Volledige tekst tonen14 pagina's
Pagina 1
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)SSIS
Dir ER RAS ET
Vado
C3
on er
DE OUDERE PHASEN DER GRIEKSCHE
WISKUNDE 9)
De onderzoekingen, die in de laatste jaren over prae-Helleensche wiskunde zijn verricht en waarover hier eenigen tijd geleden
verslag is gedaan, hebben een sterke wijziging teweeg gebracht
in onze voorstellingen over de technische vaardigheid, die de
Oostersche volkeren reeds lang voor den bloeitijd der Helleensche
cultuur op arithmetisch en algebraisch gebied hadden verworven.
Zij hebben echter nog niet kunnen bewerken, dat de moderne
mathesis de wiskunden van Egypte en Babylon nu ook reeds
met dezelfde gevoelens van verwantschap zou zijn gaan beschouwen, als zij het reeds lang de Grieksche heeft leeren doen.
Nog steeds ziet zij, bij alle erkenning van de waarde van wat tot
stand werd gebracht en van de mogelijkheden van ontwikkeling,
die geopend werden, de prae-Helleensche mathesis als een
vreemd wezen uit een voorgoed afgesloten periode; in de Grieksche daarentegen herkent zij met blijde verwondering haar eigen
jeugd, vol van beloften, die sindsdien in vervulling zijn gegaan,
vol ook reeds van daden, waarop later kon worden voortgebouwd.
Inderdaad is de zuivere mathesis, dit wonderlijk voortbrengsel
van het Avondland, een vrucht van Helleenschen bodem en de
verdiensten, die de Grieken zich door dit aandeel in de ontwikkeling van onze cultuur hebben verworven, zullen onverminderd
blijven voortbestaan, hoeveel verrassingen over de technische
vaardigheid van oudere volkeren ons bij verdergaande ontcijfering der bronnen wellicht nog wachten. Zelfs zou men kunnen
zeggen, dat de waarde van hun werk wordt verhoogd bij iedere
onthulling van een hooger peil van de wiskundige techniek van
hun voorgangers. Want telkens wanneer het blijkt, dat de Baby-
II
loniërs, de Aegyptenaren of de Indiërs meer hebben geweten
en meer hebben gekund, dan men vroeger altijd vermoed heeft,
!) Voordracht, gehouden te Leiden op 28 Jan. 1936.
Pagina 2
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)en wanneer dan daarbij tevens aan het licht komt — wat tot dusver onveranderlijk aan het licht zs gekomen— dat zij niettemin
wat er in de periode van 600 tot 300 v. Chr., tusschen Thales
van Milete en Euclides van Alexandria, op wiskundig gebied in
154
155
niet op het denkbeeld zijn gekomen, al die kennis en al die vaar-
Hellas kan zijn voorgevallen. Hetis dat beeld, dat we hier zullen
digheid te ordenen in een logisch sluitend systeem, opgebouwd
schetsen en er is dan nu bij voorbaat reeds aangeduid, hoezeer
op de grondslagen van definitie en axioma en ontwikkeld uit
het berust op vergelijking en groepeering van een groot aantal
kracht van het zuivere denken alleen, beseffen wij des te scherper,
verschillende gegevens en welk een belangrijk aandeel de reconwelk een scheppende daad de Hellenen in het opvatten en uitwerken van dat denkbeeld hebben verricht en hoezeer dus de
structieve phantasie in het tot stand komen ervan gehad heeft.
Dat brengt natuurlijk voor den historicus der wiskunde de
voortdurende verplichting mee, zich bij iedere bewering bewust
te blijven van de gronden, waarop ze berust en van de mate van
redelijke opbouw der wiskunde, die voor ons haar meest wezenlijke kenmerk is, tot de groote dingen behoort, waardoor Hellas
het aangezicht der wereld heeft veranderd.
Dit opstel bedoelt een poging, het tot stand komen van deze
schepping in hoofdtrekken te schetsen, maar het moet helaas
beginnen met de bekentenis, dat de werkelijk positieve en volbetrouwbaarheid, die er aan toekomt. Laten we ons echter hier
de weelde gunnen, ons van die noodzaak te ontdoen: laat de schets,
die hier volgt, op dezelfde wijze worden beschouwd, als waarop
men zou luisteren naar een archaeoloog, die, na nauwkeurige
studie van de overblijfselen van een antieken tempel te hebben
gemaakt, in een uur van ontspanning aan zijn phantasie den
vrijen loop laat en nu probeert, er een indruk van te geven, hoe het
gebouw naar zijn voorstelling er als geheel heeft uitgezien.
Omstreeks 600 v. Chr. dan moeten de Grieken — en men heeft
hier, evenals in de geschiedenis der philosophie, voor alles aan de
maakt betrouwbare gegevens, die ons voor deze reconstructie ter
beschikking staan, uitermate schaarsch zijn. Hoe vreemd het ook
moge klinken, we hebben het als feit te aanvaarden, dat we voor
het onderzoek van de Babylonische wiskunde van ca 2000 v. Chr.
een veel ruimere en veel meer volledige documentatie bezitten
dan voor de kennismaking met de Grieksche wiskunde uit den
bloeitijd der Helleensche cultuur. De oudste Grieksche wisfonische bewoners van de kusten van Klein-Azië te denken — op
grond van wat ze door aanraking met de Babylonische, de
kundige, wiens werken we althans in hoofdzaak kennen, is
Euclides, die omstreeks 300 v. Chr. moet hebben geleefd, maar
hij beduidt voor de periode, die ons in dit opstel zal bezighouden,
de afsluiting en bekroning en hij kan ons dus beter leeren, waartoe de ontwikkeling der Grieksche mathesis in de eeuwen vóór
hem heeft gevoerd, dan hoe ze is verloopen. Van de prae-Euclidische wiskunde zelf bezitten we slechts enkele authentieke fragmenten, een beperkt aantal berichten van tijdgenooten en verder
mededeelingen van zeer uiteenloopende waarde bij schrijvers,
die vele eeuwen na den tijd, waarin de gebeurtenissen zich afspeelden, hebben opgeteekend, wat de overlevering ervan getuigde of wat zij er zelf van vermoedden, raadden of phanta-
Aegyptische en wellicht ook indirect met de Indische cultuur
hadden gehoord en wat ze, daarop voortbouwend, zelf hadden
gevonden, in.het bezit zijn geweest van een bonte verscheidenheid van rekenkundige en algebraische vaardigheden en van meetkundige eigenschappen en methoden, berustend op traditie, op
empirie of op intuitie, een mengeling van juist en onjuist, van
zeker en twijfelachtig, in den volsten zin van het woord een
rudis indigestaque moles en ook zij waarlijk bestaande uit non bene
junctarum discordia semina rerum.
Moest het voor Helleensche denkers, die het ontstaan der
wereld als geheel zagen als een ordening van chaos tot kosmos,
seerden. Naast deze drie bronnengroepen bestaat dan nog een
Van al deze gegevens gebruik makend, hebben de historici der
Grieksche wiskunde zich langzamerhand een beeld gevormd van
ee aR ea
aardigheden van zijn structuur nog menige herinnering aan
vroegere phasen van ontwikkeling bewaart.
niet een aanlokkelijke opgave zijn, in dezen microchaos zelf orde
oe
andere: het voltooide systeem van Euclides zelf, dat in de eigente scheppen, het logisch voorafgaande vóór het logisch volgende
te plaatsen en overal de archai, de principia, te zoeken, waaruit het denken door eigen kracht alles kon afleiden, wat tot
dusver als in samenhang onbegrepen feitenmateriaal het geheugen had belast?
