kalender hebben opgesteld, begonnen gewoon bij het
jaar waarin Jezus werd geboren: dat was het jaar 1 AD, en toen ze later
hun kalender achterwaarts uitbreidden, werd het jaar daarvoor het jaar
1 voor Christus. Maar tussen —1 en +1 hoort, zoals we inmiddels weten,
nog een getal: 0.
In weerwil van het feit dat “het jaar nul’ een spreekwoordelijke betekenis heeft gekregen, is er dus nooit een jaar nul geweest. Daarom
brandt bij elke eeuwwisseling opnieuw de discussie los over de vraag
wanneer de nieuwe eeuw nu begint: in het jaar 2000, of in 2001? Volgens Seife — en hij is de enige niet — hebben we de millenniumwisseling een jaar te vroeg gevierd. Goed tellen is lastiger dan het lijkt.
Getallen zijn nict alleen cen handig instrument am ordening aan te
brengen in tijd en ruimte. Ze blijken ook allerlei eigenschappen te bezitten zoals even en oneven, deelbaarheid of ondeelbaarheid. Het bestu-
Page 6
Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)gaf ook aanleiding tot allerlei vormen van getallensymboliek. Want al
die bijzondere wetmatigheden die in getallen bleken te schuilen — dat
kon natuurlijk geen toeval zijn: daarin openbaarde zich de goddelijke
orde van de schepping.
Dat was iets waar de handelaren en de administrateurs uit de oudheid
misschien niet van wakker lagen. Maar Pythagoras, op zoek naar wijsheid en kennis, was op zijn beurt weer niet zo geïnteresseerd in handelswaar: hij werd geboeid door het abstracte karakter van getallen, en
de verhoudingen daartussen. Hij ging in de leer bij Babylonische astronomen en Egyptische priesters en ontwikkelde een eigen leer waarin
het getal het fundament werd van al het bestaande. Alle dingen waren
in essentie getallen volgens de pythagorese leer, en met name de getallen 1 tot en met ro bevatten alle wezenlijke verhoudingen en alle geheimen van de natuur.
Dat werd verbeeld in de figuur van de zg. tetractys: een gelijkzijdige
driehoek, bestaande uit ro punten, die achtereenvolgens de getallen 1,
2, 3 en 4 weergaven:
PIET
MEEUSE
deren van die eigenschappen leidde niet alleen tot de wiskunde, maar
Zo werd duidelijk dat 10 de som is van de eerste vier getallen (de belangrijkste, die verwijzen naar de vier elementen, en naar de geometrische elementen: punt, lijn, vlak en volume). op grond waarvan 10 de
volmaaktheid symboliseerde. Voor de pythagoreeërs was de tetractys
heilig en als ze een eed zwoeren, dan deden ze dat op de tetractys als de
‘bron en de wortel van de ecuwig stromende natuur’.
Die bijzondere betekenis van de 10 had natuurlijk ook gevolgen voor
andere, daarvan afgeleide getallen. Bijvoorbeeld roo, dat als het kwadraat van 10 als het ware de overtreffende trap van volmaaktheid synboliseerde. En zelfs het getal 3628800 ontleende zijn bijzondere status
als het absolute getal aan het feit dat het het produkt is van de eerste
10 getallen.
Dit grote getal heeft zijn diensten bewezen bij verschillende pogingen om alle beschikbare kennis van de wereld op een systematische
manier af te leiden uit een beperkt aantal elementen, en onder te brengen in een allesomvattend boek. De dertiende-eeuwse monnik Raymundus Lullus zette een dergelijk systeem op, en inspireerde daarmee
de 17de eeuwer Athanasius Kircher tot een cigen versie. Maar waar
Page 7
Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)Lullus nog uitging van het getal 9, koos Kircher later voor 10. Bij hem
is dan ook het getal 3628800 te vinden, en dat verschafte Mallarmé op
zijn beurt een sleutel voor de opzet van zijn ‘absolute boek’, Le livre —
dat overigens in talloze berekeningen is blijven steken. Toch bleef het
idee van zo’n absoluut boek, waarin op systematische wijze een compleet universum moest worden ondergebracht en alles met alles samen
zou hangen, voor sommige auteurs een onweerstaanbare uitdaging. Zo
inspireerde het Harry Mulisch tot de experimentele roman De verteller:
een op het oog zeer systematisch opgebouwd labyrint, waarin het getal
3628799 een belangrijke rol speelt. Een van de hoofdpersonen is voortdurend aan het rekenen met dit getal, dat aangeeft dat het absolute nèt
buiten bereik blijft.
