Show full text7 pages
Page 1
View in PDF(opens in a new window)MARTIN DE HAAN
EN MODERNE
PYTHAGORAS:
ARAN
RAYMOND
AA
ES
THA.
Ae
QUENEAU EN
HET GETAL
De wereld is alles wat het getal is. Het getal in kwestie is uiteraard 100,
dat wil zeggen 1 (want 1 +0+0=
I), dat wil zeggen 64 (want 6 + 4 =
10en 1 +0= 1), dat wil zeggen 154 (want I+5+4=10en I +0=1),
dat wil zeggen 100.000.000.000.000 (want I + 14 x 0= 1). Wie de wereld in een getal wil vatten, komt altijd op het getal 1 uit. Of op het getal 64. Of op het getal 100. Of op het getal 154. Of op het getal
100.000.000.000.000 (spreek uit: honderdduizend miljard). Maar dat
komt allemaal op hetzelfde neer.
Raymond Queneau hield van getallen. Typisch Queniaans zijn de getallen 7 en 21, waarmee de schrijver een verkapte vorm van autobiografie bedreef. Een naam van 3 x 7 = 21 letters (Raymond Auguste
Queneau), geboren op de 21ste dag van een zekere maand in een zeker
jaar (februari 1903): toeval natuurlijk, en niet eens zo heel opmerkelijk
(er worden ook mensen geboren op de tiende van de tiende om tien
over tien), maar Queneau rook zijn kans en besloot direct vanaf zijn
eerste boek, de roman Le Chiendent (Hondsgras, 1933), een persoonlijk watermerk in zijn werk achter te laten in de vorm van zeventallige
structuren. Le Chiendent heeft zeven hoofdstukken van elk dertien delen (Queneau vond 13 een heilzaam getal ‘omdat het geluk erdoor
wordt ontkend’), en ook latere romans hebben zo'n watermerk, al is dat
niet altijd even goed zichtbaar: in Les Derniers Jours (1936) heeft de
schrijver de aanvankelijk vierkante structuur van 7 x 7 delen ingekort
tot 38 hoofdstukjes, en als hij er zelf niet over was begonnen, hadden
we dat nooit geweten.
De reden die Queneau in een artikel uit 1937 aandraagt voor deze
opmerkelijke manier van schrijven is beroemd: ‘Iedereen kan een willekeurig aantal schijnbaar levensechte personages als een troep ganzen
voor zich uit drijven over een heideveld van een willekeurig aantal
bladzijden of hoofdstukken. Het resultaat is hoe dan ook altijd cen roman. Ik wil geen wetten opleggen of zelfs ook maar voorleggen aan
een genre dat in zijn huidige vorm bevredigend is voor iedereen, zowel
schrijvers als lezers. Maar persoonlijk zou ik nooit vrede kunnen heb157
ben met zo’n nonchalante manier van doen. De ballade en het rondeel
Page 2
View in PDF(opens in a new window)RQEHGAUYMNTOENATDUL
PEMHYD|OTARGEOATRNISE:
mening meer strakheid geboden bij het schrijven van proza.' Tegen de
willekeur van de inspiratie, vöör de bevrijdende leiband van de zelfbeperking: Queneaus poëtica van de jaren dertig — die overigens ook moet
aan deze bezigheid die ermstiger is dan het lijkt. Zijn werk is er innig
mee verbonden.’ Dat laatste is overigens geen toeval, luidt de standaardverklaring van de commentatoren, want ‘behalve dichter en romancier was hij in de eerste plaats wiskundige, en niet in een passieve
worden gezien als een manier om zich af te zetten tegen de surrealisten,
met wie hij in 1929 om persoonlijke redenen had gebroken — gaat lijnrecht in tegen de dominante avant-gardistische literatuuropvatting van
die tijd, waarin juist de afschaffing van alle beperkende regels centraal
stond. Maar Queneau was destijds zeker niet de enige voor wie zulke
regels juist een positief effect konden hebben. Marcel Proust bijvoorbeeld, die tussen 1909 en 1922 zijn beroemde kathedraalroman schreef,
merkt in Le Côté de Guermantes op: *Wanneer ze in hun vrijheid worden beperkt door de tirannie van een monarch of van een poética, door
‘strenge prosodische regels of een staatsgodsdienst, bereiken schrijvers
vaak een concentratieniveau dat ze onder een liberaal politiek bewind
of in een anarchistisch literair stelsel niet hadden hoeven opbrengen.’
—=eee
betekenis,' zoals een van hen schrijft (namelijk Rudy Kousbroek, in het
voorwoord bij zijn befaamde vertaling van de Exercices de style). Inmiddels weten we beter: Queneau was hooguit een enthousiaste amateur-wiskundige, en zeker niet ‘in de cerste plaats’, want hij maakte
geen enkele studie (letteren, filosofie, wiskunde) af en was in het dagelijks leven van 1941 tot zijn dood in 1976 werkzaam bij uitgeverij Gallimard. Maar mythes zijn hardnekkig, vooral wanneer ze veel lijken te
verklaren. Waarschijnlijk zal Queneau tot in lengte van dagen als wiskundige bekend blijven staan.