Pagina 3
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)E WISKUNDE
echter verplaatst
geboorteuur der
Het ontstaan van dit denkbeeld beduidt het
urphilosophen reeds
mathesis en zeker hebben de Ionische natu
teit der Grieksche
het tooneel van de grootste geestelijke activi
bijgedragen tot de verwerkelijking ervan. Spoedig
etrie als
t-Griekenwereld zich van de kusten van Klein-Azië naar Groo
l van Pythaland: te Krotoon in Zuid-Italië zetelt dan de schoo
traditie, die
goras, waarin de mathesis tot religie wordt, en een
okt, maar
door de moderne historische kritiek wel deerlijk gesch
zaamheid
daarmee nog lang niet ontworteld is, zoekt in haar werk
geom
den eigenlijken oorsprong zoowel van de zuivere
de neovan de abstracte getallenleer. Dat ze zooveel deed, als
; dat
Pythagoraeërs later hebben beweerd, gelooven we niet meer
later de
haar werk vaak verward is met wat meer dan een eeuw
van Tarente
z.g. Pythagoraeérs uit de school van Archutas
wijfeld
hebben gedaan, is maar al te waarschijnlijk. Maar onget
derd:
heeft zij den redelijken opbouw der wiskunde sterk bevor
wiskunde
de mededeeling
van Proklos, dat Pythagoras de empirisch gegroeide
nog steeds gelooven we graag aan de juistheid van
stellingen op
vervormde tot een vrije wetenschap en dat hij haar
zocht; nog
onstoffelijke wijze en door het denken alleen onder
ud van de eerste
steeds schrijven wij een groot deel van den inho
denkbeeld van
en op dien
zes, de planimetrische, boeken van Euclides op zijn naam
beseft en
van zijn school. Hier werd dus ook wel voor het eerst
wiskundige
in practijk gebracht, dat de logische reductie van een
uitspraken
bewering op dieper liggende en meer eenvoudige
le
tenslotte een einde moet nemen en dat het gehee
als van wat men doet. Zoo bleek de noodzaak,
een aantal niet
AA: Fig, a
men zich
ordening in de ductieve ketens geen zin heeft, wanneer
wat men zegt
niet voortdurend even scherp rekenschap geeft van
omschrijving
angspunt
verder bewijsbare grondstellingen, de axiomata, als uitg
.
van de beteekenis der gebruikte termen te laten voorafgaan
der redeneering te nemen en aan ieder betoog een
er had
Hier werd dus ook veel bewust gemaakt wat men vroeg
n en
aanvaard en gebruikt, zonder het uitdrukkelijk te vermelde
and en
veel oude kennis vond hier voor het eerst zijn redelijk verb
zijde
zijn plaats in het systeem. Dat het vierkant, op de schuine
even
van een rechthoekigen driehoek als zijde beschreven, een
hoekszijden
groote oppervlakte heeft als de vierkanten op de recht
samen, werd hier niet slechts vermoed, geweten of op zijn best
baer.
ee
re
DE OUDERE PHASEN DER GRIEKSCHE WISKUNDE
157
in speciale gevallen intuitief als juist erkend, maar in een logisch
dwingend betoog bewezen en met het woord „bewijzen” heeft in
de beschrijving der menschelijke denkactiviteit een nieuwe term
zijn intrede gedaan en heeft het denken zelf een nieuwe en
hoogere trede bestegen.
En daarbij kwam dan nog — niet minder beladen met toekomstmogelijkheden dan de logische ordening der meetkunde — de
ontdekking van de kosmische beteekenis van het getal. Snaren,
die bij gelijke spanning, dikte en materiaal consoneerende intervallen voortbrachten, bleken lengten te bezitten, die zich als de
eenvoudigste natuurlijke getallen verhouden: 1:2 voor het
octaaf; 2 : 3 voor de quint en zoo verder, en aan het zingenot, dat
het oor bij het weerklinken dier intervallen ondervond, kon een
abstracte genieting van den geest, die, muziek hoorend, telt
zonder het te weten, als diepere grondslag worden gegeven.
Dat deze eene ontdekking zoo verstrekkende gevolgen kon
hebben, niet alleen voor de wiskunde en de mathematische
natuurwetenschap, maar voor de geheele Helleensche cultuur, is
toe te schrijven aan een eigenaardigheid van het jonge Grieksche
denken, die ook in de geschiedenis der philosophie tot uiting
komt: de sterke neiging tot de onvervaarde sprongsgewijze
inductie, die den moed geeft, om wereldomvattende beginselen
te formuleeren naar aanleiding van een zeer karig feitenmateriaal.
Men denke aan Thales: hem valt de levenwekkende invloed van
het water op, de rol van vocht bij allerlei natuurlijke processen,
het alzijdig voorkomen ervan en direct is hij met zijn conclusie
klaar: de pio van het zijnde, de natura rerum is het water. Geen
Grieksche denker van deze periode althans schrikt voor dergelijke
gedachtensprongen terug: van de peripherie der verschijnselen
naar het centrum van het wezen is voor hen slechts een stap. De
Pythagoraeërs zijn niet anders: met de gewaarwording der welluidendheid correspondeert het objectieve feit van de eenvoudige
getalverhouding en getalverhoudingen beheerschen ook vaak de
vormeigenschappen, die de meetkunde bestudeert: dus vormt de
verhouding het wezen van wat ons als welluidend interval of
als schoone vorm verschijnt.
.
En hiermee heeft het jonge denken over de natuur reeds alle
remmen der bedachtzaamheid losgedraaid: van alle dingen geldt,
dat wezenlijk slechts datgene is, wat door getallen kan worden
Pagina 4
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)uitgedrukt. Korter: roós dorduovs elvat atta ta agéyuara; dat de
We zullen de muzikale en ook de astronomische consequenties
van de Pythagoraeische getallenleer echter verder laten rusten
getallen de dingen zelf zijn. En dat inzicht blijft niet tot
de aarde beperkt: ook de kosmos des hemels moet gebouwd zijn
volgens eenvoudige getalverhoudingen en het is hare schoone
overeenstemrning, hare harmonie, die het geestelijk oor van den
159
en ook slechts enkele woorden wijden aan de mystische en magische zijden, die zij bezit, aan de toevoeging van getallen aan
abstracte begrippen, 1 aan het denken, dat steeds onbewegelijk
in zich zelve rust, 2 aan de eeuwig wisselende meening, 5 aan het
huwelijk, omdat even met vrouwelijk en oneven met mannelijk
astronoom bij beschouwing van den sterrenhemel verneemt.
‘0 ödog odoavóc Gouovia gori xai dovduds: de geheele hemel is harmonie en getal.
correspondeert, terwijl 5 de eerste som van een even en een oneven getal is, 7 aan de wijsheid enzoovoort. We vermelden ook
slechts terloops even de volmaaktheid van het getal 10, de heiliggoraeérs en de Ionische denkers een groot verschil en dat verschil
heid van den Tetraktus, d.i. derij 1,2,3,4en gaan ook niet in op
bestaat in het succes, dat zij met hun logisch in het geheel niet
verantwoorde stap hadden. Het ziet er toch ook wel naar uit, dat
voor het natuurwetenschappelijk denken de dingen inderdaad
getallen zijn of, om het minder aphoristisch te zeggen, dat de
natuurwetenschap slechts datgene kan kennen, wat ze in mathematische taal (en dat wil in laatste instantie toch zeggen met
behulp van getallen) kan uitdrukken. Kant heeft later op grond
van een ruimer ervaringsmateriaal ongeveer hetzelfde gezegd en
onze tijd schijnt meer dan een andere aan zijn inzicht en aan het
voorgevoel der Pythagoraeërs gelijk te geven.
Voorde Pythagoraeërs zelf was een der eerste consequenties van
hun aperçu natuurlijk de enge verwantschap, ja identiteit van
v
Dit zijn alles even overijlde conclusies als die Thales trok of
een der andere natuurphilosophen. Toch is er tusschen de Pythade theorie der perfecte getallen, die de som zijn van al hun echte
deelers noch op die der bevriende getallenparen, waarvan elk
de som is van al de echte deelers van het andere.
Dit alles blijft hier rusten, omdat het voor het hoofddoel van
dit opstel speciaal aankomt op de functie van het getal in physischen en geometrischen zin, in den opbouw van stoffelijke
lichamen en ruimtelijke vormen, maar het zou niet goed zijn
geweest, er heelemaal over te zwijgen, omdat anders een
wezenlijk aspect van de Grieksche wiskunde zou zijn verdoezeld. Typeerend vooral voor de oudere Grieksche mathematici is
nl. de enge buurschap, die er in hun geest bestaat tusschen de
behoefte aan wiskundige exactheid, dus aan helderheid en eerlijkwiskunde en muziektheorie en de nauwe samenhang van beide
met de astronomie. Het innige verband, dat de drie wetenschappen later in het quadrivium zou samenbinden, dateert uit dezen
heid van het denken, en de neiging tot ongebonden phantastische
tijd. Aan de muzikale invloeden, die de wiskunde in haar eerste
zooveel succes hebben beoefend, zal menigeen wellicht goed in
die voorstelling lijken te passen. Men beschouwt nu eenmaal
mathematici over het algemeen bij voorkeur als een koele,
hartstochtlooze, alle dingen zonder veel emotie overdenkende
phasen heeft ondergaan, bewaart de latere Grieksche wiskunde
bovendien nog menige herinnering: het woord harmonie heeft
in haar terminologie even sterk mathematischen als muzikalen
klank; menig hoofdstuk der arithmetica laat zich evenzeer als
verhandeling over intervallen begrijpen als in zijn wiskundige
beteekenis; voor de bewerking, die wij het quadrateeren van een
breuk noemen, zal de Grieksche arithmetica steeds verdubbelen
van een verhouding blijven zeggen, omdat men, muzikaal gesproken, een interval verdubbelt, door het relatieve trillingsgetal
tot de tweede macht te verheffen; de verhouding 2 : 1 zal zij
steeds samengesteld zien uit de verhoudingen 3:2 en 4:
omdat een octaaf de som is van een quint en een quart.