Maar doorgaans maakt de getallensymboliek gebruik van kleinere getallen. In de christelijke traditie zijn het vooral 3 (de Drieëenheid), 7 en
12. Hoewel misschien 666, het getal van Het Beest uit de Openbaring
van Johannes, wel het beroemdste getal uit de bijbel is. (Nog onlangs,
in een tv-programma over keizer Nero, werd mij voorgerekend hoe de
getalswaarde van de letters van zijn naam, getransponeerd in het
Hebreeuws, het getal 666 opleverde).
Je vraagt je af wat kerkvader Augustinus daarvan gevonden heeft,
want volgens hem was zes nu juist een volmaakt getal — reden waarom
God de wereld in zes dagen had geschapen. Augustinus was een van de
grondleggers van de christelijke getallensymboliek. Hij trok een directe
parallel tussen het zijn van de getallen en het zijn van God. De onveranderlijke wetten van het getal waren de ware en onveranderlijke regels
van de (goddelijke) wijsheid. Hugo van St Victor ontwikkelde in de
12de eeuw een systeem om de betekenis van getallen te bepalen op 9
verschillende manieren. Bijvoorbeeld door ontbinding in factoren: 12 =
3 Xx 4. Drie is natuurlijk het getal van de goddelijke Drieëenheid en vier
is het getal van de geschapen wereld. Het gaat dan om de mystieke
doordringing van het goddelijke in het wereldse. Zo verwijst het getal
12 naar de opdracht van de 12 apostelen om het geloof in de Drieëenheid in alle delen van de wereld te verkondigen. Enzovoort.
In de architectuur van kloosters en kerkgebouwen speelt de getallensymboliek een bijzondere rol, Zo bijvoorbeeld de getallen 6, 28 en 496,
die als numeri perfecti, (deze getallen heten volmaakt omdat ze gelijk
zijn aan de som van hun delers) de hoofdmaten bepalen van de abdijkerk van Cluny. In de bouwkunst is de ordenende macht van het getal
misschien het meest zichtbaar, en daar blijkt tevens dat er behalve een
symbolische ook een esthetische kant aan getallen zit: voor het bepalen
van maten en proporties zijn ze onmisbaar, en sommige proporties (zo-
Page 8
Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)PIET MEEUSE
als de gulden snede) worden bijzonder bevoorrecht.
Maar ze kan ook hoorbaar gemaakt worden. Wat in de bouwkunst
voor ruimtelijke proporties geldt, gaat in de muziek op voor temporele
proporties en de verhoudingen tussen tonen. En zelfs in de literatuur
spelen getallen niet zelden een structurerende en symbolische rol.
Waarom kiest een dichter voor de regelmaat van twee- drie- of vierregelige strofen? Of voor het tellen van de Icttergrepen van zijn verzen?
En een romanschrijver voor een roman die bestaat uit drie maal drie
hoofdstukken?
4
Oswald Spengler opende zijn grote cultuurfilosofische werk Der Untergang des Abendlandes met een hoofdstuk dat ‘Vom Sinn der Zahlen’
heet. Daarin kiest hij het getal om zijn stelling te illustreren dat er zelfs
op het meest abstracte niveau van het menselijk denken geen sprake
kan zijn van tijdloze, universele waarheden. Ook het getal is iets dat per
cultuur een andere betekenis krijgt en het kan derhalve geduid worden
als een symbool van die cultuur: de uitdrukking van een manier van
waarnemen, ervaren en denken. Voor de antieke Gricken betekende het
getal iets anders dan voor de Arabieren die de algebra uitvonden, en
voor de scheppers van de moderne Europese wiskunde was het weer
iets heel anders. Dientengevolge is de Euclidische wiskunde anders dan
die van de Indiërs, en hebben Descartes, Leibniz en anderen een wiskunde ontwikkeld die typerend is voor de (in Spenglers termen) faustische cultuur van het ‘Avondland’.
