Mostra testo completo14 pagine
Pagina 1
Vedi nel PDF(si apre in una nuova finestra)Mathematische muziektheorie:
Nieuwe mogelijkheden voor muziekgerelateerd
onderzoek
ALINE HONINGH EN ANJA VOLK
Mathematische muziektheorie is een vakgebied
in opkomst. Muziek en wiskunde hebben een
oeroude relatie (denk bijvoorbeeld aan Pythagoras, Kepler, Descartes en Euler), en ook nu
blijken er steeds meer elementen binnen de
huidige muziektheorie te profiteren van een
wiskundige aanpak. In dit artikel beschrijven
we een aantal voorbeelden van theoretisch,
cognitief en computationeel onderzoek rond
muziek waarbij een heel scala wiskundige technieken is gebruikt. Verder zullen we aandacht
besteden aan de uitdagingen en problemen die
er in dit vakgebied zijn, en kijken naar computationele modellen en toepassingen.
1 Inleiding
Ss
à
AoON, NE El A.
Music) en een organisatie (Society for Mathematics and Computation in Music) opgericht
speciaal voor onderzoekers en musici die zich
begeven in het interdisciplinaire vakgebied tussen muziek, wiskunde en informatica.
Deze bijdrage is als volgt opgebouwd. Allereerst zullen we kijken naar relaties tussen
muziek en wiskunde en twee voorbeelden uitlichten van wiskundige modellen binnen de
muziektheorie. Aan de hand van deze voorbeelden kan een indruk worden verkregen van
wat er mogelijk is, en hoe wiskunde gebruikt
kan worden om aspecten binnen de muziek in
kaart te brengen. In paragraaf 3 wordt ingegaan op de functe die wiskunde kan vervullen
De meeste mensen denken bij de combinatie
van muziek en wiskunde aan de door Pythagoras ontdekte getalsverhoudingen van intervalbij het formuleren van theorieën. Er worden
twee typen modellen beschreven die typerend
zijn voor de traditionele muziektheorie en er
wordt beschreven hoe deze samenhangen met
len zoals de kwint (3/2) en het octaaf (2/1) en
mathematische muziektheorie. In paragraaf 4
aan de stemmingsproblematiek die daarmee
gepaard gaat (Van de Craats 1989; Benson
2006). Er zijn echter veel meer verbanden tussen muziek en wiskunde. De relatie tussen muwordt aandacht besteed aan mogelijke problemen en uitdagingen die bij een nieuw vakgeziek en wiskunde loopt van concertzalen (Barron 2008) en perceptie van geluid (Jeans 1968),
tot muziekanalyse (Forte 1973; Lewin 1987),
compositie (Norden 1964; Adams 1996; Kraeen aantal computationele toepassingen van
mer 1973) en muziekcognitie (zie paragraaf 5).
bied als mathematische muziektheorie een rol
spelen. Ten slotte bekijken we in paragraaf 5
wiskundige modellen.
2 Relaties tussen muziek en wiskunde
Hieronder volgen twee voorbeelden van mu-
Hoewel wiskunde ook wordt gebruikt in onziekgerelateerd onderzoek die elk gebruik maderzoek naar geluid en akoestiek (Tramo &
al, 2001; Smoorenburg 1970; Plomp & Levelt
ken van een ander soort wiskunde. Het COT
1965), zullen we ons in dit artikel concentreren
op wiskunde in verband met muziektheorie en
muziekcognitie, gebieden die vaak gebaseerd
zijn op de symbolische notatie van muziek.
Dit vakgebied wordt soms aangeduid als mathematische muziektheorie, Twee jaar geleden
zijn een tijdschrift (Journal of Mathematics and
model in paragraaf 2.1 maakt gebruik van topologie en heeft als doel structurele elementen
van muziek te beschrijven. De pitch-class-settheorie in paragraaf 2.2 maakt gebruik van
discrete wiskunde en heeft als doel muziek te
analyseren. De modellen behoren hierdoor ieder tot een ander soort muziekmodel, iets waar
we in paragraaf 3 verder op in zullen gaan.
De auteurs willen Frans Wiering, Remco Veltkamp, Peter van Kranenburg en Hylke de Vries bedanken voor
verhelderende discussies en suggesties.
Pagina 2
Vedi nel PDF(si apre in una nuova finestra)Mathematische muziektheorie:
Nieuwe mogelijkheden voor muziekgerelateerd
onderzoek
a l ine honing h en anja vol k
Mathematische muziektheorie is een vakgebied
in opkomst. Muziek en wiskunde hebben een
oeroude relatie (denk bijvoorbeeld aan Pythagoras, Kepler, Descartes en Euler), en ook nu
blijken er steeds meer elementen binnen de
huidige muziektheorie te profiteren van een
wiskundige aanpak. In dit artikel beschrijven
we een aantal voorbeelden van theoretisch,
cognitief en computationeel onderzoek rond
muziek waarbij een heel scala wiskundige technieken is gebruikt. Verder zullen we aandacht
besteden aan de uitdagingen en problemen die
er in dit vakgebied zijn, en kijken naar computationele modellen en toepassingen.
1 Inleiding
De meeste mensen denken bij de combinatie
van muziek en wiskunde aan de door Pythagoras ontdekte getalsverhoudingen van intervallen zoals de kwint (3/2) en het octaaf (2/1) en
aan de stemmingsproblematiek die daarmee
gepaard gaat (Van de Craats 1989; Benson
2006). Er zijn echter veel meer verbanden tussen muziek en wiskunde. De relatie tussen muziek en wiskunde loopt van concertzalen (Barron 2008) en perceptie van geluid (Jeans 1968),
tot muziekanalyse (Forte 1973; Lewin 1987),
compositie (Norden 1964; Adams 1996; Kramer 1973) en muziekcognitie (zie paragraaf 5).
Hoewel wiskunde ook wordt gebruikt in onderzoek naar geluid en akoestiek (Tramo &
al. 2001; Smoorenburg 1970; Plomp & Levelt
1965), zullen we ons in dit artikel concentreren
op wiskunde in verband met muziektheorie en
muziekcognitie, gebieden die vaak gebaseerd
zijn op de symbolische notatie van muziek.
Dit vakgebied wordt soms aangeduid als mathematische muziektheorie. Twee jaar geleden
zijn een tijdschrift (Journal of Mathematics and
Music) en een organisatie (Society for Mathematics and Computation in Music) opgericht
speciaal voor onderzoekers en musici die zich
begeven in het interdisciplinaire vakgebied tussen muziek, wiskunde en informatica.
Deze bijdrage is als volgt opgebouwd. Allereerst zullen we kijken naar relaties tussen
muziek en wiskunde en twee voorbeelden uitlichten van wiskundige modellen binnen de
muziektheorie. Aan de hand van deze voorbeelden kan een indruk worden verkregen van
wat er mogelijk is, en hoe wiskunde gebruikt
kan worden om aspecten binnen de muziek in
kaart te brengen. In paragraaf 3 wordt ingegaan op de functe die wiskunde kan vervullen
bij het formuleren van theorieën. Er worden
twee typen modellen beschreven die typerend
zijn voor de traditionele muziektheorie en er
wordt beschreven hoe deze samenhangen met
mathematische muziektheorie. In paragraaf 4
wordt aandacht besteed aan mogelijke problemen en uitdagingen die bij een nieuw vakgebied als mathematische muziektheorie een rol
spelen. Ten slotte bekijken we in paragraaf 5
een aantal computationele toepassingen van
wiskundige modellen.
