Volledige tekst tonen14 pagina's
Pagina 1
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)II - Oude Grieken: het wankelend wereldbeeld van de
Pythagoreeërs
1. Inleiding
Pythagoras van Samos (ca. 585 v. Chr.) is tegenwoordig vooral bekend van de stelling die
naar hem genoemd is, maar was in zijn tijd vooral beroemd als de wijste persoon op aarde èn
als leider van een omvangrijke sekte bestaande uit zijn volgelingen, de ‘Pythagoreeërs’, die
nog tot ver na Pythagoras’ dood bleef bestaan, en waarvan de leden een heel eigen leefwijze
en wereldbeeld op na hielden.
Na wat algemeenheden over Pythagoras en zijn volgelingen (en dan met name de wiskunde
waar ze zich mee bezighielden) gaan we in op twee gebieden waar het wereldbeeld van de
Pythagoreeërs bij nadere beschouwing toch niet helemaal bleek te kloppen: de muziekleer en
de verhoudingen in rechthoekige driehoeken. Omdat beide onderdelen waarschijnlijk veel tijd
kiezen kun je ook hier kiezen of je na hoofdstuk 2, eerst 3 of 4 maakt.
2. Algemeenheden over de Pythagoreeërs en hun wiskunde.
2.1 Thales van Milethus, Pythagoras’ leermeester
Pythagoras leerde de wiskunde naar alle waarschijnlijkheid van Thales van Milethus (640546), koopman, filosoof, astronoom en de oudst bekende Griekse wiskundige. Thales hield
zich waar het wiskunde betrof voornamelijk bezig met meetkunde. Hij reisde veel en deed
meetkundige kennis op in o.a. Egypte en Babylonie. Hij wordt verondersteld de eerste te zijn
die bij een heleboel algemeen bekende dingen afvroeg waaròm ze zo waren.
Iedereen die wel eens iets met meetkunde gedaan had wist dat een gelijkbenige driehoek
(een driehoek met twee gelijke zijden) ook twee gelijke hoeken had. Dat wil zeggen, er was
nog nooit een gelijkzijdige driehoek gevonden waarvoor dat niet het geval was. Hetzelfde
goldt voor het feit dat een willekeurige rechte lijn door het middelpunt van een cirkel deze
cirkel in twee precies even grote helften verdeelt.
Thales was de eerste die bedacht dat als dit inderdaad altijd zo is, er dan ook een reden voor
moet zijn en door logisch redeneren bewees dat het ook inderdaad waar moet zijn. Dit was
een cruciale stap in het denken van mensen over wiskunde en tot vandaag is dit waar het in
wiskunde omgaat.
1. Kun je bedenken waarom een gelijkbenige driehoek inderdaad altijd twee gelijke hoeken
heeft, of aantonen dat dit altijd zo is?
Een ander bekend verhaal over Thales is dat hij onuitwisbare indruk maakte op de
Egyptische priesters die hij bezocht, door in een mum van tijd de hoogte van een van de
Egyptische pyramides te berekenen. Hij deed dit door eerst de lengte van de schaduw van de
pyramide te meten en vervolgens zijn eigen schaduw. Dit klinkt echter iets simpeler dan het
is. Bij zijn eigen schaduw kon hij gewoon een meetlint vanaf zijn voeten tot het andere eind
van de schaduw over de grondleggen. Bij de pyramide was dat niet mogelijk.
2. Waarom niet?
3. Wat kon hij wel meten aan de pyramide en diens schaduw?
4. Vallen de zonnestralen altijd in de zelfde richting als de muren van de Pyramide? Levert
dit nog extra moeilijkheden op?
5. Hoe berekende hij de lengte schaduw van de pyramide denk je? En de hoogte van de
pyramide?
2.2 Pythagoras en de gehele getallen
Pythagoras leerde van Thales ongetwijfeld ook veel over astronomie en meetkunde. Hij
kende natuurlijk de stelling van Pythagoras. Deze bestond al veel eerder maar Pythagoras
wordt wel als een van de eersten beschouwd die er een bewijs van in het zand tekende en
Pagina 2
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)vervolgens als dank voor deze ontdekking honderd ossen aan de goden offerde. Maar
Pythagoras en zijn volgelingen waren vooral geinteresseerd in getallen. En als we zeggen
getallen dan bedoelen we ook getallen. Echte getallen zoals 1, 2, 3 en 153. Geen rare
verzinsels zoals e of –1. Positieve gehele getallen dus, zoals we tegenwoordig zouden
zeggen.
Zijn volgelingen bestudeerden niet alleen de bijzondere eigenschappen van sommige
getallen, ze geloofden ook dat de hele wereld was opgebouwd uit gehele getallen en
verhoudingen daartussen. Overal, in de meetkunde, in de bewegingen van de
hemellichamen, in de levenscycli van insecten, in de muziek, en zelfs in het menselijk leven
vonden ze hun gehele getallen terug. Ze geloofden dat alles in het heelal bestuurd werd door
onveranderlijke wetten, overeenkomstig met de wetten van de rekenkunde. En om deze
wetten te ontsluieren diende men zich veel met meetkunde, sterrenkunde en muziek
bezighouden, maar ook vooral veel met de studie van gehele getallen en hun eigenschappen.
Bovendien kenden ze aan verschillende getallen allerlei symbolische en mystieke
eigenschappen toe. Oneven getallen waren mannelijk, even vrouwelijk. Het getal 5 stond
voor het huwlijk, een ander getal weer voor de dood etc.
Ook hadden de Pythagoreeërs de gewoonte getallen in klassen in te delen zoals driehoeks-,
vierkants- en vijfhoeks getallen, volkomen getallen en bevriende getallen.
Bijzondere getallen: getallen met een bijzondere vorm
Driehoeksgetallen zijn getallen waarvoor geldt dat als je zoveel kiezelstenen hebt, je deze
stenen in een mooi regelmatig driehoekig patroon kunt leggen, zoals 1, 3, 6:
*
*
*
*
*
*
*
* * *
6. Wat zijn de volgende 3 driehoeksgetallen?
Voor vierkants getallen geldt hetzelfde, maar dan met een vierkant patroon:
*
* *
* *
* * *
* * *
* * *
7. Wat is het 12e vierkantsgetal?
8. Wat denk je dat het tweede kubusgetal is? En het derde?
9. Overmorgen krijgen jullie meer over de eigenschappen van driehoeks en
vierkantsgetallen, dus wij gaan snel verder met wat andere getallen die een belangrijke
rol speelden.
Bijzondere getallen: getallen met bijzondere delers.