In zijn visie wordt het getal — en wordt de hele wiskunde — beroofd
van het onaantastbare aura van tijdloze, universele waarheid, dat er nog
vaak aan wordt toegedicht. Het wordt teruggebracht tot een getalsopvatting, een tijd- en cultuurgebonden invulling en uitwerking van mathematische mogelijkheden. Als wiskunde de wetenschap is van patronen en structuren, dan is het ook niet meer dan logisch dat daarin
steeds andere en nieuwe mogelijkheden worden ontdekt en nieuwe
‘stijlen’ worden ontwikkeld.
Hier ligt ook de link met de symbolische en esthetische aspecten van
het getal. De formele wetmatigheden, symmetrieën, spiegelingen etcetera beantwoorden aan een esthetisch vormgevoel — een gevoel voor ritme, voor evenwicht, en voor proportionele verhoudingen dat kunstcnaars helpt een vorm te vinden die ze bevredigt. En dan is er sprake van
een ander soort “waarheid”: niet een eeuwige, onveranderlijke waarheid
die de filosoof en de wetenschapper zolang hebben nagestreefd, maar
die van een vorm die mensen in een bepaalde tijd en een bepaalde cul12
tuur aanspreekt en bevredigt als de uitdrukking van wat zij voor waar
ofjuist houden.
Page 9
Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)Getallen hebben op z'n minst sinds Pythagoras verwondering gewekt,
en aanleiding gegeven tot vermoedens over een tijdloze, universele harmonie die erin werd uitgedrukt. Ook Plato was er zo van onder de indruk dat hij in zijn scheppingsverhaal, Timaios, de wereld construeerde
uit getalsverhoudingen. Maar intussen heeft het pythagorese idee dat
alle dingen getallen ‘zijn’, een andere betekenis gekregen. Sinds Galilei
stelde dat het Boek der Natuur geschreven was in de taal van de wiskunde, is het getal de spil geworden van de moderne natuurwetenschap.
Terwijl de wetmatigheden in de wereld van de getallen veel denkers
in de oudheid en de middeleeuwen nog inspireerden tot beschouwingen
over de symboliek en de mystieke betekenis ervan, wordt het getal tegenwoordig vrijwel uitsluitend beschouwd en gebruikt als een praktisch instrument. Meten, tellen en rekenen zijn onmisbare technieken,
zowel om betrouwbare kennis te vergaren als om het leven te organiseren. En naarmate religieuze en metafysische ideeën aan gezag inboetten, verwierven de onomstotelijke zekerheden van de rekenkunde en de
kwantitatieve methoden van de wetenschap steeds meer aanzien.
‘Meten is weten’, werd het parool. Getallen bleken een ideaal middel
om ‘objectief * vast te stellen wat het geval is. Zodra een probleem tot
meetbare factoren kon worden herleid, werd de waarheid een kwestie
van rekenen. Zo groeide langzamerhand het idee dat zekerheid omtrent
wat dan ook alleen te verkrijgen is door middel van getallen. Geen regering of grote organisatie die nog een beleidslijn durft uit te zetten
zonder zich daarbij te baseren op allerlei berekeningen, aangeleverd
door wetenschappelijke bureau's zoals het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCPB), het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) of de Rekenkamer.
Al die cijfers en getallen, die tabellen en statistieken zijn het resultaat van de toepassing van speciale rekenmodellen, en de betekenis ervan is alleen vast te stellen als je weet wat er precies wordt gemeten, en
hoe, en welke cijfers relevant zijn voor welk probleem. Maar dat zijn
zaken waarin alleen een handjevol specialisten enig inzicht heeft. Dat
schept natuurlijk ruimschoots mogelijkheden om met de cijfers te goochelen. Om ze zo te presenteren dat ze in je straatje passen, of alleen
die uitkomsten te gebruiken die goed van pas komen, en andere te verzwijgen. Kortom: in het woud van cijfers waarmee de krantenlezer
dagelijks wordt geconfronteerd, weten maar weinigen de weg. En toch
wekken ze de indruk van betrouwbare informatie. Getallen genieten
een autoriteit die suggereert dat ze ‘het laatste woord’ zijn.