3,
speculatie, Men heeft gesproken over de nuchterheid der Grieken
en het sterk rationalistisch karakter van de wiskunde, die zij met
menschensoort en de term nuchter lijkt bij uitstek geschikt, deze
combinatie van deze eigenschappen uit te drukken. Men mag
daarbij echter niet over het hoofd zien, dat het voorrecht der
wiskundigen, zich in hun mathematische productie te kunnen
laten gaan, waarheen de phantasie der rede hen voeren wil, hen
wel eens verleidt tot overschrijdingen van de grenzen van hun
eigenlijk domein, waarvoor het woord nuchter heelemaal geen
juiste karakteristiek meer is. Wiskundigen hebben meer dan eens
de neiging vertoond, bij de studie der natuur de autoriteit van
Pagina 5
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)het empirische feit maar liever te ontloopen om vrijelijk te kunnen
beredeneeren, hoe de dingen wel zouden kunnen zijn ingericht
en niet zelden ook zijn zij meegesleept in stroomingen van
mysticisme of symbolisme, waarvoor men hen bij oppervlakkige
beschouwing heelemaal niet vatbaar zou achten. Zij deden dit
dan ook weer met een zekere koele grondigheid en consequentie
en het is juist deze combinatie van het verstandelijke met het
phantastische, die zoo vaak onbegrepen blijft. Men zou zich
daarom misschien op de karakteristiek van den nuchteren Griek
een kleine aanvulling kunnen veroorloven, voorzoover het de
DE OUDERE PHASEN DER GRIEKSCHE WISKUNDE
161
den der physica en de immaterieele der geometrie te onderscheiden. Waartoe ook ? Stof is immers slechts schijn en schijn — op dit
punt zijn alle Grieksche denkers het eens—is onbelangrijk. De
dingen zijn getallen, de stoffelijke kubus evengoed als de geometrische; beide bestaan slechts uit kubische monadenpatronen of,
als men een meer modernen term prefereert, uit kubische
roosters.
Zoo weerspiegelt in de Pythagoraeïsche leer de geheele opbouw
der wereld de discontinuiteit van de rij der natuurlijke getallen.
Alles is veelheid en dus door deeling op te lossen in eenheden; de
objecten van ons denken en van onze waarneming zijn slechts
aggregaten, verzamelingen van zulke eenheden. Het zal niet
de twee gebieden, die, toen ze werd opgesteld, nog vrijwel
noodig zijn uitvoerig teschetsen,van hoe fundamenteele beteekenis
voor de ontwikkeling van het geheele wetenschappelijke denken
deze leer geweest is. Slechts moge er even de aandacht op gevestigd worden, hoe verschillend hare lotgevallen zijn geweest op
Grieksche mathematici betreft; dit waren, zooals mathematici
vaak zijn, nuchtere phantasten en men zou op velen van hen
kunnen toepassen, wat Emerson van Plato zeide: niets koeler dan
Maar om tot de Pythagoraeërs terug te keeren: we lieten reeds
heid met ligging, en in tegenstelling hiermee wordt de oorstrekken. De vorming van de getallen door voortdurende samenvoeging van onderling gelijksoortige eenheden levert a.h.w. het
prototype voor den opbouw der ruimtelijke lichamen. Het
getallen” zich ook tot op physisch en geometrisch gebied uitking gekend, tot ze ten laatste een van haar grondstellingen, de
kunde heeft ze afwisselend perioden van heerschappij en verdrukeeuwenlang verdrongen geweest, tot ten slotte haar atomistisch
beginsel heeft gezegevierd en het getal inderdaad in de kosmische
beteekenis is hersteld, die zij daarvoor postuleerde. In de meetvereenigd waren: natuur- en meetkunde. In de physica is ze
wereld waarnemen, is het zijnde, zò dr, werkelijk een veelheid,
zooals de Pythagoraeërs beweren, of is het één ? Of, om het concreter te stellen: zal voortgezette deeling van een lichaam steeds
der Pythagoraeérs. Het strijdpunt is dus dit: is datgene ,wat ten
grondslag ligt aan de verschijnselen, die wij in de stoffelijke
Parmenides, aidotoc dewds ve, zooals Plato hem noemt, dien we
het eerst zich zien verzetten tegen de pluraliteitsbeschouwingen
De strijd om deze dingen, die zich vooral openbaart als een
conflict tusschen atomistiek en continuiteitsbeschouwing of, als
men wil, tusschen aggregaat en totaliteit, begint in de Grieksche
wijsbegeerte of wiskunde — deze twee begrippen zijn nog
nauwelijks te scheiden — met het optreden van de Eleatische
school; en wel is het de eerwaardige en geduchte figuur van
aanvaarden. -
meetkundige atomistiek, heeft moeten opgeven, om de andere, de
fundamenteele positie van het getal betreffend, ook hier te zien
of brons en het heeft nog geen zin, tusschen de materieele mona-
Wat hebben we hier nu echter onder lichamen te verstaan: de
stoffelijke die ons omringen of de ideale vormen der meetkunde ?
Die vraag is praematuur, want nog is de rationaliseering der
geometrie niet zoover gegaan, dat zij tot een idealiseering is geworden. Nog wordt niet steeds bewust verschil gemaakt tusschen
den meetkundigen driehoek en het driehoekig plaatje van steen
leenen in driehoekige, vierkante, vijfhoekige enz.
telijke monaden en ook al overtreft het aantal daarvan iedere voorstelling, zoo blijft nochtans op hare verzamelingen het fundamenteele begrip van den logos, de verhouding, van toepassing: lijnstukken verhouden zich als getallen. Vlakke figuren en lichamen
zijn de oneindige verfijningen van stippatronen, zooals ze dienen
om getallen weer te geven en waaraan deze hun indeeling ontspronkelijke arithmetischeeenheid dan een ozyuú äderog, punt
zonder plaats. Lijnen ontstaan door het aaneenrijgen van die ruimelement van opbouw is hier het punt: uovds ot Egovoa, eenzijn hoofd, wanneer de flitsen van zijn verbeelding langs den
hemel schieten.
uitkomen, dat de toepassingen van het axioma,,de dingen zijn
Pagina 6
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)weer tot lichamen voeren, die één van aard zijn met het oorspronkelijke en dus op hun beurt weer vatbaar voor deeling? Of
zal het lichaam opgelost worden in indivisibele bestanddeelen,
waarvan het de verzameling, het aggregaat is ? Parmenides verdedigt in zijn gedicht zeoi póoews, d.w.z. over den aard der dingen,
de eerste opvatting met het duistere pathos van een ziener: het
zijndeis en kan onmogelijk niet zijn; van het niet zijnde daarentegen kan het bestaan nooit bewezen worden. Het zijnde is niet
ontstaan en niet vergankelijk; hetis geheel, eenig, onwrikbaar. Het
kan niet ontstaan zijn: niet uit het zijnde, omdat het zijnde dan al
r
2
fe
‘om
=
:
DE OUDERE PHASEN DER GRIEKSCHE WISKUNDE
163
is dan het vacuum, dus alles, wat de Pythagoracërs en na hen de
atomisten nog tusschen de monaden of de atomen denken. En de
schijnbare banaliteit, dat wat niet is niet is, blijkt dan in andere
formuleering de zwaar wegende bewering te bevatten, dat er geen
vacuum mogelijk is.
Ineens blijkt nu de gehecle passage een duidelijken en diepen
zin te hebben; we hooren hier de beginselverklaring der Eleatische school in kwesties, die fundamenteel zijn voor de Grieksche
wijsbegeerte niet alleen, maar voor het geheele wetenschappelijke
denken van alle tijden. We beperken ons tot de consequenties
voor de wiskunde en wijzen er dus slechts terloops op, dat het
bewijs voor het niet ontstaan zijn van het zijnde het geheele probleem van het worden ontrolt, dat de Grieksche philosophen als
geen ander bezig zal houden en waarvoor Aristoteles in zijn
die eeuwenlang het Europeesche denken zal richten.
worden aangeprezen.
bij latere Eleaten, Plato, Descartes, met nadruk als de juiste zal
ingelijfd en dat is een voorspel van een beschouwingswijze, die
naar de natuur, den aard der dingen, wordt hier bij de wiskunde
de ruimte denken kan, brengen geen scheiding teweeg of, zooals
Parmenides het uitdrukt, zij maken het zijnde niet los uit den
samenhang met het zijnde. Lijnen en punten krijgen al evenzeer
een volstrekt ideaal karakter. De geometrie wordt hier voorgoed
onttrokken aan de empirie en, kan men zeggen, de physica ook,
maar zij slechts tijdelijk. De natuurwetenschap het onderzoek
met het geheel in wezen identiek is; de oppervlakken, die men in
verdeeld, blijft in dien zin ongedeeld, dat een klein deel ervan
Die overtuiging impliceert al dadelijk het ideale karakter van
de mathematische vormen: het continuum, hoever ook in deelen
zooals zij hun atomistische zienswijze geldig verklaarden zoowel
voor wat wij physische als voor wat wij geometrische lichamen
noemen, hier de overtuiging van de continuiteit van al het bestaande zoowel de materie der physica als de ruimte der geometrie
geldt.