Als je het als getal echt helemaal wilde maken bij de Pythagoreeërs dan moest je ‘volkomen’,
‘volmaakt’ of ‘perfect’ zijn. Dit zijn alledrie benamingen voor dezelfde soort getallen. Een getal
is perfect als de som van zijn “echte” delers (echt betekent hier dat het getal zelf niet mee
mag doen) weer gelijk aan het getal zelf is. 66 is duidelijk niet perfect. 66 is deelbaar 1, 2, 3, 6
en 11 en 1 + 2 + 3 + 6 + 11 = 23. Veel te weinig dus. Dat kunnen we geen perfectie noemen.
6 (1 + 2 + 3) daarentegen is wel volkomen, evenals 28 (1 + 2 + 4 + 7 + 14). Helaas is
volmaaktheid maar dun gezaaid: het volgende volmaakte getal is 496 het daarop volgend
8128 en het vijfde al maarliefst 33.550.336. Het laat zich raden dat bij de grieken alleen de
eerste vier volmaakte getallen bekend waren. Of er ook oneven perfecte getallen bestaan is
tot op de dag van vandaag niet bekend. Toch zou ik maar niet op goed geluk gaan zoeken
want met behulp van computers weten we wel dat een eventueel oneven volmaakt getal zich
niet onder de eerste 10 tot de 50ste getallen schuilhoudt.
Het idee achter bevriendheid van “bevriende” getallen lijkt sterk op dat achter de
volkomenheid van de volkomen getallen. Bevrienden getallen zijn in hun eentje misschien
niet perfect, ze vullen elkaar wel perfect aan.
Pagina 3
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)Pythagoras zei ooit: “Een vriend is de andere ik, zoals 220 en 284”. Kennelijk dacht hij dat
vriendschap onder getallen een bekender verschijnsel was dan onder mensen.
10. Waarom zijn deze twee getallen bevriend volgens Pythagoras denk je? (Aanwijzing: de
delers van 220 zijn 1, 2, 4, 5, 10, 11, 20, 22, 44, 55, en 110, de delers van 284 mag je
indien gewenst zelf uitzoeken.
Bijzondere getallen: 153
Ook een erg leuk getal is 153. Het is een driehoeks getal (ga na), en daarnaast is het ook te
schrijven als 1 + (1x2) + (1x2x3) + (1x2x3x4) + (1x2x3x4x5) en als klapper op de vuurpijl geldt
ook nog dat als je de derde machten van de cijfers bij elkaar optelt het weer 153 oplevert: 1^3
+ 5^3 + 3^3 = 1 + 125 + 27 = 153.
Met deze laatste eigenschap is het nog veel erger gesteld. Het blijkt dat als je van een
willekeurig door drie deelbaar getal de derde machten van de cijfers bij elkaar optelt en je dit
bij de uitkomst weer doet en dit eindeloos herhaalt, je vroeg of laat bij 153 terecht komt (en
daar dus eeuwig blijft hangen)
Voorbeeld: 12 is deelbaar door drie 13 + 23 = 9; 93 =6561; 63 + 53 + 63 + 13 = 216 + 125 + 216
+ 1 = 558; 53 + 53 + 83 = 125 + 125 + 512 = 762; 343 + 216 + 8 =567; 125 + 216 + 343 = 684;
216 + 512 + 64 = 792; 343 + 729 + 8 = 1080; 1 + 0 + 512 + 0 = 513; 125 + 1 + 27 = 153 hè
hè.
Korter voorbeeld: 27 is deelbaar door 3; 23 + 73 = 8 + 343 = 351; 33 + 53 + 13 = 27 + 125 + 1 =
153
En dan nu een vraag die ons zelf niet gelukt is opte lossen (maak deze vraag dus alleen
als je heel veel tijd en zin over hebt!)
11. Het is natuurlijk heel leuk dat dit voor de getallen die we gezien hebben (12, 6561, 558,
etc) klopt, maar hoe kun je nou zeker weten dat dit voor alle door 3 deelbare getallen
geldt, of is dit eigenlijk wel zo?
Het is niet zeker of deze laatste eigenschap al in de tijd van Pytahagoras bekend was, maar
in elk geval speelde het getal 153 dankzij zijn eerste drie eigenschappen een belangrijke rol
in allerlei getallenmystiek, ook in ander tijden en plaatsen zoals bij voorbeeld de bijbel.
3. Pythagoras en de Muziekleer.
Een melodie wordt voornamelijk gevormd door twee zaken: het ritme en de gebruikte
toonhoogtes. Hoewel het ritme op het eerste gezicht misschien veel meer met wiskunde te
maken lijkt te hebben, gaan we ons hier alleen maar met de toonhoogten bezighouden. De
wiskunde die daarachter zit werd namelijk ontdekt door onze goede vriend Pythagoras van
Samos.
Hoewel het wel handiger is als je noten kunt lezen, hoef je hiervoor niet heel veel van muziek
te weten; alles wat je nodig hebt wordt in principe in de tekst verteld. Wat je wel moet kunnen,
is, wanneer jij of iemand anders twee noten zingt, zeggen welke van de twee de hoogste is
en welke de laagste (en als ze even hoog zijn moet je dat natuurlijk ook kunnen.
Inleiding
Zing de eerste regel van “Zie ginds komt de stoomboot”.
12. Kun je weten of de toon waarop je begint een “a” is of een “g”?
13. Kun je weten of de toon waarop je eindigt hoger of lager is dan de toon waarop je
begon?
Begin nu eens op de toon waarop je net eindigde.
Pagina 4
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)14. Waarom klinkt het liedje niet echt anders?
Zoals je ziet is het als je een lied speelt of zingt niet echt belangrijk wélke noten je speelt, als
de verschillen in toonhoogte tussen de noten die je gebruikt maar kloppen (als je met iemand
samenzingt, is dat natuurlijk een ander verhaal). Welk verschil in toonhoogte waar opduikt,
bepaalt welk lied je zingt. Als je na de eerste noot omlaag was gegaan met je stem in plaats
van omhoog, had het lied nooit op “Zie ginds komt de stoomboot” geleken.
Gek genoeg worden in alle vrijwel alle liedjes en muziekstukken ter wereld maar een beperkt
aantal verschillen in toonhoogte (ook wel intervallen genoemd) gebruikt. Op een piano is dit
mooi te zien. Je kan alleen maar noten spelen waar een toets voor is. Denkbeeldige
toonhoogten die tussen die van een naast elkaar gelegen witte en zwarte toets liggen, kun je
als je je best doet misschien wel zingen, maar niet spelen. En op instrumenten waarop dat
wel kan, zoals de viool, worden spelers juist geleerd dat vooral niet te doen omdat de muziek
anders uitgesproken “vals” klinkt.