Intussen weet iedereen dat getallen even leugenachtig kunnen zijn
als elke andere uitspraak. Dat voorlichters en politici graag goochelen
Page 10
Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)MEEUSE
PIET
met getallen is bekend. En dat topmanagers de winstcijfers manipuleren om de aandelenkoers te beïnvloeden, zodat ze hun opties met enorme winsten kunnen verzilveren, hoeft ook niet te verbazen. Net zo min
als het feit dat ze daarbij gedekt worden door de accountants die hen
zouden moeten controleren. Getallen blijken helaas even (on)betrouwbaar als de mensen die ze hanteren. Maar cen rekenfout blijft een
rekenfout. Berekeningen zijn altijd controleerbaar, en dat kun je van
beweringen niet zeggen. Daarom boezemen cijfers vaak toch meer vertrouwen in dan woorden.
6
In die schijnbaar onaantastbare autoriteit van het getal schuilt ook de
reden waarom getallen soms ergernis en woede opwekken. Een mooi
voorbeeld daarvan is te vinden in Dostojewski’'s Herinneringen uit het
ondergrondse (1864). De man die daar aan het woord is, fulmineert
woedend tegen de onverstoorbare zekerheid van 2 x 2 = 4. Dat is voor
hem het gehate symbool van een waarheid die geen rekening houdt met
de irrationele verlangens van de mens.
Bij Multatuli speelt de formule 2 x 2 = 4 ook al zo’n exemplarische
rol in Millioenenstudiën (1873) — zij het dat deze ‘grondwet’ van Logos
hier de rol vervult van een anker waar de onstuitbare verbeelding van
Multatuli omheen kronkelt. Met dit bizarre boek kunnen rekenaars hun
hart ophalen: het bevat allerlei tabellen en berekeningen waarmee de
spelsystemen van goklustigen worden toegelicht. Maar de conclusie is
toch dat al dat rekenen de roulettespeler uiteindelijk niet helpt — alleen
de Bank wordt er beter van. Terecht wees Atte Jongstra er in zijn
bruisende essay over Miljoenenstudiën (in Familieportret) op dat de
miljoenen waarover het gaat uiteindelijk niet in pecuniaire zin moeten
worden begrepen.
Dostojewski en Multatuli waren beide niet vies van een gokje in de
speelzaal — waar getallen een heel ander gezicht laten zien dan in het
laboratorium — en misschien hadden ze karakterologisch wel meer gemeen, maar waar Dostojewski's personage uit het sousterrain zich met
slavische hartstocht furieus verzet tegen de ‘arrogante’ zekerheid van
2 X 2 = 4, erkent Multatuli met een Hollands koopmansinstinct toch de
onverbiddelijkheid ervan, al wordt die ook met miljoenen afwijkingen
en omzwervingen omspeeld.
Er heeft altijd een spanning bestaan tussen de serene zekerheden van de
aritmetische abstractie en de kwellende onzekerheid en onberekenbaarheid van de condition humaine. Enerzijds bleek het mogelijk, door middel van getallen en berekeningen de meest fantastische bouwwerken op
Page 11
Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)te richten, uitvindingen te doen en problemen op te lossen, maar anderzijds hebben ook de grootste prestaties op dit gebied nooit een einde
kunnen maken aan het menselijk lijden. Dat is wat Dostojewski — en
menig cultuurcriticus na hem — benadrukte. En inderdaad: weinig dingen kunnen een mens zo razend maken als het pareren van zijn emoties
met koele cijfers. (Wat weer eens onderstreept werd door de verkiezingsuitslagen van mei 2002: de genadeloze afrekening met ‘Paars’ had
alles te maken met woede over het feit dat de sluimerende onvrede niet
herkend werd door een ‘koele rekenaar’ als Melkert.)