2 Relaties tussen muziek en wiskunde
Hieronder volgen twee voorbeelden van muziekgerelateerd onderzoek die elk gebruik maken van een ander soort wiskunde. Het CQT
model in paragraaf 2.1 maakt gebruik van topologie en heeft als doel structurele elementen
van muziek te beschrijven. De pitch-class-settheorie in paragraaf 2.2 maakt gebruik van
discrete wiskunde en heeft als doel muziek te
analyseren. De modellen behoren hierdoor ieder tot een ander soort muziekmodel, iets waar
we in paragraaf 3 verder op in zullen gaan.
De auteurs willen Frans Wiering, Remco Veltkamp, Peter van Kranenburg en Hylke de Vries bedanken voor
verhelderende discussies en suggesties.
dutch journal of music theory, volume 14, number 3 (2009)
09-11-2009 15:50:26
Pagina 3
Vedi nel PDF(si apre in una nuova finestra)2.1 CQT-Ruimte
Een zogenaamde stemvoeringsruimte of CQTruimte is beschreven met een geometrisch model door Clifton Callender, Ian Quinn en Dmitri Tymoczko (vandaar CQT; Callender & al.
2008). Deze CQT-ruimte heeft een aantal equivalentieklassen als basis, die worden aangeduid
met de letters OPTIC: Octaafequivalentie, Permutatie‑ of herordeningsequivalentie, Transpositie-equivalentie, Inversie-equivalentie, en
Cardinaliteitsequivalentie (het verwaarlozen
van herhalingen). De auteurs menen dat deze
OPTIC-equivalentieklassen cruciale elementen
vormen binnen de Westerse muziek, tenminste
al sinds de zeventiende eeuw. Een aantal muzikale structuren kunnen worden beschreven
met een combinatie van een of meer OPTICklassen. Zo kunnen melodieën beschreven worden door T: een getransponeerde melodie is
nog steeds dezelfde melodie. Akkoorden kunnen beschreven worden door OPC: we kunnen spreken van een C-groot akkoord zonder
dat het ons uitmaakt om welke C het precies
gaat (octaafequivalentie), de noten kunnen
onderling verwisseld worden zonder dat het
akkoord verandert (permutatie-equivalentie),
en het aantal C’s of G’s in het akkoord maakt
niet uit voor de akkoordnaam (cardinaliteitsequivalentie). Pitch-class-sets, zoals beschreven
in de volgende paragraaf, voldoen aan OPTIC:
alle beschreven equivalentieklassen1 zijn hier
van toepassing. Er kunnen equivalentierelaties
van alle mogelijke combinaties van de OPTIC
klassen gevormd worden, wat resulteert in 25 =
32 mogelijkheden.2
Het geometrische CQT-model kan men zich als
volgt voorstellen. Noten worden gerepresenteerd
door de logaritmen van hun grondfrequentie
en corresponderen dan met reële getallen.3 Een
reeks van n noten kan op deze manier voorge-
1
2
3
4
steld worden door een punt in een n-dimensionale ruimte. De vier OPTI-equivalentieklassen
creëren zogenaamde quotiëntruimtes door punten in de betreffende n-dimensionale ruimte te
identificeren (ofwel, ‘aan elkaar te plakken’), en
daarmee het aantal dimensies van de ruimte te
reduceren. Octaafequivalentie identificeert bijvoorbeeld de pitch-classes n en n + 12.
Figuur 1 is een representatie van de CQT-ruimte
in drie dimensies. De punten (bolletjes) in de
ruimte stellen sets met noten voor. Punten die
dicht bij elkaar liggen in de ruimte ‘lijken’ op
elkaar. Bijvoorbeeld, het punt dat een C-groot
akkoord voorstelt ligt dicht bij het punt dat een
C-klein akkoord voorstelt. En een C-groot akkoord in reine stemming ligt heel dicht bij een
C-groot akkoord in een andere stemming (bijvoorbeeld de gelijkzwevende stemming).4 Ook
punten (sets van noten) die op elkaar lijken
omdat ze een toonladdertranspositie van elkaar
zijn, liggen dicht bij elkaar in deze ruimte. Toonladdertransposities zijn transposities langs een
toonladder, waarbij niet bij alle punten hetzelfde
interval wordt opgeteld zoals bij gewone (exacte) transposities, maar waarbij een melodie een
of meer stapjes kan worden opgeschoven in de
toonladder. Fragmenten zoals C-D-E en D-EF zijn voorbeelden van toonladdertransposities.
Over beide voorbeelden, de verschillende stemmingen en de toonladdertransposities, zou men
dus kunnen zeggen dat hoe dichter de punten bij
elkaar liggen, hoe meer ze op elkaar lijken. De
CQT-ruimte is de eerste gepubliceerde beschrijving van een ruimte die dit verschijnsel modelleert.
De nieuwe CQT-ruimte geeft veel mogelijkheden
om muziekfragmenten geometrisch te modelleren hetgeen van pas kan komen bij de analyse
van muziek. Een stemvoering is een overgang
van een akkoord naar een ander akkoord. In de
Een equivalentieklasse bevat objecten die volgens een bepaalde afbeelding equivalent zijn. Bijvoorbeeld, alle
C’s in verschillende octaven vormen een equivalentieklasse volgens octaaftranspositie.
Iedere klasse kan wel of niet meedoen, dat zijn 2 mogelijkheden. In totaal zijn er 5 verschillende
equivalentieklassen. Dit resulteert in 25 = 32 mogelijke combinaties.
Dit wordt zo gedaan omdat de perceptie van toonhoogte logaritmisch werkt. Dit betekent bijvoorbeeld dat
tussen twee tonen van 220 Hz en 440 Hz dezelfde afstand wordt waargenomen als tussen twee tonen van
440 Hz en 880 Hz.
In Figuur 1 representeren de noten sets (bolletjes) slechts een punt, bijvoorbeeld de set in gelijkzwevende
stemming. Echter, de ruimte Rn is een continue ruimte waarin dezelfde set in een andere stemming (hoewel
niet weergegeven in de figuur) vlakbij de set in gelijkzwevende stemming ligt. Voor meer informatie, zie
Callender et al. 2008.
09-11-2009 15:50:27
Pagina 4
Vedi nel PDF(si apre in una nuova finestra)Nessun testo in questa pagina.
Pagina 5
Vedi nel PDF(si apre in una nuova finestra)class-representatie, en resulteert dan in de set
{4, 5, 8}. De muzikale betekenis van deze operatie is direct duidelijk. Een akkoord of melodie
kan getransponeerd worden over een bepaalde
afstand maar het resultaat is nog steeds herkenbaar als hetzelfde akkoord of dezelfde melodie.
Transpositie is een bekende operatie en wordt
in zowel tonale als atonale muziek gebruikt.