_
Eigenlijk moest weer, als bij de Pythagoraeérs, gezegd worden:
toepassing op wiskunde en physica. Want het is duidelijk, dat,
Dit alles blijft hier rusten, omdat de toepassing van de uitgeonderscheiding van potentia en actus een oplossing zal vinden,
kanten, vergelijkbaar met een goed afgeronden bol.
Wanneer er een lezer mocht bestaan, die deze saeculaire woorden hier voor het eerst verneemt, zal hij wellicht niet onmiddellijk
sproken beginselen op de wiskunde al verstrekkend genoeg is.
wordt uitgedrukt, te erkennen. Dat het zijnde is en het niet zijnde
niet, moet bij eerste kennismaking wel een banale tautologie
lijken en de samenhang van deze beschouwingen met de fundamenten der mathesis schijnt ver te zoeken.
We moeten echter niet de mogelijkheid, ja de groote waarschijnlijkheid over het hoofd zien, dat in de Grieksche philosophische lectuur woorden als 16 êv,, tò un dv, het zijnde en het
niet zijnde, pos, de natuur, en dergelijke, een zeer speciale
technische beteekenis kunnen hebben gehad, die wij met onze
letterlijke vertalingen niet meer benaderen. Het is in ieder geval
zeer denkbaar, dat Parmenides, zich bezig houdend met de door
alle denkers voor hem reeds met zooveel voorliefde behandelde
vraag, wat toch het substraat mag zijn van de qualitatief onderscheiden materiën, waarmee de waarneming ons in contact
brengt, noch water, noch lucht, noch vuur, noch het getal als
zoodanig aanvaardt, maar, in een opvatting, die aan die van
Anaximander verwant schijnt, een eenige materie als oerstof stelt,
waarvan het wezen in de uitgebreidheid ligt en die dus met de
ruimte identiek is. Als hij dat vò 4v genoemd heeft, beduidt dit
woord dus de uitgebreide materie of de volle ruimte: zò ui dv,
waarvan het niet-bestaan met zooveel hartstocht wordt betoogd,
wen
bereid zijn, de belangrijkheid van den gedachtengang, die er door
moest bestaan; niet uit het niet zijnde, omdat uit niets niets
voortkomt. Het zijnde is niet deelbaar, omdat het overal aan zich
zelf gelijk is. Er is nergens een sterker zijn, dat zijn samenhang
zou kunnen storen, noch een zwakker. Het is afgesloten naar alle
EE Beken Bilin cae >
pate
Pagina 7
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)VE VUDENO
Fri ASUN
DER GAALROUEL WISKUNDE
105
ANTIMEDOON: Mij dunkt van niet.
We gaan ook aan dezen zijweg voorbij: de verdere lotgevallen
ZENOON: Maar als elk dier deelen een lengte nul heeft, hoe kan
van de grondslagen der wiskunde vereischen al onze aandacht.
Want het is wel duidelijk, dat door het enkele poneeren van het
dan hun samenvoeging wel lengte hebben? De lengte van het
postulaat der continuiteit de strijd om die grondslagen niet was
geheele lijnstuk moet dus nul zijn.
ANTIMEDOON: Zij zullen dus nog wel lengte hebben.
ZENOON: Laten we dit even onderstellen. Maar wat moet ik van
hun aantal denken? Is het eindig of niet?
beslist, maar integendeel pas begon en tevens, dat de stijl, waarin
Parmenides dien strijd voerde, in duistere toespelingen en felle
invectieven tegen de blinde, doove, radelooze troep, die zijn en
niet zijn voor het zelfde houdt, niet het meest geschikt was, om
tot een snelle oplossing te komen.
Inderdaad schijnt de meening van Parmenides, dat het zijnde
een eenheid is en geen veelheid, tegenspraak en spot te hebben
|
ANTIMEDOON: Natuurlijk oneindig, want een lijnstuk is onbe-
|#
om
t
uitgelokt, het eerste, naar we ons kunnen voorstellen, van de zijde
der Pythagoraeërs, het tweede van die der empiristische sophisten,
nieuwen en geduchten strijder voor de stelling der eenheid in het
veld in de persoon van den leerling en jongeren vriend van
Parmenides, den eeuwenlang miskenden en met de reputatie van
aarts-sophist ten onrechte zwaar belasten Zenoon van Elea. Deze
ZENOON: Maar de samenvoeging van oneindig veel deelen, die elk
lengte hebben, moet tot een oneindig groot lijnstuk voeren.
Echter heeft het lijnstuk een eindige lengte. Ik kan het dus op
mr
zooals Protagoras en Gorgias. Die tegenstand bracht echter een
grensd deelbaar.
geen van beide wijzen als verzameling van indivisibilia beschouwen.
ANTIMEDOON: Toch is het dat. Ik kan het b.v. voortgebracht
denken door de beweging van een punt. Bevat het dan niet alle
standen, die het bewegende punt achtereenvolgens heeft
ingenomen ?
merkwaardige denker, dien de Grieken den vader der dialectiek
ZENOON: Ik merk op, dat ik nooit betwist heb, noch van plan ben
noemen, heeft het Pythagoraeïsche standpunt bestreden en daarte betwisten, dat een lijnstuk punten bevat; ik ontken alleen,
door indirect het eigene verdedigd door het beginsel der pluraliteit ad absurdum te voeren, Om aan de hand van het weinige, dat
dat het uit punten bestaat. Overigens zou ik u willen raden,
over de achtereenvolgende standen, die het bewegende punt
inneemt, niet met al te groote zekerheid te spreken.
van zijn redeneeringen over is, te toonen, hoe hij dat deed, willen
ANTIMEDOON: Overal in de wereld weerspiegelt zich toch de
vorming van het getal, de opbouw van een veelheid uit gelijksoortige eenheden. Beschouw b.v. een lijnstuk. Het is deelbaar
in twee lijnstukken, die er elk de helft van zijn en elk van deze
is op dezelfde wijze opnieuw te verdeelen. Denkt men zich
echter die deeling steeds verder voortgezet, dan komen ten
slotte als laatste elementen de indivisibele deelen, de punten,
te voorschijn, waaruit het lijnstuk bestaat, zooals een getal
bestaat uit eenheden. .
ZENOON: Ik wil een oogenblik aannemen, dat inderdaad de verdeeling in indivisibilia tot stand is gebracht. Maar hoe staat
het nu met de afmetingen van die laatste deelen? Hebben ze
nog lengte ?
lijnstuk AB doorloopt, dan moet het, alvorens in B te komen,
3+
5
fi BPR var A ruetenan Pete
we ons voorstellen, dat hij een discussie heeft gevoerd met een
Pythagoraeër, voor wien we Antimedoon kiezen. Het gesprek
moet dan ongeveer als volgt verloopen zijn:
ANTIMEDOON: Hoe zoo, Zenoon?
ZENOON: Wel, neem eens aan, dat een punt in zijn beweging het
toch in het midden C van AB geweest zijn?
ANTIMEDOON: Zeer zeker.
ZENOON: En voordat het in C kwam, in het midden D van AC?
ANTIMEDOON: Hoe zou het niet?
ZENOON: Welnu, Antimedoon, noem mij dan eens het eerste punt,
dat het bewegende voorwerp na A bereikt heeft. Gij zwijgt?
Geen wonder. Want, als gij een eerste punt noemt, wijs ik een
eerder aan, En het lijkt dus, dat wanneer beweging werkelijk
een achtereenvolgens bereiken van de punten van een lijnstuk
is, zij niet beginnen kan, omdat het eerste punt geen volgend
punt bezit.
Gij vindt dit niet overtuigend? Welnu, dan toon ik aan, dat
de beweging, opgevat, zooals gij het doet, ook niet kan eindigen.