7
Toch kunnen getallen ook een bijna mystieke geestdrift opwekken. Zoals de pythagoreeërs het getal vereerden, en allerlei symbolische betekenissen toekenden aan hun verschillende eigenschappen. zo ontwierpen de joodse kabbalisten in hun verering van het Goddelijke Woord
een mystieke rekenkunde door aan elke letter van het Hebreeuwse alfabet een getalswaarde toe te kennen. Met deze gematria konden ze de
numerieke waarde van woorden bepalen en op die manier ontdekten ze
overeenkomsten en verbanden waarin allerlei ‘goddelijke geheimen’
aan het licht kwamen.
Als het ècht ernst wordt met lezen, ontwikkelt de lezer zich tot een
ontcijferaar en een rekenaar. Zo slaat bij hartstochtelijke bijbellezers
nog geregeld de vlam in de pan en geven zij zich over aan de aloude
sport om op basis van De Schrift de datum van de Jongste Dag te berekenen. Het idee dat het Wereldraadsel zich in getallen verbergt, en dat
zelfs religieuze waarheden zich laten berekenen, blijkt voor menigeen
onweerstaanbaar.
Maar niet alleen geloofsijver, ook wetenschappelijke ambities of
poëtische bevlogenheid kunnen een ware rekenwoede ontketenen. De
Russische avantgardedichter Velimir Chlebnikov is een voorbeeld van
een dichter die bezeten was van getallen. Deze futurist studeerde aanvankelijk wiskunde en besteedde volgens zijn vertaler Willem Weststeijn misschien nog meer energie aan zijn eindeloze berekeningen om
de “wetten van de tijd’ te achterhalen dan aan zijn poëzie. De resultaten
daarvan (“De tafels van het lot’) werden in 1922 gepubliceerd en ook in
zijn poëzie zijn de sporen ervan terug te vinden.
Chlebnikov was zeker niet de enige. Er zijn wel meer dichters gevoclig gebleken voor de magie van getallen of wiskunde. En dat leidde tot
heel uiteenlopende resultaten. De dichter Paul Valéry deed in zijn
Cahiers verwoede pogingen om de aard van het getal en het tellen te
beredeneren. Zijn tijdgenoot Alfred farry pakte het heel anders aan: hij
berekende op ‘patafysische wijze ‘de oppervlakte van God.’ (Zie voor
Page 12
Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)PIET MEEUSE
deze en andere genoemde voorbeelden het dossier in dit nummer).
Ook de vroegromantische dichter Novalis speculeerde over de wiskundige eigenschappen van God. Maar dat had weer andere, idealistische achtergronden. Hij koesterde de droom om alle wetenschappen te
verenigen in een soort encyclopedisch organon. Novalis was ervan
overtuigd dat alle wetenschappen wiskunde moesten worden, en dat er
uiteindelijk zelfs geen verschil tussen wiskunde en poëzie kon bestaan.
Zo vergeleek hij het spel dat de woorden met elkaar spelen met wiskundige formules, en met die opvatting van de autonomie van de taal werd
hij een van de grondleggers van de modernistische poëtica.
Dat juist romantische geesten als Novalis, en later ook Edgar Allan
Poe, zo’n geestdrift aan de dag legden voor het exacte, het mathematisch berekenbare lijkt opmerkelijker dan het is. Het heeft meer te maken met een artistieke hartstocht voor de vorm, en voor filosofische
speculaties, dan met het echte rekenwerk. De beste verklaring daarvoor
is misschien nog steeds die van Gustav René Hoecke, die in het verlangen om het onberekenbare te berekenen een grondkenmerk van het moderne levensgevoel onderkende en er de term maniërisme voor gebruikte. Het is een combinatie van existentiële onzekerheid en intellectuele
hoogmoed, dic creatieve geesten steeds weer verleidt tot het ontwerpen
van de wonderlijkste systemen en theorieën. En als het wereldraadsel er
niet mee opgelost werd. dan heeft het toch fascinerende speculaties en
kunstwerken opgeleverd.