Opgemerkt dient te worden dat de permutatieequivalentie en het feit dat in de pitch-class-set
de herhalingen zijn weggelaten het wel iets lastiger maken om een getransponeerde melodie
inderdaad te herkennen, maar voor bijvoorbeeld akkoorden levert dit nauwelijks problemen op.
Naast transpositie zijn ook andere operaties mogelijk zoals inversie (elke pitch-class wordt afgetrokken van een bepaald getal en op het resultaat wordt de operatie modulo 12 toegepast) en
multiplicatie (elke pitch-class wordt vermenigvuldigd met een getal en op het resultaat wordt
de operatie modulo 12 toegepast). Er is discussie mogelijk of deze operaties voor de luisteraar
herkenbaar zijn in de muziek, en ook of deze
operaties de werkwijze van de componist weergeven. Onderzoek hiernaar geeft tegenstrijdige
antwoorden (Stammers 1994, Samplaski 2004).
Harmonische of melodische collecties van
pitch-class-sets kunnen geanalyseerd worden
met behulp van de pitch-class-set-theorie. Elke
combinatie van tonen kan uitgedrukt worden
in een pitch-class-set. Echter, deze combinatie
van tonen kan slechts als structureel worden
beschouwd als het in relatie staat tot een andere combinatie van tonen door middel van
een of meer pitch-class-set-operaties (zoals de
bovengenoemde transpositie, inversie en multiplicatie; Schuijer 2008). Op deze manier zou
structuur kunnen worden aangebracht in de
op het eerste gezicht soms ongeordend lijkende
atonale muziek. De pitch-class-set-theorie is
tot op heden de meest gebruikte methode om
atonale muziek te analyseren.
Pitch-class-set-theorie heeft reeds een aantal
computationele toepassingen geïnitieerd. Een
belangrijke motivatie voor het ontwikkelen van
computationele modellen is dat het de analytische routines binnen de pitch-class-set-theorie
vergemakkelijkt. Het is moeilijk om verscheidene composities met de hand te vergelijken:
studies op grote schaal vereisen een effectief
computationeel systeem dat met dit soort analyses om kan gaan.
Szeto & Wong (2006) hebben een computationeel model ontwikkeld dat patroonherkenning
realiseert. Het doel is alle instanties van een bepaald patroon van pitch-classes te herkennen in
een database van muziek. De condities die aan
de herkenning van het patroon ten grondslag
liggen zijn afgeleid van de pitch-class-set-theorie. Het model is gebaseerd op de grafentheorie.
Een stuk muziek wordt voorgesteld als een graaf
waarbij iedere noot gerepresenteerd wordt als
een knoop en de relatie tussen een paar noten
als een lijn. Waarnemingsaspecten van muziek
worden in acht genomen door ‘stream segregation’, een model betreffende de perceptieve
organisatie van muziek, te gebruiken bij de
herkenningscondities. Het model is toegepast
op Schoenbergs Klavierstück, op. 11, nr. 1, en de
resultaten zijn vergeleken met muziektheoretische studies van hetzelfde stuk. Verschillende
auteurs hebben reeds gedemonstreerd dat de
TTI-equivalentieklasse – de equivalentieklasse
met betrekking tot transpositie en inversie –
van de set {0, 1, 4} veelvuldig gebruikt wordt
in dit stuk. Alle 216 TTI-equivalentie klassen
worden geteld en het blijkt dat de set {0, 1, 4}
in deze hoedanigheid het vaakst voorkomt, wat
de eerdere observaties van muziektheoretici
bevestigt.
De grafentheoretische aanpak kan worden
vergeleken met een analyse van de TTI-equivalentieklassen van {0, 1, 4} zoals gedaan door
Wittlich (1974). Voor een voorbeeld hiervan
verwijzen we naar Figuur 2 waarin een vergelijking gemaakt wordt tussen de pitch-class-sets
die gevonden zijn door de grafentheoretische
benadering van Szeto en Wong en de pitchclass-sets gevonden door Wittlich in het begin
van Schoenbergs Klavierstück, op. 11, nr. 1. Het
computationele model detecteert bijna alle
pitch-class-sets die door Wittlich gevonden
waren, en vindt zelfs meer sets dan die welke
door Wittlich zijn beschreven. Sommige van
de nieuw gevonden sets zijn mogelijk muzikaal
interessant. Het model suggereert op deze manier kandidaten voor verder onderzoek naar de
TTI-equivalentieklassen van {0, 1, 4} in Schoenbergs Klavierstück. De auteurs voorzien dat hun
model gebruikt gaat worden voor vergelijkend
onderzoek van composities van dezelfde of van
verschillende componisten, hetgeen inzichten kan geven in de volgende vragen: (1) Hoe
worden pitch-class-sets gebruikt in een stuk
muziek?, (2) Kan er een specifiek gebruik van
09-11-2009 15:50:29
Pagina 6
Vedi nel PDF(si apre in una nuova finestra)pitch-class-sets door een bepaalde componist
ontdekt worden?, en (3) Zijn er bepaalde pitchclass-sets die door post-tonale componisten
veelvuldig gebruikt worden?
Figuur 2
Voorbeelden van de TTI-equivalentieklasse
van de pitch-class-set {0,1,4} in de eerste
drie maten van Schoenbergs Klavierstück,
op. 11, nr. 1. De sets noten omgeven door
een aaneengesloten lijn zijn geïdentificeerd
door de grafentheoretische benadering
van Szeto & Wong (2006). De sets noten
omgeven door een streepjeslijn behoren tot
Wittlichs analyse (1974). De gelocaliseerde
TTI-equivalentieklassen door Szeto & Wong
komen volledig overeen met die van Wittlich
in maat 2 en 3. De TTI-equivalentieklasse in
maat 1 verschilt slechts door een duplicatie
van pitch-class 11.
3 Modellen
Dat modellen nuttig zijn behoeft geen betoog.
Modellen gaan gepaard met abstracties, zoals
we bijvoorbeeld zagen in het bovengenoemde
onderzoek. Als we spreken over ‘pitch-classes’
in plaats van noten, wordt veel informatie over
noten weggelaten die in bepaalde gevallen van
groot belang is en in andere gevallen minder
belangrijk is. Een auteur die een model presenteert dat bepaalde abstracties hanteert gaat
ervan uit dat de specifieke details minder belangrijk zijn dan het grotere beeld van het hele
model. Zo is de aanname dat de pitch-class een
goed model is voor een toon in een stuk atonale
muziek.
Er bestaan verschillende soorten modellen en
theorieën. Muziektheorie bevat verschillende
methoden die grofweg in twee groepen kunnen
worden verdeeld: enerzijds theorieën die expliciet als doel hebben een bepaald muziekstuk te
analyseren, zoals bijvoorbeeld Schenkeriaanse
analyse (e.g. Schenker 1906) of analyse met behulp van pitch-class-set-theorie (zie paragraaf
2.2; Forte 1973), en anderszijds theorieën die
werken op een meer abstract en filosofisch niveau. Theorieën die in de tweede groep vallen
gaan bijvoorbeeld over de grondslagen van de
muziek zoals toonladders en ander materiaal
waar muziekstukken op gebaseerd zijn. Er bestaan vaak geen duidelijke verbindingen tussen
deze twee groepen theorieën. Mathematische
modellen van muziek komen voor in beide categorieën maar bevinden zich doorgaans meer
aan de kant van het abstracte niveau.