Was hij dan geen formalist? Het is maar hoe je het bekijkt. In ieder
geval spreekt uit de slotalinea van het cerder geciteerde artikel uit 1937
Zo heel opmerkelijk waren Queneaus ideeén over de bevrijdende wermeer zijn handelsmerk zijn geworden, heeft waarschijnlijk eerder te
een heel ander soort formalisme dan doorgaans met zijn werk wordt geassocieerd, In plaats van een technisch hulpmiddel bij het schrijven,
maken met literatuursociologische factoren (zijn positionering in het
een willekeurig maar stevig raamwerk waarmee het toeval van de inspi-
‘literaire veld’, zijn haat-liefdeverhouding tot de literaire avant-garde)
ratie kan worden ingeperkt, blijkt het getal daar een bijna magische
kracht, getuige de hoofdletter waarmee het wordt getooid: ‘Er zijn geen
king van strakke regels dus niet. Dat die ideeén desondanks min of
dan met zuiver literaire overwegingen. Wat trouwens niet betekent dat
het belang van de zelfbeperking in het werk van Queneau moet worden
gebagatelliseerd, Integendeel: daar valt veel meer over te zeggen dan
regels meer sinds ze hun waarde hebben verloren. Maar vormen blijven
eeuwig voortbestaan. Er zijn romanvormen die de te behandelen stof
zijn eigen programmatische uitspraken in eerste instantie doen vermoealle zegeningen van het Getal opleggen, en rechtstreeks vanuit de verwoording en de verschillende aspecten van het verhaal ontstaat dan een
den.
Op grond van zijn expliciet geformuleerde poética uit de jaren dertig
structuur, wezenseen met de leidende gedachte, oorzaak en gevolg van
heeft Queneau algemeen het imago van een formalist die de literatuur
alle erdoor gepolariseerde elementen, die de laatste weerschijn van het
van een quasi-wiskundige grondslag wilde voorzien. Het feit dat hij
Universele Licht en de laatste weerklank van de Harmonie der Sferen
op het kunstwerk overdraagt.’ De Harmonie der Sferen, het Universele
ruim twintig jaar later, in 1960, samen met de wiskundige François
Le Lionnais een op mathematische leest geschoeide werkgroep voor
experimentele literatuur oprichtte, wordt als een logisch gevolg van die
poética beschouwd, een bewijs van de continuiteit in Queneaus opvat-
Licht: niet direct wat je zou verwachten van een formalist die mathematische principes wil toepassen in literaire werken. Maar aan alles
valt cen mouw te passen, en binnen de Oulipo is ook deze passage in
tingen. De Oulipo (Ouvroir de Littérature Potentielle, zoiets als Werkeen zuiver technisch licht geplaatst. Jacques Roubaud, de grote theoreplaats voor Potentiéle Literatuur), zoals deze nog altijd springlevende
werkgroep heet, stelt zich ten doel contraintes (strakke vormregels) te
ticus van de groep, geeft als uitleg: ‘De uitputting van de traditie, gesymboliseerd door de regels, is het beginpunt van het onderzoek naar
ontwerpen en te bestuderen met behulp waarvan schrijvers het toeval
een tweede fundering, die van de wiskunde.’ Vandaar zijn Stelling: ‘De
uit hun werk kunnen bannen, en Queneaus vroege romans fungeren
wiskunde compenseert de ondergang van de regels.” Axiomatische
daarbij als lichtend voorbeeld. Vijftien jaar na de oprichting van de
contraintes komen in de plaats van de traditionele literaire regels,
groep heet het in de ‘Nederlandstalige’ aankondiging van een Oulipoprobleem yan de ‘waarde’ wordt tussen haakjes geplaatst (want zuiver
manifestatie
158
en cen paar anderen komen op geregelde tijdstippen samen literatuur te
maken volgens wiskundige formules. Queneau is absolunt niet vreemd
hebben afgedaan, en ter compensatie van die ramp is er naar mijn
in
Brussel:
‘Een
paar seer serieuze
personen soals
Queneau, de wiskundige Le Lionnais, de romanschrijver Georges Perec
169
het
formele schema’ zijn waardevrij, de waarde verschijnt pas weer
de concrete toepassing van de abstracte schema's), en de Platoonse
Page 3
View in PDF(opens in a new window)HGRQEPMYAUTO|YHDTMANGAEOTRNALDNUS:ENI
eeuwig voortbestaande vormen worden vervangen door structuren — die
Hortense-trilogie) en Harry Matthews (The Sinking of the Odradek Stade eeuwigheidsvraag terzijde laten.