8
Dat de bezigheid van meten, tellen en rekenen obsessieve vormen aan
kan nemen, is ook goed te demonstreren aan de populairste vorm van
massacultuur: de sport. Misschien is sport wel het beste voorbeeld van
de beslissende rol die getallen in de moderne cultuur spelen. De cssentie van sport is natuurlijk de strijd om de macht: het is een geritualiseerde, aan spelregels gebonden manier om te bepalen wie de sterkste,
de snelste, de beste is. En dus om een rangorde te bepalen. De manier
waarop dat gebeurt is per sport verschillend, maar uiteindelijk is het bij
alle sporten toch een kwestie van getallen. Welke fascinatie er verder
ook van uitgaat — uiteindelijk geven getallen de doorslag. Punten scoren, tijden ‘neerzetten’, gemiddeldes opkrikken, records breken: daar
gaat het om. De glorie van de winnaar is gebaseerd op meet- en rekenwerk, en dat weerspiegelt de manier waarop inmiddels het hele leven is
georganiseerd.
Succes of falen in het maatschappelijk leven is al evenzeer een kwes16
tie van cijfers en getallen: van de rapportcijfers op school tot verkiczingsuitslagen, kijkcijfers, verkoopcijfers, salarisschalen etcetera. Wat
Page 13
Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)er ook aan inhoudelijks te beleven valt — als het met de cijfertjes de
verkeerde kant opgaat, krijgen we onherroepelijk problemen. En die
zijn helaas niet op te lossen met psychologische, intellectuele of artistieke triomfen. Wat dat betreft is het leven precies een wedstrijd: je
kunt de sterren van de hemel spelen en verbluffende staaltjes van technisch of tactisch vernuft laten zien — je wordt afgerekend op je score.
Dat onze wereld letterlijk bezeten is van getallen en cijfers, blijkt uit
het feit dat bijna al onze dagelijkse handelingen begeleid worden door
een constante stroom cijfers: of je nu telefoneert, inkopen doet, tv kijkt
of een douche neemt — talloze metertjes tikken mee en met de regelmaat van de klok vallen de rekeningen en de giro-afschriften in de bus.
Ook kennisnemen van het nieuws betekent het consumeren van grote
hoeveelheden cijfers. Sportuitslagen, weerberichten, beurskoersen,
winst- en verliescijfers, cao-onderhandelingen, begrotingsdebatten —
zonder cijfers gaat het niet. En een ramp is geen ramp als er niet minstens een schatting van het aantal slachtoffers of van de materiële schade bij gegeven wordt. (Wat de interessante vraag oproept vanaf welk
aantal slachtoffers er eigenlijk van een ‘ramp’ gesproken kan worden:
10? 20? 507).
Nog nadrukkelijker triomfeert het getal in een typisch eigentijds
fenomeen als het Guinness Book of Records. Het breken van records is
een sport op zich geworden, en de fascinatie die uitgaat van het verschijnsel ‘record’ zou een aparte studie waard zijn. In het Guinness
Book of Records heeft het meten een soort fart pour l'art-stadium bereikt. Het doet er helemaal niet toe wat er gemeten wordt, als het maar
een overtreffende trap vertegenwoordigt.
Het enige interessante aan een record is dat het een grenswaarde
aangeeft. En als zodanig is het niet alleen een onuitputtelijke bron van
bewondering, verbijstering of hilariteit. maar tevens een uitdaging om
die grens te overschrijden. Hele dorpsgemeenschappen slaan de handen
ineen om met vereende krachten het langste krentenbrood ter wereld te
bakken, en aldus een vermelding in het Guinness Book of Records te
verdienen. Als er iets is dat de irrationele macht van het getal kan illustreren, dan wel dit fenomeen (dat tevens een handig recept lijkt om de
sociale cohesie in probleemwijken te bevorderen: daag de bewoners uit
om samen de grootste joint ter wereld te draaien, en de verbroedering
kent geen grenzen meer).