We zullen hier een aantal voorbeelden noemen
van mathematische modellen in bovengenoemde categorieën. Zoals we gezien hebben, is de
pitch-class-set-theorie een duidelijk voorbeeld
van een mathematische theorie die het doel
heeft om een stuk muziek te analyseren. Een
andere mathematische theorie die analyse als
doel heeft is bijvoorbeeld de transformationele
theorie ontwikkeld door David Lewin (1987).
De transformationele theorie, die gebruikt kan
worden voor zowel tonale als atonale muziek,
definieert operaties op een mathematische
groep en kan op deze manier potentiële muzikale gebeurtenissen representeren. De resulterende analyses laten zien hoe een bepaalde
muzikale gebeurtenis getransformeerd wordt
in een andere. Een tak van de transformationele theorie is de Neo-Riemanniaanse theorie
die ontstaan is als antwoord op het probleem
om negentiende-eeuwse chromatische muziek,
zoals de muziek van Wagner en Liszt, te analyseren. Deze muziek is niet atonaal maar gebaseerd op drieklanken, maar desondanks zijn de
analytische modellen bedoeld voor diatonische
muziek vaak niet geschikt voor deze muziek.
De Neo-Riemanniaanse theorie is gecentreerd
rond drie specifieke operaties op drieklanken.
Deze operaties worden gebruikt om tonen van
een drieklank te verschuiven naar een naast
gelegen toon in de toonladder, terwijl tenminste een van de tonen gelijk wordt gehouden.
Met deze operaties kunnen akkoordovergangen
beschreven worden.
Naast deze analysetechnieken kan ook nog een
ander type onderzoek genoemd worden dat binnen de eerste categorie valt, namelijk de studies
binnen de mathematische muziektheorie die
geïnspireerd zijn door een muziektheoretische
uitdaging van een concreet stuk muziek of een
bepaalde muziekstijl. Voorbeelden hiervan zijn
de onderzoeken naar de perceptie van accenten
in twintigste-eeuwse muziek (Roeder 1995), de
relatie tussen toonhoogte en temporele proces185
09-11-2009 15:50:30
Pagina 7
Vedi nel PDF(si apre in una nuova finestra)sen in een capriccio van Brahms (Lewin 1981),
en de ritmische structuur van de muziek van
Steve Reich (Cohn 1992).
Anders dan de eerste categorie, die zich direct
richt op muziekstukken of op een bepaalde stijl
of stroming, kan in de tweede categorie onderzoek gevonden worden dat zich meer richt
op de grondslagen van de muziek. Voorbeelden van de tweede categorie zijn bijvoorbeeld
modellen van toonladders (Carey & Clampitt
1989; Balzano 1980; Honingh & Bod 2005; Agmon 1989; Clough & Myerson 1985; Clough &
Douthett 1991). Een aantal algemeen geldige
wiskundige eigenschappen van toonladders
zijn in kaart gebracht, vaak in termen van wiskundige groepentheorie. Dit is interessant om
een aantal redenen. Allereerst kan de definitie
van een toonladder hiermee preciezer gemaakt
worden. Ten tweede kunnen deze eigenschappen worden gebruikt om nieuwe toonladders te
ontwikkelen. En als laatste kunnen deze eigenschappen nieuwe inzichten over muziek geven
en daarmee bijdragen tot de verklaring voor de
oorsprong van bepaalde toonladders. Balzano
(1980) heeft bijvoorbeeld onderzoek gedaan
naar groepentheoretische eigenschappen van
microtonale toonsystemen, en trekt het belang
van frequentieverhoudingen als verklaring
voor de oorsprong van het twaalftoonsysteem
in twijfel door te zeggen dat “it may well be that
the group-theoretic properties (...) were the
more perceptually important all along.”
Een ander voorbeeld van de tweede categorie is
het onderwerp stemmingen en intonatie. Niet alleen is wiskunde gebruikt om de stemmingsproblematiek in kaart te brengen, er is zelfs een flink
aantal alternatieve stemmings- en intonatiesystemen ontwikkeld op basis van discrete wiskunde. Een aantal onderzoekers heeft zich afgevraagd welke alternatieven er zijn voor bijvoorbeeld de zuivere stemming (Partch 1974/1949;
Yasser 1975) of de gelijkzwevende stemming
(Fokker 1955; Balzano 1980; Honingh 2006).
Ondanks het feit dat de modellen uit de tweede
categorie niet gemaakt zijn om een bepaald
muziekstuk te analyseren, kan een model uit
deze categorie soms toch met een muziekstuk geassocieerd worden. Dit is het geval als
een studie binnen de mathematische muziektheorie uitgaat van een algemene theorie die
toegepast wordt op een concreet stuk muziek.
Voorbeelden hiervan zijn een topologisch model van motiefanalyse toegepast op Schumanns
Träumerei (Buteau & Mazzola 2008) dat de karakteristieke motieven van het stuk bepaalt, en
een topologisch model van het fenomeen ‘consonantie en dissonantie’ dat analytische inzichten geeft in Skrjabins Étude, op. 65, nr. 3. (Noll
& Volk 2005).
4 Uitdagingen
Het nieuwe tijdschrift Journal of Mathematics
and Music gaat ervan uit dat niet meer alle basiswiskunde uitgelegd hoeft te worden aan het
begin van een artikel. Het tijdschrift veronderstelt een basiskennis van wiskunde zodat in de
gepubliceerde artikelen snel meer diepgang
bereikt kan worden. Dit is aan de ene kant natuurlijk prettig, maar aan de andere kant komt
dit vakgebied op deze manier verder af te staan
van andere disciplines doordat sommige artikelen voor veel mensen onbegrijpelijk zijn geworden. En dat is jammer.
Verder wordt er soms kritiek geuit op het mathematische karakter van onderzoek binnen
dit vakgebied. Sommige mensen lijken helemaal niet geïnteresseerd in onderzoek dat zo
abstract is dat het niet meteen resultaten oplevert. “Maar wat betekent dit dan?”, of “Dit
is zo algemeen dat het niets betekent”, of juist
“Dit is zo abstract dat het de werkelijkheid helemaal niet goed weergeeft” zijn opmerkingen
die vaak gehoord zijn. Dit soort kritiek wordt
geuit op modellen en theorieën die zo nieuw
zijn dat het moeilijk is ze op waarde te schatten,
zoals de CQT-theorie. De CQT-theorie is, in
tegenstelling tot de pitch-class-set-theorie, nog
nauwelijks toegepast op muziekproblematiek.
Het model is gepresenteerd als een basis voor
vele mogelijke toepassingen. Echter, zonder
deze toepassingen kan het moeilijk zijn om de
waarde van het model in te schatten. Het model
abstraheert op veel gebieden van de muzikale
realiteit, en de waarde van abstracties wordt
vaak duidelijker in concrete toepassingen.
Een voorbeeld van onderzoek binnen de mathematische muziektheorie dat algemene waardering kent, is het werk van David Lewin. Lewin,
de grondlegger van de transformationele theorie, werd en wordt geroemd door mensen uit
diverse vakgebieden en zelfs door de pers : het
in memoriam in de New York Times noemde
zijn invloed “buitengewoon.” (Rothstein 2003).