dium). Het lijkt alsof de waardevrijheid van de axiomatische en dus per
Maar Queneau wil de vormen niet door structuren vervangen, in
ieder geval niet in 1937. Het Getal, het Universele Licht en de Harmonie der Sferen hebben in de geciteerde alinea een duidelijk positieve
connotatie, de ironie waarmee dat soort hoofdletterwoorden vaak gepaard gaat is ver te zoeken, Dat is opmerkelijk, want in de rest van het
artikel is op het eerste gezicht geen sprake van dergelijke metafysische
verwijzingen: Queneau beschrijft op een neutrale, technische manier
waarom en hoe hij zich bij het schrijven van zijn romans heeft bediend
van getalsmatige patronen. Maar bij herlezing valt de argwanend geworden lezer toch een aantal dingen op, Wat bijvoorbeeld te denken
van de kabbalistische herleiding (‘optelling’) van het getal 91 (= 7 x 13,
definitie arbitraire structuren die de Oulipo nastreeft hem toch niet helemaal lekker zit, ook al laat Perec in 1969 met La Disparition zien hoe
de willekeur van de contrainte zelf weer kan worden gethematiseerd:
die roman gaat in zekere zin over de contrainte waarmee hij is geschreven (de verdwijning van de letter e). Maar opmerkelijk genoeg heeft
Queneau La Disparition nooit gelezen, en Perecs meesterwerk La Vie
mode d'emploi, waarin de thematisering van de contrainte tot het uiterste is doorgevoerd, verscheen pas in 1978, twee jaar na de dood van de
maestro. Overigens heeft Queneau in de laatste zestien jaar van zijn
leven sowieso nog maar twee romans geschreven: Les Fleurs bleues
(1965) en het nakomertje Le Vol d’Icare (1968), dus misschien moeten
het aantal secties van Le Chiendent) tot 1 (want9+1=10=1+0=1),
we ons niet al te zeer verbazen over de afwezigheid van een roman volen van de symbolische waarde die aan beide getallen wordt toegedicht?
gens Oulipiaanse principes. Maar toch lijkt het alsof Queneau de Ouli-
En waarom is 13 een heilzaam getal ‘omdat het geluk erdoor wordt ontkend’, zoals Queneau trouwens ook in iets anders bewoordingen zegt in
de versroman Chêne et chien, eveneens uit 1937? De mathematische
orde die de schrijver in de chaos wil aanbrengen in de hoop daarmee
iets van kosmische perfectie te bereiken, doet eerder denken aan Pythagoras, de man volgens wie het getal de essentie van alle dingen was, tevens bedenker van wat later de harmonia mundi oftewel de harmonie
po eerder als een interessant en aangenaam tijdverdrijf zag dan als een
serieuze ‘werkplaats voor potentiéle literatuur’, want ook in zijn poézie
van na 1960 hebben de Oulipiaanse experimenten niet veel sporen achtergelaten.
Voor Queneau was de poézie zeker geen bijwagen die achter de
roman aan hobbelde. Weliswaar verscheen zijn eerste bijdrage aan het
genre, de eerder genoemde versroman Chêne et chien (1937), pas nadat
der sferen zou gaan heten, dan aan Bourbaki, de meerkoppige Franse
wiskundevernieuwer naar wiens werk Jacques Roubaud verwijst om
zijn pleidooi voor de vervanging van vormen door structuren kracht bij
te zetten. Over diezelfde Bourbaki schreef Queneau begin jaren zestig,
vlak na de oprichting van de Oulipo dus, een lovend artikel, waarin van
pythagorische, gnostische, manicheistische en andere esoterische invloeden geen spoor meer te bekennen valt. Ironie o ironie: de speelse,
rationele Oulipo, met als boegbeeld de gevierde schrijver Raymond
Queneau, baseert zich in theorie en praktijk op de vijfentwintig jaar
oude metafysische poética van diezelfde Raymond Queneau, die in de
hij al vier romans had gepubliceerd, maar in werkelijkheid waren beide
genres hem al sinds zijn jeugd even dierbaar. In de jaren veertig, weer
vier romans later, achtte hij de tijd rijp voor een echte coming-out als
dichter: de bundel Les Ziaux (1943) bevat gedichten uit de periode
1920-1943, L'Instant fatal (1948) voegt daar nog eens eenentwintig (!)
gedichten uit de periode 1920-1930 aan toe, plus ruim vijftig die zijn
geschreven tussen 1943 en 1948; tussendoor verscheen bovendien een
bundel met gedichten over het door Queneau gehate platteland, Bucoliques (1947). De verschijningsdata van die ‘vroege’ dichtbundels geven
dus een wat vertekend beeld, dat des te bedrieglijker is omdat de rotussentijd van zijn geloof is gevallen.