Iedereen is er van kleins af aan aan gewend is geraakt dat de toonhoogtes van noten in een
willekeurig stuk muziek zich altijd op dezelfde manier tot elkaar verhouden. Je bent zo
gewend aan de gebruikelijke toonhoogteverschillen, dat je, wanneer je een liedje zingt, er
totaal niet meer bij nadenkt. Daarom is het ook duizend keer moeilijker om in je eentje vals te
zingen dan met zijn tweeën. (Lelijk zingen daarentegen, is weer een fluitje van een cent.)
Maar had de keuze voor juist deze verhoudingen tussen tonen ook heel anders kunnen zijn,
als dat toevallig ooit zo was ontstaan? Het lijkt erop van niet. Over de hele wereld wordt al
eeuwenlang min of meer hetzelfde toonsysteem gebruikt, op een paar kleine verschillen na
(waar deze verschillen vandaan komen zal in dit programma blijken). En nu we weten dat
geluid een trilling is en we het bestaan van boventonen kennen, is het ook vrij makkelijk te
begrijpen waarom de mens nou juist voorkeur heeft voor deze toonsafstanden.
Bij de oude Grieken was over geluidstrillingen echter nog niets bekend, en Pythagoras wordt
beschouwd als de eerste die ontdekte dat er een verband bestond tussen “zuivere”
samenklanken en – hoe kan het ook anders – gehele getallen.
Monochorden, misbaksels en muziek.
Pythagoras deed zijn onderzoek naar toonhoogten met behulp van een “Monochord”. Dat is
een snaarinstrument met maar een snaar. Pythagoras’ monochorden zagen er vast veel
mooier uit dan de gedrochten die ik in elkaar heb geknutseld, maar het idee blijft het zelfde.
Het is trouwens handig om de monochorden op een doos of een ander hol voorwerp te
zetten, om het geluids iets te versterken. Je kan de plank natuurlijk ook tegen je oor houden.
15. Pythagoras ontdekte (net als miljoenen muziekanten voor en na hem), dat de toonhoogte
afhangt van drie kenmerken van de snaar. Kun je bedenken welke dat zijn? (Bij de
monochorden die ik geknutseld heb kun je er maar twee veranderen)
Het octaaf en andere intervallen.
Zoals gezegd heet een verschil in toonhoogte tussen twee tonen een interval. Verreweg het
bekendste en zuiverste interval is het octaaf, dat al eeuwen lang overal ter wereld gebruikt
wordt. Als twee tonen ‘hetzelfde’ klinken, maar het niet zijn, schelen ze een octaaf. Het
verschil tussen de eerste en de laatste toon van een toonladder is een octaaf (daarom
hebben ze ook dezelfde naam, bij voorbeeld “do”, of “g”, of “as”). Als een mannen- en een
vrouwenstem dezelfde toon zingen is het verschil tussen de twee tonen normaal gesproken
ook een octaaf.
16. Kun je twee tonen achter elkaar zingen, die onderling een octaaf schelen? Als het niet
meteen lukt kan het helpen eerst (hardop of in je hoofd) de andere tonen van de
toonladder te zingen. Kun je ook een octaaf zingen, als je op een andere toon begint?
Pythagoras ontdekte dat het octaaf samenhangt met een prachtige getalsverhouding in de
lengte van de snaar, namelijk 1 staat tot 2. Als je twee snaren hebt waarvan de een twee keer
Pagina 5
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)zolang is als de ander, klinkt de korte, wanneer je hem aantokkelt, precies een octaaf hoger
dan de ander. (En de lange dus precies een octaaf lager)
17. Ga met behulp van het monochord na of dit klopt. Je kan de snaar ‘inkorten’ door hem op
de gewenste afstand tegen het hout te drukken.
NB1: Het kan helpen de toon die je hoort na te zingen. Je hebt dan vaak een beter idee van
de toonhoogte en je stem sterft minder snel uit.
NB2: De geleerden zijn het er niet helemaal overeens of Pythagoras de snaar op de helft
afkneep en het geluid van de halve met dat van de hele snaar vergeleek, of dat hij de snaar
op een-derde afklemde en het linker deel vergeleek met het rechter. Je moet zelf maar zien
wat het mooiste resultaat geeft.
Tegenwoordig weet men zoveel...
Je begrijpt dat Pythagoras erg onder de indruk was zijn ontdekking. Het octaaf, het mooiste
en simpelste interval uit de muziek, blijkt onlosmakelijk verbonden te zijn met de mooiste en
simpelste verhouding uit de getallenleer: 1 staat tot 2. Hij vroeg zich af of andere mooie
zuivere intervallen ook tot mooie getalsverhoudingen zouden leiden.
18. Hoeveel korter moet je een snaar maken om de toon die eruit komt twee octaven hoger
te maken dan de oorspronkelijke toon? (Met “twee octaven hoger” wordt bedoeld dat de
hoge toon precies een octaaf hoger is dan de toon die een octaaf hoger is dan de lage
toon (glp). De afstand tussen de laagste en de hoogste c op een doorsnee piano is
bijvoorbeeld zeven octaven).
19. Welke getalsverhouding hoort er dus bij het interval “twee octaven”? En bij “drie
octaven”?
Tegenwoordig weten we waar deze getals verhoudingen vandaan komen. Geluid wordt
beschouwd als een trilling van de lucht, en het aantal trillingen per seconde (Herz) bepaalt de
toonhoogte. Hoe meer trillingen per seconde, hoe hoger de toon. Als een bepaalde a op een
instrument een trilling van 440 Herz veroorzaakt, dan geeft de a een octaaf hoger een trilling
van 880 herz, en de a een octaaf lager een trilling van 220 Herz. Alle tonen in de toonladder
tussen de oorspronkelijke en de hoge a hebben dus een frequentie (aantal trillingen per
seconde) die “ergens” tussen de 440 en 880 ligt. Het “wonder” is, dat ongeacht welke
frequentie een toon ook heeft, de toon die een octaaf hoger klinkt, een precies twee keer zo
hoge frequentie heeft.
20. Waar zit het verband tussen de frequenties en de snaarlengte-verhoudingen van
Pythagoras? Controlleer of de berekende snaarlengte-verhouding voor twee octaven
klopt.
21. Als de verhouding tussen de frequenties, of de snaarlengtes die horen bij twee noten “8
staat tot 4” is, welk interval ligt er dan tussen deze twee noten?