Wiskundige methoden komen nauwelijks voor
in het curriculum van de muziekwetenschappelijke opleidingen. Zelfs de pitch-class-set-theo-
09-11-2009 15:50:31
Pagina 8
Vedi nel PDF(si apre in una nuova finestra)rie en de transformationele theorie, die toch
belangrijke analysemethoden zijn voor muziek,
zijn doorgaans geen gebieden waarin musicologen zich verdiepen, althans in Nederland en
de rest van Europa. In Amerika, echter, worden
steeds meer cursussen pitch-class-set-theorie
en transformationele theorie aangeboden binnen de studie ‘music’ en soms zelfs binnen de
studie ‘mathematics’. Het zou voor wederzijds
begrip tussen wiskundigen en musicologen erg
helpen als dit soort cursussen ook buiten Amerika aangeboden zouden worden.
Sommige communicatieproblemen lijken met
name te ontstaan door het hoge abstractieniveau
dat wiskundig onderzoek kan hebben. Een deel
van deze problemen zal zichzelf oplossen in
de tijd: goed onderzoek zal door de jaren heen
steeds meer geciteerd en uitgediept worden (zoals ook gebeurd is met de pitch-class-set-theorie)
zodat er een bredere context ontstaat waardoor
ook mensen met een mindere wiskundige achtergrond hiermee kunnen werken.
Ter vergelijking: terwijl computationele methoden in onderzoek naar muziek al gebruikt worden sinds de jaren vijftig, zijn deze lang ondervertegenwoordigd gebleven in dit vakgebied.
Een van de redenen hiervoor was dat de resultaten van het computationeel modelleren niet
overtuigend genoeg waren voor traditionele
musicologen om meer tijd te investeren in deze
methoden. Dit is de laatste decennia veranderd
door de massale digitalisering van muziek en de
hierdoor ontstane behoefte om deze informatie
te kunnen hanteren. Iets vergelijkbaars is voor
te stellen bij wiskundige modellen: deze zullen
meer geaccepteerd worden binnen muziekgerelateerd onderzoek als de voordelen hiervan
duidelijker worden voor buitenstaanders. Ten
slotte, steeds vaker verschijnen er gezamenlijke
publicaties van wiskundigen en musicologen
(De Jong & Noll 2008; Dominguez & al. 2007;
Addessi & al. 2008), hetgeen de aanvaarding van
dit nieuwe vakgebied zeker ten goede komt.
5 Toepassingen
Op het gebied van computationeel modelleren,
was er in de jaren zeventig veel kritiek op de
modellen in de muziektheorie. Ze zouden niet
geïmplementeerd kunnen worden omdat ze
niet precies genoeg waren (Patrick 1974; Alp5
honce 1980; Vercoe 1971). Er was dus vraag
naar beter implementeerbare modellen, en wiskunde was hier duidelijk welkom.
Laten we naar de waarde van wiskunde binnen
de muziek kijken aan de hand van een aantal
(computationele) toepassingen. Aline Honingh
heeft een model ontwikkeld voor de geometrische interpretatie van toonrelaties en ontdekte
dat toonstructuren zoals toonladders en akkoorden bijna altijd een convexe en compacte
vorm hebben in het Euler-rooster, zie Figuur 3
(Honingh & Bod 2005). Het Euler-rooster is
een tweedimensionaal rooster van tonen. Dit
rooster is bekend onder verschillende namen,
waaronder Euler-rooster, Oettingen-rooster,
Tonnetz en harmonisch netwerk. Dit rooster
en varianten hiervan zijn reeds eerder gebruikt
voor uiteenlopende doeleinden, onder welke
‘key-finding’ (Longuet-Higgins & Steedman
1987/1971), transformationele theorie (Lewin
1987) en microtonale toonsystemen (Balzano
1980). Het Euler-rooster is een geometrische
voorstelling waarbij geprobeerd is de afstand
tussen twee noten omgekeerd evenredig te laten zijn met de consonantie van deze samenklank. Dus hoe dichter twee tonen op het rooster zich bij elkaar bevinden, hoe consonanter
de samenklank is. Het Euler-rooster kan voorgesteld worden als rooster van frequentieverhoudingen, nootnamen of pitch-classes. Het
Euler-rooster van frequentieverhoudingen is
oneindig in beide richtingen.5 De roosters van
nootnamen en pitch-classes hebben door enharmonische equivalenties bepaalde randvoorwaarden waardoor de roosters in een of twee
richtingen opgerold kunnen worden (Honingh
& Bod 2005). Doordat de verschillende Eulerroosters geen isomorfe (een-op-een) afbeeldingen van elkaar vormen, kan een set noten
van een bepaald Euler-rooster op verschillende
manieren afgebeeld worden op een ander Euler-rooster. Het afbeelden van één Euler-rooster
op een ander Euler-rooster karakteriseert verschillende onderzoeksgebieden in de muziek.
Zo verwijst het pitch-spelling probleem naar de
notatie van enharmonisch equivalente noten in
muziek: wanneer wordt pitch-class ‘1’ geschreven (gespeld) als een C # en wanneer als een Db ?
Dit is equivalent aan het probleem hoe een set
pitch-classes van het Euler-rooster van pitch-
In dit geval zijn frequentieverhoudingen gebruikt die op te bouwen zijn uit machten van 2, 3 en 5. We spreken
bij dit systeem van frequentieverhoudingen over 5-limiet reine stemming.
09-11-2009 15:50:31
Pagina 9
Vedi nel PDF(si apre in una nuova finestra)classes wordt afgebeeld op het Euler-rooster
van nootnamen. Dit probleem is bijvoorbeeld
van belang bij muzieknotatiesoftware die een
gespeelde melodie dient te noteren. Verder representeert de afbeelding van het Euler-rooster
van nootnamen naar het Euler-rooster van frequentieverhoudingen een intonatieprobleem:
wanneer wordt een D (ten opzichte van een C)
geïntoneerd als 9/8 en wanneer als 10/9?
Het resultaat dat toonstructuren meestal convexe en compacte vormen beschrijven op het
Euler-rooster is gebruikt om deze problemen
aan te pakken. Bovenstaande genoemde onderzoeksproblemen blijken grotendeels opgelost
te kunnen worden door pitch-class-sets van
het ene Euler-rooster zoveel mogelijk convex
en compact af te beelden op het andere Eulerrooster (Honingh 2008; Honingh 2009). Het
principe van convexe en compacte afbeeldingen
is verder gebruikt bij het automatisch vinden
van modulaties in muziek (Honingh 2007).