Pagina 8
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)DI VUDERL
FIASCO
DIA GAKILCROLIIL
VV AOR UIN
Maar het stuit me tegen de borst, het juist gezegde eenvoudig
rt
100
de Oer ne TE OOMME
OO
WT
4A NA NAS Ee
aM
Es
Want, zeg mij eens, Antimedoon, bevindt zich op een bepaald
toe. Gij weet, hoe snel ter been de held Achilleus was en hoe
oogenblik het bewegende punt in een indivisibel van den weg
of niet? Ik zal u het antwoorden besparen; zegt gij ja, dan
langzaam een schildpad voortkruipt. Welnu ik beweer, dat,
constateer ik, dat een vliegende pijl voortdurend in rust is,
als uwe opvatting van beweging de juiste is, Achilleus de
schildpad niet zal kunnen inhalen, wanneer deze maar eenmaal
een voorsprong op hem heeft. Immers laat aanvankelijk de
schildpad in B en Achilleus in A zijn. Na eenigen tijd komt de
held in B, maar vindt hij daar de schildpad nog? Integendeel:
zij heeft zich intusschen naar C verplaatst, maar wanneer
Achilleus zich gehaast heeft, om ook in C te komen, is zij in D
op dit oogenblik hier, op een ander elders. Wilt gij daarentegen
volhouden, dat met een bepaald oogenblik niet het zijn in
een bepaald indivisibel, maar de overgang van het eene indivisibel naar het volgende correspondeert, dan verzoek ik u, u eens
Ad
aan de zijde van B te herhalen. Sta mij dus een kleine variant
even drie rijen indivisibilia voor te stellen, A, Ben C, waarvan
B in rust is, terwijl A en C zich me. gelijke snelheden in tegengestelde richtingen langs B verplaatsen:
en zoo voort in infinitum. Kunt gij, Antimedoon, mij het
laatste punt noemen, waar de schildpad nog niet is ingehaald ?
ANTIMEDOON: Nu begin ik te gelooven, Zenoon, dat gij niet ten
A
onrechte den naam hebt, door uwe redeneeringen het zwakkere
tot het sterkere te kunnen maken. Het is toch duidelijk, dat
B
Achilleus de schildpad zal inhalen; ik kan zelfs het oogenblik
berekenen, waarop hij het doet.
ZENOON: Mijn waarde Antimedoon, ik betwijfel noch de snelheid
van den held, dien Homeros als noödzng roemt, noch de rekenvaardigheid van een volgeling van den wijze van Samos. Maar
ik heb niet gevraagd, te bewijzen dat of te berekenen wanneer
het inhalen zal plaats vinden, maar te begrijpen, hoe het gebeuren kan, altijd, wanneer een lijnstuk de som is van al
zijn punten.
ANTIMEDOON: Meen echter niet, dat gij mij reeds overtuigd hebt.
Gij beroept er u voortdurend op, dat er oneindig veel punten
liggen tusschen het begin- of eindpunt der beweging en het
punt, dat gij op zeker oogenblik beschouwt; en gij schijnt het
als ongerijmd te willen voorstellen, dat die oneindig vele punten in een eindigen tijd worden gepasseerd. Vergeet echter niet,
dat ook de tijd onbegrensd deelbaar is, dat een tijdvak de som
is van oogenblikken, zooals een lijnstuk het is van punten. Ik
erken, dat ik niet precies kan zeggen, hoe het daar aan begin
en eind der beweging toegaat, maar we kunnen toch, dunkt me,
het zoo opvatten, dat in de oneindig vele oogenblikken van den
tijd de oneindig vele punten van den weg worden gepasseerd.
ZENOON: Ik wilu weer even volgen in uwe opvatting van den tijd.
Maar ik zie niet, dat dit de beweging begrijpelijker maakt.
SP
.
Q
R_U
T
Nu zullen P van A en R van C gelijktijdig Q van B passeeren;
in het eene tijdsindivisibel, waarin P op de plaats van S kwam,
heeft dus P het stuk TR van C voorbij zien gaan. Tusschen
T en R ligt echter U en daardoor wordt het beschouwde tijdsinterval gedeeld in twee helften, waarvan een aan het passeeren
van TU, een aan dat van UR is besteed. Dat is echter ongerijmd,
want het is een indivisibel.
Waarschijnlijk heeft Antimedoon hierop wel weer een ander
antwoord geweten, maar wij kunnen de beide Hellenen nu wel
verder aan hun disputeerlust overlaten. We hebben al genoeg gehoord, om te beseffen van hoe groote beteekenis de Eleatische
opvatting van de ruimte voor de ontwikkeling van mathesis en
philosophie geweest is. In het midden moge nog blijven, of Zenoon wel heelemaal gelijk had en of Antimedoon zich niet beter
had kunnen verdedigen. De hoofdzaak is nl. dat redeneeringen
als deze konden worden gehouden, dat de kritische zin der wiskundigen werd wakker geschud en dat ze werden gewezen op hun
onontkoombare plicht, hun geheele werkzaamheid tot in de
uiterste diepten redelijk te doordenken. Want, wat verder ook
de waarde van Zenoon’s betoog moge zijn, een ding staat vast: de
Pagina 9
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)Pythagoraeïsche opvatting van een continuum als aggregaat
was er voor goed door ad absurdum gevoerd; daarmee was
echter een redeneermethode, die tot dusver als volwaardig was
beschouwd, bevlekt gebleken met de smet der empirie en belangrijke meetkundige stellingen waren op losse schroeven gezet.
Wat voor waarde kon men b.v. nog hechten aan de eigenschap,
dat de inhouden van twee pyramiden met gelijke grondvlakken en
gelijke hoogten gelijk zijn, als men overwoog, dat het bewijs
daarvan gebaseerd was op het inzicht, dat doorsneden in beide
lichamen op gelijke afstanden van het grondvlak aangebracht,
even groot zijn en dat dus beide lichamen bestaan uit gelijke aantallen gelijke indivisibilia ? En was het niet op grond van deze hulpstelling, dat Demokritos voor den inhoud van een pyramide het
derde deel had gevonden van den inhoud van een prisma met
hetzelfde grondvlak en dezelfde hoogte, een fundamenteel resultaat van de meetkunde der ruimte? Er verspreidt zich een stemming van twijfel. De Abderiet zelf, die in zijn atoomtheorie lijnrecht tegenover de Eleaten stelling had genomen door te verklaren,
dat zò un 3v, het vacuum, naast het zijnde, de materie, een zelfstandig bestaan voert, dus dat het niet zijnde er wel is, kon in
denkverlegenheid, wat men toch moet denken van de doorsneden
zijn mathematisch werk niet doof blijven voor de ernstige waarschuwing van Zenoon. In een van de fragmenten, die van hem
bewaard zijn gebleven, zien we hem verkeeren in de aporie, de
van een rechten cirkelkegel met vlakken evenwijdig aan het grondvlak. Zijn die doorsneden gelijk? Dan is het lichaam geen kegel,
maar een cylinder. En zijn ze ongelijk, is dan de kegel niet, inplaats
van glad, trapvormig? Is het niet een dilemma, Zenoon waardig?
Want, wanneer men er aan tracht te ontkomen, door te zeggen,
dat de doorsneden geen dikte hebben, rijst onmiddellijk weer de
beangstigende vraag: hoe kan de kegel er dan uit bestaan? Of:
wat zit er dan tusschen?
Het is duidelijk: wat Parmenides en Zenoon in de Grieksche
wiskunde teweegbrachten, was niets minder dan een grondslagencrisis, die een van de pijlers van het jonge gebouw der Pythagoraeische wiskunde ernstig moest schokken. En des te pijnlijker
de ontdekking was gedaan, dat een ander fundamenteel leerstuk,
moest dit worden gevoeld, omdat intusschen reeds in eigen kring
dat misschien voor den bouw van het systeem nog wezenlijker
DE OUDERE PHASEN DER GRIEKSCHE WISKUNDE
1uy
was dan de atomistische beschouwingswijze der meetkundige
Dat fundamenteele leerstuk bestond hierin, dat men bij ieder
vormen, in zijn algemeenheid volstrekt onhoudbaar was.
tweetal lijnstukken, oppervlakken, inhouden of tijden meende te
kunnen aannemen, dat men met twee grootheden te maken had,
die zich tot elkaar verhouden als een getal tot een ander getal.
Het was een overtuiging, die den grondslag van de geheele levensen wereldbeschouwing raakte: hemel en aarde konden geen andere
verschijnselen te zien geven dan zulke, die in wezen getal en
verhouding waren.
Wreed moet die illusie zijn verstoord, toen een der leden der
gemeenschap voor de volgende beschouwing de aandacht vroeg:
dus m zelf ook, dus is n oneven. Zij nu m = 2m,, dan is n° =
In den gelijkbeenigen rechthoekigen driehoek met rechthoekszijden ter lengte 1 is het vierkant op de hypotenusa, dat immers
gelijk is aan de som van de vierkanten op de rechthoekszijden,
2 groot. Wanneer nu de hypotenusa zich tot een rechthoekszijde
yerhoudt als getal tot getal, zeg als m tot n, moet hiervoor gelden
2 — 2.n?. Is de verhouding m:n zoo ver mogelijk vereenm en n niet beide even. Echter is m? zeker even,
voudigd, dan zijn
n even. Dus zou, zooals Aristoteles het
2.m?,, dus n° en dus ook
uitdrukt, het evene gelijk zijn aan het onevene, wat ongerijmd is.