22. Zegt het verhoudingsgetal iets ook iets over de toonhoogte van de gebruikte tonen?
Pythagoras kende het bestaan van “frequenties” natuurlijk niet, maar het wonder trof hem
deste meer. Hij wist alleen dat mooie getalsverhoudingen zoals 1:2 in een mysterieus
verband stonden met mooie intervallen zoals het octaaf. Welke getals verhoudingen gaan er
achter andere intervallen schuil, of liever, welke intervallen horen bij andere
getalsverhoudingen, vroeg hij zich af en hier zullen we dat voor een deel bekijken. Voor wie
noten kan lezen, staan er van de gebruikte intervallen noten voorbeelden op het spiekblad
achterin.
De kwinten kwestie
Na het octaaf is de kwint het meest zuivere interval. Zuiver is hier natuurlijk een beetje
onhandig woord; je zou kunnen zeggen: ‘Ja, nogal logisch dat-ie zuiver is. Als je hem niet
zuiver zingt, is het geen echte kwint meer, en dat geldt verder voor alle intervallen.’ Maar met
het zuiverst bedoel ik dat de tonen van een kwint (na die van een octaaf) het meest “op
elkaar lijken”.
Pagina 6
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)De afstand tussen ‘Altijd’ en ‘is Kort’ in “Altijd is Kortjakje ziek”, is een kwint. Net als het
verschil tussen de hoogste en de laagste toon in “Boer daar ligt een kip in ‘t water”. Iedereen
die wel eens iemand een viool heeft horen stemmen, weet hoe een kwint klinkt als de tonen
tegelijk gespeeld worden.
Omdat de tonen van een kwint zo goed bij elkaar lijken te passen, dacht Pythagoras dat daar
ook wel een erg mooie verhouding bij moest horen.
23. Ligggen de tonen van een kwint verder van elkaar of juist dichter bij elkaar, dan die van
een octaaf? (Als je vanaf de zelfde grondtoon een toon zingt die een kwint hoger is, en
een die een octaaf hoger is, welke van deze twee tonen is dan het hoogst?)
Een verhouding kun je opvatten als een breuk of deling.
24. Wat betekent het als de uitkomst van de deling behorend bij een interval dichter bij 1 ligt
dan die bij een ander interval? Maakt het hierbij uit of je “hoog” door “laag” deelt of
andersom?
25. Denk nog even aan de a van 440 herz. De noot die een kwint hoger ligt (een e) heeft
natuurlijk een andere frequentie. Boven/Onder/Tussen welke frequenties moet deze
frequentie dan liggen, gezien het antwoord op vraag 23? En de noot (een d) die een kwint
lager ligt dan de a van 440 Herz, boven/onder/tussen welke frequenties ligt zijn
frequentie?
26. Welke getalsverhoudingen kunnen dus in elk geval níet bij de kwint horen?
27. Wat is de mooiste verhouding (dwz waarvan de verhoudingsgetallen het dichtst bij 0
liggen) die dan nog overblijft? Ga met het monochord na of deze verhouding inderdaad
een kwint oplevert.
Bim-bam-bom
Het is nooit wetenschappelijk aangetoond dat het lied ‘Zie ginds komt de stoomboot’ al bij de
oude Grieken bekend was, maar het interval tussen de eerste twee tonen kenden ze in elk
geval wel. Dit interval is de kwart en vormt het begin van heel veel Sinterklaas-, Kerst- en
kinderliedjes. Van een liedje vormt het ook het einde: Bim-bam-bom in Vader Jacob bestaat
uit twee kwarten: een omlaag en een omhoog.
De kwart klinkt net zo zuiver als de kwint. Eigenlijk lijken de intervallen als de twee tonen
tegelijk gespeeld worden erg op elkaar. Dit is niet zo’n wonder: als je vanaf een toon eerst
een kwint omhoog gaat en dan een kwart, of eerst een kwart en dan een kwint, dan schelen
de eerste en de laatste toon precies een octaaf.
28. Bereken de getalsverhouding die hoort bij de kwart. (Als je het antwoord op vraag 27 niet
had, of er niet zo zeker van bent: de verhouding die hoort bij een kwint is 2 : 3)
(Het kan handig zijn om uit te gaan van een “proefnoot” met een willekeurige frequentie (bv
440 Herz) en vervolgens de frequenties van de noten die een kwint en een octaaf hoger
liggen uit te rekenen. Waarom is de getalsverhouding van de kwart mooi uit deze twee
frequenties af te leiden?)
29. Hoe komt het dat de afstand tussen een “a” en een “e” soms een kwint is en soms een
kwart?
Tijd voor wat notatie.
Het blijkt dat bij alle intervallen in een toonladder mooie getalsverhoudingen horen. Ook
hebben ze allemaal namen. Om het praten wat makkelijker te maken zullen we ons eerst
daar kort mee bezig houden. Intervallen die groter zijn dan een octaaf hebben meestal geen
eigen naam. Omdat twee tonen die een octaaf uit elkaar liggen zo veel op elkaar lijken,
spreekt men bij over intervallen die groter dan een octaaf zijn met bijvoorbeeld ‘een octaaf
Pagina 7
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)plus een kwint’, wat betekent dat je eerst een octaaf omhoog of omlaag gaat en vanaf daar
nog eens een kwint.
30. Bereken de getalsverhoudingen die horen bij “een octaaf plus een kwart” en “twee
octaven plus een kwint”. (Bedenk dat je de verhoudingen zult moeten “vertalen” om ze
goed op elkaar aan te laten sluiten. Gelukkig is 1:2 = 2:4 = 3:6 etc)
Hieronder staat een overzicht van de meest voorkomende intervallen binnen een octaaf. De
voorbeelden zijn ook te bewonderen op het spiekblad. De getallen onder “afstand” zijn niet de
getalsverhoudingen die Pythagoras berekende, maar het aantal stapjes dat je op de
notenbalk moet zetten als je over de “sporten” van de toonladder van de ene noot van het
interval naar de andere klimt of daalt. Het benoemen van intervallen is gewoon een duur
woord voor tellen. Het enige waar je op moet letten is dat je zowel de eerste als de laatste
noot meeneemt. De intervallen in deze toonladder zijn:
Naam:
Afstand:
Priem (twee keer de zelfde noot)
Secunde
Kleine Terts
3
Grote Terts
3
Kwart
4
Kwint
5
Kleine Sext
6
Grote Sext
6
Septiem
Octaaf
8
Voorbeelden:
Verhouding:
1
C-C, G-G, A-A etc
1:1
2
C-D, G-A, en nog een paar
...
D-F, E-G, A-C (de volgende C dus)
...
C-E, G-B
...
C-F, D-G, E-A etc
3:4
C-G, D-A etc
2:3
E-C, A-F
...