Of misschien toch niet helemaal. Hoewel hij vrolijk meedoet aan de
soms verbluffend virtuoze, soms verbluffend flauwe taalspelletjes van
de groep (vooral de beruchte ‘S + 7’-methode, waarbij elk substantief
wordt vervangen door het zevende woord dat erop volgt in een willekeurig woordenboek, levert literair gezien bitter weinig op), zal
Queneau zo ongeveer als enig prominent Oulipolid nooit een roman
volgens strikt Oulipiaanse principes schrijven, in tegenstelling tot collega's als Georges Perec (La Disparition, La Vie mode d'emploi), Italo
Calvino (Se una notte d'inverno un viaggiatore), Jacques Roubaud (de
mancier Queneau het grootste deel van zijn oeuvre al op papier heeft:
in 1948 staat de teller op elf romans, er zullen er nog maar vijf volgen.
En al prent je de chronologie nog zo goed in je geheugen, het blijft
moeilijk te geloven dat de supermelige roman On est toujours trop bon
avec les femmes, typisch een tussendoortje van een ervaren schrijver,
eerder is verschenen (in 1947, onder het pseudoniem Sally Mara) dan
L'Instant fatal, de bundel waarmee Queneau definitief zijn naam vestigde als dichter. Maar vanaf dat moment krijgt de poézie langzaam de
overhand. Na 1948 verschijnen er nog tien dichtbundels, de helft van
forse omvang, en aan het eind van Queneaus leven is de stand dus bijna
Page 4
View in PDF(opens in a new window)gelijk: Zestien romans tegenover Geruen aicntounaels.
De oprichting van de Oulipo had overigens alles te maken met een
merkwaardige dichtbundel waarvan het idee Queneau al langer bezighield. Geinspireerd door een kinderboek (waarschijnlijk Heads, Bodies
& Legs yan Denis Wirth-Miller en Richard Chopping) met naar willekeur combineerbare hoofden, lijven en benen, had de dichter een literaire jackpot bedacht waarmee iedere lezer zijn eigen sonnetten kon
samenstellen, honderdduizend miljard verschillende om precies te zijn.
Dat zat zo: Queneau wilde tien basissonnetten schrijven, allemaal met
dezelfde rijmklanken, waarvan de regels zouden worden losgeknipt zodat ze afzonderlijk konden worden omgeslagen en met elkaar gecombineerd; dat levert 10 x 10 mogelijkheden op voor twee achtereenvolgende regels, 10 x 10 x 10 voor drie regels, en dus 10'* voor veertien regels
(de lengte van een sonnet). Maar de opgave bleck nogal zwaar, de dichter zag het niet meer zitten — totdat zijn vriend Frangois Le Lionnais,
wél een echte wiskundige, hem voorstelde een werkgroep voor experimentele literatuur op te richten: de Oulipo. Queneau maakte zijn tien
basissonnetten alsnog af, en zodoende werd Cent mille milliards de
poèmes het eerste wapenfeit van de nieuwe werkgroep. Zo heel Oulipiaans is de bundel overigens niet, want de werking ervan heeft meer te
maken met een bijzonder boekbindprocédé dan met een mathematisch
patroon dat de dichter zich heeft opgelegd: de enige beperking die
Queneau bij het schrijven in acht moest nemen was dat de rijmuitgangen moesten kloppen en dat de zinnen moesten doorlopen ongeacht de
thematische continuiteit heeft gezorgd. "Das waren zweitellose Widersprüche, sie waren so sichtbar daß sie beabsichtigt sein mußten,’ zegt
Kafka in Das Schloß, en een betere typering van Cent mille milliards
de poémes is nauwelijks denkbaar. Het haperende combinatorische mechaniek is overigens nog maar het begin, want ook de tien basissonnetten zelf blijken allerminst coherent: ze hebben allemaal een duidelijk
thema, maar geen narratief of emotioneel cement dat de verschillende
bouwstenen bijeenhoudt; ook grammaticaal gezien vertonen de tien gedichten opvallend veel breuken. Uiteindelijk kan de conclusie dan ook
haast niet anders luiden dan dat er in plaats van een explosieve, wonderbaarlijke sonnettenvermenigvuldiging sprake is van een implosieve,
niet minder wonderbaarlijke sonnettendeling, een ontleding in factoren
die eerder tot de onliteratuur dan tot de potentiéle literatuur gerekend
zou moeten worden. Het eerste wapenfeit van de Oulipo was een antiOulipiaans manifest.'