Dus verhouden zich rechthoekszijde en hypotenusa van den bedoelden driehoek, of, wat op hetzelfde neerkomt, zijde en diagonaal van een vierkant niet als getallen.
Van den schrik en de opschudding, die deze onthulling in den
heet, dat het nieuwe inzicht als een diep geheim voor de profane
kring der Pythagoraeërs moet hebben veroorzaakt, leeft een
weerklank voort in de neo-Pythagoraeische overlevering. Het
buitenwereld verborgen werd gehouden en dat toen Hippasos het
openbaar had gemaakt, hij als straf der goden in een schipbreuk
omkwam. Die schipbreuk is symbolisch te verstaan. Want, zooals
een scholium op Euclides verklaart, al het irrationale in het heelal
moet als iets onuitsprekelijks en vormloos verborgen blijven en
wanneer een ziel op zulk een vorm van het leven stoot en deze
toegankelijk maakt en in de openbaarheid brengt, wordt hij binnengetrokken in den Oceaan van het Worden en door de rustelooze stroomen daarvan omspoeld.
.
Inderdaad: vormloos en ontuitsprekelijk! Kan er voor een
Pagina 10
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)mathematicus iets ergers bestaan? En onuitsprekelijk, äponros,
wordt dan ook een der termen, waarmee men verhoudingen als
die van zijde en diagonaal! van een vierkant voortaan aanduidt en
het wordt in de nuance van afschuw en huivering, die er aan
eigen is,
nog slechts overtroffen door den term äioyos voor
een lijnstuk, dat ten opzichte van een ander lijnstuk het nieuw
ontdekte verschijnsel vertoont. Want logos beduidt immers niet
slechts en zelfs niet in de eerste plaats verhouding. Het is ook het
woord en de rede en het is voor een wetenschap, die zich uitsluitend op de rede beroept en het heldere woordgebruik in
hoogste eere houdt, een hoon, dat ze iets onredelijks, ietsirrationaals, in haar domein moet dulden.
En dit is niet alleen een zaak van logisch of aesthetisch sentiment! Want een irrationale verhouding van twee lijnstukken is
niet alleen onuitsprekelijk; zoolang men onder hun verhouding
de verhouding verstaat van de aantallen malen, dat een derde
lijnstuk als gemeene maat op beide begrepen is, bestaat het
heele begrip niet meer. Want die gemeene maat is er niet: de
DE OUDERE PHASEN DER GRIEKSCHE WISKUNDE
171
We kunnen deze vraag niet beter beantwoorden dan door een
kort overzicht te geven van wat zij in dien tijd bereikt had, waarbij
we ons, in verband met de plaats, waar de crisis was uitgebroken,
tot de meetkunde beperken. Zij omvattedan vooreerst in beginsel
d.w.z. afgezien van den breeden uitbouw, die in den loop der
eeuwen onvermijdelijk moest ontstaan, de geheele planimetrie
en een groot deel der stereometrie en ze had daarin ook reeds
problemen aangevat, die de kiem van een veel verdergaande ontwikkeling in zich bevatten, omdat ze met de elementaire hulpmiddelen niet oplosbaar bleken. De groote vraagstukken, een
hoek in drie gelijke deelen te verdeelen, een kubus te construeeren,
welks inhoud het dubbele is van dien van een gegeven kubus en
een vierkant aan te geven, waarvan de oppervlakte gelijk is aan
die van een gegeven cirkel, achtereenvolgens bekend staand als
trisectie van den hoek, verdubbeling van den kubus of Delisch
probleem en quadratuur van den cirkel, hielden reeds lang de
aandacht bezig. Hippokrates van Chios, die waarschijnlijk in het
midden der 5e eeuw te Athene werkzaam was, had het Delisch
probleem reeds herleid tot het vraagstuk, bij twee gegeven lijnstukken de twee midden-evenredigen te construeeren, dus bij
lijnstukken zijn doéuueroot, asymmetrisch of incommensurabel.
Maar vrijwel de geheele vlakke meetkunde berust op de onderstelling, dat lijnstukken altijd symmetrisch, commensurabel, zijn
en de ontdekking der irrationaliteit onthult dus plotseling de
bepalen, dat
menten, waarop het geheele bouwwerk rust. En ziehier de tweede
voor het probleem van de quadratuur een toegangsweg geopend,
onbetrouwbaarheid van een der onwankelbaar gewaande fundaoorzaak van de crisis, die de jonge en veelbelovende Grieksche
wiskunde in de periode van haar snelsten groei is komen bedreigen.
Het is niet onwaarschijnlijk, dat er op dit oogenblik twee vragen
zullen rijzen, waarvan de eene vooral door mathematici zal worden gesteld en de andere door hen, die aan de mathesis slechts uit
twee gegeven lijnstukken a en b twee andere c en d, zoo te
a:c=c:d=d:b
in welken vorm het voortaan altijd zal worden gesteld, en hij had
die toen ter tijd veelbelovend moest lijken door aan te toonen,
dat bepaalde door cirkelbogen begrensdeoppervlakken,de naar hem
genoemde unvioxa: of lunulae zich met elementaire hulpmiddelen
in een vierkant lieten omzetten. Bovendien had hij het fundeeringswerk der meetkunde bevorderd door het samenstellen van
hun schooljaren een min of meer aangename herinnering beeen elementenverzameling, die een voorlooper van het latere
was in de periode, waarin de
waren. De eerste vraag luidt alsvolgt:
beroemde werk van Euclides moet zijn geweest. Hippias van
Elis had een transcendente kromme aangegeven, de z.g. quadrabeschouwingen der Eleaten algemeen waren doorgedrongen en
waarin het verschijnsel der irrationaliteit geleidelijk in zijn volle
draagwijdte werd begrepen, was dus, om het eenigszins te preciseeren, tegen het einde van de 5e eeuw de ontwikkeling der
Grieksche wiskunde werkelijk reeds zoover gevorderd, dat men
haar zonder te overdrijven met een bouwwerk kan vergelijken,
dat in zijn fundeering wordt bedreigd ? Heeft het inderdaad zin
van een crisis in haar grondslagen te spreken?
trix, waarmee zoowel de cirkelquadratuur als de trisectie van den
hoek konden worden uitgevoerd. Over de verdiensten van
Anaxagoras, die zich, toen hij te Athene gevangen was gezet, met
de quadratuur van den cirkel bezig hield en wiens bewaarde
fragmenten enkele diepe en heldere uitspraken over het oneindige bevatten,’ kunnen we slechts vermoedens uitspreken,
maar van Demokritos kennen we als positieve bijdrage de in-
Pagina 11
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)KSCHE WISKUNDE
verder tal van titels van
houdsbepaling van de pyramide, terwijl
ngstelling getuigen,
verloren gegane werken van de intense bela
de wiskunde stelde.
die hij, als alle Grieksche philosophen, in
ng, die de mathesis
En daarbij kwam dan nog de krachtige beoefeni
zich in Tarente om
ondervond in den kring van geleerden, die
Pythagoraeérs
Archutas verzamelden en die zich ook weer
kwamen, die zulk een
zoover uitgebreid, dat
vijf regelmatige veelvlakken aan het licht
trie
noemden. Hier werd o.a. de stereome
zeker van zijn, dat ook
de
ogonie van Plato
belangrijke functie zouden vervullen in de kosm
een oplossing van
en als we even overwegen, dat Archutas zelf
tekromme, die door
het Delisch probleem gaf, waarin hij een ruim
was voortgebracht,
doorsnijding van een torus en een cylinder
sneed met een kegel, kunnen we er wel
men vaak, maar geheel
n het tegenwoordig
elementair beschouwde gebied, dat
hier de kennis der meetkunde ver uitging bove
als
de Grieken tot stand
ten onrechte, identificeert met het door
gebrachte.
g, waarvan het
eel ter beantwoording van de eerste vraa
deze andere: maar deed het er dan zooveel
toe, of men vast
Zoov
de tegenwerping der
bestaan werd verondersteld. Nu de tweede,
het betoog van
niet-mathematici. Zij luidt als volgt: was er door
eigenlijk een fout in
Zenoon en de ontdekking der irrationaliteit
er stellingen onjuist
de wiskunde aan het licht gekomen; waren
gehouden? En wangebleken, die men tot dusver voor waar had
deeling, dat geen
neer men haar hoort beantwoorden met de mede
n of zelfs maar geenkele eigenschap uit het systeem verworpe
n gevolgd worden
wijzigd behoefde te worden, zal zij misschie
-
?
nam
door
gen, een lichaam als
hield aan de tot dusver gehuldigde opvattin
elk tweetal gelijksom van zijn doorsneden beschouwde en bij
soortige grootheden een gemeene maat aan
eeren met de opWe kunnen op deze wedervraag slechts reag
hen van wiskundig
merking, dat wanneer de Grieksche philosop
niet de eminente
denken deze opvatting hadden gehad, zij
hen leeren kennen.
mathematici zouden zijn geweest, die wij in
d een zeer helder
De wiskunde heeft in haar beste tijden altij
op zij bouwt en zij
bewustzijn gehad van de grondslagen, waar
naar wensch gaat, niet
voelt zich, ook wanneer schijnbaar alles
rt. Er zijn dan meer
behagelijk, wanneer er in de diepte wat hape
amenten, die ontoetwee mogelijkheden: ze verstevigt de fund
i
4
Bites
DE OUDERE PHASEN DER GRIEKSCHE WISKUNDE
173
reikend zijn gebleken; òf ze bouwt opnieuw en schrikt er dan ook
niet voor terug, van de prachr en den rijkdom van het oude
stelsel alles te laten vallen, wat niet meer soliede in het nieuwe
systeem kan worden ingepast.