D-B, F-D
...
7
C-B
`
...
C-C, D-D etc
1:2
De stippeltjes kun je als je verder gaat zelf invullen.
31. Kun je aan de toonladders op het spiekblad zien welke intervallen er naast de kwint en de
kwart samen ‘optellen’ tot een octaaf?
Het is onrechtvaardig verdeeld in de wereld.
Het valt op dat in het lijstje twee soorten tertsen en sexten vermeld staan. Dit komt omdat de
afstanden tussen twee opeenvolgende tonen in de toonladder niet overal gelijk zijn. De
afstand tussen de e en de f en die tussen de b en de c is kleiner dan de afstand tussen
bijvoorbeeld een a en een b of een f en een g. Op de piano kun je dat zien doordat er tussen
de e en de f en tussen de b en de c geen zwarte toets zit. Omdat we in onze toonladders
graag op deze twee plekken een kortere afstand hebben, zijn de notenbalk en de witzwartverdeling op de piano zo ingericht als ze zijn. Dit betekent wel dat je een toonladder niet
ongegeneerd kan opschuiven. Als ik dezelfde toonladder op een G of een A wil laten
beginnen, zal ik dus bepaalde noten moeten “aanpassen” om de lange en korte afstanden op
dezelfde plaats in de toonladder te houden. Dat betekent dus zwarte toetsen op de piano en
mollen en kruizen in de notenbalk, waar voor zwartetoetsnoten geen eigen lijntje is
gereserveerd.
Terug naar de getallen.
Het leuke aan Vader Jacob is dat je het in canon kan zingen. Het wonder van de canon – je
zingt verschillende noten, en toch klinkt het niet vals – zit hem er in dat de componist de
afstanden, of zoals Pythagoras zou zeggen: de verhoudingen, tussen de tonen die gezongen
worden steeds wanhopig hetzelfde probeert te houden.
De afstand tussen “Va” en “Slaapt” is een grote terts en de afstand tussen “Va” en “Al” een
kwint.
32. Kun je uit het spiekblad afleiden welk interval er tussen “Slaapt” en “Al” moet zitten?
Volgens Pythagoras betekent het feit dat deze intervallen zo oogverblindend mooi klinken dat
er een prachtige eenvoudige getal verhouding bij hoort. 1:2, 2:3 en 3:4 hebben we al gehad.
Het wordt dus waarschijnlijk iets met een vijf erin.
Pagina 8
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)33. De verhouding 1:5 zou natuurlijk erg mooi zijn, maar is totaal ongeschikt. Waarom?
34. Liggen de tonen van het interval die horen bij de verhouding 2:5 dichter bij elkaar dan
een octaaf of juist verder weg? En die van 3:5? Zou deze verhouding bij een terts kunnen
horen?
35. Wat is de ‘mooiste’ verhouding met een vijf erin die wel als terts kan dienen (dus waarvan
de bijbehorende tonen dichter bij elkaar liggen dan in een kwint)?
Dit blijkt de grote terts te zijn. Ga na of er ook een terts klinkt als je de snaar volgens deze
verhouding indeelt. In de notenbalk kun je zien dat een grote en een kleine terts samen
optellen tot een kwint.
36. Welke snaarlengte-verhouding hoort er dan bij de kleine terts?
Vrolijk of Droevig.
37. Kun je nu ook uitrekenen welke verhoudingen horen bij de grote en de kleine sext? (Als je
eerst een grote sext omlaag gaat en dan nog eens een kleine terts, waar kom je dan uit?)
38. Wat is de getalsverhouding tussen de drie noten “Va”, “Slaapt” en “Al” als ze tegelijk
klinken?
Dit heet een grote drieklank en vormt de basis van veel muziek. Er bestaat ook zoiets als de
kleine drieklank. Die is niet echt ‘kleiner’ dan de grote in de zin dat de tonen dichter bij elkaar
liggen: de afstand tussen de laagste en de hoogste is nog steeds een kwint. Het verschil is
dat bij de grote drieklank (bv c-e-g) de afstand tussen de eerste twee tonen een grote terts is
en die tussen de tweede twee een kleine, terwijl dat bij de kleine drieklank (bv a-c-e) precies
andersom is: eerst een kleine terts en dan een grote. Je zou zeggen dat dat niet zoveel
scheelt, maar toch klinkt de kleine drieklank veel treuriger en wordt hij als basis voor
droevige muziek gebruikt.
39. Bereken de getalsverhouding van de kleine drieklank in mooie gehele getallen.
Het meest hartverscheurende interval is de kleine sext. Alle componisten van Bach tot de
Beatles kennen wel de volgende truc: als je de eerste twee tonen van een muziekstuk een
kleine sext (omhoog) laat schelen, weet het publiek binnen twee seconden wat voor vlees ze
in de kuip hebben en kunnen de zakdoeken te voorschijn worden gehaald.
Pythagoras stelt dat hoe dichter de verhoudingsgetallen van een interval bij 0 liggen, hoe
prettiger het voor de mens is om ernaar te luisteren. Lelijke samenklanken zoals bijvoorbeeld
een naast elkaar gelegen witte en zwarte toets op de piano hebben zeer hoge
verhoudingsgetallen, wil je de verhouding in gehele getallen uitdrukken. Een octaaf
daarentegen is maar 1 staat tot 2.
40. Vergelijk de verhoudingsgetallen van de droevige kleine drieklank, kleine sext en kleine
terts, met die van hun vrolijke/neutrale tegenhanger: de grote drieklank, de grote sext en
de grote terts. Wat zegt dit volgens Pythagoras over de voorkeur van de mens en ben je
het daarmee eens?
Het duivelsaccoord
Een bekende truc in filmmuziek is de volgende (als je een piano hebt kun je hem ook thuis
gebruiken om je eigen of andermans woorden kracht bij te zetten): In de laagte zweeft al
enige tijd een beetje onbestemde toon (bv een lage C), die aangeeft dat er een soort dreiging
in de lucht hangt. En als er dan plotseling iets onverwachts gebeurt, waar van duidelijk moet
zijn dat het heel eng is (een opengaande deur of zo), dan komt opeens, een flink stuk hoger,
de rest van het totaal niet in de toonsoort passende duivelsaccoord er bij. (In het geval van de
c wordt dat es-g-b, en dan bij voorkeur niet de dichtsbijzijnde es, g en b, maar een of twee
octaven hoger). Is me dat even schrikken, zeg. In één klap zit iedereen weer op het puntje
van zijn stoel. De afstanden tussen de vier tonen zijn: (eerste tot tweede): Een octaaf plus
een kleine terts, (tweede tot derde) een grote terts en (derde tot vierde) nog een grote terts.