Anja Volk heeft het model ‘Inner Metric Analysis’ (interne metrische analyse) gebruikt om
verschillende aspecten te beschrijven van ritmische en metrische structuren in muziek (Volk
2008a, 2008b). Het model heeft een algebraïschtopologische basis. Voor elke noot wordt een
metrisch gewicht berekend dat het (metrische)
belang van deze noot in zijn context aangeeft,
gebaseerd op de detectie van noten met gelijke
tussenpozen (gemeten vanaf de nootaanzet) in
het stuk muziek. Deze aanpak stemt overeen
met eerdere muziektheoretische benaderingen
van metrische structuren in muziek (Yeston
1976; Lerdahl & Jackendoff 1983; Krebs 1999),
waarbij pulsen (welke uit noten met gelijke tussenpozen bestaan) een belangrijke rol spelen
om het metrische accent van een noot te bepalen. Het berekenen van het metrisch gewicht
voor alle noten in een stuk muziek resulteert in
een metrisch gewichtsprofiel van het hele stuk
(zie het voorbeeld in Figuur 4). Dit profiel kan
metrische lagen in de muziek blootleggen die in
veel gevallen corresponderen met de metrische
lagen die de maatsoort aangeeft (zie Figuur 4
voor een voorbeeld in 2/4). Het model bepaalt
dus de interne metrische structuur die ontstaat
door de noten, in tegenstelling tot de externe
metrische structuur die gegeven wordt door de
maatsoort van een stuk muziek. Het model kan
onderscheid maken tussen enerzijds muziekstukken die een regelmatig ritmisch patroon
volgen, zoals ragtime-muziek (zie Figuur 4)
waarbij het gemakkelijk is om de maat mee
te kunnen tikken, en anderzijds muziekstukken die een onregelmatige ritmische structuur
hebben, zoals Stravinsky’s Sacre du printemps
(zie Figuur 5). Zoals Figuur 5 laat zien, wordt
er geen enkele metrische laag onthuld door de
noten in de muziek, wat demonstreert dat er
geen consistente interpretatie van het stuk is
wat betreft maatsoort (Stravinsky verandert de
maatsoort van het stuk veelvuldig, soms zelfs
per maat). De metrische lagen van de ragtimemuziek in Figuur 4 zijn echter in overeenstemming met de typische metrische lagen van een
2/4-maat. Dit soort overeenstemming tussen de
interne en externe metrische structuur wordt
metric coherence genoemd, en lijkt overeen te
komen met het concept van metric consonance
zoals beschreven door Krebs (1999). Composities van Brahms, Schumann of Haydn worden
vaak gekarakteriseerd door metrische lagen van
de interne metrische structuur die niet overeenstemmen met de genoteerde maatsoort,
wat aangeeft dat de componist met opzet een
discrepantie heeft gecreëerd tussen de noten en
het abstracte rooster van maatstrepen. In Volk
2008a wordt een analyse door David Lewin van
Anton Weberns Variationen, op. 27, vergeleken
met de gewichtsprofielen volgens de Inner Metric Analysis. De vergelijking laat zien dat het
model een formalisatie van Lewins gedachten
oplevert: het stuk kan makkelijker volgens een
3/8 worden geïnterpreteerd hoewel het in 2/4
genoteerd is. Vergelijkingen van de metrische
lagen met resultaten van luisterexperimenten
hebben de cognitieve relevantie van het model gedemonstreerd (Volk 2008b). Het model
is verder gebruikt om dansmuziekpatronen
(Chew & al. 2005) en volksliedjes (Volk & al.
2007) te classificeren aan de hand van ritmische gelijksoortigheid, en om stabiele segmenten binnen muziekstukken te vinden (Volk &
Chew 2008).
Andere toepassingen binnen de muziek die
hebben geprofiteerd van een mathematische
aanpak zijn bijvoorbeeld key finding,
segmentatie en similarity. Bij key finding
gaat het om het automatisch vinden van de
toonsoort van een muziekstuk of van een
deel daarvan. Dit probleem is onder andere
succesvol aangepakt met een geometrisch
model (Chew 2000; Longuet-Higgins &
Steedman 1987) en met Bayesiaanse principes
(Temperley 2007). Bij segmentatie is het doel
09-11-2009 15:50:32
Pagina 10
Vedi nel PDF(si apre in una nuova finestra)25/16
75/64 225/128
40/27
10/9
5/3
5/4
15/8
45/32 135/128
32/27
16/9
4/3
1
3/2
9/8
27/16
81/64
256/135 64/45
16/15
8/5
6/5
9/5
27/20
81/80
256/225 128/75 32/25
48/25
36/25
27/25
F#
C#
G#
D#
A#
G
D
A
E
B
F#
C#
Eb
Bb
F
C
G
D
A
E
Cb
Gb
Db
Ab
Eb
Bb
F
C
Ebb
Bbb
Fb
Cb
Gb
Db
6
1
8
3
10
7
2
9
4
11
6
1
3
10
5
0
7
2
9
4
11
6
1
8
3
10
5
0
2
9
4
11
6
1
Figuur 3
Euler-rooster van (a) frequentieverhoudingen, (b) nootnamen en (c) pitch-classes. In afbeelding (a) is
de diatonische majeurtoonladder ingetekend die een convexe figuur beschrijft in deze ruimte.
een muziekstuk automatisch te segmenteren
in perceptief logische groepen. Net zoals
tekst gesegmenteerd kan worden in zinnen
en bijzinnen, zo kan muziek gesegmenteerd
worden in frases en subfrases. Verschillende
soorten technieken worden hiervoor gebruikt,
waaronder statistische methoden toegepast op
experimentele data (Bod 2002; Spiro 2007).
Similarity, ofwel gelijkenis of gelijksoortigheid,
ten slotte, is een ruim begrip dat betrekking kan
hebben op verschillende muzikale entiteiten,
van ritmes en melodieën tot pitch-classsets. Gelijksoortigheid van melodieën heeft
belangrijke implicaties voor bovengenoemde
segmentatie (Cambouropoulos 2006), maar
ook voor het gebied van Music Information
Retrieval, om het automatisch zoeken naar
melodieën binnen een groot corpus mogelijk te
maken (Volk & al. 2008; Garbers & al. 2007).
Verder zijn er verschillende mathematische
09-11-2009 15:50:34
Pagina 11
Vedi nel PDF(si apre in una nuova finestra)Figuur 4
Metrisch gewichtdiagram van Scott Joplins Nonpareil Rag met een regelmatig patroon: hoe
hoger de lijn, hoe groter het gewicht van de corresponderende noot. De van donker naar licht
overlopende grijze achtergrond correspondeert met de maten zoals aangegeven in de partituur.
Figuur 5
Metrisch gewichtdiagram van Igor Stravinsky’s ‘Danse Sacrale’ (uit de Sacre du printemps), met
een onregelmatig ritmisch patroon.
formules ontwikkeld om de mate van gelijkenis
van pitch-class-sets aan te duiden (Isaacson
1990; Morris 1980; Rahn 1980; Rogers 1999),
die op hun beurt weer gebruikt zijn voor
verschillende doeleinden, onder andere voor
classificatie (Quinn 2001).
Alle bovengenoemde toepassingen zijn voorbeelden van gemodelleerde cognitieve processen. Het zijn als het ware ‘taken’ die mensen
goed kunnen, maar waarvan het heel lastig is
om precies te noteren wat er gebeurt. Neem
als voorbeeld het segmenteren van muziek in
frasen. De meeste mensen, zeker degenen die
muzikaal geschoold zijn, doen dit automatisch
goed, op hun gevoel. Het is echter heel lastig
om dit proces in een set regels of mathematische code op te schrijven. Maar als we dit toch
proberen te doen, zal een succesvol model niet
alleen heel waardevol zijn voor het automatisch
segmenteren van muziek, maar ook inzicht
kunnen geven in de cognitieve aspecten die een
rol spelen bij het menselijke muzieksegmentatieproces. Verder kunnen de inzichten in de
cognitieve processen weer dienen als een nieuw
beginpunt voor een (mathematisch) model.