De Grieksche wiskunde heeft den eersten weg gekozen. Zij is
begonnen met middelen te zoeken, het verhoudingsbegrip in de
meetkunde zoo lang mogelijk ongebruikt te laten en in het voltooide systeem van Euclides wordt dan ook in de boeken I—IV
een veel grooter gedeelte der planimetrie vóór de invoering van
het verhoudingsbegrip afgehandeld dan het geval is in het tegenwoordige wiskunde-onderwijs, waarin men zich nogal gemakkelijk in het huiveringwekkend geheim der irrationaliteit schikt. En
verder heeft ze het ondernomen, èn de theorie der verhoudingen
die door de ontdekking van dat geheim haar waarde had verloren
en de methoden van inhoudsbepaling, die door de fatale ontmoeting met Zenoon krachteloos waren geworden, van een nieuw en
steviger fundament te voorzien.
Een uiteenzetting van de nieuwe redenleer, die met een beroemde
19de eeuwsche theorie van het irrationale getal in principe gelijkwaardig is, zou een diepere wiskundige scholing onderstellen dan
bij den algemeenen lezer kan worden verwacht en de behandeling
en inhouden zou, hoewel ze veel gemakkelijker te volgen zou zijn
van de strenge Grieksche methoden ter bepaling van oppervlakten
weer meer plaatsruimte eischen, dan hier kan worden ingeruimd.
digen, die, als niet alle teekenen bedriegen, in de overwinning van
We volstaan dus met het noemen van twee namen van wiskunde grondslagencrisis een belangrijk aandeel hebben gehad. Het
zijn Eudoxos van Knidos en Theaitetos van Athene, de eerste
reeds lang beroemd als astronoom, maar zeer waarschijnlijk
dat Plato een dialoog naar hem noemde, waarin hij op zijn verwaard, ook onder de wiskundigen van alle tijden tot de grootsten
te worden gerekend, de tweede reeds lang bij naam bekend, omciensten voor de wiskunde zinspeelt, maar eerst sedert korten tijd
pet als een der belangrijke figuren in de prae-Euclidische
|
En nu eenmaal zijn naam genoemd is, zijn we als het ware vanzelf
beland in cen geesteskring der Grieksche cultuur, die wel het
allermeest in contact met de zuivere mathesis heeft gestaan, den
kring van Plato en zijn akademie.
Pagina 12
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)En daarmee roeren we tevens een probleem uit de geschiedenis
het vak heeft geleverd, maar bovenal, wat haar wijsbegeerte voor
het principieele inzicht in den eigen aard van het mathematische
denken heeft beduid en welken invloed zij omgekeerd in haar philosophische werkzaamheid van de zuivere mathesis heeft ondergaan. Van deze vragen is de eerste nog het best te beantwoorden:
dwingende kracht leert kennen. Zoo doet ons de wiskunde de twee
wijzen inzien, waarop de objecten der zinnenwereld in verband
kunnen staan met de ideëele vormen: door uiuno of afbeelding
in de geometrie; door yédefic of deelname in de arithmetica.
Men moet dit niet zoo opvatten, dat de geometrische vormen
CRT, ere
van het philosophisch-mathematische denken aan, dat nog te ver
van zijn oplossing af is, om er reeds met eenige zekerheid over te
kunnen spreken, het probleem nl. welke precies de relatie is geweest van de Platonische school tot de wiskunde van haar tijd,
welke positieve bijdragen zij tot de technische ontwikkeling van
zelf ideeën zouden mogen heeten. Zij staan, zooals A1 istoteles het
uitdrukt, tusschen de wereld der verschijnselen en die der ideeën
in, omdat ze van de eigenschappen van deze laatste wel de onstoffelijkheid, de onveranderlijkheid en de eeuwigheid bezitten, maar
daarentegen het kenmerk der eenigheid missen; immers een zelfde
geometrische vorm herhaalt zich in het ideëele gebied in onhet ziet er naar uit, dat Plato zelf in de wiskunde weinig nieuws
eindige verscheidenheid.
Wat met dit ,,tusschen” bedoeld wordt, illustreert Plato zelf
nog eens in de Politeia met behulp van het beeld van een in twee
tot stand heeft gebracht en dat verscheidene van zijn volgelingen,
met name Menaichmos en zijn broeder Deinostratos, verder
segmenten verdeeld lijnstuk, welks deelen zelf weer in dezelfde
reden onderverdeeld zijn. Het eene, laagste, der twee oorspron-
Theudios, Athenaios, Hermotimos en Philippos van Mende haar
wel door nieuwe vondsten hebben verrijkt of haar systematischen
opbouw hebben verbeterd.
Over de andere punten moeten we voorzichtiger spreken en
kelijke deelen stelt de zintuigelijke waarneembare dingen voor,
het tweede, hoogste, de dingen, die we door het zuivere denken
daarom moge nog eens met nadruk worden herhaald, dat, wat er
leeren kennen. Van het eerste segment symboliseert het laagste
deel de schaduwen of spiegelbeelden van de stoffelijke voorwerhier wordt over meegedeeld, niet mag worden opgevat als een
reeks van volkomen gewaarborgde en punt voor punt door bepen, die zelf door het hoogste worden voorgesteld. In het tweede
wijsplaatsen te staven mathematisch-historische uitspraken, maar
slechts als een waarschijnlijk betoog over iets, waarvan we geen
nauwkeurige kennis bezitten.
segment correspondeert het laagste deel met de gedachte figuren
en getallen der wiskunde, waarvan de tastbare voorstellingen,
streep, stip, cijfer enz., die in het hoogste segment van het laagste
deel thuishooren, slechts afschaduwingen en beelden zijn, die zelf
weer in het laagste segment schaduwen en spiegelbeelden kunnen
hebben. Het hoogste segment van het tweede deel echter verbeeldt
de ideeën, waarvan de kunst der dialectiek zonder hulp van de
zinnen, maar ook zonder op hypothesen te bouwen, zooals de
Laten we dan, om te beginnen, overwegen, welk een natuurlijken voedingsbodem het Platonische begripsrealisme, dat tot
uitdrukking komt in de ideeënleer, heeft moeten vinden in de
opvattingen over het wezen van de geometrische vormen en de
arithmetische entiteiten, die in de zuivere mathesis gangbaar
wiskunde moet doen, een zuiver redelijke kennis verschaft.
waren. Alles, wat in de wereld der verschijnselen driehoekig heet,
is te beschouwen als een onvolkomen materieele afdruk van een
mathematischen driehoek, die een zelfstandig en onstoffelijk
bestaan voert in een ideëele wereld, waarvan wij zonder hulp der
zintuigen door redelijke bezinning een exacte en apodictische
kennis kunnen verwerven. Alles, wat zich hier aan ons voordoet
als een verzameling van vijf elementen, onderscheidt zich van
andere verzamelingen, die daarmee niet gelijkmachtig zijn, doordat het deel heeft aan de idee der vijfheid, waarvan de abstracte
arithmetica ons de eigenschappen weer met nauwkeurigheid en
175
Het wiskundig weten hoort dus thuis in de spheer der dianoia,
het zuivere, zekere en onweerlegbare denken, die toto genere
onderscheiden is van het gebied der empirie, waar wij slechts
dà
te
x
doxa, meening, onexact vermoeden, kunnen verwerven. Toch is
een zeker verband tusschen wiskunde en ervaring niet te loochenen, Dit verband is echter niet zoo, dat de wiskundige oordeelen
uit de ervaring zouden zijn afgeleid (dit toch zou hun exact en
apodictisch karakter onverklaard laten), maar het bestaat hierin,
dat de ervaring de ziel prikkelt tot bezinning op de in haar slui.