Pagina 9
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)41. Bereken de verhoudingen tussen de tonen van het duivelsaccoord in mooie gehele
getallen. Denk je dat Pythagoras van filmmuziek zou hebben gehouden?
Intervallen die ook als niet zo aangenaam te boek staan zijn de grote en de kleine secunde
(twee ‘naast elkaar’ liggende tonen, bv resp. C-D en B-C). Je kunt met behulp van de
verhoudingen voor het octaaf de kwint en de terts de bij behorende verhoudingen uitrekenen
door een toon te zoeken die ten opzichte van de ene toon bijvoorbeeld een terts en tov van
de ander bijvoorbeeld een kwint scheelt.
42. Bereken de verhoudingen van de grote en de kleine secunde (bedenk dat je eventueel
een toon nog een octaaf hoger of lager moet maken.
Prachtig, maar wat klopt hier nou niet aan?
Je begrijpt dat Pythagoras erg blij was met zijn ontdekking. Alle afstanden tussen de 8
gebruikelijke tonen van de toonladder te schrijven als mooie verhoudingen tussen nog
mooiere gehele getallen. Getallen boven de zestien heb je niet nodig, zo harmonieus zit de
wereld in elkaar. Echter bij nadere beschouwing blijkt de wereld toch niet zo mooi in elkaar te
zitten als het lijkt.
Bij vraag 42 heb je de verhouding tussen een C en een D, of een willekeurige andere grote
secunde uitgerekend. Je hebt dit op globaal twee manieren kunnen doen:
Manier 1: eerst een kwint omhoog naar de g (2:3) en dan een kwart naar beneden (4:3) of
eerst een kwart omlaag naar de (lage) g en dan een kwint omhoog.
Manier 2: eerst een grote sext omhoog (3:5) naar de a en dan een kwint (3:2) naar beneden
of eerst een kleine terts naar beneden (6:5) naar de a en dan een kwart omhoog (3:4).
43. Op welke manier je het net ook hebt uitgerekend, de vraag is nu om het op de andere
manier te doen en de antwoorden te vergelijken.
44. Hoe komt het dat de twee manieren die bij manier 2 staan, geen verschillende
antwoorden opleveren?
Je kan begrijpen dat Pythagoras tamelijk ontstemd was over deze uitkomst. Een oplossing
zou natuurlijk zijn om de twee d’s die hier berekend worden gewoon een verschillende naam
te geven. D1 en D2 bijvoorbeeld, genoemd naar de manier waarop ze berekend zijn.
45. Welke toon is lager, D1 (met de verhouding van manier 1) of D2?
46. Bereken de verhouding tussen D1 en D2. Probeer met het monochord na te gaan of zo’n
klein verschil in toonhoogte nog wel na te zingen is.
Kiezen of Delen.
Er blijkt in de praktijk natuurlijk geen markt te zijn voor tonen die zo dicht bij elkaar liggen dus
de D1/D2 oplossing is vooral leuk voor theoretici. Bovendien blijken er nog meer intervallen te
zijn die niet helemaal kloppen. ‘Dus’, redeneerde Pythagoras, ‘wordt het tijd dat iemand hier
eens met harde hand de knopen doorhakt en bepaald wie hier de echte D is en wie een
halfbakken nep-D’, of woorden van gelijke strekking.
Omdat Pythagoras 8:9 mooier vond dan 9:10 en 2:3 en:4:5 mooier dan 3:5 en 5:6 koos hij
voor D1.
En omdat hij zijn gezond verstand belangrijker vond dan zijn gehoor voerde hij deze
redenering consequent door. Hij riep de kwart en de kwint uit tot de enige echte intervallen
(naast het octaaf natuurlijk) en rekende op grond van kwinten en kwarten voor alle tonen in
een toonladder uit hoe ze zich verhouden tot de grondtoon. De mooie getalsverhoudingen die
hij ooit had gevonden voor de grote en kleine terts vergat hij finaal. Helaas voor hem houdt
het menselijk gehoor wel nog steeds van mooie verhoudingen. De tertsen in de zogenaamde
Pythagoras toonladder waren dan ook uitgesproken vals.
Pagina 10
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)47. Bereken de verhoudingen van grote (c-e, f-a, g-b) en een kleine (d-f, e-g, a-c) terts in de
Pythagorasladder en vergelijk deze met de ‘mooie’ getalsverhouding. Is de bovenste toon
van een terts bij Pythagoras te laag of te hoog? (Hint: ga weer uit van een a van 440 en
bereken net zo lang kwinten en kwarten tot je de bij behorende f en c hebt)
Om te zien hoe vals zo’n Pythagoras-terts nou klinkt kun je als je met zijn tweeën bent, het
volgende experiment doen. Haal ergens een vast liggende toon vandaan, bij voorbeeld uit
een monochord of een glaasje water. Een van beiden zingt de toon zo zuiver mogelijk na. Nu
probeert de ander (tegelijkertijd) een toon precies een kwint (“Altijd is Kort”) hoger te zingen.
Als het precies zuiver klinkt geef je elkaar een veel betekenend knik je waarop de eerst
probeert precies een kwart (“bim-bam-bom”) lager dan de toon van de tweede te zingen. Zo
wissel je elkaar af totdat een van beide (je mag zelf uitrekenen wanneer) een toon zingt die
precies een Pythagoreische terts scheelt van de oorspronkelijke toon. Op dat moment haalt
de ander de oorspronkelijke toon weer uit zijn schuilplaats en probeert hem, zo veel mogelijk
zonder zich door de toon die al gezongen wordt te laten beinvloeden, na te zingen. Kippenvel
verzekerd.
Uitleiding: andere oplossingen.
Omdat Pythagoras de enige was die zich op deze manier hiermee bezig heeft gehouden,
gold hij eeuwenlang als dé autoriteit op dit gebied en zijn toonladder is eeuwen na zijn dood
nog gebruikt, hoe vals hij ook klonk. In plaats van dat men aan de toonladder twijfelde vond
men sommige intervallen gewoon lelijk. Samenklanken die een terts schelen (in de
tegenwoordige tweestemmige muziek verreweg het meest gebruikelijk) kwamen in de
Middeleeuwse muziek niet of nauwelijks voor. In de renaissance begonnen mensen als o.a.