Een record heeft status, en het geeft status. Of het nu het aantal
moorden betreft dat per jaar in een stad gepleegd wordt, of het aantal
eieren dat iemand in een zitting kan verorberen: de overtreffende trap
wordt gretig geboekstaafd. Terwijl de traditionele zin van grenzen in de
beperking lag — fot hier en niet verder -, ligt de zin van het record juist
Page 14
Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)PIET MEEUSE
in de overschrijding van de grens: tof daar, want dat is net iets verder:
Grenzen zijn er uitsluitend nog om doorbroken en verlegd te worden:
dat is een grondkenmerk van de moderne westerse cultuur (wat Spengler het “faustische’ noemde: de drang naar de oneindigheid.) In die zin
is sport ook de meest karakteristieke uiting ervan, en het breken van
records is de sport der sporten.
9
Hoe wonderlijk en gecompliceerd de wereld van het getal ook is, met
zijn positieve, negatieve, irrationele, imaginaire, transcendente en andere soorten getallen, uiteindelijk laat dat alles zich reduceren tot twec
even fundamentele als dubieuze getallen: de 1 en de o. Dubieus zijn ze
omdat van beide is betwijfeld of het eigenlijk wel getallen zijn. Ze
lijken meer op filosofische concepten. Maar zonder de 1 en de o gaat
het niet. In eendrachtige samenwerking zijn ze in staat gebleken om elk
willekeurig getal — en zelfs elke varm van informatie — weer te geven:
dat is het binaire systeem van nullen en enen, waarmee intussen alle
computers werken (een systeem dat volgens Ernst Jünger via Leibniz te
herleiden zou zijn tot de oeroude Chinese symbolen pin en vang.)
De 1 is natuurlijk eruciaal als de basis van de hele getallenreeks, en
daarom volgens de Pythagoreeërs zelf geen getal, maar wel de ‘moeder
van alle getallen’. Hoe lastig het overigens is, een zuivere definitie te
geven van wat we met ‘Een’ bedoelen, blijkt uit wat Frege daarover
schreef in De grondslagen der aritmetica (Zie het dossier elders in dit
nummer).
Raadselachtiger nog is de o, die volgens velen ook geen getal mag
heten. De geschiedenis van de nul is niet minder fascinerend dan de geschiedenis van het godsbegrip (en die geschiedenissen hebben meer
met elkaar gemeen dan je zou denken). Aanvankelijk uitgevonden door
de Babyloniërs als een trucje om hun telsysteem te perfectioneren, —
niet meer dan een teken om een lege plek aan te duiden in het numerieke systeem (zoals in tot de nul nog steeds aanduidt dat er geen sprake
is van tientallen) — groeide de nul in India uit tot een paradoxaal getal,
dat over zeer bijzondere eigenschappen bleek te beschikken. De nul
werd de spil van een getallensysteem waarin behalve positieve ook negatieve getallen mogelijk werden (en nog veel meer).
Vanuit India brachten de Arabieren de nul tenslotte naar Europa,
waar ze pas na eeuwen geaccepteerd werd. Want het concept van de nul
als ‘leegte’ paste niet in het Griekse denken, en evenmin in het christelijke dat daarop voortborduurde. De wonderlijke, en gevaarlijke eigen18
schappen van dit ‘lege getal’ (vermenigvuldigen met nul reduccert
ieder getal tot nul, en delen door nul! blaast het hele getallensysteem op)
Page 15
Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)bedreigden de aristotelische fundamenten van het christelijk wereldbeeld, waarin geen leegte denkbaar was. Het aristotelisch-ptolemaeïsch
wereldbeeld, met de aarde in het middelpunt en de negen sferen eromheen draaiend, zat potdicht en bood geen ruimte voor een mystiek
Niets, dat bovendien automatisch het idee van de oneindigheid met zich
mee bleek te brengen.
Maar zoals wel vaker, bleek ook hier de praktijk van het dagelijks
leven en de handel uiteindelijk sterker dan de leer. Kooplieden en bankiers zagen al snel de grote voordelen van het rekenen met arabische
cijfers, inclusief de nul — waardoor de rekenborden overbodig werden.
Vervolgens speelde de nul een problematische, maar cruciale rol bij
de ontwikkeling van de infinitesimaalrekening door Newton en Leibniz, en bleek ze ook later bij revolutionaire ontdekkingen in de natuurkunde (quantummechanica en relativiteitstheorie) steeds een hoofdrol
voor zich op te eisen. Moderne kosmologische concepties als die van
de Big Bang en van Zwarte Gaten zijn ondenkbaar zonder de grenswaarden nul en oneindig.