Na Cent mille milliards de poèmes, in de laatste vijftien jaar van zijn
leven, publiceerde Queneau nog vier dichtbundels (de verzamelbundel
Le Chien à la mandoline buiten beschouwing gelaten), die samen meer
dan de helft van zijn poétische oeuvre beslaan. Het betreft de trilogie
Courir les rues (1967), Battre la campagne (1968) en Fendre les flots
(1969)
en
de
raadselachtige
bundel
Morale élémentaire
(1975),
Queneaus allerlaatste boek. Wat de trilogie betreft: het enige opvallende vormkenmerk van de drie bundels, die achtereenvolgens aan de stad,
het platteland en de zee zijn gewijd en daarmee voor de Normandische
gekozen combinatie, en dat is zeker niet wat de Oulipo onder ‘contrain-
Parijzenaar Queneau een terugkeer naar de oorsprong vertegenwoordite’ verstaat.
gen, is het aantal gedichten waaruit ze bestaan, namelijk achtereenvol-
Toch heeft Cent mille milliards de poémes voor de groep.een bijna
mythische status. Diverse Oulipianen hebben kleine of minder kleine
onvolkomenheden in de uitwerking ontdekt (veel combinaties lopen
niet goed en sommige rijmwoorden worden dubbel gebruikt), maar die
zijn vergeeflijk bij een dermate prometheische onderneming, zo vindt
men: niemand vraagt zich af hoe het komt dat de dichter zulke evidente
mankementen heeft laten passeren, alles wat Queneau in de gebruiksaanwijzing schrijft wordt voor zoete koek geslikt, en over de mogelijke
betekenis van de bundel wordt al helemaal niet gesproken, behalve in
algemene, technische termen. Maar juist die mankementen zijn voor de
goede lezer in combinatie met de gebruiksaanwijzing het signaal dat
Cent mille milliards de poémes niet is wat het lijkt. De rijmwoorden
gens 154, 155 en opnieuw 154 gedichten. Met Oulipiaanse contraintes
kloppen niet met de regel die Queneau zichzelf zegt te hebben gesteld,
de aangekondigde grammaticale gelijkvormigheid van de verzen is volstrekt afwezig, en tot overmaat van ramp blijkt er ook inhoudelijk geen
aanwezig. Het 15§ste en laatste gedicht van Battre la campagne heet
touw aan vast te knopen, terwijl de dichter toch beweert dat hij voor
Ook de cyclus van Queneaus dichtbundels loopt met de trilogie ten
heeft dat allemaal niets te maken, De Leidse hoogleraar Evert van der
Starre heeft geopperd dat het getal 154 verwijst naar de 154 sonnetten
van Shakespeare, wat zeer goed mogelijk is (daarmee zou worden onderstreept dat elk van de drie bundels moet worden gezien als een strak
georganiseerd,
om
één
thema
draaiend
geheel),
maar
gegeven
Queneaus obsessie met getallen en zijn eerder genoemde herleiding
van 91 (het aantal secties van Le Chiendent) tot 1, is een zuiver getalsmatige reden misschien plausibeler: ook 154 is herleidbaar tot 1 (want
1+5+4=10=1+0=1), en bovendien is 154 gelijk aan 7 x 21 + 7,
en driemaal 154 zelfs gelijk aan 21 x 21 + 21, dus naast de kosmische
eenheid is ook Queneaus persoonlijke watermerk weer overduidelijk
zelf ook ‘Battre la campagne’ en valt om die reden buiten de telling: het
symboliseert het cinde van de cyclus en een nieuw begin.
Page 5
View in PDF(opens in a new window)GHQERUPMAYTHD|OYNAMTEGRLOAENUDISN:
einde. ‘La Treiziéme revient. C’est encore la première, schrijft Nerval
in zijn beroemde maansonnet ‘Artemis’, en dezelfde cyclische symboliek lijkt op te gaan voor Morale élémentaire, Queneaus dertiende en
laatste bundel, die zo verschillend is van de overige twaalf dat er wel
sprake lijkt van een nieuw begin — niet voor niets overwoog de dichter
het boek uit te geven onder het pseudoniem Augustin Mignot, een combinatie van zijn vaders voornaam en zijn moeders achternaam. Toch,
ondanks de volstrekt andere toon, zijn alle thematische en formele
bouwstenen van Queneaus oeuvre aanwezig, in zo’n geconcentreerde
vorm dat de bundel in plaats van een nieuw begin ook evengoed een
samenvatting of een distillaat van dat oeuvre kan worden genoemd.
Zelfs het koppel van de omhoogstrevende eik en de laag-bij-de-grondse
hond (beide een mogelijke etymologie van de naam Queneau, via de
Oudnormandische woorden quesne en quenet), waarmee de schrijver
de twee kanten van zijn persoonlijkheid de strijd met elkaar laat aangaan in zijn werk, keert nog één keer terug — niet toevallig in het dertiende gedicht van de derde sectie, waar de twee eindelijk met elkaar
worden verzoend: ‘De eik keurt het gedrag van de truffelhond goed...’