Galileo er weer over na te denken en probeerden ze de toonladder te verbeteren. In de
zeventiende eeuw was het gebruikelijk clavecimbels zo te stemmen dat één toonsoort er
perfect zuiver op klonk, met ‘echte’ tertsen en sexten. Toonsoorten die voor het grootste deel
de zelfde tonen gebruikten (bijvoorbeeld omdat de grondtoon een kwart scheelt met die van
de ‘perfecte’ toonsoort) klonken dan ook nog wel aardig, maar sommige andere toonladders
klonken dan weer nog valser dan bij Pythagoras. Ook de gaten in blaasinstrumenten werden
volgens dit idee geboord. Dat een klarinet een ‘bes-instrument’ is, betekende toen dus ook
echt wat. Later werd dit steeds meer aangepast zodat er meerdere toonsoorten op een
instrument gespeeld kunnen worden. De zuiverste toonsoorten werden iets valser en de
valste wat zuiverder. Een beetje een compromis dus, maar de verschillen tussen de
toonsoorten bleven bestaan. Alleen werd dit niet meer als ‘vals’ of ‘zuiver’ beschreven, maar
als het ‘eigen karakter’ van toonsoorten. (Vandaar dus ook dat componisten bewust voor een
bepaalde toonsoort kozen, en niet alleen om de uitvoerende muzikanten te imponeren met
grote hoeveelheden mollen en kruizen). Tegenwoordig wordt meestal ‘gelijkzwevende
stemming’ toegepast. Hierin is het octaaf in twaalf precies gelijke stukken verdeeld. Op welk
van de twaalf tonen je ook begint, een toonladder klinkt altijd hetzelfde (als je de goede noten
speelt tenminste). Ieder interval, met uitzondering van het octaaf, is precies even vals (of
zuiver, net hoe je het noemen wil) en mooie verhoudingen zoals Pythagoras die graag zag
komen naast de 1 staat tot 2 van het octaaf niet meer voor. De verhouding behorend bij de
kleinste afstand in de toonladder (de halve toon, of kleine secunde) bijvoorbeeld tussen een b
en een c of tussen een e en een f is nu gelijk aan de twaalfde-machtswortel van 2. Dat
Pythagoras zich bij het horen van dit getal in zijn graf zou omdraaien blijkt wel uit het
volgende hoofdstuk.
4. Het geheim van wortel twee. Moord en doodslag onder de Pythagoreeërs.
Het is in de geschiedenis van de mensheid vaak voorgekomen dat mensen werden
vermoord om een idee. Maar als dat idee te maken heeft met getallen, en met niets
anders dan getallen, dan kan zo’n moord alleen maar plaatsvinden binnen een sekte
waar alles in termen van getallen beschouwd wordt, van de miezerigste zandkorrel
tot het grootste natuurgeweld. Zoals je weet waren de Pythagoreeërs toevallig zo’n
sekte, en zij vormen dan ook het décor voor het volgende gruwelijke verhaal.
We verplaatsen ons naar het zon overgoten Griekse eiland Samos, aan het eind van
de vijfde of het begin van de vierde eeuw voor Christus. Pythagoras zelf is al enige
Pagina 11
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)jaren dood, maar zijn gedachtengoed leeft nog in alle hevigheid voort onder zijn
volgelingen. En een van de belangrijkste ideeën daarbij was dat alles is terug te
voeren op gehele getallen en verhoudingen daartussen.
De verhouding tussen de omtrek en de doorsnede van een cirkel was misschien niet
helemaal gelijk aan 3 staat tot 1 of 22 staat tot 7, maar als je maar lang genoeg door
zou zoeken waren er ongetwijfeld wel twee astronomisch grote getallen die deze
verhouding precies zouden weergeven. Daar werd verder niet over na gedacht.
Natuurlijk was dat zo. Hoe zou het anders kunnen zijn?
Helaas voor hem, was er een lid van de sekte die er wel over nadacht. Waarschijnlijk
ergerde hij of zij zich eraan dat het zo moeilijk was om voor sommige verhoudingen
goede getallen te vinden en probeerde hij een andere manier te vinden om dit wat te
versnellen.
Hij deed dit niet bij de omtrek en doorsnede van een cirkel, maar bij een heel wat
rechtlijniger geval: de verhouding tussen een korte en de lange zijde in een
gelijkbenige rechthoekige driehoek (een schuin doorgeknipt vierkant dus).
48. Hoe zouden wij deze verhouding noemen?
Je probeert eens wat…
De oude manier zag er waarschijnlijk ongeveer zo uit. Je vergrootte de driehoek een
aantal keer (bijvoorbeeld 2) en keek met je passer of de ‘oude’ korte zijde nu een
geheel aantal keren in de ‘nieuwe’ lange paste. Nou, niet gek bijna drie keer. Je komt
alleen net een stukje te kort. Je maakt een schatting van hoe het te kort komende
stukje zich verhoud tot de oude korte zijde. Dat lijkt wel verdacht veel op twee
drieëntwintigste! Wat gebeurt er als je de zijdes van de nieuwe driehoek nog eens
drieëntwintig keer zo lang maakt?
49. Hoe vaak zou volgens deze schatting de oude korte zijde dan in de nieuwe lange
passen? Hoe zou dan de verhouding tussen de twee zijden zijn? Is dit ook in
werkelijkheid de verhouding?
50. Maak een schatting van het stuk dat je dan overhoudt of te kort komt. Welke
verhouding zou dan de volgende kanshebber zijn?
Tijd voor een systematische aanpak.
De jonge held van dit verhaal, laten we hem Anximedes noemen (zijn echte naam is
helaas niet bekend), vond deze manier maar niks. Hij besloot de zaak van een
andere kant te benaderen door de vraag te stellen: ‘Wat weten we eigenlijk nog meer
van de verhouding tussen deze twee lijnstukken?’.
51. Wat weten we eigenlijk nog meer van de verhouding tussen deze twee
lijnstukken?
(HINT: als je niet zo gauw iets kan bedenken kun je misschien beter de vraag
stellen: wat weten we van de verhouding tussen de kwadraten van deze twee
lijnstukken?)
Anximedes paste vervolgens een truc toe, die in zijn tijd nog niet zo bekend was,
maar later uitgroeide tot de voornaamste bezigheid van wiskundigen waar ook ter
wereld: als je van iets weet dat het bestaat, maar niet hoeveel het is, dan geef je het
gewoon zelf een naam. “x” Bijvoorbeeld.
Pagina 12
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)Als rechtgeaarde Pythagoreeër wist Anximedes dat er twee getallen getallen waren
die tot elkaar in de zelfde verhouding stonden als de diagonaal en de zijde van een
vierkant. Hij wist zelfs dat er een heleboel getallen waren die deze verhouding
opleverden
52. Op hoeveel manieren kun je de verhouding 294 staat tot 210 schrijven?
Om deze getallen nou allemaal een aparte naam te geven, leek Anximedes wat
overdreven.