6 Afsluitende opmerkingen
Mathematische muziektheorie is een onderzoeksgebied waarin zeer diverse wiskundige technieken
gebruikt worden, onder andere statistische methoden, groepentheorie, geometrische modellen,
getaltheorie en topologie. Het vakgebied is niet
homogeen wat betreft de muzikale toepassingen:
er zijn enerzijds abstracte modellen die theore
tiseren over de basiselementen van de muziek, en
anderzijds modellen die direct geïnspireerd zijn
door concrete stukken muziek.
Ondanks het gegeven dat er soms kleine communicatieproblemen zijn tussen enerzijds de
meer wiskundig georiënteerde en anderzijds de
meer musicologisch georiënteerde onderzoekers, lijkt het vakgebied mathematische muziektheorie steeds meer erkenning en waardering te
krijgen. Terwijl traditionele muziektheorie zich
meestal richt op het bestuderen van een bepaalde muziekstijl of een specifieke vraag, heeft mathematische muziektheorie vaak als doel meer
algemeen geldende theorieën op te stellen hetgeen tot een beter begrip van muziek en muziek
maken en beluisteren kan leiden. De kracht van
wiskunde in muziekgerelateerd onderzoek is in
de eerste plaats dat op deze manier zaken heel
precies geformuleerd kunnen worden, in de
tweede plaats dat een wiskundig geformuleerde
theorie implementeerbaar is in computationele
modellen die onder andere automatische analyse van muziek mogelijk maken, en in de derde
plaats dat hierdoor mogelijk meer inzicht verkregen kan worden in cognitieve processen die
met muziek samenhangen.
De voorbeelden van gecombineerd wiskundig
en muziekgerelateerd onderzoek die genoemd
worden in dit artikel zijn nog maar het begin
van wat allemaal mogelijk is in deze onderzoeksrichting. Dit eeuwenoude vakgebied lijkt
nog een grote toekomst te hebben.
09-11-2009 15:50:35
Pagina 12
Vedi nel PDF(si apre in una nuova finestra)(Aline Honingh promoveerde in 2006 aan de
Universiteit van Amsterdam. Sindsdien was ze
werkzaam bij de Music Informatics Research
Group aan de City University London en bij het
Institute for Logic, Language and Computation
aan de Universiteit van Amsterdam.)
(Musicoloog en wiskundige Anja Volk schreef
haar proefschrift over mathematische muziektheorie aan de Technische Universiteit van Berlijn. Tegenwoordig is ze werkzaam in een NWOCATCH project aan de Universiteit Utrecht.)
Literatuurverwijzingen
Adams, Coutney S. (1996) ‘Erik Satie and Golden
Section Analysis’, in: Music and Letters 77/2,
242-252.
Addessi, Anna Rita, Mirko Degli Esposti, and
Francois Pachet (2008) ‘Musical Style
Again: A Mathematical Analysis of Musical
Intertext’, in: Proceedings of the Fourth
Conference on Interdisciplinary Musicology
(CIM), Thessaloniki, Greece.
Agmon, Eytan (1989) ‘A Mathematical Model
of the Diatonic System’, in: Journal of Music
Theory 33/1, 1-25.
Alphonce, Bo H. (1980) ‘Music Analysis by
Computer: A Field of Theory Formation’, in:
Computer Music Journal 4/2, 26-35.
Balzano, Gerald J. (1980) ‘A Group Theoretical
Description of 12-Fold and Microtonal Pitch
Systems’, in: Computer Music Journal 4/4,
66-84.
Barron, Michael (2008) ‘Raising the Roof’, in:
Science 453, 859-860.
Benson, David (2006) Music: A Mathematical
Offering, Cambridge: Cambridge University
Press.
Bod, Rens (2002) ‘Memory-Based Models of
Melodic Analysis: Challenging the Gestalt
Principles’, in: Journal of New Music Research
31/1, 27-37.
Buteau, Chantal, and Guerino Mazzola (2008)
‘Motivic Analysis According to Rudolph Reti:
Formalization by a Topological Model’, in:
Journal of Mathematics and Music 2/3, 117134.
Callender, Clifton, Ian Quinn, and Dmitri
Tymoczko (2008) ‘Generalized VoiceLeading Spaces’, in: Science 320, 346-348.
Cambouropoulos, Emilios (2006) ‘Musical
Parallelism and Melodic Segmentation:
A Computational Approach’, in: Music
Perception 23/3, 249-269.
Carey, Norman, and David Clampitt (1989)
‘Aspects of Well-Formed Scales’, in: Music
Theory Spectrum 11/2, 187-206.
Chew, Elaine (2000) ‘Towards a Mathematical
Model of Tonality’, PhD thesis, Operations
Research Center, Massachusetts Institute of
Technology.
_______, Anja Volk, and Chia-Ying Lee
(2005) ‘Dance Music Classification Using
Inner Metric Analysis: A Computational
Approach and Case Study Using 101 Latin
American Dances and National Anthems’,
09-11-2009 15:50:35
Pagina 13
Vedi nel PDF(si apre in una nuova finestra)in: Proceedings of the Ninth INFORMS
Computing Society Conference, Volume 29,
355-370.
Clough, John, and Jack Douthett (1991)
‘Maximally Even Sets’, in: Journal of Music
Theory 35, 93-173.
_______, and Gerald Myerson (1985) ‘Variety
and Multiplicity in Diatonic Systems’, in:
Journal of Music Theory 29/2, 249-270.
Cohn,
Richard
(1992)
‘Transpositional
Combination of Beat-Class Sets in Steve
Reich’s Phaseshifting Music’, in: Perspectives
of New Music 30/2, 146-177.
Craats, Jan van de (1989) De fis van Euler: Een
nieuwe visie op de muziek van Schubert,
Beethoven, Mozart en Bach, Bloemendaal:
Aramith.
Dominguez, Manuel, David Clampitt, and
Thomas Noll (2007) ‘Well-Formed Scales,
Maximally Even Sets, and Christoffel Words’,
in: Proceedings of the Mathematics and
Computation in Music conference (MCM),
Berlin, Germany.
Fokker, Adriaan D. (1955) ‘Equal Temperament
and the Thirty-One-Keyed Organ’, in:
Scientific Monthly 81, 161-166.
Forte, Alan (1973) The Structure of Atonal Music,
New Haven: Yale University Press.
Garbers, Joerg, Peter van Kranenburg, Anja Volk,
Frans Wiering, Remco C. Veltkamp, and
Louis P. Grijp (2007) ‘Using Pitch Stability
among a Group of Aligned Query Melodies
to Retrieve Unidentified Variant Melodies’,
in: Proceedings of the Eighth International
Conference on Music Information Retrieval
(ISMIR), Vienna, 451-456.
Honingh, Aline K. (2006) ‘The Origin and WellFormedness of Tonal Pitch Structures’, PhD
thesis, University of Amsterdam.