Twee gedichten eerder, en ook elders in de bundel, is er overigens
sprake van een heuse Oulipiaanse contrainte, inclusief de befaamde
clinamen (bewuste, productieve afwijking van de regel). Queneau somt
namelijk een lange reeks plantennamen op, voor elke letter van het
alfabet één, maar de letter g ontbreekt: de dichter plaatst zichzelf
nadrukkelijk buiten zijn gedicht, maar drukt er juist daardoor zijn per|
soonlijke stempel op. Aanwezigheid door afwezigheid.
geieder
in
toch
of
trekjes,
Oulipiaanse
vertoont
zelf
Ook de bundel
val een opvallende uiterlijke regelmaat. Het geheel is onderverdeeld in
drie secties, waarvan de eerste het meest opvalt: het zijn 51 gedichten
van een geheel nieuw genre, de lipoleps (van het Griekse /eipo, laten,
en lambano, nemen), een door Queneau bedachte vaste vorm die bestaat uit drie kolommen met daarin 16 koppels van een bijvoeglijk en
een zelfstandig naamwoord, onderbroken door een ad libitum rijmend
of allitererend ‘refrein’ van 7 regels. Bijvoorbeeld:
tjilpt
een mus
Op de weg
aanwezig
bloeit
een lang lied
Bruine zon
Groene Venus
Zware Sirius
Sferische namen
Queneau stelde zich voor dat de gedichten zouden worden gedeclameerd met muzikale begeleiding: ‘Een slag op een gong (of op een ander percussie-instrument) na elk koppel van een bijvoeglijk en een zelfstandig naamwoord. En bij het refrein zie ik (hoor ik) duidelijk een
wijsje op een fluit of schalmei voor me.’ Opmerkelijk genoeg schrijft
de dichter in een kort begeleidend tekstje bij een voorpublicatie van negentien lipolepsen in de Nouvelle Revue Frangaise (januari 1974) dat
de nieuwe dichtvorm ‘door zuiver interne “redenen” is bepaald, zonder
dat er enig expliciteerbaar wiskundig of ritmisch onderzoek aan vooraf
is gegaan. Het eerste op die manier geschreven gedicht kwam volledig
“geïnspireerd” tot stand (...). Het feit dat de kern van het gedicht (minus het intermezzo) uit tweeéndertig woorden bestaat en het geheel uit
vijftien regels (één meer dan het sonnet) is niet het gevolg van een
vooraf genomen beslissing.’ Kortom: hoewel (of omdat?) het vormprincipe van deze gedichten Oulipiaans lijkt, benadrukt de vermeende inspiratiehater Queneau dat het in feite zo uit de lucht is komen vallen —
als een geroosterde ortolaan, zoals hij zelf in de jaren dertig had gezegd. Pas twee maanden nadat hij spontaan en zonder doorhalingen het
eerste gedicht had geschreven (tevens het eerste van de bundel, later
overigens nog wel herzien), bedacht hij dat de vorm zich goed leende
voor serieproductie: de lipoleps was geboren. Overigens heeft het nieuwe genre veel meer gemeen met traditionele vaste dichtvormen als het
sonnet en het rondeel dan met de mathematische structuren die volgens
Jacques Roubaud de traditionele vormen moesten vervangen. Uit
Rosse zon
Rosse maan
Blonde sterren
Queneaus omschrijving blijkt dat voor hem de interne harmonie van de
Blinkende einder
juist precies wat de Oulipo niet wil. Regels zoals die van de lipoleps,
Sferische namen
Blauwe bloem
Zekere metalen
|
Lyrische gebaren
Kort gras
Immense zwaan
Algebraïsche adelaars
vorm voorop stond: de waarde hangt samen met de regel, en dat is nu
die een bepaald esthetisch (ritmisch, muzikaal) effect beogen, hebben
Vliegende sperwer
niet de mathematische waardevrijheid die Oulipiaanse contraintes per
definitie wel hebben, en bovendien is er van een wiskundige ordening
amper sprake: het ‘axioma’ is niets anders dan een ad hoc-beschrijving
In de iep
van de toevallig ontstane vorm.