53. Als je nou een paar van twee getallen uit moest kiezen om de verhouding 294
staat tot 210 op te schrijven, zó dat het het makkelijkst is om daaruit alle andere
paren uit te rekenen, welke twee
getallen zou je dan kiezen? Hoe vind je vanaf hier de andere getallen?
Anximedes besloot slechts twee (gehele) getallen aan te wijzen die hij p en q
noemden (want eigenlijk kende hij ze nog niet), zodat:
•
•
p/q de verhouding is tussen de schuine en de rechte zijde in de driehoek.
Alle andere getallen die ook deze verhouding hebben kunnen worden gevonden
door p en q alle bij met hetzelfde gehele getal te vermigvuldigen.
54. Wat weet je nog meer over p en q naast de eigenschap die je bij 50 hebt
gegeven?
(Aanwijzing: als je bijvoorbeeld weet dat p deelbaar is door 3, wat weet je dan
van q?)
Gewapend met deze twee eigenschappen wilde Anximedes het probleem te lijf gaan.
Hij wist dat als je van twee getallen twee verschillende eigenschappen kende, je de
getallen (bijna) altijd kon opsporen en wilde dat in dit geval dus ook doen. Hij zou
echter nog van een koude kermis thuiskomen.
Anximedes versus de koude kermis.
Kijk nog eens naar de eigenschap die je bij vraag 50 hebt opgeschreven.
55. Door welk getal moet p2 dan wel deelbaar zijn?
Anximedes vroeg zich af of hij hieruit ook een conclusie kon trekken over p zelf. Als
je weet dat 6 kwadraat oftewel 36 deelbaar is door 3 dan betekent dat automatisch
dat je 6 zelf ook door drie kan delen. Dat zelfde geldt voor bijvoorbeeld 144 (twaalfkwadraat) en 225 (vijftienkwadraat) en eigenlijk alle kwadraten die deelbaar door drie
zijn.
56. Kun je bewijzen dat als een kwadraat deelbaar is door 3, dat de wortel van dat
kwadraat ook deelbaar door drie moet zijn?
(HINT: stel je voor wat er met het kwadraat gebeurt als de wortel NIET deelbaar
door 3 is)
Aan de andere kant merkte Anximedes op dat het feit dat 36 deelbaar is door 9 of
door 12 helemaal niet wil zeggen dat 6 dat ook moet zijn. En het zelfde geldt voor
144 dat deelbaar is door 8 terwijl je dat van zijn wortel, 12, niet bepaald kan zeggen.
57. Waarin zit ‘m het kenmerkende verschil?
58. Kun je op grond van vraag 54 nu wel of niet ook een conclusie trekken over p
zelf? En zo ja: welke?
Pagina 13
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)59. Wat heeft dit weer voor gevolgen voor q? En voor q2 ?
60. Bedenk dat de eigenschap van p die je bij 57 hebt gevonden ervoor zorgt dat p2
nu ook deelbaar is door een getal dat ‘nog’ groter is dan het getal dat je bij vraag
54 gevonden hebt. Welk getal?
61. Deel p2 door dit getal en noem de uitkomst bijvoorbeeld a2. Is a2 een geheel
getal?
62. Schrijf de eigenschap van vraag 50 nog eens op maar vervang p2 nu door het
getal van vraag 59 maal a2. Kun je deze vergelijking vereenvoudigen door links
en rechts door het zelfde te delen?
63. Kijk naar deze nieuwe vergelijking. a2 En q2 zijn allebei gehele getallen. Door
welk getal moet q2 dus wel deelbaar zijn?
64. Vergelijk het antwoord op vraag 62 met dat op vraag 58. Hoe kan dit?!?
Hoe kan dit?!?
‘Hoe kan dit?!?’ moet Anximedes zich hebben afgevraagd. En eigenlijk lag het
antwoord erg voor de hand: hij moest ergens een fout gemaakt hebben, dat kon niet
anders.
Het eerste waar je aan zou denken is een fout in de logische redenering. Hij had vast
ergens een redenering van het type ‘alle ezels hebben oren, Pythagoras had oren,
dus Pythagoras was een ezel’ hebben gebruikt, maar dan iets beter verborgen.
65. Lees je eigen redeneringen bij vraag 54 t/m 63 nog eens door. Kun je zo’n fout of
een andere redeneerfout ontdekken?
66. Toen hij zich ervan overtuigd had dat de fout niet in de logische redenering zat,
zag Anximedes in dat er dan maar één conclusie overbleef. Welke?
De dodelijke conclusie.
Als de fout niet in de logische redenering zat, dan moest hij wel in het uitgangspunt
zitten. Een andere mogelijkheid was er niet. Maar als het idee dat er een p en q
bestaan met deze eigenschappen niet klopte, als de gehele getallen p en q die deze
verhouding weergaven dus gewoon niet bestonden, dan betekende dat, dat er
getallen bestaan die niet als de verhouding tussen twee gehele getallen geschreven
konden worden.
Je begrijpt wat een klap dit gegeven moet hebben bij de Pythagoreeërs die dit idee
jarenlang als de grootst mogelijke onzin zouden hebben beschouwd, als het al in hun
hoofd was opgekomen. Toen Anximedes de anderen vol trots van zijn ontdekking
kwam vertellen werd hij dan ook, toen de anderen hadden ingezien dat ze echt niet
om dit bewijs heen konden, met een steen aan zijn voeten in de Middellandse Zee
gekieperd. Wegens belediging van de heilige wet of iets anders onacceptabels. Toch
hebben de Pythagoreeërs het idee uiteindelijk geaccepteerd. Er is zelfs een versie
van het verhaal waarin ze Anximedes helemaal niet vermoorden, maar wel het
geheim dat er zulke getallen als wortel 2 bestonden, zorgvuldig binnen hun sekte te
houden. Volgens deze versie van het verhaal geloofden ze namelijk dat wanneer de
buitenwereld (die veel en dankbaar gebruik maakte van vooral de meetkundige
ontdekkingen van de Pythagoreeërs) hier lucht van zou krijgen, er vreselijke paniek
Pagina 14
Bekijk in PDF(opent in een nieuw venster)uit zou breken onder het volk, met niet te overziene, gruwelijke gevolgen. Toen een
van de sekteleden ondanks het uitdrukkelijke verbod, het geheim toch aan een
Siciliaanse koopman vertelde, werd hij alsnog met een steen aan zijn benen in de
Middellandse Zee gekieperd.
Je moet zelf maar kiezen welke versie van het verhaal je gelooft.