_______ (2007) ‘Automatic Modulation Finding
Using Convex Sets of Notes’, in: Proceedings
of Mathematics and Computation in Music
(MCM2007), Berlin: Springer, 18-20.
_______ (2008) A Geometrical Approach to Find
the Preferred Intonation of Chords, Technical
Report TR/2008/DOC/02, Department of
Computing, City University London.
_______ (2009) ‘Compactness in the Euler
Lattice: A Parsimonious Pitch Spelling
Algorithm’, in: Musicae Scientiae 13/1, 117138.
_______ and Rens Bod (2005) ‘Convexity and
the Well-Formedness of Musical Objects’,
in: Journal of New Music Research, 34/3, 293303.
Isaacson, Eric J. (1990) ‘Similarity of IntervalClass Content between Pitch-Class Sets: The
IcVSIM Relation’, in: Journal of Music Theory
34, 1-28.
Jeans, James (1968) Science and Music, New
York: Dover.
Jong, Karst de, and Thomas Noll (2008)
‘Contiguous
Fundamental
Bass
Progressions’, in: Dutch Journal of Music
Theory 13/1, 84-97.
Kramer, Jonathan (1973) ‘The Fibonacci Series
in Twentieth-Century Music’, in: Journal of
Music Theory 17, 111-148.
Krebs, Harald (1999) Fantasy Pieces: Metrical
Dissonance in the Music of Robert Schumann,
Oxford: Oxford University Press.
Lerdahl, Fred, and Ray Jackendoff (1983) A
Generative Theory of Tonal Music, Cambridge,
MA: MIT Press.
Lewin, David (1981) ‘On Harmony and Meter
in Brahms’ Op. 76, No. 8’, in: 19th-Century
Music 4/3, 261-326.
_______ (1987) Generalized Musical Intervals and
Transformations, New Haven: Yale University
Press.
Longuet-Higgins, Hugh Christopher, and Mark
Steedman (1987/1971) ‘On Interpreting
Bach’,
in:
Longuet-Higgins,
Hugh
Christopher (ed.), Mental Processes: Studies
in Cognitive Science, Cambridge, MA: MIT
Press, 82-104.
Morris, Robert (1980) ‘A Similarity Index for
Pitch-Class Sets’, in: Perspectives of New
Music 18, 445-460.
Noll, Thomas, and Anja Volk (2005)
‘Transformationelle Logik der Dissonanzen
und Konsonanzen’, in: Enders, B. (ed.),
Mathematische
Musik
musikalische
Mathematik, Saarbruecken: PFAU Verlag.
Norden, Hugo (1964) ‘Proportions in Music’,
in: Fibonacci Quarterly 2, 219-222.
Partch, Harry (1974/1949) Genesis of a Music,
second edition, New York: Da Capo Press.
Patrick, P. Howard (1974) ‘A Computer Study
of a Suspension-Formation in the Masses
of Josquin Desprez’, in: Computers and the
Humanities 8, 321-331.
Plomp, Reinier, and Willem J. Levelt (1965)
‘Tonal Consonance and Critical Bandwith’,
in: Journal of the Acoustical Society of America
38, 548-560.
09-11-2009 15:50:36
Pagina 14
Vedi nel PDF(si apre in una nuova finestra)Quinn, Ian (2001) ‘Listening to Similarity
Relations’, in: Perspectives of New Music 39,
108-158.
Rahn, John (1980) ‘Relating Sets’, in: Perspectives
of New Music 18, 483-498.
Roeder, John (1995) ‘A Calculus of Accent’, in:
Journal of Music Theory 39/1, 1-46.
Rogers, David W. (1999) ‘A Geometric Approach
to Pcset Similarity’, in: Perspectives of New
Music 37/1, 77-90.
Rothstein, Edward (2003) ‘A Seeker of Music’s
Poetry in the Mathematical Realm’, in: The
New York Times, June 28, 9.
Samplaski, Art (2004) ‘The Relative Perceptual
Salience of Tn and TnI’, in: Music Perception
21/4, 545-559.
Schenker, Heinrich (1906) Harmonielehre, Wien:
Universal Edition.
Schuijer, Michiel (2008) Atonal Music: PitchClass Set Theory and Its Contexts, Rochester,
NY: University of Rochester Press.
Smoorenburg, Guido F. (1970) ‘Pitch Perception
of Two-Frequency Stimuli’, in: Journal of the
Acoustical Society of America 48, 924-942.
Spiro, Neta (2007) ‘What Contributes to the
Perception of Musical Phrases in Western
Classical Music?’, PhD thesis, University of
Amsterdam.
Stammers, Diana (1994) ‘Set Theory in the
Perception of Atonal Pitch Relations’, PhD
thesis, Cambridge University.
Szeto, Wai Man and Man Hon Wong (2006)
‘A Graph-Theoretical Approach for Pattern
Matching in Post-Tonal Music Analysis’, in:
Journal of New Music Research 35/4, 307-321.
Temperley, David (2007) Music and Probability,
Cambridge, MA: MIT Press.
Tramo, Mark J., Peter A. Cariani, Bertrand
Delgutte, and Louis D. Braida (2001)
‘Neurobiological Foundations for the Theory
of Harmony in Western Tonal Music’, in:
Annals of the New York Academy of Science
930, 92-116.
Vercoe, Barry (1971) ‘Review of “The Computer
and Music” by Harry B. Lincoln’, in:
Perspectives of New Music 9, 323-330.
Volk, Anja (2008a) ‘Persistence and Change:
Local and Global Components of Metre
Induction Using Inner Metric Analysis’, in:
Journal of Mathematics and Music 2/2, 99115.
_______ (2008b) ‘The Study of Syncopation
Using Inner Metric Analysis: Linking
Theoretical and Experimental Analysis of
Metre in Music’, in: Journal of New Music
Research 37/4, 259-273.
_______, and Elaine Chew (2008) ‘Reconsidering
the Affinity Between Metric and Tonal
Structures in Brahms’ Capriccio Op. 76, No.
8’, in: Computing in Musicology 15, 138-171.
_______, Joerg Garbers, Peter van Kranenburg,
Frans Wiering, Remco C. Veltkamp, and
Louis P. Grijp (2007) ‘Applying Rhythmic
Similarity Based on Inner Metric Analysis
to Folksong Research’, in: Proceedings of
the Eighth International Conference on Music
Information Retrieval (ISMIR), Vienna, 293296.
_______, Peter van Kranenburg, Joerg Garbers,
Frans Wiering, Remco C.Veltkamp, and
Louis P. Grijp (2008) ‘A Manual Annotation
Method for Melodic Similarity and the Study
of Melody Feature Sets’, in: Proceedings of
the Ninth International Conference on Music
Information Retrieval (ISMIR), Philadelphia,
PA, 101-106.
Wittlich, Gary (1974) ‘Intervallic Set Structure in
Schoenberg’s Op. 11, No. 1’, in: Perspectives
of New Music 13, 41-55.
Yasser, Yoseph (1975) A Theory of Evolving
Tonality, New York: Da Capo Press.
Yeston, Maury (1976) The Stratification of Musical
Rhythm, New Haven: Yale University Press.
09-11-2009 15:50:36