10
Het blijft iets wonderlijks: net zo min als we ons een absoluut begin
kunnen voorstellen, kunnen we ons een absoluut einde denken. Maar
tussen deze limieten, waar alles paradoxaal, duizelingwekkend en onbegrijpelijk wordt, speelt zich ons beperkte en eindige leven af alsof het
de normaalste zaak van de wereld is. Een wereld zonder begin of einde,
waarin bijna alles toch berekenbaar gemaakt kan worden. Of lijkt te
kunnen worden.
Maar dat we alle dingen in de wereld kunnen onderscheiden en benoemen is niet minder verwonderlijk dan dat we ze kunnen tellen. Misschien moet je concluderen dat die twee mogelijkheden — de taal en het
getal — tegelijk ook de beperkingen zijn van ons brein en ons bevattingsvermogen. Dat juist die beperkingen ons onuitputtelijke mogelijkheden bieden is mooi meegenomen, maar wat wordt er eigenlijk mee
verklaard? Verklaren ze misschien alleen elkaar?
Dat brengt me terug bij die etymologische verwantschap van de
woorden taal en getul, tellen en vertellen, die lijkt te suggereren dat er
een gemeenschappelijke wortel is en dat er oorspronkelijk misschien
geen verschil bestond tussen activiteiten die ons nu zo verschillend lijken. Is het mogelijk dat tellen en vertellen dezelfde oorsprong hebben’?
Dat de twee culturen die C.P. Snow onderscheidde veel nauwer samenhangen dan we ons kunnen voorstellen?
Misschien zijn de mogelijkheden van het tellen en die van het vertellen uiteindelijk twee kanten van dezelfde medaille en verschillen ze al-
Page 16
Voir dans le PDF(s’ouvre dans une nouvelle fenêtre)PIET MEEUSE
leen maar van elkaar zoals ‘vorm’ en ‘inhoud’ van elkaar verschillen.
De Schotse wiskundige Keith Devlin, schrijver van The Math Gene
(2000). lijkt bij die gedachte aan te sluiten als hij wiskunde vergelijkt
met roddel, en met het vertellen van verhalen. Volgens hem is wiskunde
in principe niet moeilijker dan het volgen van een soap op tv — met dit
verschil dat de personages in dit geval abstracties zijn.
Maar daar zit natuurlijk precies het probleem: getallen en formules
zijn abstracties en het abstractieniveau waarop ermee gewerkt wordt, is
veel mensen (inclusief mijzelf) al gauw te machtig. Daarop berust ook
de verbluffende macht van het getal. Het is de macht van de abstractie,
van een zuivere vorm die overal toepasbaar lijkt. Precies zoals de zuivere abstractie van een alwetende, almachtige en alomtegenwoordige
God ooit overal kon worden ingezet om het onverklaarbare te verklaren. En als meten gelijkgesteld wordt aan weten, kan het getal ook dienen als norm (bijvoorbeeld voor de toelaatbaarheid van schadelijke
stoffen, of voor geluidshinder etcetera), en derhalve als criterium voor
beslissingen… Geen wonder dat het er soms op lijkt alsof het getal de
plaats van God heeft ingenomen.
De macht van het gctal manifesteert zich op de meest uiteenlopende
manieren in kunst, wetenschap, techniek, sport en politiek, om maar te
zwijgen van de economie — maar het blijft moeilijk om je iets voor te
stellen bij het getal an sich. Op school leerde je dat
je 5 appels niet mag
vermenigvuldigen met 7 peren, maar zonder die appels en peren smaken getallen helaas nergens naar. Dat is het probleem: je kunt er (bijna)
alles mee berekenen, maar in die berekening verdwijnt precies datgene
waar we toch het meest aan hechten: de smaak van appels en peren.
Van het tastbare, zintuiglijke, lijfelijke leven. Daarom moet het getal
ook steeds verteld en verbeeld worden. Om de macht van het getal een
beetje inzichtelijk te maken en te kunnen relativeren, blijft de macht
van het woord onmisbaar.