Pagina 13
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)merende mathematische vormen, die ze dan zonder steun van de
176
DE OUDERE PHASEN DER GRIEKSCHE WISKUNDE
177
Wie zoo sterk den nadruk legde ep het zuiver intellectueele,
zinnen uit eigen kracht kan voortbrengen en ontwikkelen,
aile verband met de ervaringswereld ontberende karakter der
De mathesis leert dus den overgang van materie tot vorm, van
onexact vermoeden tot exact weten, van doxa tot dianoia; zij bevrijdt de ziel uit de boeien der zinnelijke waarneming en dwingt,
wiskunde, moest wel zeer strenge eischen stellen aan het peil van
haar redeneeringen.
Vooreerst al inzake haar uitgangspunt. In het juist vermelde
den blik van het stoffelijke en bijzondere af op het ideëele en albeeld van het in vier deelen gedeelde lijnstuk ziet Plato het als
gemeene te richten. Is het niet duidelijk, dat zij de ware propaedeuse vormt voor het wijsgeerige denken? Myésig dyemufconrog
een zwakheid der wiskunde, dat zij van hypothesen moet uitgaan,
éoicw pou tiv oréynv hééft boven de toegangspoort tot de Akademeia gestaan, misschien wel niet in stoffelijke letters, maar voor
het geestelijk oor niet minder verstaanbaar.
Over de onontbeerlijkheid der wiskunde als element van intellectueele opvoeding spreekt Plato zich uitvoerig uit in het zevende
boek der Politeia, waar hij de geestelijke vorming van de aanstaande
leiders van den staat schetst. Hij spreekt daar eerst over de heilzame werking van de arithmetica, voorzoover men deze beoefent
niet met het oog op handel en gewin, maar om door het denken
door te dringen in het wezen der getallen, daarbij afziende van de
zichtbare en tastbare voorwerpen, die met behulp van getallen
kunnen worden geteld; kort verwijlend bij de bijkomstigheid, dat
rekenkunde zoowel als meetkunde ook voor practische doeleinden
bruikbaar kunnen worden gemaakt, maar vol spot over het streven, om aan die toepasbaarheid een argument voor de wenschelijkheid van wiskunde-onderwijs te ontleenen, legt hij, ook bij
de nu volgende bespreking der meetkunde, den vollen nadruk op
de vormende waarde, die haar beoefening door den geest heeft;
door haar wordt een zeker orgaan der ziel gereinigd en tot nieuw
leven opgewekt, dat door andere bezigheden dreigt te worden
verstikt en verblind en waarvan het behoud toch meer waard is
F
5
dat zij, zooals hij het nader preciseert, het bestaan van even en
oneven getallen aanneemt, van figuren, van drie soorten van
hoeken en van soortgelijke begrippen op elk harer gebieden,
zonder dat de noodzakelijkheid wordt gevoeld, hiervan nader
rekenschap te geven. Het is niet twijfelachtig, wat hiermce bedoeld wordt: men voelt in deze woorden de kritiek op wat in een
vroeg stadium der wiskunde een natuurlijk verschijnsel moet zijn
geweest: het ontbreken van behoorlijke definities der fundamenteele begrippen en de ongemotiveerde aanname van het bestaan
van een ding als noodzakelijk gevolg van zijn definitie. Het is niet
moeilijk, hierbij tevens te denken aan een kritisch oordeel aangaande het stilzwijgend gebruik van expliciet formuleerbare
grondstellingen.
Dan wat haar handelingen betreft. Het construeeren van figuren met behulp van werktuigen is slechts een ruwe verstoffelijking,
een schaduwbeeld van de bewerkingen, die de meetkundige in
zijn denken uitvoert. De Platonische opvatting der wiskunde
eischt hier, zonder aandacht voor de vraag, welke hulpmiddelen
het snelst tot het doel voeren, de uitdrukkelijke formuleering van
een minimum aantal bewerkingen, waarvan de uitvoerbaarheid
wordt gepostuleerd.
Hiermee is nu echter het geheele beginsel uitgesproken, dat
dan dat van een myriade oogen, omdat het alleen kan helpen, de
in de Stoicheia, de Elementen, van Euclides zal worden verwezenwaarheid te zien. Schijnbaar, namelijk als men afgaat op de termen, waarvan zich de geometrie bedient, construeeren, aanpassen
en derg. heeft zij weliswaar betrekking op practische handelingen met vergankelijke dingen, maar in werkelijkheid houdt zij,
die geheel ter wille van redelijk inzicht beoefend wordt, een kenlijkt: uiterste beperking in de drievoudige grondslagen van het
Systeem, in de als bestaand gedachte grondvormen, in de als
nis van het eeuwige in; zij is daardoor een kracht, die de ziel omhoog trekt naar de waarheid en er moet dus met zorg voor worden
gewaakt, dat men zich in den ideaalstaat vooral niet afzijdig
houde van de geometrie.
uitvoerbaar gepostuleerde grondconstructies, in de als waar aangenomen grondstellingen; expliciete definitie van alle verder gebruikte termen, aangevuld door een existentiebewijs, dat het
bestaan van het gedefinieerde ding waarborgt, doordat het aantoont, hoe het kan worden geconstrueerd; ten slotte logische opbouw van het geheele systeern zonder beroep op het getuigenis
der zinnen.
Pagina 14
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)dit in feite zijn; maar vast staat, dat zijn wijsbegeerte en de
wiskunde van Euclides geesteskinderen zijn van eenzelfden
stam.
Hiermee is nu echter de vraag, wat de wiskunde voor het stelsel
der Platonische philosophie heeft beteekend, nog nauwelijks aangeroerd. Voor een deel is die vraag wel met zekerheid te beantwoorden: de sterk mathematische aard van zijn denkwijze openbaart zich namelijk volkomen ondubbelzinnig in zijn neiging,
de natuurwetenschap aprioristisch deductief te behandelen, inplaats van langs den weg der empirische inductie geleidelijk door
te dringen tot wat achter de verschijnselen ligt. Niet de tonen, die
wij hooren met ons lichamelijk oor; niet de sterren, die wij voor
oogen zien bewegen, vormen het materiaal, dat den physicus en
Beate vaat
quenties van Plato's inzichten; het is onzeker, in hoeverre ze
sche cultuur de wiskunde met het wijsgterig en het natuurwetenschappelijk denken is samengeweven en hoe groot daardoor
de historische beteekenis is, die aan de beoefening der wiskunde in de klassieke oudheid moet worden toegekend.
E. J. DiJKSsTERHUIS
ra
Zoo laten zich de groote denkbeelden, die de zuivere wiskunde
tot op heden beheerschen, ongedwongen opvatten als conse-
ED
a ee
à
178
=
den astronoom tot uitgangspunt voor zijn onderzoekingen moet
dienen; integendeel: de ware acoustiek, de ware astronomie laten
zich met mathematische zekerheid opbouwen op grond van
algemeene arithmetische of muzikale wetmatigheden. Tot het
ware inzicht in het wezen der materie leidt niet de ervaring,
gen in dien zin te verstaan, dat we ze kunnen nadenken en
zoolang dit niet geschied is, kunnen we niet zeggen, dat we
de beteekenis van de wiskunde in Plato's leer werkelijk’ doorgronden.
Maar laat dit zoo zijn. Want ook zonder dat we zijn doorgedrongen tot de diepste inzichten, hebben we in het voorafgaande reeds kunnen beseffen, hoe onontwarbaar in de Helleen-
Lb,
181. E.J. Dijksterhuis, De oudere phasen der Grieksche wiskunde, Gids 1936, 153—179.
Der. Vortrag gibt, gelegentlich unter Vorbehalten, ein anschauliches Bild der Entwicklung, die von Thales über die Altpythagoreer, Eleaten, den Kreis um Archytas, Hippokrates, Theodoros, Theaitetos, Eudoxos zur Akademie führt. Insbesondere
wird die Berührung mit der Philosophie in Zenon — nach Tannerys Deutung der Adyoı — und Platon beleuchtet.
Gid s ‘956
vs
A
cr “
aan stoffelijke lichamen opgedaan, maar de mathematische
behandeling van de geometrische atoomvormen der elementen, die ons in vier der vijf regelmatige veelvlakken gegeven
zijn.
Wat minder duidelijk is, zoo weinig begrepen nog, dat we zullen
volstaan met dit punt slechts even aan te roeren, is de positie van
het getal in de ideeënleer, is in het bijzonder de theorie der z.g.
ideegetallen, waarover Aristoteles in twee boeken der Metaphysica zoo uitvoerig met zijn vroegeren meester polemiseert, de
geheimzinnige leer van het Groot en Kleine en van de
Onbepaalde Tweeheid. Wij zijn er nog ver van af, deze din-