Page 6
View in PDF(opens in a new window)MDHQEG|PRYUAOTHYRATNMGAOERITNASLUED:
Over de levensvatbaarheid van de lipoleps valt te twisten. Binnen de
is de betekenis van het laatste hexagram dus letterlijk van toepassing op
bundel Morale élémentaire vervult het nieuwe genre een duidelijke
zijn reeks: hij is bijna klaar, maar nog niet helemaal, want de eerste
functie, want door de gelijkvormigheid van de 51 gedichten van de eertwee hexagrammen, gewijd aan respectievelijk de hemel en de aarde,
ste sectie ontstaat een haast liturgisch aandoend herhalingspatroon (dat
zijn aanvankelijk overgeslagen. In het gedicht zelf wordt expliciet aan
bij één criticus de associatie met de 51 gong- en klokslagen van de
die stand van zaken gerefereerd: ‘Om zover te komen zul je hemel en
taoistische liturgie heeft opgeroepen), maar op zichzelf beschouwd lijkt
aarde hebben moeten bewegen,’ luidt de slotzin (van het gedicht, de
de lipoleps te weinig variatie te bieden om op een lang leven te mogen
sectie, het boek én Queneaus oeuvre!). De dichter verwijst in wat hij
hopen — behalve misschien als instrument om bestaande gedichten in
schrijft naar de situatie van het schrijven zelf. Wanneer de bundel eeneen kale, analytische vorm te herschrijven, want dat gaat er heel goed
maal is gepubliceerd en de navelstreng tussen leven en werk is doorgemee, zoals Queneau zelf heeft bewezen met teksten van La Fontaine,
knipt, valt daar niets meer van te zien, maar vanaf dat moment fungeert
Nerval, Hugo en Mallarmé.* Hoe dan ook, van een geheel andere orde
de slotzin als een ouroboros, een slang die zichzelf in de staart bijt: met
dan de lapidaire lipoleps zijn de prozagedichten waaruit de tweede en
derde sectie van de bundel bestaan. Ook hier wordt een bepaalde vorm
de hemel en de aarde begint de cyclus opnieuw. Overigens verwijzen
constant volgehouden, maar dit keer is er van quasi-liturgische regelhet wordingsproces van de bundel. Het derde gedicht, dat dus als eerste
maat geen sprake. Vooral de lange derde sectie vormt een indrukwekis geschreven, gaat uit van het hexagram Zhun (‘de Aanvangsmoeilijkkende reeks. Queneau volgt daarin stap voor stap alle 64 hexagrammen
heid’) en beschrijft inderdaad de overgang van niets naar iets: ‘Op het
ook de eerste drie gedichten van de reeks op vergelijkbare wijze naar
van de Yijing, het klassieke Chinese Boek der veranderingen. Elk van
witte vel staan nu woorden geschreven. Het begin van een bundel? In
deze hexagrammen is een unieke combinatie van twee van de acht
dat geval zou hij tienduizend dingen moeten bevatten. Het is nog maar
trigrammen (die zelf weer bestaan uit drie onderbroken of ononderbroeen plan.”
ken lijnen: yin en yang) en heeft als zodanig zijn eigen unieke symboliek; samen drukken ze alle mogelijke zijnsmodificaties uit. Queneau
Op 19 mei 1975, na vijf dagen rust te hebben genomen, voltooit de
dichter de reeks: het plan is gerealiseerd, de bundel is af. Bevat hij inbaseert zich op die orthodoxe symboliek zonder er al te slaafs aan vast
derdaad de tienduizend dingen, zoals in het taoisme alle zijnden samen
te houden, en het resultaat is een ingetogen, suggestieve poézie, totaal
worden genoemd? Misschien. In ieder geval bevat hij in geconcentreerde vorm Queneaus hele literaire en obsessieve universum, van hond tot
anders dan alles wat hij tot dan toe had geschreven.
Het schrijven van die reeks van 64 prozagedichten was yoor
eik, van poética tot woordspeling, van wiskunde tot geschiedenis, van
Queneau waarschijnlijk in de eerste plaats een spirituele oefening — wat
encyclopedisme tot autobiografie. Ook zijn eigen getalsmatige ‘waterniet wegneemt dat hij dit achteraf het beste vond dat hij ooit had gemaakt. Uit het bewaard gebleven manuscript, waarin alle gedichten zijn
merk’ is de dichter niet vergeten, zoals blijkt uit het laatste gedicht van
de tweede sectie, misschien wel het raadselachtigste van de hele bungedateerd, blijkt dat de reeks is geschreven tussen 14 april en 19 mei
del:
1975 met een vast ritme van twee gedichten per dag, behalve op 8 mei
(vier gedichten) en 14 Um 18 mei (geen enkel gedicht). Queneau hield
Aarde: we beginnen van rechts. Soms loopt de bodem schuin, maar
bij het schrijven nauwkeurig de volgorde van de hexagrammen aan,
met één uitzondering: de eerste twee hexagrammen, respectievelijk opaltijd bedekt hij de afgronden van de afwezige kleur. Om deze aarde
zuiver te zien moeten we haar oneindige rijkdom op zichzelf beschougebouwd uit tweemaal het trigram Qian (het Scheppende, d.w.z. de hewen, zonder satijn of kant.
mel) en tweemaal het trigram Kun (het Ontvangende, d.w.z. de aarde)
en zelf logischerwijs ook Qian en Kun geheten, werden in het begin
Berg: hij is geen zwelling of oneffenheid maar staat zelfstandig overeind. Hij voegt een nieuwe dimensie toe aan onbewogen einders, hij
overgeslagen en pas behandeld nadat alle andere hexagrammen aan de
vergt extra adem, dwingt ons op te zien om het bijkomstige puin beter
beurt waren geweest. Dat is minder triviaal dan het lijkt, want het gete kunnen bevatten, maar verbergt de kern van zijn onmetelijkheid in
tuigt van Queneaus grondige kennis van het Boek der veranderingen.
zijn binnenste.
Het laatste hexagram, Wei ji, betekent zoiets als ‘Voòr de voleinding’,
Woud: het strekt zich verder uit dan je denkt en de humusrijke paden
lijken erin te verdwalen. Een heel netwerk zonder uitgang verbuigt zich
het duidt volgens Yijing-specialist Richard Wilhelm op een tijd ‘waarin
166
de overgang van wanorde tot orde nog niet is voltooid’. Voor de dichter
tussen de talloze tronken, maar de methode om ze te beschrijven maakt
Page 7
View in PDF(opens in a new window)MPRDHEQ|YGAOUTHYRAEMNGTAORINTSDEUL:
de kenner onfeilbaar. Eekhoorns verplaatsen zich net als vogels in de
‘Aarde: we beginnen van rechts,’ luidt de eerste zin, en inderdaad staat
drie dimensies. Hun woonplaats doet hetzelfde, hij rijst op en strekt
de aarde uiterst rechts in het schema; vanaf daar lijkt het gedicht de trizich uit.
grammen met de klok mee te volgen. Het vuur en de donder ontbreken
Stilstaand water: de spiegel van de zesde soort verstoort de voortzoals gezegd, de hemel (in de vierde alinea al de ‘zesde soort’ gegang van de wolken niet, maar door de zwemmende pennen worden er
voren zonder aanspraak op onsterfelijkheid in getrokken. Ze verdwijnen
ook het ‘eindelijk’ waarmee de laatste regel besluit: we hebben er even
even moeiteloos als de golvingen van de duikeenden. Zulke dromen wilop moeten wachten), en in de volgorde die het gedicht aanhoudt zoulen niet worden opgetekend.
den het vuur en de donder dus op respectievelijk de derde en de zeven-
Stromend water: louter schijn wekt de indruk dat alles in beweging
is, Het strootje is de laatste bocht om en toch is het er nog altijd. Een
rimpel lijkt tegen de oever te zijn opgelost, maar onmiddellijk is hij er
de plaats komen, wat samen opnieuw het getal 21 oplevert. Het is in
weer, precies gelijk. ledereen holt, iedereen haast zich en niets beweegt.
daardoor juist aanwezig in zijn werk.
Niets beweegt.
Hemel: eindelijk.
noemd) wordt tijdelijk overgeslagen en tot het einde bewaard (vandaar
feite hetzelfde procédé als de eerder genoemde alfabetische opsomming waarin de letter g ontbrak: de dichter stelt zichzelf afwezig en
Was Raymond Queneau een formalist? Ja, als daaronder iemand
wordt verstaan die in de literaire.vorm gelooft zoals Pythagoras geloofde in de getalsmatige harmonie van de kosmos. In geen enkele roman
Elke alinea van dit gedicht staat in het teken van een van de acht trien geen enkele dichtbundel is Queneaus formalisme een zuiver ratiogrammen van het Boek der veranderingen: aarde, berg, woud, stilstaand
neel, op neutrale axioma's gebaseerd spel. Zelfs op het hoogtepunt van
water, stromend water, hemel (die hier overigens niet moeten worden
zijn *rationalistische” periode, ten tijde van Cent mille milliards de poeverward met de vijf Chinese elementen, waarnaar de titel Morale
mes en de oprichting van de Oulipo, onttrekt hij zich aan het beeld dat
élémentaire zou kunnen verwijzen: water, vuur, hout, metaal, aarde).
ook vijfentwintig jaar na zijn dood nog altijd van hem bestaat. Ray-
Het gedicht heeft maar zes alinea’s, dus twee trigrammen ontbreken: de
mond Queneau is de sfinx van de twintigste-eeuwse Franse literatuur.
donder en het vuur. Het kan haast geen toeval zijn dat deze twee samen
het hexagram Shi he vormen, dat Queneaus ‘persoonlijke’ nummer 21
draagt. Maar dat is nog niet alles, want ook de volgorde van de alinea's
1, Voor een gedetailleerde analyse van Cent mille milliards de poèmes, zie mijn essay ‘De
in het gedicht lijkt te verwijzen naar het getal 21. Een bekende rangontplofte dichtbundel, of: hoc lees je 100.000.000.000.000 gedichten?’, in Ad Zuiderent en
schikking van de trigrammen ziet er als volgt uit:
Evert van der Starre (eds), De tweede gisting. Over de compositie van dichtbundels (Amsterdam 2001), p. 291-303.
2. Zelf heb ik cen poging gewaagd met Gerrit Achterbergs “Werkster’. Zie mijn essay ‘Lof
der gekunsteldheid. De masochistische poética van Raymond Queneau en de Oulipo’, in De
revisor 28: 5/6 (december 2001), p. 57-67.
WN. RASTER